Ons leven houdt maar aan een draad:

wie weet er, waar hij gaat of staat,

wanneer de dood zal komen;

of hoe dat hem, bij nacht of dag,

bij hoorenstoot of wapenslag,

zijn zielken wordt ontnomen?

De felste valt aleer hij 't weet;

de mate die hem 't leven meet

weet niemand van te vooren.

Zoo, zijt bereid, en leert hiervan:

't geen mij behoort vandage kan

u morgen ook behooren.

XXVII

N.N.

1874

'k Groet u, zoete zielke lief,

roosken rijk in geuren,

lelie uit de dellingen,

prachtsteen vol coleuren;

hatende al dat vleeschlijk is

en van kwad' humeuren:

zalig was uw sterven en

eeuwig goed te keuren.

XXVIII

J.V.D.P.

1870

't Getemmer van des menschen leest

is licht in stof en asch verstoven,

maar mensch zijn dat is aldermeest

onsterflijk leven, ver hierboven;

dit schendt geen dood, geen lichaamsdood,

dit kan noch vier noch staal bederven:

het kwaad alleen doet, -- jammer groot --

de onsterfelijkheid voor eeuwig sterven!

XXIX

O.L.A.

1876

In 't kloosterkleed gedekt en opgevat,

draagt, Englen, Hemelwaard een weerden schat!

En, weet gij wat gij draagt? Ons kind is het,

uit vader en uit moeder voortgezet,

ons eigen... Neen, 't was Gods, en God gebood

dat 't, nauwlijks levend, welkeren zou ter dood!

o Bittere stonden die een moeder leeft,

wanneer zij 't nieuwgeboorne 't leven geeft;

o bittere stonden, als 't geboren kind

al sterven in de dood weêr 't leven vindt!

Want graf en wieg zijn een en 't zelf; voorwaar,

de pelder, 't is als of 't een wiegkleed waar',

waaronder Gods almachtigheid bewijst

dat uit het graf de onsterflijkheid verrijst,

en dat de dood, die elk ende een bedriegt,

met eigen hand God blijde kinderen wiegt.

XXX

J.M.D.R.

1876

Ach, 't bitter leven is zoo kort:

van als het kind geboren wordt

tot dat het sterft, een stonde maar,

al duurde 't leven honderd jaar!

Ik stierf; na lang geleden pijn

en mochte ik niet genezen zijn,

ofschoon ik, Moeder, welbemind,

ofschoon ik, Vrouwe, man en kind

zoo geren, ach, zoo geren zag:

hij kwam, de bittere stervensdag!

Ik leef nochtans en derf niet meer

dat leven, dat in God den Heer

de doop mij gaf, de dood mij bracht,

en dat u, man en kind, verwacht!

Vaartwel, vaartwel, wij scheiden maar

voor korten tijd: vaartwel tot daar.

XXXI

A.K.V.C.

1876

Rechtzinnig, God getrouw,

geloofbaar en geloovend,

zoo wierd ze eene oude vrouw,

en stierf, den Hemel roovend.

Gelijk een kind, voorwaar,

dat, uit den doop geheven,

geen kwaad en kent, zoo klaar

was heur eenvoudig leven.

Zij hield aan 't waar gewin,

en met heur' laatste krachten

zoo bleef z'heur huisgezin

in eere en deugd betrachten.

Een waar exempel van

voorvaderlijke deugden:

God hebb' heur ziele dan

in 's Hemels ruste en vreugden!

XXXII

K.R.S.

1877

Van kindsbeen af getrouw

aan recht en plicht en zeden

in weinig goeds voldaan,

met kleen gewin te vreden;

van 's morgens, voor den dag,

tot in de nachtsche stonden,

in werk en kerk gelijk,

vol neerstigheid bevonden;

heur' man een ware schat

van bijstand en genoegen;

heur kindren zóó dat nooit

zij moeder nutloos vroegen;

de kindsheid heiliglijk

bewakend; veler kleenen

een tweede moeder; elk

een voorbeeld; van geen eenen

gehaat ofte onvereerd;

vol dagen en vol deugden;

ja, van heur jonkheid af

verdienend eeuwge vreugden;

heur name eene eer, door haar

met vlek noch schand bedorven,

alzoo heeft zij geleefd,

alzoo is zij gestorven!

