Over de weldaden des Verbonds.
§ 43. DE HEILSORDE.
1. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het ruste
vindt in Hem. In zooverre ieder mensch bewust of onbewust streeft
naar een onveranderlijk goed en een duurzaam geluk, kan gezegd worden,
dat elk mensch ook zoekt naar God, die alleen het hoogste goed en de
eeuwige zaligheid is, Hd. 17:27. Maar zij zoeken Hem dan toch niet
op de rechte wijze en niet daar, waar Hij te vinden is. De heidensche
godsdiensten weten van geen verbond der genade, zij kennen den persoon
van Christus niet, en houden alle den weg der werken voor de via
salutis. Het principe van het Heidendom is negatief de verloochening
van den waarachtigen God en van de gave zijner genade, en positief
de waan, door eigen kracht en wijsheid zichzelf de zaligheid te
kunnen verwerven. Komaan, laat ons eene stad bouwen en een toren,
welks opperste in den hemel zij en laat ons een naam voor ons maken,
Gen. 11:4. Hetzij de werken, waarlangs het Heidendom den weg naar de
zaligheid zoekt, een meer ceremonieel of een meer ethisch karakter
dragen, hetzij ze meer positief of meer negatief van aard zijn, altijd
is de mensch toch zijn eigen zaligmaker; alle godsdiensten, buiten de
christelijke, zijn autosoterisch. In de laagste godsdiensten is het besef
van zonde schier geheel verloren en wordt vrede, verzoening, geluk
verkregen door magische handelingen en formeele ceremoniën; hoogere
godsdiensten voegen er allerlei zedelijke plichten aan toe en maken
van hun vervulling de zaligheid afhankelijk. Ook de Islam kent geen
eigenlijke verlossing maar bindt den ingang in het paradijs aan het
rechtzinnig geloof en aan de onderhouding der voorgeschreven gebeden
en goede werken. Bij het Buddhisme bestaat de verlossing in de door
verschillende middelen te bewerken dooding van de begeerte naar het
zijn, Falke, Buddha, Moh., Christus II 1897 S. 103 f. En de wijsbegeerte
heeft het niet verder gebracht; de eenige weg ter zaligheid is het pad
der deugd, de zedelijke zelfvolmaking; zelfs Kant en Schopenhauer, die
met het oog op de aangeboren zondigheid eene wedergeboorte noodzakelijk
achtten, zijn toch weer geeindigd met een beroep te doen op den wil, de
wijsheid en de kracht van den mensch.
Gansch anders is de meening der Schrift. Reeds in het O. T. is het
God, die terstond na den val tusschen mensch en slang uit genade
vijandschap zet en den mensch aan zijne zijde overbrengt, Gen. 3:15,
die Abraham en het uit hem geboren volk van Israel ten eigendom
verkiest, Gen. 12:1, Ex. 15:13, 16, 19:4, 20:2, Deut. 7:6v., die er
het verbond mede opricht en er zijne wetten aan schenkt, Gen 15:1,
17:2, Ex. 2:24, 25, Deut. 4:5-13, die het bloed op het altaar ter
verzoening geeft, Lev. 17:11, en alles aan zijn wijngaard te koste legt,
Jes. 5, Jer. 2:21. Maar krachtens die verkiezing en op den grondslag
van dat verbond is het volk nu ook verplicht, om, op straffe van den
vloek der wet, Deut. 27:6, voor Gods aangezicht in oprechtheid te
wandelen en zijne geboden te onderhouden, Gen. 17:1, Ex. 20, Deut.
10:15, 16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die wetsonderhouding
als eene voorafgaande voorwaarde af; zij was geen werkverbond maar
rustte alleen op Gods verkiezende liefde. Maar zij moest toch in den
wandel naar ’s Heeren wet haar bewijs en zegel ontvangen. Immers kon
zij van Israels zijde niet met een volkomen hart aanvaard en dus in
Israel niet tot waarachtige werkelijkheid worden, dan door zulk een
geloof, dat tevens liefde en lust had, om in den weg des verbonds te
wandelen. Het verbond sluit, indien het geen idee maar realiteit is,
de verplichting en de neiging in, om naar den eisch des verbonds te
leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk tegenover
het verbond en zijne wet eene zeer verschillende houding aannemen kon.
Er waren antinomistische goddeloozen, voorloopers der Sadduceën, die
zich om God noch zijn gebod bekommerden, en met de vromen den spot
dreven, Ps. 14:2, 36:2, 42:4, 11, 94:2, Mal. 2:17, 3:14; er waren
farizeesch-gezinden, die op uitwendige onderhouding der wet den nadruk
legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden, Am. 6:1,
Jer. 7:4. Maar tusschen deze beiden in stonden de weinige getrouwen,
de oprechte vromen, die geenszins onverschillig waren voor ’s Heeren
wet, integendeel haar bepeinsden den ganschen dag en liefhadden met
heel hunne ziel, maar die toch van hare onderhouding hun gerechtigheid
en zaligheid niet afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat zij zich
menigmaal zeer sterk op hunne gerechtigheid beroepen en God oproepen,
om hun recht te doen, Ps. 7:9, 17:1v., 18:21, 26:1v., 35:34, 41:13,
44:18, 21, 71:2, 119:121, 2 Kon. 20:3, Job 16:17, Neh. 5:19, 13:14
enz., toch doen diezelfde personen tegelijk ootmoedig belijdenis van
hunne zonden, roepen Gods vergeving in en pleiten op zijne genade, Ps.
31:10, 11, 32:1v., 38:2v., 40:13, 41:5, 130:3, 5, Jes. 6:5, 53:4,
64:6, Jer. 3:25, Mich. 7:9, Neh. 1:6, 9:33, Dan. 9:5, 7, 18, enz. De
gerechtigheid dezer vromen is geen persoonlijke qualiteit, maar eene
eigenschap der zaak, die zij voorstaan; zij hebben het recht aan hunne
zijde, omdat zij zich verlaten op God, deel II 197. 198. Dit vertrouwen
op God is het wezenlijk, wat in het O. T. de rechtvaardigen tot
rechtvaardigen maakt; zij gelooven aan God, האמין, Gen. 15:6, Ex.
14:31, 2 Chr. 20:20, Jes. 28:16, Hab. 2:4, vertrouwen op Hem, בטח,
Ps. 4:6, 9:11, nemen tot Hem de toevlucht, חסה, Ps. 7:2,
18:3, vreezen Hem, ירא, Ps. 22:24, 25:12, hopen op Hem, יחל,
הוחיל, Ps. 31:25, 33:18, verwachten het van Hem, קִוָּה, Ps.
25:21, verbeiden Hem, חִכָּה, Ps. 33:20, steunen op Hem, סמוך,
Ps. 172:8, נכון, Ps. 57:8, hangen Hem aan, דבק, חשׁק, Ps.
91:14, 2 Kon. 18:6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid gerekend,
Gen. 15:6, gelijk elders het houden van Gods geboden gerechtigheid heet,
Deut. 6:25, 24:13. Dat nu deze subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk
in vertrouwen op God bestaat, ook eene vrucht van Gods genade en eene
werking zijns Geestes is, treedt uit den aard der zaak in het O. T.
nog niet zoo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor
de gegevens niet. Van eene eigene gerechtigheid is er bij Israel nooit
sprake; het is verkoren niettegenstaande zijne hardnekkigheid, Deut.
9:4-6. God is de bron van alle leven en licht, van alle wijsheid,
kracht, zaligheid, Deut. 8:17, 18, Ps. 36:10, 68:20, 21, 36, 73:25, 26,
Jer. 2:13, 31. Niet ons, maar Uwen naam geef eere, is het gebed van
Israels vromen, Ps. 115:1; ootmoed is de stemming hunner ziel, Gen.
32:10, Ps. 116:12, een gebroken en verslagen hart zijn Gode aangenaam,
Ps. 51:19, Jes. 57:15. Niet den mensch maar Gode wordt altijd alle gave
toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen,
om Hem te loven; alles wordt in den gebede van Hem begeerd, niet alleen
redding uit gevaren maar ook kennis van Gods wet, verlichting der oogen
enz. God is het toch die zich ontfermt diens Hij wil, Ex. 33:19, en in
zijn boek schrijft, wie leven zal, Ex. 32:33. Hij belooft, zonder eenige
voorwaarde, dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19:6, Lev.
26:12, en dat Hij altijd weer na ontrouw en afval van Israels zijde, zich
hunner ontfermen, bekeering en leven geven zal, Ex. 32:30-35, Num. 14,
16:45-50, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 8:5, 30:1-7, 32:36-43, Neh. 9:31.
Hij vergeeft de zonden om zijns naams wil, Ex. 34:7 enz., en zendt zijnen
H. Geest, die de bewerker is van alle geestelijk leven, Num. 11:25,
29, Neh. 9:20, Ps. 51:13, 143:10, Jes. 63:10, cf. deel II 230. En als
de geschiedenis dan leert, dat Israel telkens het verbond ontheiligt,
verlaat, vernietigt, Deut. 31:20, 1 Kon. 11:11, 19:10, 14, Jer. 22:9,
32:32 enz., dan verkondigt de profetie, dat God zijnerzijds het verbond
nimmer verbreken en zijn volk nooit verlaten zal. Hij kan het niet doen
om zijns naams en zijns roems wil voor de Heidenen, Num. 14:16, Deut.
32:26, 27, 1 Sam. 12:22, Joel 2:17-19, Jes. 43:21, 25, 48:8-11, Jer.
14:7, 20, 21, Ezech. 20:43, 44, 36:32. Het is een eeuwig verbond, dat
niet wankelen kan, wijl het vastligt in Gods goedertierenheid, 2 Kon.
13:23, 1 Chron. 16:17, Ps. 89:1-5, 105:20, 106:45, 111:5, Jes. 54:10.
Hij staat als het ware voor beide partijen in, niet alleen voor zichzelf
maar ook voor zijn volk, en Hij zal alzoo een nieuw verbond oprichten,
zijn Woord en Geest niet van hen doen wijken, hunne zonden om zijns naams
wil vergeven, over allen zijnen Geest uitstorten, een vleeschen hart hun
schenken, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen
doen wandelen, Deut. 30:6, Jes. 44:3, 59:21, Jer. 24:7, 31:31v., Ezech.
11:19, 16:60, 18:31, 36:26, 39:29, Joel 2:28, Mich. 7:19 enz., cf. deel
II 181. 182.
2. Voorafgegaan door Johannes den Dooper, treedt Jezus in het N. T. op
met de prediking van het koninkrijk der hemelen. Dat koninkrijk wordt
eenerzijds voorgesteld als een schat, die in de hemelen bewaard en als
een loon aan de rechtvaardigen uitgedeeld wordt, Mt. 6:20, 13:43,
19:21, 25:46. Om het deelachtig te worden, is eene andere, betere
gerechtigheid noodig dan die der farizeën, Mt. 5:20; het moet vóór
alle dingen gezocht, Mt. 6:33, ten koste van alles gekocht worden,
13:44-46, 19:21, Mk. 9:43-47, 10:28, 29. Maar deze voorstelling gaat
in eene andere over; de eschatologische beteekenis van het koninkrijk
Gods maakt voor de religieus-ethische plaats. Immers, werk en loon
staan hier in geen verhouding; het koninkrijk Gods in eschatologischen
zin heet wel een loon, maar het gaat in waarde alle werk zoo verre te
boven, dat alle denkbeeld van loon vervalt, Mt. 19:29, 20:13-15, 25:21,
Mk. 10:30, vooral Luk. 17:10. De gerechtigheid, die vereischt wordt om
in het koninkrijk in te gaan, is zelve een goed van dat koninkrijk, Mt.
6:33, evenals ook de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Luk. 1:77, 24:47
enz. En dit koninkrijk met al zijne goederen, vergeving, gerechtigheid,
eeuwig leven, is nabij en komt door Gods wil, Mk. 1:15, 9:1; het is eene
gave, die Hij uit genade schenkt, Mt. 25:34, Luk. 12:32; en Hij schenkt
het, niet aan de rechtvaardigen maar aan de tollenaren en zondaren, Mt.
9:13, aan de verlorenen, Mt. 18:11, aan de armen enz., Mt. 5, aan de
kinderkens, Mt. 18:3, Mk. 10:15; en hunner is reeds hier op aarde het
koninkrijk der hemelen, Mt. 9:15, 11:11, 13:16, 17, 23:13, Mk. 10:15,
Luk. 17:21. Om dat koninkrijk deelachtig te worden is dus geen eigen
gerechtigheid noodig, maar alleen bekeering, μετανοια, resipiscentia,
mentis mutatio, zinsverandering, en geloof, πιστις, d. i. het aannemen
van en vertrouwen op het evangelie van het koninkrijk als eene gave
Gods aan verlorenen, Mk. 1:15, en dus vertrouwen op God, Mk. 11:22, op
Jezus’ woord en macht, Mt. 8:10, 9:2, Mk. 4:40, op Jezus’ persoon als
Messias, Mt. 27:42, Mk. 9:42, Joh. 1:12, 2:11, 6:29, 17:8, 20:30, Hd.
9:22, 17:3, 18:5 enz. Maar ook deze μετανοια en πιστις zijn zelve weer
genadegaven Gods, Mt. 11:25, 27, 15:13, 16:17, Luk. 10:22, Joh. 6:44,
65, 12:32, zoodat alleen degenen, die uit de waarheid zijn, Joh. 8:43,
47, 12:39, 18:37, die door den Vader aan den Zoon gegeven zijn, 6:37v.,
17:2, 6, 9, 10:26, 11:52, die reeds wedergeboren zijn, 1:12, 13, 8:47
tot het geloof komen.
In de apostolische verkondiging wordt dit alles veel breeder
uitgewerkt. De verhouding van de objectieve verwerving en de
subjectieve toepassing des heils treedt dan helderder in het licht. Als
Jezus gestorven en opgewekt is, dan wordt het zijn discipelen duidelijk,
dat het koninkrijk, hetwelk Hij gepredikt heeft, met al zijne goederen van
vergeving, gerechtigheid en eeuwig leven, door zijn lijden en sterven
verworven is; en dat Hij juist daartoe door den Vader opgewekt en
verheerlijkt is, opdat Hij deze weldaden aan de zijnen toepassen zou. De
toepassing is van de verwerving onafscheidelijk. Het is één werk, dat
aan den middelaar is opgedragen; en Hij zal niet rusten, voordat Hij het
gansche koninkrijk voltooid den Vader overgeven kan. Maar toch, hoe
onverbrekelijk verwerving en toepassing der zaligheid ook samenhangen,
er is onderscheid. Gene bracht Christus tot stand op aarde, in den
staat der vernedering, door zijn lijden en sterven, deze volbrengt Hij
van uit den hemel, in den staat der verhooging, door zijne profetische,
priesterlijke en koninklijke werkzaamheid aan de rechterhand des Vaders.
Daarom oefent Hij deze toepassing der zaligheid ook uit door den H.
Geest. Zelf is Hij door zijne verhooging geworden tot Heer uit den
hemel, tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:45, 47, 2 Cor. 3:17. De
Geest, die van zijne ontvangenis af Hem bekwaamd had en meer en meer
op Hem uitgestort was, is nu het principe van heel zijn verheerlijkt
leven geworden; al het natuurlijke, aardsche leven heeft Hij afgelegd;
Hij is nu de Heer uit den hemel, de levendmakende Geest; de Geest van
God is zijn Geest, is Geest van Christus geworden. Hiermede staat in
verband het woord in Joh. 7:39, dat de Geest nog niet was, overmits
Christus nog niet was verheerlijkt. Er kan hier niet mede bedoeld zijn,
dat de H. Geest vóór de verheerlijking van Christus nog niet bestond
of niet werkte, want reeds in het O. T. was er geen kracht en geen
gave dan door den H. Geest, deel II 230; Christus zelf was met dien
Geest gezalfd zonder mate, Joh. 3:34; en ook Elizabeth en Johannes de
Dooper heeten met dien Geest vervuld, Luk. 1:15, 41. De beteekenis kan
geen andere zijn, dan dat de Geest, ofschoon Hij vroeger ook vele gaven
schonk en vele krachten werkte, toch eerst na de verheerlijking van
Christus persoonlijk in de gemeente der geloovigen als in zijn tempel
is blijven wonen. Het is met den H. Geest als met Christus zelven. De
Zone Gods was van eeuwigheid gezalfd tot middelaar; Hij werkte als
profeet, priester en koning ook reeds in de dagen des O. T.; maar
vleesch is hij toch eerst geworden in de volheid des tijds. Zoo is er ook
eene volheid des tijds voor den H. Geest. Als Christus zijn werk heeft
volbracht, is Hij niet alleen zelf geworden tot levendmakenden Geest,
maar is de Geest van God, van Vader en Zoon, ook ten volle geworden
de Geest van Christus, dien Hij uitzendt, door wien Hij als Heer uit
den hemel zijn werk op aarde uitvoert, die zijne plaats vervangt, alles
uit het zijne neemt, Hem verheerlijkt en Hem zelven op geestelijke wijze
in de gemeente wonen doet. De H. Geest brengt n.l. geen verwijdering,
maar de innigste gemeenschap tusschen Christus en zijne gemeente tot
stand. Wel is Hij van Vader en Zoon onderscheiden, ἀλλος παρακλητος,
Joh. 14:16, naast beiden bijzonder genoemd, Mt. 28:19, 1 Cor. 12:4, 2
Cor. 13:13, Op. 1:4. Maar Hij is ook één met hen in wezen en kan hunne
gemeenschap daarom ten volle aan de geloovigen deelachtig maken. Zijne
werkzaamheid bestaat toch volstrekt niet alleen in de mededeeling van
de weldaden van Christus. Wanneer Christus door zijn lijden en sterven
alleen de vergeving der zonden had verworven, dan ware het genoeg,
dat de H. Geest de verkondiging van dit evangelie bekrachtigde, Joh.
