zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der twee staten
kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio idiomatum met Jezus’
vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door
de Gereformeerden overgenomen, Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus,
Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol.
c. 27. 28 enz. Sedert Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is
zij echter òf geheel prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het
voorbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze
leer ook geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius,
Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen,
hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de allengs zich
voltooiende menschwording van den Logos, of van de Godmenschelijke
ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne vernedering wordt dan
opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de
verhooging vanzelve ten gevolge had, Martensen § 139 f. Dorner § 104.
Lange II 635. Rothe, Ethik § 533 f. De leer der twee staten wordt door
eene biographie van Jezus vervangen, die echter met het oog op de
bronnen onmogelijk, met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom
altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen
Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu 1864 § 1.
Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III¹ 3. 63. Kähler,
Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche, bibl. Christus 1892.
Id. Zur Lehre v. d. Versöhnung 68 f. Kuyper, Enc. III 158. Er is geen
scheiding te maken tusschen een vita Christi en een officium Christi,
gelijk Ebrard wil, Dogm. § 408. Zijn gansche leven stond in dienst van
het ambt, waartoe Hij door den Vader aangesteld en in de wereld gezonden
was. Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om
de evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige
middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld te
verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblik
voor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijne gemeente, om
haar een voorbeeld te geven, Mt. 11:29, Joh. 13:14-16 enz., om haar
te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt.
20:28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te
deelen, Joh. 1:16, 6:33v., Col. 3:4. De menschwording zelve was reeds
eene κενωσις, daarin bestaande, dat Hij, die ἐν μορφῃ θεου ὑπαρχων οὐχ
ἁρπαγμον ἡγησατο το εἰναι ἰσα θεῳ, d. i., die in de gedaante Gods, op
dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of
aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en de
μορφη δουλου aannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en
in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9,
cf. Weiffenbach, Zur Auslegung der Stelle Phil. 2:5-11, Karlsruhe u.
Leipzig 1884. In de verwisseling der μορφη θεου met de μορφη δουλου,
van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke bestond zijne κενωσις,
exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijne ταπεινωσις,
humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot
den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den
dood toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid,
een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds
verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis, Luk.
2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch en Abrahams zaad
was, dat Hij als zoodanig stond in de gemeenschap onzer zonde en het
teeken der afsnijding van die zonde ontvangen moest, en dat God zijn God
en Hij Gods Zoon was. Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de
besnijdenis voor zichzelf van noode had, Mt. 3:14, geschiedde, omdat het
Hem als middelaar betaamde, πληρωσαι πασαν δικαιοσυνην, al het recht
der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid aan te brengen,
die de wet van Hem eischte; omdat Hij als zoodanig in de gemeenschap
der zondaren staande, het teeken en zegel zijner gemeenschap met God
ontvangen moest, als de Zoon, in wien de Vader al zijn welbehagen had;
en omdat Hij met den H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest
worden tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen
kan met den H. Geest en met vuur, Mt. 3:11-17, cf. parall., Hd. 10:38,
Bornemann, Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm. Beurteilang der
christl. Theologen der vier ersten Jahrh., Leipzig 1896. De verzoeking,
die terstond na den doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemane
toe zich herhaalde, cf. ἀχρι καιρου, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Mt. 26:39,
Hebr. 4:15, 5:7, 1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zoo
pas het teeken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des
H. G. ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding
van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond
met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in stand houden en
bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester, in alles verzocht
zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe
komen. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven
gesproken en gedaan heeft, zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh.
5:19v., 6:38 en hebben ten doel, om den naam, de deugden, den raad en
het welbehagen Gods beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt.
11:27, Joh. 1:18; om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan
alle armen, kranken en verlorenen, Mt. 8:17, 11:5; om zijne koninklijke
macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen. Luk.
10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33, 18:37. Het lijden van Christus, dat
met zijne menschwording begint maar in de passio magna zich voltooit,
is de wil en het gebod van den Vader, Mt. 26:39, 42, Joh. 10:17, 18,
bewijs van zijne volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, en
voor de zijnen tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2:21, tot een
rantsoen voor hunne zonden, Mt. 20:28, 26:28, tot eene overwinning der
wereld, Joh. 16:33, Col. 2:15. Zijne veroordeeling, niet alleen door het
sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen rechter Pontius
Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord
of in een oproer sterven zou, maar naar de uitspraak van het toenmaals
beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk, in den
weg des rechts gedood zou worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke
onschuld, Mt. 27:18-24, èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne
belijdenis, de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26:63, 27:11,
èn de wil van God, Hd. 2:23, 4:27, 28, èn het karakter van zijn dood
als een sterven voor anderen, Mt. 20:28, duidelijk en onwedersprekelijk
voor aller oog in het licht zouden treden. De dood der kruisiging,
crudelissimum teterrimumque supplicium, en gewoonlijk slechts op
slaven en erge misdadigers toegepast, had deze beteekenis, dat
Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste en smadelijkste straf
veroordeeld zijnde, aan den strengsten eisch der wet heeft voldaan, als
een gehangene Gode tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de
vervloeking der wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13,
en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt,
volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt en de kern
van het evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:14. Het bloed dat Christus
vergoot--non infirmitate, sed potestate mortuus est, Aug., de nat. et
gr. 26--bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het
bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot
stand bracht, Mt. 26:27, Hd. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1:20,
Hebr. 9:12, 22. Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene
bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Mt.
12:40, 27:59, 60, Luk. 11:29, 23:53, Joh. 19:40-42, Hd. 13:29, 1 Cor.
15:3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en
dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral
hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns
Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen
verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord
heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen
heeft. Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten, zijn
vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage
opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades verkeerd, Mt. 12:40, Hd.
2:27, 31.
Andere plaatsen der Schrift zijn er niet, die van de begrafenis van
Christus of van zijn verblijf in den staat des doods spreken, want
de nederdaling εἰς τα κατωτερα της γης, Ef. 4:9 wijst blijkens de
tegenstelling op zijn nederdalen naar de aarde door zijne menschwording,
cf. Meyer t. p.; en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in geen geval van hetgeen
Christus deed tusschen zijn dood en opstanding, maar òf van hetgeen
Hij deed na zijne opstanding òf vóór zijne vleeschwording; de woorden
ζωοποιηθεις δε πνευματι duiden aan, dat Christus, die, wijl een sarkisch
lichaam deelachtig, gedood is, toch omdat het πνευμα Hem eigen was,
weer opgewekt is, zoodat zijn leven na de opstanding geen sarkisch
maar een pneumatisch leven was. De descensus ad inferos, τα κατωτατα,
Hades, niet hel, gehenna, in Griekschen, Roomschen, Lutherschen zin
heeft daarom toch in dezen tekst geen steun. Maar spoedig kwam in de
christelijke kerk de gedachte op, dat Christus in den tijd tusschen zijn
dood en opstanding naar den Hades was gegaan. Het voor eenigen tijd
ontdekte Evangelium Petri vs. 41 42 laat eene stem uit den hemel tot
Jezus zeggen: ἐκηρυξας τοις κοιμωμενοις, waarop het antwoord luidt:
γυμναι, de helsche machten zijn ontbloot. Volgens Hermas, Sim. IX 16,
5-7 zetten de apostelen na hun dood hun prediking voort, en wel aan
hen, die vroeger in gerechtigheid ontslapen waren, cf. ook Clemens
Alex. Strom. VI 6, 45. 46. En Tertullianus, de an. 55. Irenaeus, adv.
haer. I 27, 3. IV 27, 2 en V 31, 1-2, leeren dat Christus apud inferos
of in ea quae sunt sub terra is neergedaald, om de geloovigen des O.
T. in de weldaden van zijn werk te doen deelen. Volgens Rufinus †410
had het symbool der kerk te Aquileja ook dit artikel: crucifixus sub
Pontio Pilato et sepultus descendit in inferno; waarschijnlijk ging van
hier dit artikel in verschillende belijdenissen over, in dat van de
synode te Sirmium 359, Nice 359, Constantinopel 360, Toledo 633, in
het symbolum Quicumque en zoo ook in verschillende latere vormen van
het zoogenaamd apostolisch symbool, cf. behalve de vele dogmenhist.
werken van Harnack, Hagenbach enz., de werken over het apost. symbool
van Caspari, Harnack art. Apost S. in Herzog², Zahn, Das ap. Symbol,
Erlangen 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894 S. 103 f. Id.
Christl. Welt 1889 n. 27. 28. Id. Zur Würdigung des Apostolikums,
Hefte zur Chr. Welt n. 2, Leipzig 1892 S. 29. Hahn, Bibl. der Symb.
u. Glaubensregeln der alten Kirche³ 1897. De Grieksche kerk, Conf.
Orthod. qu. 49, verstaat onder den descensus ad inferos, dat Christus
met zijne Goddelijke natuur en met zijne ziel naar den Hades is gegaan
en de zielen der heilige voorvaderen bevrijd en met den moordenaar aan
het kruis, naar het paradijs heeft overgebracht. De Roomsche kerk, Cat.
Rom. I c. 6, cf. Bellarminus, de Christo IV 6-16. Petavius, de incarn.
XII 19. 20 XIII 15-18 Scheeben III 298 f. enz., leert, dat Christus,
werkelijk, met zijne ziel, na zijn dood, ad inferos is afgedaald en daar
zoo lang gebleven is, als zijn lichaam rustte in het graf, om de zielen
der vromen, die daar sine ullo doloris sensu, beata redemptionis spe
sustentati, quieta habitatione fruebantur, maar toch Gods aanschouwing
misten, te bevrijden, om als overwinnaar de daemonen neder te slaan
en hun de buit der zielen te ontrooven. De Luthersche kerk, Symb.