XXXIII

BLANCHE

1877, 22 Maarte

Nog nauwlijks heft een blomke of twee

zijn kopken uit de groene wee

en zoekt de zonnestralen,

of blanker blomkes gansch een stoet

de blijde wegen schittren doet

omtrent de kerkportalen.

Ik zie daar een, zijn name is _blank_,

gelijk zijn' kleêren, wit en lang:

zijn' kinderlijke leden

bewegen of 't een Engel waar,

die, in een witten wolksamaar,

de kerk kwame ingetreden.

Dat is ons kind! God riep, het kwam,

en 't broodgelijkend Offerlam

mocht in zijn herte dalen;

zijn hert, dat kloppend d'eersten keer,

uit onz' twee herten kwam weleer

zijn' levensloop te halen.

Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat

zoolang u 't leven openstaat,

niet af vooruit te schrijden;

vooruit, waar God u wilt en waar

gij moogt, met ons, uw oudrenpaar

eens eeuwiglijk verblijden.

XXXIV

BLANCHE

1877, 8 Junij.

Nog nauwlijks is een maand of twee

den schoonen dag voorbij, of wee

verblindt onze oogenstralen;

wij zoeken weêr den blijden stoet,

maar alles treurt en treuren doet

omtrent de kerkportalen.

Ik zie daar een... zijn lijkje blank

ligt roerloos, en een sluier lang

ombundselt zijne leden;

zijn zielken, of 't een Engel waar,

is door den witten wolksamaar

des Hemels ingetreden.

Dit was ons kind! God riep, het kwam,

gelijk een schuldloos offerlam,

blij uit deze aardsche dalen;

ons kind, dat, levend d'eersten keer,

uit onz' twee herten kwam weleer

zijn' levensloop te halen.

Vaartwel, vaartwel dan, _Blanche_, en laat

ons allen in dien droeven staat

niet hulploos verder schrijden,

maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar

nog dikwijls voor uw oudrenpaar,

zoo zal ons hert verblijden!

XXXV

J.D.S.

1877.

Nog nauwlijks t' halvenweeg

mijn oudrendervend leven,

o Heer, wat ben ik blij,

U alles weêr te geven

dat gij mij gaaft, geheel

en door geen schâ belet!

Benijdt mij, gij vooral,

die, uit uw' kinderjaren,

onschuldig, ach, niet meer,

gescheept zijt en moet varen

de wreede wereld in,

met zoo veel kwaad besmet!

Indachtig blijft toch, ja,

dat elk van u zal sterven;

indachtig, opdat elk

eens ook de kroon moge erven

die "Onze Vader" zelf

mij, weez', heeft opgezet.

XXXVI

O.R.D.C.

1878

Goevrijdag was 't dat ik mijn kind zag henendragen

naar 't kerkhof! En bij 't kruis aldaar begroeven zij't!

Maria, laat mij U mijn bitter lijden klagen,

Maria, Moeder Gods, die ook toch moeder zijt!

Mijn kind!... 't Was God getrouw en U, naast God, genegen,

met bovenaardsche liefde! Eenvoudig, onbedacht,

zoo kende 't God en U en ons! En, met Gods zegen,

geen hooger jonste en had noch hij noch ik verwacht!

Die schat is weg! Die gunst heeft God mij zelf ontnomen!

Waarom? o Moedermaagd, waarom en vrage ik niet:

uw Jesus weet het best, Hij is om haar gekomen,

Hij, die mij, moeder, met U, Moeder, weenen ziet.

XXXVII

C.M.N.