15:26, 27, Hd. 5:32, 1 Cor. 2:4, 2 Cor. 4:13, 1 Thess. 1:5, 6, 1 Petr.
1:12, de wereld van ongelijk overtuigde, Joh. 16:8-11, het geloof in de
harten werkte, 1 Cor. 2:5, 12:3, Ef. 1:19, 20, 2:8, Col. 2:12, Phil.
1:29, 1 Thess. 2:13, en de geloovigen van hun kindschap verzekerde,
Rom. 8:15. 16. Maar deze objectieve, rechterlijke weldaad der vergeving
is de eenige niet; zij wordt door de ethische en mystische weldaad der
heiligmaking aangevuld. Christus neemt de schuld der zonde niet alleen
weg maar breekt ook hare macht. Hij is, één voor allen, gestorven, opdat
de levenden niet meer zichzelven maar Christus leven zouden, 2 Cor.
5:15. In de voldoening aan de wet, die de kracht der zonde is, d. i.
in de vergeving, is ook in beginsel de macht der zonde gebroken; waar
gerechtigheid is, daar is ook leven; Rom. 3-5 wordt gevolgd door Rom.
6-8. Christus is niet alleen gestorven, maar Hij is ook opgestaan en
verheerlijkt; Hij is en blijft de Heer uit den hemel, de levendmakende
Geest, die niet alleen voor de gemeente stierf maar ook in haar woont
en werkt. Deze gemeenschap nu tusschen Christus en de gemeente wordt
tot stand gebracht en onderhouden door den H. Geest. De H. Geest is
daarom niet alleen degene, die het geloof werkt en van het kindschap
verzekert, maar Hij is ook auteur van een nieuw leven; en het geloof
is niet maar aanneming van een getuigenis Gods doch ook aanvang en
beginsel van een heiligen wandel, 2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 4:24, Col.
3:9, 10. In en door den Geest komt Christus zelf tot de zijnen, Joh.
14:18, leeft in hen, Rom. 8:9-11, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17,
Col. 3:11, gelijk omgekeerd de geloovigen door dien Geest in Christus
zijn, leven, denken, handelen, Joh. 17:21, Rom. 8:1, 9, 10, 12:5, 1
Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Gal. 3:28, 6:25, Ef. 1:13, Col. 2:6, 10; παντα
και ἐν πασιν Χριστος Col. 3:11, cf. Deismann, Die neut. Formel ἐν Χρ.
Ιησου 1892, die echter ten onrechte de formule steeds in localen zin
opvat. En niet alleen Christus, maar ook God zelf komt door dien Geest
woning in hen maken en vervult hen met zijne volheid, opdat Hij ten
slotte alles in allen zij, Joh. 14:23, 1 Cor. 3:16, 17, 6:19, 15:28,
2 Cor. 6:16, Ef. 2:22. En door de gemeenschap aan den persoon van
Christus, bewerkt de H. Geest ook de gemeenschap aan al zijne weldaden,
aan zijne σοφια, 1 Cor. 2:6-10, δικαιοσυνη, 1 Cor. 6:11, ἁγιασμος, ib.,
Rom. 15:16, 2 Thess. 2:13, ἀπολυτρωσις, Rom. 8:2, 23. Hij verzekert
de geloovigen van hun kindschap, Rom. 8:14-17, Gal. 4:6 en van de
liefde Gods, Rom. 5:5; Hij maak hen vrij van de wet en laat hen saam als
ééne gemeente in de wereld optreden, levend door een eigen beginsel,
staande onder een eigen hoofd, Hd. 2, 2 Cor. 3, Gal. 4:21-6:10, boven
bl. 217. Hij verbindt de geloovigen tot één lichaam, 1 Cor. 12:13,
leidt hen tot éénen Vader, Rom. 8:15, Gal. 4:6, Ef. 2:18, brengt allen
tot de belijdenis van Christus als Heer, 1 Cor. 12:3, maakt hen één
van hart en ziel, Hd. 4:31, 32, Gal. 5:22, Phil. 2:1, 2, en doet hen
saam opwassen tot een volkomenen man in Christus, 1 Cor. 3:10-15, Ef.
4:1-16, Col. 2:19. Hij is de auteur van wedergeboorte, Joh. 3:5, 6, Tit.
3:5, leven, Joh. 6:63, 7:38, 39, Rom. 8:2, 2 Cor. 3:6, verlichting,
Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 1 Cor. 2:6-16, 2 Cor. 3:12, 4:6, Ef. 1:17,
1 Joh. 2:20, 4:6, 5:6, gaven, Rom. 12:3-8, 1 Cor. 12:4v., vernieuwing
en heiligmaking, Rom. 8, Gal. 5:16, 22, Ef. 3:16, verzegeling en
verheerlijking, Rom. 8:11, 23, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30.
3. Dat het geloof in Christus de weg ter zaligheid was, stond natuurlijk
in de christelijke kerk van den beginne aan vast. Wie niet gelooft in
het bloed van Christus, wordt veroordeeld, Ign., Smyrn. 6. Wij worden
niet gerechtvaardigd door onszelf, door onze wijsheid of vroomheid
of goede werken, maar door het geloof, Clem., 1 Cor. 32. Justinus
zegt, dat niemand zalig wordt dan door de verdiensten van Christus,
die den vloek op zich nam en voor allen voldeed, Dial. c. 95, die
allen verlost, welke boete doen en gelooven, ib. c. 100, en spreekt
herhaaldelijk van eene genade, die aan onze werken voorafgaat, ons
verlicht en leidt tot het geloof, Dial. c. 119. Apol. I 10. Irenaeus
bindt de zaligheid niet alleen aan het geloof in Christus, bijv. adv.
haer. IV 2, 7. V 19, 1, maar zegt ook, dat de H. Geest gezonden is, om
den wil des Vaders in menschen uit te werken en hen te vernieuwen, en
dat die Geest noodig is als de regen en de dauw, om het land vruchtbaar
te maken, III 17, cf. V 10, 2. Zelfs getuigt Origenes, dat de wil des
menschen uit zichzelven onbekwaam is, om zich te bekeeren, nisi divino
vel juvetur vel muniatur auxilio. God is prima et praecipua causa
operis, de princ. III 1, 18 cf. 2, 5. Nog sterker wordt de zedelijke
verdorvenheid van den mensch en de noodzakelijkheid van de genade des H.
Geestes uitgesproken door de latijnsche patres, Tertullianus, Cyprianus,
Ambrosius, op wier uitspraken Augustinus zich dan ook beroept, c. duas
epist. Pelag. IV 8-10. Zoo zegt eerstgenoemde: haec erit vis divinae
gratiae, potentior utique natura, habens in nobis subjacentem sibi
liberam arbitrii potestatem, de an. 21. Van Cyprianus, Test. III 4 zijn
de door Augustinus telkens aangehaalde woorden: in nullo gloriandum
quando nostrum nihil sit. Ambrosius kent reeds eene inwendige genade,
die inwerkt op den wil en hem voorbereidt: a Deo praeparatur voluntas
hominum; dat God door de heiligen vereerd wordt, is Gods genade, in
Lucam I 10. Toch werd de leer van de toepassing des heils in de eerste
tijden zeer weinig ontwikkeld en ten deele ook reeds vroeg in verkeerde
banen geleid. Al zijn er hier en daar enkele testimonia veritatis
evangelicae, over het geheel werd het evangelie toch spoedig opgevat
als eene nieuwe wet. Geloof en bekeering golden wel algemeen als
noodzakelijke weg tot de zaligheid; maar deze stonden toch ten slotte in
de vrijheid van den mensch. De zaligheid was wel objectief door Christus
verworven, maar om haar deelachtig te worden, was de vrije medewerking
des menschen van noode. Het geloof was in den regel niets meer dan de
overtuiging van de waarheid des Christendoms, en de bekeering kreeg
spoedig het karakter van eene boete, die voor de zonden voldeed. De
zonden, vóór den doop begaan, werden wel in den doop vergeven; maar
die na den doop moesten door boete worden goedgemaakt. Wel werd de
poenitentia ook nog menigmaal beschouwd als een hartelijk leedwezen
over de zonde, maar de nadruk viel toch steeds meer op de uitwendige
daden, waarin zij zich openbaren moest, zooals bidden, vasten, aalmoes
geven enz., en deze goede werken werden als eene satisfactio operis
opgevat. Heel de soteriologie werd veruitwendigd. Als weg der zaligheid
gold niet de toepassing des heils door den H. Geest aan het hart van
den zondaar, maar de praestatie van zoogenaamde goede, dikwijls geheel
willekeurige werken. De navolging van Christus bestond in het nadoen
en copiëeren van het leven en lijden van Christus, dat levendig voor de
oogen geschilderd werd; martelaren, asceten, monniken waren de beste
Christenen, Cf. behalve de dogmenhist. werken van Münscher-v. Coelln,
Hagenbach, Schwane, Harnack enz., Vossius, Hist. Pelag. 1. 3. Wiggers,
Aug. u. Pelag. I 440 f. Suicerus, s. v. πιστις, ἀναγεννησις, μετανοια.
Landerer, Das Verhältniss von Gnade und Freiheit in der Aneignung des
Heils, Jahrb. f. d. Th. 1857 S. 500-603. Wörter, Die chr. Lehre über
das Verhältniss von Gnade u. Freiheit von d. ap. Zeiten bis auf Aug.
Freiburg 1856. Dr. H. Wirth, Der Verdienstbegriff in der Chr. Kirche. I
Der Verdienstbegriff bei Tert. Leipzig 1892.
Veel verder dan een zijner voorgangers week Pelagius van de leer der
genade af; hij verliet den christelijken grondslag, waarop zij allen nog
stonden en vernieuwde het zelfgenoegzaam principe van het paganisme,
bepaaldelijk van de Stoa. Niet alleen toch sneed hij elk verband door
tusschen Adams en onze zonde, zoodat noch schuld noch smet noch
zelfs de dood een gevolg van de eerste overtreding was; maar ook het
Christendom verloor zijne absolute beteekenis; de zaligheid was niet
aan Christus gebonden maar kon ook verkregen worden door de lex naturae
en de lex positiva. Van eene gratia interna, van eene wederbarende
genade des H. Geestes, die niet alleen het verstand verlichtte maar
ook den wil boog, kon er daarom bij Pelagius geen sprake wezen. Wel
sprak hij van genade, maar hij verstond daaronder alleen: a) het posse
in natura, de gave van het kunnen willen, welke God aan ieder mensch
schonk, gratia creans, b) de objectieve genade van de prediking der
wet of des evangelies, en van het voorbeeld van Christus, welke zich
richtte tot het verstand van den mensch en hem onderwees aangaande den
weg der zaligheid, gratia illuminans, en c) de vergeving der zonden en
de toekomstige zaligheid, welke aan den mensch, die geloofde en goede
werken deed, geschonken zouden worden. De genade in den eerstgenoemden
zin was dus aan alle menschen eigen; de genade in den tweeden zin
was niet volstrekt noodzakelijk, maar diende alleen om den mensch de
verwerving der zaligheid te vergemakkelijken, zij was geen gratia operans
maar alleen een adjutorium voor den mensch; zij werd ook niet aan
allen geschonken maar alleen aan zulken, die ze door het goed gebruik
van hun natuurlijke krachten zich hadden waardig gemaakt; zij was geen
gratia praeparans (excitans), noch ook eene gratia irresistibilis,
welke veeleer een fatum sub nomine gratiae is; en eindelijk was zij
niet noodig en werd ze door God niet tot elke goede daad, ad singulos
actus, geschonken, maar alleen tot sommige; vele goede werken werden
door den mensch zonder eenige genade verricht, Wiggers I 220 f. Het
semipelagianisme matigde dit stelsel en leerde, dat de mensch door
Adams zonde wel niet geestelijk dood maar toch krank was geworden, dat
zijne wilsvrijheid niet verloren maar toch verzwakt was, en dat de mensch
dus, om het goede te doen en de zaligheid te verkrijgen, den bijstand der
Goddelijke genade van noode had. Maar die genade, welke het verstand
verlicht en den wil ondersteunt, mag nooit losgemaakt worden van
maar moet steeds in verband beschouwd met de den mensch overgebleven
wilsvrijheid. Genade en wil werken saam, en wel zoo, dat de genade naar
Gods bedoeling universeel en voor allen bestemd is, maar feitelijk
alleen ten goede komt aan hen, die van hunne wilsvrijheid een goed
gebruik maken. Nostrum est veile, Dei perficere. Soms moge nu, als bij
Paulus, de genade voorafgaan; in den regel is toch de wil de eerste;
het begin des geloofs en het volharden erin is zaak van den wil; de
genade is alleen noodig voor de vermeerdering des geloofs; God helpt,
die zichzelven helpt. Eene gratia operans, irresistibilis is er niet;
en zelfs eene gratia praeveniens wordt in den regel ontkend, Wigers, II
359 f.
4. Uitgaande van ’s menschen volstrekte zedelijke bedorvenheid door
Adams zonde en van zijne algeheele onbekwaamheid tot eenig geestelijk
goed, kwam Augustinus ook tot eene geheel andere leer van de genade.
Menigmaal duidt hij ook de objectieve weldaden, het evangelie, den doop,
de vergeving der zonden enz. met den naam van genade aan. Maar deze
genade is niet genoeg; er is nog eene andere van noode, eene gratia
interna, spiritalis, die het verstand verlicht en den wil buigt. Eerst
had Augustinus nog anders geleerd, n.l. dat God ons riep maar dat het
gelooven onze zaak was, zoo in zijn geschrift de diversis quaestionibus
van het jaar 386 en de libero arbitrio 388-395. Maar later, ongeveer
396, kwam hij vooral door 1 Cor. 4:7 tot een ander inzicht, de div. qu.
adv. Simpl. ± 397. En nu zegt hij, dat de genade niet alleen bestaat
in eene uitwendige prediking van wet en evangelie, die ons leert en
vermaant, en in dien zin ons hulpe biedt, maar zij is vooral eene
occulta inspiratio Dei, inspiratio fidei et timoris Dei, een adjutorium
bene agendi adjunctum naturae atque doctrinae per inspirationem
flagrantissimae et luminosissimae caritatis, de gratia Christi 35,
eene subministratio virtutis, ib. 2, eene inspiratio caritatis per
Spiritum Sanctum, ib. 39. Zelve eene vrucht der verkiezing, ipsius
praedestinationis effectus, de praed. sanct. 10, wordt ze uitgedeeld,
niet naar verdienste maar naar Gods barmhartigheid, de dono pers.
12. c. duas ep. Pelag. I 24. Daarom is zij vanzelf gratuita; zij ware
geen gratia, indien ze niet gratis geschonken werd, de pecc. orig.