B. ed. Müller 550. 696 belijdt, dat Christus naar beide naturen, met
ziel en lichaam na de begrafenis naar de hel is gegaan, den duivel
overwonnen, de macht der hel verstoord en aan den duivel alle kracht en
macht ontnomen heeft; de theologen breidden dit zoo uit, dat Christus
op den morgen van den derden dag, na de vivificatio, resurrectio
interna en vóór de resurrectio externa, met ziel en lichaam naar de
hel is gegaan, en daar aan Satan en alle verdoemde geesten, door eene
praedicatio non evangelica sed legalis, elenctica, terribilis, zijne
overwinning over dood en Satan bekend gemaakt heeft, Frank, Theologie
der Concondienformel III 397-454. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 277.
288 f. De Geref. belijdenissen zijn niet eenstemmig en verstaan onder
de nederdaling ter hel de helsche smarten, die Christus leed aan het
kruis, Calvijn, Inst. I 16, 8-12, Cat. Genev. 1, Cat. Heid. qu. 44, en
zoo Beza, Danaeus, Pareus, enz. of het werkelijk heengaan van Christus
alleen met zijne ziel naar de hel, om aldaar zijne macht bekend te maken,
Repet. Anh. 9, en evenzoo Zanchius, Aretius, Alsted; of het heengaan
van Christus naar de hel met ziel en lichaam beide met hetzelfde doel,
Coll. Lips. 9; of den staat des doods, waarin Christus drie dagen
verkeerde, Cat. Westm. bij Niemeyer 55, en zoo Olevianus, Perkins,
Amesius, Molinaeus, Bronghton, Vossius, Bochartus, Pearson, Schultens,
Vriemoet enz.; terwijl sommigen deze verschillende gevoelens trachtten
te vereenigen, Sohnius, Op. III 311. Witsius, Verkl. van het apost.
symbool, 18 § 9v. Burmannus, Synopsis theol. V 21 § 13-14. Mastricht V
13, 5. Synopsis pur. theol. 27, 32. Heidegger, Corpus theol. 18, 32.
enz. De groote verscheidenheid van gevoelens verklaart, dat velen aan
het artikel geen goeden zin wisten te hechten en het geheel verwierpen,
Schleiermacher, Chr. Gl. § 99, 1, of ook dit artikel aangrepen, om
aan hunne leer van eene voortdurende evangelieprediking en van eene
Missionsanstalt in de plaats van den tusschentoestand een kerkelijk
stempel te geven, cf. vooral Güder, Die Lehre v. d. Erscheinung Jesu
Chr. unter den Todten 1853. Spitta, Christi Predigt an die Geister,
Göttingen 1890. Inderdaad staat de zaak met dit artikel aldus, dat 1º
de uitdrukking nedergedaald ter hel, voorzoover ze aan teksten als Hd.
2:27, 31, Ef. 4:9, ontleend mocht zijn, historisch eene gansch andere
beteekenis heeft verkregen, dan welke in die teksten is vervat; 2º dat
de Grieksche en Roomsche verklaring van dit artikel, als zou Christus
naar den Hades gegaan zijn, om de vromen des O. T. te bevrijden, in de
Schrift niet den minsten steun vindt; 3º dat de Luthersche opvatting,
dat Christus zijne macht aan Satan heeft bekend gemaakt, wel, gelijk
later blijken zal, gegrond is op stellige uitspraken der Schrift, maar
niet kan aangemerkt worden als eene juiste verklaring der woorden:
nedergedaald ter hel, wijl deze in dat geval niet zouden behooren tot
den staat der vernedering maar tot dien der verhooging, welke eerst met
de opstanding begint; 4º dat de nieuwere meening, als zou Christus ter
helle gegaan zijn, om het evangelie te prediken aan allen, die het hier
op aarde niet hebben gehoord, evenmin om dezelfde reden kan beschouwd
worden als eene juiste verklaring van dit geloofsartikel; 5º dat 1
Petr. 3:19 hoogstens zegt, hoewel later aangetoond zal worden dat ook
dit de juiste meening niet is, dat Christus na zijne opstanding het
evangelie verkondigd heeft aan de tijdgenooten van Noach maar tot eene
uitbreiding van de evangelieprediking tot alle of tot andere verlorenen
volstrekt geen recht geeft; en 6º dat de woorden nedergedaald ter
helle, in overeenstemming ook met wat Rufinus zegt, dat zij eene
uitbreiding zijn van Jezus’ begrafenis nog het best te verstaan zijn
van den staat des doods, waarin Christus als middelaar drie dagen
verkeerde, om de straf der zonde ten einde toe te dragen en ons daarvan
te verlossen. Zoo is heel het leven van Christus uitgeloopen op zijn
dood als de volkomene genoegdoening aan de gerechtigheid Gods. En door
die ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt alle degenen, die
geheiligd worden.
18. De vrucht van deze gehoorzaamheid van Christus is niet minder dan
de gansche zaligheid. Onder dit begrip worden alle weldaden samengevat,
welke Christus voor de zijnen verworven heeft. God heet in de Schift
σωτηρ, Luk. 1:47 enz., maar ook Christus draagt dien naam, omdat Hij
zijn volk zalig maakt van hunne zonden, Mt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is de
ἀρχηγος της σωτηριας, Hebr. 2:10, αἰτιος σωτηριας αἰωνιου, Hebr.
5:9, en zijn evangelie is het evangelie της σωτηριας, Ef. 1:13. Deze
σωτηρια is eene bevrijding van de zonde en al hare gevolgen en een
deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenover
θανατος, 2 Cor. 7:10, ἀπωλεια, Phil. 1:28, ὀργη, 1 Thess. 5:9, en
duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere
weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden
genoemd. Bovenaan staat de καταλλαγη, reconciliatio, verzoening. De
offerande van Christus heeft n.l. volgens de Schrift objectieve,
ook voor God geldende beteekenis. In het O. T. hadden de offers de
bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken,
כפר, LXX ἐξιλασκεσθαι. Deze verzoening heeft nu wel nergens God
tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem
plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15:15,
30, 19:22, Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken der
zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te
stemmen, ἱλασκεσθαι, ἱλαον ποιειν, propitium reddere, placare. Evenzoo
is Christus in het N. T. ἱλαστηριον, Rom. 3:25, ἱλασμος, 1 Joh. 2:2,
4:10, een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de
dingen bij God, εἰς το ἱλασκεσθαι τας ἁμαρτιας του λαου, Hebr. 2:17; als
hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid
de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne
genade verworven. Wel is door Socinianen, Remonstranten, Rationalisten
en ook de meeste nieuwere theologen, cf. b.v. Schleiermacher, Chr.
Gl. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II² 230 f. Kaftan, Dogm. 460,
beweerd, dat God liefde is, niet behoeft verzoend te worden maar
zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op
misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert
toch duidelijk, ook in het N. T., dat God toornt over de zonden, Rom.
1:18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, dat ook Hij zijnerzijds moest verzoend worden,
Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 15:18, 19, Gal. 3:13, en dat Christus daartoe een
ἱλασμος is geweest, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10. Dit strijdt
echter volstrekt niet daarmede, dat God liefde is en zelf den Christus
tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Zijn toorn is immers
geen booze hartstocht van haat of nijd, zijne gerechtigheid is geen
dorst naar wraak, maar beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar.
Gelijk eene moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon,
naarmate zij hem meer liefheeft; gelijk een rechter soms een bloedverwant
of vriend veroordeelen moet, aan wien hij als persoon zich innig
verbonden gevoelt, zoo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de
liefde jegens zijne schepselen samengaan. Odit in unoquoque nostrum
quod feceramus, amavit quod fecerat, Beda bij Turret., de satisf. 86.
Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen
eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt, Thomas,
S. Theol. III qu. 49 art. 4. Om onze zonden zijn wij wel voorwerpen van
Gods toorn, verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult,
adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet, Calvijn, Inst. II
16, 3. En dit is wederom niet zoo te denken, alsof God op het oogenblik
van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd
is. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkeering; al
zijne eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen
vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijne
verzoening met ons, dan spreekt zij niet onwaar maar toch naar onze
menschelijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen Gods, maar
wel in de relatie, waarin Hij tot zijne schepselen staat. Hij stelt zich
ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit eenigszins bestaan
zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle menschen in
die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk en onveranderlijk wil
en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij in
de werkelijkheid plaats grijpen, cf. deel II 125v. Daarom is het ook
God zelf, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5:19; Hij
verzoent zichzelven door de offerande des kruises; Hij brengt in de
gehoorzaamheid van Christus zichzelf en al zijne deugden tot erkenning
en handhaaft zichzelven als God voor het oog van al zijne creaturen;
het is, wijl Christus waarachtig God is en voor dit Goddelijk werk ook
waarachtig God moest zijn, het is God zelf, die door het kruis alle
dingen met zichzelven verzoent. Hij plaatst in Christus de gemeente in
die verhouding tot zichzelven, dat zij Hem, den onveranderlijke, niet
meer in zijn toorn maar in zijne genade aanschouwt. Jam diligenti nos
sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat.
Cf. Augustinus, de trin. V 16. Enchir. 33. Lombardus e. a. op Sent.
III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst.
II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. p. 49. 86. 87. Moor III 448-450.
Philippi, Kirchl. Gl. IV 2, 263. Dorner, Chr. Gl. II 612. Frank, Chr.
Wahrh. II 181 f. 194 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Vers. 362 f. Shedd,
Dogm. Theol. II 401 etc. A. A. Hodge, The atonement ch. 9 enz.