1878

De wereld had, met scherp geweld,

zoo geren hare ziel geveld

en hare deugd doen falen;

de Dood heeft ook de kans geproefd,

met pijn en smert haar lijf gegroefd,

en rustloos afgemalen;

dan viel op 't laatst de booze aan 't werk,

maar Jesus wees, almachtig sterk,

hem de onderaardsche dalen:

en, rustende op zijn vaderhand,

Caelina ging naar 't Vaderland,

voor eeuwig zegepralen!

XXXVIII

P.P.D.M.

1878

Ik heb mijn Heer en God gebeden,

in 't midden van mijn hert;

'k en kende 's werelds ijdelheden

noch 's werelds smert.

Ik langde om hooger staat te leven,

en God, daarmeê voldaan,

heeft 't hoogste mij van al gegeven

en toegestaan.

Vaartwel, die mij gekend hebt, allen,

rondom Maria's voet;

en die door 's werelds ongevallen

nog reizen moet.

God geve aan die mijne ouders waren,

en die ik heb bemind,

de rust, na lange of korte jaren,

bij mij, hun kind!

Dan zal de dood geen scheiden wezen,

geen eeuwig scheiden, neen,

maar ouders doen en kind, nadezen,

weêrom bijeen!

XXXIX

W.R.A.K.

1878

o Schoone dagen, ongeweten,

of die, te laat gekend, o Heer,

zoo gauw geleên zijn en versleten,

en komen her noch immer meer!

Ik was een kind te weinig jaren,

ik bleef onschuldig al te onlang;

den zeeweg roekte ik in te varen,

voor schipbreuke onbevreesd, onbang!

Eilaas, daar faalt mij mast en steven,

daar vliegt mij bank en boord intween;

daar is van al mij niets gebleven,

niets, niets als ik en God alleen!

Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken

in dezen nood, zoo laat mij vrij

naast u de bittre teugen drinken

uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij!

XL

K.J.A.J.D.M.

1878

Het lag gebundseld en gebonden in de dood,

toen Jesus kwam, als schijnbaar brood.

Hij sprak: "Staat op!" En alle schijn verdween;

't wierd levend, het zag Jesus-God med' een,

en 't mocht den blijden choor ingaan,

in 't wit gewaad der onschuld, die voortaan

zal eeuwig blinken. Treurt niet, maar,

die hem bemindet, volgt zijn stappen naar!

XLI

OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS.

PIUS IX

13 Mei 1792 -- 7 Februarij 1878

De Koning van de Priesters is niet meer

der levenden. De mare vliegt. Elk weet het. En, gestorven,

heeft Pius hooger naam dan levend ooit verworven.

't Was hij! Daar was zulk geen! Men weeklaagt niet, veeleer

verheugt men in zijn dood, die, triomphant gebleven,

elk staaft in zijn geloove, elk steunt van die nog leven

en biddend overal. Elk zag hem niet, elk toch,

elk kent en elk bemint, elk eert en weet hem nog.

Elk zal hem kennen, weten, elk beminnen, eeren,

schoon duizend jaren nog na duizend wederkeeren.

Geen tijd meer haalt hem in, hij is de tijden voor,

en de eeuw die nog niet is ontvangt alree zijn spoor.

Verkrachting, list, verraad, zij poogden, maar zij vonden

des Pausen ziele sterk, gerust en ongeschonden.

't Was hij! Hij zag en: "Neen, de Pausen falen niet!"

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Poogt wederom, nu dat gij hem gestorven ziet,

spant al te zamen, helle en helsche strijdgenoten!

Staat op! Hij ligt in lijke!... Uwe ure is 't! Saamgeschoten!

Geweld gedaan! Gepoogd!... En, eeuwig neergeveld,

zoo zult gij machtloos zijn in al uw strijdgeweld;

en vallend over 't spoor van zijn bezweken voeten,

daar zult gij, spijts uw hert, lijk Pius, zeggen moeten:

"_Non possumus!_"

XLII

F.L.V.