24. De H. Geest blaast waarheen Hij wil, non merita sequens sed merita
faciens, ib. De genade gaat aan alle verdiensten vooraf, zij is eene
gratia praeveniens, praeparans, antecedens en operans; nolentem
praevenit, ut velit, Enchir. 32. Zij verlicht innerlijk het verstand,
neemt er de coecitas uit weg, de pecc. mer. I 9; werkt het geloof,
dat eene gave Gods is, en schept in den mensch den goeden wil, de
liefde tot het goede en het vermogen om het goede te doen en neemt er
de infirmitas uit weg; fateamur, interna atque occulta, mirabili ac
ineffabili potestate operari Deum in cordibus hominum, non solum veras
revelationes sed etiam bonas voluntates, de gratia Chr. 24. Deze genade
is daarbij irresistibilis, zij werkt indeclinabiliter en insuperabiliter
op den wil des menschen in, de corr. et gr. 12; zij wordt door geen
hart zoo hard verworpen, a nullo corde duro respuitur, God neemt door
de genade het steenen hart weg en geeft er een vleeschen hart voor in
de plaats, de praed. sanct. 8. De uitverkorenen, die haar ontvangen,
kunnen door haar niet slechts tot Christus komen, maar zij komen ook
werkelijk tot Hem. Maar dit is niet zoo te verstaan, alsof God door
de genade den vrijen wil des menschen onderdrukte of vernietigde;
integendeel, de genade maakt den wil juist vrij van de slavernij der
zonde. Liberum ergo arbitrium evacuamus per gratiam? Absit, sed magis
liberum arbitrium statuimus. Sicut enim lex per fidem, sic liberum
arbitrium per gratiam non evacuatur sed statuitur quia gratia sanat
voluntatem, de spir. et litt. 30 cf. 33. 34. de gratia et lib. arb. de
civ. XIV 11. c. duas ep. Pel. I 2. Daarom kon Augustinus ook zeggen,
consentire vocationi Dei vel ab ea dissentire, propriae voluntatis est,
de spir. et litt. 34, want beiden, wie gelooft en wie niet gelooft,
doen dat vrijwillig, nemo credit nisi volens. Zoo ver was hij er echter
vandaan om door deze uitspraak de beslissing ten slotte weer in de
handen van den mensch te leggen, dat hij onmiddellijk voortgaat: dit
woord verzwakt niet maar bevestigt het woord des apostels: wat hebt gij
dat gij niet hebt ontvangen. Accipere quippe et habere anima non potest
dona, de quibus hoc audit, nisi consentiendo; ac per hoc, quid habeat
et quid accipiat Dei est; accipere autem et habere utique accipientis
et habentis est. Iamsi ad illam profunditatem scrutandam quisquam nos
coarctet, _cur illi suadetur ut persuadeatur, illi autem non ita_,
duo sola occurrunt interim quae respondere mihi liceat; o altitudo
divitiarum, et: numquid iniquitas apud Deum? de spir. et litt. 34. En
gelijk het begin, zoo is ook de voortgang des geloofs en der liefde
alleen aan Gods genade te danken; de gratia operans gaat over in de
gratia cooperans, consequens, subsequens, zij werkt het willen niet
alleen maar ook het werken en het volbrengen. Zonder Christus kunnen
wij niets doen; en daarom, ut incipiamus, dictum est: misericordia
ejus praeveniet me, ut perficiamus, dictum est: misericordia ejus
subsequetur me, c. duas ep. Pel. II 9. Het is God, qui praeparat
voluntatem et cooperando perficit quod operando incipit.... Ut ergo
velimus, sine nobis operatur; cum autem volumus, et sic volumus ut
faciamus, nobiscum cooperatur; tamen sine illo vel operante ut velimus
vel cooperante cum volumus, ad bona pietatis opera nihil valemus, de
gr. et lib. arb. 17. Volentem subsequitur ne frustra velit, Enchir.
32. En die genade is niet tot enkele maar tot alle goede daden van
noode; voluntas hominis Dei gratia ad omne bonum actionis, sermonis,
cogitationis adjuvatur, c. duas ep. Pel. II 5. Objectief en subjectief
is het werk der zaligheid van het begin tot het einde een werk van Gods
genade en van zijne genade alleen. Cf. Wiggers, I 244 f. Luthardt, Die
Lehre vom freien Willen 1863 S. 30 f.
Het pelagianisme werd veroordeeld op de Synode te Carthago 418,
wier canones door paus Zosimus en later door Coelestinus I werden
goedgekeurd, voorts op het concilie te Efeze 431 en op de synode te
Orange 529; op deze laatste synode werd ook het semipelagianisme
verworpen en hare canones werden door Bonifacius II bekrachtigd,
Denzinger, Enchir. n. 64 sq., cf. deel II 322v. Hierdoor werd het
kerkelijke leer, dat de gansche mensch door Adams zonde bedorven is,
en dat beide, initium en augmentum fidei, te danken zijn niet aan
onszelven, aan onze natuurlijke krachten, maar aan de genade Gods, die
ons niet alleen leert wat wij te doen en te laten hebben, maar ons
ook schenkt, ut quod faciendum cognoverimus, etiam facere diligamus
atque valeamus, Denzinger n. 68; aan de infusio, operatio, inspiratio,
illuminatio van den H. Geest in ons, die onzen wil voorkomt,
voorbereidt, van het ongeloof tot het geloof herstelt (corrigens),
en ons doet willen en werken, ib. 147 sq. De noodzakelijkheid der
gratia interna, praeveniens is sedert door allen geleerd. Ook de
synode te Chiersy 853, die Gottschalk veroordeelde, beleed: habemus
liberum arbitrium ad bonum, praeventum et adjutum gratia,.... gratia
liberatum et de corrupto sanatum, ib. 280. evenals Rabanus zeide, dat
God Spiritu Sancto intus regit et zelo spiritali foris confortat, bij
Weiszäcker, Jahrb. f. d. Th. 1859 S. 545. De scholastiek wandelde
in ditzelfde spoor. Lombardus zegt, dat de mensch door de zonde
de wilsvrijheid verloren heeft, en dat hij non valet erigi ad bonum
efficaciter volendum vel opere implendum, nisi per gratiam liberetur
et adjuvetur; liberatur quidem ut velit et adjuvatur ut perficiat,
Sent. II dist. 25, cf. comm. op. Ef. 2:4-10, Rom. 5:1, 2, 6:23 enz.
Volgens Thomas kan de mensch zonder genade wel allerlei natuurlijk
goede dingen doen, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 1 en 2, maar hij heeft
genade noodig, ut sanetur et ut bonum supernaturalis virtutis operetur,
art. 2, om God lief te hebben, art. 3, om de wet te onderhouden,
art. 4, om het eeuwige leven te verwerven, art. 5, om zichzelven
voor de genade der rechtvaardigmaking voor te bereiden, art. 6, om
uit de zonden op te staan, art. 7, om te kunnen niet-zondigen, art.
8, en hij heeft telkens nieuwe genade noodig, om het goede te kennen
en te doen, art. 9 en daarin te volharden, art. 10. En evenzoo
stelde Trente vast, dat de volwassenen, om zich voor te bereiden
voor de genade der rechtvaardigmaking, de gratia praeveniens van
noode hebben, zoodat zij, qui per peccata a Deo aversi erant, per
ejus _ezeitantem_ atque _adjuvantem_ gratiam ad convertendum se ad
suam ipsorum justificationem.... disponentur, VI 5. Rome leert dus
beslist de noodzakelijkheid der gratia praeveniens (actualis, excitans)
en verwerpt alzoo het pelagianisme en het semipelagianisme, dat
het initium en augmentum fidei aan de krachten van den natuurlijken
mensch toeschreef. Nu kan er wel gevraagd worden, of Rome onder die
gratia praeveniens iets meer verstaat dan de uitwendige roeping des
evangelies, die zedelijk inwerkt op verstand en wil, en welke ook
door Pelagius c. s. erkend werd. Soms toch is de omschrijving dier
genade zeer zwak; Trente identificeert ze met de roeping, qua nullis
eorum existentibus meritis vocantur, ib. Maar toch schijnt Rome onder
die gratia praeveniens eene inwerking des H. Geestes op verstand en
wil te verstaan. De synode te Orange sprak van eene Sancti Spiritus
infusio et operatio in nobis; Trente noemde ze excitans en omschreef
ze door de woorden: tangente Deo cor hominis per Spiritus Sancti
illuminationem, ib. cf. can. 3. Thomas zegt, dat die genade, waardoor
een volwassene voor de rechtvaardigmaking zich voorbereidt, niet
bestaat in aliqua habitualis gratia maar wel in eene operatio Dei
ad se animam convertentis, I qu. 62 art. 2 ad 3, een auxilium Dei
interius moventis sive inspirantis bonum propositum, II 1 qu. 109
art. 6 qu. 112 art. 2 III qu. 89 art. 1 ad 2. Bonaventura noemt ze
ook wel gratia gratis data en zegt, dat de mensch haar noodig heeft
tot voorbereiding voor de rechtvaardigmaking en dat ze zijn vrijen wil
excitat, Brevil. V 3. Bellarminus omschrijft haar als eene gratia
auxilii specialis, als eene motio of actio, qua Deus hominem movet ad
operandum, de gratia et lib. arb. I c. 2, en stelt haar als speciale
auxilium, gratia extrinsecus excitans et adjuvans tegenover de gratia
intus inhabitans, de gratia infusa, Spiritus S. in nobis inhabitans,
de justif. I c. 13. Ook was er over het wezen van die voorbereidende
genade onder de theologen groot verschil; de Thomisten hielden ze voor
eene qualitas physica supernaturaliter infusa, entitas quaedam physica;
Molina, Lessius, Ripalda vatten ze op als eene illustratio mentis et
inspiratio voluntatis; Suarez, Tanner e. a. dachten, dat zij niet iets
geschapens was, maar dat de H. Geest zelf onmiddellijk den wil bewoog.
Maar toch wordt zij algemeen opgevat als een gratuitum auxilium, donum
Dei internum et supernaturale, als eene illustratio mentis en motio
immediata voluntatis, welke niet alleen vires morales maar ook vires
physicas aan den mensch toevoegt en hem in staat stelt, zich voor de
rechtvaardigmaking voor te bereiden, Theol. Wirceb. VII 262, 268.
Perrone V p. 6. Kleutgen, Theol. d. Vorz. II 152 f. Jansen III p. 8 sq.
Pesch, Prael. dogm. V 20. 46. Heinrich, Dogm. Theol. VIII 19 f. Simar
492. Scheeben III 683 f.
5. Maar daarmee is de verwerping van het semipelagianisme bij Rome ook
geëindigd; langs een omweg wordt het toch weer binnengehaald. Ten
eerste toch leert Rome, dat de wilsvrijheid door de zonde verzwakt
maar niet verloren is, Syn. Araus. can. 8. 13. 25. Trid. VI c. 1 en
can. 5; de mensch kan zonder genade vele natuurlijk en burgerlijk goede
werken doen, die volstrekt geen zonde zijn; hij kan God als Schepper
kennen en liefhebben, een eerbaar leven leiden; en al valt het moeilijk,
op den duur de gansche wet te onderhouden en alle verzoekingen
weerstand te bieden, op zichzelf is het toch niet onmogelijk. De homo
naturalis is op zichzelf een compleet mensch, deel II 525, cf. Pesch,
V 66. 100. Ten tweede wijkt Rome daarin van Augustinus af, dat het
de gratia praeveniens opvat als eene genade, die wel het vermogen
schenkt om te gelooven maar niet het gelooven zelf. Integendeel,
aan ieder volwassene die onder het evangelie leeft, wordt de gratia
praeveniens (actualis) geschonken, maar het staat in de macht van
den mensch, om deze aan te nemen of te verwerpen. Hoc etiam secundum
fidem catholicam credimus, zeide de synode te Orange c. 25, quod
accepta per baptismum gratia omnes baptizati, Christo auxiliante
et cooperante, quae ad salutem pertinent, possint et debeant, si
fideliter laborare voluerint, adimplere. En Trente verklaarde, dat de
mensch de gratia praeveniens kan toestemmen en met haar samenwerken,
maar haar ook kan verwerpen, VI c. 5 en can. 4. Onder de theologen
was er hierover echter groot verschil. De Augustinianen, onder welke
Berti de voornaamste is, leeren dat de gratia praeveniens (actualis,
sufficiens) wel het posse maar niet het velle geeft. Opdat de mensch
niet alleen kunne maar ook wille gelooven en werkelijk geloove, en de
gratia sufficiens dus inderdaad efficax worde, daartoe is noodig eene
delectatio victrix, die de tegengestelde carnalis delectatio overwint
en het posse in velle doet overgaan. De wil moet dus omgezet worden
door eene delectatio victrix, die sterker is dan de concupiscentia.
De Thomisten, Bannez, Gonet, Lemos, Billuart e. a. zeggen evenzoo,
dat de gratia sufficiens wel het posse maar niet het velle geeft en,
om dit laatste te bewerken, door eene actio Dei physica, promotio
of praedeterminatio physica moet aangevuld worden. Augustinianen en
Thomisten stemmen dus daarin overeen, dat de efficacia gratiae niet
van den wil des menschen maar van de genade zelve afhangt, en dat op
de delectatio victrix of praedeterminatio victrix de daad des geloofs
onfeilbaar volgt; zij verschillen echter hierin, dat de laatsten een
wezenlijk objectief onderscheid aannemen tusschen de gratia sufficiens
en de gratia efficax, terwijl de eersten oordeelen, dat deze beide niet
wezenlijk verschillen, maar dat er graden in de genade zijn, waardoor
eene genade, die in den een slechts sufficiens is, in den ander van
wege de mindere verharding efficax kan wezen. Maar men kan niet zeggen,
dat deze voorstelling aan het Trentsche assentire vel abjicere volle
recht laat wedervaren. De Molinisten lieten daarom de efficacia der
genade afhangen van den wil des menschen, en de Congruisten, zooals
Bellarminus, de gratia et lib. arb. I 12 IV 14-16, lieten ze bepaald
worden door de praevisa gratiae congruentia of incongruentia met
den toestand en de omstandigheden van hen, tot wie de genade op een
bepaald oogenblik kwam, cf. deel I 92v. en voorts Theol. Wirceb. VII
375. Perrone, V 138. Liebermann, Instit. theol. II⁸ 338. Jansen III
79. Dens, Theol. II 219. Schäzler, Neue Unters. über das Dogma v. d.
Gnade, Mainz 1867 S. 87 f. Simar, Dogm. 502. Pesch, Prael. V 136-164.
Scheeben, Dogm. IV 1, 1898 S. 202 f.
De Roomsche leer komt daarom hierop neer: de in de kerk geboren
kinderen ontvangen in den doop de wedergeboorte (justificatio, gratia
infusa), maar zij, die op later leeftijd het evangelie hooren, ontvangen
de gratia sufficiens, die in eene verlichting des verstands en eene
versterking van den wil door den H. Geest bestaat. De mensch kan deze
genade verwerpen maar hij kan ze ook toestemmen. Indien hij ze toestemt,
gaat de gratia excitans in de gratia adjuvans of cooperans over;
de mensch werkt met haar mede om zich voor de justificatio (gratia
infusa, habitualis) voor te bereiden. Deze voorbereiding omvat deze
zeven momenten, dat de mensch, door Gods genade geholpen, Gods Woord
gaat gelooven, gaat inzien dat hij een zondaar is, hope krijgt op Gods
barmhartigheid, Hem begint lief te hebben, de zonde begint te haten,
zich voorneemt zich te laten doopen en een nieuw leven te leiden, Trid.
VI c. 6. Het geloof neemt hier geen centrale plaats in maar is met
de zes andere praeparationes ad gratiam justificantem gecoordineerd;
het is dan ook niets anders dan eene toestemming van de waarheid des
Christendoms, d. i. van de leer der kerk (fides informis) en krijgt
zijne rechtvaardigende kracht eerst door de liefde (fides caritate
formata), welke in de gratia infusa meegedeeld wordt; op zichzelf en
alleen genomen, kan het niet rechtvaardigen, maar heet het alleen
rechtvaardigend geloof, wijl het humanae salutis initium, fundamentum
et radix omnis justificationis, d. i. de eerste der bovengenoemde
praeparationes is. Als de mensch zich nu alzoo voorbereid en gedaan
heeft quod in se est--hetzij dit besta in het goed gebruik zijner door
de genade ondersteunde, Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 6 ad 2. qu.
112 art. 3, of ook van zijne natuurlijke krachten, Thomas, II 1 qu.
98 art. 6. cf. Theol. Wirceb. VII 288. Dens, Theol. II 209. Pesch,
Prael. V 114-120--kan God hem de gratia infusa niet weigeren. Wel
heeft de mensch door die voorbereiding deze genade niet verdiend,
want zij gaat haar in waarde verre te boven; maar het is toch billijk,
dat God dengene, die zoo zijn best doet, naar een meritum de congruo
met de gratia infusa loone. Deze wordt hem geschonken in den
doop en bestaat in de inwoning des H. Geestes, de instorting van
bovennatuurlijke deugden, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, en
wordt gevolgd door de vergeving der zonden, welke met haar de beide
deelen der rechtvaardigmaking uitmaakt, Thomas, S. Theol. II 1 qu.
