Produced by Frits Devos and Distributed Proofreaders Europe
KERKHOFBLOMMEN
_In De Nederlandsche Boekhandel zijn nog verschenen:_
Guido Gezelle's Volledige Dichtwerken
10 deelen ingenaaid fr. 16.--; 8 deelen gebonden fr. 25.50
daarvan zijn afzonderlijk verkrijgbaar
ingenaaid gebonden
I. Dichtoefeningen fr. 2.-- fr. 3.25
II. Kerkhofblommen " 2.-- " 3.25
III. Gedichten, Gezangen en Gebeden.
Kleengedichtjes " 2.-- " 3.25
IV. Liederen, Eerdichten et Reliqua " 2.-- " 3.25
V-VI. Tijdkrans " 4.-- " 5.50
VII-VIII. Rijmsnoer " 4.-- " 5.50
IX. Hiawadha's Lied " 2.-- " 3.25
X. Laatste Verzen " 2.-- " 3.25
Kleengedichtjes 2 deeltjes met rood kader versierd, klein formaat fr. 1.--
In 2 deeltjes gebonden " 2.--
GUIDO GEZELLE
KERKHOFBLOMMEN
ACHTSTE DRUK
Met voorwoord van CAESAR GEZELLE
SCHOOLUITGAVE
DE NEDERLANDSCHE BOEKHANDEL
Bestuurder L. H. SMEDING
ANTWERPEN -- 50 St. Jacobsmarkt
1906
TER INLEIDING.
1. Guido Gezelle. -- _Zijn leven en zijne werken_.[1]
Guido Gezelle werd geboren te Brugge den 1en Mei 1830. Tot October 1846 was
hij student aan het College te Brugge en van 1846 tot '50 aan 't Klein
Seminarie te Rousselaere. Van October 1850 tot het einde van '53 deed hij
zijne priesterstudiën aan het Seminarie te Brugge en keerde toen als
leeraar naar Rousselaere terug; hier had hij, achttien jaar oud, zijn
eerste gedrukt vers, De Mandelbeke, gedicht.
In 1858 verscheen van hem een eerste bundel: _Vlaemsche Dichtoefeningen_,
eene keuze uit zijne verzen sedert tien jaren; en datzelfde jaar 1858
dichtte en schreef hij, op twee dagen tijds, zijne _Kerkhofblommen_. In
1862 verscheen, verzameld door twee van zijne leerlingen, een bundel met
naam: _Gedichten, Gezangen en Gebeden, een Schetsboek voor Vlaemsche
Studenten_.
In 1860 keerde hij naar Brugge terug en bleef er, tot 1865, onderrector en
leeraar in de wijsbegeerte aan het Engelsch Seminarie, en werd toen
onderpastor in Sint-Walburgis-parochie, tot in 1871.
Den 17en Juli 1864 stichtte hij een politiek weekblad, _'t Jaer '30_, dat
in 1870 werd gestaakt, en den 2en December verscheen het eerste nummer van
een ander weekblad door hem gesticht: _Rond den Heerd_, een volksblad over
letterkunde, wetenschap, geschiedenis, folklore, waarvan hij tot in 1871
den last heeft gedragen.
Den 20en September 1871 werd hij onderpastor der O.-L.-V. kerk te Kortrijk.
_Liederen, Eeredichten en Reliqua_, een derde bundel, verscheen eerst in
1880, doch behoort om zijnen inhoud voor het grootste deel tot de jaren
1860-70.
In den eersten tijd dien hij te Kortrijk doorbracht, hield hij zich alleen
met taalstudie bezig; in 1860 was zijn _Noordsch en Vlaemsch Messeboekje_
verschenen; hij droeg veel bij tot De Bo's Idioticon; in 1881 stichtte hij
als voortzetting van dit werk zijn eigen tijdschrift tot woordzanting en
woordverklaring _Loquela_ en in 1890 stichtte hij nog _Biekorf_, een
twee-wekelijksch blad voor West-Vlaamsche letteren en Wetenschap.
In 1886 gaf hij in het Davidsfonds de Vlaamsche vertaling uit van
Longfellow's _Song of Hiawatha_, de omwerking van eene eerste vertaling
door Dr. E. Lauwers.
In 1893 laat hij het eerste van zijne twee meesterwerken _Tijdkrans_
verschijnen, een bundel natuurschilderingen, met al te talrijke
gelegenheidsgedichten, en in 1896 het tweede: _Rijmsnoer om en om het
jaar_, waaraan in 1900 de vijfjaarlijksche staatsprijs werd toegekend.
Hij was in 1886, bij de stichting der Koninklijke Vlaamsche Taalkamer, lid
geworden van dit genootschap, op welks last hij de uitgave bezorgde van
_Hennen van Merchtenen's Cronicke van Brabant_ (1896). Op 't laatste van
zijn leven ondernam hij de vertaling van Z.D.H. Mgr. Waffelaert's
_Meditationes Theologicæ_ en werd op 30en April 1899 naar Brugge geroepen
als Bestuurder der Engelsche Augustijner Kanonikessen; zes maanden later,
den 17en November 1899 overleed hij.
Het volgende jaar verschenen zijne nagelaten gedichten in een bundel
_Laatste Verzen_.
[1: Z. _Gesch. d. Vlaamsche Letterkunde van het jaar 1830 tot heden_. Th.
Coopman en L. Scharpé. Antwerpen 1899. 10e aflev.]
II. _Zijne Taal_.
Schrijft Guido Gezelle West-Vlaamsch?
Er is West-Vlaamsch en West-Vlaamsch.
Het eene, dat men de West-Vlaamsche spreektaal kan noemen, is de taal
zooals ze door het volk in West-Vlaanderen gesproken wordt en die
verschilt van stad tot stad, van dorp tot dorp. Deze taal, of talen
liever, zijn niet _het_ West-Vlaamsch, maar de West-Vlaamsche
gewestspraken, die bestaan nevens de Oost-Vlaamsche, de Antwerpsche,
Limburgsche en Brabantsche.
Op de grenzen dier gouwen loopen de dialekten in malkaar, en, langs eene
gamme van kleine verschillen, worden ze op den duur zóó verschillend,
dat de Vlamingen van ééne gouw voor die van eene andere somtijds
moeilijk te verstaan zijn; zoo zal bijvb. een bewoner van de
West-Vlaamsche polders meestal niet eenen Kempenaar verstaan.[1]
Daarnevens werd in West-Vlaanderen door Deken De Bo en Guido Gezelle en
door hunne volgelingen, eene West-Vlaamsche schrijftaal gebruikt, die in
eene gansch andere verhouding staat met de taal der overige Vlaamsche
gouwen, immers ze staat alléén, en die ook merkelijk van de gesproken
taal in West-Vlaanderen verschilt. En hoe?
"Natuurlijk," zegt Gezelle zelf, "zal een Vlaming geen ruw en
ongezuiverd Vlaamsch gaan schrijven, zooals hij het op de straat hoort,
-- evenzoomin zou hij met ongemeulend koorn naar de markt gaan; zoo
schrijft hij niet: "'t en è chee waâ," maar: "'t en is geen waar." Niet:
"Mettak weg was kwampi," maar: "met dat ik weg was kwam hij."
Gezelle's taal is dus de gezuiverde spreektaal uit West-Vlaanderen. Maar
hoe gezuiverd?