1879

Ik ben Maria's kind, voortaan

en moet ik niet meer duchten

van uit den rechten weg te gaan

om eeuwiglijk te zuchten.

Ik stierf, maar God verleende mij,

't geen God alleen kan geven,

van in den Hemel, eeuwig blij

en eeuwig lang, te leven!

XLIII

E.M.P.

1879

Te vroeg gesmaakt, te vroeg ontvlogen,

te vroeg, eilaas, hebt gij mijne arme ziel bedrogen,

bedrog van 's werelds ijdelheid:

gij duurdet eenen dag, eene ure, een' stonde,

ha... tijds genoeg om arrebeid en zonde,

en om nog erger kwaal na die, mij toegezeid,

te kennen! 'k Wierd u moe! De kwade wegen,

door distels en door doornen diep gelegen,

zijn, op het end, veel beter nog

als al de valsche vroolijkheden

der korte dagen die 'k heb doorgeleden!

Vaartwel! Alwaar ik ga 'n is geen bedrog,

maar waarheid, leven, vreugde: in 's Hemels vreden!

XLIV

F.M.

1879

Hoe menig kind, den zelfsten dag

en 't zelfste jaar verschenen,

dat met mij eens het leven zag

en voor mij is verdwenen!

Zoo leerde ik lang en leerde ik goed

de kunst van wel te sterven,

ach, Onbevlekte, ik bidde U, doet

mij 't eeuwig leven erven!

XLV

R.D.

1880

o Vrienden, jeunt me een goed gebed

en peist, eer ge uw betrouwen zet

op al dat ijdle menschen raân,

hoe dat het is met mij vergaan!

Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas,

den duur niet van een enklen blaas;

gezond zijn is schier nog zoo broos

als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos!

Het leven is één stap, gesteld,

het wiegsken uit, in 't gravenveld!

En dan! o Dan, 'k en weet het niet!

Hij weet 't alleen, die alles ziet!

Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp,

voor eeuwig, na den wereldkamp,

wat dat er ons te wachten staat,

wanneer de tijd van sterven slaat.

o Dan, mijn God, bermhertigheid,

gij hebt het aan uw Kruis gezeid:

vergeeft mij wat gij weet en ziet.

want, wat ik deed en wist ik niet!

XLVI

Ridder ADOLF LOOSVELDT

13 October 1845 -- 20 Junij 1879.

Thielt -- Zanzibar.

Held des vreden,

overleden

op het slagveld, vrij van bloed;

g' hebt uw leven

God gegeven,

gansch en geerne en onvergoed!

Andren lijden,

andren strijden,

andren liegen, valsch en schoon;

die de wereld

't hoofd omperelt

met een ijdele gloriekroon.

Gij zaagt lijden

gij zaagt strijden,

gij zeidt: "Op!" en gij waart voort;

vriend noch mage en

kon u tragen,

want gij man waart van een woord.

Overleden

vriend, in vreden

bleeft gij voor de Kerke dood:

ha, Gods kerke

hebbe uw sterke

ziele, in haren moederschoot!

Thielt verloos u,

God verkoos u,

blijft aan God gejeund voortaan,

eeuwig, eeuwig;

en wij, leeuwig,

zullen we op uw voetspoor gaan!

XLVII

E.P.C.

1880

Voorbij is 't lijk een zonnestraal,

die, uit den hemelwagen,

een korten tijd

elkeen verblijdt,

omtrent de winterdagen.

't Was al zoo zuiver, noch 't en heeft,

van als het wierd geboren

tot op den dag

dat 't weg ging, ach,

zijne onschuld nooit verloren.

Het was verstandig, wijs en vroed,

en menig mensch met reden,

't zij man of vrouw,

niet durven zou

naast hem in 't oordeel treden.

Zoo schikte't God. Een korten tijd

verscheen het vóór onze oogen,

en, op de baan

ons voorgegaan,

zal 't ons den Hemel toogen.

XLVIII

TH. S., UURWERKMAKER.

