En de aarde gaat op en gaat neêr,

ook de aarde gaat open en toe:

en, hooger als de andere graven, een tijd,

daar toogt men een graf en zegt: "Dáár!"

En de aarde zinkt langzamig neêr,

en de aarde zinkt wederom toe,

en wederom strekt er zijn armen naar uit

't vergetende gers, en 't groeit toe.

En de aarde gaat open en toe,

en de aarde gaat op en gaat neêr,

en haast is het alles zoo effen en groen,

zoo effen als al dat er leeft.

Wat zegt gij, o zwijgende veld?

Waar lag hij, waar ligt hij nu, hij?

Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg

en zeide: "Vaarwel gij, vaarwel?"

Een stemme, geen andere 'n sprak,

een stemme, geen andere, geen een:

"Komt hier," zei een stemme, aan het Kruis, "hij ligt hier:

komt hier," zei een stemme, "aan het Kruis."

o Stemme van 't houtene Kruis,

o Kruis van den Heere, gegroet;

gij blozende vrucht aan den edelen boom,

gekruiste Verlosser, gegroet!

Waar staat gij, hooge over mijn hoofd,

waar staat gij, gedoken in 't gers,

waar staat gij, waar staat... dat ik groete u, o Kruis,

ik groete u, o edele Kruis?

o Stemme van 't houtene Kruis,

o stem van het houtene Kruis,

ik vraagde zoo dikwijls, ik vraagde en ik bad,

en... de antwoord is altijd: het Kruis.

o Kruis op den torre en in 't gers,

o Kruis aan 't gedokene graf,

o Kruis, waar gij staat ofte gaat, zijt gegroet,

gegroet zij mij 't heilige Kruis!

o Stam van het heilige Kruis,

triomphwinnend houtene Kruis,

gij toogdet.., ik vond mijnen vriend, vind' Hij mij,

die stierf aan het heilige Kruis!

NOG EENS

Nog eens, o christene studenten,

bij 't graf gestaan! In tranen? Neen!

Laat vreugde op ons den zegel prenten,

want wij zijn christenen! 't Geween

betaamt die hoop noch troost en kennen

in Christi kruis en dierbaar bloed,

betaamt die kerke en kerkhof schennen,

betaamt een' andren jongelingsstoet!

Voor ons is doodgaan levend worden,

door Hem die lijf en leven gaf;

't en zijn geen beendren die verdorden

of zullen opstaan uit het graf.

Zoo zult gij ook, beminden; 't sterven

heeft Jezus zelve ons voorgedaan:

de doodbrief staaft uw recht om 't erven

het rijk waar Hij is ingegaan!

Gelukkige Arnoud, rust in vrede,

God hebbe uw' ziele in zijn gena;

gij droegt, 't is waar, uw deugden mede,

maar uwe exempels liet ge ons na:

die volgen wij, tot op den rande

van 't graf, onwankelbaar vereend;

brengt deez' belofte ooit een in schande

van die hier staan? Zoo God helpt, neen 't!

JAARGETIJDE

o Gij die wij beminden eens,

wij groeten u, vol droef geweens,

en staan rondom uw graf te gaar,

op 't ende van uw stervensjaar.

Waar zijt gij? Sterke en kloeke, en al,

waar zijt gij, ach, te groot getal

van vrienden, gij, die dacht misschien:

'k Zal menig uwer sterven zien!

Aleer gij iemand sterven zaagt,

was 't gij die eerst gestorven laagt:

en droevig staan we, uit vriendenplicht,

bij 't graf, waar ge in begraven licht.

Zoo vaart de dood, o! doof en blind,

ze'n spaart geen ouder, spaart geen kind;

smijt al in 't graf, maar d'hope niet,

die me in dit kruis hier staande ziet.

o Zalig teeken op het graf,

o nooit ontvallen wandelstaf,

staat bij, staat bij, in dezen nood,

en zijt remedie na de dood!

o Kruis, daar Christi bloed aan was,

de mensch is licht en broos als glas:

hij valt, hij breekt; gij staat en houdt

omhoog, die op uw stam betrouwt.

Daar liggen ze aan uw voet, o Kruis,

onz' liefste neêr, in stof en gruis:

herleve 't stof en worde 't wat

Gods hand het eens geschapen had.