Door de offerande van Christus is er dus eene verhouding van verzoening
en vrede tot stand gekomen tusschen God en mensch. Christus heeft als
ἱλασμος de zonde gesühnt en daardoor God versöhnt. Het onderscheid
tusschen ἱλασμος, en καταλλαγη bestaat niet daarin, dat gene objectief
en deze subjectief is. Ook de καταλλαγη is eene objectieve, door
God zelf tot stand gebrachte relatie tusschen Hem en de wereld, 2
Cor. 5:18, 19. Maar in het ἱλασκεσθαι is Christus als middelaar het
subject, wendt, door zijne offerande de zonden bedekkende, Gods toorn
af en verwerft zijne genade. Maar in het καταλλασσειν is God zelf het
subject, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven tot ἱλαστηριον, brengt
Hij tusschen zich en de wereld eene verhouding van vrede tot stand. Hij
toornt niet meer; wat Hem tot onzen ἀντιδικος maakte, n.l. de zonde, is
door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus eene zoodanige
verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijne
vijandschap af, wijl hare oorzaak, de zonde, is weggenomen door den
dood van Christus, en staat nu tot de wereld in eene verhouding van
vriendschap en vrede; καταλλαγη is dus de door expiatio, placatio,
Versühnung tot stand gekomene reconciliatio, Versöhnung. Deze καταλλαγη
is de inhoud van het evangelie; alles is volbracht, God is verzoend,
er is onzerzijds niets meer te doen; en heel de διακονια κης καταλλαγης
bestaat in de uitnoodiging tot de menschen: καταλλαγητε τῳ θεῳ, legt
gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede,
in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld
heeft, gelooft het evangelie, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef.
2:16, Col. 1:20-22, Cremer s. v. ἱλ. en καταλλ., Philippi op Rom.
5:10, Holtzmann, Neut. Theol. II 99 f. Reeds hiermede is die gansche
voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de
laatste eerst tot stand doet komen, wanneer de mensch gelooft en zich
bekeert. De menschen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast
God het subject der verzoening waren; maar God heeft de wereld met
zichzelven verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat
zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen;
menschen ontvangen alleen de verzoening als eene gave, Rom. 5:11, en
nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5:20. Maar uit deze ééne weldaad
der verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden
voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tusschen God en de
wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de
verhouding tusschen hemel en aarde, engelen en menschen, menschen
onderling, en ook de verhouding der menschen tot zonde, dood, wereld,
Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft
gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en
voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijne zijde
en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In de
καταλλαγη, de vredeverhouding Gods in Christus tot de wereld, liggen
dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’
offerande zijn niet tot eenig terrein beperkt; zij bepalen zich niet,
gelijk tegenwoordig zoo velen meenen, tot het religieus-ethische leven,
tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de
wereld zich uit. Want machtig moge de zonde zijn, niet gelijk de misdaad
is de genadegift; de genade Gods en de gave door de genade is bovenmate
overvloedig, Rom. 5:15. De weldaden, die uit de καταλλαγη Gods in
Christus ons toekomen, zijn te vele om te noemen, boven bl. 312v. Zij
kunnen ingedeeld in: _juridische_, n.l. vergeving der zonden, Mk.
14:24, Hebr. 9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24, 4:25, 5:9, 8:34,
1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26, 4:5,
6, recht op het eeuwige leven en de hemelsche erfenis, Rom. 8:17, 1
Petr. 1:4, ook verlossing, ἀπολυτρωσις, Ef. 1:7, Col. 1:14, Hebr.
9:15, dat echter soms ruimere beteekenis heeft, Rom. 3:24, 8:21, 23,
1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30, 1 Petr. 1:18, 19; _mystische_, bestaande
in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in den hemel gezet worden
met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13; _ethische_, n.l.
wedergeboorte, Joh. 1:12, 13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking,
1 Cor, 1:30, 6:4, afwassching, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1 Joh. 2:9,
besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5:17,
1 Thess. 5:23; _moreele_, bestaande in de navolging van Christus,
die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Mt. 10:38, 16:24, Luk. 9:33,
Joh. 8:12, 12:26, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21,
4:1; _oeconomische_, n.l. de vervulling van het Oudtest. verbond, de
inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de
vrijheid van de wet, Rom. 7:1v., Gal. 2:19, 3:13, 25, 4:5, 5:1 enz., de
uitwissching van het handschrift der wet, de afbreking van den muur
des afscheidsels, de verzoening van Jood en Heiden en van alle andere
in de menschheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus,
Gal. 3:28, Ef. 2:11-22, Col. 2:21; _physische_, n.l. de overwinning der
wereld, Joh. 16:33, van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel,
1 Cor. 15:15, Op. 1:18, 20:14, van Satan, Luk. 10:8, 11:22, Joh. 14:30,
Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55, 56, Col. 2:15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op.
12:10, 20:2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene
herstelling van de door de zonde met schuld beladene, verdorvene
en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus’
werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die
herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en
wereld de καταλλαγη gesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd--want
het gaat alles in vaste orde--de gemeente eens zonder vlek of rimpel
aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in
allen zijn, 1 Cor. 15:22-28.
In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds
erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde een πελαγος
ἀγαθων geworden. Men sprak van Christus als mediator, redemptor,
reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus,
pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht,
aan als θεοποιησις, θειωσις, deificatio, vivificatio, salvatio,
liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio, illuminatio,
resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate
te classificeeren, zooals in de bekende versregels: Propitians,
purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque
requirunt, of onder de hoofden expiatio, remissio, consummatio
enz., cf. Athan., de incarn. 54. Greg. Naz., Or. 2. Eusebius, Dem.
Ev. IV 21. Aug. de pecc. mer. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48.
49. Bonaventura, Brevil. IV 1. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7.
Polanus, Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 sq. Mastricht, V 18,
22. Turretinus, de satisf. 317. M. Vitringa VI 121. Maar tot eene
logische orde en geregelde behandeling kwam het toch meestal niet. De
beschouwing van het werk van Christus als satisfactio en meritum, die
sedert Anselmus opkwam, kon dit gemis niet vergoeden; beide zijn alleen
logisch onderscheiden, want hetzelfde werk van Christus is satisfactio,
inzoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het
is meritum, inzoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid
verwierf, Thomas, III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII 9.
Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17 1. Voetius, Disp. II 228.
Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. Quenstedt III 225. Ritschl, Rechtf. u.
Vers. I² 283 enz. Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te
eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer
de vraag wat Christus „verdiend” heeft en hoe dit met zijne offerande
in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen
bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus’
werk als Erlösung of Versöhnung aangeduid. De eerste omschrijving kwam
vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe
schepping, die door Christus tot stand gebracht wordt, maar deze valt
hem toch met de Erlösung saam, Chr. Gl. § 89, 1. 2; en onder haar
verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, § 88, de
opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, § 100, welke
niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende
Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne
gemeente, § 100, 2, 3. Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene
verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de
geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en
hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de
vergeving der zonden, § 101. Ritschl daarentegen vat de werking van
Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn
leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter
in een genadig Vader, II 208 f. 217 f. III 439, niet in eigenlijke
loskooping, II 221, niet in bevrijding van den dood, II 86, ook niet in
het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke
symboliek en levert geen stof voor een dogma, II 226 f.; maar Christus
verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God
liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met
God, III 506 f. De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is
niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne
gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor
van de scheiding tusschen ons en God, III 51, 61, de wegneming van
de gedachte, dat de zonde de gemeenschap met God verhindert, III 60.
Gevolg en werking van deze rechtvaardiging is de verzoening; deze toch
bestaat daarin, dat hij, die de rechtvaardiging, welke eigenlijk een
goed der gemeente is, in het geloof aanneemt, nu ook subjectief in
die nieuwe verhouding tot God ingaat, zijnerzijds de vijandschap aflegt
en in verhouding van vrede tot God zich stelt; zij is een ethische
verandering in ons, II 230 f. 342 f. III 74-76. Unterricht § 37. Er
is groot verschil tusschen Schleiermacher en Ritschl: bij genen staat
de persoon, bij dezen het werk van Christus op den voorgrond; bij den
eersten komt de subjectieve verandering des menschen tot stand langs
mystischen weg, door levensmededeeling, bij den tweeden langs ethischen
weg, door leer en voorbeeld; de eerste weldaad is bij Schleiermacher de
Erlösung, de mededeeling van Christus’ zondelooze volkomenheid, en bij
Ritschl de objectieve, synthetische rechtvaardiging, die allereerst
een goed der gemeente is. Maar bij dat verschil is de overeenstemming
nog grooter: Christus is bij beiden de zondelooze mensch, die in
bijzondere gemeenschap met God staat; de passieve gehoorzaamheid wordt
in het werk van Christus door beiden ontkend; zijn lijden en dood is
slechts het noodzakelijk gevolg van zijne ten einde toe gehandhaafde
trouw aan God; het verband tusschen Christus’ werk en de vruchten
daarvan in den geloovige, in de gemeente blijft bij beiden onhelder;
beiden verleggen het zwaartepunt der verlossing en der verzoening
uit het objectieve werk van Christus in de subjectieve verandering
der geloovigen; en zelfs, al schijnt Ritschl de rechtvaardiging als
een objectieve weldaad der gemeente en als een synthetisch oordeel
aan het geloof te laten voorafgaan, feitelijk wordt toch ook bij hem,
niet voor de gemeente in haar geheel maar wel voor ieder individu,
de rechtvaardiging van de subjectieve verzoening afhankelijk, cf.
Jahrb. f. d. Theol. 1888 S. 21. 22. Kübel, Ueber den Unterschied
der posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol.² 1893 S. 150.
Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 32 f. Bovenal echter komen beiden
daarin overeen, dat zij de werking van Christus’ leven en lijden tot het
religieuse en ethische gebied beperken. Nu is het waar, dat zij zelfs
bij deze beperking geen van beiden helder in het licht stellen, hoe
de persoon en het werk van Christus deze verandering op religieus en
ethisch gebied kan tot stand brengen. Maar toch is het ter andere zijde
tot op zekere hoogte te begrijpen, dat, indien de vrucht van Christus’
werk tot dit terrein beperkt wordt, ook zijn werk en zijn persoon zoo
opgevat wordt als door Schleiermacher en Ritschl geschiedt; want het
is waar, wat eerstgenoemde zegt: die eigenthümliche Thätigkeit und die
ausschliessliche Würde des Erlösers weisen auf einander zurück und
sind im Selbstbewusstsein der Gläubigen unzertrennlich eins, Chr. Gl.
§ 92. Bij deze opvatting is te verstaan, dat de passieve gehoorzaamheid
wordt ontkend, dat de Godheid van Christus slechts is een zijn van
God in Hem, dat opstanding, hemelvaart enz., onnoodig zijn; eene
pantheistisch-mystische of eene deistisch-moreele werking van Christus’
persoon en werk is dan ter zaliging voldoende.
Maar dat is toch waarlijk niet in overeenstemming met de leer der H.
Schrift; het is eene miskenning van den persoon van Christus en eene
verkleining van zijn werk. Christus is maar niet een ἀνθρωπος ἐνθεος
doch de eeuwige en eengeboren Zoon van God, het afschijnsel zijner
heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, zelf God,
boven alles te prijzen in der eeuwigheid. En de vrucht van zijn leven en
sterven is maar niet zekere magische of moreele invloed, die van Hem
in de wereld uitgaat, doch is niet minder dan de ἀποκαταστασις παντων,
Hd. 3:21, de ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν τῳ Χριστῳ, τα ἐπι τοις
οὐρανοις και ἐπι της γης, Ef. 1:10. Dit werk der herschepping heeft
zijn beginsel en oorsprong in de volmaakte offerande van Christus, of
liever nog in de καταλλαγη, welke God in Christus tusschen zich en de
wereld tot stand gebracht heeft. God wil niet winnen door overmacht.
Licht ware het voor Hem geweest, de gansche wereld in zijn toorn te
vernietigen en aan eene andere wereld en menschheid het aanzijn te
schenken, Num. 14:12. Maar God verhoogt zich in gericht en heiligt zich
in gerechtigheid, Jes. 5:16. De zonde is geen physische, maar eene
ethische macht. Satan heeft in de zonde zijn ongoddelijke macht over
de wereld, en de zonde heeft hare kracht in de wet, 1 Cor. 15:56. Zoo
heeft het Gode behaagd, deze macht op zedelijke wijze, in den weg van
recht en gerechtigheid te overwinnen. Niet door geweld of macht, maar
door het kruis, dat den schuldbrief der wet te niet deed, heeft God
over de overheden en machten getriumfeerd, hen van hun wapenrusting
beroofd, en openlijk in hun schande tentoongesteld, Col. 2:15. En
daarom nu, wijl God in den weg des rechts de zonde en heel haar macht
overwonnen heeft, daarom is Hij vrij, zelfs zijne wederpartijders rechters
zijnde, om den goddelooze te rechtvaardigen, Rom. 4:5; niemand kan
beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, Rom. 8:33. God is
het, die rechtvaardigt, en die in de rechtvaardiging van dengene, die
uit het geloof van Jezus is, zelf blijkt de rechtvaardige te zijn, Rom.
3:26. God kan dat doen, behoudens, ja tot roem van zijne gerechtigheid,
omdat Christus gestorven en opgewekt is, Rom. 8:34. Op grond van die
offerande kan Hij wereld en menschheid aan de zonde ontrukken, zijn
koninkrijk uitbreiden, alle dingen onder Christus als hoofd vergaderen
en eens alles in allen zijn. Niemand, ook Satan niet, kan daartegen iets
inbrengen; aan het einde zal elk moeten erkennen, dat God rechtvaardig
en dat Christus de wettige, de rechtmatige Heer is, Phil. 2:11.
Tusschen de weldaden, die Christus verworven heeft, en zijn persoon en
offerande, bestaat dan ook geen physisch of magisch verband, alsof
eenige substantie van Godmenschelijk leven, Goddelijke natuur enz. uit
Hem in ons werd overgestort, zooals theosophen het zich voorstellen.
Maar God heeft zich zelf in Christus den koninklijken weg des rechts
gebaand, om aan zijn gevallen schepsel den rijkdom zijner genade te
verheerlijken. Uit de door Hem zelf, buiten de wereld om, gestichte,
objectieve καταλλαγη vloeien der menschheid alle bovengenoemde weldaden
om Christus’ wille toe, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de
volkomene verlossing, de gansche herschepping. En wijl dit werk der
herschepping zoo groot is, grooter nog dan dat der schepping en der
onderhouding, daarom moest Hij, aan wien dit werk werd opgedragen, niet
alleen waarachtig en rechtvaardig mensch, maar ook sterker dan alle
schepselen, d. i. tegelijk waarachtig God zijn. Dezelfde, door wien, God
de wereld schiep, kon ook alleen de middelaar der herschepping zijn,
Bonaventura, Brevil. IV c. 1.
19. Intensief is het werk van Christus van oneindige waardij, maar ook
extensief breidt het tot heel de wereld zich uit. Gelijk de wereld het
voorwerp is geweest van Gods liefde, Joh. 3:16, zoo is Christus gekomen
om die wereld niet te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:17, 4:42,
6:33, 51, 12:47; in Hem heeft God de wereld, alle dingen in hemel en
op aarde, tot zichzelven verzoend, Joh. 1:29, 2 Cor, 5:19, Col. 1:20
en vergadert ze in deze bedeeling tot één, Ef. 1:10; de wereld, door
den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haar erfgenaam bestemd,
Col. 1:16, Hebr. 1:2, Op. 11:15. Door Origenes is hieruit afgeleid, dat
Christus door zijn lijden en sterven de gansche wereld verlost heeft,
niet alleen alle menschen maar ook alle andere redelijke wezens, n.l. de
gevallen engelen, en voorts alle schepselen, de princ. I 6.; Christus
οἰ μονον ὑπερ ἀνθρωπων ἀπεθανεν, ἀλλα και ὑπερ των λοιπων λογικων, in
Joann. I 40. Hij is wel slechts eenmaal gestorven, in de voleinding
der eeuwen, Hebr. 9:26, maar de kracht van zijn dood is genoegzaam tot
verlossing niet alleen van de tegenwoordige wereld maar ook van die,
welke vroeger bestaan heeft of later bestaan zal, en niet alleen van
de menschen maar ook van de hemelsche geesten, de princ. II 3, 5. Hom.
in Lev. I 3, cf. Schwane, D. G. I² 254. Dit universalisme is echter
door de christelijke kerken altijd verworpen, b. v. Const. 543 can. 7.
12; en feitelijk zijn deze altijd in zoover particularistisch, dat zij τα
παντα in Col. 1:20 beperken en niet tot de gevallen engelen uitbreiden.
Maar desniettemin heeft men uit deze en andere plaatsen, waar het
woord wereld of allen met de offerande van Christus in verband wordt
gebracht, Jes. 53:6, Rom. 5:18, 8:32, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr.
2:9, 1 Tim. 2:4, 6, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, het besluit getrokken,
dat Christus voor alle menschen, hoofd voor hoofd, voldaan had en dat
de satisfactio vicaria dus als universeel moest worden opgevat. De
kerkvaders vóór Augustinus spreken gemeenlijk zeer universalistisch over
den heilswil Gods en over de verzoening van Christus, cf. Petavius,
de incarn. XIII c. I. 2; maar de eigenlijke kwestie bestond in dien
tijd nog niet en kon toen ook nog niet opkomen, wijl men aan Gods zijde
alleen eene praescientia aannam en aan ’s menschen zijde op zijne
wilsvrijheid, schoon door de zonde verzwakt, den nadruk liet vallen,
deel II 319. In den pelagiaanschen strijd moest zij echter aan de orde
komen; en Augustinus, was de eerste, die duidelijk de particuliere
voldoening leerde. Wel zegt Augustinus meermalen met de Schrift, dat
God aller zaligheid wil, dat, indien een voor allen gestorven is, allen
gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gelooven,
dat wie gelooft, dat vrijwillig doet, Petavius, ib. c. 3, dat Christus
een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en
aardsche, met elkander verzoend heeft, Kühner, Augustins Anschauung
v. d. Erlösungsbedeutung Christi 1890 S. 62. Maar dit alles bewijst
hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar
en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in
Christus beperkt is tot de praedestinati. Vooreerst volgt dit reeds in
het algemeen uit Augustinus’ leer over de praedestinatie en over de
genade, deel II 320; als het getal dergenen, die zalig zullen worden,
eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade
des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin
de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle menschen
hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4
altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende
verklaringen, nu eens, dat omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non
fiunt, Epist. 107, de civ. XIII 23, en dan, dat onder alle menschen te
verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van
het menschelijk geslacht zijn verkoren, Enchir. 103. de corr. et gr. 14.
c. Jul. IV 8, maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart,
verstaat hij hem in beperkten zin, cf. Petavius, de Deo XI 7, 10. de
incarn. XII 4. En ten derde brengt hij den persoon en het werk van
Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband; God riep door
Christus populum credentium tot de adoptie, Conf. IX 1; Christus heeft
door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen,
door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht, de trin. IV c.
13. Omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tamen
omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est, de conj.
adult. I 15. Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est,
Epist. 102 ad Evod., cf. Wiggers, August. und Pelag. I 313. Vitringa
VI 147. Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven
er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1
Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen, dat God alle menschen met gelijke
liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop
antwoordde Prosper, dat omnium cura est Deo, et nemo est, quem non aut
evangelica praedicatio aut legis testificatio aut ipsa etiam natura
conveniat; sed infidelitatem hominum ipsis adscribimus hominibus;
fidem autem hominum donum Dei esse fatemur, sine cujus gratia nemo
currit ad gratiam. En wat betreft de particulariteit der voldoening,
Christus is wel pro totius mundi redemptione crucifixus, propter veram
humanae naturae susceptionem et propter communem in primo homine
omnium perditionem; potest tamen dici pro his tantum crucifixus,
quibus mors profuit, Resp. ad cap. cal. Gall. 8. 9. Hoe gematigd dit
uitgedrukt zij, alle volgelingen van Augustinus, Prosper, Lucidus,
Fulgentius enz., stemden toch hierin overeen, dat, hoezeer God voor
alle menschen zorgt en hun allerlei weldaden schenkt, Hij toch niet op
gelijke wijze de zaligheid van allen wil; dat Hij niet allen eene zelfde
mate van genade verleent; en dat Christus, schoon in zekeren zin voor
allen gestorven, toch efficaciter alleen gestorven is voor hen, wien
zijn dood werkelijk ten goede komt. Maar de synode van Arles 475 dwong
Lucidus tot herroeping van zijne leer, dat Christus alleen gestorven
was voor hen, die werkelijk zalig worden. En de synode van Orange
529 zeide alleen, dat omnes baptizati kunnen vervullen, wat tot de
zaligheid noodig is, cf. Petavius, de incarn. XIII c. 5-7. Schwane, D.
G. II² 571-582. In de 9e eeuw kwam het vraagstuk opnieuw ter sprake;
Gottschalk leerde, dat Christus baptismi sacramento (reprobos) luit,
non tamen pro eis crucem subiit neque mortem tulit neque sanguinem
fudit. Lupus zeide, dat Christus niet voor alle menschen gestorven is,
maar wel voor alle geloovigen, ook voor hen, die later het geloof weer
verliezen. Remigius maakte eene dergelijke onderscheiding. En de synode
van Valence 855 sprak in denzelfden geest; zij verwierp, dat Christus
zijn bloed had gestort etiam pro illis impiis, qui a mundi exordio
usque ad passionem Domini in sua impietate mortui aeterna damnatione
puniti sunt, en beleed, dat die prijs alleen betaald was voor hen, de
quibus ipse Dominus noster dicit: sicut Moyses exaltavit serpentem in
deserto, ita exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in
ipso non pereat sed habeat vitam aeternam, can. 4. Ook de scholastiek
bleef in hoofdzaak nog aan Augustinus getrouw; 1 Tim. 2:4 moet niet
zoo opgevat, alsof God wel wilde wat niet geschiedt, alsof Hij wilde,
dat er ook behouden werden, die het feitelijk niet worden, maar deze
tekst wil zeggen, nullum hominum fieri salvum nisi quem salvum fieri
ipse voluerit, of dat er allerlei menschen uit alle volken en standen
zalig zullen worden, of ook wel, meer in den zin van Damascenus, dat
God aller zaligheid wil, n.l. voluntate antecedente, conditionale, d.
i. indien zij zelf willen en tot Hem komen, maar dan was deze wil magis
velleitas quam absoluta voluntas, Lombardus, Sent. I dist. 46, 2 en
ook op 1 Tim. 2:4. Bonaventura, ib. art. 1 qu. 1. Thomas, S. Theol.
I qu. 19 art. 7 qu. 23 art. 4 ad 3. En wat de satisfactie aangaat,
de scholastiek leerde wel, dat zij superabundans was en geschiedde
pro peccato humani generis, totius humanae naturae enz., Thomas, S.
Th. III qu. 46 art 1, maar zij betoogde de mogelijkheid der voldoening
vooral daarmede, dat Christus het hoofd was en de geloovigen de leden
zijns lichaams, en bracht de voldoening daarom telkens alleen met de
geloovigen in verband; zoo zegt Thomas, caput et menbra sunt quasi una
persona mystica et ideo satisfactio Christi ad ommes fideles pertinet
sicut ad membra, III qu. 48 art. 2; quia ipse est caput nostrum, per
passionem suam liberavit nos tanquam membra sua a peccatis, quasi per
pretium suae passionis, sicut si homo per aliquod opus meritorium quod
manu exerceret, redimeret se a peccato quod pedibus commisisset, III
qu. 49 art. 1. En III qu. 79 art. 7. zegt hij: passio Christi prodest
quidem omnibus quantum ad sufficientiam, sed effectum non habet nisi
in illis qui Christi conjunguntur per fidem et charitatem. Dat deze
efficacitas niet afhangt van ’s menschen vrijen wil, maar van Gods
verkiezing en Christus’ offerande zelve, blijkt in het algemeen uit
Thomas’ leer van de gratia en bepaald ook daaruit, dat hij III qu.
48 art. 6 zegt: passio Christi efficienter causat salutem humanam;
cf. ook Lombardus: Christus electos tantum sicut se dilexit eorumque
salutem optavit, Sent. III dist. 31, 4. Christus se trinitati obtulit
pro omnibus, quantum ad pretii sufficientiam, sed pro electis tantum
quantum ad efficaciam, quia praedestinatis tantum salutem effecit,
ib. III dist. 20, 3. Later werd ditzelfde gevoelen in de Roomsche
kerk nog verdedigd door Bajus, Jansenius, Quesnel. en zelfs ook door
Tapper, Estius, Sonnius e. a., cf. Rivetus, Op. III 438. M. Vitringa
VI 155-159. Maar het semipelagianisme drong in Rome’s kerk hoe langer
hoe dieper door, en daardoor werd het vooral na Trente schier algemeene
leer, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil, dat Christus
voor allen voldaan heeft, en dat de voluntas consequens rekent met het
goede of slechte gebruik, dat de menschen van hun vrijheid en van de
genade maken, deel II 325, en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Cat. Rom. I
3, 7. Innoc. X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae
I 25. de poenit. I 2. de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale Controv.
III 1 qu. 1. Petavius, de incarn. XIII c. 14. Theol. Wirceb. IV 322.
Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. theol. II 748 enz. En hiermede
zijn in het wezen der zaak eenstemmig de Grieksche kerk, Damascemus, de
fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47; de Lutherschen, Symb.
ed. Müller p. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, III 311-324.
Hollaz, Ex. 745. Buddeus, Inst. theol. 824; de Remonstranten, Conf.
en Apol. conf. VIII 10. Arminius, Op. 153. Episcopius op 1 Joh. 2:2.
Limborch, Theol. Christ. IV c. 3-5; en voorts de Mennonieten, Kwakers,
Herrnhutters, Methodisten enz.
De Gereformeerden staan met hun leer van de particuliere voldoening dus
vrij wel alleen. En daarbij komt dan nog, dat zij onder elkander volstrekt
niet eenstemmig waren en langzamerhand steeds verder van elkander
afweken. Verschillende belijdenissen spreken gematigd en algemeen, b. v.
de conf. Anhalt., bij Niemeyer p. 635. 639, March., ib. 650. 651, Lips.,
ib. 662, Thorun., ib. p. 674; de Anglicana zwijgt ervan; de Cat. Heid.
spreekt ze ook niet rechtstreeks uit, al is qu. 37 ten onrechte als
een bewijs voor de algemeene voldoening aangehaald, cf. M. Vitringa VI
136; de Fransche, Nederl., Schotsche confessie leeren haar niet dan per
consequentiam. In de canones van Dordrecht wordt ze duidelijk geleerd,
maar tevens gezegd, dat de offerande van Christus was infiniti valoris
et pretii, abunde sufficiens ad totius mundi peccata expianda, II 3, en
voorts komt ze nog voor in de Westm. conf. VIII 1. 5. 8. Cat. major et
minor Cons. Helv. 13. Walch. art. 1693. Ook onder de theologen was er
geen eenstemmigheid. Sommigen meenden, dat het wel goed was te zeggen,
dat Christus’ offerande voor alle menschen voldoende ware geweest,
indien God haar voor allen efficax had willen maken; maar men kon toch
eigenlijk niet zeggen, dat zij voldoende was voor allen; want indien
Christus niet efficaciter voor allen gestorven was, dan was Hij het ook
niet sufficienter; en indien men dan toch zoo ging spreken, gaf men
aanleiding tot misverstand en bereidde de gevaarlijke onderscheiding
voor van voluntas antecedens en consequens, van gratia sufficiens en
efficax, Beza, Piscator, Twissus, Voetius, Disp. II 251 sq. Anderen
spraken echter met Augustinus en de scholastici zoo, dat Christus
sufficienter voor allen, efficaciter alleen voor de uitverkorenen
gestorven was, Calvijn op 1 Joh. 2:2. H. Alting, Probl. theol. 174.
