Geest toepast, kunnen saamgevat worden onder den naam van genade. Van
genade kan echter gesproken worden in verschillenden zin. Vooreerst
kan ze aanduiden de onverdiende gunst Gods jegens zijne schepselen,
inzonderheid jegens zondaren; als zoodanig komt zij in de leer van Gods
deugden ter sprake, deel II 182. Vervolgens kan ze de naam zijn voor
allerlei lichamelijke en geestelijke weldaden, die door God uit genade
aan zijne schepselen geschonken worden en alle gaven der genade, ja
zelve genade zijn, Rom. 5:20, Ef. 1:7, 2:5, 8, Phil. 1:2, Col. 1:2, Tit.
3:7 enz. Alverder kan gratie te kennen geven de bevalligheid, welke
iemand door de gaven, waarmede hij naar ziel of lichaam versierd is,
tentoonspreidt. En eindelijk heeft χαρις en gratia nog de beteekenis
van dank, door iemand aan een ander voor ontvangene gunst betoond
(gratias agere). Hier hebben wij alleen met genade in den tweeden zin
te doen. Maar ook zoo is het begrip nog veel te ruim. Want in dezen
locus komen niet ter sprake de objectieve weldaden der genade, welke
God in zijne wet, in het evangelie, in Christus, kerk, sacrament enz.,
aan de menschen gegeven heeft en die elders afzonderlijk in de dogmatiek
behandeld worden. Hier ter plaatse behooren alleen die gaven der
genade, welke door den H. Geest subjectief en inwendig aan den mensch
worden meegedeeld en die in verband met zijne zaligheid staan. Ook deze
genadegaven zijn weder te onderscheiden in gaven van Gods algemeene
genade, welke aan alle en allerlei menschen in meerdere of mindere mate
geschonken worden; in gaven van Gods bijzondere genade, welke alleen
het deel der geloovigen zijn, en in buitengewone gaven (charismata),
welke de H. Geest in de gemeente aan een iegelijk uitdeelt, gelijkerwijs
Hij wil, 1 Cor. 12:4-11. Het is duidelijk, dat vooral de tweede groep
van genadegaven in dit gedeelte der dogmatiek op behandeling aanspraak
heeft. Over deze genade bestaat tusschen Rome en de Reformatie,
bepaaldelijk in hare Gereformeerde ontwikkeling, een belangrijk verschil.
Ten eerste leert Rome wel beslist de noodzakelijkheid der gratia
actualis (praeveniens, antecedens, excitans, ook wel operans genoemd)
en verwerpt alzoo het pelagianisme en semipelagianisme; ook verstaat
het onder die genade niet de uitwendige roeping door het evangelie
alleen met de daaraan verbonden zedelijke werking op verstand en wil;
het denkt daarbij aan eene illustratio intellectus en inspiratio
voluntatis, welke aan den mensch niet alleen vires morales maar ook
vires physicas toevoegt. Doch het vat deze genade bij den aanvang en
bij den voortgang op als resistibel en amissibel; de beslissing, of de
mensch die genade zal aannemen, met haar zich voorbereiden zal voor
zijne rechtvaardiging, de genade der rechtvaardiging (gratia infusa)
ontvangen en ten einde toe behouden zal, hangt van hemzelven af. Ten
tweede wordt de natuur der genade bij Rome anders omschreven dan bij
de Reformatie. Wel zeggen de Roomsche theologen uitdrukkelijk, dat de
gratia actualis en infusa geen substantie is maar eene qualiteit,
Heinrich, Dogm. Theol. VIII 556 f. Pesch, Prael. dogm. V 174, maar
reeds van de gratia excitans heet het, dat zij niet moraliter maar
physice elevat facultates nostras, ut supernaturaliter agere possint,
Pesch, Prael. dogm. V 19, en dus entitatieve bovennatuurlijk is,
totum ordinem naturalem transcendens, ib. 21. En nog sterker wordt
van de gratia infusa gezegd, dat zij een gave Gods is, waardoor de
mensch in ordinem supernaturalem elevatur et naturae divinae aliquo
modo particeps fit, ib. 172. 188. Dit staat ten derde daarmede in
verband, dat de bedoeling der genade bij Rome eene andere is dan bij de
Reformatie. Zij heeft daar tweeërlei taak, ut elevet et sanet. De eerste
dringt de laatste geheel in de schaduw, munus elevandi est principale
et gratiae convenit in omni ordine supernaturali. Munus antem sanandi
est secundarium et gratiae accessit in ordine naturae lapsae; in
den eersten zin is zij absoluut, in den tweeden slechts toevallig
noodzakelijk, ib. 32. 33 en zoo alle boven bl. 441v. aangehaalde
schrijvers. De genade is bij Rome in de eerste plaats eene boven de
natuurorde aan den mensch toegevoegde qualiteit, waardoor hij in
beginsel in eene bovennatuurlijke orde opgenomen, de Goddelijke natuur,
de heiligheid, het kindschap, de gemeenschap Gods, de inwoning des H.
Geestes, de aanschouwing Gods deelachtig wordt en zulke bovennatuurlijke
werken verrichten kan, welke ex condigno het eeuwige leven verdienen.
De vergeving der zonden is hier ondergeschikt, het geloof heeft slechts
eene praeparatoire waarde; hoofdzaak is de verheffing des menschen
boven zijne natuur, de vergoddelijking, ἡ προς θεον αφομοιωσις τε και
ἑνωσις, Dionysius bij Heinrich, Dogm. Theol. VIII 595, cf. ook deel II
152. 518.
De Reformatie verwierp deze neoplatonische mystiek, keerde tot de
eenvoudigheid der H. Schrift terug en kreeg daarom eene geheel andere
voorstelling van de genade. Deze dient niet, om den mensch op te nemen
in eene bovennatuurlijke orde, maar om hem van de zonde te bevrijden.
Genade staat niet tegenover natuur, maar alleen tegenover zonde. Zij
was in eigenlijken zin niet noodig bij Adam vóór den val, maar is eerst
door de zonde noodzakelijk geworden; zij is daarom niet absoluut, maar
slechts toevallig noodzakelijk. De physische tegenstelling van natuurlijk
en bovennatuurlijk maakt voor de ethische van zonde en genade plaats.
Wanneer de genade de zonde ganschelijk met haar schuld en smet en straf
wegneemt, dan heeft zij haar werk verricht. Dan is de mensch vanzelf
weer beeld Gods, want het beeld Gods is geen donum superadditum maar
behoort tot het wezen van den mensch. Er behoeft dus naast de genade,
die van de zonde verlost, geen andere genade te zijn, die den mensch
dan nog boven zijne natuur verheft. Wel heeft de genade volgens de
Gereformeerden ons meer teruggeschonken, dan wij door Adam verloren
hebben. Want Christus verwierf niet alleen het posse non peccare en
mori, gelijk de Lutherschen het voorstellen, maar Hij schenkt aan de
geloovigen terstond het non posse peccare en mori; Hij brengt ons
niet terug op dat punt van den weg, waar Adam stond, maar Hij heeft
den ganschen weg voor ons ten einde toe afgelegd. Hij volbracht niet
alleen de passieve maar ook de actieve gehoorzaamheid, Hij verwierf de
onverliesbare zaligheid, het eeuwige leven, welke voor Adam nog lagen
in de toekomst. Juist omdat de bestemming van Adam lag in de eeuwige
zaligheid, kon Christus deze in zijne plaats voor ons verwerven. Maar
de genade geeft toch niets meer, dan wat, indien Adam ware staande
gebleven, in den weg der gehoorzaamheid door hem verkregen zou zijn.
Het genadeverbond verschilt van het werkverbond in den weg, maar niet
in het einddoel. Het is eenzelfde goed, dat in het werkverbond beloofd
was en in het verbond der genade geschonken wordt. De genade herstelt
de natuur en voert ze op tot haar hoogste hoogte, maar zij voegt er
geen nieuw, heterogeen bestanddeel aan toe. Daaruit vloeit voort, dat
de genade in de reformatorische theologie in geen enkel opzicht het
karakter van eene substantie kan dragen. Wel beleed de Reformatie van
de genade, dat zij niet alleen uit-, maar ook inwendig is, dat zij niet
alleen moreele maar ook hyperphysische krachten schenkt, dat zij eene
qualiteit, een habitus is. Maar ook al drukte zij zich soms in dezelfde
woorden als Rome uit, zij legde daarin toch een anderen zin. Bij Rome
is de genade een physische kracht, omdat zij de natuur verheffen moet
tot de bovennatuurlijke orde; indien zij alleen diende, om den mensch
van de zonde te bevrijden, zou met het oog op de Roomsche leer van de
zonde, eene moreele kracht der genade waarschijnlijk genoeg zijn. Doch de
Reformatie dacht anders over de zonde; deze was schuld en tegelijk een
totaal bederf der menschelijke natuur; de mensch was van nature dood in
zonden en misdaden; zijne onmacht kan in zekeren zin eene natuurlijke
heeten, boven bl. 150, 151. En daarom moet de genade ook eene zoodanige
zijn, die het verstand verlicht en den wil buigt, die dus niet alleen
zedelijk maar ook hyperphysisch werkt en de krachten herstelt. Maar
bij Rome is deze physische werking der genade eene tegenstelling van
de ethische, in elk geval eene de ethische verre te boven gaande;
bij de Reformatie is en blijft zij ethisch. De natuurlijke onmacht is
immers in haar aard een geestelijke, zedelijke onmacht, eene onmacht
ten goede, enkel en alleen door de zonde veroorzaakt; zij heet alleen
natuurlijk, omdat zij „van nature” d. i. krachtens de gevallen, zondige
natuur den mensch eigen is, niet door gewoonte, opvoeding enz. in hem
aangebracht is en dus ook niet door dergelijke zedelijke machten kan
weggenomen worden. De genade werkt alleen hyperphysisch, omdat zij die
gevallen-natuurlijke onmacht wegneemt en de oorspronkelijk-natuurlijke
bekwaamheid ten goede herstelt. Bij Rome geeft de genade in strikten
zin eene physische kracht, die de homo naturalis zonder het donum
superadditum, ook al is hij volkomen zondeloos, niet bezit en die
hem afzonderlijk geschonken moet worden. Het is dien mensch physisch
onmogelijk, om bovennatuurlijke goede werken te doen, zooals het hem
physisch onmogelijk is, om met de hand aan de sterren te raken. Maar
van dien aard is de onmacht in de Protestantsche belijdenis niet; en
daarom is de genade hier ook geen physische qualiteit in Roomschen
zin, ook al herstelt zij de oorspronkelijke, door de zonde verloren
kracht ten goede. En wijl nu de zonde geen substantie is en aan den
mensch niets substantieels heeft ontnomen, kan ook de genade nooit als
eene substantie gedacht worden. Zij is eene herstelling van de forma,
welke den mensch en de schepselen in het algemeen oorspronkelijk bij
de schepping ingedrukt was. De herschepping is geen tweede, nieuwe
schepping. Zij voegt aan het bestaande geen nieuwe schepselen toe, zij
brengt er geen nieuwe substantie in, maar zij is wezenlijk reformatie.
Maar daarbij strekt intensief de werking der genade even ver als de
macht der zonde zich uit. De zonde heeft alles aangetast, heel het
organisme der schepping, de natuur zelve der schepselen bedorven; en
daarom is de genade eene kracht Gods, die de menschheid ook innerlijk,
in de kern van haar wezen, van de zonde bevrijdt en ze eens zonder vlek
of rimpel voor Gods aangezicht stelt. Daarom is eene zedelijk werkende
genade niet genoeg. Rome schijnt de genade te eeren, als zij haar
absoluut noodzakelijk noemt, en physische krachten laat schenken, die
de natuur ver te boven gaan. Maar ten slotte maakt zij heel die genade
weer zoo onmachtig, dat deze in hare werking afhangt van den wil van
den mensch. Zij werkt niets uit, wanneer de wil haar weerstaat. En als
de wil haar toestemt, dient zij alleen, om den mensch de krachten te
schenken, die tot het verdienen van elke volgende genade en van het
eeuwige leven van noode zijn. Zij is een hulpmiddel voor den mensch tot
zijn deificatie. Maar bij de Reformatie is de genade het begin, midden
en einde van heel het werk der zaligheid; er komt niets in van de
verdienste van den mensch. Gelijk de schepping en de verlossing, zoo is
ook de heiligmaking een werk Gods. Uit Hem en door Hem is zij, en daarom
leidt zij ook tot Hem henen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.
Cf. over het Geref. begrip der genade: Zanchius, Op. II 342 VII 266.
354. Polanus, Synt. II c. 21. Martyr, Loci Comm. 248. Perkins, Werken
I 799v. Twissus, Op. I 685 sq. Junius, de natura et gratia, Op. I
302-305. Gomarus, de gratia conversionis, Op. I 85-126. Moor I 670. M.
Vitringa III 173 enz.
14. Onder den algemeenen naam der genade zijn vele bijzondere
weldaden begrepen. De Schrift is onuitputtelijk in het opsommen der
zegeningen, die Christus verworven heeft. De theologie was er ten
allen tijde verlegen mede, om ze volledig en in geregelde orde te
behandelen. Toen de Hervorming het werk des H. Geestes wederom op
den voorgrond plaatste, besprak zij dit eerst wel in de drie loci de
poenitentia, de fide et de bonis operibus, maar zij zag zich weldra
tot breedvoeriger behandeling genoodzaakt. En niet alleen werd het
aantal loci uitgebreid, maar in hun inhoud en onderlinge verhouding
kwam er allengs, vooral in de Geref. theologie, allerlei belangrijke
wijziging. Zoo werd de wedergeboorte eerst in zeer ruimen zin opgevat,
als de vernieuwing des menschen, en dus na het geloof behandeld, Calv.
Inst. III c. 2. 3. Beza, Tract. theol. I 671. Junius, Theses theol.
34, 1. Ned. Gel. art. 22, of ook zelfs voor heel de herschepping
genomen, zoodat zij ook de rechtvaardiging of vergeving omvatte, Form.
Conc. bij Müller 611; maar weldra zag men in, ook met het oog op de
kinderen des verbonds, wier doop tegenover het anabaptisme verdedigd
moest worden, dat de gratia regenerationis prior in nobis est quam
fides, quae illius est effectus, Polanus, Synt. p. 467, en kwam er
dus toe, om de wedergeboorte te beperken tot de instorting van het
eerste levensbeginsel en dus aan het geloof te laten voorafgaan. Over
den tijd dier wedergeboorte was en bleef er groot verschil; terwijl
Roomschen en Lutherschen haar bij alle kinderen lieten plaats hebben in
den doop, zeiden de Gereformeerden, dat de genade der wedergeboorte
aan de uitverkoren kinderen des verbonds geschonken werd of reeds
vóór of onder of na of ook wel zonder nadere bepaling voor, onder
of na den doop, Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. S. II 614.