113. De vergeving der zonden is bij Rome dus de negatieve keerzijde van
de positieve vernieuwing des menschen; vergeven wordt de zonde, omdat
en in zooverre zij uitgedelgd is. Wanneer de mensch nu in den doop
deze gratia infusa deelachtig is geworden, dan kan hij ze wel weder
door doodzonden verliezen, en andere zonden heeft hij te boeten, niet
alleen met contritio cordis maar ook met confessio oris en satisfactio
operis; maar in de gratia infusa heeft hij toch de bovennatuurlijke
kracht ontvangen, om goede werken te doen en daardoor alle volgende
genade, ja zelfs het eeuwige leven naar een meritum de condigno te
verdienen. Want de goede werken die hij doet, vloeien voort uit een
bovennatuurlijk principe en zijn daarom een bovennatuurlijk loon waardig.
En hieruit wordt duidelijk, waarom het deze Roomsche leer van de
genade ten slotte te doen is. De genade dient alleen, om den mensch
het verdienen van de hemelsche zaligheid weder mogelijk te maken.
Dat was in den grond zelfs bij Augustinus het geval. De genade, hoe
zonder verdienste ook geschonken, bestond bij hem niet allereerst in de
vergeving der zonden maar in de wedergeboorte, in de instorting der
liefde, die tot het doen van goede werken en alzoo tot het verwerven
van het eeuwige leven in staat stelt. Accepit (homo) justitiam, propter
quam beatitudinem accipere mereretur, de trin. XIV 15. De verdiensten
gaan niet aan de genade en het geloof vooraf, maar zij volgen er toch
op, ad Simplic. I qu. 2. Credendo meritum comparatur, 83 qu. qu. 68.
Gratia praevenit meritum, non gratia ex merito sed meritum ex gratia;
omnia merita praecedit gratia, ut dona Dei consequantur merita mea,
Aug. bij Lombardus op Ef. 2:4-10. Ipsa gratia meritur augeri, ut aucta
mereatur et perfici, voluntate comitante, non ducente, pedissequa non
praevia, Ambrosius bij Lombardus op Rom. 5:1, 2. Later, toen de leer van
het beeld Gods als donum superadditum opkwam, werd dit nog erger. Het
begrip der genade onderging toen eene belangrijke wijziging. De genade
werd iets, dat niet alleen voor den gevallen mensch van noode was;
maar ook Adam moest door haar van gewoon, natuurlijk mensch tot beeld
Gods verheven worden. Na den val krijgt de genade dus tweeërlei taak,
ten eerste om den mensch van de zonde te verlossen (gratia sanationis,
medicinalis), en ten tweede, om hem op te heffen tot de bovennatuurlijke
orde (gratia elevans), Thomas, S. Th. II 1 qu. 109 art. 2. Voor het
eerste is de genade slechts toevallig, slechts in zedelijken zin
noodzakelijk; voor het tweede is zij absoluut en physisch noodzakelijk. De
laatste dringt daarom de eerste hoe langer hoe meer op den achtergrond;
de ethische tegenstelling van zonde en genade maakt plaats voor de
physische van natuurlijk en bovennatuurlijk. Genade is bij Rome eene op
magische wijze, door bemiddeling van priester en sacrament, in een
natuurlijk mensch ingestorte, bovennatuurlijke, geschapene, physische
kracht, welke hem opheft tot de bovennatuurlijke orde en hem in staat
stelt, om door goede werken alle volgende genade en langs dezen weg aan
het einde ook de hemelsche zaligheid ex condigno te verdienen.
6. Het Roomsche boetewezen bracht Luther tot zijn reformatorisch
optreden. Er ging een geheel nieuw licht voor hem op, toen hij de
Schriftuurlijke beteekenis der μετανοια leerde kennen. In het eerste
zevental van zijne 95 stellingen, en voorts in zijn sermo de poenitentia
en Sermon v. Sakr. der Busse, zette hij deze beteekenis der boete
uiteen, en leerde, dat het voornaamste stuk der boete niet bestaat
in de private biecht, waar de Schrift niets van weet, noch in de
genoegdoening, want God vergeeft de zonden om niet, maar in een
waarachtig leedwezen over de zonden, in een ernstig voornemen om
Christus’ kruis te dragen, in een nieuw leven, en in het woord der
absolutie, d. i. der genade in Christus. De boetende komt tot de
vergeving der zonden niet door genoegdoening en priesterlijke absolutie,
maar door vertrouwen op het woord Gods, door het geloof aan Gods
genade. Niet het sacrament, het geloof rechtvaardigt. Zoo kwam Luther
er toe, om zonde en genade in het middelpunt der christelijke heilsleer
te plaatsen. De vergeving der zonden hangt niet af van eene boete, die
altijd onvolmaakt blijft, maar rust in Gods belofte en wordt de onze
alleen door het geloof, cf. ook Köstlin, Luthers Theol. I 44. 190 f.
202 f. 213 f. 223 f. Maar over de verhouding, waarin Luther boete en
geloof tot elkaar stelde, is er groot verschil. Volgens Ritschl,
Rechtf. u. Vers. I² 198 f. meende Luther eerst wel, dat ware boete
vrucht was van het geloof aan het evangelie en van de liefde tot God;
maar later zou hij, vooral na Melanchtons Unterricht der Visitatoren
van 1528, om geen valsche gerustheid te kweeken, het door de wet
gewerkte berouw vóór het geloof hebben geplaatst, juist omgekeerd als
Calvijn, die in de eerste uitgave der Institutie het berouw aan het
geloof maar later, in den Catech. Genev. van 1538 en in de tweede en
volgende uitgaven der Institutie, het geloof aan het ware berouw zou
hebben laten voorafgaan, cf. ook Harnack, D. G. III² 749 f. Herrmann
in Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. 1891 S. 28-81. Het historisch
onderzoek van Lipsius, Luthers Lehre v. d. Busse, Jahrb. f. prot.
Theol. 1892 S. 161-340, heeft echter in het licht gesteld, dat er van
zulk een omkeer in de leer der boete bij Luther geen sprake is. De
poenitentia bestaat bij hem altijd in twee stukken: contritio, kennis
van en berouw over de zonden, gewerkt door de wet, en fides, geloof
aan de genade Gods in het evangelie van Christus. God verbreekt eerst
door de prediking der wet het harde hart van den zondaar en leidt hem
dan door het geloof tot den troost van het evangelie. Maar als de
zondaar alzoo Gods genade leert kennen, dan krijgt hij eerst ware liefde
tot het goede en wordt daaruit die echte boete geboren, welke heel het
leven door blijft en in eene afsterving van den ouden en opstanding
van den nieuwen mensch bestaat. Wel legt Luther nu eens, tegenover de
Roomsche werkheiligheid, meer den nadruk daarop, dat de ware boete uit
het geloof voortkomt en heel het leven omvat; en dan weer, tegenover
het antinomianisme, meer daarop, dat het waarachtig geloof door eene
verbreking des harten voorafgegaan wordt; maar zakelijk is Luthers leer
altijd dezelfde gebleven, contritio (poenitentia in enger zin), fides
en bona opera zijn de drie deelen der via salutis, cf. Köstlin, ib.
I 36. 72, 159. 368. II 75. 493. 496 f., en in Herzog²³ art. Busse.
Sieffert, Die neuesten theol. Forschungen über Busse u. Glauben, Berlin
1896. Deze voorstelling is ook die der Luthersche belijdenisschriften,
ed. Müller 41. 167. 312. 534. 634 en der eerste dogmatici, Brenz,
Strigel, Chytraeus e. a. tot Gerhard toe; de heilsorde werd in deze
drie loci afgehandeld. Nu was Luther bij deze heilsorde in den eersten
tijd steeds uitgegaan van de absolute praedestinatie; maar later legde
hij, zonder ze te herroepen, het zwaartepunt in de openbaring Gods in
Christus, in de algemeene aanbieding des heils, in woord en sacrament.
Melanchton kwam sedert 1527 tot het synergisme en leerde, dat bij de
bekeering ook de wil medewerkt, assentiens nec repugnans verbo Dei,
wijl hij nog behouden heeft de facultas applicandi se ad gratiam, Loci,
c. de lib. arb. De Formula Concordiae verwierp wel uitdrukkelijk de
leer, dat de wil uit _eigene, natuurlijke_ krachten zich naar de genade
schikken kan, ed. Müller 607, cf. 608. 713. Maar zij leerde toch naast
elkaar de praedestinatie en onmacht des menschen, ib. 594. 705, en de
universaliteit en resistibiliteit der genade, 555. 602, en vond de
verzoening daarin, dat de mensch nog behouden heeft capacitatem non
activam sed passivam, nog ter kerk kan gaan enz., en vooral daarin, dat
hij nog patitur (en pati potest), ut Deus in se operetur, ib. 609. 610.
Later werd dit in de Luthersche theologie gewoonlijk zoo uitgewerkt, dat
God aan allen, die onder het evangelie leven, in den doop of door de
prediking des Woords eene gratia sufficiens (motus bonos inevitabiles,
irresistibiles) schenkt, waardoor de wil des menschen zoo bevrijd en
vernieuwd wordt, dat hij òf alleen niet-weerstaan, Gods genade in
zich tot wedergeboorte en bekeering laten werken en geheel passief
eronder verkeeren kan, òf ook wel positief met haar medewerken kan,
Gerhard, Loc. XI n. 56. 57. 81. Quenstedt, Theol. III 505. 508. 510.
513. Hollaz, Ex. 794. 861 sq. 872 sq. Buddeus, Inst. theol. 921 sq.
Schmid, Dogm. d. ev. l. K. 297-369. Luthardt, Komp. § 57-66. Onder
invloed van dit bedekte of opene synergisme kreeg de ordo salutis,
toen zij later uitgebreid en zooals bij Hollaz met verwijzing naar Hd.
26:17, 18 in de loci over de gratia vocans, illuminans, convertens,
regenerans, justificans, renovans en glorificans behandeld werd, bij
de Lutherschen deze gedaante: Christenkinderen worden, wijl zij nog
niet kunnen weerstaan, in den doop wedergeboren en ontvangen de gave
des geloofs; anderen worden op later leeftijd eerst geroepen met eene
vocatio sufficiens, die voor allen gelijk is en allen voorziet van die
verlichting in het verstand en van die kracht in den wil, welke hen in
staat stelt, om de werking van Gods genade niet te wederstaan; in geval
zij niet wederstaan, worden zij door de prediking der wet tot contritio
(poenitentia, conversio in enger zin) gebracht en voorts wedergeboren
en begiftigd met het geloof, dat eene vrucht der wedergeboorte is;
door het geloof worden zij dan gerechtvaardigd, krijgen de vergeving
der zonden en verder achtereenvolgens de adoptio, de unio mystica, de
renovatio en de glorificatio. Maar zoo geregeld loopt het christelijk
leven in de werkelijkheid niet; gelijk de genade in haar aanvang afhangt
van den door bovennatuurlijke kracht versterkten wil, zoo blijft het
bij den voortgang en tot het einde toe. De genade is altijd resistibel
en daarom ook tot in de stervensure toe verliesbaar en ook weer
verkrijgbaar, niet eens maar zelfs herhaalde malen. Het zwaartepunt
ligt daarom bij deze heilsorde in den mensch; al wordt nog zoo sterk
uitgesproken, dat God alleen wederbaart en bekeert, het hangt toch
van het al of niet weerstaan des menschen af, of God dat doen zal; de
mensch heeft de beslissing in handen, hij kan door te weerstaan heel het
werk van den Vader, den Zoon en den Geest te niet doen; en hij houdt die
beslissing in handen tot zijn dood toe. Nog nader ligt het zwaartepunt
bij deze heilsorde in geloof en rechtvaardigmaking. Roeping, berouw,
wedergeboorte dragen n.l. slechts een voorbereidend karakter; zij zijn
eigenlijk nog geen weldaden van het genadeverbond, zij gaan als het ware
nog buiten Christus om en dienen, om den zondaar naar Christus heen te
leiden. Eerst als de mensch gelooft en door dat geloof de gerechtigheid
van Christus aanneemt, ziet God hem in Christus, vergeeft hem de
zonden, maakt hem vrij van de wet, neemt hem aan tot zijn kind, lijft hem
in in de gemeenschap met Christus enz. Op het geloof, en wel bepaald op
de daad des geloofs, komt alles aan. Oefent de mensch deze, dan heeft
hij alles en alles in eens, vrede, troost, leven, zaligheid, maar laat
hij deze na, dan wordt alles wankel, onvast, verliesbaar. Zoo is er
alles op gericht om dat geloof te behouden, maar gelijk de Luthersche
geloovige het werk der genade niet uit de eeuwige verkiezing, uit het
verbond laat opkomen, zoo zet hij het ook niet met natuur en wereld en
menschheid in verband; hij is zalig in zijn geloof maar laat dit niet
inwerken op gezin en school, maatschappij en staat. Het is hem genoeg,
met Christus in gemeenschap te leven, maar hij voelt geen drang, om
onder Christus als koning te strijden. Cf. vooral Schneckenburger,
Vergl. Darst. d. luth. u. ref. Lehrbegriffs, 2 Th. 1855 passim.
7. Bij alle overeenstemming droeg de heilsorde in de Geref. theologie
toch van huis uit een geheel ander karakter. Wel behandelt Calvijn
rechtvaardigmaking, Inst. III 12-18, en verkiezing ib. 21-24, na
geloof, wedergeboorte, bekeering, christelijk leven, maar hij wil
daarmede geenszins te kennen geven, dat zij dan eerst objectief
ontstaan. De grondgedachte, waarvan Calvijn uitgaat, is eene geheel
andere; de verkiezing is een eeuwig besluit, al wordt de mensch eerst
door het geloof van haar bewust, en de vergeving der zonden rust alleen
in Christus, al wordt zij ons eerst geschonken in het geloof. Immers
keert bij Calvijn telkens de gedachte terug, dat er geen gemeenschap is
aan de weldaden van Christus dan door gemeenschap aan zijn persoon,
Inst. III 1, 1. 3. 2, 24. 3, 9. 11, 10 enz. Hierin ligt in beginsel al
het verschil opgesloten, dat in de heilsorde tusschen Geref. en Luth.
bestaat, cf. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 311-316. Schneckenburger,
Vergl. Darst. I 195 II 22. Philippi, Kirchl. Gl. V 115. Indien het toch
waar is, dat de allereerste weldaad der genade reeds de gemeenschap
aan den persoon van Christus onderstelt, dan gaat de toerekening en
schenking van Christus aan de gemeente aan alles vooraf. En dit is
ook de Geref. leer. Reeds in de eeuwigheid, in de verkiezing, en
nader nog in het pactum salutis is er een band gelegd tusschen den
middelaar en degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader. Toen reeds
is er in het besluit Gods eene unio mystica tusschen beiden gelegd
en eene plaatsverwisseling tot stand gekomen. Krachtens dat verbond
is Christus mensch geworden en heeft Hij voor zijn volk de zaligheid
verworven; Hij kon dat doen, juist omdat Hij reeds met hen in gemeenschap
stond, hun borg en middelaar, hun hoofd en plaatsvervanger was; en de
gansche gemeente, in Hem als haar hoofd begrepen, is objectief met Hem
gekruisigd en gestorven, opgestaan en verheerlijkt. Alle weldaden der
genade liggen dus in den persoon van Christus voor de gemeente gereed;
alles is volbracht; God is verzoend; er komt niets van den mensch bij.
Verzoening, vergeving, rechtvaardigmaking, unio mystica, heiligmaking,
heerlijkmaking enz., zij komen niet tot stand na en door het geloof,
maar in objectieven, actieven zin zijn zij in Christus aanwezig; zij
zijn vruchten van zijn lijden en sterven alleen; en onzerzijds worden zij
alleen aangenomen door het geloof. God schenkt ze en rekent ze aan
de gemeente toe in het besluit, in de opstanding van Christus, in de
roeping door het evangelie. Op Gods tijd komen zij ook subjectief in
het bezit der geloovigen. Want al is het, dat de mensch niets aan het
werk van Christus heeft toe te voegen, Christus zelf heeft het Hem
opgedragen werk met de verwerving der zaligheid nog volstrekt niet
voltooid. Hij heeft op zich genomen, om zijn volk werkelijk en ten volle
zalig te maken. Hij treedt als middelaar niet af, voordat Hij zijne
gemeente zonder vlek of rimpel aan den Vader voorgesteld heeft. De
toepassing des heils is een even wezenlijk bestanddeel van de verlossing
als de verwerving. Dempta applicatione, redemptio non est redemptio.
Christus zet daarom in den hemel zijne profetische, priesterlijke en
koninklijke werkzaamheid voort. De toepassing des heils is zijn werk; Hij
is de handelende; Hij deelt zichzelf en zijne weldaden door eene gratia
irresistibilis en inamissibilis aan de zijnen mede. Ook de soteriologie
is theologisch te beschouwen, als een werk van Vader, Zoon en Geest.