Turretinus, Theol. El. XIV qu. 14. Mastricht, V 18, 21. 39. Moor
III 1035-1075 enz. Op de Dordtsche synode spraken de buitenlandsche
afgevaardigden over de dignitas en sufficientia van Christus’ offerande
zoo ruim mogelijk; de Engelsche godgeleerden zeiden zelfs, dat Christus
in zekeren zin voor allen gestorven was; sic Christus pro omnibus
mortuus est, ut omnes et singuli, mediante fide, possint virtute
ἀντιλυτρου hujus remissionem peccatorum et vitam aeternam consequi,
thesis 3. In Engeland was er tegenover de streng-gereformeerde
school van Twissus, Rutherford e. a. eene meer gematigde richting,
vertegenwoordigd door Davenant, Calamy, Reynolds, Arrowsmith, Seaman
enz., en vooral door Richard Baxter. Hun gevoelen kwam zakelijk geheel
overeen met dat van de Fransche theologen, Camero, Testardus, Amyraldus
enz.; er was een voorafgaand besluit, waarnaar Christus voor allen
conditioneel, onder voorwaarde van geloof, had voldaan, en een ander
volgend bijzonder besluit, waarnaar Hij voor de uitverkorenen zóó had
voldaan, dat Hij hun indertijd ook het geloof schenkt en onfeilbaar hen
tot de zaligheid leidt, deel II 341. In de Schotsche kerk kwam de
leer der particuliere voldoening in verband met het algemeene aanbod
der genade herhaaldelijk ter sprake; zij was zelfs mede eene van de
oorzaken voor de scheiding der Erskine’s in 1733. Om de neonomiaansche
richting te ontgaan, die het geloof tot eene wettische voorwaarde
maakte en het evangelie daarom alleen bestemd liet zijn voor bepaalde,
gequalificeerde personen, leerden de zoogenaamde Marrowmen (James Hog,
Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine, Alexander Moncrieff enz., cf.
deel I 128), dat Christus’ offerande een legal, federal sufficiency
bezat voor alle menschen en grondden daarop het algemeene aanbod van
genade. Sommigen gingen nog verder, maakten onderscheid tusschen eene
algemeene en bijzondere genade, een uit- en inwendig verbond (Thomas
Mair 1754), of leerden eene algemeene voldoening (James Fraser, †1698,
maar zijne verhandeling on justifying faith werd eerst in twee stukken
gepubliceerd 1722 en 1749), of ontkenden zelfs geheel de voldoening
(Dr. M. Gill, Practical essay on the death of Christ, 1786). In
deze eeuw werd de particuliere voldoening in Schotland wederom het
onderwerp van een langdurigen strijd. In 1820 gaf de United Associate
Synod of the Secession Church eene verklaring, waarbij zij de algemeene
voldoening wel veroordeelde, maar toch leerde, dat Christus’ offerande
voor allen voldoende was en allen gebracht had in een salvable state.
Zoowel ter rechter- als ter linkerzijde vond deze verklaring bezwaar;
sommigen ontkenden, dat allen recht hadden op Christus, en bestreden
de algemeene voldoening in elken zin, Palaemon in zijne Letters upon
Theron and Aspasio, Symington, Haldane, en vooral Dr. Marshall; anderen
leerden beslist de algemeene voldoening, William Pringle, John Mc
Leod Campbell, James Morison, Robert Morison, A. C. Rutherford, John
Guthrie; de beide professoren Balmer †1844 en Brown werden zelfs door
Marshall aangeklaagd, maar toch door de synode in 1845 vrijgesproken,
cf. Andrew Robertson, History of the atonement controversy in connexion
with the Secession Church from its origin to the present time, Edinb.
1846. Evenzoo werd in andere landen de leer der bijzondere voldoening
in den geest van Grotius of van Amyraldus verzwakt of ook beslist
verworpen, in Engeland door Daniel Whitby, tegen wien Jonathan Edwards
optrad; in Amerika door de Edwardean of New-England theologen, Emmons,
Taylor, Park, Fiske enz.; in Duitschland door P. Volckmann e. a.; hier
te lande vooral door Venema, cf. Ypey, Gesch. der chr. kerk in de 18e
eeuw VII 133v. Tegenwoordig is de leer der bijzondere voldoening bijna
algemeen prijsgegeven, ook door Van Oosterzee, § 111, 6. Leer der Zal.
n. 66. Heid. Cat, bl. 176. Ebrard, Dogm. § 430. Daarentegen wordt ze
nog verdedigd door Ch. Hodge, Syst. Theol. II 544-562. A. A. Hodge, The
atonement p. 347-429. Shedd, Dogm. Theol. II 464-480. W. Cunningham,
Historical Theology, 2 ed. Edinb. Clark 1864 II 323-370. Robert S.
Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent, London
1861. Hugh Martin, The atonement, Edinb. Hunter z. j. Kuyper, Dat de
genade particulier is. En zij vond in den laatsten tijd weer steun bij
Ritschl, volgens wien het correlaat van Christus’ offerande niet is de
enkele mensch noch ook alle menschen maar bepaaldelijk de gemeente; zij
alleen is in het bezit van de rechtvaardiging en vol van vergeving der
zonden, zij wordt in de Schrift altijd voorgesteld als het voorwerp der
werkingen, welke er van Christus uitgaan, Rechtf. u. Vers. I² 47-67.
205 f. 305 f. II² 216 f. III² 103 f.
20. In dit belangrijk geschil over de waarde van Christus’ offerande
is er volkomen overeenstemming, ter eener zijde hierover, dat niet
alle maar alleen sommige menschen de weldaden van Christus feitelijk
deelachtig worden, en anderzijds daarover, dat de offerande van
Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige
maar alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het
eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de
particulariteit der genade toegedaan; en de particularisten belijden
allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus,
wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben in de
woorden, dat Christus sufficienter voor allen en efficaciter voor de
uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia
meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de
zonden van alle menschen, en wat zij willen, is alleen dit, dat de
forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar
in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax maar ook
niet sufficiens kan heeten, Voetius, Disp. II 254. Het verschil loopt
dus alleen over de vraag, of het de wil en de _bedoeling_ Gods was,
dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen
zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem
van den Vader gegeven zijn. Zoo gesteld, schijnt de vraag haast voor
geen tweeërlei antwoord vatbaar. Want ten eerste, brengt de Schrift
doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in
verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom.
5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28, door zijn volk, Mt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr.
2:17, 7:27, 13:12, door zijne schapen, Joh. 10:11, 15, 25v., Hebr.
13:20, door zijne broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52,
Hebr. 2:31-45; door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44,
17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20:28, Ef. 5:25, door zijn lichaam,
Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9, 8:32, 1 Cor. 5:7,
Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14-16, 7:26, 8:1,
9:14, 10:15, 1 Joh. 4:10, 1 Petr. 3:18, 2 Petr. 1:3, Op. 1:5, 6, 5:9,
10 enz. aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht
op gevestigd; want, al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch
andere overwegingen, het feit zelf staat toch vast: in de Schrift zijn
niet alle menschen hoofd voor hoofd, maar is de gemeente das Correlat
aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen, Rechtf. u. Vers.
II² 216. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de
Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen maar de gemeente der
uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele maar de gemeente en tracht
alzoo de unio mystica, de gemeenschap van de geloovigen individueel met
Christus uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelve is er toch
overeenstemming. Tegenover deze klare, doorloopende leer der Schrift
hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen,
weinig gewicht. De uitdrukking _allen_ in Jes. 53:6, Rom. 5:18, 1 Cor.
15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. 10 bewijst niets, of zij bewijst veel
meer dan de universalisten beweren en zou ten goede komen aan de leer
van Origenes over de wederherstelling aller dingen. De universalisten
zijn daarom zelf gedwongen, om het woord _allen_ in deze plaatsen te
beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh.
1:29, 3:16, 4:42, 13:22, 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Hebr. 2:9, 2 Petr.
3:9, 1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil Gods of de offerande van Christus
in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld.
Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde
uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers,
het N. Test. is eene gansch andere bedeeling dan het O. Verbond; het
evangelie is niet tot één volk bepaald maar moet gepredikt aan alle
creaturen, Mt. 28:19; er is geen aanneming des persoons bij God, er is
geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hd. 10:34, 35, Rom. 3:29,
10:11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53:11, 12, Mt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15,
19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven
is, dan ligt daaraan niet de tegenstelling ten grondslag, die er later
dikwerf ondergeschoven is, dat niet allen maar slechts velen zullen
zalig worden. Maar de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt,
is eene gansch andere, n.l. niet voor enkelen is Christus gestorven,
maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij
vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken; niet
weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van éénen tot
rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat er
_te_ velen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging,
zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij
wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene
verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld en dat aan alle
creaturen het evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten
hieruit afleiden, dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij
èn met de Schrift èn met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren
beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het evangelie
bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is
er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti die ons onbekend is
en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas
antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich
richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het
N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons
den plicht op, om het evangelie te brengen tot alle menschen zonder
uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil
van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig.
Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin
noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn.
De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en
gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met
Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van
Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat
ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs
hunner verkiezing ontvangen, cf. deel II 216-222. In de tweede plaats
houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en
zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk
saamhangen. De offerande is de grond van Christus’ voorbidding; de
laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch, Theol.
Chr. III 19. 11 erkent dan ook, intercessionem non esse actum reipsa
ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum. Indien de
intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17:9, 24, Rom. 8:34,
Hebr. 7:25, 1 Joh. 2:1, 2, dan is het ook de offerande. Wel beroept
zich Limborch IV 4, 7 daartegen op Luk. 23:34, maar hier bidt Jezus
niet om de zaligheid zijner vijanden doch alleen om de niet-toerekening
van dat schrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hunne onwetendheid zich
schuldig maakten, als zij den Messias kruisigden. En evenzoo is er
een onlosmakelijk verband tusschen de verwerving en de toepassing der
zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen saam, Rom.
8:28-34, en vinden haar grond in den dood van Christus, Rom. 5:8-11.
De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mede.
Christus is immers het hoofd en de geloovigen zijn zijn lichaam, dat
uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen
en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20, 21. Hij is de eerstgeborene en zij
zijn zijne broederen, Rom. 8:29. De geloovigen zijn dan ook objectief
met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in den hemel
gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van
individuen, dat even goed kleiner als grooter kan zijn, maar zij vormt
met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweeden Adam besloten
ligt, zooals de gansche menschheid voortkomt uit den eersten Adam, cf.
Rothe, Theol. Ethik I S. 501. De toepassing moet daarom even ver zich
uitstrekken als de verwerving der zaligheid; zij is in deze begrepen
en daarvan de noodzakelijke uitwerking. Trouwens ligt dat ook in den
aard der zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk
ook werkelijk zalig maken, niet in mogelijkheid maar in werkelijkheid.
De universalisten zijn echter gedwongen, om de zaligheid zelve gansch
anders op te vatten en aan den naam van Jezus te kort te doen. In de
logika geldt de regel: quo major extensio, minor comprehensio. En deze
regel is ook op velerlei ander terrein, zij is ook hier van toepassing.