627. M. Vitringa III 80, en dat zij aan hen, die op later leeftijd
werden toegebracht, onder en na of ook wel vóór de roeping verleend
werd, Voetius, Disp. II 461. Daaruit vloeide weder voort, dat de
wedergeboorte in de dogmatiek niet alleen vóór het geloof maar ook
vóór de roeping kwam te staan; eene orde, die daarmede verdedigd werd,
dat verbum Dei nemo salutariter andire potest nisi qui sit regenitus,
Maccovius, Loci C. p. 710-714. Coll. theol. p. 398. Theses theol.
per loc. comm. 1641 p. 320. Voetius, Disp. II 445. Kuyper, Het werk
v. d. H. Geest II 128v. Een verder gevolg van deze orde was, dat de
poenitentia, die bij de Hervormers aan het geloof voorafging en door
de wet bewerkt werd, zoo goed als geheel kwam te vervallen; trouwens,
Luther en Calvijn hadden al onderscheid gemaakt tusschen de droefheid,
die uit de wet voortkwam en ook in onbekeerden vallen kan, en die
andere, welke het geloof reeds onderstelde en eene ware droefheid over
de zonde was. De Gereformeerden namen daarom op het voorbeeld van
Calvijn, Inst. III 3, 1. 2 de poenitentia op in het christelijk leven, en
gingen daarvoor spoedig, wijl poenitentia evenals boete een Roomschen
bijsmaak verkregen had en onwillekeurig aan straf deed denken, een ander
woord gebruiken, n.l. resipiscentia, Beza, Tract. theol. I 327 sq.
Musculus, Loci Comm. 1567 p. 550. Deze bekeering kreeg dus een geheel
anderen zin. Als de wedergeboorte in den regel aan alles voorafging en
bij de kinderen des verbonds in de jeugd plaatst greep, dan behoefde
de bekeering niet altijd, gelijk het pietisme en methodisme het later
verlangde, gepaard te gaan cum notabili concussione et violenta
tractione, maar kon zij assiduo, successive et suaviter geschieden;
dan was het ook niet noodig, dat iemand duidelijk kennis droeg en
verslag kon geven van de wijze en den tijd zijner bekeering, Voetius,
Dis, II 415. 460, zooals bijv. Wesley wist, dat ze plaats had 24 Mei
1738 ’s avonds te 8-3/4 uur. Dan was zij niet meer samengetrokken op
één punt, maar verbreidde zij zich door heel het christelijk leven heen;
dan kon zij ook niet meer, gelijk de poenitentia vroeger, tot deelen
hebben de contritio en fides, maar bestond zij in eene voortdurende
afsterving van den ouden en opstanding van den nieuwen mensch, Ursinus
in zijne verklaring van Zond. 23. Beza ib. Polanus, Synt. p. 468 enz.
En eindelijk, om niet meer te noemen en van de onderscheiding van de
roeping in uit- en inwendige, van het geloof in habitus en actus
hier niet verder te spreken--werd in de heilsorde nog deze wijziging
aangebracht, dat de rechtvaardigmaking zelfs vóór de wedergeboorte en
roeping werd geplaatst. Daartoe kwam men vooral in den strijd tegen
het neonomisme. Geloof en bekeering konden en mochten toch geen
wettische conditiën zijn, door den mensch te volbrengen, om de vergeving
deelachtig te worden en zoo tot stand te doen komen. Zij waren immers
gaven des H. Geestes, weldaden van het verbond der genade, vruchten
van het werk van Christus. Maar dan was er ook geen gemeenschap aan
die weldaden mogelijk, dan na gemeenschap aan den persoon van Christus.
De toerekening van zijn persoon met al zijne weldaden, ging dus aan de
schenking dier weldaden vooraf: de rechtvaardigmaking kreeg in de
heilsorde de eerste plaats. Desniettemin is dit schema in de Geref.
dogmatiek slechts zelden ten einde toe gevolgd en volledig toegepast;
slechts enkelen, zooals Maccovius, hebben de orde: justificatio activa,
regeneratio, fides, justificatio passiva, bona opera. De toestanden,
die er in de kerk allengs intraden, lieten de toepassing van het schema
niet toe. Bij een zuiveren kerkstaat is het mogelijk te gelooven, dat de
kinderen des verbonds in hun jeugd worden wedergeboren en successive
et suaviter tot geloof en bekeering komen. Maar als de wereld de kerk
binnendringt en velen opgroeien en jaren lang leven, zonder eenige
vrucht te toonen, des geloofs en der bekeering waardig, dan zien
de ernstig gezinden zich geroepen, om tegen het vertrouwen op eene
wedergeboorte in de jeugd en het historisch geloof aan de vergeving
der zonden te waarschuwen en aan te dringen op waarachtige bekeering,
op zaligmakend geloof, om alzoo in waarheid de vergeving der zonden
deelachtig te worden. Tegenover eene doode orthodoxie hebben pietisme
en methodisme met hunne revivals altijd weer recht van bestaan.
De heilsorde is echter door deze beide richtingen veranderd in eene
bekeeringsgeschiedenis van den zondaar, die tot model strekte voor
ieder zonder onderscheid. Daarbij werden gewichtige waarheden miskend
en de heilsorde zelve vervalscht. Deze heeft toch niet uiteen te
zetten, hoe de mensch tot bekeering en verzekering moet komen; want
alzoo wordt aan den H. Geest de wet gesteld, ééne methode voor allen
gekozen en het anthropologische standpunt in de plaats van het
theologische geschoven. Maar de heilsorde heeft aan te geven, welke
de weldaden zijn, die Christus verworven heeft en door den H. Geest
toepast, en in welke orde zij liggen in het Woord en in de gedachte
Gods. Zoo beschouwd, is er nu 1º geen twijfel aan, dat alle weldaden
van Christus weldaden zijn van het verbond der genade. Dat verbond
heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in den raad en het
welbehagen Gods. Christus is middelaar van dat verbond en heeft daarom
in den tijd plaatsvervangend voor de zijnen kunnen voldoen. Er heeft
eene toerekening van Christus aan zijne gemeente en van de gemeente aan
Christus, er heeft tusschen beiden eene verwisseling plaats gehad, er
is eene unio mystica gelegd, die niet eerst in den tijd tot stand komt
maar wortelt in de eeuwigheid. Indien men dit alles rechtvaardiging
wil noemen, is daar geen ander bezwaar tegen, dan dat men het woord
bezigt in ongewonen zin, van het spraakgebruik der Schrift afwijkt,
eene zelfde zaak tweemaal behandelt onder verschillenden naam (eens
als pactum salutis, dan als rechtvaardiging), en aan zijn uitgangspunt
toch niet getrouw kan blijven. Want ook zij, die in de Geref. kerk eene
eeuwige rechtvaardigmaking leeren, hebben toch nooit gezegd, dat die
plaatsverwisseling van Christus en zijne gemeente in het pactum salutis
reeds de gansche, volle rechtvaardigmaking was. Maar zij hebben haar
gehouden voor het eerste moment en uitdrukkelijk verklaard, dat zij in
de opstanding van Christus, in het evangelie, in de roeping, in de
getuigenis des H. Geestes door het geloof en uit de werken en in het
laatste oordeel voortgezet en voltooid moest worden. Niemand hunner
heeft dan ook de rechtvaardigmaking behandeld of afgehandeld in den
locus over den raad Gods of het verbond der verlossing; maar allen
hebben ze in de heilsorde, en zelfs niet alleen vóór maar ook dan
nog weer na het geloof als justificatio passiva ter sprake gebracht.
2º Evenmin mag er op christelijk standpunt twijfel aan zijn, dat alle
weldaden der genade door Christus verworven zijn, in Hem aanwezig zijn en
voor zijne gemeente gereed liggen. Er behoeft van de zijde des menschen
niets aan toegevoegd; alles is volbracht. En wijl deze weldaden alle
weldaden des verbonds zijn, in den weg des verbonds verworven zijn en
in dienzelfden weg uitgedeeld worden, daarom is er geen gemeenschap
aan die weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Het verbond,
de unio mystica, de toerekening van Christus gaat vooraf; hoe zouden
wij anders den H. Geest, de genade der wedergeboorte, de gave des
geloofs ontvangen kunnen, die immers alle door Christus verworven en
zijn eigendom zijn? Het is dus niet zoo, dat wij eerst buiten Christus
om door den H. Geest worden wedergeboren en het geloof ontvangen, om
dan daarmede tot Christus te gaan, zijne gerechtigheid aan te nemen
en alzoo door God gerechtvaardigd te worden. Maar uit het welbehagen
des Vaders, uit de volheid van Christus, uit het verbond der genade
vloeien ook deze weldaden ons toe. Indien men nu deze toerekening van
den persoon van Christus, die aan de schenking zijner weldaden, dus
ook aan wedergeboorte en geloof voorafgaan, rechtvaardigmaking wil
noemen, dan zijn daartegen in hoofdzaak dezelfde bedenkingen in te
brengen, die boven genoemd zijn. Maar dan vergeet men bovendien, dat
deze toerekening van Christus met de rechtvaardigmaking of vergeving
niet identisch is; dat alle weldaden, ook wedergeboorte, geloof,
heiligmaking enz., evengoed als de vergeving der zonden objectief
in Christus gereed liggen en er dus als zoodanig geen orde aan te
ontleenen is; en dat de justificatio passiva door en uit het geloof
eene actie Gods is, eene getuigenis des H. Geestes in en met onzen
geest, die van de justificatio activa niet temporeel te scheiden is.
3º De weg, waarin deze straks nader te omschrijven weldaden in het
bezit der geloovigen komen, is die der roeping door Woord en door
Geest. Daardoor bracht God de schepping, daardoor brengt Hij ook de
herschepping tot stand. Velen hebben deze roeping na de wedergeboorte
geplaatst. En zonder twijfel gaat hij alle kinderen des verbonds,
die in hun jeugd worden wedergeboren, deze weldaad aan de roeping
vooraf. Toch is het stellen van deze gevallen tot algemeenen regel
even gevaarlijk als het omgekeerde. Want ten eerste is er onder de
Geref. altijd verschil en vrijheid van gevoelen geweest over den tijd
der wedergeboorte, vóór of onder of na den doop. De Schrift spreekt
niet duidelijk genoeg, om in dezen eene beslissing te nemen. Ten andere
is het in vele gevallen zeer moeilijk aan te nemen, dat menschen, die
in hun jeugd zijn wedergeboren, jaren lang in allerlei zonden leven
en daarna eerst tot bekeering komen, cf. ook Voetius, Disp. II 410;
de Schrift geeft hiervoor geen enkel bewijs. Ten derde gaat het niet
aan, om op het gebied der zending bij de roeping door het evangelie
reeds de wedergeboorte te onderstellen, wijl Woord en Geest daardoor
op bedenkelijke wijze gescheiden worden. Ten vierde wijst de orde van
bestaan bij de personen in het Goddelijk wezen en de orde van hun werken
in schepping en herschepping aan, dat het Woord aan den Geest, kerstdag
en paaschfeest aan pinksteren voorafgegaan; de H. Geest is de getuige
van Christus. En eindelijk is de roeping veel ruimer op te vatten,
dan geschieden kan, wanneer zij na de wedergeboorte wordt geplaatst.
Er is eene vocatio universalis, eene vocatio generalis, eene vocatio
specialis. De roeping in het algemeen bedoelt volstrekt niet alleen,
om de wedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen, maar heeft
beteekenis voor alle menschen. Zij is geenszins uitwendig alleen maar
ook inwendig en wordt reeds vroeg door kinderen verstaan. Dat dooven
daarbij niet hooren kunnen, is volstrekt geen bezwaar, omdat God zelf
de roepende is, en, gelijk Hij bij de schepping alles door zijn woord uit
het niet te voorschijn riep, zoo bij de herschepping de dingen, die niet
zijn, roept alsof zij waren. 4º De weldaden zelve, die door de roeping
het deel der geloovigen worden, vallen in twee groepen uiteen. Zonde is
schuld en smet, verbreking van het werkverbond en verlies van het beeld
Gods. Christus voldeed door zijne passieve en actieve gehoorzaamheid. En
zoo bestaan de weldaden van Christus daarin, dat Hij ons in onze relatie
tot God en alle schepselen herstelt (rechtvaardigmaking, aanneming tot
kinderen, christelijke vrijheid), en voorts ons naar Gods beeld vernieuwt
(wedergeboorte in ruimer zin, heiligmaking, volharding). De eerste
reeks van weldaden wordt ons geschonken door de verlichting des H.
Geestes, wordt door ons ontvangen in het geloof als cognitio, assensus,
certitudo, en zet ons bewustzijn om. De tweede groep van weldaden
wordt ons deel door de wederbarende werkzaamheid des H. Geestes, in
het geloof als fiducia cordis, en verandert ons zijn. Bij de eerste is
ons oog naar het verleden gericht, naar den historischen Christus,
naar het kruis en naar het evangelie, dat daarvan getuigt; bij de
tweede is onze blik naar boven geslagen, naar den levenden Heer in den
hemel, den koning der kerk, den bruidegom der gemeente. Onderscheiden
zijn deze weldaden, gescheiden zijn ze niet. Het is Christus zelf,
de verheerlijkte Heiland, die door zijn Woord en Geest ons geloof op
zijne offerande richt en onze personen opneemt in zijne gemeenschap.
Het is eenzelfde geloof, waardoor Hij ons in ons bewustzijn verzekert
en in ons zijn vernieuwt, ons rechtvaardigt en woont in onze harten.
5º Dienovereenkomstig is de heilsorde in drie loci te behandelen:
roeping en wedergeboorte (in enger zin), geloof en rechtvaardigmaking,
heiligmaking en volharding, cf. Voetius, Disp. II 432 sq. In den
eersten locus treedt Christus voornamelijk op als profeet, die door zijn
woord ons onderwijst ter zaligheid; de H. Geest is daarbij de getuige
van Christus, die zijn officium elencticum uitoefent, en door de gratia
praeparans, praeveniens en operans ons het beginsel des nieuwen levens
schenkt. In den tweeden is Christus voornamelijk de priester, die door
het geloof ons zijne gerechtigheid schenkt en van de schuld der zonden
ons bevrijdt; de H. Geest oefent daarbij zijn munus paracleticum uit en
maakt ons door de gratia illuminans van onze zaligheid zeker. In den
derden treedt Christus voornamelijk op als onze koning, die ons door het
geloof regeert en beschermt; de H. Geest volbrengt daarbij zijn munus
sanctificans en herschept ons door de gratia cooperans, conservans,
perficiens naar het evenbeeld van Christus. In Rom. 8:30 noemt Paulus
evenzoo drie weldaden op, waarin de προγνωσις zich realiseert, n.l.
roeping, rechtvaardigmaking en verheerlijking. Al deze weldaden vallen
in den tijd; ook het ἐδοξασεν slaat niet op de verheerlijking na den dood
of den dag des oordeels, maar blijkens den aoristus op de verheerlijking,
die de geloovigen in Paulus’ dagen reeds op aarde ontvingen door de
inwoning des Geestes, cf. 2 Cor. 3:18, en die in de glorificatie bij de
opstanding ten jongsten dage zich voltooit, 1 Cor. 15:53, Phil. 3:21.
