opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor
haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van
het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit
begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de
getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel
aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods.
Het is το ἐργον του θεου bij uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en
al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al
zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil
en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen
Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet
ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den
mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten,
geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart,
zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen,
πιστοι. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en
actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij
uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking,
heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in
aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede
worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te
geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij
machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen
in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan
het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift
eraan toekomt. 1º Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle
weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en
dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de
uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën,
die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg,
waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van
hen, voor wie zij verworven zijn. 2º In zooverre is het volkomen juist
te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des
verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon
reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor.
5:19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar
de zonden niet toegerekend, en Rom. 4:25 zegt duidelijk, dat Christus,
gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is δια την
δικαιωσιν ἡμων, d. i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking,
omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats
gerechtvaardigd waren. De καταλλαγη is niet van den ἱλασμος daarin
onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de
eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God _is_
verzoend, neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl.
383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons
geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven
door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3º Te meer dient dit
vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is
dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn
geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder
en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten
en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt,
dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die
weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken
kan in de gemeenschap van Christus. 4º Met name behoort onder die
weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij
is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest
des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van
Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest
zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus,
dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en
geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad
des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen
geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene
afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5º
Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu
ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze
moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar,
toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk
de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst
individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief
van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6º Deze reëele
schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van
zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen
objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het
zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere
en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en
zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter
heeft hetgeen geschiedt in den tijd beteekenis voor de eeuwigheid,
wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7º
Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg.
Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne
zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt,
moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus
zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt
tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het
antinomianisme ook hier wederom met zijne pantheistische vervluchtiging
van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat
alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt.
8º Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen
moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk
overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is
droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts
in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia
juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen
conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er
op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen
zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden
weldaden te ontvangen en te genieten. 9º Wijl de schenking van Christus
en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door
veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het
niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de
geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen,
hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen
en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen.
De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd
vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk,
waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig
recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij
zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10º Het geloof
als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden
is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt
daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van
te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het geloof ook naar zijn aard
onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31,
8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom.
4:20, Jak. 1:6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen,
Mt. 17:20, ὑποστασις en ἐλεγχος der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit
die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N.
Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6, 31:2, 56:5, 10, 57:3 enz.,
Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze
zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming,
heeft inzonderheid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het
geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat,
Sohnius, Op. I 976. 11º De fout van het antinomianisme bestond dan ook
niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was
hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing
des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte,
wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder
het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de
sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving
evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12º
Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan
het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus
en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en
zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere
historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest,
maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de
eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven
geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden
aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk
Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien
kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn
Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn en ons bewustzijn, ons doen en
ons denken, ons hart en verstand; Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt
ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als
van haar schuld en van al hare gevolgen. Zelf profeet en priester en
koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot
priesters, die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over
wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft,
Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13º Of men het
geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak
niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II
6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio,
maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam
intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10:10 van als eene firma
et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin
aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis,
wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des
verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit
nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen
op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides
antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef.
3:12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij
Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
III² 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen
altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den
geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn
leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf
volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712
sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe,
maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus
fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz.,
Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus,
Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona
opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn
er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en
sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het
geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald
vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’
tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27, 11:23, 24,
dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4:24, 10:9, nog
dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept
alsof zij waren, Rom. 4:17.
4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als
fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des
geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook
bekeering, heiligmaking, goede werken, volharding enz. worden ons
deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene
van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord
rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling
met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar
evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God
grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene
zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord
hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen
zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis
der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. הצדיק
duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor
onschuldig verklaart, en staat tegenover הרשיע, verdoemen, Deut.
25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23:7, 1
Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8. De vergeving der zonden wordt in
het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen
gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps.
39:9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes.
43:25, Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of
uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1.
Het grieksche woord δικαιουν beteekent in het algemeen: recht en billijk
achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem,
den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als in bonam partem, den
rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd.
In het N. T. heeft het onder den invloed des O. T. steeds eene
juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het
algemeen voor, Mt. 11:19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen
maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte
van, ἀπο, hare kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God
rechtvaardigen, en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14. Ook bij
Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4 kan het geen
ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden
gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af met λογιζεσθαι εἰς
δικαιοσυνην, 4:3, 5, staat tegenover κρινειν, ἐγκαλειν en κατακρινειν,
8:33, 34, evenals δικαιωμα tegenover κατακριμα, 5:16. Het beteekent
iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig
verklaren, δικαιον καθισταναι, Rom. 5:19.
Nu kan het woord הצדיק, δικαιουν, rechtvaardigmaken op zichzelf
wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door
kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in
de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt
justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu
reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed.
Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs,
Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik
der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die
Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415-490 en Zitzlaff,
Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522
f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking
oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het
geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde
de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist,
dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De
tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging
werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch
of juridisch, maar in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of
door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen
gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van
Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne
aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen
als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel
gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch,
daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd
en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als
zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam
regeneratio, quia ex filio irae fit films Dei et hoc modo e morte in
vitiam transfertur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot.
II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms,
dat het woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in
Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan
moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook
in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring
vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol.
VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl.
140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het
werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar
geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot
het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den _staat_ en
den _stand_ der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten
opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet
onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de
Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze
er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk.
Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per
cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen
zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt
waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen.
Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het
volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun
gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn,
om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te
worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis van δικαιουν thans
schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij,
vroeger ἀδικοι, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens
het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden
niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na
elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ἀλλα bevatten
zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de
zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar
zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der δικαιοι,
geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun
deel geworden in den naam van den Heere Jezus και ἐν τῳ πνευματι του
θεου ἡμων; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke
in Christus haar objectieven grondslag heeft en in den Geest zich aan
de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud.
u. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de
gewone, juridische beteekenis van δικαιουν af te wijken. In Op. 22:11
verdient de lezing δικαιωθητω om de parallelle vormen de voorkeur en
beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen,
nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle
stringent bewijs, dat het woord δικαιουν in de Schrift ooit in ethischen
zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval,
als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft
het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs,
dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann, St.
Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f.
5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig en
de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller
geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen
regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige
veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v., 34:7, Num. 14:18. Wie den goddelooze
rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel,
ja die beiden, Spr. 17:15, cf. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch
schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak,
Rom. 1:18, 2:13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt,
4:5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in zichzelven, op
grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De
Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in het geloof,
d. i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch
en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid
in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend
worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de christelijke
belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken
der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6,
Rom. 3:19, 20, 8:7, Ef. 2:2 enz. De werken, na de rechtvaardiging
uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in
aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils omgekeerd en de
rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en
ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn,
niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22:37,
Gal. 3:10, Jak. 2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt
houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den
eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid,
die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt
dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de
gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3, Phil. 3:9; zij sluiten
elkander uit als werken en geloof, Rom. 3:28, Gal. 2:16, als loon en
genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl de wet dus den mensch vanwege zijne
zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Gode behaagd, eene
andere gerechtigheid te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn.
Deze gerechtigheid wordt door Paulus δικαιοσυνη θεου genoemd. De
uitdrukking komt, behalve Jak. 1:20 en 2 Petr. 1:1, bij Paulus voor
in Rom. 1:17, 3:5, 21, 22, 25, 26, 10:3, 2 Cor. 5:21, Phil. 3:9 en
heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het O. T. is de gerechtigheid
Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet
voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt, en dan
vervolgens vooral de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig
zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in
hun recht erkent, boven bl. 340. Maar deze gerechtigheid Gods scheen
bij het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan;
immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19, uit de
werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd, 3:20, de tevoren
geschiede zonden waren in Gods lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan,
3:25. Het was dus noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard
werd. Dat deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar
door in Christus een ἱλαστηριον, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de
zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig was, maar
daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in overeenstemming
met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon dengene, die uit het
geloof van Jezus is, 3:25, 26. Immers, en zoo komt Paulus tot de hem
eigene wijziging van het begrip der δικαιοσυνη θεου--in Christus, in het
evangelie heeft God, zonder de wet, eene tegenover de ἰδια δικαιοσυνη
staande „gerechtigheid Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd
heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie
eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid heeft
geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het geloof van Jezus
is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet deze, niet omdat zij
eene gerechtigheid des menschen is, welke wel buiten hem is maar door
hem in het geloof is aangenomen en werkelijk „voor God” (gen. object.,
met beroep b.v. op Rom. 2:13, Gal. 3:11, παρα τῳ θεῳ, 3:20, ἐνωπιον
αὐτου) als zoodanig geldt, Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit,
Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen is,
welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan, Osiander,
Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.; maar wijl zij
eene gerechtigheid is, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij
bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft en geven kan, die niet uit
den mensch maar ἐκ θεου is, Rom. 10:3, 5, Phil. 3:9; zoo de meeste
nieuwere exegeten, hetzij zij den genetivus meer opvatten als een gen.
subjecti (Haussleiter), possessivus (Fricke) of originis, auctoris,
causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann,
Godet, Weiss, Pfleiderer, Holtzmann enz.); cf. behalve de reeds
vroeger deel II 198v. genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de
loco Paulino, qui est de δικαιωσει, L. B. 1852. Lipsius, Die Paulin.