Onder den schijn van het werk van Christus te eeren, wordt het door
de leer der algemeene voldoening verzwakt en beperkt. Als Christus
toch voor allen voldaan heeft, sluit de verwerving niet noodzakelijk
de toepassing der zaligheid in. Deze laatste is dan iets, dat er
misschien toevallig bijkomt maar dat er niet vanzelf mede gegeven is
en er niet van nature uit voortvloeit. De toepassing der zaligheid is
dan niet en kan niet wezen het werk van Christus, maar hangt ten slotte
altijd af van den wil des menschen. Deze moet het werk van Christus
aanvullen, toepassen, tot werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor
Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid
maar slechts van de mogelijkheid der zaligheid, niet van de feitelijke
reconciliatio maar van de potentieele reconciliabilitas. Christus
verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond der genade met
ons aan te gaan, de vergeving der zonden en het eeuwige leven ons te
schenken, indien wij n.l. gelooven. Het voornaamste van het werk der
zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor
ons nog te doen over. Christus maakte het verbond der genade zelf niet
vast in zijn bloed, Hij maakte niet dat de zonden van zijn volk vergeven
zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is,
om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven,
indien wij en nadat wij onzerzijds gelooven. Voor ons heeft Christus
dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid
om ons te vergeven, als wij de geboden des evangelies vervullen. De
universalisten komen er daarom allen toe, om de waarde en kracht van
Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar,
winnen aan quantiteit, verliezen zij aan qualiteit. Rome leert, dat de
zonden, vóór den doop begaan, d. i. in den regel de erfzonde, in den
doop vergeven worden. Maar na den doop blijft de concupiscentia over,
die wel zelve geen zonde is maar aanleiding tot zondigen wordt. De dan
begane zonden worden wel in het sacrament der boete vergeven, wat de
schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door
den mensen zelf hier of in het vagevuur worden gedragen, Trid. VI 30.
XIV c. 8. 9. can. 12-14 enz. De Remonstranten zeiden, dat God in den
dood van Christus alle zondaren zoo met zich verzoend heeft, ut per et
propter hoc ipsum λυτρον ac sacrificium in gratiam cum iis redire et
ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit,
Conf. VIII 9. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de
verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt,
Barclay, Verantwoording 1757 bl. 153. En tot gelijke slotsom moeten
allen komen, die eene algemeene voldoening leeren. Het zwaartepunt
wordt uit Christus in den Christen gelegd; het geloof is de ware
verzoening met God, cf. Kübel, Unterschied 135 f. De Gereformeerden
waren echter van eene andere gedachte. De satisfactio vicaria is geen
fertige Grösse, maar sluit principieel de gansche herschepping in zich.
Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk den
Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden,
maar maakt zalig altijd door, op grond van zijne offerande, aan het kruis
volbracht. Zaligmaker is Hij, die niet alleen voor onze zonden gestorven
maar daarom ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde
Heiland voor zijne gemeente bidt. Hij heiligde zichzelven, opdat ook de
zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19, Hij gaf zich voor de
gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelven heerlijk voorstellen
zou, Ef. 5:25-27. Beiden zijn uit éénen, n.l. God, Hebr. 2:11, en zijn
als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God
aan de geloovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8:32v., Ef. 1:3, 4, 2
Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen in Christus
mede, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef.
1:3v., de gave des H. Geestes, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de
bekeering, Hd. 5:31, 11:18, 2 Tim. 2:25, een nieuw hart en een nieuwen
geest, Jer. 31:33, 34, Ezech. 36:25-27, Hebr. 8:8-12, 10:16. Cf. Can.
Dordr. II 8v. Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland,
Antapologia c. 16. Mastricht, V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269 V 270.
Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. Vitringa VI 126. Moor III
1086 sq. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 26. In de derde plaats is
hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valsche
stellingen leidt. Het brengt scheiding tusschen de drie personen
van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon
voldoet voor allen, maar de H. Geest beperkt de gave des geloofs en
der zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tusschen de bedoeling
Gods, die aller behoud wenscht, en den wil of de macht Gods, die de
zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat
den persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond
voorafgaan, zoodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet
plaatsvervangend kan voldoen, wijl er geen gemeenschap is tusschen Hem
en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid Gods, die de vergeving
en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het
richt den vrijen wil op, die de macht heeft om te gelooven, het werk
van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel
het resultaat der wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de
leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten, Barclay, Verantw. van de Ware
Christ. Godg. bl. 92, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook
allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om
Hem aan te nemen of te verwerpen; want het ware gansch onrechtvaardig
om hen, wier zonden alle verzoend zijn, te veroordeelen en te straffen,
alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof
aantenemen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met
heel de H. Schrift, dat de eenige zonde, waarom iemand verloren gaan
en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers
verzoend; tot zelfs die van den mensch der zonde, den antichrist toe.
21. Ofschoon dus de satisfactio vicaria als verwerving van de
volkomene zaligheid niet voor alle menschen hoofd voor hoofd is uit
te breiden, is daarmede niet beweerd, dat ze voor hen, die verloren
gaan, niet de minste beteekenis heeft. Er is hier tusschen de gemeente
en de wereld niet enkel scheiding en tegenstelling. Het staat niet
zoo, dat Christus voor de eerste alles, voor de tweede niets heeft
verworven. Bij de verwerping van het universalisme mag niet vergeten,
dat de verdienste van Christus ook bij de eerste haar grenzen en bij
de tweede hare waarde en beteekenis heeft. In de eerste plaats dient
immers wel bedacht, dat Christus als zoodanig wel de Herschepper
maar niet de Schepper aller dingen is. Gelijk de Zoon volgt op den
Vader, zoo wordt de schepping door de herschepping, de natuur door
de genade, de geboorte door de wedergeboorte ondersteld. Onder de
verdiensten van Christus is daarom niet in strikten zin begrepen, dat
de uitverkorenen geboren worden en leven, dat zij voedsel, deksel,
kleeding en allerlei natuurlijke weldaden ontvangen. Wel kan gezegd,
dat God wereld en menschheid na den val niet meer zou hebben laten
bestaan, indien Hij er geen andere hoogere bedoeling mede gehad had.
Wel is er de gratia communis om de gratia specialis; en ook schenkt
God aan de uitverkorenen met de zaligheid in Christus ook vele andere
natuurlijke zegeningen, Mt. 6:33, Rom. 8:28, 32, 1 Tim. 4:8, 2 Petr.
1:3. Maar toch is het verkeerd, om met Herrnhutters en Pietisten de
grenzen tusschen natuur en genade, schepping en verlossing uit te
wisschen, en Christus in des Vaders plaats te zetten op den troon van
het heelal. Zelfs de verkiezing en het verbond der genade, die beide
de objecten en deelgenooten onderstellen, zijn niet door Christus
verworven maar gaan aan zijne verdiensten vooraf. De Vader bereidt
met zijne schepping het werk der herschepping voor en leidt naar haar
heen; de Zoon gaat met zijn arbeid diep, zoover als de zonde reikt,
tot in het werk der schepping terug. Maar toch zijn beide werken
onderscheiden en niet te vermengen, Voetius, Disp. II 271-273. In
de tweede plaats heeft Christus niet voor elk der zijnen hetzelfde
verworven. Er is onderscheid tusschen de geloovigen, voordat zij tot
het geloof komen, in geslacht, leeftijd, stand, rang, karakter, gave
enz., onderscheid ook in mate en graad van boosheid en verdorvenheid.
En wanneer zij tot het geloof komen, is er onderscheid in de genade,
die hun geschonken wordt; een iegelijk wordt genade gegeven naar de
mate der gave van Christus, Rom. 12:3, 1 Cor. 12:11, Ef. 3:7, 4:7. Het
natuurlijk onderscheid tusschen de menschen wordt door de genade wel
gereinigd naar niet uitgewischt; het wordt zelfs door onderscheid van
geestelijke gaven vermeerderd, want het lichaam van Christus bestaat
uit vele leden, opdat het één organisme zij, eene schepping en een
kunstwerk Gods. Ten derde is de gemeente niet van, maar toch in de
wereld; zij leeft en beweegt zich midden in die wereld en hangt op
allerlei wijze met haar saam. De geloovigen worden uit het menschelijk
geslacht toegebracht, en omgekeerd is er veel kaf onder het koren,
zijn er ranken aan den wijnstok, die geen vruchten dragen en uitgeroeid
worden. Als Christus daarom in de plaats der zijnen ging staan, moest
Hij het vleesch en bloed aannemen, dat alle menschen deelachtig zijn.
Door zijne vleeschwording heeft Hij het gansche menschelijk geslacht
geëerd; naar den vleesche is Hij broeder van alle menschen. En zelfs
zijn werk heeft voor allen waardij, ook voor degenen, die nooit in Hem
gelooven. Want al is het, dat Christus het natuurlijke leven niet
in eigenlijken zin door zijn lijden en sterven verworven heeft, het
menschelijk geslacht is toch daarom gespaard, omdat Christus komen zou
om het te behouden. Christus is niet het hoofd aller menschen, niet
aller profeet, priester en koning, want hoofd is hij van de gemeente
en tot koning is Hij gezalfd over Sion. Maar alle menschen hebben wel
veel aan Christus te danken. Het licht schijnt in de duisternis en
verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld; de wereld is door
Hem gemaakt en blijft dat, schoon zij Hem niet heeft gekend; ook als
Christus schenkt Hij aan de ongeloovigen vele weldaden, roeping door het
evangelie, vermaning tot bekeering, het historisch geloof, een eerbaar
leven, allerlei gaven en krachten, ambten en bedieningen in het midden
der gemeente, zooals b. v. zelfs het apostelambt aan een Judas. Sans
Jésus-Christ le monde ne subsisterait pas, car il faudrait, ou qu’il
fut détruit ou qu’il fut comme un enfer (Pascal). Zelfs als Hij hangt
aan het kruis, bidt Hij nog om vergeving voor die schrikkelijke zonde,
waaraan de Joden op dat oogenblik zich schuldig maken. Cf. Voetius,
Disp. II 275. 276. Ten vierde breidt het werk zich tot de redelooze
schepselen uit. Men kan niet met Origenes zeggen, dat Hij iets voor hen
geleden en iets voor hen verdiend heeft. Maar als Christus tot zonde
is gemaakt en de zonde der wereld heeft gedragen, dan heeft Hij ook de
zonde met al hare gevolgen te niet gedaan. De bevrijding der creatuur
van de dienstbaarheid der erfenis, de verheerlijking der schepping,
de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van
Christus, Rom. 8:19v. Voetius, Disp. II 264. 265. Ten vijfde hebben ook
de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er
is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de
perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met
beroep op Job 4:18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1:20, 1 Tim. 5:21, Hebr.