Zooveel mogelijk heeft hij voor regel genomen, onze verfranschte en
verhoogduitschte taal naar het voorouderlijke Vlaamsch te verbeteren:
"Ik heb liefst naar oude Vlaamsche dichters opgezien en zooveel mogelijk
die tale gebruikt, die bij Maerlant en andere te boeke staat en die,
Godlof, alhier nog levende gehoord en gesproken wordt."
Het West-Vlaamsch gaf daar aanleiding toe, immers:
"De taal dier oude gewrochten is in West-Vlaanderen met de _zuivere_
volkstaal ééne en dezelfde gebleven.[2]
Het West-Vlaamsch moet, volgens Dr. Snellaert, in de middeneeuwen
grootendeels voor regel in het schrijven gediend hebben; ingezien den
bloei van Brugge, Damme en Sluis, zal de taal er met de betere
beschaving wel gelijken voet gehouden hebben.[3]
Tot dat, men mag dus zeggen, Oud-West-Vlaamsch, is Gezelle wedergekeerd,
om de spreektaal uit West-Vlaanderen te verheffen, te louteren en te
verrijken tot schrijftaal.
[1: Men raadplege daarover: _Van de Schelde tot de Weichsel_, J.A.
Leopold en L. Leopold. 2 deelen, Groningen 1882.]
[2: _Dichtoefeningen_, Verantwoordinge.]
[3: ibid. ibid. en _Belgisch Museum_, 8e d., bl. 159.]
III. _Kerkhofblommen._
1º. _Hun ontstaan_.
[Illustratie:
EXIMII ET DILECTI CONDISCIPULI
POESEOS ALUMNI IN MINORE SEM. ROLLAR.
ATQUE IN CHRISTO FRATRIS IN MEMORIAM.
TER DIERBAER' EN ZALIGER GEDACHTENISSE
_van onzen_
BEMINDEN BROEDER IN CHRISTO
MYNHEER EDUARD VAN DEN BUSSCHE,
STUDENT IN POESIS
EN LID DER CONGREGATIE VAN O.L.V. ONBEV. ONTV.,
IN 'T KLEEN SEMINARIE TE ROUSSELAERE;
_die geboren te Staden op den 10 Januarii 1840,
aldaer in den Heere verscheiden is op den
derden dag van Meije, wezende heilig-Bloeddag,
van 't jaer 1858._
R.I.P.
Zoo der ooit een bloemke groeide
Over 't graf waerin gy ligt,
Of het nog zoo schoone bloeide --
Zuiver als het Zonnelicht,
Blank gelyk een Lelie blank is,
Vonklende als een Roozen hert,
Nedrig als de need're ranke is
Van de Winde daer me op terdt,
Riekend, vol van honing ende
Geren van de bie bezocht --
Nog en waer't, voor die U kende,
Geen dat U gelijken mogt!
G.G.
Eja dulcis anima, eja dulcis rosa,
Lilium convallium, gemma pretiosa,
Cui carnis foeditas extitit exosa
Felix tuus exitus morsque pretiosa!
St. BONAVENTURA.
_Rousselaere, ged. by Stock-Werbrouck._]
Dit is de rouwgedachtenis of het doodsanctje door den Meester opgesteld
bij 't afsterven van eenen zijner leerlingen; met zijne studenten trok
hij op om de begrafenis bij te wonen. Alles wat hij er zag en hoorde en
wat in zijn geest groeide tot beeld, alles wat in zijn hert werd gewekt
van gevoelens, schreef hij neer bij het t'huiskomen. Op twee dagen was
het af, en korte weken nadien kwam zijn eerste werk uit:
_Kerkhofblommen, geplukt en bewaerd ter nagedachtenesse van zaliger
Mijnheer Edewaerd Van den Bussche, geboren te Staden..._
Een meesterwerk.[1]
2º. _Ontleding_.
De dichter heeft den gang der gebeurtenissen gevolgd en ze opgeteekend
naarmate ze voorkwamen; de beste ontleding zal hierin dus bestaan, dat
wij hem volgen, stap voor stap op den weg dien hij vóórging, verwijlend
een oogenblik bij iederen tred, om de christenheid en de diepte van zijn
_gevoelen_, de kracht van zijne _opvatting_, de schoonheid van zijne
_beelden_ en de macht van zijne _voorstelling_ te beschouwen, om zijne
_taal_ te doorgronden, om, met één woord gansch zijne eigene
persoonlijkheid te leeren kennen.
En wil men, zoo kan men er dan eene verdeeling in vinden als volgt:
A. _Vóór_ den Lijkdienst.
1º. Omstandigheden:
a. _Wie_ was E.v.d. Bussche?
Verzen: Zoo daar ooit...
Proza.
b. _Wanneer?_ Welke ure was't?
Verzen: 't Was de ure dat...
Proza tot aan: Zoo gebeurde 't.
c. _Waar_ was de begrafenis?
Proza: Wij wierden ondertusschen...
Verzen: Traagzaam trekt...
2º. Verhaal.
a. Het strooien kruis. Lyrische ontboezeming over
't geloof der Vlamingen, en hun gebruik van
een kruis van uitgedorschen stroo te leggen
waar een lijk voorbij moet. Het uitgedorschen
stroo verzinnebeeldt het lichaam zonder de ziel.
b. De moeder van den afgestorvene.
c. Bezoek bij de kist -- en het _De Profundis_.
d. De vader. -- Beschrijving door vergelijking,
Zijne ziekte,
Zedeles en troost.
e. De lijkstoet:
Het kruis -- lyrische strophe.
Landelijke natuurbeschrijving: langs den weg,
en tegenstelling met de stad.
De broeder en de zuster van den overledene.
B. De Lijkdienst.
1º. Vóór de kerk: Uitlegging van zinnebeelden uit
de kerkelijke lijkplechtigheden:
Klokken.
Wijwater.
2º. In de kerk:
a. De rouwgetijden. }
b. Het _Dies iræ_. }
c. Wierook. } Het aangrijpend _mysterie_
d. Lichten. } van de grootsche
e. Offerande. } troostende ceremoniën
f. Bel. } uit onze heiligen
g. Consecratie. } Godsdienst.
h. Klokken. }
i. Het: _In Paradisum_. }
C. De Begraving.
1. Laatste plechtigheden.
2. Lijkrede: In deze innig roerende aanspraak is
evenmin als in al 't voorafgaande eene klassieke
verdeeling te vinden. Dwingt men er den stalen
gietvorm op van: Exordium, Confirmatio en
Epilogus of Peroratio, zoo dooft men eenvoudig
de verhevene zielegloed die door het stuk leeft,
en men maakt het belachelijk. Wederom kan men
niets beters doen dan de gedachten van den spreker
eenvoudig te volgen en aan te teekenen.
Na een eerste woord waarin hij:
1. de leeraar, zich tot spreken onbekwaam gevoelt,
om hier zijn dagelijksche les te geven,
2. en aan den engel des doods zijne taal leent,
richt hij zich
1º. tot den afgestorvene en roemt _zijne deugden_:
a. zijne zuiverheid;
b. zijnen ootmoed;
c. zijne liefde en eerbied voor ouders en
meesters;
d. zijn verlangen naar het heilig priesterdom.