Rechtfertigungslehre, Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol.
u. Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v. d. Gerecht, aus d. Glauben im A.
u. N. B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer s. v. δικ. Weiss,
Bibl. Theol. §82. Pfleiderer, Der Paulin.² 183. Weiszäcker, Das apost.
Zeitalter² 143. H. Beck, Die δικ. θεου bei Paulus, Neue Jahrb. f. d.
Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann, Neut. Theol. II 127. Häring, Δικ. θεου
bei Paulus, Tübingen 1896 (vat δικ. θεου als daad op, rechtvaardiging
Gods, evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17).
Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt toch
aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar en den mensch
wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze gerechtigheid Gods _is_
er, zij wordt evenmin als de καταλλαγη, 2 Cor. 5:19, door den mensch,
door het geloof bewerkt, maar ligt objectief in Christus, Rom. 4:25,
1 Cor. 1:30, zij wordt geopenbaard in het evangelie, 1:17, 3:21, zij
is eene gave, eene gave der genade, 3:24, 5:15, 16, 17; desniettemin,
of liever juist daarom, 4:16, is zij δια πιστεως Ιησου Χριστου, 3:22,
Phil. 3:9, ἐκ πιστεως, 9:30, 10:6, eene δικαιοσυνη πιστεως, 4:11,
13, in het bezit des menschen ἐπι τῃ πιστει, Phil. 3:9; zij wordt
geopenbaard in het evangelie ἐκ πιστεως en εἰς πιστιν, 1:17, εἰς
παντας τους πιστευοντας, 3:22, cf. 10:4, 10; God rechtvaardigt τον ἐκ
πιστεως Ιησου, 3:26, ἐκ of δια πιστεως, 3:30, Gal. 3:8, en de mensch
wordt gerechtvaardigd πιστει, 3:28. ἐκ πιστεως, 5:1, Gal. 3:24, δια
πιστεως, Gal. 2:16; het geloof wordt gerekend εἰς δικαιοσυνην, Rom.
4:3, 5, 9, 11, 22, en de rechtvaardige leeft ἐκ πιστεως, 1:17, Gal.
3:11. Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof in
de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren,
het geloof als goede gezindheid opvatten en God den wil laten nemen
voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat
van Roomschen, Remonstranten, Mystieken, Ethischen en vele nieuwere
Protest. theologen, die zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan
Christus is maar het toch opvatten als de gansche of als een stuk van
die gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat
geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch der wet;
maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid en stelt er
zich mede tevreden, hetzij om den wille van Christus, of omdat het toch
eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het evangelie is en den mensch Gode
aangenaam maakt, of wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der
toekomstige volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei
redenen met de Schrift in strijd. 1º De gerechtigheid, die de grond der
rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en niet des menschen;
zij wordt den mensch slechts ten deel door eene gave der genade; zij ligt
dus vóór zijn geloof in Christus gereed en heeft geen enkele aanvulling
van noode. God heeft n.l. Christus gesteld tot een ἱλαστηριον, 3:24, en
deze Christus is overgeleverd om onze zonden, 4:25, voor ons gestorven,
5:6-11, een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21,
en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, d.
i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij is onze gerechtigheid,
1 Cor. 1:30, en wij worden gerechtvaardigd δια της ἀπολυτρωσεως της
ἐν Χριστω Ιησου, 3:34, ἐν τῳ αἱματι αὐτου, 5:9, ἐν Χριστῳ, Gal. 2:16.
In Rom. 5:12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij
Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en
den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid
in Christus tot δικαιωμα, d. i. tot een vrijsprekend oordeel voor
velen, 5:16. Door één δικαιωμα toch, d. i. het vrijsprekend oordeel
over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt het bij alle menschen tot
δικαιωσις ζωης, d. i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven
meebrengt, 5:18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen
tot rechtvaardigen gesteld, δικαιοι κατασταθησονται, 5:19. Naast de
gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij
Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding
rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of
liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen. 2º Nergens
wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging voorgesteld.
De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ἐκ of δια πιστεως, maar nooit
δια πιστιν. Wel staat Phil. 3:9, dat Paulus την δια Χριστου, την ἐκ
θεου δικαιοσυνην bezat ἐπι τῃ πιστει, op grond van zijn geloof, maar
de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als
δια πιστεως, ἐκ θεου; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods
voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het
geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan;
integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof.
Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en
werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken,
Rom. 3:20-28, 4:4-6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6, Gal. 2:16, 3:11, 12, 23,
25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen
of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl
het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om
zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.l. Christus,
geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is
juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom
de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste
en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus
tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21. Zoo weinig komt het geloof bij
de rechtvaardiging als grond in aanmerking dat Paulus zeggen kan,
dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer
de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid
leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten
deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8, 6:1, maar houdt hij
staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn,
wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8:33, 34. 3º Wijl
het geloof dus geen werk is maar een afstand doen van alle werk, een
onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4:17, die
Christus opgewekt heeft, 4:24, die in Christus eene δικαιοσυνη θεου
gegeven heeft, 3:22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt
toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een
werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods
in Christus door God wordt aangenomen. Het woord λογιζεσθαι toch kan
wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor.
4:1, 2 Cor. 12:6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in
rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden
dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft,
Rom. 4:8, 2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend
aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53:4, 5, 6,
Mt. 20:28, Rom. 3:25, 8:3, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, 1 Tim. 2:6; en
zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid
toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen
κατα χαριν, 4:4, het is een λογιζεσθαι δικαιοσυνην χωρις ἐργων, 4:6.
De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene
verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde
gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem
vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: ὁ δικαιος
ἐκ πιστεως ζησεται. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van
het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17,
18, 6:4v., 2 Cor. 4:10, 11, Gal. 2:20, Col. 3:3, 4, 2 Tim. 1:10, cf.
Joh. 1:4, 6:33v., 11:25, 1 Joh. 1:2, 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft
het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie
gelooft, heeft de δικαιοσυνη θεου, welke God in Christus hem schenkt.
4º Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond
der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich
tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het evangelie bevestigt
dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet
afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook
rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene
en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid.
De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen
de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat
Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor
gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den
troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf zoo klein is
en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat
volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan
gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het
christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in
plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen,
naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, christelijk leven in den
dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als
Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van
waarlijk goede werken sprake kan zijn.
6. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata ingebracht
wordt, ernstig overwogen te worden. 1º Bellarminus, de justif. II c.
7 ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid van Christus, indien
alleen ons toegerekend en dus buiten ons blijvend, kan de forma niet
zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd worden. Gods oordeel is toch
naar waarheid. Hij kan iemand niet rechtvaardig verklaren, die het
niet is; zoolang de gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is
en buiten den mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet
rechtvaardig verklaard worden. Men zal zeggen: maar de zondaar is toch
door het geloof met Christus’ gerechtigheid bekleed! Doch, ofschoon dat
zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene forma
extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar de eerste
maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit kleed aandoen,
hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij ook wit naar de
forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan in tweeërlei forma
beschouwd worden; naar de forma intrinseca was Hij heilig, naar de forma
extrinseca was Hij met onze zonden beladen; toch wordt Hij niet naar
deze maar naar gene genoemd. En zoo kan ook in de rechtvaardiging de
justitia imputata onze forma niet zijn; wij kunnen alleen gerechtvaardigd
worden op grond van eene in ons wonende gerechtigheid. Dit bezwaar van
Bellarminus keert bij alle bestrijders der reformatorische leer terug;
alwat men op de leer van de justitia imputata tegen heeft, komt hierop
neer. Om nu met het laatste te beginnen, Christus wordt in de Schrift
wel terdege naar de forma extrinseca genoemd en behandeld; Hij heet
zelfs tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons geworden. In
legalen, juridischen zin kan Christus een zondaar heeten, ofschoon
ter vermijding van antinomiaansch misverstand de uitdrukking geen
aanbeveling verdient, boven bl. 366. En zoo wordt in Rom. 4:5 en 5:6
gezegd, dat God den goddelooze rechtvaardigt. Sterker uitdrukkingen
dan deze kunnen niet gebruikt worden. De tegenstanders van de justitia
imputata moeten hun bezwaar niet tegen Luther en Calvijn maar tegen
Paulus inbrengen. 2º Het beeld van den Moor is ongelukkig gekozen. De
tweeërlei forma, waarin de mensch in de rechtvaardigmaking voorkomt,
staan onderling in gansch andere verhouding dan die van de zwarte
huid en het witte kleed bij den Ethiopiër. De mensch is een goddelooze
in ethischen zin, maar hij wordt om de gerechtigheid van Christus een
rechtvaardige in juridischen zin; het aantrekken van een wit kleed
brengt echter hoegenaamd geen legale verandering van den Ethiopiër
mede. Juister is het beeld van het kind, dat, in genade door een rijk
man aangenomen, reeds als toekomstig erfgenaam rijk mag heeten, al
heeft het op het oogenblik nog niets in zijn bezit. God verklaart den
zondaar rechtvaardig, neemt hem aan tot zijn kind, belooft hem Christus
en al zijne weldaden, en daarom is hij rechtvaardig en wordt eens in
het bezit van alle schatten der genade gesteld. 3º De toerekening van
Christus’ gerechtigheid wordt echter door Bellarminus c. s. geheel
verkeerd opgevat. Zij stellen zich deze voor als eene fictie, die met
de werkelijkheid in strijd is; justitia imputata is volgens hen eene
gerechtigheid, die alleen in de verbeelding bestaat, en justitia infusa
is alleen ware, wezenlijke gerechtigheid. Dat is echter eene gansch
verkeerde voorstelling. De rechtvaardigmaking is even waarachtig als
de heiligmaking, de toerekening even reëel als de instorting. Dit
is alleen het verschil; in de justificatie wordt de gerechtigheid
ons geschonken in juridischen, in de sanctificatie wordt zij ons deel
in ethischen zin. Beide zijn even wezenlijk en beide evenzeer noodig.