Herworde 't jong en stervensvrij,

herworde 't in Gods vreugden blij,

herworde 't in God zelf geleerd,

herworde al 't duistre in licht gekeerd!

o Dierbaar is het vriendengraf,

ik schee daar met getraan van af,

ik laat mijn hert daar aan en bij,

en,... vrienden, dat u vrede zij!

HET KRUIS

Het kruis ontliet den mensch

uit 's vijands helsche banden;

met 't kruise wijgen hem,

in 't doopsel, 's priesters handen;

gebiecht, gevormd, berecht,

getrouwd, gezalfd in 't kruis,

nog wijst hem 't kruis den weg

naar hier, zijn laatsten thuis.

o Kruise, dat daar staat,

och, of zij 't allen wisten,

gij zijt het teeken en

de hoop van elken christen:

zoo Christus leefde en stierf,

in kruisen en verdriet,

zoo zult gij, of ge en volgt

in zijn triomph hem niet!

UIT HET ITALIAANSCH

Ik hoor ze zingen in de roozenhagen,

de nachtegaalkes, hunnen liefdezang;

en de eekentronken, oud en bruin, doordragen

de gulden najaarszonnestralen lang.

't Gaan duizend stemmen achter 't land en roeren,

't gelooverte en het gers en 't beekske roert;

in 't diepend blauw zie 'k de Apenninen loeren,

den hemel wordt zijn' roozenverwe ontvoerd.

Bij zulk een zalig, eenzaam vredezegenen,

och Moeder, mochte ik uwe stemme ontvaân!

Och mochte ik, Moeder mijn, u nog bejegenen,

een enk'len keer nog, en toen sterven gaan!

Neen, koud zoo ligt gij daar, in 't graf gedragen,

het hooren van mijn stemme is u geroofd!...

wijl boomen, bergen en de roozenhagen

de nacht bedekt, die dit mijn herte dooft!

R.I.P.

Rust in vrede, rust in vrede,

gij die, wandlend, zijt van hier

voorwaards- en voorbijgetreden,

onder Christi kruisbanier;

die naar 't land zijt, het verdoken,

waar de koninklijke staf

ligt bij 't naamloos stof gebroken,

van 't onedel werkmansgraf;

waar geleerdheid niets kan baten,

weet men Christi lessen niet,

waar men geld en goed moet laten,

waar geen schoonheid overschiet.

Rust gij, leeraar en geleerde,

rust scholier en schoolregent;

rust, dien elke ende een vereerde,

rust, dien niemand heeft gekend.

Rust, die 't zelfste bloed in de aderen

droegt misschien als ik; en gij,

vrome ziele onzer vaderen,

rust, en dat u vrede zij!

Moge God u ruste geven,

die begonnen, die volend,

of die, midden in het leven,

wakend hebt de dood gekend!

Rust in vrede, rust in vrede,

jonge en oude, groot en smal,

rust en, in Gods zaligheden,

rust, gij afgestorv'nen al.

Rust in vrede, rust in vrede,

u nog eens vaarwel gezeid,

eer ik weg en thuiswaards trede,

rust... tot in der eeuwigheid!

Amen.

HET KINDEKE VAN DE DOOD

Filius mortis est.

I Reg., XX, 31.

Daar zijnder die de levensbaan,

met schaars eenen brijzel brood,

tot aan hun oude dagen gaan

en leven, spijts de Dood.

Daar zijnder die dit leven van

zijn blijde bane stoot,

van waar hun eerste reize began:

't zijn kinderen van de Dood.

Eén wist ik, en zijn moeder, als

zij 't hutste op haren schoot,

zij zong en zij zeide: "Mijn kind!" 't Was valsch!

't was 't kindeke van de Dood.

Zij leefde en leefde tweemaal toen

zij 't tegen heur herte sloot,

en driemaal, toen ze 't dáár mocht voên,

heur kindeke... van de Dood.

't Kind at en drank, uit klaar bedwang,

en 't pramen van den nood,

maar al dat het nutte, van spijze en van drank:

het at en het drank de Dood.

Het groeide alzoo de plante wast,

die nimmer zunne 'n ziet:

een rijzig, een reilde kindeke was 't,

en derelijk als een riet.

En de andere blommekes, blank en blij

ze loegen altemaal;

en, over van vreugde, zoo loegen zij

met zijnen bedrukten staal.