2º. tot de ouders van den afgestorvene:
a. zijnen vader wiens troost,
b. zijne moeder wier hoop hij is in den
hemel.
3º. tot den grond van zijn dierbaar Vlaanderen.
En hij eindigt met een roerend: tot wederziens!
C. GEZELLE.[2]
[1: Dietsche Warande en Belfort, Febr. 1900, bladz. 110-111.]
[2: Die korte inleiding werd geschreven op verzoek van den Uitgever en
ten gerieve van de studeerende jeugd onzer bisschoppelijke colleges.]
KERKHOFBLOMMEN[1]
Eia dulcis anima, eia dulcis rosa,
Lilium convallium, gemma pretiosa,
Cui carnis foeditas exstitit exosa,
Felix tuus exitus morsque pretiosa!
S. BONAVENTURA.
Ei, gij zoete zielken toch; ei, gij zoete rooze;
Lelie van de dellingen, kostelijk gesteente;
't Vleesch en zijn bederfenis hadt gij altijd noode,
Zalig was uw uitgang en kostelijk uw sterven!
Zoo daar ooit een blomke groeide
over 't graf waarin gij ligt,
of het nog zoo schoone bloeide;
zuiver als het zonnelicht,
blank gelijk een Lelie blank is,
vonklende als een roozenhert,
needrig als de needre ranke is
van de winde daar m'op terdt,
riekend, vol van honing, ende
geren van de bie bezocht,
nog en waar 't, voor die U kende,
geen dat U gelijken mocht!
In der daad, Eduard van den Bussche was, van afkomste en geboorte, van
zeden en manieren, van Geloove en Godvruchtigheid, van voorkomen en van
aanzien, oprecht een kind en een blomme van te lande; een kind was hij,
dat hedendaags misschien de eervolle bespottinge weerd zou zijn van
menig een, die hem verre beneên staat in de oogen van Hem bij wien de
nederigen alleen verheven zijn, en 't Goddelijk welbehagen verdienen;
zulk een kind was hij, dat, of ik nóg zoo veel deugd van hem zei, mij
geen één van al die hem Ouder of Meester, Pastor of Biechtvader, Makker
of Vriend waren en zoude kunnen tegenspreken. Het hadde ons ook, zijne
medeleerlingen in Poësis, hertelijk gespeten, hadden wij, om den afstand
of anderszins, moeten laten van naar zijn uitvaart te gaan; wij gingen
en
't was de ure dat de Leeuwerk zoet
heur hooge zeevaart laten moet
en, zoekende op der aard'
om heur behoef, geen stonde en let,
maar zingend weêr de zeilen zet
en stiert ten Hemelwaard.
't Was de ure dat uw stemme luidt,
en klinkt en klapt en lacht en fluit,
o blijde Nachtegaal;
o orgel, die m' in 't veldaccoord,
en liev- en lang- en luider hoort
als alle vogeltaal!
't Was de ure dat de wind ontwekt,
en 't wentelend kooren laaft en lekt,
en zoetjes ruischen doet;
dat uit de malsche velden jaagt
die lucht, die 't lieve leven draagt
in 't drijvend, dravend bloed.
't Was de ure dat de landman gaat,
en op zijn herte een kruise slaat
en op zijn land een kruis;
en gaande bidt, en weent, en zaait
hetgeen misschien een ander maait
en lachend voert naar huis.
Het zaad! het zaad! het wonder werk,
dat nooit, of waar' hij nog zoo sterk,
een mensch gemaakt en heeft:
dat sterft éér dat het leven mag,
dat leeft alwaar 't gestorven lag,
en, altijd stervend, leeft!
Wij gingen ook een edel zaad,
het lijk van onzen medemaat,
al blijde, weenende al,
het land besteên, 't gebenedijd,
dat vruchtbaar, op gestelden tijd,
hem wedergeven zal.
Wij naderden allengskens het sterfhuis. De zonne lag in strijd met den
nachtelijken smoor, en 't en bleek ons niet of ze er ging door breken;
doch de wijze landslieden, die van op hun werk ons keken voorbijgaan, en
"elk ne' goên dag" met ons wisselden, verzekerden ons, op goed en
deugdelijk bewijs, uit hun dagelijksch verkeer met Gods winden en
weder, dat ons Heere den werkenden man 'nen schoonen dag ging verleenen.
Zoo gebeurde 't. Wij wierden ondertusschen, in 't half duister van den
smoor, al lenger hand de hofsteê geware en zagen reeds het blanke gewaad
van den wagen, die gereed stond om, naar oud vlaamsch gebruik, den
afgestorvene, met zijne weenende en biddende familie, kerkewaard te
voeren.
Traagzaam trekt de witte wagen
door de stille strate toen,
en 't is weenen, en 't is klagen
dat ze bin' de wijte doen!
Stap voor stap, zoo gaan de peerden,
traagzaam, treurig, stille en stom,
en zij kijken, of 't hun deerde,
dikwijls naar hun' Meester om;
naar hun' Meester, die te morgen
zijn beminde peerdenpaar,
onder 't kammen en 't bezorgen,
zei de droeve nieuwemaar.
"Baai," zoo sprak hij, "Baai en Blesse,
heden moeten... stille! fraai!
moeten wij naar de uitvaartmesse,
met den wagen, Blesse en Baai!"
En toen, na zijn hand te doppen
in 't gewijde water klaar,
zegent hij de hooge koppen
van 't onachtzaam peerdenpaar.
En hij kust en kruist ze beiden,
en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai,
moet een lijk naar 't kerkhof leiden,
Baai en Blesse, stille! fraai!
Schuimen zoudt ge en lastig zweeten,
zoo 'k u zonder wete liet
van de mare, en zoudt verheeten,
gave ik u den zegen niet!"
En hij zelve kruist en wijdt hem,
eer hij ze in den breidel vangt,
met het water, dat bezijd hem
aan de ruwe bedspond hangt.
Want hij slaapt bij zijne beminde
peerden en bezorgt ze trouw,
trouwer als voor eigen kinde
eigen Moeder zorgen zou.
Hij besproeit, en met gewijden
pallem speerst hij peerd en stal,
om de lijkvaart te bevrijden
van gevaar en ongeval.
Ha! wie weet hoe veel gevaren
die niet hebben uit te staan,
die met peerden, -- God bewaar' hen! --
die met hunne meesters gaan?
Traagzaam rijdt en rolt de wagen,
treurig door de strate voort,
en 't is krijschen en 't is klagen,
dat men onder 't dekzeil hoort.
Stap voor stap zoo gaan de peerden,
ziende naar hun' meester om;
stap voor stap, als of 't hun deerde,
traagzaam, treurig, stille... en stom!
't Was met eenigen tegenzin dat de goede landslieden hun oud gebruik
voor dezen keer wilden afstaan, om ons de eere en den troost te laten
van onzen vriend, hand en hand, om zoo te zeggen, naar 't kerkhof
uitgeleed te doen en zelve te dragen.
Toen wij dan, na weinige stonden reizens, op de hofsteê kwamen, wierden,
al met een keer, de hoofden van de eerste aankomers ontdekt, dan de
volgende, tot dat wij, buiten ons verwachten, al te maal sprakeloos en
stille stonden vóór de balie, over de wijd uitstrekkende armen van een
overgroot neêrliggend kruis.