Zij worden in het geloof alle tegelijk aan de uitverkorenen geschonken,
cf. ook 1 Cor. 6:11, maar daarom bestaat er onder haar nog wel eene
logische orde; en deze wordt in den ordo salutis voorgesteld, cf.
Gennrich, Studien zur Paulin. Heilsordnung, Stud. u. Krit. 1898 S.
377-431.
§ 44. ROEPING EN WEDERGEBOORTE.
1. Door Woord en Geest brengt God de schepping, en ook de herschepping
tot stand. Door te spreken, roept Hij alle dingen uit het niet te
voorschijn. Gen. 1, Ps. 33:6, Joh. 1:3, Hebr. 1:3, 11:3; door het woord
zijner almacht richt Hij de gevallene wereld weer op. Hij roept Adam, Gen.
3:9, Abram, Gen. 12:1, Jes. 51:2, Israel, Jes. 41:9, 42:6, 43:1, 45:4,
49:1, Hos. 11:1, Jer. 31:3, Ezech. 16:6, en laat door zijne dienaren
noodigen tot bekeering en leven, Deut. 30, 2 Kon. 17:13, Jes. 1:16v.,
Jer. 3, Ezech. 18, 33 enz., Rom. 8:28, 29, 2 Cor. 5:20, 1 Thess. 2:12,
5:24, 2 Thess. 2:14, 1 Petr. 2:9, 5:10 enz. Wijl deze roeping Gods in
en door den Zoon tot de menschen komt en Christus de verwerver der
zaligheid is, wordt zij ook speciaal aan Hem toegeschreven; gelijk de
Vader alle dingen door Hem schiep en Hij toch ook zelf de Schepper aller
dingen is, zoo is Hij ook zelf de roepende, Mt. 11:28, Mk. 1:15, 2:17,
Luk. 5:32, 19:10, die arbeiders in zijn wijngaard uitstoot, Mt. 20:1-7,
ter bruiloft noodigt, Mt. 22:2, de kinderen vergadert als eene hen hare
kiekens, Mt. 23:37, apostelen en leeraars aanstelt, Mt. 10, 28:19,
Luk. 10, Ef. 4:11, wier geluid over de geheele aarde uitgegaan is,
Rom. 10:18. Ofschoon de roeping dus wezenlijk van God of van Christus
uitgaat, zoo bedient Hij zich daarbij toch van menschen, niet alleen
in den engeren zin van profeten en apostelen, herders en leeraars,
maar ook in het algemeen van ouders en verwanten, van onderwijzers en
vrienden. Zelfs komt er eene sprake tot ons uit al de werken van Gods
handen, uit de gangen der historie, uit de leidingen en ervaringen van
ons leven. Alles spreekt den vrome van God. Al geschiedt de roeping
in engeren zin ook door het woord des evangelies, deze mag toch niet
gescheiden worden van die, welke door natuur en geschiedenis tot
ons komt. Het verbond der genade wordt gedragen door het algemeene
verbond der natuur. Christus, die de middelaar des verbonds is, is
dezelfde, die als Logos alle dingen geschapen heeft, die als licht in
de duisternis schijnt en verlicht een iegelijk mensch, komende in de
wereld. God laat zich aan niemand onbetuigd, maar doet goed van den
hemel en vervult ook de harten der Heidenen met spijs en vroolijkheid,
Ps. 19:2-4, Mt. 5:45, Joh. 1:5, 9, 10, Rom. 1:19-21, 2:14, 15, Hd.
14:16, 17, 17:27. Er is daarom allereerst eene vocatio realis te
onderscheiden, die niet zoozeer in duidelijke woorden als wel in zaken
(res), door natuur, geschiedenis, omgeving, leidingen en ervaringen tot
den mensch komt, die niet tot middel heeft het evangelie maar de wet en
door de wet in gezin, maatschappij en staat, in religie en moraal, in
hart en geweten den mensch tot gehoorzaamheid en onderwerping roept,
cf. Synopsis pur. theol. 30, 2. 3. Mastricht, Theol. VI 2, 15. Witsius,
Oec. foed. III 5, 7-15. Marck, Theol. 17, 10. Moor III 386. 387. Deze
roeping is wel onvoldoende tot zaligheid, omdat zij van Christus en zijne
genade niet weet en dus niemand kan leiden tot den Vader, Joh. 14:6,
Hd. 4:12, Rom. 1:16; de wereld heeft met haar toch in hare dwaasheid en
duisternis God niet gekend, Joh. 1:5, 10, Rom. 1:21v., 1 Cor. 1:21, Ef.
2:12. Maar zij is toch eene rijke bemoeienis van God met zijn schepsel,
een getuigenis van den Logos, eene werking van den Geest Gods, die voor
de menschheid van groote beteekenis is. Aan haar is te danken, dat de
menschheid in weerwil van de zonde is kunnen blijven bestaan, dat zij
zich in gezinnen, maatschappijen en staten heeft georganiseerd, dat er
nog een besef van godsdienst en zedelijkheid in haar is overgebleven
en dat zij niet weggezonken is in bestialiteit. Alle dingen bestaan te
zamen in Christus, die alles draagt door het woord zijner kracht, Col.
1:16, Hebr. 1:13. Bepaaldelijk dient zij ook, om zoowel in het leven der
volken als in dat der bijzondere personen voor de hoogere en betere
roeping door het evangelie den weg te banen. Christus bereidt als Logos
door allerlei middelen en wegen zijn eigen werk der genade voor. Hij trad
daarom zelf op in de volheid der tijden. Toen de wereld God door hare
wijsheid niet heeft gekend, heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid
der prediking zalig te maken, die gelooven, 1 Cor. 1:21. Het evangelie
komt niet in eens tot alle volken, maar zet in den weg der historie zijn
loop door de wereld voort; het komt ook bij de bijzondere personen in
dat oogenblik, dat door God zelf in zijne voorzienigheid voorbereid en
bepaald is.
Hoe belangrijk deze vocatio realis echter ook zij, hooger staat de
vocatio verbalis, die niet alleen door de geopenbaarde wet maar bepaald
ook door het evangelie tot de menschen komt. Deze roeping doet die
door natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze in zich op en
bevestigt ze; alleen gaat zij er verre boven uit. Immers is zij eene
roeping, die niet van den Logos maar bepaaldelijk van Christus uitgaat;
die niet zoozeer van de wet als wel van het evangelie als eigenlijk
middel zich bedient; die niet tot gehoorzaamheid aan Gods wet maar
tot geloof aan Gods genade uitnoodigt; en die ook altijd gepaard gaat
met zekere werking en getuigenis van dien Geest, dien Christus als
zijn Geest in de gemeente uitgestort heeft, Joh. 16:8-11, Mt. 12:31,
Hd. 5:3, 7:51, Hebr. 6:4. Deze roeping is niet universeel in den zin
der oude Lutherschen, die met beroep op Mt. 28:19, Joh. 3:16, Rom.
10:18, Col. 1:23, 1 Tim. 2:4 beweerden, dat ten tijde van Adam, Noach
en Christus het evangelie feitelijk aan alle volken bekend was geweest
en door eigen schuld weder verloren was gegaan, Form. Conc. bij Müller
709. Gerhard, Loc. VII c. 7. Quenstedt, Theol. III 465-476; cf. ook
de Remonstranten e. a. bij M. Vitringa III 167; maar zij mag en moet
toch gebracht worden tot alle menschen zonder onderscheid. De Schrift
beveelt dit uitdrukkelijk, Mt. 28:19, en zegt bovendien, dat velen, die
niet komen, toch geroepen waren, Mt. 22:14, Luk. 14:16-18, maar het
evangelie verwierpen, Joh. 3:36, Hd. 13:46, 2 Thess. 1:8 en daarom
juist aan de schrikkelijke zonde des ongeloofs schuldig staan, Mt.
10:15, 11:22, 24, Joh. 3:36, 16:8, 9, 2 Thess. 1:8, 1 Joh. 5:10. De
universalisten brengen echter tegen de Gereformeerden in, dat dezen
op hun standpunt zulk eene algemeene roeping door het evangelie niet
kunnen aannemen; immers is Christus volgens hen niet voor allen doch
slechts voor de uitverkorenen gestorven; en de prediking kan dus niet
luiden: Christus heeft voor u voldaan, uwe zonden zijn verzoend, geloof
alleenlijk; maar kan voor onbekeerden alleen bevatten den eisch der
wet; indien wij het algemeen aanbod der genade handhaven, is dit toch
van Gods zijde niet ernstig gemeend en bovendien onnut en ijdel, cf.
bijv. Arminius, Op. 661 sq. Conf. en Apol. Conf. Rem. c. 7. Episcopius,
Antidotum c. 9, Op. II 2 p. 38, Limborch, Theol. Chr. IV 3, 12-18. Deze
bedenkingen zijn ongetwijfeld van groot gewicht, en hebben van de zijde
der Gereformeerden verschillende antwoorden uitgelokt. Sommigen kwamen
er toe, om aan de zondaren alleen de wet te prediken en het evangelie
alleen aan te bieden aan hen, die reeds zichzelven hadden leeren kennen
en behoefte gevoelden aan verlossing; anderen handhaafden het algemeene
aanbod der genade en rechtvaardigden het daarmede, dat Christus’
offerande genoegzaam voor allen was of dat Christus toch ook vele en
velerlei zegeningen verworven had voor hen, die niet in Hem zouden
gelooven, of dat het evangelie hun alleen aangeboden werd op conditie
van geloof en bekeering; nog anderen naderden het universalisme en
leerden, dat Christus volgens een eerste, algemeen besluit Gods voor
allen voldaan had, of dat Hij voor allen de wettelijke mogelijkheid, om
zalig te worden, verworven en allen in een „salvable state” gebracht
had, of ook zelfs, dat de verwerving der zaligheid universeel en
de toepassing particulier was, cf. boven bl. 395v. Hoezeer het ook
schijnen kon, dat de belijdenis van verkiezing en particuliere voldoening
iets anders vorderde, toch hebben de Gereformeerden in den regel het
algemeene aanbod der genade gehandhaafd.
2. En dit volkomen terecht. Want 1º de Schrift laat er geen twijfel
over, dat het evangelie aan alle creaturen mag en moet gepredikt
worden. Of wij dit met de particuliere uitkomst rijmen kunnen, is eene
andere vraag. Maar het bevel van Christus is het einde van alle
tegenspraak. Regel voor onze gedraging is alleen de geopenbaarde wil
Gods. De uitkomst van die prediking is vast en zeker, niet alleen
volgens hen, die de praedestinatie belijden, maar ook op het standpunt
van hen, die alleen de praescientia erkennen. God kan niet bedrogen
uitkomen; voor Hem kan het resultaat der wereldgeschiedenis geen
teleurstelling zijn. En met eerbied gezegd, is het niet onze taak,
maar ligt het voor Gods rekening, om deze uitkomst met de algemeene
aanbieding des heils in overeenstemming te brengen. Dit alleen
weten wij, dat die uitkomst juist naar Gods besluit gebonden is aan
en verkregen wordt door al die middelen en wegen, welke ons zijn
voorgeschreven. En daaronder behoort ook de prediking van het evangelie
aan alle creaturen. Met het besluit van verkiezing en verwerping
hebben wij daarbij niets te maken. Het evangelie wordt aan menschen
verkondigd, niet als verkorenen en verworpenen, maar als zondaren,
die allen verlossing van noode hebben. Door menschen bediend, die den
verborgen raad Gods niet kennen, kan het evangelie niet anders dan
algemeen in zijne aanbieding zijn. Gelijk een net, in de zee geworpen,
goede en kwade visschen opvangt, gelijk de zon zoowel het onkruid als
de tarwe beschijnt, gelijk het zaad van den zaaier niet alleen in goede
aarde maar ook in steenachtige en dorre plaatsen valt, zoo komt het
evangelie in zijne bediening tot alle menschen zonder onderscheid. 2º
De prediking van dat evangelie luidt niet tot elk mensch, hoofd voor
hoofd: Christus is in uwe plaats gestorven, al uwe zonden zijn verzoend
en vergeven. Want, al meenen de universalisten, dit te kunnen en te
mogen zeggen tot ieder mensch zonder eenige nadere bepaling, toch blijkt
bij eenig nadenken, dat ook op het standpunt der universalisten dit
geenszins het geval is. Immers heeft Christus volgens hen slechts de
mogelijkheid der vergeving en der zaligheid verworven; werkelijk wordt
die vergeving en zaligheid eerst, als de mensch gelooft en gelooven
blijft. Ook zij kunnen dus alleen als inhoud des evangelies prediken:
geloof in den Heere Jezus, en gij zult vergeving der zonden en het
eeuwige leven ontvangen. Dit nu zeggen de Gereformeerden evenzoo; ook
zij bieden zoo het evangelie aan alle menschen aan en kunnen, mogen en
moeten dat doen. De vergeving der zonden en de eeuwige zaligheid zijn
er, maar zij worden ons deel slechts in den weg des geloofs. Maar daarbij
is er tusschen de universalisten en de Gereformeerden toch nog een
belangrijk onderscheid, dat geheel in het voordeel der laatsten is. Bij
genen toch verwierf Christus alleen de mogelijkheid der zaligheid; of
deze werkelijk iemands deel wordt, hangt van hemzelf af; het geloof is
eene conditie, een werk, dat de mogelijke zaligheid eerst tot werkelijke
maakt, en ze altijd, tot den dood toe, in het onzekere laat. Maar bij
de Geref. verwierf Christus de gansche, volle, werkelijke zaligheid;
het geloof is daarom geen werk, geen conditie, geen verstandelijke
toestemming van de sententie: Christus is voor u gestorven, maar een
steunen op Christus zelven, een vertrouwen op zijne offerande alleen,
een levend geloof, veel eenvoudiger dan het bij de universalisten
wezen kan, en dat veel zekerder de zaligheid meebrengt, dan zij op hun
standpunt ooit beloven kunnen. De fout schuilt alleen bij den mensch,
die altijd geneigd is, om de orde, door God ingesteld, om te keeren:
hij wil van de uitkomst zeker zijn, voordat hij gebruik maakt van de
middelen, en juist om van het gebruik ontslagen te wezen. Maar God
wil, dat wij den weg des geloofs zullen inslaan, en verzekert ons
dan in Christus onfeilbaar de volkomene zaligheid. 3º Daarom is die
aanbieding des heils van Gods zijde ook ernstig gemeend en oprecht.