Eerst moet de rechter iemands recht op een zeker pand uitspreken, eer
deze daarvan in het bezit kan komen; het eerste is geen fictie, geen
inbeelding, die er niets toe doet en met de werkelijkheid strijdt; neen,
eerst is de imputatio justitiae noodig, de erkenning van het recht,
en daarna kan eerst de infusio justitiae volgen, de inbezitneming
van datgene, waar recht op bestaat. Wanneer dit alles nu reeds waar
is bij den aardschen rechter, hoeveel te meer bij den hemelschen?
Als God den goddelooze rechtvaardigt, dan is dat geen fictie, geen
imputatio putativa, maar dan is en wordt dat zoo. Zooals God recht
spreekt, zoo is en zoo blijft het eeuwiglijk, en zoo zal het ook eens
in den dag des oordeels door allen worden erkend. Want God, als Hij
den goddelooze rechtvaardigt, doet dat op grond van eene δικαιοσυνη,
welke Hij zelf in Christus aangebracht heeft; door Christus’ offerande
heeft Hij tegenover alle vijandige macht het recht der vrijspraak van den
goddelooze verworven; en als Hij recht spreekt, zal Hij het uitvoeren
ook. De goddelooze is rechtvaardig in legalen zin, hij zal het dus zeker
ook worden in ethischen zin. Want God is degene, die dooden levend
maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. En het
rechtvaardigend geloof bestaat juist in onwankelbaar vertrouwen op dien
God der wonderen, bij wien alle dingen mogelijk zijn. 4º De gerechtigheid,
op grond waarvan de goddelooze gerechtvaardigd wordt, is inderdaad zijne
eigene niet; zij is eene δικαιοσυνη θεου, staande tegenover de ἰδια
δικαιοσυνη. Maar zij is toch niet in dien zin eene vreemde en buiten hem
staande, dat zij hem niets aangaat en niet in de minste relatie tot hem
staat. Integendeel, reeds in het pactum salutis heeft Christus zich in
betrekking tot de zijnen gesteld en als middelaar hun plaats ingenomen.
In den staat der vernedering is Hij om hunne zonden gestorven, en Hij
is opgewekt om hunne rechtvaardigmaking. Er bestaat een verbond der
genade, eene unio mystica tusschen Christus en zijne gemeente, lang
voordat de geloovigen persoonlijk daarin worden opgenomen; anders had
Christus ook niet voor hen kunnen voldoen. Er heeft eene toerekening
en schenking van Christus en al zijne weldaden van Gods zijde plaats,
eer de bijzondere personen komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft
die toerekening en schenking plaats in de vocatio interna, en de
wedergeboorte is de passieve aanvaarding van deze gave der genade. God
moet ook eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste
genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening
van Christus, want deze is de eenige bron der genade, de verwerver
en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest van Christus is.
Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de grond der rechtvaardiging
is, slechts in zekeren zin. Zij is de gerechtigheid van het hoofd maar
daarom ook van al de leden, van den middelaar maar dus ook van al de
bondgenooten.
7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de
rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge het
waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus aan de
zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording
en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is toch nog niet
genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog niet. Het is waar
dat de Geref. theologie reeds spoedig ging onderscheiden tusschen de
justificatio activa, die vóór, en de justificatio passiva, die na het
geloof plaats had, en de eerste als de eigenlijke rechtvaardigmaking
tegen de laatste als een tot bewustzijn komen van de reeds geschiede
rechtvaardigmaking ging overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4:25
en 2 Cor. 5:19 eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is
menigmaal, zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling,
de juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke
II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers.
III² 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene belangrijke
waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk tot Remonstrantsche
voorstellingen voert. God wacht niet met de vrijspraak van den zondaar,
totdat deze als het ware buiten Hem om de gerechtigheid van Christus
door het geloof heeft opgenomen; de toerekening en schenking van
Christus en zijne weldaden gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in
het besluit des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatio
interna des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch
opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam van
rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat die
vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op zijn minst
ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit het geloof in de
orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt dan degenen, die het
zwaartepunt leggen in de justificatio activa, haar kunnen toekennen.
Behalve dat deze voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking
afwijkt van het doorloopend spraakgebruik der H. Schrift, geeft zij ook
aanleiding tot misverstand, ziet zich genoodzaakt tot exegetische
gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking uit het geloof niet
genoegzaam als vrijsprekende daad Gods tot haar recht komen. Men
kan wel van eeuwige rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin
bedoelen en opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch
niet; de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering,
ook Maccovius, L. C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn. XI 4, en
zelfs Comrie, Brahe e. a. namen ze slechts aan in beperkten en wel
omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv. Sneek 1858 bl. 91v. Brahe,
Godg. Stellingen over de leer der rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers
is in God niet alleen de rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en
doet eeuwig. In dien zin, als actus immanens, is ook de schepping
eeuwig, deel II 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging
spreken, zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie
invoeren. En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering, de
wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en niet
minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin van eene
rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en in het evangelie
gesproken worden; maar toch is er tusschen deze en die, welke uit
het geloof geschiedt en die meer bepaald in de Schrift den naam van
rechtvaardigmaking draagt, een groot onderscheid. Gene betreft toch
Christus als borg der zijnen, maar deze gaat over de geloovigen zelven,
en niet alleen over die geloovigen als geheel, als gemeente gedacht,
gelijk Ritschl beweert, Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over
hen allen persoonlijk, zooals uit Rom. 3:26, 4:3, 24, 5:19, 8:1, 30,
10:4, 10, 1 Cor. 6:11, Gal. 2:16, Phil. 3:9 enz. onwedersprekelijk
bewezen wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig
element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking in Gods
besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door het evangelie
bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking, die als het ware in de
eeuwigheid begint en eerst in het laatste oordeel haar volle beslag
krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst moment. De toepassing des
heils door den H. Geest mag in geenerlei opzicht tot eene verwerving
des heils worden gemaakt, want de H. Geest neemt alles uit Christus;
maar de toepassing is toch op haar terrein even noodzakelijk en van
even groote beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof
en bekeering wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk
der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing staan
daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de laatste en
omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar of bestaanbaar is.
De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing mede; door zijn lijden
en sterven heeft Christus ook verworven, dat al zijne weldaden, dus
ook de vergeving der zonden aan al de zijnen persoonlijk en individueel
zouden worden toegepast. Het is Christus als Zaligmaker niet alleen
om objectieve voldoening maar ook om subjectieve verlossing der
zijnen van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene
objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding
van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer de mensch
beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de zonde bevrijd wordt, en
dus wedergeboren en gerechtvaardigd wordt. Op deze rechtvaardigmaking
heeft nu gewoonlijk de Schrift het oog, als zij dit woord gebruikt of
ook van vergeving der zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de
rechtvaardigmaking niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt
van haar als ἐκ, δια πιστεως. Ook geeft hij met geen enkel woord te
kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik,
bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in de
hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft
op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is een actus immanens,
maar alle andere werken Gods, schepping, onderhouding, regeering,
verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren tot de actus transeuntes;
zij zijn niet ratio ordinis maar executio ordinis, boven bl. 6. Ook denkt
Paulus bij de rechtvaardigmaking uit het geloof niet aan de zoogenaamde
justificatio passiva, ten minste niet, als deze van de justificatio
activa temporeel gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds
lang te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij legt
er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door het geloof.
Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der verhouding van
eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij, dat het eeuwige willen
Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen
in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot inhoud
hebben kan, deel II 413. In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt
niet eene eeuwen geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk
tot bewustzijn van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf
de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof. Van Hem
gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die werkzaamheid uit,
welke door den mensch als rechtvaardiging uit het geloof ontvangen en
genoten wordt. De toepassing is evengoed als de verwerving des heils
van oogenblik tot oogenblik eene werkzaamheid Gods, van den Vader, den
Zoon en den H. Geest. Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn
alle drie personen betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in
den Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8:33, 34, 1 Cor. 6:11. Paulus
denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de rechtvaardigmaking
door den Vader in de eeuwigheid, die van den Zoon in de opstanding,
en die van den H. Geest in het bewustzijn van den mensch te verleggen.
Maar gelijk zij alle drie saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook
saam in de toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf
weggenomen en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God
ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin
hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar. Gelijk
de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde bevrijdt,
zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg. Beide zijn even
noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de offerande van Christus,
maar ook in de toepassing van eene zelfde hooge beteekenis.
Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch om maar
geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt daarbij ongetwijfeld
meestentijds aan het geloof als actus. Maar natuurlijk is daardoor
het geloof als habitus niet uitgesloten; wedergeboren kinderkens
en volwassen geloovigen hebben en houden in dezen habitus fidei de
vrijspraak Gods, de getuigenis des H. Geestes, dat zij kinderen Gods
zijn, ook al getuigt hun geest niet altijd mede. Maar verder stelt de
Schrift deze rechtvaardigmaking uit het geloof scherp en streng tegen
die uit de werken over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat
het geloof geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt
ons niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des
geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit
is, De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus maakt, is
deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt door de werken
der wet, d. i. niet in zulke werken haar grond, haar causa meritoria
heeft. Immers heeft God in Christus eene andere, betere δικαιοσυνη
gegeven, dan die zondige werken kunnen bieden; en die δικαιοσυνη dat is
Christus, is de eenige en genoegzame grond onzer rechtvaardigmaking.
In de tegenstelling οὐκ ἐξ ἐργων ἀλλ’ εκ πιστεως heeft de praepositie
ἐκ dus beide malen eene verschillende beteekenis. In het eerste lid
geeft zij te kennen, dat werken der wet niet de δικαιοσυνη kunnen zijn,
op grond waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt
zij aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar
dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd te
worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten hem in
Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus: niet de eigen
gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid Gods in Christus.
Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door Christus verworven is
en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de vocatio interna en dus in
logischen zin vóór de wedergeboorte en het geloof toegerekend en
geschonken wordt, zij wordt toch van ’s menschen zijde eerst aanvaard in
het geloof (habitus of actus fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop
hij zelf persoonlijk door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd
wordt. Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het
is zelfs geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de
rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot
het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde, waarop en
geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking ontvangen, maar het
is de daad van het aannemen van Christus zelf en wel van Christus,
gelijk Hij zich inwendig door den Geest en uitwendig door het Woord
aan ons geeft, en dus de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is
en ik zijn eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de
mensch Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes,
waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met zichzelven
getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid.
Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc. S. II 792. 797 sq.
Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6, 28. Owen, De rechtv. uit
het geloof c. 3. Moor IV 695. M. Vitringa III 295. Jon. Edwards bij
Dorner II 752. Daarom staat het geloof niet in elk opzicht tegen alle
werk over. Het staat tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l.
daarin dat zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis
der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des
geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook
maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als
geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God
ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof
is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken,
die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegen de werken des
geloofs over, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H.
Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid
zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat.
vr. 86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het beste
werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk, waardoor God ons
hier op aarde van onze schuld bevrijden en van onze gerechtigheid in
Christus verzekeren kan. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat
het wel is fides sola, quae justificat, fides tamen, quae justificat
non est sola, Calvijn, C. R. 7, 477. Inst. III 11, 20, en spraken zij
na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In
dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak.
Wel is het niet juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio
peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden
ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der
wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof,
dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de
H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is
er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en
Jacobus ijvert tegen een dood geloof. Het geloof, dat rechtvaardigt,
is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze
gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe
levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons.
Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken,
Jak. 2:22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq.
Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf.
384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21-26. M.
Vitringa III 317. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinb.
1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889, 2tes Heft. Schwarz ib. 1891,
4tes Heft. Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 S. 251-256.
8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken der
Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met Piscator de
obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie beperken tot de
vergeving der zonden en dus vroeger of later tot de gevolgtrekking
komen, dat de geloovigen, na door Christus bevrijd te zijn van de schuld
en straf der zonde, zelven de wet hadden te volbrengen, ten einde het
eeuwige leven te verwerven, boven bl. 350v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.²
I 271. II 61 f. Daarom werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al
kon de vergeving der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor
heel de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in dan
de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar in den staat
van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor ons de wet onderhouden
en het eeuwige leven verworven, cf. boven 351v. 361. 373 en vooral ook
Gomarus op Luk. 1:77, Op. 1664 I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI
4. Moor IV 681. Hodge III 125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen,
dat de rechtvaardiging meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch
was er nog weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere
theologen noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de
toerekening van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard,
Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned. Gel.
art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger, Vergl. Darst.
II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon dit niet bepaald
onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende gerechtigheid van
Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt verstaan, zijn de deelen
toch niet zuiver gecoordineerd en maken zij ook eene te sterke scheiding
tusschen Christus’ passieve en actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht,
VI 6, 17. Beter is het daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven
door de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij
Paulus het woord δικαιουν afwisselt met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην,
cf. Heid. Cat. vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is
het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de
vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen
leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche
gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus, Theol.
El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot
kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III
90. Pfleiderer, Paulinismus 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar
anderen, zooals Martyr, L. C. p. 354, beschouwden deze liever als eene
vrucht der rechtvaardigmaking.
Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de
wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de
rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae en de vergeving
van de heiligmaking laat afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de
wegneming van de reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van
de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peccata venialia, na de
infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in
het vagevuur geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate
begrippen, boven bl. 162 cf. 98. Maar de vergeving, welke een deel der
rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding
van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van
de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige zonden.
Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme, tegen deze rijke
en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom
tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene
zonden, met beroep ook op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz., Rivetus,
Op. III 1099. Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd.
34, 53-62. 56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e. a. Tegenover het
antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de
geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, soms zelfs
in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als
straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat
de geloovigen nog zelf voor hunne peccata venialia hebben te boeten,
en doet alzoo aan den rijkdom en de genade der vergeving tekort; het
antinomianisme wil deze laatste eeren en meent daarom, dat de zonden,
die de geloovigen bedrijven, niet voor rekening komen van den nieuwen
maar alleen van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen
vergeving der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden
alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de reatus
actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde; d. w. z. de
vergeving neemt wel weg de straf maar niet de strafwaardigheid van de
zonde. Deze laatste blijft, zoolang de zonde blijft. Zonde brengt, ook
en vooral bij de geloovigen, schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering
van God, verootmoediging enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens,
de vrijmoedigheid en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders;
de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid
noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang vergeving
te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in de verdorvenheid
van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis te doen zelfs van
de zonden hunner jeugd en hunne schuld terug te leiden tot hunne
ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25:6, 51:6, 7. Deze belijdenis is
dan geen voorwaarde der vergeving; maar wie zijne zonde waarlijk kent,
belijdt ze vanzelf en voelt daartegenover te sterker behoefte aan den
troost der vergeving. Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige
dagelijks noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt
niet alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis
weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het geloof, als een kind,
tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt amen op zijn gebed. En dit
bidden is niet alleen eene behoefte, maar het is ook noodig; want de
rechtvaardigmaking bestaat niet in eene transcendente vrijspraak van den
zondaar bij God in foro coeli, maar zij is een actus transiens, die door
den H. Geest ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en
in deze eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt.
Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn der
vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt. Onder de zonde
gaat het schuil; het geloof als habitus blijft wel, maar het kan zich
niet meer uiten in daden. Opdat dit geloof weer opleve, opdat de Geest
Gods weer luide en krachtig met onzen geest getuige, dat wij kinderen
Gods zijn; daartoe is na de zonde weer verootmoediging, belijdenis,
bede om vergeving noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden,
zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons
kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige
ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als
eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou
alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl
dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft
bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne
gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter
niet met Rivetus e. a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene
en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op
Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In
de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis,
vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met
al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen,
worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God
gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. En de werkzaamheden
des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave
des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden
aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8:30, Gal. 3:27, Hebr. 9:12, 10:12,
14 enz. Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere
struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der genade te
gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping
onberouwelijk zijn, Rom. 11:29, Hebr. 4:12, 1 Joh. 1:9, cf. Calvijn, Inst.
III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol. probl. nova
XVII 10. Witsius, Misc. Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 313.
Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat ze voor den
natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden
door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus
spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid, cf. Witsius, de theol.
gentilium circa justificationem, Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken
de meeste Christenen haar van geloof en goede werken afhankelijk.
Alles pleit ook tegen haar, de zonde zelve, die straf eischt, het
geweten, dat beschuldigt, de wet, die veroordeelt, de wereld, die
geen barmhartigheid kent, Satan, die een aanklager is van heel het
menschelijk geslacht, God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de
zonde niet gedoogen kan. De vergeving der zonden is eene gave, die
alleen door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen
voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid te belijden,
is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot het aannemen van de
Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van de Godheid van Christus, van
zijne voldoening en opstanding in staat stelt. De bezwaren, tegen alle
deze dogmata ingebracht, zijn in het wezen der zaak geen andere, dan
die ook tegen de vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar.