O dierbaar Geloove van Vlanderen, kostelijke perel van het Vaderland!
Gij alleen hebt die werkzuchtige landslieden kunnen ingeven dáár een
kruis te leggen, en een kruis van uitgedorschen strooi! Christelijk
bezielde Vlaming, gij spreekt toch, zonder woorden, uwe gevoelens en uw
herte zoo wonderlijk klaar! "Bidt," zegt gij, "al die op mijn hof komt,
bidt en ontdekt uwe hoofden voor het kruise des Heeren, want heden is
van onder mijn dak eene ziele verscheiden, die, buiten hare verdiensten,
op niets meer te steunen en heeft 't en zij op het kruis. Bidt en peist,
gij die op mijn hof komt: hier is de Heere zijn graan komen halen en
daar ligt nu 't ijdele strooi! Gelukkig, is het graan niet te licht
bevonden; gelukkig, en heeft de vlegel des lijdens het niet gekwetst, en
mag het nu de uitgekozene terwe des Heeren zijn! Bidt en peist, gij die
op mijn hof komt; bidt en peist, gij die ervan af gaat, bidt en 'n terdt
niet op het alverzoenende, op het alverblijdende kruis!"
Wij traden binnen, één voor één, om niet te stooren; want de goede
lieden en waren ons niet verwachtende. De eenvoudige Moeder, uit
ingeboren Vlaamsche herbergzaamheid, vergat in 't eerste bijkants dat in
heur huis het lijk van heur kind over eerde lag, en maakte alle slach
van verschooningen: 't stond al over ende, dit en dat was er te kort,
zij klaagde en gebood alhier en aldaar, zonder te weten van wat of aan
wie; haalde zelve stoelen bij, en eindelijk, onder den last van veel
strijdige gevoelens gepraamd, brak heur herte, en ze borst uit in eenen
alderbittersten stroom van tranen, die ze ging zitten weenen in de
asschen van den uitgestorven heerd.
Op de voute lag het lijk, alreê in de kiste gedaan. Wij klommen binnen,
met zoo velen als wij kosten, en de anderen knielden in eene verstrooide
reke door den vloer.
_De profundis!_ klonk de bede,
_De profundis!_ zuchtte 't huis,
't huis, en al die knielden mede,
in godvruchtig stemgedruisch.
Uit de diepten roepe ik, Heere,
hoort, ik bidde U, naar mijn' stem!
wilt uwe oor te mijwaard keeren,
die om bijstand biddend bem!
Sloegt gij al mijn zonden gade,
Heer, wie 'n zou niet ondergaan?
Neen, bij U daar is genade,
Heere, uw spreken houdt mij staan!
Staande blijve ik op uw spreken
en ik hope in U, o Heer!
van het vroegste morgenbreken,
tot des avonds wederkeer.
Want bij U is medelijden,
is verzachten des gekwels,
grooter als het wederstrijden,
als de boosheid Israëls.
Heere, dat hij ruste in vrede,
zei de Priester, ende wij:
Dat hem, in alle eeuwigheden,
't hemelsch licht geschonken zij!
_De profundis!_ zong de bede,
_De profundis!_ zuchtte 't huis,
zuchtten al die knielden mede,
met verstervend stem... geruisch.
Na dat wij, met gewijden palm, wijwater over de kiste en over ons zelven
gesprinkeld hadden, zagen wij, voor de letste maal op deze wereld, het
aanzichte van onzen beminnelijken vriend. Wij verkenden hem nog, in het
witte gewaad der onnoozelheid; ja wij verkenden u, Eduard, aan dit edel
blanke voorhoofd, aan die ingezonkene oogen, die zoo diepe en zoo vaste
lagen en schouwden in den Hemel! "In den Hemel" stond op uw wezen, klom
in onze herten, en klonk, als een triomphelied, bij 't weêrom toeleggen
van uwe schrijne.
Ondertusschen hadden wij reeds verscheidene malen in de nevenkamer den
klaren treurzang hooren weêrhelmen en de bitterste toonen des lijdens.
"Eduard! mijn Eduardtje toch!" was al dat wij vatten konden, was iederen
keer het slot van een lange reke zuchten, snikken en klagen; "Eduard
Eduard, ha! mijn Eduardtje toch!..." Weenende vrouwen leidden ons
binnen, schoven eene gordine weg, en... dáár lag de eerbiedweerdige
Vader des huisgezins, het hoofd en de koning van de omliggende velden,
de kloeke, de taaie landsman, met zijne zwemmende oogen in de onze om
hulpe te zien; hulpe, die wij hem niet geven en kosten, want de hand des
Heeren had hem geraakt.
Zoo staat een eekenboom, verre en wijd beromd als de koning van het
woud; stille en rustig steunt hij de wolken op zijnen stam en op zijne
wijd omschaduwende kruine. Al met eenen keer straalt de bliksem des
Alderhoogsten, hij valt omverregedonderd en ligt, met rookenden top, op
de gebrokene takken van 't hout dat rondom hem groeit. Zoo lag die man
daar, geveld en ontworteld, in al de kracht en de vroomheid zijner
vijftig doorgewrochte jaren, rustende op de teere doch nuttelooze zorgen
van zijne vrouwe en van zijne weenende kinderen.
Menigen oest hebt gij zien bloeien, brave man; menigen meitak moest gij
nog op uw volle schure steken, maar de Heere heeft de maneschijnen
verkort, die gij nog tellen zult, terwijl gij ligt en zucht op het bedde
des lijdens, onder eene zoo smertelijke plage! En, waarom zou ik hier,
uit nieuwerwetsche kieschheid, mijne tale geweld aandoen en u bij uwen
naam niet noemen, schrikkelijke kanker, bliksemstrale des Alderhoogsten,
gruwbare doch heilige smerte, sedert dat het bloed van den lijdenden God
alle menschelijke smerte geheiligd en gezalfd heeft? Waaromme en zou ik
u niet noemen, Dienstengel des Heeren, uitvoerder van Zijnen altijd
aanbiddelijken wille, u, door wiens handen God zoo menigen zucht van
liefde, zoo menig woord van verduldigheid, zoo menigen wensch naar den
Hemel, zoo menige offrande van zijn eigen zelven ontvangen heeft, gelijk
al zoo menige blommen, geplukt in het herte van den lijdenden Christene?
Ja, hij draagt liefde tot God, hij die Hem kan gebenediden, wiens geesel
hij herden moet; hij die kan de hand zoenen die hem heeft geslegen!
Dat kon hij, die goede smertlijdende vader, en daar kon hij meer als gij
kunt, hedendaagsche nieuwopgebrachte jeugd, die, noch in de overdaad
uwer schuldige vermaken, noch in de overmacht van de straffende pijnen
die op u loskomen, uw zelven meester en zijt; maar die, oftewel het
leven, de gave Gods, onder de voeten stampt, of waar 't een ondier,
oftewel lastig uwe vroeg versletene dagen sleept, gij en weet noch en
roekt niet waar naar toe!