Het loeg... en het hief in het blauwe meer

des hemels zijne oogen, maar

ze vielen zoo licht op de aarde weêr neêr,

en ze stonden daar, immer -- dáár.

Aanschouwt hem, aan zijn huis geleund,

hij rust en, overhand

op d'een en op d'andren voet gesteund,

daar staat hij nu, aan den wand.

Hij staat daar, van als de morgen breekt,

en spreekt geen enkel woord,

't en zij dat hij in zijn herte spreekt,

en dat God daar alleene aanhoort.

Aldus verwacht hij 't noengetij,

hij buigt zijn hoofd, hij hijgt

om asem, en pijnelijk asemt hij...

maar klagen, nooit: hij zwijgt.

Zoo zinkt het sappig looverkruid

in 't branden van den noen,

en asemt al de krachten uit

die zijn blaren voên.

Hij staat daar, als de zonne zinkt, --

een roode hemelbal,

die loerende al onder de boomen blinkt

en wegvaart, -- liefst van al.

Toen heft hij zijn grooten oogbal op

en laat hem, overlaan,

ontlasten den blinkenden pereldrop,

dien niemand en kan verstaan.

Toen sukkelt hij weg, en hij kijkt, wanneer

hij staat om in te gaan,

nog eenen laatsten en ach zulk een langen keer,

al zuchten... achter de baan!

En als de wind de deure wrijft,

toen keert hij treurig om,

wendt weder, en schudt met zijn hoofd, en schrijft,

in de asschen daar schrijft hij: "Kom!"

Gelijk het kind des avonds, blij

en op zijn speelgenoot

al peizen, wenscht: Dat het morgen zij!

zoo wenscht hij naar de Dood.

De dood is maag en vriend van hem,

hij kent heur witte hand,

hij kent heuren lijzigen stap, en heur stem,

en heur delfspa, en heur land.

Zij is vriend van hem en speelgenoot,

zijn herte langt erom;

ja, zij nestelt alree in dat herte, de dood,

en zoo, schrijvende, zucht hij: "Kom!"

Zij beidde, en hij beidde zoo lange ernaar,

en ze kwam toch 'nen keer, daar hij stond

alwaar hij placht te staan, en alwaar

zij kwam, en alwaar hij ze vond.

Zij kwam, en zij ging in huis, en hij zag,

en hij stapted' heur achternaar:

zij klom en hij klom, en zij lag en hij lag,

en zij loeg... en hij loeg op haar.

En zeider daar eene: "Ei, hij lacht! hij lacht!

Wat heeft er med' hem geweest!

Wat doet hij nu, dat hij nog nooit en placht:

ons broeder, ai Heere, hij geneest?"

"Ah," zeider daar toen nog eene andere vrouw,

"dat was mij een aardige lach!

Zoo loeg hij, wanneer dat hij sterven zou,

mijn areme man en hij... ach!"

De schrik kwam in huis, en elk beefde en elk sprong

en elk vloog, alhier, aldaar:

en 't klopte op den torre, en de belle klonk,

en 't brandede een keerse klaar.

En stille... zoo viel het toen, stille,... niet

en roerde of en leefder meer,

om 't schrikken en om den eerebied,

en de komste van -- den Heer!

En zeider een lijzige stemme, toen

zij weerom spreken dorst:

"Wat gaat hij daar, kijkt, wat gaat hij doen:

wat maakt hij daar op zijne borst?"

"Ai!" zeider eene andere vrouwe, en sprak,

terwijl zij naar Christus wees:

"Het Crucifix! want hij maakt zijnen pak...

hij gaat sterven!" En zij kreesch...

En 't water viel gewijd op hem,

het kruis ging aan zijnen mond,

en snikkende snokte er nog menige stem,

die anders geen woorden en vond.

Toen sprak hij, terwijl hij staal voor hem zag,

en -- iets? -- in zijne armen sloot:

"Och! moeder toch, geeft mij een kruisken!" En ach,

de vrouw was al lange dood!

En spannende toen, med' eenen langen zucht,

de ziele heuren band... intweên,

ze vluchtte... en, in moeder heuren schoot gevlucht,

zoo liet zij heur lijk alleen.

Med' oogen half open en mond half toe,

zoo lag het, en loeg het, en keek;

en velen die 't zagen, ze zeiden: "Hoe!"

en dat het hem zóó geleek.