Maar het geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en
een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een God,
die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de dingen, die niet
zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze rechtvaardigt. Zoozeer
staat deze vergeving der zonden in de Schrift op den voorgrond, dat zij
soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd wordt. Toch is met haar
nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er
wel niet van afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is
de toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming tot
kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd,
Gal. 4:5, cf. Dan. 9:24, Hd. 26:18, Op. 1:5, 6. Reeds in het O. T. heet
God de Vader van zijn volk en Israel zijn zoon, deel II 113. Maar in het
N. T. krijgt dit vader- en zoonschap een veel dieper zin. God is nu,
niet in theocratischen maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen,
en dezen zijn zijne kinderen, τεκνα, uit Hem geboren, en daarom door het
geloof in Christus de ἐξουσια verkrijgend, om het te worden, γενεσθαι,
totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen
gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes
vooral voorkomt, behoort echter hier niet maar bij wedergeboorte en
heiligmaking ter sprake te komen. Daarentegen spreekt Paulus van
de υἱοθεσια in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van
Christus’ gerechtigheid de vergeving der zonden ontvangen, zoo worden
zij ook tot kinderen, υἱοι θεου (niet τεκνα) aangenomen. Deze υἱοθεσια,
welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven,
Gal. 4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3:26. Wie van de schuld
en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon
aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De
geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus,
die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8:29. Hij was de Zone
Gods van natuur, 8:32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3;
de geloovigen worden ὑιοι θεου door aanneming. En evenals Christus
bij zijne opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is κατα πνευμα
ἁγιωσυνης, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn ἐν τῳ πνευματι του
θεου ἡμων, 1 Cor. 6:11, zoo worden zij ook door het πνευμα υἱοθεσιας
tot zonen Gods, Rom. 8:14-16, en daarna ook door dienzelfden Geest
van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij
dan tevens κατ’ ἐπαγγελιαν κληρονομοι, Gal. 3:29, 4:7, Rom. 8:17;
en wijl deze erfenis nog in de toekomst ligt, is ook de υἱοθεσια in
haar volle verwezenlijking nog een voorwerp der hope, Rom, 8:23. De
rechtvaardiging, die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de
opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert,
krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne
sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt en
alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid
Gods des Vaders. Maar al wacht de „Rechtsfolge der Adoption” nog, de
geloovigen zijn toch hier op aarde reeds tot kinderen aangenomen; zij
worden door den H. Geest als waarborg en onderpand verzegeld tot den
dag hunner verlossing, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30, en voor de
hemelsche erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1:4, 5. Door
dien Geest worden zij voortdurend geleid (ἀγονται, niet φεγονται als 2
Petr. 1:21), Rom. 8:14, van de liefde, die God tot hen heeft, 5:5, cf.
vs. 8, en van hun kindschap, 8:15, 16, Gal. 4:6 verzekerd, en thans
reeds vrede, Rom. 5:1, Phil. 4:7, 9, 1 Thess. 5:23, en vreugde, Rom.
14:17, 15:13, 1 Thess. 1:6 deelachtig.
§ 46. HEILIGMAKING EN VOLHARDING.
1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden, welke er wel
in aard maar niet in tijd van onderscheiden is. Over beider verhouding
is er in de christelijke kerk altijd verschil en strijd geweest, evenals
in alle godsdiensten de band van godsdienst en zedelijkheid op
verschillende wijze wordt gelegd, en er onder de menschen een groot
onderscheid bestaat tusschen de religieuse en de ethische naturen.
Het nomisme, opkomend voor de belangen van het zedelijk leven, maakt
rechtvaardigmaking van heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de
verhouding tot God van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let
het antinomisme in de eerste plaats op de eischen van het religieuse
leven, stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf aan
de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel los van
die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer als in leven,
groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid, rechtvaardigmaking
en heiligmaking tot elkander in het juiste verband te stellen, cf.
deel I 193. Beide zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het
religieuse leven, neemt den troost der geloovigen weg en maakt God
aan den mensch ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin
gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuse verhouding des
menschen tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur
vernieuwd en van de onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in
zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als
Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem
zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van
schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein en onbesmet
door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mensch
werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en
had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking van noode, al moest hij
ook der wet gehoorzaam zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden
en het eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde
heeft den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods
aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom
van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd worden. En dat
geschiedt in de reehtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even
noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De
rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8:30, 1
Cor. 1:30, want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op
grond van eene in het geloof ons geschonken δικαιοσυνη θεου, en niet ἐξ
ἐργων νομου; zij is eene juridische daad en in één oogenblik voltooid.
Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en
maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid
des H. Geestes langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s
leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelve niet onjuist,
alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den
grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op den grondslag
der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van
Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking
en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den
ganschen, vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop
zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in
juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene worden wij
rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij zelf door zijnen Geest
woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld.
Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden
zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tusschen beide
geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt
het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God
zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde
geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt maar ook zooals zij
onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn
onafscheidelijk verbonden; οὑς δε ἐδικαιωσεν, τουτους και ἐδοξασεν,
Rom. 8:30; de δικαιωσις brengt ζωη mede, 5:18; wie door God is
gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne
gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet
alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon
dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en
dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen;
en met en in Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in
den hemel gezet, Rom. 6:2-11, 2 Cor. 5:15, Gal. 2:20, Ef. 2:5, 6,
Col. 2:12, 3:1 enz. Christus is hunne δικαιοσυνη maar in denzelfden
zin ook hun ἁγιασμος, 1 Cor. 1:30, d. i. niet hunne heiligheid,
ἁγιοτης, ἁγιωσυνη, maar hunne heiligmaking. Christus n.l. heeft
door zijn lijden en sterven niet alleen de gerechtigheid aangebracht,
op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar
alzoo heeft Hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode
wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijne
gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare
gansche uitgestrektheid, ἀπολυτρωσις, niet alleen als loskooping uit
de rechtsmacht der zonde, Rom. 3:24, Ef. 1:7, Col. 1:14, maar ook
als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23, 1 Cor. 1:30,
Ef. 1:14, 4:30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet
alleen objectief in de rechtvaardigmaking, maar Hij deelt zichzelven
ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met
hen op geestelijke, mystieke wijze. Deze unio mystica wordt door de
Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan
natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk
geloof tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de
theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene andere
opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in het pactum
salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus
hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na
Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H.
Geestes tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle
werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in
het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus
dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking
van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus
gaat weer vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden
door de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren
en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz.,
zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica
onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen
met Christus is eenerzijds geen pantheistische vermenging van beiden,
geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en
later tijd opgevat is; maar zij is toch aan den anderen kant ook geen
loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals het
rationalisme ze verstond en thans Ritschl ze weer verklaard heeft,
Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers. III² 106. 552 f. Gesch. d.
Pietismus, 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen
mit Gott 1886. Gottschick, Luthers Lehre v. d. Gem. des Gläubigen
mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift
van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke
overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat
Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14:23, 17:23, 26,
Rom. 8:10, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17, en dat zij in Hem zijn,
Joh. 15:1-7, Rom. 8:1, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Ef. 1:10v.; zij zijn
vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12:4, 1
Cor. 12:12, Ef. 1:23, 4:15, man en vrouw, 1 Cor. 6:16, 17, Ef. 5:32,
hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3:11, 16, 6:19, Ef. 2:21, 1 Petr. 2:4, 5,
cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5. Boquinus, Zanchius,
Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 372. Martyr, L. C. 259.
Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius, Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp.
II 459. Mastricht VI c. 5. Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa III
78. Comrie, Catech. op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 163.
Pfleiderer, Paulinismus² 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg
1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881
S. 377-417. Deismann, Die neutest. Formel ἐν Χρ. I. Marburg 1892. Deze
unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt tot stand door den H.
Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking
en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en
in de gemeente uitgestort heeft, is n.l. niet alleen een Geest der
υἱοθεσια, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de
Geest der vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus
zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis af tot
zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan ’s
Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver
en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus
is. Door dezen Geest vormt en bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De
allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds
medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16:14.
Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3:5, 6, 8, Tit. 3:5, het leven
schenkt, Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor. 6:15,
17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2:9v. 12:3, wascht, heiligt,
rechtvaardigt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5, leidt, Rom. 8:14, Gods
liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5:5, in hen bidt, Rom. 8:26,
allerlei deugden, Gal. 5:22, Ef. 5:9, en gaven, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:4,
vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene
nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8:2, 4, 1 Cor. 7:9, Gal. 5:6, 6:2,
hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6:19, 1
Cor. 2:10, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; in één woord, de H. Geest woont
in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8:1, 4, 9-11, 1
Cor. 6:19, Gal. 4:6 enz. Cf. deel II 231. 249 en voorts nog Pfleiderer,
Der Paulinismus² 225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f.
2. In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging,
eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven aan den Vader,
Joh. 17:17, 1 Thess. 5:23, Hebr. 13:20, 21, den Zoon als πνευμα
ζωοποιουν, 1 Cor. 15:45, Ef. 5:26, Tit. 2:14, en vooral ook, gelijk
boven bleek, aan den H. Geest, Tit. 3:5, 1 Petr. 1:2. De geloovigen
zijn daarbij passief, zij worden geheiligd, Joh. 17:19, 1 Cor. 6:11, zij
zijn met Christus gestorven en opgewekt, Rom. 6:4v., zij zijn ἡγιασμενοι
ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2, Gods ποιημα, Ef. 2:10, κτισις, 2 Cor.
5:17, Gal. 6:15, ἐργον, Rom. 14:20; τα δε παντα ἐκ του θεου, 2 Cor.
5:18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen van
de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere relatie tot God
komen te staan. In het O. T. duidde heiligheid die verhouding van God
tot zijn volk en van het volk tot God aan, welke in de verschillende
wetten omschreven en geregeld was, deel II 184-191. Ook in het N. T.
heeft het begrip heilig deze beteekenis van eene relatie behouden. Er
is sprake van heilige stad, Mt. 4:5, heilige plaats, 24:15, heilig
verbond, Luk. 1:72, heilig land, Hd. 7:33, heilige Schrift, Rom. 1:2,
heilige berg, 2 Petr. 1:18, heilige profeten, Luk. 1:70, heilige
offerande, Rom. 12:2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij zonder
zonde was, dat Hij zich heiligde, d. i. zich in zijn dood Gode tot eene
heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17:19; en zoo heeten de
geloovigen met een staand epitheton ἁγιοι, omdat zij door de roeping,
cf. Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, κλητοι ἁγιοι, in eene bijzondere verhouding
tot God staan en, in de plaats van het oude Israel, γενος ἐκλεκτον,
βασιλειον ἱερατευμα, ἐθνος ἁγιον, λαος εἰς περιποιησιν, zijn, 1 Petr.