Wij troostten den armen man, of beter hij troostte zijn eigen zelven in
den Heere. "Heere," zeide hij, "'k had hem van U ontvangen, ik zag hem
zoo geerne, en Gij hebt hem van mij weêr aanveerd; het was toch zulk een
braaf kind!... Eduard, Vader gaat allichte achterkomen; bidt voor mij in
den Hemel!... Ha!... 't zijn toch al Gods werken, wij moetender Hem
vooren dank wijten, en ons aan Zijnen wille gedragen. Ah... wat dingen
moet het zijn voor die geenen God en hebben!..."
De bare stond voor de deure, en alles was allengskens in gereedheid
gekomen, om te vertrekken: met ontdekten hoofde ontvongen wij de kiste,
en schudden er godvruchtig de plooien rondom van den maagdenpelder.
Even als men eenen strijder uit het slagveld draagt, gewonden in 't
vaandel, waaronder en waarvooren hij gevallen is, zoo droegen wij onzen
vriend, uit het strijdperk dezer wereld, onder "_'t blauwe kruis in het
blanke veld_" des vaandels van Maria, en onder de zilveren zegekroone
des Maagdendoms. Drie kleene jongens, bleuzende van gezondheid, en die
al lange te wachten stonden, kwamen toegeloopen als ze zagen dat het
schoon gepintte kruis uit den huize te voorschijn kwam! Ach, zij keken
zoo drukkelijk in de roodgeweende oogen der zwijgende zuster, die hunne
handtjes verborg onder den witten doek, waarin zij 't kruiske dragen
moesten; en, weenden hun oogskes omdat ze zagen weenen en treurig zijn,
zeker danste hun hertje van blijdschap, om het schoon schoon kruis!
Lange nog zullen ze 't, met hunne kleene makkers, bewonderen, al spelen
en al blomkes trekken op het kerkhof; zij zullen 't malkaar toogen en
wijzen met den vinger, zonder het te durven genaken of de aarde stooren
waarover 't zal geplant staan.
Elk ende een had nu zijne plaatse gevonden in de eenvoudige
landsprocessie, die ging aanvang nemen. Noch en waren die kruisen van
gevlochten strooi vergeten gebleven, die, aan de hoeken van de straten
geleid, als eenzame bedelaars den voorbijgaanden Christene eenen
"Weest-gegroet" voor aalmoese vragen. Het lijk wierd opgeheven en met de
voeten kerkwaards gekeerd. Moeder kwam te voorschijn, met de overige
familie, om ons te volgen; en Vader zelve, den oogenblik dat het op
scheiden aankwam, stond op, vestte zijne oogen staal op de kiste,
wenschte zijn kind, en ons te zamen, den alderdroevigsten "God beware
u!" en traagzaam gingen wij van 't hof, onder de geleide van 't
bloeiende, blinkende Kruis.
Dood was de stam van dat Kruise, en de winden
voerden -- waar wete ik? -- het speelzieke loof!
Nooit en zou 't blommen noch blâren meer vinden,
nooit,... als in d'handen van 't Christen Geloof.
Dood was het hout, maar het hout moest herleven:
dood was zijn blad, maar de Christene Maagd
had het een blad en een blomme gegeven,
schoonder en beter als 't levende draagt:
blom van Geloof, dat de ziel niet kan sterven,
blomme van Hope op een zalig Hierna;
blomme van Liefde, die alles kan derven,
laat g'haar het Kruis, want het Kruis is gena!
Kruis, waar een God heeft zijn bloed op vergoten;
kruis, dat den Satan hebt nedergeveld;
kruis, dat de poorten der helle gesloten,
kruis, dat den Hemel hebt opengesteld;
kruis, te vergeefs door de wereld bevochten,
treedt, als banniere, de lijkvaart in top:
kruis met de Christene blommen bevlochten,
treedt als banniere, wij volgen U op!
Is 't door de Helle, -- de Helle zal zwichten;
is 't door het sterven, -- het sterven is _niet_,
niet als het uitgaan der slapende lichten,
als weêr de zonne in de renbane schiet;
is 't door die zee van kleenhertige slaven,
die maar het Kruis aan 't gewicht ervan kent;
is 't door de zee van de wereld, de haven
staat en verwacht ons, met 't Kruise eromtrent:
is 't door de blijdschap of is 't door het lijden,
valt er te worstelen, valt er te strijden,
hem zal de borstweer, het Kruise, bevrijden
tegen 't geweld en het storremgebons:
hem, die voor 't Kruise, en met 't Kruise, kan sterven,
hem die, om 't Kruis noch den zege te derven,
terdt op de dood en, bij duizende werven,
gallemt: Hosannah! de zege is aan ons!
Zoo gingen wij al peizen langs den weg, en geen een van ons die een
woord sprak.
Onze oogen en ons herte baadden ondertusschen zoo diepe en zoo verre in
de oneindige zee van blauwe lucht, rustende op een andere zee van
groene, wentelende, wijd rondom ons strekkende koorenvelden. De zonne
regende heure stralen over onze hoofden, in 't herte van 't schietende
loof, in 't geweefsel van de uitkomende bladeren, in den schoot van den
dankbaren grond. De blommekes langs de bane schoten uit hunnen slaap en
wendden naar den Hemelkoning; het ronkende vliegske schreef zijne
aangename krinkels in de lucht, de lachende beke liep lustig voorbij, al
blinken onder 't striemende vlotgers; hagen en kanten schetterden van 't
gevogelte; de kruidekes langs den weg zongen van de plunterende
moschbiën; de leeuwerke schudde zijn vlerken uit, ging zitten preken op
de locht; en de koekoet riep ons van verre zijn zoeten "goeden dag" toe.
Vogelkes zagen wij langzaam omhoogeklimmen, al draaien rond malkaar;
dan schoten zij weêr pijlrecht omleege, slingerden snel achtereen, door
struiken en tronken voorbij, en zaten en scholden elkander, in twist om
't gevangene vliegske; terwijl verre van ons, de voorzanger in het
hooglied aller vogelen, klagend het laatste gebed, den _Amen_ zong en
het slot van zijne heerlijke morgengetijden. Kruiden, grachten, weiden
en 't vochtige land, alles doomde en ging op, lijk wierook, in 't vier
van de bakelende zonne. De landslieden, die ons zagen voorbij gaan,
prentten hunnen knie in den zachten vloer van den wijden tempel des
Heelals, en, "in den naam des Vaders ende des Zoons ende des Heiligen
Geest," wenschten zij den voorbijganger goê reize naar den Hemel,
zeggende: "God gelieve zijne ziele in de eeuwige ruste! Amen."
Ha! verre van ons, en gelukkiglijk uit onze oogen, lag er misschien toen
zoo menige stede op haren uitgestrekten steenhoop te zuchten en te
zweeten, in 't gebroel van de onverkoelde zonne; menige hooveerdige
schouwe spoog zwarten rook in 't aangezichte des Hemels; menig werkhuis
daverde onder 't ontzaggelijk krampen en zuchten van den in 't vier
gebonden liggenden dampreus, en joelde jammerlijk van de schijverende
raders, van de ronkende riemen, van 't gezwets, 't geklaag, 't gelach,
't gefluit en, -- God vergeve 't hun! -- 't gevloek van eenen
samenroerenden menschenzwerm; menig krielende strate liep vol lieden,
wier oogen, wier tale, wier asem, wier haastige stap, niet anders uit en
gaf als zucht, brandende zucht, naar één ontbrekende dingen, nooit
achterhaald of seffens weêr ontvlogen; en wij, -- lof zij den Heere!