De landman stond, op den droeven klop,

die zijne endeklokke lood,

en peisde, en hij rechtte zijn hoofd 'nen keer op:

't Is voor 't kindeke van de Dood.

Hoe snel nu van dien rechtveerdigen man

't gebed ten Hemel schoot,

't en was er niet eer als het zielke van

het kindeke van de Dood.

En zij, die eens op dat eigenste kind

heur stervende oogen sloot,

ze zoende in den hemel heur teerbemind...

heur... kindeke... van de Dood.

En zong er toen een, dien dit leven van

zijn blijde bane sloot:

"Ik hope in een beter leven dan

dit leven van de Dood.

En 'k wilde wel gaan door 's levens baan,

met schaars eenen brijzel brood,

zoo 'k mochte zoo recht naar den Hemel gaan

als -- 't kindeke van de Dood!"

GOUDEN ROOZEN

_Gedachten by het graf_

van zaliger mijn weledelen, zeer eerweerden Heere

Mijnheer Joseph Antonius Maria Ghislenus

Anastasius Johannes-Nepomucenus

Baron de Pélichy

filius M'her Johannes, wijleneer Burgemeester der stad Brugge,

bij Mevrouw Maria Josepha van Heurne;

_die, geboren te BRUGGE, op den 15 April 1809, Priester

en Bestierder der Zusters van Maria te ISEGHEM,

aldaar godvruchtiglijk in den Heere overleed,

op den 28 Julij 1882_.

Gouden roozen, zelden bloeiend,

in dit arem tranendal,

of zoo spoedig weêr ontwelkerd,

wie is 't die u vinden zal?

Jesus volgende en Maria,

gouden rooze na den geest,

was hij Edeling, was hij Christen,

was hij Priester, aldermeest.

Hij was levend 't geen hij stervend

wilde zijn: de gouden roos

uit zijn wapenschild, oud, eerlijk,

ongeschonden, vlekkeloos.

Beeld van liefde, beeld van goedheid,

beeld van al dat edel is,

bloeit hij zoo in aller herten

en in elks geheugenis.

Beeld van priesterlijke deugden,

van geleerdheid, hooge en klaar;

in de kunst die alle kunsten

overtreft, kunstoefenaar.

Kunst der kunsten, zielen leiden,

zielen leeren vroeg en laat,

God betrachten, God beminnen,

met den woorde en met der daad.

Kinderzielen, opgegaderd

langs den weg en in het dal,

schoon u niet altijd even prachtig,

even kostlijk immers al.

Hoogbestemde zielen Christi,

maagdenblommen, leliepracht,

van de wereld afgestorven,

God beschouwend dag en nacht.

Zegt, wie zal elks lesse wezen,

elks goê voorbeeld? Zegt, wie zal,

onder zoo veel edele perelen,

de eêlste perele zijn van al?

Zegt, wie zal den vijand keeren,

wie zal wakend voorengaan,

wie den weg, de weiden vinden,

wie de bronnen gadeslaan?

Hij zal werken, hij zal waken,

hij zal sterven, doet het nood,

en, lijk Jesus, zijnder kinderen

hulpe en heil zijn, tot der dood.

Gouden rooze, vol van kracht en

milde reuken, deur end deur,

alles met de lucht verfrisschend

van uw zoeten liefdegeur.

o, Wie pegelt al de schatten

die gij, bloeiend roozenblad,

God alleen bekend, de menschen

onverstaanbaar, hebt bevat!

Dat is 't woord, o gouden rooze,

dat ik in uwe tale vond;

dat's de wijsheid van dat wapen:

Gouden roozen, groenen grond.

Groene grond was 't, en goede eerde,

waar gij 't leven hebt ontvaân,

en waar eerst de gratielonken

van Gods zonne u vonden staan.

Goede grond zijn onze herten,

en de vruchten, ongeteld,

zijn wij schuldig uwer goedheid,

die nu rust in 't heilig veld.

Vruchten, weerd het milde zaaien

van uw hand en al het werk

van uw priesterlijk bezorgd zijn

voor Gods volk en voor Gods Kerk.

Groene grond zal op het kerkhof

haast verbergen 't heilig oord,

waar gij rust en wacht de stemme

van des Engels wekkend woord.

Maar geen groenen, geen verdroogen

van het jaar of van het veld,

dat de erkentelijke droefheid

onzer herten palen stelt.