1880

God geeft den tijd bij dag en jaar,

ach neen, bij kleene tikskes maar,

en 't laatste tikske komt aleer

men 't peist of weet, eilaas, te zeer!

De wijzer wijst elke uur en tijd,

maar de uur niet dat gij schuldig zijt

te sterven! Zijt dus voorbereid,

de wijzer wijst naar de eeuwigheid.

XLIX

FELIX A. J. Baron BETHUNE

12 Junij 1789--28 Sept. 1880

Ik heb gekend dien ouden grijsgedaagden,

dien fellen, goeden, welgezinden man;

dien blijden ouderling, dien sterken, onversaagden,

dien edelen mensch, dien christenen! 'k En kan

geen dag mij brengen dien ik leefde weêr te binnen

dat hij niet oud en sterk, en jong en was van geest:

hij scheen onsterflijk. Ja, onsterflijk is 't beminnen

dat hij verwekte en dat hem volgen zal, nu meest

dat hij is weggegaan en ijdel heeft gelaten

die groote en edele plaats, die eens zijn naam besloeg:

nu dat hij, goedgekeurd van God, en t'zijnder baten,

ter onzer niet, ontging eilaci, veel te vroeg!

Hij leefde eene eeuw bijkans, lijk Pius, dien hij eerde,

en die den grijzen zoon, gekend en hoog geschat,

zijn koninklijke blasoen vertreflijkte en vermeerde,

met 't graaflijk edelzijn der Roomsche wereldstad.

Hij 'n stierf niet, hij verdween; hij 'n krankte niet, maar zwijgend,

zoo scheen hij, al met eens verrukt, als naar een stem

te luistren, die hem sprak onhoorbaar... tot dat, hijgend,

hij eindlijk henentoog, hij, 't beste deel van hem,

zijne edele en vranke ziel! -- Vaartwel dan, oude vader,

gaat, gaat, wij jeunen 't u bij duizenden, beweend

van droefheid, blij nochtans; treedt God voor altijd nader,

en blijft met ons, in Hem, onsterfelijk vereend!

L

E.D.V.

1881

Die altijd, eere en plicht getrouw,

goê man, goê vader, kind en vrouw

beminde en was bemind ervan,

zou zulk een kwalijk sterven dan?

Al stortt' hij onder 't vier en 't lood,

al sloeg de donder zelv' hem dood,

of was 't een moordnaars schuld, nog dan

geen ware Christen schrikte ervan.

Neen, niemand weet hoe wonder dat

God alles wel te zamen vat

dat is en zal zijn; geen en kan

doorgronden 't diep geheem daarvan.

Bij hem die waakt ten allen tijen,

daar zult ge uw vader wederzien,

o kind; en, vrouw, den braven man

zult ge eeuwig blijven hebben dan!

LI

M.V.J.M.V.

1881

't Was 't uwe en 't onze, eilaas,

en, hadde 't mogen leven,

't waar' 't onze en 't uwe, o God,

zoo hope ik wel gebleven!

Waarom dan? Neen, waarom

en vrage, en rade ik niet:

ik berg mijn tranen, en...

dat Gij wilt is geschied!

'k Ben blijde, intusschentijd,

dat 't zielken onzer ziel,

na eenen lach met ons

gewisseld, U beviel;

en, U bevallend, dat

ons aldereerste kleentjen

voor eeuwig worden mocht

ons zalig Madeleentjen!

LII

J.B.B.

1881

Welaan, mijn weerde dienaar, lang

genoeg hebt gij den rechten gang

gevolgd, dien 'k uwe ootmoedigheid

met loonbelofte had voorgeleid.

Gij hebt voor mij veel meer gedaan

als Vorsten die daar slagen slaan,

die winsten doen en, jammer dies,

die stervend doen meest al verlies.

Uw sterven wel was 't voorbedacht,

want veerdig waart gij, dag en nacht,

om, altijd en met neerstigheid,

te doen dat u was opgeleid.