En gelijk de verwerving der zaligheid door Christus plaats had in den
weg des verbonds, zoo geschiedt dit ook met hare toepassing. Ten
eerste is de toebrenging der uitverkorenen niet individualistisch en
atomistisch te denken, want zij zijn allen aan Christus gegeven, zijn
in het verbond begrepen, worden te hunner tijd uit Christus, als het
lichaam met zijne leden uit het hoofd, geboren en al zijne weldaden
deelachtig. De gemeente is een organisme, geen aggregaat; het geheel
gaat vóór de deelen. Sommige Geref., Wollebius, Theol. c. 21-27,
Keckermann, Syst. Theol. 1603 p. 370, Brakel, Red. Godsd. I c. 24-29
e. a. behandelden daarom zelfs de leer der kerk voor die des heils.
Dit behoeft niet, omdat de Geref. theologie in het verbond der genade
bezit wat deze theologen met deze hunne orde bedoelden; het verwart
ook de kerk als lichaam van Christus met de kerk als instituut, zooals
ook Ritschl doet, als hij beweert, dat Calvijn de kerk stelt boven de
heilsorde, Rechtf. u. Vers. I² 216. Maar het vertolkt toch eene ware
gedachte; het verbond der genade komt niet door de heilsorde tot
stand maar gaat eraan vooraf. Ten tweede zijn wedergeboorte, geloof,
bekeering geen voorbereidingen, die buiten Christus en het verbond
der genade omgaan en den mensch eerst tot Christus heenleiden. Maar
het zijn weldaden, die reeds uit het verbond der genade, uit de unio
mystica, uit de schenking van den persoon van Christus voortvloeien. De
H. Geest, die de auteur dezer weldaden is, is door Christus voor de
zijnen verworven; de toerekening van Christus gaat dus aan de gave des
Geestes vooraf. Wedergeboorte, bekeering, geloof leiden niet eerst naar
Christus henen, maar zijn uit Hem herkomstig. Ten derde nemen geloof
en rechtvaardigmaking in de Geref. heilsorde niet die centrale plaats
in, welke door de Lutherschen eraan toegekend wordt. Want het geloof
brengt op geenerlei manier de weldaad der vergeving tot stand, maar
neemt ze alleen uit Christus aan. De nadruk valt niet op het subject en
zijne ervaringen, maar op het objectieve werk van Christus. Het geloof
zelf is maar een schakel in de lange keten des heils. Het wortelt in
de verkiezing, het is een weldaad van het genadeverbond, het is eene
gave van Christus, het is eene vrucht der wedergeboorte, het is zelfs
als habitus in de kinderen des verbonds en blijft in beginsel ook bij de
geloovigen in hun vallen en struikelen aanwezig, het wordt zelfs bij
hen, die op later leeftijd worden toegebracht, niet magisch gewerkt maar
veeleer door allerlei leidingen des levens voorbereid; de bijzondere
genade sluit bij de algemeene genade in de natuur zich aan. Ten vierde,
dit geloof brengt de zekerheid der zaligheid mede, want deze ligt
onwankelbaar vast in den raad Gods, in den persoon van Christus, in
het verbond der genade. En wijl de heiligmaking evengoed eene weldaad
is van Christus als de rechtvaardigmaking, wijl de goede werken, in
welke de geloovigen wandelen moeten, door God in Christus voorbereid
zijn, kan het geloof bij de vergeving der zonden niet blijven staan, maar
strekt het zich ook uit naar de volmaaktheid, die in Christus is, zoekt
het zich uit de goede werken als zijne vruchten te bevestigen en te
versterken, gordt het aan met den moed en de kracht, om niet alleen
met Christus in verborgen gemeenschap te leven, maar ook onder Hem als
koning tegen zonde, wereld en vleesch op alle terrein te strijden en
alles dienstbaar te maken aan de eere van Gods naam.
8. Maar naast deze voorstellingen van de heilsorde kwamen nog vele
andere. Het mysticisme, dat altijd en overal, in Indië en Arabië, onder
Joden en Grieken, bij Roomschen en Protestanten eenzelfde karakter
vertoont, laat al het objectieve en uitwendige terugtreden bij het
inwendige heilsproces. Het rekent daarom in het Christendom weinig
met de H. Schrift, den Christus voor ons, voldoening, toegerekende
gerechtigheid, rechtvaardigmaking, kerk, sacramenten enz., maar legt
alle gewicht op de inwendige genade, verlichting, wedergeboorte,
Christus in ons, ingestorte gerechtigheid, vernieuwing des H. Geestes
enz. Langs drie trappen zoekt het de volmaaktheid te bereiken: καθαρσις
(via purgativa, ascese), φωτισμος (via illuminativa, meditatio) en
ἐποπτεια (via contemplativa, exstase). Als de ziel n.l. door ascese
van heel de wereld zich afgetrokken en door meditatie zich geheel op
één punt saamgetrokken heeft, dan wordt zij de aanschouwing Gods, de
vergoddelijking, de transformatie in Christus enz. deelachtig, dan
verliest zij zich en zinkt weg in God, cf. Zeller, Philos. d. Gr. V
599 f. Voetius, Exerc. pietatis 56 sq. Hollaz, Ex. theol. 208. 796.
821. Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 52 f., en verdere litt. bij Herzog²
15, 487-504. Vlak daartegenover staat het rationalisme, dat door
Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd en in de 18e eeuw de
geesten beheerschte. Het ziet in Christus niet meer dan een profeet
en leeraar, die de waarheid Gods verkondigd en met zijn leven en dood
bezegeld heeft; door Hem na te volgen, wordt de wel door de zonde
verzwakte maar niet machtelooze mensch de zaligheid deelachtig. De
roeping, welke in het evangelie tot hem komt, oefent daarom op zijn
verstand en wil slechts een zedelijken invloed uit. Als de mensch uit
eigen, vrije keuze aan die roeping gehoor geeft, de waarheid toestemt,
op Gods genade vertrouwt en Christus’ geboden volbrengt--want in
assensus, fiducia en obedientia bestaat het wezen des geloofs--dan
wordt hij om dit geloof, dat in beginsel de gansche gehoorzaamheid
insluit en door God reeds uit genade, om Christus’ wil voor volkomen
gehoorzaamheid gerekend wordt, gerechtvaardigd en bij volharding de
eeuwige zaligheid deelachtig, cf. Fock, der Socin. 651-689. Conf.
Rem. en Apol. Conf. VII. Limborch, Theol. Chr. IV 11 sq. V 8 sq. VI 4
sq. Wegscheider, Inst. theol. § 146 sq. Bretschneider, Dogm. § 177 f.
Knapp, Glaub. II 323 f. 382 f. Reinhard, Dogm. § 130.
Op dezelfde wijze als mysticisme en rationalisme, staan in de heilsorde
antinomianisme en neonomianisme tegenover elkander. Het antinomianisme
is in het algemeen die richting, welke in de eerste plaats de
toepassing des heils geheel en al terugbrengt tot en vereenzelvigt
met de verwerving des heils. Christus n.l. heeft alles volbracht,
Hij heeft niet alleen onze schuld maar zelfs de smet der zonde van
ons overgenomen, Hij heeft niet alleen de gerechtigheid maar ook
wedergeboorte en heiligmaking voor ons verworven; voor den mensch
blijft dus niets te doen over; berouw, bekeering, boete, gebed om
vergeving, het doen van goede werken, het is alles onnoodig, draagt een
wettisch karakter en doet te kort aan de volmaaktheid der offerande
van Christus. De mensch behoeft alleen te gelooven, d. i. tot het
inzicht te komen, dat hij gerechtvaardigd, wedergeboren, geheiligd is,
dat hij volmaakt is in Christus; de zonden, die hij dan nog doet, zijn
geen zonden meer, zij zijn werken van den ouden mensch, die den geloovige
als zoodanig niet meer aangaan, want deze is volmaakt in Christus,
is van de wet bevrijd en roemt in de genade. Gewoonlijk blijft het
antinomianisme hierbij echter niet staan maar doet nog een stap verder
terug; het herleidt eerst de toepassing des heils tot de verwerving en
dan deze weder tot het besluit Gods. Ook Christus heeft de zaligheid
niet verworven, want deze lag eeuwig in Gods besluit gereed, maar Hij
heeft alleen Gods liefde geopenbaard; gelooven is daarom niets anders
dan den waan afleggen, dat God op ons toornt; zonde bestaat alleen in
dien waan. Dergelijke gevoelens werden oudtijds door de Gnostieken, in
de Middeleeuwen door vele libertinistische secten verkondigd en vonden
in de Geref. kerk ingang bij de Hattemisten en Hebreën, cf. Hulsius,
De hedendaagsche Antinomianerye, 2e dr. 1738. Fruytier, Klaer en kort
vertoog van de valsheit en gedeformeertheit van het gevoelen der
sogen. Hebreën 1697. M. Leydecker, Hist. en Godg. Oefeningen over de
oorsprong, voortgang en gevoelens v. d. oude en nieuwe Antin. 1700.
Ypey, Gesch. d. chr. Kerk in de 18e E. VII 290v. J. van Leeuwen in
Ned. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 1848 bl. 57-169. van Manen in Gids,
Sept. Oct. 1885. Het is te begrijpen, dat dit antinomianisme juist
in de Geref. kerk zooveel ingang vond; de Geref. heilsorde toont er
onmiskenbaar verwantschap mede. Reeds van de Reformatie af aan hadden
velen, wijl remissio peccatorum fide non efficitur sed accipitur, de
rechtvaardigmaking of de vergeving der zonden vóór het geloof geplaatst
en het wezen des geloofs als cognitio, certitudo omschreven, Luther
bij Köstlin, Luthers Theol. I 223. Melanchton bij Ritschl, Rechtf. u.
Vers. I² 197. Calvijn, Inst. III 2, 7. 14. Hyperius, Meth. Theol.
1574 p. 205. Ursinus op vr. 21 Heid. Cat. Olevianus, Verklaring der
Apost. geloofsbel. 2e dr. Doesburg 1868 bl. 131. 261. 418. 462 en
zoo verder Pareus, Tossanus, Piscator, Twissus e. a. Vooral werd
dit gevoelen in Engeland tegenover het veldwinnend neonomisme met
klaarheid ontwikkeld door de zoogenaamde antinomianen, maar die beter
als antineonomianen worden aangeduid, John Eaton, The honeycombe
of free justification bij Christ alone, London 1642. William Eyre,
Vindiciae justificationis gratuitae 1654. Tobias Crisp, Christ alone
exalted 1643. John Saltmarsh, Free grace 1645. Samuel Crisp, Christ.
made sin 1691. Thomas Tully, Justificatio paulina sine operibus 1674.
Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id. Alexipharmacon, a fresh
antidote against neonomian bane 1700, cf. Witsius, Misc. Sacra II 753
sq. Hoornbeek, Summa Contr. 1653 p. 701. Pfaff, Hist. theol. litt. 257
sq. Walch, Bibl. theol. sel. II 1069. Id. Einl. in die Religionsstr.
auss. d. luth. K. III 999. Hier te lande werd deze opvatting van de
rechtvaardigmaking als voorafgaande aan het geloof, hetzij dan in het
besluit Gods of in de opstanding van Christus of in de belofte des
evangelies of in de inwendige roeping, en dienovereenkomstig ook de
opvatting van het geloof als cognitio en certitudo verdedigd door
Trigland, Antapol. 314. Maccovius, Loci c. 69-72. Coll. theol. p. 128.
Loc. Comm. Disp. 1641 p. 309. Voetius, Disp. II 453 sq. V 277 sq.
Hoornbeek, Summa Contr. 705, en vooral in de 18e eeuw door Holtius,
Rechtv. door het geloof 1750. Comrie, Heid. Cat. vr. 21. Id. Brief over
de rechtv. des zondaars door de onmidd. toerekening der gerecht, van
Christus, nieuwe uitg. Utrecht 1889. Ex. v. h. Ontw. v. Tol., voorrede
voor de 7e Samenspraak. Walch. art. 3. Brahe, Aanm. over de vijf Walch.
art. 1758 bl. 60v. Godgeleerde stellingen over de leer der rechtv. des
zondaars voor God, opgesteld door J. J. Brahe, nieuwe uitgave door A.
Capadose, Amst. 1833, cf. ook Hartmann, Huisbijbel op Rom. 4:5. van
Thuynen, Korte Uitlegging van het Geref. geloof 1722. Vrolikhert, Twee
Godg. verh. over werkverbond en toerekening van Christus’ dad. gehoorz.
en over den aard en het wezen des geloofs 1732. B. S. Cremer, Summa
theol. supran. 1730. Id. Evang. Geloofsketen der waarheid 1740. Maar
lang niet allen konden zich in deze voorstelling vinden. Tegenover haar
stond eene andere beschrijving der heilsorde, welke als neonomiaansche
kan aangeduid worden en wederom in eene meer rationalistische en in
eene meer pietistische te onderscheiden is. Eerstgenoemde richting
wortelt principieel reeds in de leer van Piscator, dat de actieve
gehoorzaamheid van Christus niet tot de voldoening behoort, en werd
weldra van groote beteekenis en invloed door de school van Saumur.
Camero leerde aldaar, dat de wil altijd het verstand volgt en dat daarom
ter bekeering verlichting des verstands genoegzaam is. Amyraldus maakte
de objectieve genade universeel. Pajon achtte eene inwendige genade
onnoodig en liet de efficacia der roeping, op de wijze van Bellarminus,
afhangen van hare congruiteit met de omstandigheden, waarin zij tot
iemand komt. Gevolg daarvan was, dat natuurlijke onmacht, werkverbond,
onmiddellijke toerekening van Adams zonde en van Christus’ gerechtigheid
enz. ontkend, het geloof met de werken saamgevoegd en zoo als middel
of grond der rechtvaardigmaking opgevat werd. Dit geschiedde o. a.
in Engeland door George Bull, Harmonia apostolica 1670, die wel
door velen bestreden maar door Morus, Glanville, Whitby, Tillotson,
Cave enz. verdedigd werd, M. Vitringa III 296; in Schotland door de
Anti-Marrowmen Simson, Hadow e. a., boven bl. 395; in Amerika door de
volgelingen van Jonathan Edwards, boven bl. 127; en hier te lande door
Vlak, die in zijn Eeuwig Evangelie 1684 eene rechtvaardiging leerde uit
de werken des geloofs, door van den Os 1740, die het geloof omschreef
als vertrouwen op Christus en gehoorzaamheid aan zijne geboden, door
J. van den Honert, Verh. van de rechtv. des sondaers uyt en door het
geloof, en J. J. Schultens, Uitv. Waarschuwing op verscheiden stukken
der Kategismusverklaaringe van Al. Comrie 1755 en (Petrus Boddaert),
Wolk van getuigen voor de leer de rechtv. door en uit het geloove,
verzameld bij gelegenheid van het in ’t licht geven der Aanm. over de
vijf Walch. art. door J. J. Brahe, die allen de onmiddellijke toerekening
ontkenden en het geloof plaatsten vóór de rechtvaardigmaking, door
Kleman, die in zijne Orde des heils 1774 een zoodanig door Gods wijsheid
en goedheid gelegd verband tusschen ’s menschen zedelijke handelingen en
de bovennatuurlijke mededeeling des geloofs aannam, dat allen die een
behoorlijk gebruik maken van hunne natuurkrachten, zeker staat kunnen
maken op de verkrijging der bovennatuurlijke genade enz.
9. Maar het neonomanisme trad ook op in een pietistischen vorm en
maakte dan wel niet geloof en gehoorzaamheid maar toch geloof en
bevinding tot conditie der rechtvaardigmaking. Van den beginne af was
er in de Geref. kerk en theologie eene practische richting, die wars
was van alle scholastiek en allen nadruk legde op het leven. Zij werd
vooral gesteund en bevorderd door den wijsgeer Petrus Ramus, die een
sterk bestrijder van Aristoteles was, in de philosophie meer eenvoud
verlangde en de theologie omschreef als doctrina bene vivendi, wier
doel niet is notitia rerum sed usus et exercitatio, cf. Tideman, in
Stud. en Bijdr. op het gebied der hist. Theol. door Moll en de Hoop
Scheffer III 1876 bl. 389-429. Deze opvatting vond bij vele Geref.
theologen ingang, te Strassburg bij Sturm, te Heidelberg bij Tremellius,
te Herborn bij Piscator, in Nederland bij Snellius, Scaliger, Jac.
Alting, te Cambridge bij Perkins, wiens leerling Amesius, later in
Franeker hoogleeraar naast Maccovius, de theologie ook omschreef als
doctrina Deo vivendi, studium pietatis, zetelend in den wil, cf. Dr.
H. Visscher, Guil. Amesius, Haarlem 1894. Zoo kwam er eene practicale,
pietistische richting, in Engeland bijv. vertegenwoordigd door R.