Want Hij zegt in die aanbieding niet, wat Hij zal doen, of Hij het geloof
zal schenken of niet. Dat heeft Hij zichzelf voorbehouden en ons niet
geopenbaard. Hij verklaart alleen, wat Hij wil, dat wij zullen doen, dat
wij ons verootmoedigen zullen en ons heil zoeken in Christus alleen. Als
daartegen ingebracht wordt, dat God dan toch de zaligheid aanbiedt aan
zulken, aan wie Hij besloten heeft, het geloof en de zaligheid niet te
schenken, dan is dit een bezwaar, dat evenzeer van kracht blijft op het
standpunt der tegenstanders. Want immers biedt God dan ook de zaligheid
aan aan zulken, van wie Hij zeker, vast, onfeilbaar weet, dat zij niet
zullen gelooven. Niet alleen toch volgens de Geref. maar volgens alle
belijders van Christus staat de uitkomst der wereldgeschiedenis eeuwig
en onveranderlijk vast, deel II 352. Het verschil is alleen, dat de
Gereformeerden hebben durven zeggen: die uitkomst is in overeenstemming
met Gods wil en bedoeling. Wat is en geschiedt, moet God, al begrijpen
wij het niet, hebben kunnen willen, behoudens al zijne deugden en
volmaaktheden; anders ware God geen God meer. De geschiedenis kan en
mag geen partij zijn tegenover God. Alverder is daarom 4º die prediking
des evangelies ook niet ijdel of onnut. Als God uit onkunde of onmacht
door de algemeene aanbieding werkelijk aller zaligheid bedoelde, dan
werd zij inderdaad onnut en ijdel. Want hoe weinigen zijn het, bij wie
dit doel wordt bereikt! Dan sluit zij zelve eene antinomie in, die ter
oplossing tot steeds verdere afdwaling van de Schrift verleidt. Want
indien de wil en bedoeling Gods, indien de voldoening van Christus
volstrekt algemeen is, dan moet de aanbieding des heils ook zonder
eenige beperking algemeen zijn. En wijl zij dat blijkbaar niet is, komt
men er dan toe, om met de oude Lutheranen de geschiedenis in het
aangezicht te weerspreken en te beweren, dat door de apostelen het
evangelie tot alle volken gebracht is, of met vele nieuwere theologen
eene evangelie-prediking ook nog aan gene zijde des grafs aan te nemen,
cf. bijv. W. Schmidt, Stud. u. Krit 1887 S. 1-44, of erger nog met het
rationalisme en mysticisme te gelooven, dat de wet der natuur of het
inwendige licht genoegzaam tot de zaligheid is. Hoe verder men echter
op deze wijze, in strijd met de historie, de roeping uitbreidt, des te
zwakker, krachteloozer en ijdeler wordt zij. In qualiteit en intensiteit
wordt verloren, wat men schijnbaar in quantiteit en uitbreiding wint;
het conflict tusschen Gods bedoeling en de uitkomst wordt hoe langer
hoe grooter. 5º Al wordt dan ook door de roeping de zaligheid slechts
het deel van weinigen, gelijk ieder erkennen moet, zij houdt daarom toch
ook voor hen, die haar verwerpen, haar groote waarde en beteekenis. Zij
is voor allen zonder onderscheid het bewijs van Gods oneindige liefde
en bezegelt het woord, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars
maar daarin, dat hij zich bekeere en leve; zij verkondigt aan allen, dat
de offerande van Christus voldoende is voor de verzoening van alle
zonden; dat niemand verloren gaat, wijl zij niet rijk en krachtig genoeg
is; dat geen recht der wet, geen macht der zonde, geen heerschappij van
Satan hare toepassing in den weg staat; want niet gelijk de misdaad,
alzoo is de genadegift. Zelfs is zij dikwerf ook voor hen, die zich
verharden in hun ongeloof, de bron van allerlei zegeningen; verlichting
des verstands, hemelsche gave, gemeenschap des H. Geestes, genieting
van het woord Gods, krachten der toekomende eeuw zijn soms zelfs het
deel geweest van hen, die later afvallig worden en Christus versmaden,
Hebr. 6:4-6. En dit niet alleen, maar 6º de uitwendige roeping door
wet en evangelie bereikt ook het doel, dat God ermede beoogt. IJdel en
onnut is nooit, wat God doet. Zijn woord keert niet ledig weer, het
doet al wat Hem behaagt, het is voorspoedig in al datgene, waartoe
Hij het zendt. Maar dit is niet alleen en niet in de eerste plaats de
eeuwige zaligheid der menschen maar de eere van zijn eigen naam. In de
roeping door wet en evangelie handhaaft God het recht op zijn schepsel.
De zondaar meent door de zonde vrij te worden van God en van zijn dienst
ontslagen. Maar het is niet zoo. Het recht Gods op den mensch, ook op
den diepst gezonkene, is onvervreemdbaar en onkreukbaar. De mensch
kan, God den dienst opzeggende, diep ellendig worden, maar hij blijft
een schepsel, en dus afhankelijk. Hij wordt door de zonde niet minder
maar veel meer afhankelijk; want hij houdt op een zoon te zijn, en wordt
een dienstknecht, een slaaf, een machteloos instrument, dat door God
gebruikt wordt naar zijn wil. God laat den mensch nooit los en geeft
zijne rechten op hem, op zijn dienst, op zijne volkomene toewijding met
verstand en wil en alle krachten nooit prijs. En daarom roept Hij hem
door natuur en geschiedenis, door hart en geweten, door zegeningen en
gerichten, door wet en evangelie. De roeping in den ruimsten zin is de
prediking van het recht Gods op zijn gevallen schepsel. 7º Als zoodanig
handhaaft zij in den mensch en in de menschheid al die godsdienstige
en zedelijke beseffen van afhankelijkheid, eerbied, ontzag, plicht,
verantwoordelijkheid enz., zonder welke het menschelijk geslacht niet
zou kunnen bestaan. Godsdienst, zedelijkheid, recht, kunst, wetenschap,
gezin, maatschappij, staat, zij hebben alle hun wortel en grondslag in
die roeping, welke van God tot alle menschen uitgaat. Neem haar weg,
en er ontstaat een oorlog van allen tegen allen, de eene mensch wordt
een wolf voor den ander. De roeping door wet en evangelie houdt de
zonde tegen, mindert de schuld, en stuit het bederf en de ellende van
den mensch; zij is een gratia reprimens. Zij is een bewijs dat God God en
voor niets onverschillig is, dat niet alleen het Jenseits maar ook het
Diesseits waarde voor Hem heeft. Hoezeer de mensch dan ook geneigd zij,
om zich achter zijne onmacht te verschuilen, of met Pelagius en Kant
uit zijn plicht tot zijne macht te besluiten; ook daarin erkent hij, dat
Gods recht en onze plicht onverzwakt blijven bestaan, en dat hij zelf
onontschuldigbaar is. Maar eindelijk 8º de roeping is niet alleen eene
gratia reprimens maar ook eene gratia praeparans. Christus is tot eene
κρισις, tot een val maar ook tot eene opstanding in de wereld gekomen,
Mk. 4:12, Luk. 2:34, 8:10, Joh. 9:39, 15:22, 2 Cor. 2:16, 1 Pet. 2:7,
8. En de roeping door wet en evangelie bedoelt ook, om door alwat zij
schenkt en werkt, in de menschheid en in den enkelen mensch de komst
van Christus voor te bereiden. In Remonstrantschen zin, Conf. en Apol.
XI 4 werd zulk eene gratia praeparans door de Gereformeerden beslist
ontkend, Can. Dordr. I verw. 4. Trigland, Antapol. c. 25 sq. Mastricht,
Theol. VI 3, 19. 28. Witsius, Oec. foed. III 6, 9. Het geestelijk leven,
dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, is wezenlijk verschillend van
het natuurlijk en zedelijk leven, dat eraan voorafgaat; het komt niet
door menschelijke werkzaamheid of evolutie maar door eene scheppende
daad Gods tot stand. Sommigen noemden daarom de werkzaamheden, die
aan de wedergeboorte voorafgaan, liever actus antecedanei dan actus
praeparatorii. Maar toch kan er in goeden zin van gratia praeparans
gesproken worden; tegenover alle methodistische richtingen, die het
natuurlijke leven miskennen, is ze zelfs van uitnemende waarde. Want
de belijdenis der voorbereidende genade houdt niet in, dat de mensch,
door te doen quod in se est, door vlijtig ter kerk te gaan, met ernst
naar Gods woord te hooren, zijne zonde te erkennen, naar verlossing
te verlangen enz., volgens een meritum de congruo, de genade der
wedergeboorte, verdienen of ook zich voor haar ontvankelijk en vatbaar
maken kan. Maar zij houdt in, dat God Schepper, Onderhouder en Regeerder
aller dingen is en dat Hij zelfs verre van te voren in de geslachten
het leven schikt van hen, die Hij te zijner tijd begiftigen zal met
het geloof. De mensch is op den zesden dag niet door evolutie uit
lagere schepselen ontstaan maar door Gods hand geschapen; toch mag
zijne schepping door de voorafgaande daden Gods voorbereid heeten.
Christus zelf is van boven gekomen, maar zijne komst is eeuwenlang
voorbereid. Natuur en genade zijn onderscheiden en mogen niet verward of
vermengd, maar God legt verband tusschen beide. Schepping, verlossing
en heiligmaking worden oeconomisch toegeschreven aan Vader, Zoon en
Geest, maar deze drie zijn de ééne en waarachtige God en saam brengen
zij het gansche werk der verlossing tot stand. Niemand kan tot Christus
komen, tenzij de Vader hem trekke; en niemand ontvangt den H. Geest,
dan wien de Zoon Hem zendt. En daarom is er eene _gratia_ praeparans.
God bereidt zelf op menigerlei wijze zijn werk der genade in de harten
voor. Hij wekt in Zacheus de begeerte, om Jezus te zien, Luk. 19:3,
werkt verslagenheid onder de schare, die Petrus hoort, Hd. 2:37, doet
een Paulus ter aarde vallen, Hd. 9:4, brengt den stokbewaarder tot
verlegenheid, Hd. 16:27 en leidt zoo het leven van al zijne kinderen
ook vóór en tot de ure van hunne wedergeboorte toe. Ook al zijn zij nog
niet van hunne zijde de verzoening en rechtvaardiging deelachtig, al
hebben zij nog niet de wedergeboorte en het geloof, zij zijn toch reeds
voorwerpen zijner eeuwige liefde, en Hij leidt hen zelf door zijne genade
heen tot dien Geest, die alleen wederbaren en troosten kan. Alles
staat dan ook naar de ordening Gods met hun latere toebrenging tot en
roeping in de gemeente in verband. Ontvangenis en geboorte, huisgezin
en geslacht, volk en land, opvoeding en onderwijs, ontwikkeling van
verstand en hart, bewaring voor schrikkelijke zonden, voor de lastering
tegen den H. Geest bovenal, of ook overgave aan allerlei boosheid en
ongerechtigheid, rampen en oordeelen, zegeningen en weldaden, prediking
van wet en evangelie, verslagenheid en vreeze voor het oordeel,
ontwaking der conscientie en behoefte aan redding, het is alles eene
gratia praeparans tot de wedergeboorte uit den H. Geest en tot de
plaats, welke de geloovige later in de gemeente innemen zal. Eén is
wel de weg naar den hemel, maar vele zijn de leidingen Gods, zoowel vóór
als op dien weg, en rijk en vrij is de genade des H. Geestes. Jeremia
en Johannes de Dooper en Timotheus worden op andere wijze toegebracht
dan Manasse of Paulus, en vervullen in den dienst Gods elk eene
onderscheidene taak. Pietisme en methodisme miskennen die leidingen,
beperken Gods genade, willen allen bekeeren en vormen naar één type.
Maar de Geref. theologie eerbiedigt de vrijmacht Gods en bewondert den
rijkdom zijner genade. Cf. over wezen en vrucht der uitwendige roeping,
behalve de vroeger bl. 211 genoemde litt. over de algemeene genade:
Twissus, Op. I 660 sq. Trigland, Opuscula I 430v. II 809v. Gomarus,
Op. I 97 sq. Synopsis pur. theol. 30, 40-46. Voetius, Disp. II 256.
Mastricht, Theol. VI 2, 16. Turretinus, Theol. El. XV qu. 2 en ook
XIV 14, 51. Witsius, Oec. foed. II 9, 4. III 5. 20. Heidegger, Corp.
Theol. XXI § 9-11. Alting, Theol. probl. 187. Moor III 1071. Hodge,
Syst. Theol. II 641v. Shedd, Dogm. Theol. I 451. II 482v. Candlish,
The atonement 1861, p. 169v. A. Robertson, Hist. of the atonement
controversy in conn. with the secession Church 1846. Over de gratia
praeparans is te raadplegen: Musculus, Loci C. §24. Martyr, L. C.
312. Ursinus op vr. 88-90. Olevianus e. a. bij Heppe, Dogm. d.d. Pr.
II 372. Perkins, Werken III 127v. Amesius, Casus Consc. II 4 en disp.
theol. de praepar. peccatoris ad conversionem, bij Dr. H. Visscher, G.
Amesius 1894 p. 125. Britsche theologen op de Dordsche synode over
het 3e en 4e art. Synopsis 32, 6. Witsius, Oec. foed. III 6, 11-15.
Voetius, Disp. II 402-424. Moor IV 482. Vitringa, Geestelijk Leven c. 4.
Eenhoorn, Welleven I 220. Van Aalst, Geest. Mengelstoffen, 298. 369.
Comrie Catech. op vr. 20-23. Owen, Rechtv. uit het geloof c. 1 bl. 83v.
Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 111.
3. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen der
vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloof en
de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste en
laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop werd in de
christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord gegeven. Sommigen
zeiden, dat die verschillende uitkomst te danken was aan den wil des
menschen, hetzij die wil van nature of door de genade van den Logos
of door die in den doop of ook door die in de roeping de kracht
ontvangen had, om het evangelie aan te nemen of te verwerpen. Op dit
standpunt is er geen onderscheid van vocatio externa en interna, van
vocatio sufficiens en efficax. Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd
en bij allen dezelfde; zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als
iemand haar gehoor geeft. Na alwat vroeger, vooral deel II 355v. over
het pelagianisme gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige
weerlegging meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt. Men
kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan en bepaaldelijk
het ongeloof toeschrijven aan den wil van den mensch. Men spreekt dan
ook naar waarheid, Deut. 30:19, Jos. 24:15, Jes. 65:12, Mt. 22:2,
23:37, Joh. 7:17, Rom. 9:32 enz.; de zondige wil van den mensch is
oorzaak van zijn ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen
ten allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid alleen
aan Gods genade toe, deel II 351. Er is niets, dat hen onderscheidt
dan die genade alleen, 1 Cor. 4:7. En daarom kan dit onderscheid ter
laatste instantie niet liggen in den menschelijken wil. Blijft men daarbij
toch als de laatste oorzaak staan, dan verheffen zich in eens al de
psychologische, ethische, historische en theologische bezwaren, die ten
allen tijde tegen het pelagianisme ingebracht zijn. Eene onberekenbare
willekeur wordt ingevoerd, de zonde verzwakt, de beslissing over de
uitkomst der wereldgeschiedenis in handen van den mensch gelegd, de
regeering aller dingen aan God onttrokken, zijne genade te niet gedaan.