't Zij wie, met recht, u gaf bevel,

gij hoordet en gij deedt het wel,

en altijd hebt ge uw Meesters woord,

of waar 't mijn eigen, wel aanhoord.

Verblijdt u, goede knecht, voortaan;

gij hebt mij grooten dienst gedaan,

in de alderminste kleenigheid:

verblijdt u in der eeuwigheid!

LIII

S.V.C.

1881

'k En trok mij al 't geweld niet aan

der wereldlijke zaken,

maar 'k wilde, langs de nauwe baan

met d' hulpe Gods, geraken

tot in dat land, waar ze altemaal

gerechtigd zijn te wenschen

hun erflijk deel, 't zij rijke of kaal,

't zij groote of kleene menschen.

Hoe kleender hier, hoe grooter daar,

dat heeft God zelf gesproken,

en God en heeft zijn woord, voorwaar,

noch nu noch nooit gebroken.

'k Verwachte u, man, en kind, en al,

'k verwachte u, naastbestaanden:

de nauwste weg u leiden zal,

verzaakt den breed gebaanden,

dien velen volgen, rijke en groot,

benauwd van iets te derven

dat goed is, maar, dat, na de dood,

eilaas, doet eeuwig sterven!

LIV

E.H. DHOOP

Thielt 1840--Dixmude 1881

Die steen weêrsta den tijd, zoo lang

er menschenherten leven;

Hij teekne 't graf met eere en dank

door vrienden hier verheven;

't bedekt het stof van een die, 't leed

van iedereen indachtig,

te snel zijn eigen leven sleet:

hem loone God almachtig!

LV

M.V.V.

1881

Bermhertig weest mij, God,

met 't aldermeeste erbarmen,

en houdt mij, schuldenvrij,

in uw' almachtige armen!

Besproeit mij met hyssoop

en wascht mij witter dan

ooit versch gevallen sneeuw,

ooit lijnwaad wezen kan!

Verleent dat mijn gehoor

uw' hulp vernemend zij,

en maak 't gevelde stof

van mijn gebeenten blij!

Ge aanveerdt den geest die rouw

en leed heeft in zijn schuld,

en 't nederig boetend hert

Gij nooit versmaên en zult!

Dan, luistert, o mijn God,

vol goedheid, naar mijn stem,

en zet mij zetelvast

in 't hoog Jeruzalem!

LVI

F.J.P.

1881

Moe en tendenuit versleten

zat en zuchtte ik, jaren lang,

om weer los, en van de keten

vrij, te gaan den vrijen gang.

Los en vrij dat wierd ik heden,

En al 't gene ik meest ontzag,

't gaf mij, oud en stram van leden,

weêr den jong- en vrijen dag.

Al die sterven zult, onthoudt het:

't leven is een blijde baan

maar voor hem, die altijd houdt het

sterven in zijn oogwit staan.

Leeft en leert dus allen sterven,

gij die groot zijt en die kleen;

gij die 't waar geluk wilt erven,

'k wete 't, daar en is maar één!

Dat zult gij ook zelve eerst weten

en genieten, zoo 'k betrouw,

als gij vrij zult van de keten

zijn daar ik ben, vriend en vrouw!

LVII

M.L.V.D.B.

1881

Voor velen is de weg naar Lourdes hooge steden

een hoopverwekkend gaan, vol lof- en dankgebeden,

en 't wederkeeren wordt door velen, in hun land,

als of 't een bruiloft waar', gevierd ten allen kant.

Eilaas, zoo ging ik ook, vol hopende gepeinzen,

om troost in mijn verdriet, van hier naar Lourdes reizen,

en 'k wenschte al 't gene God, met Onze Lieve Vrouw,

had best voor mijne ziel beschikt, dat 't wezen zou.