Neen, geen tijdstip, geen verjaren

van uw sterfdag mindert ooit

het geheugen van al 't weldoen,

dat gij hebt rond u gestrooid.

Want wij hopen, schoon wij weenen,

dat alwaar gij God geniet,

gij het werk nog uwer liefde en

al uw' kleene kinders ziet.

Ha, betrouwt ons dat wij zullen

uwen name en uw blasoen,

kleen- en grooten, rijk- en armen,

naast onze ouders, eere doen.

Dank- en dierbaar zal hier blijven

uw gedacht, en, waar gij zijt

zal de weêrklank u verheugen

van uw naam gebenedijd.

Wij beloven 't en wij meenen 't,

dat wij, ver van u voortaan,

zullen werken, leeren, bidden,

en met u standvastig staan.

Ja, standvastig als de boomen

van dat vruchtbaar wapenveld,

dat, vol gouden eekels, uwe en

onze vrienden voorenstelt.

Vrienden, die aan ons u binden,

schoon gij reisdet hemelwaards,

en die, in uw' plaatse, ons zullen

troosten, of gij zelv' het waart,

tot dat eens een' dag van vrede, een'

dag van blijdschap God verleent,

die hetgeen hij kwam te scheiden,

in zijn goedheid, weêr vereent.

Dit vereend zijn, -- _in æternum!_ --

dat het eeuw- en ervig duur',

na 't bedied van Gods onroerbaar

woord: _Non commovebitur!_

[NOTA. -- Het wapenteeken, dat het edele geslachte _de Pélichy_

vertegenwoordigt, is: Op een groenen grond of veld eene zilveren of

witte bare, onder welke eene, boven welke twee, te zamen drie gouden

roozen staan, met deze kenspreuke: _Vulnerat et sanat -- : 't Kwetst en

't geneest_.

Het edel geslachte _Gillès_ vertegenwoordigen, op eenen blauwen grond of

veld, een gouden keper, met, in elken overschietenden hoek van 't

schild, een te zamen drie gouden eekels. Kenspreuke: _In æternum non

commovebitur: In der eeuwigheid en zal 't beroeren_.

Het wapenteeken van de twee verhuwlijkte geslachten te zamen, _Gillès_

en _de Pélichy_, is, gevierendeeld, aldus: 1 en 4 _Gillès_, 2 en 3 _de

Pélichy_.]

ZIELGEDICHTJES

I

L.J.D.W.

1852

Het aardsche vat was al te teêr

voor 't machtige verstand,

de band des lichaams kon niet meer

weêrstaan der zielen brand;

hij brak... ze ontlook heur vleugelen

en koos de hemelbaan:

daar mag zij, zonder teugelen,

God minnen, God verstaan.

II

H.L.B.G.

1852

Uw stemme, o Heer, hebbe ik vernomen:

"Gaat in mijn wijngaard," sprak ze mij.

Ik ben, gehoorzaam, er gekomen,

al is 't dat ik onweerdig zij;

en nauwlijks daar nog ingetreden

of, met den wille alleen te vreden,

zoo roept gij mij bij uwen throon,

en geeft, voor onverdienden, loon,

zoo veel aan mij als aan die 't ploegen

en 't daaglijks strijden voor uw kerk,

en d'hitte van den dag verdroegen,

gegrijsd op 't heilig wijngaardwerk!

III

GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem.

1855

Welzalig is de sterveling,

die nooit in kwade wegen ging,

maar die zijn leven, dag en nacht,

Gods wet bewaard heeft en betracht.

IV

J.F.C.

1855

Gelukkig die, in 't dorre zand

van 's werelds vreemd Egyptenland,

op weg ten hemelwaard,

geen oogbedriegend weeldrig oord

vergeefs vervolgend, op en spoort,

maar zijnen weg bewaart.

Gelukkig die de wreede beet

der wereldbraam zoo haast vergeet

als hij ten Hemel schouwt,

of die, in zijnen lentedag,

een enkle blomme plukken mag,

en... dat 't hem niet en rouwt.

Maar geen die ik zoo gelukkig nom

als hem die 's werelds doorne en blom

en 't jonge leven laat,

om vroeg naar 't eigen land te gaan,

waarheen de pelgrim, op de baan,

nog reekende oogen slaat.