Ook al schrijft men de macht, om voor of tegen het evangelie te kiezen,
aan de herstelling door de genade toe, de zaak wordt daardoor toch
niet beter. Men voert dan eene genade in, die enkel en alleen in de
herstelling der wilskeuze bestaat, van welke de Schrift met geen woord
melding maakt, die eigenlijk de wedergeboorte al onderstelt en ze toch
eerst na goede keuze van den wil tot stand brengen moet, cf. Frank,
Syst. d. chr. Wahrh. II 325. Ook raakt men op dit standpunt verlegen
met al die millioenen van menschen, die nooit het evangelie hebben
gehoord of ook als kinderkens wegstierven en die daarom nooit in de
gelegenheid werden gesteld, om Christus aan te nemen of te verwerpen.
De vrije wil des menschen kan daarom de laatste oorzaak van geloof en
ongeloof niet zijn. Een ander antwoord werd daarom op de bovengestelde
vraag door Bellarminus gegeven; hij verwierp zoowel de leer van Pelagius
als van Augustinus, zocht een middenweg te bewandelen, en zeide,
dat de efficacia der roeping daarvan afhing, of zij tot iemand kwam
in een geschikten tijd, als zijn wil genegen was om haar op te volgen
(congruitas), de grat. et lib. arb. I 12. IV 11, en zoo verder de
congruisten, en in de Geref. kerk Pajon, Kleman en ook Shedd, Syst.
Theol. II 511-528, die de zaligheid in the highest degree probable
noemt voor ieder, die ernstig en ijverig van de middelen der genade
gebruik maakt. Maar ook dit antwoord is onbevredigend. Er ligt in
de congruitas wel eene belangrijke waarheid, die door het methodisme
miskend, in de Geref. leer van de gratia praeparans tot haar recht
komt. Maar zij is geheel onvoldoende, om de efficacia der roeping te
verklaren. Immers is zij in haarzelve niet anders dan eene suasio
moralis, welke uiteraard onmachtig is dat geestelijk leven te scheppen,
hetwelk volgens de Schrift door wedergeboorte in den mensch ontstaat;
voorts onderstelt zij, dat de mensch in het eene oogenblik niet, in het
andere wel geschikt is om de genade aan te nemen, en zoekt de zonde dus
in de omstandigheden en verzwakt die in den mensch; verder legt zij de
beslissing in den wil des menschen en roept daardoor al de bedenkingen
weer op, die boven genoemd en door Bellarminus zelven tegen het
pelagianisme ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping
en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk van
aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom de efficacia
der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door de Augustinianen, de
Thomisten en de Gereformeerden de oorzaak, waardoor de roeping bij den
een vrucht droeg en bij den ander niet, in den aard der roeping zelve
gezocht. De eersten zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is,
eene delectatio victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het
velle schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio of
actio Dei physica, welke het _posse_ agere, door de vocatio sufficiens
geschonken, in een _agere_ deed overgaan; maar de Gereformeerden hadden
tegen deze termen bezwaar, vooral tegen de omschrijving van de daad Gods
in de bekeering als eene physische en spraken liever van eene vocatio
externa en interna. Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor,
de praed. sanct. c. 8, werd van hem overgenomen door Calvijn, op Rom.
10:16, Acta Syn. Trid. c. antidoto sess. 6, C. R. 35, 480. Inst. III
24, 8 enz., en dan ingeburgerd in de Geref. theologie. Eerst werd deze
tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd, n.l. vocatio materialis
en formalis, signi en beneplaciti, communis en singularis, universalis
en specialis enz., Polanus, Synt. VI c. 32, maar de naam van uit-
en inwendige roeping kreeg de overhand en heeft allengs de andere
verdrongen.
Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de Schrift
niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1º reeds daaruit
voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn, verdoemelijk voor
Gods aangezicht, Rom. 3:9-19, 5:12, 9:21, 11:32, dood in zonden en
misdaden, Ef. 2:2, 3, verduisterd in het verstand, 1 Cor. 2:14, Ef.
4:18, 5:8, het koninkrijk Gods niet kunnende zien, Joh. 3:3, slaven der
zonde, Joh. 8:34, Rom. 6:20, vijanden Gods, Rom. 8:7, Col. 1:21, die
zich der wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8:7, uit zichzelven niets
goeds kunnen denken of doen, Joh. 15:5, 2 Cor. 3:5, en, ofschoon het
evangelie voor den mensch is, toch er vijandig tegenover staan en het
als een ergernis of dwaasheid verachten, 1 Cor. 1:23, 2:14. Uit den
mensch is daarom het onderscheid niet te verklaren, dat na de roeping
waar te nemen valt. Alleen God en zijne genade maakt onderscheid, 1
Cor. 4:7. 2º De prediking des Woords is zonder meer niet voldoende,
Jes. 6:9, 10, 53:1, Mt. 13:13v, Mk. 4:12, Joh. 12:38-40 enz.; reeds
in het O. T. werd daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een
nieuw hart schenken zou, Jes. 32:15, Jer. 31:33, 32:39, Ezech. 11:19,
36:26, Joel 2:28; en daartoe werd Hij op den pinksterdag uitgestort,
om met en door de apostelen te getuigen van Christus, Joh. 15:26, 27,
om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, Joh.
16:8-11, om te wederbaren, Joh. 3:5v., 6:63, 16:13, en te leiden tot
de belijdenis van Jezus als den Heere, 1 Cor. 12:3. Daarom wordt 3º
het werk der verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan
God toegeschreven, en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne
voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in dien
engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de wedergeboorte en
bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil noch desgenen die loopt,
maar des ontfermenden Gods, Rom. 9:16; de roeping is realiseering der
verkiezing, Rom. 8:28, 11:29. Het is God, die het hart vernieuwt en er
zijne wet in schrijft, Ps. 51:12, Jer. 31:33, Ezech. 36:26, die verlichte
oogen des verstands geeft, Ps. 119:18, Ef. 1:18, Col. 1:9-11 en het
hart opent, Hd. 16:14, die zijnen Zoon als Christus kennen doet, Mt.
11:25, 16:17, Gal. 1:16 en tot Hem henenleidt met geestelijke kracht,
Joh. 6:44, Col. 1:12, 13, die het evangelie prediken doet, niet alleen
in woorden, maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2:4, 1 Thess.
1:5, 6 en zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3:6-9, die in één woord in
ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil.
2:13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de werking
der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden opgewekt en
gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef. 1:18-20. 4º De daad zelve,
waardoor God deze verandering in den mensch teweegbrengt, heet dikwerf
wedergeboorte, Joh. 1:13, 3:3v., Tit. 3:5 enz., en de vrucht daarvan
wordt aangeduid als een nieuw hart, Jer. 31:33, καινη κτισις, 2 Cor.
5:17, θεου ποιημα, κτισθεντες ἐν Χριστῳ Ιησου, Ef. 2:10, το ἐργον του
θεου, Rom. 14:20, zijne οἰκοδομη, 1 Cor. 3:9, Ef. 2:21 enz., dat is,
wat er in den mensch door de genade tot stand gebracht wordt, is veel
te rijk en te groot, dan dat het uit eene suasio moralis van het woord
der prediking zou kunnen verklaard worden. Eindelijk 5º de Schrift
spreekt zelve van de roeping in tweeërlei zin. Meermalen gewaagt zij van
eene roeping en noodiging, die niet opgevolgd wordt, Jes. 65:12, Mt.
22:3, 14, 23:37, Mk. 16:15, 16, enz., en dan kan zij zeggen, dat God
alles van zijne zijde gedaan heeft, Jes. 5:4, en dat de menschen door
hun onwil niet geloofd en Gods raad, den H. Geest, de roeping hebben
weerstaan, Mt. 11:20v., 23:37, Luk. 7:30, Hd. 7:51. Maar zij kent ook
eene roeping, die God tot auteur heeft, realiseering der verkiezing
en altijd krachtdadig is; zoo bepaaldelijk bij Paulus, Rom. 4:17, 8:30,
9:11, 24, 1 Cor. 1:9, 7:15v., Gal. 1:6, 15, 5:8, Ef. 4:1, 4, 1 Thess.
2:12, 2 Tim. 1:9, cf. ook 1 Petr. 1:15, 2:9, 5:10, 2 Petr. 1:3; de
geloovigen kunnen daarom eenvoudig als κλητοι, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2,
24, κλητοι Χριστου, of κλητοι ἐν κυριῳ, 1 Cor. 7:22, d. i. geroepenen
door God, die Christus toebehooren en in zijne gemeenschap leven, worden
aangeduid. Daarnaast kent Paulus wel eene prediking des evangelies aan
zulken, die het verwerpen, maar hun is het evangelie eene dwaasheid,
1 Cor. 1:18, 23, eene reuke des doods ten doode, 2 Cor. 2:15, 16, zij
verstaan het niet, 1 Cor. 2:14. Als eene kracht Gods, 1 Cor. 1:18,
24, bewijst het zich aan hen, die door God naar zijn voornemen geroepen
worden, Rom. 8:28, 9:11, 11:28, Ef. 1:4, 5.
4. Deze roeping, in den zin van Paulus opgevat, komt daardoor vanzelf
in het allernauwste verband te staan met wat elders wedergeboorte heet.
Dat blijkt reeds daaruit, dat Paulus, de roeping steeds krachtdadig
nemende, van wedergeboorte bijna niet spreekt. Slechts eenmaal bedient
hij zich van dit woord, als hij in Tit. 3:5 zegt, dat God ons niet heeft
zalig gemaakt uit onze werken, maar overeenkomstig zijne barmhartigheid
δια λουτρου παλιγγενεσιας και ἀνακαινωσεως πνευματος ἁγιου, d. i. door
middel van het bad der door den H. Geest gewerkte wedergeboorte en
vernieuwing. Wedergeboorte wordt hier met vernieuwing verbonden, wijl
zij er de aanvang en het beginsel van is; saam worden zij toegeschreven
aan den H. Geest; en beide worden als een bad gedacht, waarin de H.
Geest de geloovigen ondergedompeld heeft en waaruit Hij hen als nieuwe
menschen heeft doen opstaan. Volgens Rom. 6 geschiedt dit in den
doop als teeken en zegel van het genadeverbond. Als de uitverkorenen
n.l. geroepen worden, dan ontvangen zij terstond door het geloof de
rechtvaardigmaking en de aanneming tot kinderen in juridischen zin,
Rom. 3:22, 24, 4:5, 5:1, Gal. 3:26, 4:5, enz., maar tegelijk daarmede
ook de gemeenschap met Christus, Rom. 6:3v., de verheerlijking naar zijn
beeld, Rom. 8:29, 30, 1 Cor. 4:15, 2 Cor. 3:18, Gal. 4:19, en dus, wijl
Christus zelf levendmakende Geest is, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, den
Geest van Christus als principe van een nieuw leven, Gal. 3:2, 4:6,
zoodat de geloovigen nu geestelijke, nieuwe menschen zijn, 1 Cor. 2:15, 2
Cor. 5:17, Gal. 6:15, Ef. 2:15, 4:24, Col. 3:10, wandelende in, geleid
door en tempelen zijnde van den H. Geest, Rom. 8:14, 1 Cor. 6:19, Gal.
5:25 enz. Het woord wedergeboorte moge daarom bij Paulus slechts eenmaal
voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem toch ten grondslag aan het nieuwe
leven, dat de geroepene in de gemeenschap met Christus deelachtig
wordt. Verwant is de voorstelling bij Petrus, die I 1:23 de geloovigen
vermaant elkander lief te hebben, wijl zij zijn ἀναγεγεννημενοι οὐκ ἐκ
σπορας φθαρτης ἀλλα ἀφθαρτου, δια λογου ζωντος θεου και μενοντος, d.
i. door God, cf. 1:3, opnieuw geboren, niet uit vergankelijk zaad,
zooals bij de eerste geboorte, maar uit onvergankelijk zaad, d. i. het
woord Gods, zooals het door de roeping Gods in den mensch ingeplant,
een λογος ἐμφυτος, Jak. 1:21 en het beginsel van een nieuw leven
wordt, en dat door middel van het hun verkondigde, levende en blijvende
woord van God cf. vs. 25. Evenzoo zegt Jakobus 1:18, dat God ons naar
zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, ἀπεκυησεν, door het woord der
waarheid, opdat wij, Christenen, de eerstelingen van Gods schepselen
zouden zijn, d. i. het ware Israel, het bijzonder eigendom Gods, de
rechtmatige erfgenamen der belofte. Overal is hier de wedergeboorte
gedacht als aanvang, beginsel, grond der heiligmaking, door God of zijn
Geest inwendig bewerkt, en plaats hebbende door middel van de roeping
door het woord. Maar Johannes beschouwt de wedergeboorte uit een ander
gezichtspunt. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3:6 en staat
vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren
zijn, 1:13, zijn uit, 8:23, 15:19 en behooren tot de wereld, 14:17, 19,
22 enz., zijn van beneden, 8:23, uit den duivel, 8:44, begrijpen het
licht van den Logos niet, 1:5, nemen Hem niet aan, 1:11, hebben de
duisternis liever dan het licht, 3:19, 20, hooren niet, 8:47, kennen
God niet, 8:19, 15:21, zien het koninkrijk Gods niet, 3:3, wandelen in
de duisternis, 12:35, haten het licht, 3:20, en zijn dienstknechten
der zonde, 8:34. Zij _kunnen_ ook het koninkrijk Gods niet zien, 3:3,
niet gelooven, 5:44, 12:39, niet het woord Gods hooren, 8:43, niet tot
Christus komen, 6:44, den H. Geest niet ontvangen, 14:17. En daarom
is er wedergeboorte van noode. Deze is een γεννηθηναι ἀνωθεν, d. i.
van boven, 3:3, cf. 3:31, 8:23, 19:11, 23, ἐκ θεου, 1:13, I 2, 20,
3:9 enz., uit water en Geest, 3:5, d. i. uit den Geest, 3:6, 8, wiens
reinigende werkzaamheid in het water haar beeld heeft, cf. Ezech.
36:25-27, Mt. 3:11, geheimzinnig en wonderlijk, zoodat niemand oorsprong
en wezen ervan kent, 3:8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes
ook niet met het woord of met de roeping in verband gebracht, maar gaat
daaraan veeleer vooraf. Immers werkte Christus als Logos ook reeds vóór
zijne vleeschwording, 1:1-13; Hij scheen als licht in de wereld, maar
deze kende Hem niet, 1:5, 9, 10. Hij kwam tot het zijne, tot Israel, en
de zijnen namen Hem niet aan, 1:11; maar toch was ook toen zijne komst
niet geheel vruchteloos, want zoovelen als Hem aannamen, kregen toen
al de macht om kinderen Gods te worden. En dat waren dezulken, die
uit God geboren waren, 1:12, 13 cf. 1 Joh. 5:1. Voordat de menschen
tot Christus komen en in Hem gelooven, zijn zij al uit God, 8:47, uit
de waarheid, 18:37; zij worden door den Vader gegeven aan den Zoon,
6:37, 39, 17:2, 9; Hij trekt ze tot Christus, 6:44; en al wie zoo tot
Christus komt, werpt Hij niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij
tot het eeuwige leven, 6:39, 10:28, 17:12. Christus komt, om hen, die
als door den Vader Hem gegeven zijne schapen reeds zijn, 10:27, toe te
brengen, om hen zijne stem te doen hooren en volgen en tot ééne kudde te
vergaderen, 10:16, 11:52; om hun, die al in zekeren zin kinderen Gods
zijn, 11:52, de ἐξουσια, het recht en de bevoegdheid te schenken, om het
te worden, om zich als zoodanig, als geborenen uit God, als τεκνα του
θεου, te openbaren en dit vooral te toonen in de broederlijke liefde, d.
i. in de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5:1.