--wij wandelden sprakeloos in 't midden van ons dierbaar Vlanderland;
wij, van niemand gezien of 't en is van God en zijne eigene landslieden,
--ja, lof zij den Heere! -- wij waren en wij voelden ons gelukkig, en we
droegen een lijk!
De strate ging al winkelen voort en wij gingen al wenden erachter,
schouwende al te mets naar eene sterre, die, daar vóór ons, boven op den
Kerktorre zat te blinken, gedoken nu en dan in de kruine der boomen.
Zoo pinkelt de avondsterre, als de koeien naar huis komen, traagzaam en
dragende aan de melk die zij, gewonnen in de weiden, goedaardig en
vreedzaam naar huis brengen.
Wij gingen en volgden den hane op den kloktorre, die nu op onze rechtere
hand, dan op onze slinkere hand uitkeek, langs den keerenden Kerkwegel.
Eindelijk, na dikwijls verpalmd te hebben aan het stoffelijk
overblijfsel, dat, hoe licht het ook was, toch hoe langer hoe lastiger
wierd om dragen, gerochten wij op de bree strate, en dáár, na een kleene
stonde rustens, rees hij tot boven onze hoofden, hij, die de nederigste
van ons allen was, en wij droegen hem op onze schouders. Zijn blanke en
blauwe lijkgewaad sloeg in den wind, en waaide rondom ons, gelijk weleer
zijne goede voorbeelden; of godvruchtig hielden wij 't in onze handen,
ten teeken van getrouwigheid, en verborgen er onze tranen in, gebogen
als wij gingen onder den heiligen last.
Stap... stap... stap... klonk het over de steenen, als een droevige
maatslag, bij 't snikken en 't weenen van de Moeder, het helder geklaag
van de Zuster en het pijnlijk gesteen van den Broeder des overledenen,
den Broeder, die meer gedwongen en in grooteren nood als wij, weenen
moest en niet weenen en kon.
Ha! beklaagt hem, die, gevangen
onder 't wegen van de pijn,
niet en kan een trane ontvangen,
weenen, en gelukkig zijn!
Arme schaap! hoe moeste het lijden
door end door zijn herte snijden,
daar het bleef in barensnood
van de bittere vrucht ontbloot!
Tranen, bittere vrucht des lijdens,
drank die 't smachtend herte laaft,
zaad der vreugde en des verblijdens,
die God zelf verlichting gaaft,
toen, nog wandlende op de wereld,
menige uur Zijne oog, bepereld
en met droefheid overlaân,
stortte aanbiddelijk getraan!
Tranen, als bij noenenstonde
't blusschend reegnen op het kruid,
als de perel die de wonde
des gekwetsten pijnbooms sluit,
als de frissche navondkoelte
na de heete zomerzoelte,
zoeter, ja, veel zoeter nog,
zijt gij, bittere tranen, toch!
Dank! o Heere, die me ontsloten
hebt de bronne van 't getraan,
die 'k zoo dikwijls heb genoten,
dikwijls er naar toe gegaan:
moet het krimpend alsemdrinken
vriend of vijand mij nog schinken,
geeft mij, anders niet, o neen,
geeft mij dat ik tranen ween'!
Stroom van droefheid, eedle tranen;
bittere beken des geweens,
hoe kunt gij den wegel banen
ter vertroosting! Wat gemeens
hebt gij, druppelen van de smerte,
met den honingdauw des herten;
waarom, als ik lijden moet,
zijt gij, tranen, mij zoo zoet?
God zijn wegen zijn verholen,
als Hij zalfkruid wassen doet
waar de slange zit verscholen
die den wandlaar bijten moet:
dank aan Hem, aan Wien 't bekend is
of er mate in onze ellende is,
dank aan die 't geween daarvan
met het weenen troosten kan!
Aldus kwamen wij, onder groeienden toeloop van ingetogen nieuwsgierige
christenen, tot nabij de Kerke.
Welkom! Welkom! riepen de klokken, in ruischenden zang. Welkom! Welkom!
zong onze heilige Moeder, toen zij haar kranke kind, op onze schouders
gesteund, voor den laatsten keer zag aankomen. Geknield nevens het lijk,
en met blooten hoofde, ontvongen wij Heuren zegen, gesproken en bevat in
de perelende druppels van het wijwater; de lijkdeure sloeg open, en
zingende trokken wij binnen, tot waar wij stil hielden, en bleven staan
vòór het heilig tabernakel des Heeren.
Mysterie!... Mysterie en diepe verholentheid was al dat er nu verder nog
ommeging.
Mysterie... voor eerst, als, uit hunne graven en weêr levende geworden,
daar te voorschijn kwam heel de schrikbare aloudheid des Christendoms:
Job, vol wonden en zeeren; het gezalfde hoofd Davids, met de asschen
bestrooid der boetveerdigheid; de oude koning Ezechias; Zacharias met
het wierookvat, en Paulus met het zweerd, traden langzaam vooruit,
stonden stille en staal over de tombe te schouwen, tot dat elk, op eenen
toon die hem eigen was, en die nochtans klonk gelijk de stemme des
Alderhoogsten, de droeve wisselklachten aanging ende kloeg
Van het slijk daar we in geboren zijn, van het stof onzer
eindelijke rustplaatse.
Van het blad daar de wind meê speelt, van de blomme
die uitkomt en vertorden ligt.
Van den draad, dien de wever afsnijdt, van de wegvliegende
schaduwe des levens.
Van de menigvuldige zonden der jonkheid, van de genezinge
des vleeschs.
Van den half afgebroken levenswandel,...
en van de opene deure des grafs, waaruit Job eindelijk alleene bleef
klagen: _Miseremini!_ hebt medelijden met mij, gij die mijne vrienden
zijt, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!
Ja, maar de slotsomme van de groote klachte bleef nog ongeklaagd en het
schrikbare woord verviel nu op de heilige Kerke zelve. Een driemaal
gekroonde, driemaal gescepterde Priester verscheen, en, staande in het
midden der Vaderen, die van vóór Hem wegschoven, zoo verkondigde Paus
Innocentius, op de trompetten der Cherubim die uit den orgel daverden,
die trompette die eens alle vleesch verschrikken moet. _Dies iræ_ klonk
het,
Kwade dagen, die al de dagen
eens lijk asschen weg zult vagen,
zoo 't Sibille en David zagen!
Welk een gruwel 'n zal 't niet wezen,
als de Rechter, opgerezen,
't goê zal uit het kwade lezen!
Wondere trompetrumoeren
zullen al de graven roeren,
al die dood zijn throonwaards voeren.
Stom zal staan de Dood en 't Leven,
als de dooden antwoord geven,
staan, en voor den Rechter beven.
't Zal een boek te voorschijn komen
waarin 't al staat opgenomen
dat het oordeel Gods moet schromen,
als de Rechter, neêrgezeten,
al 't verdoken kwaad zal weten,
straffen ende niets vergeten.
Wie zal dan toch mijn verweer zijn,
wat mijn voorsprake of begeer zijn,
als de goeden zelf verveerd zijn?
Koning, schrikbaar en grootmachtig,
bron van goedheid, nederslachtig
bid ik U, weest mij indachtig!
Jesu, wilt toch wel gedenken:
als gij mij kwaamt 't leven schenken,
was 't om me op dien dag te krenken?