Gelukkig, jongst ontslapen vriend:

nooit heeft uw ziel het stof gediend,

op ijdelheid verzot;

een enkele blomme pluktet gij:

de zuivre blom der Poësij,

en droegt die meê naar God!

V

D.J.V.K.

1858

Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen,

de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weêr aan;

ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen,

maar nauwelijks op, het licht is weêr aan 't ondergaan!

Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen,

't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee

en uit alle aardsche vreugd, -- mag vreugd heur name wezen?

de zonne duistren zie in eene gloriezee.

De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen

met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen,

gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron;

de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten,

en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten,

die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon.

VI

P.F.J.S.

1755 † 1858

't Geen waarvan de droeve menschen

altijd klagen hier beneên,

't geen waarnaar zij 't meeste wenschen

hebt gij honderd jaar geleên.

Maar, weer m'oud wordt en grijsharig,

weer onmondig kind verscheidt,

-- gij wierdt honderd-en-driejarig, --

schilt het iets in de eeuwigheid?

Zegt, wat hebt gij meer verworven,

mocht gij in den Hemel gaan,

als het kind met u gestorven,

en naast u in 't graf gedaan?

Jaren, maanden, dagen, uren,

ware 't honderd, duizend jaar,

zijn, bij Gods oneindig duren,

of het niet een stonde en waar!

VII

K.J.D.C.

1859

Gelukkig die, van kindsbeen af,

Maria gansch zijn herte gaf,

en, tot zijn laatste stonden,

bij haar en haren Zoon alleen

den troost in 's werelds droef geween

gezocht heeft en gevonden!

VIII

A.D.K.

1859

Een kind ontsliep:

wie anders weet

als moeders herte ervan,

en Jesus', die 't

gewonnen heeft

en nooit meer kwijt en kan?

IX

E.J.B.

1859

Naar sterren, als de zonne uitschiet,

en vraagt men noch en zoekt men niet.

De nacht,... hij brak, de zonne klom,

uw zonne... Gij zeidt: willekom!

en vloogt, o vriend, en leeft nu, waar

geen nacht meer is en sterreklaar

lijk hier, maar dag, bij God den Heer,

en nacht, dat en wordt het u nimmermeer!

X

ADVOCAAT S.

1859

Die, rijk gekanst, is arm gebleven;

die 't zweerd droeg van het Recht, en die

bemind was en beminnend; wie

in zulk een deugd hem grauw kon leven,

dien loont geen lof dien mensch kan geven,

dien loont, -- het is van God gezeid, --

God zelf maar, en Gods eeuwigheid.

XI

A.V.D.

1860

God gaf het ons,

God nam het ons,

Gods name zij geprezen;

't was wel bij ons,

't ging weg van ons,

't was beter in den Hemel;

daar blijft het ons,

daar wacht het ons,

daar zien wij 't eenmaal weder!

XII

J.V.D.

1860

Ah! gij hadt zoo geren 't leven

aan uw kindtje weergegeven,

liefste moeder: uw verdriet

kent het dan Gods woorden niet?

Alle liefde en alle zoetheid,

leven zonder levensmoedheid,

leven zonder stervensdag

erft... die zalig sterven mag.

XIII

L.L.D.

1860

Leeft gij lange of korte dagen,

moet gij leed of leute dragen,

God, die 't eene en 't ander geeft,

zal u 't een en 't ander laten

in dit vluchtig leven baten,

zoo gij 't voor en met Hem leeft.

XIV

N.V.N.

1860

Hetgene een' moeder troosten kan,

die weent,

noch vriend noch vreemd en weet daarvan,

o neen;

't is God die slaat, 't is God die troost,

't is God die alles doet:

't is vele dat men goedheid heet,

maar God alleene is goed.

XV

N.N.

1861

't Zij vroeg of laat

daar niets en baat,

daar moet elk tol betalen;

't zij munk of non,

gij, nu, ik ton:

de dood komt alles halen!

XVI

CORDULA

1862

De trage ziekte brak intween

den band van lijf en lenden,

maar kon de ziel, 't geloof, de hoop

noch de edele liefde schenden;

ze vlamde los, en vluchtte omhoog,

onstuimig om te vinden

den Meester, Vriend en Bruidegom,

in Jesu, den beminden:

in Hem bij wien geen tijd meer is,

geen toekomst, geen verleden,

maar de eeuwige onvergankelijkheid

van 't altijd altijd heden.