Baxter, A call to the unconverted 1669, Daniel Williams, Gospel truth
stated and vindicated 1692, B. Woodbridge, The method of grace in
the justification of sinners 1656 en vele practicale schrijvers, en
hier te lande voorgestaan door vele theologen en predikers, Witsius,
Vitringa, Lampe, Mel, d’Outrein, Brakel, Hellenbroek, Smytegelt,
Francken, Groenewegen, Borstius, van der Groe, Eswijler, Schortinghuis
enz., cf. Heppe, Gesch. d. Piet. u. d. Mystik in der ref. K. Leiden
1879. Göbel, Gesch. d. chr. Lebens in der rh.-westph. ev. K. 3 Bde
1849-1860. Ritschl, Gesch. des Pietismus, I in der ref. K. 1880.
Naarmate de toestanden in de kerk droeviger werden en eene doode
orthodoxie de overhand nam, legden deze schrijvers allen nadruk op de
noodzakelijkheid eener waarachtige bekeering. Geboorte uit geloovige
ouders, lidmaatschap der kerk, doop, avondmaal, rechtzinnig geloof was
niet genoeg. Men moest het waarachtig, zaligmakend geloof deelachtig
zijn, dat een geheel ander karakter droeg dan het tijd- en het wonder-
en het historisch geloof. Het waarachtig geloof ontstaat niet, dan
nadat schrik voor de wet, vreeze voor het oordeel, angst over de zonde
zijn voorafgegaan. Het wezen des geloofs is ook geen toestemming of
overtuiging maar bestaat veelmeer in vertrouwen dan in kennis; het
zetelt meer in het hart en den wil dan in het verstand. En het is niet
terstond certitudo, zekerheid; neen, er moet, gelijk Gomarus, Op. I 654
sq. al gezegd had, onderscheid gemaakt tusschen een toevluchtnemend en
een verzekerd vertrouwen; het eerste maakt alleen het wezen des geloofs
uit, het tweede behoort tot het welwezen en kan er veel later aan
toegevoegd worden. Dat geloof als toevluchtnemend vertrouwen, bestaande
in een hongeren en dorsten naar Christus en zijne gerechtigheid, is
eene conditie, welke aan de rechtvaardiging voorafgaat; het vertrouwt
zich aan Christus toe, ten einde gerechtvaardigd te worden; als
het de gerechtigheid van Christus heeft aangenomen, dan gaat het
daarmede tot God den Vader, wijst Hem op zijne beloften en wordt door
Hem gerechtvaardigd. Het gaat dus zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk
niet toe, als velen meenen; het evangelie is niet voor alle menschen,
het aanbod des heils is niet algemeen, de wet is voor allen, maar
het evangelie is alleen voor zekere „behoedanigde” zondaars, voor
aanvankelijk begenadigden. Niemand mag gelooven, dan wie daartoe
eerst van den H. Geest de vrijmoedigheid ontvangen heeft; men hoede
zich voor een ingebeeld en voor een gestolen geloof! Daarom blijft
voortdurende zelfbeproeving noodig; men kan zich zoo licht bedriegen;
het onderscheid is zoo fijn tusschen den wedergeborene op zijn slechtst
en den onwedergeborene op zijn best; er is zooveel gelijkheid tusschen
valsche en ware genade. Altijd heeft de geloovige dus weder zichzelf
te beproeven en te toetsen aan de kenteekenen van het geestelijk
leven; de weg des heils is een smalle, nauwe weg, waarlangs zelfs
de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden. Ook is het een lange weg.
Van het toevluchtnemend tot het verzekerd vertrouwen is een groote
afstand; daartusschen bewegen zich vele klassen en groepen van
menschen, ontdekten, overtuigden, bekommerden, heilbegeerigen, klein-
en zwakgeloovigen enz. De verzegeling en verzekering volgt in den
regel eerst na langen tijd van twijfel en strijd, en komt dan menigmaal
op buitengewone wijze, door eene stem, een gezicht, een plotseling
invallend troostwoord der Schrift enz. tot stand. Aan dit pietisme in
de Geref. kerk is het Luthersche verwant, dat door Musaeus, Arnd enz.,
en ook door Geref. schrijvers, als Baxter, Dyke, Bayle e. a. voorbereid
was en dan door Spener 1635-1705 eene machtige beweging werd en eene
groote uitbreiding verkreeg. Door prediking, tucht, collegia pietatis
en vele geschriften zooals Pia desideria oder herzliches Verlangen
nach gottgefälliger Besserung der wahren christlichen Kirche 1675
trad Spener op tegen de doode orthodoxie. Hij wilde terugkeer tot de
in den doop ontvangen maar later verloren genade der wedergeboorte.
Historisch geloof is ongenoegzaam; er is een levend, werkzaam geloof
noodig voor de zaligheid. En dit geloof krijgt men eerst, als men
zijne zonden leert kennen door de prediking der wet, en eene lange,
bange worsteling heeft gehad met duivel, wereld en vleesch, zelfs tot
vertwijfeling toe (Busskampf); dan komt daaruit het waarachtig geloof
tot Durchbruch. Dit geloof bestaat daarom niet alleen in toestemming,
maar in vertrouwen; het is eene ervaring, eene bevinding des harten,
een leven der ziel. En als zoodanig is het ook eerst een middel ter
rechtvaardiging, om dan daarna zich te openbaren in een heilig, van de
wereld onderscheiden, zelfs van de adiaphora zich onthoudend leven. Cf.
Walch, Hist. u. theol. Einl. in die Religionsstreit. der ev. luth. K.
II 239-436. Ritschl, Gesch. d. Pietismus II 1884. Riggenbach, Herzog²
11, 672 en de daar aangehaalde litt. In dit pietisme werd Zinzendorf
1700-1760 opgevoed, en hij bleef er eenstemmig mede in afkeer van de
doode orthodoxie; maar het pietisme was hem toch te wettisch. Schrik
voor de wet en angst over de zonde, schoon niet verkeerd en soms eene
voorbereidende kracht hebbende, zijn toch het ware niet. Ware boete,
ofschoon het woord boete minder juist is, wijl het aan straf doet
denken, komt voort uit het evangelie, uit de prediking van den lijdenden
Christus. Zij bestaat niet zoozeer in angst en strijd, in klagen en
weenen, maar in vertrouwen op Gods genade. Zij is eene zaak van het
hart, van het gevoel. Daarom moet het hart gevoelig gemaakt worden,
en dat geschiedt het best door de levendige schildering van Christus’
lijdensgestalte, van zijn bloed en wonden. Daardoor als door onmiddellijke
aanschouwing, door een diepen, levendigen indruk, door een Wundenblick,
wordt in het hart het geloof geboren, zonder dat men een Busskampf
doorgemaakt heeft of nauwkeurig het uur van zijn wedergeboorte weet. Dat
geloof brengt een unie, een verloving, een huwelijk tusschen Christus en
de ziel tot stand, doet het hart in de genade, d. i. in Jezus’ bloed
zwemmen als in zijn element, en doet den geloovige steeds leven in de
liebe Nähe van den Heiland. Het rechtvaardigt en wederbaart tegelijk;
geloof en liefde vallen saam; meer dan de objectieve rechtvaardiging
is de dynamische Geestesmeedeeling, de geboorte uit Jezus’ zijde van
waarde. Uit Hem geboren, leven de geloovigen zonder pietistische
angstvalligheid in zijne nabijheid, doen alles in zijn naam, stellen
alles, ook het huiselijk en maatschappelijk leven, onder zijn regiment, en
leiden een opgeruimd, christelijk leven, cf. Plitt, Zinzendorfs Theol.
I 301-453 II 242-420 III 45-215. Spangenberg, Idea fidei fratrum 1778.
Becker in Herzog² 17, 513. Ritschl, Gesch. d. Pietismus III 1886. Wat
het pietisme was voor de Luthersche, werd later het methodisme van
Wesley 1703-1791 en Whitefield 1714-1771 voor de Geref. kerk. Het wilde
oorspronkelijk niets anders dan de slapende kerk wakker schudden en de
rechtzinnige Christenheid bezielen met een nieuw leven. Daartoe moesten
allereerst door eene aangrijpende prediking van gerechtigheid, zonde,
oordeel, verdoemenis de menschen plotseling tot een diep besef van hun
verloren toestand gebracht; dan in hetzelfde oogenblik, zonder uitstel,
door het geloof tot Christus geleid en van hun zaligheid verzekerd;
en daarna tot een nieuw, in den dienst van het koninkrijk Gods
werkzaam, aan zending en philanthropie zich toewijdend, van allerlei
middelmatige dingen zich onthoudend, zondeloos leven aangespoord
worden. Het methodisme verraadt, in onderscheiding van het pietisme,
duidelijk zijn engelschen oorsprong en gereformeerde herkomst. Het is wel
evenzeer eene reactie tegen de doode orthodoxie; maar het wil van geen
voorbereiding, van geen geleidelijken voortgang der bekeering weten; het
heeft geen langdurigen Busskampf, geen eindelijk intredenden Durchbruch,
geen later volgende Versiegelung; het trekt alles op één punt saam,
plaatst de bekeering in het volle licht des bewustzijns, en houdt boek
van de geredde zielen. En als het de menschen bekeerd heeft, verzamelt
het hen niet in stille, teruggetrokken kringen, in gezelschappen en
conventikels, om daar de vroomheid aan te kweeken; maar het organiseert
hen tot een leger, dat aanvallenderwijze te werk gaat, vol vuur de wijde
wereld intrekt en ze stormenderhand voor Christus verovert, cf. Schaff,
Creeds I 882 III 807. Schoell in Herzog² 9, 681. Schneckenburger, Vorl.
über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 d.
103-151. Lecky, Entstehungsgesch. u. Charakt. der Methodismus, aus d.
Engl. Leipzig 1880. Kolde, Der Methodismus und seine Bekämpfung, Erl.
1886. Id. Die Heilsarmee, Erl. 1885.
10. Ook in de nieuwere theologie loopen de beschrijvingen der heilsorde
verre uiteen. Kant kwam door zijne leer van het radikal Böse tot de
erkentenis, dat er bij den mensch eene neue Schöpfung plaats hebben
moest, Religion ed. Rosenkranz 54. Desniettemin ziet hij in de bekeering
een werk van den mensch; besluit, evenals Pelagius met zijn si debet,
potest, uit het du sollst tot het du kannst; en wekt elk op, om te doen
wat in zijn vermogen is om een beter mensch te worden en dan voorts te
hopen op höhere Mitwirkung, ib. 58. 59. Al is het nu, dat die bekeering
op aarde onvolkomen blijft, God rekent de gezindheid voor de daad en
rechtvaardigt ons uit genade. Ook boet de mensch na zijne bekeering nog
altijd voor de zonden, die hij vroeger bedreven heeft, neemt de smart en
straf daarvoor vrijwillig op zich, en maakt zich ook alzoo de vergeving
waardig, ib. 82. 86 f. Nog sterker dan door Kant werd het bederf der
menschelijke natuur door Schopenhauer geleerd; ook hij zeide daarom,
dat, om den mensch radikaal te verbeteren, verheldering van het hoofd,
ontwikkeling van het verstand geheel onvoldoende was, dat er eene
wedergeboorte moest plaats hebben van de kern van zijn wezen, omdat
operari sequitur esse, Die Welt I⁶ 477 f. II⁶ 692 f. Maar hij buigt
zelf ook weer van deze lijn zijner gedachten af en zoekt de verlossing
van het lijden ten deele in kunst en philosophie maar vooral daarin,
dat de mensch in het licht der kennis het gansche ellendige leven
laat werken als een quietief voor den wil, den wil verneine en alzoo
inga in het nirwana, waar de wil volkomen uitgebluscht is, ib. I 448
f. Hierin kwam Schopenhauer met Schelling overeen, wiens negatieve
philosophie daarmede eindigde, dat de zaligheid bereikbaar is, niet
langs het pad der deugd en de onderhouding der wet, maar alleen in
den weg van het „beschauliche” leven, Werke I 8 S. 235 f. II 1 S. 554
f., maar die toch in zijne positieve philosophie het uitsprak, dat de
mensch de rechtvaardiging en zaligheid alleen deelachtig wordt door
de religie, door de gemeenschap met den opgestanen Christus, denn
Person sucht Person, ib. 566 f. II 4 S. 217 f. En zoo ook zoekt von
Hartmann de zaligheid niet in kunst, philosophie, religie maar in
het eenmaal door de menschheid te nemen besluit, om het willen te
vernietigen, in de Universalwillensverneinung, Philos. d. Unb. II⁹
400 f. Bij Hegel is de verzoening een proces in het Goddelijk wezen
zelf. De mensch is wezenlijk één met God, maar hij weet het niet. Zijn en
bewustzijn zijn gedeeld, de mensch is voor zichzelf een vreemde. Maar
Christus is de eerste geweest, die zich zijn Goddelijk wezen, zijn één-zijn
met God bewust werd. En wie evenals Christus, in zijne gemeenschap,
die eenheid inziet en erkent, die is verzoend. Het komt hierbij op de
gezindheid aan; de daad blijft nog lang achter die gezindheid terug
maar deze onvolkomenheid is een verdwijnend moment en telt daarom bij
de verzoening heel niet mede, Philos. d. Rel., Werke XII 266 f. In
overeenstemming met deze philosophie van Hegel leert de theologie der
modernen, dat God en mensch, genade en wil in het werk der bekeering
geen tegenstelling vormen, maar dat de bekeering tegelijk en geheel eene
daad is van beide. De genade valt n.l. feitelijk met de voorzienigheid
Gods saam, werkt alleen ethisch en paedagogisch, kweekt en versterkt
zelve in de religieuse gemeenschap de vatbaarheid voor het heil
(facultas se applicandi ad gratiam). Op den duur zal zij dan ook alle
menschen brengen tot het heil en allen tegenstand overwinnen. De mensch
heeft ook in eigenlijken zin geen wedergeboorte van noode; alleen kan
de bekeering zoo heeten, als zij van Gods zijde beschouwd wordt. Die
bekeering bestaat zelve in boete, d. i. berouw over de verledene
zonden, gezindheid om de straf ervoor gewillig te dragen en voortaan
het leven te beteren, en in geloof, d. i. vertrouwen op de genade Gods
in Christus. Als de mensch zich zoo bekeert, dan wordt hij daarin ook
terstond gerechtvaardigd. De rechtvaardiging n.l. is geen transcendente
daad Gods maar niets anders dan de wegneming van het schuldbewustzijn,
verandering in het bewustzijn van de verhouding tot God, opheffing
van de tweespalt tusschen het natuurlijk ik en zijne bestemming. In
de bekeering toch is de mensch aanvankelijk vernieuwd en draagt als
zoodanig den waarborg der volmaking in zich, gelijk in het zaad de
plant schuilt en in het kind de man. Cf. Strauss, Chr. Gl. II 362 f.
463. 492-497. Biedermann, Chr. Dogm. § 847-911. Schweizer, Chr. Gl. §
138-164. Lang, Versuch einer chr. Dogm. § 19-25. Pfleiderer, Grundriss
§ 170. Scholten, L. H. K. II 76v. 109v. Initia c. 5.
Meer in schijn dan in waarheid verschilt van deze heilsorde de
voorstelling, welke Schleiermacher ervan geeft. Nadat Christus, zoo
zegt hij, ingegaan is in onze gemeenschap van zonde en ellende, heeft
Hij de kracht en de roeping, om ons op te nemen in zijne gemeenschap van
heiligheid en zaligheid. Dat geschiedt door wedergeboorte en heiliging.
De wedergeboorte bestaat in bekeering en rechtvaardiging, welke beide
een en hetzelfde zijn, de eene maal van onze, de andere maal van Gods
zijde bezien. Bij de bekeering, die weder twee deelen heeft: boete en
geloof, is de mensch niet medewerkend en ook niet geheel passief
maar receptief (in den zin van Melanchtons facultas se applicandi ad
gratiam), zoodat dan ook de gansche menschheid eens voor de genade
rijp en de zaligheid deelachtig wordt. De rechtvaardiging is die daad
Gods, waardoor de mensch in de gemeenschap met Christus wordt gesteld;
zij bestaat negatief in vergeving, d. i. veroordeeling van het oude,
en positief in adoptie, d. i. opwekking van een nieuw leven; en laat,
als keerzijde van de bekeering, de vergeving feitelijk gescheiden, omdat
en in zoover de mensch in de gemeenschap van Christus een nieuw leven
deelachtig is. De Vermittelungstheologen hebben wel aan den persoon van
Christus en aan de werkzaamheid des H. Geestes eene breedere plaats in
de dogmatiek toegekend; maar in de heilsorde zijn zij toch de gedachten
van Schleiermacher niet geheel te boven gekomen. Ten eerste schrijven
zij bijna allen aan den mensch de kracht toe, om de genade aan te nemen
of te verwerpen, hetzij die kracht afkomstig is uit de schepping
of voorzienigheid Gods, of uit de in doop of roeping geschonken
gratia praeparans, cf. deel II 343. En ten andere corrigeeren zij
Schleiermacher wel in zooverre, dat zij de rechtvaardiging houden voor
eene objectieve daad Gods, maar zij laten haar toch allen geschieden op
grond, niet van de toegerekende maar van de ingestorte gerechtigheid
van Christus, zoodat zij niet alleen eene rechterlijke maar ook eene
meedeelende, heiligende daad Gods en eene προληψις op de toekomst
leeren, cf. b.v. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung der chr. K.⁵
551 f. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 146. 147. Martensen, Chr. Dogm. §
230. 231. Lange, Chr. Dogm. II § 95. Ebrard, Dogm. § 443. Schöberlein,
Prinzip u. Syst. d. Dogm. 652 enz.; ook Beck, Chr. Lehrwiss. I 522 f.