Jesu, moê van zoeken naar mij
hebt Ge 't Kruis geleên, en daar mij
eens zoo dier gekocht: ach spaart mij!
schoon 't Uw recht zij van te wreken,
wilt mij vrij van zonden spreken
eer die dag komt aan te breken!
'k Zuchtte als een ter dood verwezen,
maar mijn schaamrood schuldig wezen
hoopt op Uw bermhertig wezen;
Wierd Maria 't eeuwig leven,
wierd den moordnaar hoop gegeven,
hopen durve ik ook, en beven.
Heere, onweerdig is mijn bede;
doch, laat me, uit goedjonstigheden,
vrij van 't vier der eeuwigheden!
Laat mij bij uw schaapkes weiden,
wilt mij van de bokken scheiden
en ter rechter hand geleiden.
Moet gij dan vermalediden
en het eeuwig vier doen lijden
roept tot mij: "Gebenediden!"
Want ik kome al jammerklagen,
't herte als asschen rouw geslagen,
hulpe in mijnen doodstrijd vragen.
Dag van weedom en van boeten,
als gij zult verrijzen moeten
en gerecht zijn om uw' zonden,
mensch, God spare u in die stonden!
Zoet Heere Jesu mijn,
laat ze in ruste en vrede zijn,
in alle eeuwen!
Amen.
Mysterie!... de wolkende wierook, die langzaam uit het gloeiend herte
des zilvers omhooge steeg, en van daar onzichtbaar nederviel in eenen
regen van smeltende balsemgeuren, die de Kerke doorwasemde en die
bleef hangen aan onze kleederen, even als het klimmende en 't wederom
neêrdalende gebed des aanhoorden rechtveerdigen!
Mysterie!... van schitterend Geloove, Hemelwaards ziende Hope en
brandende _Charitas_, die fakkels die rond de tombe flikkerden, in een
aangenaam vertoog.
Mysterie!... die mindere lichten, die ons den priester te gemoet
leidden, toen hij van den hoogen autaar kwam en met de godvruchtige
menigte gemeenschap hield, in 't offeren van het onbloedige slachtoffer!
Mysterie!... 't omhelzen van de goudene patene, den slachtbank en den
offerschotel van het heilige Lam des Heeren! Wel zijt gij weerd omhelsd
te worden, koninklijk metaal, dat, gewend van overal elders te gebieden
en meester te zijn, hier dienstbaar ligt onder de voeten des Heeren
Jesu, en op den autaar des Alderhoogweerdigsten, onschuldig zelve, de
ontelbare schulden helpt uitboeten, die, om u, met u en door u, gepleegd
zijn!
Mysterie!... het driemaal hellemende gerinkel, dat het licht verstrooide
volk indachtig maakt hoe diepe de bevende Priester alrêe getreden is in
het Heiligste der Heiligdommen!
Mysterie!... als, bij 't nederkomen des Heeren, alles zweeg en roerloos
bleef; onze hoofden in onze handen vielen, lekende van tranen, en
driemaal in de hoogte, het koper door de vervaarlijke stilte daverde,
zidderde, en bleef beven, tot in de steenen van den tempel, tot in de
graven beneên den marbelen vloer!
Mysterie!... gezegende en troostelijke stemme der klokke, die, willekom
en onder wege half weggesmolten, als een Engel van vertroostinge,
zachtjes de lucht liept stooren in de kamer en rondom de sponde van den
lijdenden Vader, hem verkondigende dat Jesus andermaal, onbloedig, voor
Eduard zijn kind, geleden had en gestorven was! Ja, de peerlen van leed
en smerte ontschoten misschien wel den braven man zijne oogen, op het
afgeluisterde kloppen der Elevatieklokke, maar even zoo dapper slierden
en vielen de versletene Paternosterbeiers door zijne biddende vingers,
onder het denken aan Hem die aan 't kruis stierf, aan Haar die eronder
stond en leven kon: aan Hem en aan Haar die nu, boven alle smerte, in
den hoogen Hemel heerschen.
Och! hoe troostelijk is het, na die heilige Mysteriën godvruchtig
bewonderd te hebben, en zijn herte gelaafd in 't gebed, omhangen nog met
de zoete wierookreuken, hand en hand te staan en reisveerdig ten
gravewaard, met eenen afgestorven Broeder! Hoe troostelijk de stemme te
hooren onzer eerbiedweerdige Moeder, die heur kind den letsten zegen
geeft! Hoe troostelijk, als de orgelklanken dreunen, de klokken
tribbelen, de kerkdeuren opengaan, het Kruis voorenop treedt, de wind in
de vane slaat, het lijk ommekeert, omhooge rijst en voortgaat, onder het
luidruchtige vaarwel der heilige Kerke, dat gelijkt aan het reisteeken
van eenen triomphetocht!
_In Paradisum!_ De herten beven in de boezems, de wangen slaan bleek en
krimpen weg, tranen verduisteren 't gezichte, de kniën wankelen onder
den last des lichaams. _In Paradisum!_ Men weent, men weet niet waarover
noch waarvan; men weent, men is blijde, men is getroost, men is trotsch
van te weenen; men spreekt noch men hoort geen spreken meer, men peist
noch men weet wat er omgaat, 't lichaam ziddert in de stemme des orgels,
en de ziele vloeit weg ten Hemelwaard, in de stemme van dat wonderbare
_in Paradisum!_
Ten Paradijze geleiden u de Engelen,
gaat met de heilige Martelaars mede,
en uit Jerusalems zalige muren
komen de zingende Chooren u tegen!
Gaat, eens met Lazarus arm en ellendig!
rust... in alle eeuwen der eeuwen onendig!
Met zulkdanige gevoelens stonden wij op den 5den dag van Meie, 't jaar
1858, in 't herte van West-Vlanderen, binst den brandenden noenenstond,
te Staden op het kerkhof. Het Kruis was voor eene laatste maal in het
graf tot op de kiste gedaald en had daar driemaal een teeken van
zaligheid geteekend.
Zoo teekende Moeder uw voorhoofd weleer en streelde met het Kruis uw
oogskes toe, wanneer zij u, -- hopende Moeder! -- al bidden en zingen in
slape had gezongen, in uwe aldereerste kindsheid, gij die nu ligt en
slaapt in den schoot der aarde.
De holde klank van het stof dat de Priester, onder heilige woorden, op
de kiste liet vallen, het schraven van de koorden die men er van onder
haalde, verdween welhaast met den laatsten _requiescat_, met den
laatsten kronkel wierooks, die stillekes uit de stervende kolen en
tusschen de zilveren ketentjes wegkroop in de ijdele lucht... en
verdween: alles viel stille als de dood zelve, alles scheen te wachten
naar iemand om het woord van scheiden uit te spreken, 't geen eindelijk
gedaan wierd in dezer voegen:
Mijne beminde en dierbare Leerlingen!