Uit dit alles blijkt, dat Johannes de wedergeboorte niet in de eerste
plaats als eene ethische, doch als eene metaphysische daad Gods denkt,
door zijn Geest op wondervolle wijze, onmiddellijk gewerkt, opdat de alzoo
wedergeborenen juist in Christus gelooven en als kinderen Gods in
broederlijke liefde openbaar zouden worden.
Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen tot een
gnostisch dualisme herleid, Scholten, Het Ev. naar Joh. 1864 bl. 89v.
Holtzmann, Neut. Th. II 468 f. Het is immers geen dualisme, dat van
nature bestaat, want alle dingen zijn oorspronkelijk door den Logos
geschapen, 1:3; de wereld gansch in het algemeen is het voorwerp van
Gods liefde, 3:16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordeelen
maar te behouden, 3:17, 12:47. Van nature behooren echter alle menschen
tot de wereld, die het licht haat, wijl hare werken boos zijn, 3:19,
20. Zoo hangt het dus van het geloof af, of iemand het eeuwige leven
ontvangt, 3:15, 16, 36. Dat geloof is een ἐργον, 6:29, het is een
komen, 5:40, 6:35, 37, 44, 7:37, een aannemen, 1:11, 12, 3:11v., 5:43,
een dorsten en drinken, een hongeren en eten, 4:13-15, 6:35, 50v.,
7:37, het gaat niet buiten verstand en wil om maar heeft daarin zijn
wortel, 7:17. Het ongeloof wordt daarom ook aan den onwil des menschen
toegeschreven, 5:40, 8:44; de mensch blijft er verantwoordelijk voor,
3:19, 9:41, 12:43, 15:22, 24. En al is het ook, dat de geloovigen niet
meer kunnen verloren gaan, 10:28, 29, zij worden toch vermaand, om in
Christus en in zijn woord te blijven, wijl zij anders geen vrucht kunnen
dragen, 15:4-10. Ofschoon Johannes dus de tegenstelling van geloof
en ongeloof tot eene daad Gods terugleidt, waardoor Hij aan den eenen
geeft wat Hij aan den anderen onthoudt, hij wil daarmede geenszins de
zelfwerkzaamheid en de verantwoordelijkheid des menschen te niet doen;
veeleer laat hij beide naast elkander staan, Holtzmann II 494 f. Bij alle
verschil in voorstelling, is er daarom tusschen Paulus en Johannes
overeenstemming in de zaak. Verschil is er daarin, dat Paulus de
wedergeboorte beschouwt als den ethischen aanvang van een nieuw, heilig
leven en haar tot stand laat komen door de krachtdadige roeping Gods;
Johannes vat ze op van hare metaphysische zijde en verklaart uit haar
het feit, dat velen Jezus’ woord hooren en aannemen, door het geloof
tot Hem gaan en het eeuwige leven ontvangen. Op overeenkomstige wijze
werd in den eersten tijd der Hervorming de wedergeboorte in ruimeren
zin genomen voor de gansche vernieuwing des menschen, terwijl zij in
later tijd beperkt werd tot de instorting van het beginsel des nieuwen
levens, welke aan de daad des geloofs voorafging. Voegen wij hieraan nu
nog het woord van Jezus in Mt. 19:28 toe, dan blijkt, dat de Schrift van
de wedergeboorte in drieërlei zin spreekt: als beginsel des nieuwen
levens, dat door den Geest Gods vóór het geloof in den mensch geplant
wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen door het woord en den
Geest van Christus, en eindelijk, als herstelling van de gansche wereld
in haar oorspronkelijke volkomenheid. Zoo omvat de wedergeboorte het
gansche werk der herschepping van haar allereersten aanvang in den
mensch af tot haar voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde
toe. Deze gansche herschepping heeft in Christus, bepaaldelijk in zijne
opstanding, haar grond, 1 Petr. 1:3, haar beginsel in het woord en den
Geest van Christus, haar auteur in Christus zelven, die de reformator
der schepping is.
Hieruit wordt ook het verband duidelijk, dat tusschen wedergeboorte en
roeping bestaat. 1º Er is geen wedergeboorte zonder roeping. Gelijk
God in den beginne alle dingen schiep door te spreken en nog alle
dingen draagt door het woord zijner kracht, zoo brengt ook Christus
de herschepping tot stand door de macht van zijn woord. 2º Deze
roeping heeft tot inhoud niet een woord Gods in het algemeen, maar
bepaaldelijk het woord van Christus. Hij heeft door zijn lijden en sterven
het recht tot de herschepping aller dingen verworven. Hij heeft haar
in zijne opstanding principieel gerealiseerd; wanneer Christus als
middelaar spreekt, gehoorzaamt alles zijn woord en komt uit den dood
het leven te voorschijn; Hij maakt levend, die Hij wil, Joh. 5:21, 25,
28v. Inhoud der roeping is daarom het evangelie, de blijde boodschap
van Christus; daardoor alleen worden alle dingen vernieuwd. 3º Dit
woord van Christus, voor een oogenblik daargelaten, of het uitwendig,
hoorbaar door menschen gebracht wordt of niet, moet in elk geval een
λογος ἐμφυτος worden, Jak. 1:21. Eerst als het in den mensch, in de
schepselen ingeplant wordt, komt daaruit als ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1
Petr. 1:23 het nieuwe leven te voorschijn. 4º Het evangelie, het woord
van Christus, zóó verkondigen, dat het niet alleen tot de schepselen
gebracht maar in hen ingeplant wordt, kan alleen de H. Geest. Gelijk de
schepping geschiedde door Woord en Geest, zoo volbrengt ook Christus
de herschepping door zijn woord en zijn Geest. Hij is zelf geworden tot
levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:47, 2 Cor. 3:17, en herschept alle
dingen sprekende door den Geest, Rom. 8:9v. 5º Deze wedergeboorte
onderstelt geenszins het bewuste leven en het actieve willen. Zij heeft,
als herstelling der schepping in Mt. 19:28, zelfs het redeloos schepsel
tot object; zij valt blijkens enkele voorbeelden in de Schrift in
kinderen, voordat zij tot jaren des onderscheids gekomen zijn; immers is
ook de kinderdoop gebouwd op de onderstelling, dat kinderen zonder hun
weten in Christus tot genade kunnen aangenomen worden; zij gaat volgens
Johannes’ evangelie aan het komen tot en gelooven in Christus vooraf.
In al deze gevallen is er eene wedergeboorte alleen door inwendige,
zonder uitwendige roeping. 6º Ook wanneer zij tijdelijk samenvalt met
of plaats heeft na de uitwendige roeping, δια λογου ζωντος θεου και
μενοντος, 1 Petr. 1:23, is zij zelve toch altijd onmiddelijk, wijl zij niet
voortkomt uit het gepredikte woord, maar ἐκ πνευματος, Joh. 3:5, 6, 8,
ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1 Petr. 1:23. De H. Geest werkt wel met en door,
maar zijne werking is niet besloten binnen het gepredikte woord; Hij
maakt het zelf door de inwendige roeping tot een λογος ἐμφυτος en doet
daaruit het nieuwe leven te voorschijn komen. 7º Omdat het nieuwe leven
echter nooit voortkomt noch voorkomen kan dan uit het ingeplante woord
en den Geest van Christus, is het, zoodra het tot bewustzijn ontwaakt,
aan het objectieve, uitwendige woord van Christus gebonden, dat met dat
inwendige hetzelfde evangelie tot inhoud heeft. Regel van leer en leven
is alleen de H. Schrift. 8º Inwendige roeping en wedergeboorte staan in
verhouding als zaad en plant, 1 Petr. 1:23, als een spreken door en een
hooren en leeren van den Vader, Joh. 6:45, als trekken en volgen, 6:44,
als geven en aannemen, 6:65, als aanbieding en (passieve) aanvaarding
des heils, Amesius, Med. Theol. I 26, 7v. Voetius, Disp. II 452. 463
sq. Heidegger, Corp. Theol. 21, 61. Terwijl dus aan de wedergeboorte
altijd een spreken Gods, een λογος ἐμφυτος voorafgaat, bieden ons noch
de Schrift noch de ervaring genoegzame gegevens aan de hand, om te
bepalen, of de wedergeboorte bij volwassenen in den regel ook plaats
grijpt na en door de uitwendige roeping, dan wel aan haar voorafgaat,
Voetius Disp. II 461. Uit het evangelie en de brieven van Johannes kan
afgeleid worden, dat zij logisch, maar toch niet, dat zij ook temporeel
aan haar voorafgaat; en Paulus, Petrus en Jacobus houden uit- en
inwendige roeping steeds met elkaar in het nauwste verband.
5. Tegen deze inwendige roeping en wedergeboorte wordt echter van
pelagiaansche zijde altijd het bezwaar ingebracht, dat zij in het
geestelijke een physischen dwang invoert, met de natuur van een
redelijk wezen in strijd is, den mensch geheel passief maakt, de
zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid ondermijnt. Het pelagianisme
is er daarom altijd op uit, om de weerstaanbaarheid der roeping te
handhaven en wedergeboorte, bekeering, heiligmaking, volharding enz.
te laten afhangen van eene beslissing van den wil. Wedergeboren en
gerechtvaardigd wordt hij alleen, die vooraf vrijwillig eene of andere
conditie volbrengt, gelooft, zich bekeert, gezind is om Gods geboden
te onderhouden enz. Het wikkelt zich daarmee terstond in tal van
onoplosbare moeilijkheden. Indien de mensch tot het volbrengen van die
conditiën van nature in staat is, is hij zoo goed, dat er heel geen
wedergeboorte in den zin der Schrift van noode is; eenige zedelijke
opvoeding en verbetering is dan meer dan voldoende. Indien de mensch
de kracht, om het evangelie al dan niet aan te nemen, vooraf door de
gratia praeveniens in doop of roeping ontvangen moet, dan gaat er ook
hier een gratia irresistibilis aan het gelooven vooraf, want de gratia
praeparans wordt aan allen zonder hun willen of weten geschonken; dan
heeft feitelijk de wedergeboorte al plaats vóór de beslissing van den
mensch, want operari sequitur esse, de daad volgt op het vermogen, de
wil, die tot het aannemen van het evangelie in staat stelt, is blijkens
het evangelie van Johannes reeds een vernieuwde en herboren wil. Alleen
is dan niet in te zien, hoe er na dat alles nog eene vrije wilskeuze
mogelijk is; de wil is immers door de buiten zijn toedoen hem geschonken
goede kracht reeds ten goede gedetermineerd, en juist in diezelfde
mate ten goede gedetermineerd, als zij kracht tot eene goede keuze
ontving; hoe meer men den wil door de zonde verzwakt laat zijn en hoe
meer kracht men hem in de gratia praeveniens schenken laat, des te meer
en in diezelfde mate houdt ook zijne indifferente vrijheid op. Daarbij is
het raadselachtig, waartoe zulk eene vrije wilskeuze nog noodig is; als
God toch reeds van te voren en onwederstandelijk den mensch in zooverre
vernieuwen moet, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, waartoe dient de
handhaving van de indifferente wilsvrijheid dan nog anders, dan alleen
om Gods genade wederom te verijdelen, zijn genadeverbond weer even wankel
en onvast te maken als dat der werken vóór den val, en Christus nog
machteloozer en liefdeloozer voor te stellen dan Adam? Want Hij heeft
alles volbracht en alles verworven, maar als Hij het wil toepassen,
stuit zijne macht en zijne liefde af op den, nog wel met nieuwe krachten
toegerusten wil van den mensch! Alleen om eene schijnvrijheid van den
mensch te redden, wordt God van zijne souvereiniteit, het genadeverbond
van zijne vastigheid, Christus van zijne koninklijke macht beroofd.
En als men er dan nog maar iets mede won; maar inderdaad verliest
men er alles bij. Niet alleen wordt bij de volwassenen de indifferente
wilsvrijheid slechts in schijn gered. Maar bij de kinderen blijkt heel de
leer onvoldoende en de onbarmhartigheid zelve. Want één van beide:
de gratia, die aan de kinderen geschonken wordt, is voldoende ter
zaligheid en opent hun, indien zij vroeg sterven, de poorte des
hemels--en dan worden zij behouden zonder hun toedoen en zonder zelf
gekozen en beslist te hebben; of zij is niet voldoende, maar dan zijn
ook alle kinderkens verloren, die vroeg, voordat zij kiezen konden,
stierven; en van de kinderen, die opwassen, vallen er door vrije
wilskeuze weer duizenden bij duizenden af. Het pelagianisme in zijne
verschillende vormen schijnt barmhartig te zijn; maar het is niets anders
dan de barmhartigheid van den farizeër, die zich om de tollenaars niet
bekommert. Om de wilsvrijheid bij enkele duizenden volwassenen te redden,
en dan nog maar in schijn, geeft het, naar evenredigheid, millioenen van
kinderkens aan de verdoemenis prijs. Ten slotte blijft het een raadsel,
wat het pelagianisme daarop tegen hebben kan, dat God zijne krachtdadige
genade aan zondaren verheerlijkt. Indien het de vraag opwierp, waarom
God die genade slechts aan velen en niet aan allen schenkt, zou het
bij iedereen een welwillend oor vinden. Wie heeft die vraag niet in
zich voelen oprijzen en wie is er niet tot in het diepste zijner ziel
door ontroerd? Maar die vraag keert op ieder standpunt weer en wordt
door Pelagius even min als door Augustinus beantwoord; allen zonder
onderscheid moeten rusten in het welbehagen Gods. De belijders van Gods
souvereiniteit zijn hierbij in geen geval in ongunstiger conditie dan
de verdedigers van den vrijen wil. Want, gelijk boven aangetoond werd,
schenkt de gratia externa volgens de Gereformeerden aan allen, die
onder het evangelie leven, minstens zooveel genade, als volgens de
Pelagianen in de zoogenaamde gratia sufficiens hun verleend en door
hen tot eene vrije keuze vóór of tegen het evangelie genoegzaam wordt
gekeurd. De leer der inwendige roeping ontneemt aan de uitwendige
roeping geen enkele zegening en weldaad, welke er naar het pelagianisme
of semipelagianisme, volgens Roomschen, Lutherschen of Remonstranten
door God mede verleend wordt. Op Gereformeerd standpunt blijven alle
uitwendig geroepenen objectief in dezelfde conditie verkeeren, als
waarin zij naar andere belijdenissen zich bevinden. De bewering der
Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in den mensch,
als zij niet bepaald genade der wedergeboorte is, ongenoegzaam is, om
den mensch tot eene vrije, besliste aanneming van het evangelie te
brengen. Om te gelooven in Christus, is volgens de duidelijke leer van
het evangelie van Johannes, niet minder dan wedergeboorte van noode,
eene werking van Gods kracht als in de opwekking van Christus, Ef.