XVII

ALFONS DANNEELS

3 Aug. 1847 † 9 Nov. 1864

o, Kon het ooit voor regel gelden

dat kunst of dappre moed verschoont

van 't sterven, o, men vond meer helden,

meer kunst'naars met het loof gekroond!

Maar neen, 't en baat niet; al die leven

ze zullen sterven, jong of oud:

die schatting moet eenieder geven,

al weigerde hij tienduizendvoud.

God wilde 't zoo en al ons klagen

bewijst maar hoe eilaas de mensch

geschikt was om een lot te dragen

dat hem nog voorzweeft in den wensch.

Onsterflijkheid, daar elk naar hankert,

onsterflijkheid, die ze al trotseert...

daar 'n is geen andre als zij, die in de kruisrotse ankert

en in 't graf Christi triompheert!

XVIII

F.I.D.R.

1865

Gelukkig kind, dat van zijn spel,

zijn engelken voor reisgezel,

zijn hertje vrij van zonde en schand,

is weggegaan naar 't hemelsch land!

Gelukkig kind, gij liet ons al

bedroefd om u, in 't aardsche dal:

gij, blijde, daar omhooge, bidt

voor ons, waar ge op den throon nu zit!

XIX

A.V.S.

1871

Gelijk het paaschenblommeken,

als 't winterweêr gesust is,

zoo smeet het zijnen lijkdoek af,

en 't rees al uit zijn donker graf,

en 't leeft nu waarder ruste is.

XX

L.S.P.

1872

Onwetend en onschuldig nog

van al dat menschen weten,

wat hebt gij, kind, uw leven toch

onlang voorbijgesleten!

Bemind van al, bemind van elk,

vol vreugde, waarheid, goedheid:

't en was in uwen levenskelk

geen dreupel of 't was zoetheid.

En eer hij uit was nam u God:

gij waart van hooger weerden

als dat gij zoudet dienen tot

versier van dezer eerden.

Naar hooger streken zijt gij, kind!...

Gebenedijd van heden

zoo moet Gods naam zijn, en bemind,

tot in alle eeuwigheden.

XXI

VADER EN MOEDER G...

1872

God liet hen, als twee boomgewassen,

gesteund d'een op den andre staan,

en lief en leed zoo zeldzaam passen

dat geen verschil ooit kan bestaan.

Zij leefden, stierven, oud van dagen,

aanschouwde ik 't eeuwig leven niet;

zij zijn bij God: 't was zijn behagen,

al dat Hij wilde 'et zij geschied!

XXII

E.F.V.T.

1872

Verloren moeite, onnuttig streven,

om langer als den tijd te leven

dien God, in zijn beschik, ons stelt:

zijt keizer, koning, oorlogsheld,

zijt jong of oud, zijt rijk aan gaven

of arm, gij sterft, gij wordt begraven...

't Is al voorbij, verleên, gedaan!

Toch neen, daar blijft iets voortbestaan,

dat meest veracht wordt en misprezen,

dat is, en dat zal eeuwig wezen...

Past op uw ziele, o mensch, en doet

hetgeen God wil, hetgeen gij moet.

Laat lachen al die lachen konnen:

de ziel gered is 't al gewonnen;

en die dit één verliezen zal

verliest, eilaas, verliest het al!

XXIII

A.K.E.

1873

Een stap is 't maar

van wieg tot graf,

voor ouden en voor jongen.

Gelukkig die,

dit leven af,

hoe kort of lang

het God hun gaf,

den beteren weg ingongen!

XXIV

H.D.M.

1873

Verkieslijk is het, duizendmaal,

te rusten in Gods hemelzaal,

als, op der aarde, al wierd men rijk,

te slaven om wat ijdel slijk.

'k Beminde uw huis, o Heer, en zag

den luister geren van uw' dag:

_uw dag_, hij is mij opgestaan;

_uw huis_, ik ben erin gegaan.

Vaartwel, en die dit leest onthoudt

dat ge ook in tijds de dood beschouwt.

XXV

C.D.B.

1874

Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen

deên menige eedle ziel de martelkroone ontvangen;

elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht,

wordt menig martlares gemarteld dag en nacht.

't Geen Agatha stond uit ééne ure, heb ik geleden

drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden.

De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint,

't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint!

XXVI

B...

1874

Kerkhofblommen · 第 2 / 6 段