Triomph, het is geschied! Geloofd zij God! Genezen

en mocht ik van de kwaal des lichaams wel niet wezen,

maar hooger giften gaf mij, op Maria's woord,

die God, die altijd elk na zijn beliefte aanhoort:

'k Genas van al 't verdriet, van al de droeve plagen,

die velen nog na mij, die mensch zijn, zullen dragen;

'k genas, om nimmer meer te kranken, en om, blij,

voor eeuwig God te zien, van zucht en tranen vrij!

LVIII

H.N.

1881

Eilaas, eilaas,

ze zijn zoo dwaas

die, van hun jongste dagen

voor de eeuwigheid,

die elk verbeidt,

in tijds geen zorge en dragen!

Ik stierf, al was

ik wel te pas

en op geen dood aan 't peizen,

en, onverwacht,

het minst gedacht

en hadde om weg te reizen!

Niet el en kan

't gevolg daarvan

voor mijne ziel nu baten,

't en zij dat ik

geen oogenblik

en hebbe ooit God verlaten.

God weet dat, Hij

die stierf voor mij,

en, stervend, heeft verworven

dat ik met al

niet vreezen zal,

hoe haastig ook gestorven.

LIX

G.J.G.M.

1881

Welkom, kindtje, in d'Hemelzalen,

'k liet u van mijn' Englen halen

uit des werelds doolwoestijn;

Vader, Moeder, wilt niet weenen,

omdat 't oudste der twee kleenen

al zoo vroeg mocht zalig zijn.

Zorgt voor 't andre, en laat geen listen

't dierbaar schaapke mij betwisten,

dat ik u te weiden liet:

weidt het zoo dat, Vader, Moeder,

gij uw kind, -- en dat zijn broeder,

't Zusterken -- eens wederziet!

LX

L.P.D.

1881

o Kwaad om gaan is 't achter 't leven:

men valt zoo lichte, aleer men 't weet!

Wel hem dien vrienden hulpe geven,

die handen trouw zijn hert besteedt,

wanneer hem eens de felle winden

onvoetvaste en schier vallend vinden!

'k En wist het niet, en, blij geboren,

voorspelde ik mij geen zielsgevaar:

eilaas, ik heb den weg verloren

en hulploos ging ik vallen, maar

een laatste vriend heeft me ondervangen,

een vriend dien 'k aan een kruis zag hangen.

Gekruiste God, zijt honderd malen,

mij welkom, want Gij, liefgetal,

mij achtervolgd hebt, op mijn dwalen;

zijt welkom, ach, met kruis en al:

ik wil 't U lijdzaam helpen dragen

en u, mijn God, vergifnis vragen!

Vergifnis, die mij hebt geschapen,

die mij verlost hebt, en gered:

vergifnis, eer ik valle in slapen

met U, op 't eendlijk folterbed:

o Jesu, wilt me, in 't ander leven,

vergifnis en verrijsnis geven!

XLI

J.M.E.H.B.

1881

'k En heb niet lang geleefd, maar lang geleden;

'k heb weinig blijdschap, droefheid veel gezien;

hoe vaart het mij, in de eeuwigheden,

geen droefheid en geen lijden meer te lijen!

Zoo is het in dit ballingschap der aarde:

't geluk is kort, eilaas, en 't lijden lang;

't Is nacht aleer de middag klaarde,

en ruste en is het nimmer, zonder dwang!

Niet zoo en is 't bij ons; die hooger steden

bewonen, en, onsterfelijk voortaan,

al 't lijden hebben uitgeleden,

en in de blijdschap eeuwig blijven staan.

Geliefden, niet terug-, niet omgekeken:

alhierwaards is de weg, de zaligheid;

de waarheid Gods is mij gebleken,

u zal zij blijken: volgt me, en weest bereid.

Want 't komt een dag weleens, van al de dagen

de schoonste, vol onsterfelijk genot,

dat wij, die hier ons scheiden zagen,

en weenden, weêr te zamen zijn bij God!

LXII

A.B.

1881

Ik ben bij U, Maria zoet,

getrouwig blijven staan,

tot dat de jubelkroone mij

wierd om het hoofd gedaan.