1:19, 20. Alle mindere genade, hoe rijk en heerlijk, is onvoldoende; eene
genade, die zonder te wederbaren toch den wil zoover herstelt, dat hij
vóór het evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd en
is ook eene psychologische ongerijmdheid. Al ware deze hunne belijdenis
ook onjuist, (des neen), zij brengt hoegenaamd geen verandering ten
nadeele in den toestand van hen, die volgens de belijdenissen van alle
Christenen ten slotte om hun ongeloof verloren gaan. Doch boven de
voorstanders van de vrije wilskeuze hebben die van de Gereformeerde
religie dit in elk geval voor, dat Gods raad zal bestaan, dat zijn
genadeverbond niet wankelt, dat Christus waarachtig en volkomen
Zaligmaker is, dat het goede i. e. w. eens onfeilbaar zal triumfeeren
over het kwade. Wat ernstig bezwaar kan daartegen worden ingebracht?
Indien wij zonder ons weten der verdoemenis in Adam kunnen deelachtig
zijn--een feit, dat niemand loochenen kan--waarom zouden wij dan niet
veelmeer zonder ons weten door God in Christus tot genade aangenomen
kunnen worden? Van dwang is toch bij deze genade geen sprake. Om een
oogenblik sterk te spreken, indien deze genade niet krachtens haar aard
dwang uitsloot en God werkelijk dwang gebruikte; wie zou dan toch nog
aan het einde het recht of ook zelfs den lust hebben zich te beklagen,
indien hij alzoo aan het eeuwig verderf ontrukt en in het eeuwige leven
overgebracht werd? Wie zou den man gelijk geven, die zich er over
beklaagde, dat men hem, zonder zijne wilsvrijheid te eerbiedigen, uit
levensgevaar had gered? Maar het is niet zoo; er is in de inwendige
roeping en wedergeboorte geen dwang bij God, βια οὐ προσεστι τῳ θεῳ, Ep.
ad Diogn. 7. Geen enkele vrome, van wat belijdenis ook, die in het werk
der genade van dwang heeft gesproken, ook al werd hij als een brandhout
uit het vuur gerukt. Veeleer zou het zijn wensch zijn, dat God met meer
macht in hem de zonde brak en zonder den langen weg van strijd de
zaligheid hem deelachtig maakte. Maar zoo doet God in de genade niet;
alle dwang is met haar wezen in strijd.
Want immers de genade is geen physische kracht. De Thomisten spraken
van eene physica praedeterminatio, de Roomschen vatten het beeld Gods
hoe langer hoe meer op als een substantieel toevoegsel aan de natuur
van den mensch. Maar de Gereformeerden spraken niet alzoo. Niet alleen
hielden zij het beeld Gods voor wezenlijk eigen aan den mensch, maar
zij weigerden zelfs, om de genade Gods in de vocatio interna als eene
physische te omschrijven; zij was wel niet louter ethisch of moreel,
maar zij was ook niet van physischen aard, en daarom het best als
supernaturalis en divina te bepalen. Zij brengt toch in geen enkel
opzicht eenige nieuwe substantie in de bestaande schepping in, gelijk
Manicheën en Anabaptisten dat leeren, M. Vitringa III 224 sq. Dat doet
zij niet objectief, inzoover met de genade de persoon en het werk van
Christus kan worden aangeduid, want Christus, schoon ontvangen van
den H. Geest, nam zijne menschelijke natuur aan uit Maria en bracht ze
niet uit den hemel mede. Maar zij doet het ook niet in subjectieven
zin. De genade schept nooit, zij herschept. De wedergeboorte, welke zij
tot stand brengt, beteekent noch in haar eerste, noch in haar tweede,
noch in haar derde beteekenis, dat er van buiten af eenige substantie
aan mensch of wereld toegevoegd of in hen ingedragen wordt. Het zijn
dezelfde menschen, die eertijds duisternis, Ef. 5:5, dood in zonden en
misdaden, Ef. 2:2, roovers, gierigaards enz., 1 Cor. 6:11 waren, en
die nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn. De continuiteit
van het ik blijft gehandhaafd. En zoo is het ook dezelfde hemel en
dezelfde aarde, die aan het einde der dagen vernieuwd zullen worden.
Christus is geen nieuwe, tweede Schepper, maar Herschepper, Reformator
aller dingen. Wijl de zonde niet eene substantie is maar de forma der
dingen aangetast en verwoest heeft, daarom kan de herschepping in
geen creëeren van eenige substantie, maar moet zij in eene herstelling
der forma, in reformatie bestaan. Reeds hierdoor is alle gedachte
aan physischen dwang bij de genade uitgesloten. Maar er is meer. Niet
alleen brengt zij geen nieuwe substantie in de schepping in, maar zij
ontneemt er ook niets wezenlijks aan, niets, dat haar (ofschoon wel
„van nature”, toch) wezenlijk eigen is. De zonde behoort niet tot het
wezen der schepping. En de genade neemt niets anders uit ons weg dan
de zonde alleen. Zij onderdrukt niet, zij herstelt de natuur; non tollit
sed restituit et perficit voluntatem. Zij neemt uit ons verstand de
duisternis, uit onzen wil de zwakheid, de machteloosheid weg. Zij geeft
ons terug, wat wij naar ons wezen, naar de idee, moesten hebben doch
door de zonde verloren. Zij herschept ons naar het evenbeeld desgenen,
die ons geschapen heeft. Het is waar, dat zij, gelijk ze eenerzijds niet
in het inplanten eener nieuwe substantie bestaat, zoo ter andere zijde
niet in eene uitwendige, zedelijke verbetering van gezindheid en daden
opgaat. Zij is niet maar eene reformatio vitae, gelijk de Socinianen
haar omschreven, M. Vitringa III 225 cf. 227; de Schrift spreekt
daartoe van de wedergeboorte in veel te sterke bewoordingen; reeds het
O. T. duidt haar aan als eene besnijdenis des harten, Deut. 30:6, een
scheppen van een rein hart en vernieuwen van een vasten geest, Ps.
51:12, een wegnemen van het steenen en geven van een vleeschen hart,
Jer. 31:33v. Ezech. 11:19, 36:25, en het N. T. bezigt de woorden:
geboorte van boven, Joh. 3:3, uit God, 1:13, uit den Geest, 3:5, 6,
8, wedergeboorte, Tit. 3:5, en zegt, dat degenen, die deze weldaad
ontvingen, daardoor een nieuw schepsel, 2 Cor. 5:17, Gods maaksel,
Rom. 14:20, Ef. 2:10, nieuwe menschen, Ef. 2:15, 4:10, 24 zijn, ééne
plante met Christus geworden zijn in zijn dood en opstanding, Rom. 6:5,
in Christus of in den H. Geest leven en wandelen enz. De weldaad
der wedergeboorte is dus veel te groot, dan dat ze door eene suasio
moralis van het woord der prediking zou kunnen worden voortgebracht, zij
onderstelt veeleer eene Goddelijke almachtige kracht, Ef. 1:19, 20; en
zij is ook te rijk, dan dat zij alleen in eene verandering van de daden
of uitingen van de menschelijke vermogens zou bestaan. Immers is de
zonde, schoon met eene daad begonnen zijnde, in de natuur des menschen
zelve ingedrongen; zij is geen substantia maar ook geen actus alleen;
zij is eene innerlijke verdorvenheid van den ganschen mensch, van zijne
gedachten en woorden en daden niet slechts, maar ook van zijn verstand
en wil, en wederom van deze niet alleen maar ook van zijn hart, waaruit
alle ongerechtigheden voortkomen, van het innerlijkste, de kern, den
wortel van zijn wezen, van het ik des menschen zelf. En daarom is de
wedergeboorte zulk eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste,
verborgene en onuitsprekelijke werking Gods, waardoor Hij indringt tot
in de binnenste deelen des menschen, het gesloten hart opent, het
harde vermurwt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe hoedanigheden in den
wil instort en dien van dood levend, van kwaad goed, van niet-willende
gewillig, van wederspannig gehoorzaam maakt, Can. Dordr. III 11. 12.
Nieuwe hoedanigheden zijn het dus wel, welke de wedergeboorte in den
mensch inplant, maar het zijn toch geen andere, dan die tot zijn wezen
behooren, hebbelijkheden, gezindheden, neigingen, die oorspronkelijk
in het beeld Gods begrepen waren en met Gods wet overeenstemden, en
die de gevallen, zondige menschelijke natuur van haar duisternis en
slavernij, van haar dood en ellende bevrijden. Al is het dan ook, dat de
genade, die de wedergeboorte werkt, terecht irresistibilis of nog beter
insuperabilis heet, wijl zij allen tegenstand van den zondigen mensch
verwint; al is zij eene gratia operans, die in den mensch werkt zonder
eenige medewerking van zijn wil; toch is en blijft zij eene potentissima
simul et suavissima operatio, die in de menschen niet als in stokken
en blokken werkt, den wil en zijne eigenschappen niet wegneemt noch hem
dwingt met geweld, maar maakt hem geestelijk levende, geneest, verbetert
en buigt hem op eene wijze, die liefelijk en tegelijk krachtig is. Cf.
Can. Dordr. III IV en de oordeelen der afgevaardigden over het 3e en
4e art. der Remonstranten, voorts de werken over de genade, boven bl.
479 aangehaald en verder nog Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, de
statu electorum ante conversionem, Disp. II 402-432, de regeneratione,
ib. 432-468, an Christus electis et salvandis specialem gratiam
regenerationis et fidei sit meritus, ib. V 270-277. Turretinus, Theol.
El. XV qu. 3-6. Spanhemius, Elenchus controv. de religione, Op. III
875 sq. Id. Disp. theol. de quinquarticulanis controversiis, Op. III
1167-1188. Hoornbeek, Theol. pract. lib. 6. Moor IV 442-534 enz.
§ 45. GELOOF EN RECHTVAARDIGMAKING.
1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt
met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en
op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tusschen beide
anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft
zijn oorsprong in God, niet als Schepper maar als Zaligmaker; het is
verworven door de opstanding van Christus; het is een eeuwig leven,
dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de
wedergeborene voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden
door den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking des
geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God en den rijkdom
zijner genade. Het leven van den geestelijken mensch is ook na zijn
ontstaan geen oogenblik los te denken van God en zijne gemeenschap. Het
is in denzelfden strikten en bijzonderen zin, waarin het uit God is,
ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het
nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan,
die niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken werkt
naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, 2 Cor. 3:5. Het is een leven in de
gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met
Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in
Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, zij kunnen
niets doen zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den
wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden ἐν κυριῳ και ἐν
τῳ κρατει της ἰσχυος αὐτου, Ef. 6:10, door den Geest van Christus en
in zijne gemeenschap, Rom. 8:13, 26, 2 Cor. 13:13, Ef. 3:16. Maar die
Geest werkt in de wedergeborenen naar verschillende zijden. Dat kan en
dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar
wel in „deelen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de
gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft
uit en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een καινος
ἀνθρωπος, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10, wel
klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H.
Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en
evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der
wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen met
allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal.
5:22. Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van
geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke
wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk
leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust wordt, van het eerste
oogenblik af gebonden aan het Woord Gods. Het is door den H. Geest uit
een λογος ἐμφυτος, uit de inwendige, evangelische roeping van Christus
gewekt; het blijft bij zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra
het bewust wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van
Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in rapport
met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin zij wortelt en
waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift alleen als uitwendig
in letteren beschreven, maar ook als bij den voortduur door den H.
Geest gedragen, bezield en gesproken in het hart. De vocatio interna
is niet alleen noodig bij het ontstaan maar ook bij den wasdom van het
geestelijk leven. Zij geschiedt niet eenmaal en is met de schepping
van het leven niet afgeloopen, maar zij zet zich altijd voort; gelijk
God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord
alle dingen onderhoudt, zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de
onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen
zijn κλητοι, Rom. 1:6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn, Hebr.
3:1, die bij den voortduur door God geroepen worden tot zijn koninkrijk,
totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2:12, 5:24. De
daad nu, waardoor de H. Geest het Woord van Christus in zijn geestelijken
zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit,
draagt in de Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de
zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21, 1 Cor. 1:21, 2:14, Ef.
4:18, 5:8, is er ook noodig eene ἀποκαλυψις του νοος, Rom. 12:2, Ef.
4:23. Deze komt tot stand door God, die door ἀποκαλυψις, in den mensch,
ἐν ἐμοι, Gal. 1:16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis
der zaken tot dusverre belette, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, cf. deel
I 245. Hij doet dit door den H. Geest te geven, die een πνευμα σοφιας
και ἀποκαλυψεως is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles
leert, Joh. 14:26, 1 Joh. 2:20, en de dingen Gods doet verstaan, 1 Cor.
2:10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de
duisternis liet schijnen, zoo laat Hij het ook door den Zoon, Mt. 11:27
en door den Geest licht worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4:6,
en maakt de oogen des harten verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten, zij de
dingen, die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor.
2:12, hebben zij eene γνωσις en ἐπιγνωσις, d. i. eene hen persoonlijk
aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, Mt. 11:27, 2
Cor. 4:6, Ef. 1:17, van Christus, Mt. 16:17, van de dingen des Geestes
Gods, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen des lichts, Luk. 16:8, Ef.
5:8, 1 Thess. 5:5, burgers van het rijk des lichts, 1 Petr. 2:9, Col.
2:12 en wandelen in het licht, Ef. 5:8, 1 Joh. 1:7, 2:9, 10. Door de
verlichting des H. Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op
over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk,
wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht.
Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als eene kennis
des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te
zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig
maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt, 1
Kon. 8:43, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes. 1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22,
31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6, Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8:32, 10:4, 14,
17:3, Rom. 10:3, 2 Cor. 2:14, Gal. 4:9, Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh.
5:20, 2 Petr. 1:2, 3:18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen
en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis
des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt zij echter daarmede echter
volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als
zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar
toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk,
eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort
tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen
was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk
toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder
mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap.
Er is geen kennis zonder eenig geloof; het dualisme tusschen geloof
en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt
men in de dogmatiek, behalve van zaligmakend, ook van historisch, Mt.
7:26, Joh. 12:42, 43, 13:17, Hd. 26:27, 28, Jak. 2:19, tijd-, Mt. 13:21,
en wondergeloof, Mt. 9:2, 17:20, Hd. 14:9, 1 Cor. 13:2, welke van
het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen
vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten,
dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof
in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum
superadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave
Gods, Hd. 5:31, Ef. 2:8, Phil. 1:29, vrucht van zijne δυναμις, 1 Cor.