2:9. Maar deze verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al
niet onder het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich
verbonden, om Israel zijn verbond en wet te geven, om het te redden of
ook te kastijden, en was Israel verplicht, om in Gods inzettingen te
wandelen, deel II 189. Nu is in het N. T. de wet in Christus vervuld;
zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer, welke tusschen God
en zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus in de plaats getreden;
in en door Hem regelt God de verhouding tusschen zich en zijn volk;
de geloovigen zijn ἡγιασμενοι ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2; en deze
heiligt zijn volk door den H. Geest, ἐν πνευματι, 1 Cor. 6:11, die nu
als zoodanig πνευμα ἁγιον heet en het principe der heiliging is. Deze
heiliging bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans
voorstellen, bijv. Paul Wernle, Der Christ und die Sünde bei Paulus,
1897 S. 31, 39, 62, dat de Christenen van de wereld afgezonderd en Gode
in uitwendigen, cultischen zin toegeeigend zijn; maar zij heeft eene
diepe, ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart, reinigt,
vernieuwt, Joh. 3:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:5; met de inwoning des H.
Geestes begint voor de geloovigen eene καινοτης ζωης, Rom. 6:4, welke
eene tegenstelling vormt met den vroegeren wandel in allerlei zonden en
ongerechtigheden, 1 Cor. 6:10, Ef. 2:1; zij zijn thans nieuwe menschen,
2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 15, 4:24, Gal. 6:15, Col. 3:10, die Gode leven
en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot heiligmaking,
Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den H. Geest brengt mede,
dat de geloovigen van alle schuld en ook van alle smet der zonde bevrijd
zijn. En daarom bestaat de heiliging in het N. T. ten volle daarin,
dat de geloovigen den beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt,
Rom. 8:29, Gal. 4:19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking
saam; deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met
de roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij en die Hij
rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom. 8:30; en
deze verheerlijking zet zich in dit leven voort, 2 Cor. 3:18, totdat zij
voltooid wordt bij de wederkomst van Christus, 1 Cor. 15:49, 51v., Col.
3:4. Phil. 3:21, cf. deel II 191.
Uit deze heerlijke beschrijving van den Christenstand in het N. T.
is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de
volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door
de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten,
Schwencfeld, Weigel, Böhme, Poiret, Labadie, Quietisten, Pietisten,
Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz., cf. bij M.
Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren tijd vooral door
Moody, Sankey e. a., cf. Jellinghaus, Das volle, gegenwärtige Heil
durch Christum, 1880, gematigder in de latere uitgaven, 4e Aufl. Basel
1898. Er is van andere zijde aan deze bewering steun geboden. Ritschl
merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen
bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen
in het geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen
werkten deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van
een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige
wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf. Scholz, Zur
Lehre vom „armen Sünder”, Zeits. f. Th. u. K. 1896 S. 463 f. Clemen,
Chr. Lehre v. d. Sünde I 109 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral
Wernle in zijn boven aangehaald geschrift, cf. ook Karl, Beiträge
zum Verständniss der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap.
Paulus, Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die
niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier geen
woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk
Gods. Zij noemt Israël in het O. T. een priesterlijk koninkrijk, door
God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en
knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5,
6, Deut. 7:7v., 32:6, 8, 9, 18, Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de
geloovigen in het N. T. zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht
der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13,
zijn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9, 10,
der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met den H.
Geest, 1 Joh. 2:20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters,
Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3:9, 5:18v. enz. Wie de leer
der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts
overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en
heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift
oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats, noemt haar
met de schoonste namen en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en
heerlijkheid toe. In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet,
Dogm. Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de H. Geest
aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar recht dan in de
Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging uit het geloof
en de verwachting van de hemelsche zaligheid de leer der Schrift over
den Christenstand uitgeput acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke
met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp
des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus
schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als
dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den
beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den
schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men
niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat
ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft
van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en
verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij
Abraham, Gen. 12:11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes, Num. 20:7-12,
Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo, 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9,
Jesaja, cap. 64:6, Daniël, cap. 9:4 enz. En ook Paulus weet, dat hem,
als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus
zich steeds helder bewust is van de groote verandering, welke met hem
heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en
hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van
de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd,
roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten
voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van
zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15 vs. 17, 1 Cor. 4:3,
9:15, 15:30, 31, II 1:12, 6:3, 11:10, Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10,
19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal.
2:20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5:17, dat
in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7:18, en dat hij de volmaaktheid
nog niet heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7:7-26 is in dit
opzicht van groote beteekenis, cf. reeds boven bl. 106; hoezeer de
reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren tijd meest
prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet geweten wat men
deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet geheel zonder reden: in der
That bedeutet das Zurückgehen auf die alte (griechische) Tradition von
Röm. 7 einen viel schwereren Schlag für unsere Dogmatik, als in der
Regel von ihr empfunden wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm.
7 sich nicht auf den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass
durch dies Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird,
t.a.p. 108. Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der
reformatorische uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven.
Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige
te verstaan. In Wahrheit macht man den Apostel zum Komödianten,
wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht, nur in der
Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand reden können, Clemen
t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen, Paulus II 1891 bl. 71.
Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7 met de overige uitspraken van
Paulus in overeenstemming te brengen en zegt daarom: sie entstammt
wohl einer besonders trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst
vorherrschenden Bewusstsein! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in
de heiligen des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege
uitgaat van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het
einde huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede
om vergeving, Mt. 6:12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1:9.
Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen,
dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte
gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3:2; indien
zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 1:8.
Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders. Hij plaatst hen
zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen, heiligen, merkt met
vreugde de christelijke deugden op, die in hen openbaar worden, en geeft
hun gaarne en herhaaldelijk een roemvol getuigenis. Hierin overdrijft
de apostel zeker niet; de verandering moet groot geweest zijn, als hij
van de geloovigen uit de Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in
allerlei schrikkelijke zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd,
gerechtvaardigd waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest
Gods, 1 Cor. 6:11. Desniettemin heeft hij een open oog voor de zonden,
die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1
Cor. 3:1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5:7v., in de Colossers
is het goede werk wel begonnen maar niet voleindigd, Col. 1:6, ja, hun
leven is nog met Christus verborgen in God, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus
niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof
in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom
vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot wapenen der
gerechtigheid, Rom. 6:13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug
te komen, die eens uit en door het geloof geschied is, dringt hij er op
aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar
den Geest openbaren en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog
onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van
den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of
aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen
dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen
doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben
onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen,
onkreukbaren eisch der wet: _weest_ heilig, want Ik ben heilig, 1 Petr.
1:16, _weest_ volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5:48, Jak.
1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen zonde gedaan
heeft, 1 Petr. 2:21v. Ef. 5:1, en in den dag van Christus ἀνεγκλητοι,
εἰλικρινεις, ἀπροσκοποι, ἀμεμπτοι, ἀμωμοι zijn, 1 Cor. 1:8, Phil.
1:10, 2:15, Col. 1:22, 1 Thess. 3:13, 5:23. Met allen ernst en zonder
ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij
de rechtvaardiging bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker
is, alleen door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar
in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid
weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods wil doen en
onstoffelijk voor zijn aangezicht wandelen.
De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1:5, 1 Thess.
5:23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12:1, 2 Cor. 7:1, 1
Thess. 4:3, Hebr. 12:14. Evenals bij de prediking van het evangelie het
geloof eene gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover
Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9:1-29 en 9:30-10:21, zoo
wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving,
kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch
telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst
daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave,
door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26, 16:17, 22:14,
24:22, Luk. 10:20, 12:32, 22:29, en toch is het een loon, een schat in
de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst
Gods verworven moet worden, Mt. 5:12, 20, 6:20, 19:21, 20:1v. enz.
De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets
kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne
liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich
benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr.
1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt,
Hebr. 10:10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13:21,
en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14,
6:11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds
aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de
begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn,
Gal. 5:24, Col. 3:5; of, om al deze tegenstellingen saam te vatten:
eenerzijds is het een feit, dat de Schrift niet eens maar herhaaldelijk
van loon spreekt, aan het geringste werk, in Jezus’ naam verricht, loon
verbindt, aan het einde een iegelijk vergelden laat naar zijne werken
en menigmaal met het oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt.
5:12, 6:4, 16:27, 25:34, Rom. 2:6, 1 Tim. 4:7, 8, Op. 22:12 enz.; en
daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste en
loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen zal,
Mt. 20:9, Mk. 10:30, Luk. 12:37, 43, 44; dat hij, als hij alles doet,
wat hij schuldig was te doen, nog een onnutte dienstknecht is, Luk.
17:10, dat er geen loon is dan uit genade, Rom. 4:3, 4, en dat alle
weldaden des verbonds, de heiligmaking en de verheerlijking, even goed
als de rechtvaardigmaking, door Christus verworven zijn, in Hem gereed
liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven maar
ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het geloof kunnen
aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze alwerkzaamheid Gods in de
genade en de toch daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen
eene tegenstrijdigheid gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke
tegenspraak beschuldigd en voor zichzelven de eene aan de andere
opgeofferd. Zoo werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient,
om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan
den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den anderen kant
beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook zelfs schadelijk voor
de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze eenzijdigheden staat de H.