Ik was bij U te Bethlehem,

in 't moederlijk genot,

naast U volgde ik Calvariewaard

uw' Zone en mijnen God.

Gij hiet zijn Kruis mij dragen en

Hij deed mij vroolijk zijn,

U volgende in de blijdschap en

U volgende in de pijn,

tot op dien alderlaatsten van

de dagen, als Gij, teer,

bij mij kwaamt, mij versterken met

het Kruis van mijnen Heer.

In 't Kruise, in U, o Moeder, dan

zoo hope ik, onvervaard,

dat Gij mij zult voltoogen nu

den Kruisweg Hemelwaard!

LXIII

V.J.

1881

'k Geloove dat Hij leeft, die 't leven schiep

en elk verwekken zal die ooit ontsliep

of scheen in 't graf te dalen.

'k Geloove dat de loon de werken dekt

en overmild vergeldt, ja, verder strekt

als 's levens wijdste palen.

'k Geloove dat gij, Moeder, moe gewrocht

en moe geleden, eindelijk los gerocht

van 's werelds dienstbaarheden,

in Hem nu rust, in wien gij Christen wierdt

en, met Geloove en Liefde en Hoop versierd,

zijt in Gods rijk getreden.

'k Geloove dat, op de oude rots gestaan,

gij weerdig hebt dit leven doorgegaan

en zijt alsnu gerezen

waar, Moeder, gij uw kindren, trouw en goed,

naartoe wenkt, en voortaan verlangen doet

om weêr bij u te wezen!

LXIV

C.V.

1881

Zij heeft de waarheid Gods, zijn goedheid ondervonden,

die mocht den laatsten stap van hare levensbaan,

gelijk den eersten, schuldloos gaan

en vrij van alle zonden!

Maria ging haar vóór en zij kwam nagetreden,

getrouw, van kindsbeen af, en, kinderlijk gezind,

zoo heeft zij hare plicht bemind

en haren last geleden.

Geen sterven was 't voor haar, veel eerder zegepralen,

op 's werelds erg bedrog: het was ontlaten zijn,

van Adams ballingstraffe en pijn,

en de oude schuld betalen.

Zij stierf den dag dien God voor haar had uitverkoren

't was op de blijde feest wanneer Hij nederkwam:

als van Maria 't Godlijk Lam

wierd in een stal geboren.

Lam Gods, zij hare ziel dan licht en rust gegeven!

Maria, toogt dat Gij haar Moeder waart, en dat

nooit kind dat zulk een Moeder had

en miste 't eeuwig leven!

LXV

G.J.N.

1881

Een Engel te meer heeft het leven verhandeld,

het tijdlijk gewisseld om 't eeuwig genot!

"Wat is het?" Zoo komt men van 't kerkhof gewandeld,

en zegt: "'t Is hem beter, veel beter bij God!"

Veel beter is 't hem, maar eilaas, zij die blijven,

zij, Vader en Moeder, hun leven, hun bloed,

hun hoop, hunnen troost, al in de eerde zien drijven...

die wonde, die diepe is 't, die 't meêlijen verzoet!

Dan, troost u, zijt Christnen: die 't kind heeft gegeven

is Meester van alles, en 't kind u vergoên,

dat wil en dat zal Hij: is Hij u gebleven,

wat kan u, die God nog hebt, wanhopen doen?

Staat op, en ziet hemelwaards, pelgrims der aarde,

die werken en slaven moet, loon is nabij:

God leeft nog, God waakt nog; die niemand en spaarde,

de Dood zal eens dood zijn, en leven zult gij!

LXVI

G.K.D.

1882

Te jong en niet te jong, eilaas, is hij geleden

naar 't eeuwig land, daar elk naartoe ziet, die nog leeft!

Te jong, zoo spreekt allicht de menschelijke reden,

die, diep getroffen, haast geloove en hope ontgeeft.

Kerkhofblommen · 第 3 / 6 段