2:4, 5, Ef. 1:19, 1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door den H. Geest
geschonken, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave,
die niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de
zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe
substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij
aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid,
welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menschelijke natuur
niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen
de Remonstranten, b.v. Arminius, Op. 160, dat Adam vóór den val in
zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij
natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet
noodig, Gomarus, Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II
482v. En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus
als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven 294. Wijl nu
de wedergeboorte principieel eene herschepping is van den ganschen
mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het
geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of
radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke
wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des
verbonds zijn, ook fideles ante fidem actualem. Wel is het onjuist, om
met oudere Luthersche theologen de wedergeboorte in donatio fidei te
laten opgaan, cf. M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden
evengoed de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in
haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen
hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den wedergeboren
mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor ieder mensch natuurlijk
is, om aan de zienlijke wereld te gelooven. Wel gaat, gelijk iedere
potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en
een tarwegraan alleen in den schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het
geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de
voortgaande vocatio interna tot de daad des geloofs over. Maar in de
wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk
tusschen Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de
mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan zijnen
Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan zijne kerk, aan
zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der wereld gekruisigd en der
zonde gestorven, leeft hij Gode. En daarom, verlicht wordende door den
H. Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17:3.
Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze
kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige
onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft ten allen tijde Woord en
Geest tegenover elkander gesteld, de letter veracht, het inwendige
woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich
beroepen op de H. Schrift, Jes. 54:13, Jer. 31:34, Mt. 11:25, 27,
16:17, Joh. 6:45, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 3:6, Hebr. 8:10, 1 Joh. 2:20,
27. Daartegen valt op te merken: 1º dat zeer zeker alle kennis, op
natuurlijk en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen
object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en object
en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen
is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object
en het kennend subject voor elkander schiep. Zoo ook moet op geestelijk
terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio
interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen
kennen in het aangezicht van Christus. 2º De Schrift spreekt dit in
bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht
alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene
de stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh.
2:20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de geloovigen
van den Heilige, d. i. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste
met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24; als zij daarin
blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geen nadere
onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten
zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut.
4:1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, Rom. 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25,
2 Petr. 1:19 enz. 3º In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel
een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch allen inhoud
der kennis van buiten verkrijgen moet, deel I 161v. II 39v. Veel meer
is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook
door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven
tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij
gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan
zichzelven overgelaten, zouden zij terstond vervallen tot dwaling
en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die
tot regel strekt van leer en leven. 4º Daar komt nog bij, dat niet
zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp
dezer religieuse kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor
heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat heeft God
in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze
dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver
en onvermengd, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet
door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een
spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd
te worden. 5º En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel
voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe
leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van Christus, naar
de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het
voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker maar steeds
onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het
geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde
mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zelven,
deel I 502v. Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse
kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het
geloof in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond
wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet
zalig, maar God maakt zalig in Christus door den H. Geest. Hij maakt
zalig, door de weldaden des verbonds, door Christus, door zichzelven
te schenken aan den zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien
zij ons niet bewust ware en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij
zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het
hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de
voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te kennen en
door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet
een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar
vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet
gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving der zonden,
aan de wedergeboorte en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan
de hemelsche heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis
van hadden. Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen
bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God
maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten.
Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier op aarde nog
slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap met God, de
wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, wijl de kennis
onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift
gebonden is, daarom is de kennisse Gods hier op aarde een kennis des
geloofs. Het geloof is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt,
de eenige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving,
wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er
voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze;
wij zijn alleen in hope zalig.
2. In het O. T. ontbreekt nog een technische term voor geloof. De zaak
ontbreekt niet, want menigmaal treedt het heil op in den vorm van eene
belofte, die niet anders dan door het geloof kan worden aanvaard.
Daden en werkzaamheden des geloofs worden ons daarom schier op iedere
bladzijde verhaald. Maar de religieuse verhouding des menschen tot God
wordt gewoonlijk door andere woorden uitgedrukt, zooals: God vreezen,
dienen, liefhebben, aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten,
steunen, hopen, wachten enz., boven bl. 427. Aan gelooven is het
meest verwant het woord האמין met ב of ל van אמן,
vastmaken, zich vastmaken, vasthouden aan iets, steunen, vertrouwen,
Gen. 15:6, Ex. 4:31, 14:31, Deut. 9:23, vooral Jes. 7:9, Achaz, die
hulp zoekt bij Assur en daarop steunt, zal niet bevestigd worden, als
hij daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat, en Hab. 2:4, de
Chaldeën maken hunne kracht tot hun god en hunne ziel is opgeblazen,
maar de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen op God en zijne
belofte. In het latere Jodendom bestond het geloof niet alleen in het
aannemen van de wet als Gods gave maar ook in de meening, dat Gods
goedheid aanvullen zou, wat er aan de wetsgerechtigheid ontbreken
mocht. Daartegenover treedt Johannes de Dooper met de prediking op,
dat zulk een geloof en zulk eene gerechtigheid geen waarde hebben, dat
voor allen μετανοια en doop noodig is, om in te gaan in het rijk van
den Messias. Jezus sluit zich hierbij aan, maar voegt eraan toe, dat
dat rijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen is; Hij brengt daarvan
de blijde boodschap en zegt: bekeert u en gelooft het evangelie.
Zoolang Jezus nu op aarde was en zelf predikte, bestond het geloof
uit den aard der zaak allereerst hierin, dat men persoonlijk in Jezus
onbepaald vertrouwen stelde en daardoor overtuigd was, dat God in en
door Hem sprak en wonderen deed, bijv. Mt. 8:10, 9:28, 15:28, 17:20,
21:21,22 enz. Jezus’ persoon had zijn correlaat in de woorden, die Hij
sprak, en de werken, die Hij deed, en omgekeerd werden deze woorden en
daden weer door zijn persoon geverifieerd. Maar toen Jezus heengegaan
was, kwam hierin deze verandering, dat men persoonlijk niet meer Hem
ontmoeten kon maar, om Hem te leeren kennen, gebonden was aan het
woord der apostelen. Nu kreeg het geloof als het ware twee zijden;
1º het als waar aannemen van de apostolische getuigenis aangaande
Christus, en 2º het persoonlijk vertrouwen op dien Christus, als nu
nog levende in den hemel, en machtig, om de zonden te vergeven enz.
Hoewel beide zijden in de geschriften der apostelen naast elkander
voorkomen, legt toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment,
πιστευειν c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22,
4:50, 5:47, 6:69, 8:24, 11:42, 13:19, 17:8,21, 1 Joh. 5:1,5; Paulus
daarentegen op het tweede, en spreekt dan van πιστις c. gen., van
Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2:16, 20, 3:22, Ef. 3:12, Phil. 3:9, van de
waarheid, 2 Thess. 2:13, van het evangelie Phil. 1:27, προς θεου, 1
Thess. 1:8, εἰς Χριστον, Col. 2:5, Phil. 5, ἐν Χριστῳ, Gal. 3:26, Ef.
1:15, 2 Tim. 3:15, en van πιστευειν τινι, Rom. 4:3, Gal. 4:6, 2 Tim.
1:12, Tit. 3:8, ἐπι τινα, Rom. 4:5, 24, ἐπι τινι, Rom. 9:33, 1 Tim.
1:16 en vooral εἰς τινα, Rom. 10:11, Col. 2:5, Phil. 1:29 enz. Maar
volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal
van <πιστευειν εἰς τινα, 2:11, 3:16, 18, 36, 4:39, 6:29 enz., εἰς το
ὀνομα, 1:12, 2:23, I 5:13 en ook τινι, 3:15, 5:24, 38, 46, 6:30 en τῳ
ὀνοματι, I 3:23; en Paulus construeert πιστευειν ook met τι en ὁτι,
Rom. 10:9, 1 Cor. 13:7, cf. 15:14,17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het
verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere
of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde
te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie van πιστευειν
met ὁτι, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend
geloof in, Joh. 6:69, 8:24, 11:27, 17:8, I 1:5, Rom. 10:9; en πιστευειν
τινι of εἰς τινα is dikwerf niet meer dan een historisch geloof, Joh.
7:31, 40v., 8:30v., 10:42, 11:45, 48, 12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat
zelfs πιστευειν εἰς την μαρτυριαν. En dit is ook begrijpelijk. Waarlijk
gelooven de getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon, kan
alleen en doet alleen hij, die een onbepaald vertrouwen stelt in den
persoon van Christus; en omgekeerd, wie op Christus vertrouwt als Zone
Gods, neemt ook onvoorwaardelijk de getuigenis Gods aangaande Christus
door den mond der apostelen aan. Het geloof sluit dus in het N. T. twee
elementen in: vertrouwen op den persoon van Christus en aanvaarding
van het apostolisch getuigenis. Deze beide hangen onverbrekelijk samen,
zij maken in subjectieven zin het wezen des Christendoms uit. Indien
Christus alleen een historisch persoon ware, die door zijn leer en leven
ons een voorbeeld had nagelaten, dan ware een historisch geloof van de
overgeleverde getuigenis genoegzaam, maar dan kwam het ook niet tot
ware religie, tot wezenlijke gemeenschap met God en hadde het deisme
gelijk. Indien Christus omgekeerd, naar de meening van het pantheisme,
niet de historische maar slechts de ideale Christus ware, dan ware
geloof aan eene getuigenis gansch overbodig, zou Christus niets anders
wezen dan het zijn Gods in ons, maar dan kwam het wederom niet tot
ware gemeenschap van God en mensch, wijl deze het wezenlijk onderscheid
van beide onderstelt. Maar nu is Christus beide: een historisch
persoon, de Christus der Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer
in den hemel, die nog leeft en regeert als het hoofd zijner gemeente.
Hij verwierf de zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het
heden toe. En deze weldaden des verbonds omvatten de herschepping
van het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking
en in verlossing, in licht en in leven, in waarheid en in genade. Zij
veranderen den mensch in de wereld der gedachte, maken hem vrij van
leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen als den genadige, die
de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte relatie tot God en alle
dingen, doen hem bedenken de dingen, die boven zijn en geven hem in
het geloof een vasten grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs
der zaken, die men niet ziet. En zij veranderen den mensch ook in zijn
zijn, maken hem vrij van de smet der zonde, doen hem in het verborgene
zijns harten leven in de gemeenschap met God door Christus in den H.
Geest, maken hem een burger der hemelen, geboren van boven, uit God,
herschapen naar de gelijkvormigheid aan het beeld des Zoons, opdat
Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. En deze beide staan in
onlosmakelijk verband. Want Christus, die nedergedaald is, is dezelfde,
die ook opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen
vervullen zou, Ef. 4:10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die
ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt ons op tot Christus,
die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door den
Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het
hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men
ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit:
een geloof des harten, dat niet belijdt en eene belijdenis, die niet
wortelt in het geloof des harten. Het is mystisch en noetisch tegelijk,
een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het
getuigenis der Schrift alles voor mij volbracht heeft en op dien grond
thans en eeuwiglijk mijn Heer en mijn God is. Cf. over het geloof in
de H. Schrift, behalve de handboeken voor Bijb. Theologie van Weiss,
Holtzmann enz., Schlatter, Der Glaube im N. T. Zweite Bearbeitung. Calw
u. Stuttgart 1896. C. Boetticher, Das Wesen des relig. Glaubens im N.
T. Berlin Gaertner 1896. Haussleiter, Was versteht Paulus unter Chr.
Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer..... dargebracht, Gütersloh 1895
S. 159-182. Huther, Die Bedeutung der Begriffe ζωη und πιστευειν in d.
Joh. Schriften, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 1-34. Cremer s. v.
3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift voorkomt,
is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal uit elkander
gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat het geloof op als
assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credendo proponit en
verwerpt de Protestantsche definitie, dat het zou zijn eene fiducia
specialis, dat mij de zonden vergeven zijn; vertrouwen is vrucht van
het geloof in den wil en kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen,
wijl anders de Protestanten zelf niet zouden kunnen volhouden, dat
alleen het geloof rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook
hoop en liefde in. Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome
onvoldoende ter rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden
wel eene voorbereiding ervan, maar is in zichzelf informis en moet
door de liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog
in het geheel niet eene persoonlijke, religieuse verhouding tot God,
het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides
implicita, een voor waar aannemen van alles, quod credit sacrosancta
mater ecclesia. De persoonlijke relatie tot God komt eerst in de liefde
tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt en zalig maakt,
cf. boven bl. 442 en deel I 476. In het wezen der zaak komt daarmede
de opvatting van het geloof in de Grieksche kerk, bij Socinianen,
Remonstranten, Rationalisten enz. overeen; het is op zichzelf niets
dan een historisch voor waar houden, eigenlijk geen religieus maar een
erkenntnisstheoretisch begrip, niet uit de Schrift geput maar van
het gewone, dagelijksche spraakgebruik in de theologie ingedragen. De
Hervorming heeft echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen?
en daarnaar het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging
naar de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan
het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting van
de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome: het is niet
alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia; het geloof is de
centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des menschen tot God. Maar
het valt niet te ontkennen, dat deze bepaling des geloofs eigenaardige
moeilijkheden medebracht en tot allerlei verschillende zienswijzen
aanleiding gaf. Ten eerste moest spoedig de vraag opkomen, in welke
verhouding deze beide elementen des geloofs tot elkander staan. Van den
aanvang af stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand,
omschreven het liefst door cognitio certa, certitudo, en beschouwden
de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil; anderen
zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het zetelen in
het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de tegenstelling van
orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde door het verstand tot het
hart, door de leer tot het leven komen en werd dikwerf onverschillig
voor het leven; het pietisme bewandelde den omgekeerden weg en achtte
menigmaal de leer van geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig
verschil over de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De
Reformatie had het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat
Christus _mijn_ Zaligmaker is en dat _mij_ de zonden vergeven zijn. Maar
het scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf
kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus tusschen
een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen toevluchtnemend
en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en welwezen des geloofs
onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde later tot de tegenstelling
van nomisme en antinomisme; het nomisme meende, dat er allerlei
conditiën en bevindingen aan de zekerheid van de vergeving der zonden
moesten voorafgaan en stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken,
hongeren, dorsten naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles
overbodig, eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het
geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten derde
eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk te omschrijven.
Het was een levend geloof, fides sola doch niet solitaria, dat volgens
de Hervorming rechtvaardigde. In tegenstelling met alle werken staande,
mocht het geloof dus eenerzijds volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt
Comrie, Heid. Cat. Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de
innerlijke natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken,
hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het toch een
levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want de potentia of
habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt ingeplant, is formaliter
nog geen fides, evenmin als een ei reeds een kip is, Voetius, Disp. II
403. 499. Dit verschil over de verhouding van geloof en werk leidde
in de practijk tot de tegenstelling van de lijdelijke en de werkdadige
Christenen; genen blijven bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de
heiligmaking niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en
van de laatste afhankelijk te maken.