533 f. Chr. Glaub. II 595 f., cf. Die Rechtfertigungslehre der Prof.
d. Theol. Joh. Tob. Beck, O. F. Myrberg und A. W. Ingman, geprüft u.
beleuchtet von mehreren evang. Theologen u. von E. T. Gestrin, Berlin
1892; en zelfs Hengstenberg in de Ev. Kirchenz. van 1866 en 1867, die
zich voor zijn gevoelen op den brief van Jakobus en ook op Luk. 7:36v.
beriep, cf. Bew. d. Gl. 1868 S. 381 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 644
f.
Tegenover deze op het subject gebouwde rechtvaardiging ging Ritschl
weer naar den persoon van Christus terug en zocht in zijn werk den grond
der vergeving. Wel niet in dien zin, dat zij door Christus verworven
was en in eene verandering van Gods gezindheid bestond, want God is
eeuwige liefde en straffende gerechtigheid is er bij Hem niet. Maar
Christus heeft door zijn volmaakte beroepstrouw, door zijn onafgebroken
gemeenschap met God, door zijne volkomene overgave aan Gods wil toch
verkondigd en bewezen, dat God liefde is, dat Hij niet toornt of straft
maar vergeeft. Dit nu was noodig, niet omdat God ver van de menschheid,
maar omdat de menschheid, door hare zonde, welke eigenlijk onwetendheid,
geen objectieve schuld maar subjectief schuldbewustzijn is, verre is van
God. Daarom heeft Christus tot in den dood toe Gods liefde verkondigd
en, Gods doel met de menschheid tot het zijne makende, een rijk Gods,
eene gemeente gesticht, in welke Hij dat bewustzijn heeft overgeplant,
dat God liefde is en de zonde vergeeft, en dat zij, zonder dat hare
zonde haar behoeft te hinderen, in de gemeenschap met God leven kan.
De rechtvaardiging is daarom bij Ritschl een synthetisch oordeel, niet
op grond van de goede werken uitgesproken maar aan die goede werken
voorafgaande; eerst moet toch bij den mensch de vreeze voor God als
den rechter plaats maken voor het bewustzijn van zijne gemeenschap,
eer hij goede werken doen en zijne zedelijke roeping vervullen kan.
Voorts is die rechtvaardiging ook geen uitspraak over, geen ervaring
van den individueelen geloovige, maar zij is een goed der gemeente,
die weet trots hare zonde in gemeenschap met God te staan; zij valt
met de stichting der gemeente zelve saam, Rechtf. u. Vers.² III
26-131. Kaftan, Dogm. 493 f. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. § 52.
De bijzondere personen worden deze weldaad der rechtvaardiging alleen
deelachtig, door zich aan te sluiten bij de gemeente en ze zich toe te
eigenen in het geloof. Dat geloof is vrij, Rechtf. u. Vers. III 536; de
verkiezing heeft ook niet individueele menschen maar de gemeente tot
object, ib. III 114. Dat geloof wordt ook niet magisch gewerkt, maar
de opvoeding is de gewone vorm, waarin iemand tot het geloof komt, III
555. Het bestaat wezenlijk in vertrouwen, is onafhankelijk van historisch
onderzoek en zijn resultaten en berust op een diepen indruk, die door de
zedelijke grootheid van Jezus op het onbevangen gemoed wordt gemaakt,
cf. deel I 453. Door dat geloof krijgt de mensch een ander oordeel over
God, zichzelven, de wereld; hij leert God kennen als liefde, weet, dat
zijne zonde geene verhindering meer is voor de gemeenschap met God,
acht rampen en onheilen geen straffen meer maar heerscht geestelijk
over alle dingen; in één woord, zijn schuldbewustzijn is weggenomen en
daarin bestaat zijne rechtvaardiging, Rechtf. u. Vers. III 38 f. Gevolg
van deze rechtvaardiging is de verzoening, het afleggen der vijandschap
jegens God op grond van die rechtvaardiging, ib. III 74-76. En met die
rechtvaardiging en verzoening is wezenlijk de wedergeboorte identisch,
want deze bestaat niet in eene hyperphysische verandering, maar in eene
verandering van stemming en gezindheid, ib. III 557. 562.
11. Door de heilsorde, ordo of via salutis, is te verstaan de wijze
waarop, of de weg waarlangs de zondaar in het bezit komt van de
weldaden der genade, die door Christus verworven zijn. In de dogmatiek
kreeg zij eerst laat eene zelfstandige plaats en eene eenigszins
geregelde behandeling. Bij de scholastici is de stof voor dezen locus
nog verspreid; het voornaamste, dat hier ter sprake komt, is te
vinden in de commentaren op Sent. II dist. 26-29, III dist. 25-27 en
Summa II 1 qu. 109-114. Het Tridentinum behandelt al de op de genade
betrekking hebbende onderwerpen onder den titel de justificatione,
sess. VI. De Roomsche theologen vatten de stof gewoonlijk saam in
een locus de gratia en brengen daarin achtereenvolgens ter sprake
de gratia actualis (natura, necessitas, gratuitas; sufficientia,
efficacia enz.), de gratia habitualis (justincatio) en de fructus
gratiae (meritum). De Hervorming was oorzaak, dat deze locus veel
breeder dan vroeger behandeld werd; zij zelve sprak daarin eerst wel
alleen de poenitentia, de fide en de bonis operibus, maar breidde
allengs het aantal onderwerpen uit en handelde achtereenvolgens de
vocatione, de illuminatione, de regeneratione, de conversione, de
fide, de justificatione enz. Natuurlijk werd toen spoedig de behoefte
gevoeld, om deze uitgebreide, rijke stof weer onder één hoofd saam te
brengen. Calvijn ging daarin reeds voor en gaf aan het derde boek zijner
Institutie den titel: de modo percipiendae Christi gratiae, et qui
inde fructus nobis proveniant et qui effectus consequantur. Anderen
spreken van de gratia Sp. S. applicatrix (Quenstedt), σωτηριοποιια
seu salutis consequendae modus (Calovius), redemptionis applicatio
(Mastricht), ordo salutis seu salutis impetrandae modus (Reinhard) enz.
Deze heilsorde heeft nu te worstelen met eene eigenaardige moeilijkheid.
Eenerzijds toch is alles door Christus volbracht, de zonde verzoend,
de wet vervuld, de dood overwonnen, Satan onderworpen, de vergeving
verworven, het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Men
zou verwachten, dat zij, voor wie Christus gestorven is, terstond en
volkomen van zonde, lijden, dood bevrijd en de heiligheid en zaligheid
deelachtig zouden worden. Dit is echter niet het geval; integendeel
worden zij in den tijd vermaand tot geloof en bekeering, moeten
wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt worden, blijven
in dit leven aan zonde, lijden en dood onderworpen en gaan eerst door
vele verdrukkingen in in het koninkrijk der hemelen. Hoe is het eene
met het andere te rijmen? Eenerzijds alles volbracht, zoodat er voor den
mensch niets te doen overblijft; en andererzijds schijnt aan den mensch
nog het voornaamste te moeten gebeuren, zal hij de verworvene zaligheid
deelachtig worden. De christelijke religie schijnt twee onverzoenbare
standpunten in te nemen, het hetero- en het autosoterische, als zij de
verwerving der zaligheid geheel aan Christus toeschrijft en ons toch
opwekt, om onze zaligheid uit te werken met vreeze en beving, cf. v.
Hartmann, Religionsphilosophie I 569 f. Twee klippen zijn er daarom, op
welke de christelijke heilsorde altijd gevaar liep te stranden, op het
antinomianisme aan den eenen en op het pelagianisme aan den anderen
kant.
Het pelagianisme komt niet alleen met de besluiten Gods in strijd, deel
II 349-357, maar het doet ook te kort aan den persoon en het werk van
Christus. Naarmate het bij de verwerving der zaligheid de werkzaamheid
des menschen uitbreidt, krimpt het die van Christus in. Het is toch
duidelijk, dat, indien het geloof, de bekeering, de volharding, voor het
geheel of voor een deel in ’s menschen macht staan en zijn werk zijn,
indien de beslissing over het feitelijk zalig worden ten slotte, als
het er op aankomt, in de handen van den mensch ligt, dat dan Christus
hoogstens alleen kan verworven hebben de mogelijkheid van het zalig
worden. Hij heeft dan wel de gelegenheid geopend, maar of iemand of
weinigen of velen of allen van die gelegenheid gebruik zullen maken en
blijven maken, hangt ten slotte van de menschen zelven af. God liet hen
vrij en legde de beslissing in hunne handen. Dan volgt, dat Christus
inderdaad lang niet alles heeft volbracht, maar dat het voornaamste, d.
i. datgene, wat over het werkelijk zalig worden beslist, nog door den
mensch geschieden moet. Christus daalt dus af van de eenige plaats,
die Hij in het werk der zaligheid inneemt; Hij komt op ééne lijn te staan
met al die profeten en leeraars, door welke God de menschen onderwezen
en opgevoed heeft; zijn werk wordt verwant aan en ingevoegd in al
die praeparatoire en paedagogische werkzaamheden, welke God aan het
menschelijk geslacht te koste heeft gelegd; het evangelie der genade is
slechts gradueel van de lex naturae onderscheiden. En de mensch zelf,
schoon door al dien opvoedenden arbeid Gods geholpen en gesteund,
wordt opgeroepen tot zelfwerkzaamheid. Van hem hangt het af, of hij
de gelegenheden, die God hem biedt, aangrijpen en alzoo de zaligheid
deelachtig worden zal. De pelagiaansche voorstelling van de heilsorde
wischt het specifieke onderscheid tusschen het Christendom en de
heidensche godsdiensten uit, vat ze alle saam in één proces en kan de
Christelijke religie hoogstens eeren als de eerste onder haars gelijken.
Zij valt in het paganisme terug en laat de zaligheid verwerven door de
eigen wijsheid en kracht van den mensch. En daarbij ondermijnt het dan ook
de zekerheid des geloofs. Van de Heidenen getuigt Paulus, dat zij zonder
Christus en daarom ook zonder God en zonder hope zijn in de wereld,
Ef. 2:12. Uit de werken der wet is er geen rechtvaardiging, is er ook
geen zekerheid der zaligheid; naarmate iemand nauwkeuriger zichzelf en
zijne goede werken onderzoekt, komt hij tot de treurige ontdekking, dat
zelfs zijne beste werken onvolmaakt en met zonde bevlekt zijn; hij moet
zich daarom met een beroep op Gods liefde, die het ontbrekende door de
vingers ziet en den wil neemt voor de daad, of met een gezag van kerk
en priester zich tevreden stellen en aan eene valsche gerustheid zich
overgeven; zekerheid heeft en krijgt hij voor zichzelven nooit. Ja, wijl
de genade, voorzoover hem geschonken en noodig, niet alleen resistibel
maar ook altijd amissibel blijft, is hij ieder oogenblik aan het gevaar
blootgesteld, om weer te verliezen wat hij heeft en uit te vallen van
de hope der zaligheid. Er is op dit standpunt geen vaste gang, geen
ontwikkeling van het christelijk leven mogelijk. Zelfs is het gansch
onzeker, wat het resultaat der wereldgeschiedenis zal zijn, of er eene
gemeente, een koninkrijk Gods zal komen; de regeering der wereld berust
voor het voornaamste, dit is, voor de eeuwige eindbestemming, in handen
van den mensch. De dwalingen van dit rationalistisch pelagianisme
springen duidelijk in het oog; maar ze zijn ook aanwezig, waar het zich
hult in pietistisch of methodistisch gewaad. Pietisme en methodisme
waren, evenals zoovele andere pogingen tot reformatie des levens in
Protestantsche kerken, tegenover de doode orthodoxie in hun recht. Zij
bedoelden oorspronkelijk niets anders, dan de slapende Christenheid
wakker te schudden, wilden geen verandering aanbrengen in de belijdenis
der Reformatie maar deze alleen toepassen in het leven. Maar uit
verklaarbare reactie zijn zij in dit hun streven dikwerf te ver gegaan
en tot een ander uiterste overgeslagen. Ook zij hebben het zwaartepunt
allengs uit het objectieve in het subjectieve werk der zaligheid
verlegd. Daarbij is het dan in het wezen der zaak onverschillig, of men
de zaligheid afhankelijk maakt van geloof en gehoorzaamheid dan wel
van geloof en bevinding. In beide gevallen treedt de mensch zelf op
den voorgrond. Ook al loochende pietisme en methodisme de verwerving
der zaligheid door Christus niet, het liet deze toch ongebruikt staan
en bracht ze met de toepassing in geen organisch verband. Het was,
om zoo te zeggen, een dood kapitaal. De ambtelijke werkzaamheid van
den verhoogden Christus, den Heer uit den hemel, trad in de schaduw
achter de ervaringen en bevindingen van het subject. In het pietisme
werd de mensch in plaats van naar Christus, naar zichzelven verwezen;
hij moest een langen weg afleggen, aan allerlei eischen en voorwaarden
voldoen, aan vele en velerlei kenteekenen zichzelven beproeven, eer
hij gelooven, Christus zich toeeigenen en van zijne zaligheid verzekerd
mocht wezen. Het methodisme trachtte dit alles, bekeering, geloof,
verzekerdheid, wel saam te trekken in één ondeelbaar moment, maar het
systematiseerde deze methode, schoon zeer verkort, op dezelfde wijze
als het pietisme. Bij beide is er eene miskenning van de werkzaamheid
des H. Geestes, van de voorbereiding der genade, van het verband van
schepping en herschepping. En daarom komt het ook in geen van beide tot
een waarachtig christelijk leven. Hetzij dit pietistisch zich terugtrekke
uit de wereld of naar methodistischen trant agressief in de wereld
optrede, het is altijd iets aparts, iets, dat dualistisch staat naast
het natuurlijk leven, en dat daarom niet organisch inwerkt in gezin
en maatschappij en staat, in wetenschap en kunst. Met of zonder de
uniform van het leger des heils, Christenen zijn een bijzonder soort
menschen, die niet in maar buiten de wereld leven. De reformatorische
tegenstelling van zonde en genade heeft min of meer voor de Roomsche
tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk plaats gemaakt.
Puritanisme is uitgeruild voor ascetisme. Het wezen der heiligmaking
ligt in onthouding van middelmatige dingen.
Aan den anderen kant staat het antinomianisme. Tegenover het
pelagianisme verdedigt het eene belangrijke waarheid, die wij, juist
om het antinomianisme te overwinnen, niet ten halve maar geheel en
volkomen erkennen moeten. Het is waar, dat Christus alles volbracht
heeft en dat de mensch aan zijne offerande ter zaligheid niets toe te
voegen heeft noch ook maar iets toebrengen kan. Maar het antinomianisme
(niet te verwarren met het eigenlijk antineonomianisme in Engeland en
hier te lande) bedient zich van deze waarheid alleen, om aan eene
gansch andere leer ingang te verschaffen. Want zeer zeker, Christus
heeft alles volbracht. Maar wil dat zeggen, dat niet wij, maar dat ook
Christus niets meer heeft te doen, nadat Hij geleden heeft en gestorven
is? Immers neen, want Christus is ook opgewekt en verheerlijkt, Hij is
door en na zijne opstanding aangesteld tot Zoon Gods in kracht, tot Heer
uit den hemel, tot levendmakenden Geest. Voor Christus blijft er in
den staat der verhooging nog veel te doen over; Hij moet de zaligheid,
welke Hij verwierf, ook toepassen en uitdeelen aan zijne gemeente, en
heeft daartoe zijnen Geest uitgezonden, opdat die de gansche gemeente
zou wederbaren en in alle waarheid leiden. Het antinomianisme miskent
nu deze toepassing van het werk der zaligheid; het loochent in beginsel
de persoonlijkheid en werkzaamheid des H. Geestes. In den grond der
zaak komt het, naar de wet, dat twee uitersten elkander raken, met
het pelagianisme overeen. Maar juist, omdat het innerlijk gedreven
wordt door een ander belang dan dat van de volmaakte offerande van
Christus, schrijdt het nog verder voort en ontkent ook en bestrijdt de
objectieve voldoening. Christus heeft n.l. door zijn lijden en sterven
niet de eeuwige zaligheid verworven, maar Hij heeft alleen Gods liefde
bekend gemaakt; de verzoening en rechtvaardiging zijn al van eeuwigheid.