"Het is mijne plicht, alle dagen, onder Ulieden het woord te voeren;
heden, dat wij niet meer in het stille schoolverblijf maar te zamen op
de boorden staan van een graf, heden en zal ik nochtans aan deze mijne
plicht niet te kort blijven, maar u hier mijne dagelijksche lessen
voorenhouden. Doch! wat behoort het mij te spreken, toen alles rondom
ons zoo eene klare tale voert, ja toen de doode stilte van dit Kerkhof
zelfs tot in onze gebeenderen ziddert!... Spreekt gij liever in mijne
plaatse, o Engel des doods, op wiens erfgebied wij hier staande zijn;
spreekt gij, en leert ons uwe zoo dikwijls herhaalde, dikwijls
verstane en even zoo dikwijls vergetene lessen. Spreekt gij in
zonderheid, afgestorven Broeder, spreekt gij, alderdeugdzaamste
Jongeling, waarvan uwe oversten zeggen en getuigen "dat gij maar
opgehouden en hebt kind te zijn om Engel te worden!" Spreekt, mijn
dierbare Vriend, mijn leerling en mijn kind: spreekt en verhaalt ons
hoe de Engel des doods aan u toch geenen zegepraal gewonnen en heeft,
maar hoe gij, integendeel, op zijne vlerken gesteund, het Hemelrijk
zijt binnengeklommen. Spreekt, vereeuwigde ziele, en verhaalt ons met
welke vreugd de Gever van alle goed uwe minzame deugden beloond heeft;
met welk een kleed van Hemelschen glans uw onaangeraakte zuiverheid,
met welke kroone van eere uwen wonderbaar grooten ootmoed, met welke
liefde uwe liefde en uwen eerbied voor uwe Ouders en Meesters, en
eindelijk, welke prijs u betaald is geworden voor dien zucht, die
wondere en zeldzame gifte des Heeren, die u van kindsbeen af
verlangen deed naar het kleed en de kroone, naar de zoetheid en de
bitterheden van het heilig Priesterdom. Spreekt, o onze dierbare
Vriend, spreekt en vertroost uwe Ouders, aangezien geen een van ons ze
troosten kan! Troost dien Vader, die zijn eigen lijden verborg, om het
uwe niet te vermeerderen; die God zijn leven ten besten gaf, wilde Hij
het uwe daarom sparen; spreekt en zegt dat gij welhaast misschien, als
Engel des Heeren, bij zijn bedde zult staan, hem in zijnen doodstrijd
hulpe biên en zijne ziele ten Hemel voeren. Spreekt en troost de
vrouwe die u gewonnen, geboren, gezogen en gekweekt heeft voor den
Heere; troost uwe Moeder, die er bij dage altijd zoo blij uitzag, uit
vreeze van u te bedroeven; die, vlijtig, met één hand de drinkschale
ontving van haar lijdende Kind en met de andere eenen stoel bijschoof
voor den bezoekenden Priester, maar die bij nachte, allééne en
verborgen, vóór haar Kruisbeeld, daar den lang weêrhouden stroom van
tranen liet gaan, en heur gebroken herte ontlastte. "Moeder," zoo zegt
haar, "gij vroegt aan God eenen Priester, de Heere heeft u verhoord,
Hij heeft u geenen Priester gegeven, maar eenen heilige, eenen Engel
in den Hemel, die, zonder den last des Priesterdoms te moeten dragen,
al de genuchten daarvan geniet, en dáár, in die oneindige Kerke des
Alderhoogsten, aan den autaar van het Lam zelve, voor u staat te
bidden.
Spreekt gij nu ook, mijn brekend herte, als 't is dat gij nog spreken
kunt...
Maar neen, 't wordt tijd dat wij scheiden.
Afscheid nemen wij dan van u, onzen lieven broeder, met de laatste
trane der vriendschap, met de laatste bede des Christenen, met den
laatsten zegen des Priesters...
En gij, dierbare grond van Vlanderen, ons eigen Vaderland, gewijde
aarde van het kerkhof des Heeren, aarde waarin de muren staan van
Gods tempel en de voet van zijn Kruis, aarde waar het gebeente in rust
van zoo vele onzer Voorvaderen, wier heilig stof misschien in deze
handsvolle begrepen is, aarde die 'k omhelze als den grond waaruit ik
gesproten ben en waarin ik zal terug keeren, gewijde aarde, valt,
duizendmaal gezegend en besproeid met onze tranen, op dat heilig lijk,
dat wij u toevertrouwen! Bewaart die reliquie, bewaart ze tot op den
dag dat de Engel der verrijzenis hier zal komen kloppen, roepende:
"Staat op gij allen die gestorven zijt!"
Weêr op zult gij dan staan, Eduard, onze vriend, in de glorierijke
verrijzenis, met die strale in uwe ooge, die blonk vol simpele
eenvoudigheid, met dien eigensten lach, spelende om uwen mond, die
altijd loech van zielsgenoegen, loech van onnoozelheid,
loech van liefde, loech van vreugde,
loech van louter zuiverheid,
loech in 't leven, loech in 't sterven,
lachen zal in de eeuwigheid!"
Zoo scheidden wij van zijn lichaam, terwijl zijn ziele alreê 't geluk
genoot dat ons misschien nog menige vijanden, talrijke strijden en
gevaren zullen komen betwisten; hetwelke wij nochtans ook, onder Gods
hulpe, zullen veroveren, is 't dat wij getrouw blijven aan het voorbeeld
van onzen Vriend, en bestand doen aan 't gene wij, bij zijn graf, ons
zelven en den Heere beloofd hebben; eindelijk, en om te sluiten met een
vers van den overledene zelven, indien
"_elk slaapt op zijnen schild en houdt het zweerd in d'hand_."
[1: Geplukt en bewaard ter nagedachtenis van zaliger Mijnheer Eduard van
den Bussche, geboren te Staden, in West-Vlanderen, op den 10 Januarij
1840; student in poësis en lid der Congregatie van O.-L.-V. Onbevlekt
Ontvangen in 't kleen Seminarie te Rousselaere, overleden op zijne
geboorteparochie, den 3den van Mariamaand, in 't jaar O.H.J.-C. 1858.]
BEZOEK BIJ 'T GRAF.
Ik wandelde, ik wandelde alleen,
ik wandelde en sprak tot den Heer:
Hij sprak en ik hoorde, en hij hoorde en ik sprak,
en 'k wandelde en 'k sprak tot den Heer.
Wie leedde, wie leedde er mijn schreên?
Waar leedden mijn schreden naartoe?
'k En wete, maar 't leedde me entwie en ik ging,
en ik stond op het kerkhof alleen.
Daar staat hij, de torre, 't is hij;
de hane op den torre, 't is hij;
daar staat hij die torre en die Kerke en dat Kruis;
hier hebbe ik nog eenmaal geweest.
Hier legde ik een vriend in het graf,
ik legde -- en hij slaapt in het graf;
en Jesus, die waakt in zijn heilige tent,
waakt neffens hem, neffens het graf.
Waar, zegt mij, o zwijgende veld,
waar ligt hij begraven?... Alhier?
Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg
en zeide: "Vaarwel, o vaarwel?"
Het water gaat open en toe,
Het water gaat op en gaat neêr,
het water, als 't kind er een steentjen in smijt,
het water gaat op en gaat neêr.
Het water gaat op en gaat neêr,
het water gaat open en toe,
en haast is het water weêr heel en gansch stil;
waar viel en waar ligt nu de steen?
En de aarde gaat open en toe,
ook de aarde gaat op en gaat neêr,
wanneer er de putmakers geldwinnend hand
een kist in legt, open... en... toe!