Schrift, als de hemel boven de aarde, als de gedachten Gods boven de
gedachten der menschen. Zij houdt beide vast, predikt beide met gelijken
nadruk en ziet tusschen beide geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat
God in de geloovigen werkt het willen en het werken, hebben zij huns
zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2:12, 13. Zij
zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke
God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. God en
mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking
en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature geen tegenstelling.
Zij zijn het geworden door de zonde; en door haar brengt de mensch
telkens weer strijd tusschen beide. Maar zij zijn oorspronkelijk ten
nauwste vereenigd; zij zijn door Christus, die onze vrede is, in hunne
eenheid hersteld; zij zijn in het christelijk leven in beginsel verzoend.
Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de geborenen uit God worden
kinderen Gods omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet: werde was du
bist! Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste; zij
zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons voorbereid
en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze zwakheid steeds
onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch ongeevenredigd aan
de zaligheid, die geschonken wordt; ipsa hominis bona merita sunt
Dei munera, Augustinus, Ench. 107. En desniettemin zijn zij dringend
noodzakelijk, om het gebod Gods, Rom. 6:18, 7:4, 8:12, 13, 1 Thess. 4:3,
om het doel der verlossing, Ef. 1:4; als vruchten des geloofs, Jak.
2:14, uit dankbaarheid, 1 Cor. 6:20, Col. 1:10, 1 Thess. 2:12, ter
verheerlijking Gods, Joh. 15:8, als weg tot de zaligheid, Hebr. 12:14;
bona opera via regni, non causa regnandi (Bernardus). Cf. later den
locus de vita christiana.
3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de Schrift over
de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen, om te volharden
tot het einde toe, Mt. 24:13, Rom. 2:7, 8, om te blijven in Christus,
in zijn woord, in zijne liefde, Joh. 15:1-10, 12:6, 24, 27, 3:6, 24,
4:12v., om niet af te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1:23,
Hebr. 2:1, 3:14, 6:11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2:10, 26.
Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te staan, zie
toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10:12; waarschuwt tegen hooggevoeligheid
en dreigt in geval van ontrouw met zware straf, Ezech. 18:24, Mt.
13:20, 21, Joh. 15:2, Rom. 11:20, 22, 2 Tim. 2:12, Hebr. 4:1, 6:4-8,
10:26-31, 2 Petr. 2:18-22. Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden
te noemen, waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel,
Salomo in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1:19, 20, 2 Tim.
2:17, 18, Demas, 2 Tim. 4:10, valsche profeten en leeraars, die den
Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2:1. geloovigen, die van de
genade en het geloof afvallen, Gal. 5:4, 1 Tim. 4:1. Op deze teksten
steunende, hebben Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten,
Mennonieten, Kwakers, Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen
de mogelijkheid van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd,
M. Vitringa III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis
der perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze ten
opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte, leerde hij,
dat de door den doop wedergeborenen de genade, die zij ontvangen hadden,
weer verliezen konden, doch haar, indien zij behoorden tot het getal der
praedestinati, in elk geval vóór den dood terug ontvingen; geloovigen
konden dus totaliter maar uitverkorenen konden niet finaliter de genade
verliezen. In de Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later
velen met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden
gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, Zwingli, Op. IV 121.
Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz. Polanus, Synt. VI 43.
Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5. Trigland, Antapol. c.
39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 20-22.
Moor IV 387 V 158. M. Vitringa III 415 enz., en in den nieuweren tijd
Schleiermacher, Chr. Gl. § 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509.
Scholten, L. H. K. II 505v. Van Oosterzee § 121.
Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag, of zij, die
het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet, aan zichzelven
overgelaten, het weder door eigen schuld en zonde zouden kunnen
verliezen; evenmin of bij hen niet soms feitelijk alle werkzaamheid,
vrijmoedigheid en troost des geloofs ophoudt en het geloof zelf onder
de zorgvuldigheden des levens en de genietingen der wereld in het
verborgen zich terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der
genade dat Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel
of Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat gaan.
De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is eene gave
Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte hij tusschen
tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade der wedergeboorte
en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar was en waaraan,
om te blijven bestaan, nog van buiten af eene tweede genade, die der
perseverantia, moest worden toegevoegd. De tweede genade is dan
een donum superadditum, houdt met de eerste geen verband en staat
feitelijk zonder eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de
Gereformeerden was de leer van de volharding eene gansch andere; zij was
eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der genade voortgang
en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet buiten de geloovigen om
doch door hen henen. Hij geeft in wedergeboorte en geloof eene genade,
die ook in zichzelve een onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een
leven, dat van nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping,
rechtvaardigmaking, verheerlijking, die onderling onverbreekbaar
samenhangen. Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de
Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de leer
der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door de geloovigen
heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de middelen, waardoor
de volharding in het leven gerealiseerd wordt. Ook de volharding
toch is geen dwang maar werkt als gave Gods op geestelijke wijze op
den mensch in. God wil juist op zedelijke wijze, door vermaning en
waarschuwing, den geloovige tot de hemelsche zaligheid leiden en doet
hem zelf gewillig, door de genade des H. Geestes, volharden in geloof
en in liefde. Gansch verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des
H. Schrift tot de mogelijkheid van het totale verlies der genade te
besluiten. Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus
uit zijne verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt.
De zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar
ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist zeker,
dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch zegt hij:
indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden,
Hd. 27:22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke de Schrift voor
werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk te bewijzen, dat
al die personen òf de werkelijke genade der wedergeboorte hebben gehad
(Hymeneus, Alexander, Demas, personen in 1 Tim. 4:1, 2 Petr. 2:1) òf
haar werkelijk in hun val hebben verloren en dan later weder terug
hebben ontvangen (David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch
nooit terug ontvingen (Hebr. 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22). Deze
laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den weg te leggen voor
de belijdenis der perseverantia sanctorum. Toch is dit maar schijn.
Want ook zij, die de mogelijkheid van afval leeren, moeten aannemen,
dat hier van eene gansch bijzondere zonde sprake is. Immers is volgens
henzelven de genade wel verliesbaar maar ook na totaal verlies weer
herkrijgbaar. Het gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze
plaatsen afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten
opgenomen worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen.
Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat het _onmogelijk_ is,
om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom te vernieuwen
tot bekeering, Hebr. 6:4, 10:26, 2 Petr. 18:20, 1 Joh. 5:16, dan is het
onwedersprekelijk, dat hier eene zonde bedoeld wordt, die het oordeel
der verharding medebrengt en bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene
zonde is er, ook naar de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van
afval aannemen, slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest,
boven bl. 101. Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval
der heiligen tot de gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H.
Geest ook of zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden,
Quenstedt, Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen
de perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog
meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid maken
tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte niet, en
andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn m. a. w. gedwongen, om
tot de Roomsche leer van de peccata mortalia en venialia de toevlucht
te nemen, tenzij zij zouden willen, dat die genade door iedere, ook de
geringste, zonde teloor ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal
vervalscht, de natuur der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende
en benauwende casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt
tot geen zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen
stille ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit
kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht te
betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren en
weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. I
233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval der heiligen zoo weinig
aan de moeilijkheden, die zij ontwijken wil, dat zij deze nog vergroot
en vermeerdert. Want indien zij daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid
van Gods praescientia, worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie
God dit eeuwig zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze
zekerheid der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden
tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en dan
maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de genade des
Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge zijne liefde hebben
geopenbaard, Christus moge voor zondaren gestorven zijn, de H. Geest
moge wedergeboorte en geloof in het hart hebben geplant, de geloovige
moge met Paulus kunnen zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar
den inwendigen mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en
waarom ook nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de
beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk hij
bepaalt.
De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt
het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de
gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het de verplichting mede,
om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in
Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan
ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet
af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt.
Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er
zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem,
zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is
een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn
volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste
schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, boven bl. 194. En
als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het
hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord
Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt
diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en
dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo
getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet,
anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er dus ook
onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen
aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de
onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer
moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op
zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des
koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het
gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren
vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten eeuwigen
leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8:29;
en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te
harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30.
Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is
gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17:6,
12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen
zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven
en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit
zijne hand rukken, Joh. 6:39, 10:28: De H. Geest, die hen wederbaart,
blijft eeuwig bij hen, Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der
verlossing, Ef. 1:13, 4:30. Het verbond der genade is vast en met een
eed bevestigd, Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk,
Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat
verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste,
legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v., laat hen niet
verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13, bevestigt en voleindigt
het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart
hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig
te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne
voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet
ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze,
Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7:20, dat de zonden
hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en
zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17:24. De weldaden van Christus,
welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom.
11:29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind
is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17, Gal.
4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3:16. En dat
leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl
het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9. Het geloof is een vaste grond, Hebr.
11:1, de hope is een anker, Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en
de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13:8.
Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een
overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede
werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen
en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid
verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof
bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia
sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden.
Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide: Deus melius esse
judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum
suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas,
bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand
met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij
door bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de
Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis,
conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus,
de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van
iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was, im höchsten Grade
unheimlich zou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen
weren, dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197.
Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de
certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden
beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid
der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen
naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten
des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden.
Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid
wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van
den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers
eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met
onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:15, Gal. 4:6, doet de
geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in
Christus, Rom. 8:38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid,
Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des
geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit
heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de
rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij
de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot
God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk
leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter,
door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn,
is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling
der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar
als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de
vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de
onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat
geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige
leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige
reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de zekerheid
insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt
en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot
groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de
zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo
fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R.
35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq.
Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol.
c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131.
Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine,
De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang.
Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.
* * * * *
Correcties:
Pag. 4: „sehepselen” vervangen door „schepselen” (de lagere
schepselen en de kleinere gebeurtenissen).
Pag. 8: „1I” vervangen door „II” (Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425).
Pag. 17: „1:4” vervangen door „1:14” (Habakuk klaagt er hoofdst. 1:14
wel over).
Pag. 38: „en” vervangen door „en in” (en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van
dezelfde meening).
Pag. 56: „meer” vervangen door „neer” (bij deze oplossing legden zich
neer de Pelagianen).
Pag. 62: „det” vervangen door „der” (de werkelijkheid der zonde).
Pag. 64: „alof” vervangen door „alsof” (alsof God de zonde met geweld
wilde keeren).
Pag. 65: „imaginiret” vervangen door „imaginiert” (in den afgrond der
zonde hinein imaginiert).
Pag. 89: „van” vervangen door „vom” (Die Lehre v. d. Sünde u. vom
Versöhner⁸ 1862).
Pag. 91: „1S82” vervangen door „1882” (Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f.).
Pag. 91: „Biedermaun” vervangen door „Biedermann” (Biedermann, Dogm.
614 f.).
Pag. 97: „89” vervangen door „98” (cf. Dorner, Gl. II 90-98).
Pag. 111: „overloediger” vervangen door „overvloediger” (de genade is
overvloediger en het leven is machtiger).
Pag. 115: „senipelagianisme” vervangen door „semipelagianisme”
(Volgens het semipelagianisme bestonden de gevolgen).
Pag. 122: „voorvloeide” vervangen door „voortvloeide” (in de Roomsche
theologie voortvloeide).
Pag. 122: „superaddditum” vervangen door „superadditum”
(langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op).
Pag. 136: „gebäbren” vervangen door „gebähren” (dass sie fortwährend
Böses muss gebähren).
Pag. 136: „willekenr” vervangen door „willekeur” (met onberekenbare
willekeur nu eens naar den eenen).
Pag. 140: „wetenschapelijken” vervangen door „wetenschappelijken”
(allen nuchteren wetenschappelijken zin).
Pag. 144: „inbaerent” vervangen door „inhaerent” (zij is zoo inhaerent
aan de menschelijke natuur).
Pag. 153: „ansusehen” vervangen door „anzusehen” (sind anzusehen als
eben so viele Tiger).
Pag. 156: „Dent.” vervangen door „Deut.” (het O. Test. zelf, Lev.
19:18, Deut. 32:35).
Pag. 160: „overschillig” vervangen door „onverschillig” (hij is er
evenmin onverschillig voor).
Pag. 163: „schulbewustzijn” vervangen door „schuldbewustzijn” (Wie uit
het schuldbewustzijn tot de schuld wil opklimmen).
Pag. 170: „Verzweifling” vervangen door „Verzweiflung” (Kinder der
Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung).
Pag. 170: „zondern” vervangen door „sondern” (sondern nur zur ewigen
Freude).
Pag. 175: „du” vervangen door „de la” (Le problème de la douleur,
Etudes évang. 1867).
Pag. 176: „Ps. 89:4S” vervangen door „Ps. 89:48” (Gen. 3:19, 18:27,
Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7).
Pag. 179: „Authropologie” vervangen door „Anthropologie” (in zijne
Studie der Christ. Anthropologie).
Pag. 179: „celni” vervangen door „celui” (aussi intact que celui de
la vie).
Pag. 179: „protoplasma” vervangen door „protoplasme” (La structure du
protoplasme etc. 1895).
Pag. 183: „voort” vervangen door „voorts” (en voorts Polanus, Synt. V
c. 12).
Pag. 185: „I6” vervangen door „16” (Hd. 16:17, 19:15. Deze obsessio
nu, hoe ontzettend ook).
Pag. 185: „anoloog” vervangen door „analoog” (een analoog verschijnsel
zien optreden).
Pag. 185: „bij” vervangen door „by” (With an introduction by Rev. F.
F. Ellinwood).
Pag. 197: „waarbeid” vervangen door „waarheid” (toen beeld, nu
waarheid; toen schemer, nu licht).
Pag. 202: „werel” vervangen door „wereld” (doch de gewijzigde
wereldbeschouwing vergde).
Pag. 208: „voorafgang” vervangen door „voorafging” (onze periode eene
andere voorafging).
Pag. 233: „berschappij” vervangen door „heerschappij” (maar een
religieus-ethische heerschappij).
Pag. 244: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (werden
rechtstreeks en onmiddellijk het deel).
Pag. 245: „omgerijmd” vervangen door „ongerijmd” (alwetendheid enz. is
ongerijmd).
Pag. 249: „Cristus” vervangen door „Christus” (de leer van Christus
in de moderne dogmatiek).
Pag. 258: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (dat Christus
onmiddellijk zijne plaats kon innemen).
Pag. 272: „preumatisch” vervangen door „pneumatisch” (psychisch en
pneumatisch leven).
Pag. 274: „26:43” vervangen door „24:43” (eene jonge vrouw, en vooral
eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8).
Pag. 278: „philosopie” vervangen door „philosophie” (de nieuwere
pantheistische philosophie).
Pag. 284: „théeol.” vervangen door „théol.” (Revue de théol. et de
philos. Mars 1891).
Pag. 290: „apotelesmatum” vervangen door „apostelesmatum”
(apostelesmatum en charismatum).
Pag. 302: „כֹהֵן” vervangen door „כֹּחֵן” (de namen in andere
talen, zooals כֹּחֵן, ἱερευς, sacerdos)
Pag. 305: „מִגְחָה” vervangen door „מִנְחָה” (Eerst was het
offer eenvoudig מִנְחָה, gave, Gen. 4:3).
Pag. 312: „alleen” vervangen door „allen” (den naam boven allen naam).
Pag. 316: „Augustius” vervangen door „Augustinus” (Augustinus
Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi).
Pag. 330: „Me” vervangen door „Mc” (en Dr. John Mc Leod Campbell).
Pag. 331: „oenvre” vervangen door „oeuvre” (Etude sur l’oeuvre de la
Rédemption).
Pag. 331: „bij” vervangen door „by” (the atonement as taught by Christ
Himself).
Pag. 363: „53” vervangen door „52” (Lev. 25:51, 52).
Pag. 377: „11” vervangen door „22” (en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in
geen geval).
Pag. 393: „scholatiek” vervangen door „scholastiek” (de scholastiek
leerde wel).
Pag. 395: „Dordsche” vervangen door „Dordtsche” (Op de Dordtsche
synode).
Pag. 422: „κηρηγμα” vervangen door „κηρυγμα” (was een κηρυγμα tot de
geesten).
Pag. 424: „eu” vervangen door „en” (en het hoogst en rijkst in
Christus).
Pag. 426: „veplicht” vervangen door „verplicht” (is het volk nu ook
verplicht).
Pag. 432: „gemeemte” vervangen door „gemeente” (niet alleen voor de
gemeente stierf).
Pag. 432: „Gol.” vervangen door „Col.” (1 Cor. 3:10-15, Ef. 4:1-16,
Col. 2:19).
Pag. 434: „his” vervangen door „bis” (Freiheit von d. ap. Zeiten bis
auf Aug. Freiburg 1856).
Pag. 445: „poemitentia” vervangen door „poenitentia” (De poenitentia
bestaat bij hem altijd in twee stukken).
Pag. 451: „Remonstantisme” vervangen door „Remonstrantisme” (dat door
Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd).
Pag. 458: „Durchburch” vervangen door „Durchbruch” (geen eindelijk
intredenden Durchbruch).
Pag. 459: „bebben” vervangen door „hebben” (eene neue Schöpfung
plaats hebben moest).
Pag. 464: „moeielijkheid” vervangen door „moeilijkheid” (met eene
eigenaardige moeilijkheid).
Pag. 464: „eu” vervangen door „en” (aan Christus toeschrijft en ons
toch opwekt).
Pag. 467: „aggressief” vervangen door „agressief” (naar
methodistischen trant agressief in de wereld).
Pag. 467: „eu” vervangen door „en” (ook toepassen en uitdeelen).
Pag. 509: „ontneent” vervangen door „ontneemt” (maar zij ontneemt er
ook niets wezenlijks aan).
Pag. 519: „πιστενειν” vervangen door „πιστευειν” (want Johannes
spreekt menigmaal van πιστευειν εἰς τινα).
Pag. 527: „inzon-heid” vervangen door „inzonderheid” (heeft de
Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn).
Pag. 532: „parallele” vervangen door „parallelle” (om de parallelle
vormen de voorkeur).
Pag. 562: „16, 16” vervangen door „16” (want Ik ben heilig, 1 Petr.
1:16, _weest_ volmaakt).
Pag. 567: „aannnemen” vervangen door „aannemen” (die de mogelijkheid
van afval aannemen).