Evenals in het pelagianisme daalt Christus hier tot den rang van
een profeet en leeraar af. Maar terwijl het pelagianisme tot deze
dwalingen komt door zijn deistisch beginsel, komt het antinomianisme
principieel op uit het pantheisme. Het lijkt als twee druppels water
op de philosophie van het gnosticisme, van Spinoza en Hegel. God is
wezenlijk één met den mensch; Hij is van alle eeuwigheid verzoend; toorn
en gerechtigheid zijn menschelijke voorstellingen. Alleen voelt de mensch
zich door zijne eindigheid en beperktheid verre van God; hij denkt, dat
God verre is van hem, dat Hij toornt over de zonde en voldoening eischt.
En dat is eene verkeerde gedachte, welke de mensch zich van God vormt.
God is eeuwige liefde, eeuwig verzoend, eeuwig één met den mensch. En
heel de verlossing bestaat dus daarin, dat de mensch door middel van de
prediking der profeten beter ingelicht en verlicht worde, dat hij den
waan aflegge van den toorn en de strafeischende gerechtigheid Gods,
dat hij God als zijn Vader, zichzelven als zijn kind erkenne. Er is tot
de verlossing niets anders noodig dan deze verlichting; daarin bestaat
zij; zij omvat niets anders dan het geloof. Er is geen bekeering, geen
berouw, geen leedwezen over de zonden, geen angst voor de hel, geen
vreeze des oordeels, geen bede om vergeving, geen heiligmaking, geen
goede werken van noode; dat zijn alle pelagiaansche dwalingen, die aan
de objectieve feiten van Gods genade en verzoening te kort doen. Op
laag, wettisch standpunt voelt men daaraan nog behoefte, evenals men
dan de voldoening nog tot stand laat komen door Christus’ offerande
en van Gods toorn en gerechtigheid spreekt. Maar dat zijn religieuse
voorstellingen, symbolische inkleedingen, die voor het gemeene volk
haar waarde hebben, doch die op het standpunt der πνευματικοι, der
philosophen plaats maken voor de zuivere idee en het adaequate begrip.
Evenals het pelagianisme, eindigt ook het antinomianisme met totale
miskenning van het wezen des Christendoms, zinkt tot het paganisme
terug en stelt de verlossing van de zonde in rationalistische
verlichting of moralistische verbetering van den mensch. Beide
loochenen, in ariaanschen of in sabelliaanschen vorm, de belijdenis der
triniteit.
12. Alleen op den grondslag der trinitarische belijdenis is er plaats
voor eene heilsorde in schriftuurlijken, christelijken, gereformeerden
zin. Uit die belijdenis vloeit toch in de eerste plaats voort, dat de
toepassing van de zaligheid onderscheiden is van hare verwerving.
Immers de Heilige Geest is wel in wezen één met, maar toch als persoon
een ander dan de Vader en de Zoon. Hij heeft een eigen wijze van bestaan,
een eigen orde van werken. Al is het ook, dat alle werken Gods naar
buiten ongedeeld en ongescheiden zijn, er is toch in schepping en
herschepping eene oeconomie op te merken, welke ons recht geeft, om van
den Vader en onze schepping, van den Zoon en onze verlossing, van den
Geest en onze heiligmaking te spreken. Waarom kon Christus getuigen,
dat de H. Geest nog niet was, overmits Hij nog niet was verheerlijkt, en
waarom moest de H. Geest op den Pinksterdag uitgestort worden, indien
de heiligmaking niet een werk ware, onderscheiden van schepping en
verlossing, zooals de Geest onderscheiden is van Vader en Zoon? Het
werk, dat aan den Middelaar was opgedragen, was dan ook met zijn lijden
en sterven niet beëindigd. Christus is niet in dien zin een historisch
persoon als anderen, dat Hij, na een tijd lang op aarde geleefd en
gearbeid te hebben, nu nog alleen door zijn geest nawerkt en door zijn
woord en voorbeeld invloed oefent. Al heeft Hij op aarde al het werk
volbracht, dat de Vader Hem opgedragen heeft te doen, in den hemel zet
Hij zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid voort.
Daartoe is Hij juist opgewekt en verheerlijkt aan Gods rechterhand. Hij
is de levende Heer uit den hemel. Die werkzaamheid is eene andere, dan
welke Hij op aarde verrichtte, al staat zij er ook mede in het nauwste
verband. Door zijne aardsche offerande heeft Hij volbracht alles wat
er te doen viel in de sfeer van het recht; Hij heeft aan Gods eisch
voldaan, de wet vervuld, alle weldaden der genade verworven. Dat werk
is af en is voor geen vermeerdering of vermindering vatbaar; er is
niets aan toe en niets van af te doen; het is volmaakt. De Vader rust
erin en heeft het bezegeld met de opwekking zijns Zoons. Alle weldaden,
die God schenkt in het verbond der genade, schenkt Hij per et propter
Christum. Maar er is onderscheid tusschen eigendom en bezit. Gelijk een
kind, zelfs vóór zijne geboorte reeds recht heeft op al de goederen
zijns vaders maar eerst op veel lateren leeftijd in het bezit daarvan
komt, zoo ook hebben allen, die later gelooven zullen, lang vóór hun
geloof een eigendomsrecht in Christus op alle weldaden, die Hij heeft
verworven; maar zij treden in het bezit daarvan eerst door het geloof.
De verwerving der zaligheid eischt dus hare toepassing; zij sluit haar
in en brengt ze voort. Gelijk de verhooging van Christus met zijne
vernedering, gelijk zijne werkzaamheid in den hemel met die op aarde,
zoo staat de toepassing der zaligheid met hare verwerving in verband.
En die toepassing is tweeledig. De verlossing door Christus is toch
eene verlossing van de zonde en al hare gevolgen. Hij nam niet alleen de
schuld en straf van ons over, maar volbracht de wet ook in onze plaats.
De toepassing der weldaden van Christus moet dienovereenkomstig bestaan
in de rechtvaardigmaking, d. i. in de verzekering van de vergeving der
zonden en het recht op het eeuwige leven, maar ook in de heiligmaking,
d. i. de vernieuwing naar het beeld van Christus. Niet alleen de
schuld, ook de smet en de macht der zonde moet weggenomen worden. Het
moet eene volkomene verlossing, eene algeheele herschepping zijn. Om
deze op grond van zijne volbrachte offerande uit te werken en tot stand
te brengen, daartoe is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand.
Daartoe heeft Hij uitgezonden den H. Geest, die niet alleen getuigt met
onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, maar die ons ook wederbaart
en herschept naar het evenbeeld Gods. Dit werk der toepassing is
daarom een Goddelijk werk, evengoed als de schepping des Vaders en de
verlossing des Zoons; en de Heilige Geest, die het tot stand brengt, is
daarom met den Vader en den Zoon, een eenig God, te loven en te prijzen
in der eeuwigheid.
In de tweede plaats ligt in de belijdenis der triniteit opgesloten,
dat het werk der heiligmaking, in oeconomischen zin aan den H. Geest
opgedragen, schoon onderscheiden, toch geen oogenblik gescheiden is
van het werk der verlossing en der schepping, welke door den Zoon en
den Vader worden uitgevoerd. Dat blijkt reeds daaruit, dat de Geest
in het Goddelijk wezen uitgaat van den Vader en den Zoon en met hen
deszelfden wezens deelachtig is. En gelijk Hij bestaat, zoo werkt Hij, in
schepping en ook in herschepping. Daaruit volgt allereerst, dat het
werk des Geestes met het werk des Vaders verband houdt en samenstemt.
Er is tusschen beide geen tegenstelling en geen tegenspraak. Het is
niet zoo, dat de Vader aller zaligheid wil en de H. Geest ze slechts
aan weinigen toepast of omgekeerd, maar beiden werken saam, omdat zij
één zijn in wezen. Er volgt daaruit ook, dat natuur en genade, hoe
onderscheiden ook, elkander niet uitsluiten. Het Roomsche leerstelsel
wordt geheel en al door de tegenstelling van natuur en bovennatuurlijke
genade beheerscht; en verschillende Protestantsche richtingen en secten
zijn in die dwaling teruggevallen; pietisme en methodisme miskennen
het recht en de waarde der natuur zoowel vóór als na de bekeering.
Maar de Reformatie kende principieel geen andere tegenstelling dan die
van zonde en genade. Ook de natuur was eene schepping Gods en stond
onder zijne voorzienigheid; zij is op zichzelve van geen mindere waarde
dan de genade. En daarom kon zij aan de natuur, d. i. aan de leiding
Gods in het natuurlijke leven zoowel bij de volken als bij de bijzondere
personen, eene paedagogische beteekenis toekennen. Het is God zelf, die
de genadige werking des H. Geestes reeds in de geslachten voorbereidt,
en de Heilige Geest sluit in zijne werkzaamheid bij de leidingen Gods
in het natuurlijke leven zich aan en tracht door zijne genade heel het
natuurlijke leven te herstellen, van de macht der zonde te bevrijden
en Gode te wijden. Maar uit de wezenseenheid van Vader, Zoon en Geest
volgt ook, dat de H. Geest verband houdt met het werk van den Zoon.
Ook Zoon en Geest werken elkander niet tegen, zoodat de Geest b. v. de
zaligheid aan weinigen zou toepassen, terwijl de Zoon haar toch voor
allen verworven zou hebben of omgekeerd. Eén in wezen, werken zij in hun
onderscheidene werkzaamheid met elkander samen. Door zijne vernedering
is toch de Zoon zelf geworden tot levendmakenden Geest. Hij leeft geheel
en al door den Geest. Wat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal
gestorven; wat Hij thans leeft, leeft Hij Gode. Hij is de onsterfelijkheid,
het eeuwige, geestelijke leven volkomen deelachtig geworden. Er is niets
natuurlijks, psychisch meer aan Hem, dat lijden en sterven kan. Hij heeft,
door den Geest reeds op aarde voor zijn werk bekwaamd en met Hem gezalfd
zonder mate, dien Geest ten volle verworven, alle gaven diens Geestes
ontvangen, leeft, heerscht en regeert nu door dien Geest. De Geest
des Vaders en des Zoons is geworden zijn Geest, de Geest van Christus.
Zoo was Hij nog niet, voordat Christus verheerlijkt was. Maar thans is
hij de Geest van Christus, zijn eigendom, zijn bezit. En dien Geest zendt
Hij daarom op den Pinksterdag, om door Hem alle zijne weldaden aan zijne
gemeente toe te passen. De H. Geest verwerft die weldaden niet, Hij
voegt er geen enkele aan toe, want Christus heeft alles volbracht. Hij
is in geen enkel opzicht verdienende oorzaak onzer zaligheid; dit is
Christus alleen, in wien de volheid der Godheid lichamelijk woont, en
wiens werk daarom niet behoeft aangevuld of verbeterd te worden. De
H. Geest neemt integendeel alles uit Christus; gelijk de Zoon gekomen
is om den Vader te verheerlijken, zoo is de H. Geest op zijne beurt
nedergedaald, om den Zoon te verheerlijken. Van dien Zoon getuigt Hij,
uit zijne volheid deelt Hij mede genade voor genade, tot dien Zoon leidt
Hij henen, en door den Zoon tot den Vader. En alle weldaden van Christus
past Hij toe, aan een iegelijk in zijne mate, te zijner tijd, naar zijne
orde. En Hij eindigt zijne werkzaamheid niet, voordat Hij de volheid van
Christus in zijne gemeente heeft doen wonen, en deze geworden is tot
een volkomen man en gekomen is tot de mate der grootte der volheid van
Christus. Daarom is de werkzaamheid des H. Geestes niet anders dan
eene toepassende; de heilsorde eene applicatio salutis. De vraag is
daarbij ganschelijk niet: wat heeft de mensch te doen, om de zaligheid
deelachtig te worden, maar alleen: wat doet God in zijne genade, om der
gemeente de door Christus verworvene volkomene zaligheid deelachtig te
maken. Ook de applicatio salutis is een werk Gods, dat theologisch,
niet anthropologisch dient beschouwd te worden.
Tegen deze opvatting der heilsorde wordt echter altijd van de zijde van
het pelagianisme het bezwaar ingebracht, dat op die wijze het recht des
menschen miskend, zijne zelfwerkzaamheid onderdrukt en een goddeloos
leven bevorderd wordt. Inzoover dit bezwaar principieel de getuigenis
der Schrift zou willen omverwerpen, dat uit de werken der wet geen
vleesch zal gerechtvaardigd worden, is het op christelijk standpunt niet
ontvankelijk; wie er aan tegemoet zou willen komen, zou op datzelfde
oogenblik en in diezelfde mate den bodem der Schrift verlaten. Inzoover
het werkelijk een bezwaar is en overweging verdient, is het onwaar en
berust het op misverstand. Want de opvatting van de applicatio salutis
als werk Gods sluit niet uit, maar sluit in de volle erkenning van al
die zedelijke factoren, die onder de leiding van Gods voorzienigheid
inwerken op verstand en hart van den onbekeerden mensch. Onvoldoende
mogen zij zijn ter zaligheid, gelijk Schrift en ervaring duidelijk
uitspreken; maar van miskenning hunner waarde, ook zelfs voor het werk
der genade, is er op zuiver reformatorisch standpunt geen sprake; het
is God zelf immers, die alzoo zijne menschenkinderen leidt, zich aan
hen betuigt en van den hemel goed doet over hen, of zij Hem zoeken en
vinden mochten. Voorts is niet in te zien, waarom de H. Geest, door
het Woord roepende tot geloof en bekeering, te niet kan doen die
zedelijke werking des Woords op hart en geweten, welke het pelagianisme
eraan toeschrijft. De reformatorische leer houdt niet minder, zij houdt
alleen meer in, dan door Pelagius en zijne volgelingen erkend wordt.
Dezen meenen met die zedelijke werking te kunnen volstaan; Augustinus
echter en zijne medestanders achtten haar ongenoegzaam maar namen haar
toch ten volle op in de genadewerking des H. Geestes. Verder is en
blijft de toepassing des heils altijd een werk des Geestes, een werk
van den Heiligen Geest, van den Geest van Christus, en daarom nooit
dwingend en gewelddadig, maar altijd geestelijk, liefelijk en zacht, den
mensch niet behandelend als een stok of blok, maar als een redelijk
wezen, verlichtend, overtuigend, trekkend, buigend; zijne duisternis
doende wijken voor licht en zijne geestelijke machteloosheid vervangend
door geestelijke kracht. Genade en zonde vormen eene tegenstelling; de
laatste wordt alleen overwonnen door de macht der eerste; maar zoodra
en in dezelfde mate als de macht der zonde wordt gebroken, valt de
tegenstelling tusschen God en mensch weg. Het is Gods Geest, die met
onzen Geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Ik leef, doch niet meer
ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik in het vleesch leef, leef
ik door het geloof des Zoons van God. God is het, die in ons werkt
beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, en die zelf ons
onze zaligheid doet uitwerken met vreeze en beving. Zoover is het er
vandaan, dat deze theologische beschouwing een goddeloos leven zou
kweeken, dat zij alleen de realiteit van een nieuw, christelijk leven
waarborgt, de geloovigen van de vastheid hunner zaligheid verzekert, de
zegepraal van het rijk Gods onfeilbaar belooft, en het werk des Vaders
en des Zoons in het werk van God den Heiligen Geest, de voltooiing
erlangen doet. Het pelagianisme maakt alles wankel en onvast, zelfs
de zegepraal van het goede en den triumf van het Godsrijk, omdat het
alles ophangt aan de onberekenbare willekeur van den mensch. Opkomende
voor de rechten van den mensch, treedt het de rechten Gods met voeten
en houdt voor den mensch slechts het recht der willekeur over. Maar
de Reformatie, opkomende voor de rechten Gods, heeft daarin ook weer
het recht des menschen tot erkenning gebracht; want ook hier geldt het
woord der Schrift: die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden,
zullen licht geacht worden. De theologische beschouwing der heilsorde
neemt al het goede in zich op, dat in de anthropologische verscholen
ligt; maar het omgekeerde heeft niet plaats. God omvat den mensch, maar
wie met den mensch begint, sluit God uit.