12:22, 23 hebben geleerd, Augustinus, de cons. evang. 35. Cyvillus, de
ador. 9. Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez en ook Calvijn op
Ef. 1:10 en Col. 1:20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III
159-164. Bucanus, Inst. theol. VI qu. 30. Davenantius op Col. 1:20.
Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Loci Comm. Op. I 195 enz.
Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener
of Behouder, zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen
naar Gods beeld zijn gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en
gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone
Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen
had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen, cf. deel II 444,
en voorts Lombardus, Thomas, Bonaventura, Scotus op Sent. II dist. 5.
III dist. 13. Thomas, S. Th. I qu. 62 III qu. 8 art. 4. Petavius, de
incarn. XII 10. Becanus, Theol. schol. I p. 305. Quenstedt, Theol. I
476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus op Col. 1:20. Voetius, Disp.
II 263. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El.
XIV qu. 3. Moor II 353. Vitringa III 26 VI 178. Toch doet eenvoudige
ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef.
1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren. Er staat toch duidelijk, dat
God alle dingen, τα παντα, d. i. niet menschen of engelen alleen maar
in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld,
het heelal, nader nog omschreven door εἰτε τα ἐπι της γης εἰτε τα
ἐν τοις οὐρανοις, dat God die gansche schepping verzoend heeft door
Christus, niet onderling maar tot zichzelven, εἰς αὐτον, en in Hem
voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de
herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt
door heel de Schrift verworpen en heeft in de christelijke kerk slechts
nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is,
dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar
Paulus’ voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel
worden verwezen en dat dan in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde met
hare bewoners de gansche schepping wordt hersteld. Deze schepping nu,
in organischen zin gedacht, was als geheel door de zonde in vijandschap
tegen God gesteld en onderling uiteengeslagen en verwoest. Er ligt hier
niet in, dat de goede engelen persoonlijk en individueel de verzoening
behoefden, noch ook, dat Christus voor de redelooze schepselen lijden
en sterven moest. Maar wel ligt er de onderstelling aan ten grondslag,
dat de zonde de relatie aller schepselen zoowel tot God als tot
elkander gewijzigd en verstoord heeft. En dat is immers ook zoo. De
zonde heeft de menschenwereld tot een voorwerp van Gods toorn gemaakt
en in zichzelve gedeeld en verwoest. De verhouding der engelen tot God
is gewijzigd, niet alleen voorzoover velen zijn afvallig geworden, maar
ook doordat de goede engelen slechts een deel vormden van het geheel
der geesten, dat God had gediend. Augustinus, Enchir. 61. 62 en anderen
waren van meening, dat deze breuke in de engelenwereld geslagen, door
de uitverkorenen uit de menschheid werd geheeld en dat daarin de
beteekenis van Christus’ verzoening voor de menschheid bestond. Dit
gevoelen is niet aannemelijk; menschen zijn soortelijk verschillend van de
engelen en eene gelijkstelling van het getal der uitverkoren menschen
met dat der gevallen engelen mist allen grond in de Schrift. Maar toch
is het waar, dat de val van zoovele engelen heel het organisme der
engelenwereld moet hebben verstoord; evenals een leger geheel en al
in het ongereede gebracht, en onbekwaam tot den strijd wordt gemaakt,
als vele officieren en manschappen uit de gelederen tot den vijand
overgaan. Zoo is ook de engelenwereld als leger Gods voor zijn dienst
uiteengeslagen. Ze heeft haar hoofd, haar organisatie verloren. En deze
ontvangt ze nu terug in den Zoon, en wel in den Zoon niet alleen naar
zijne Goddelijke natuur maar ook naar zijne menschelijke natuur. Want niet
alleen de verhouding tot God, ook die tot de menschenwereld was door
de zonde verstoord. En nu is het Christus, die als Heer der engelen
en als Hoofd der gemeente engelen en menschen beiden in de rechte
verhouding plaatst tot God en evenzoo tot elkander. Door zijn kruis
herstelt Hij het organisme der schepping, in hemel en op aarde, en deze
beide ook wederom saam. Het onbezielde en redelooze in de schepping, d.
i. hemel en aarde zelven, zijn daarbij niet uitgesloten. Dat kan daarom
al niet, omdat de verhouding van de engelen tot den hemel en die van
de menschen tot de aarde niet mechanisch maar organisch is. Hemel en
aarde zelven zijn met den val der engelen en der menschen gezonken
beneden hun oorspronkelijken staat; de gansche schepping, πασα ἡ κτισις,
zucht te zamen en is te zamen in barensnood. Die gesammte Creatur führt
gleichsam eine grosze Seufzersymphonie aus (Philippi); alle leden van
die schepping zuchten en hebben smart, gemeenschappelijk, in verband
met elkaar, Rom. 8:22. Gelijk dan ook in het oude verbond de tabernakel
en alle gereedschappen tot den dienst met bloed besprengd werden,
Ex. 24:3-8, Hebr. 9:21, zoo ook heeft Christus door zijn kruis alle
dingen verzoend en een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde verworven.
De gansche schepping, gelijk ze eens volmaakt, zonder vlek en rimpel,
voor Gods aangezicht zal staan, is het werk van Christus, den Heer der
heeren en den Koning der koningen, Hebr. 12:22-28.
22. Indien dit nu het groote werk is, door den Vader aan Christus
opgedragen, om n.l. Zaligmaker te wezen in vollen zin en de gansche
herschepping tot stand te brengen, dan springt het terstond in het
oog, dat de staat der verhooging daartoe even noodig is als de staat
der vernedering. Eene arme voorstelling van Christus’ persoon en werk
moeten zij wel hebben, die de opstanding, de hemelvaart en de zitting
ter rechterhand Gods zonder schade voor geloof en leven meenen te
kunnen prijsgeven en genoeg hebben aan het historisch beeld van Jezus,
dat op dezelfde wijze als dat van andere groote mannen in de historie
voortleeft en invloed oefent. Omgekeerd is het te begrijpen, dat wie
in Jezus niet meer ziet dan een bijzonder vroom mensch en in zijn werk
niet anders dan eene religieus-ethische hervorming, heel den staat
der verhooging voor het christelijk leven waardeloos acht en de feiten
der opstanding en der hemelvaart ontkent en bestrijdt. De Schrift gaat
echter van eene gansch andere gedachte uit. Het is de gekruiste maar
ook de opgestane en verhoogde Christus, dien de apostelen verkondigen.
Van uit dat standpunt der verhooging bezien en beschrijven zij zijn
aardsche leven, zijn lijden en sterven. Van het werk, dat Hij thans als
de verhoogde middelaar uitvoert, heeft Hij in zijn kruis de grondslagen
gelegd. Het kruis is in den strijd tegen zonde, wereld, Satan zijn eenig
wapen geweest. Door het kruis heeft Hij in de sfeer van het recht over
alle Gode vijandige macht getriumfeerd. Maar daarom heeft Hij in den
staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling,
de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der
herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen,
al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te
voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis
geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Vaders al zijne
weldaden uit. Die weldaden zijn geen physische of magische nawerking
van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is
geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand
Gods verhoogde Christus, die met bewustheid, met vrijmacht al deze
weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en
de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog
altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen maar is
nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige
koning. Gister en heden is Hij dezelfde tot in eeuwigheid. In den staat
der vernedering heeft Hij door zijn leven en sterven de voorwaarde
vervuld, om nu in den staat der verhooging op grond van zijne volmaakte
offerande de schepping Gods vrij te maken van de dienstbaarheid der
zonde en der verderfenis, en alle dingen onder zich als het hoofd
bijeen te vergaderen. De herschepping is de voortgaande daad van den
middelaar. Christus is de aan Gods rechterhand verhoogde, maar toch
altijd op aarde, in zijne kerk, in ambt, woord, sacrament, in vergeving,
wedergeboorte, geloof enz., presente en werkzame Heer uit den hemel.
In dit licht krijgt de staat der verhooging eene, wel dikwerf miskende
maar toch voor leer en leven hoogstbelangrijke beteekenis; opstanding
en hemelvaart zijn voor het werk der herschepping even noodzakelijk
als vleeschwording en kruisdood. In de Schrift worden deze feiten
dan ook niet slechts vermeld doch telkens op den voorgrond geplaatst
en in haar rijke beteekenis verklaard. De opstanding van Christus had
volgens heel het N. T. plaats ten derden dage; in Mt. 12:40, Mk. 8:31
enz. zijn ter wille van de vergelijking met Jona de deelen der dagen
en nachten voor vol gerekend, M. Vitringa V 597, of slechts als eene
algemeene omschrijving van een zeer korten tijd bedoeld, Kähler, Zur
Lehre v. d. Versöhnung 207 f. Zij bestond in de verrijzenis van datzelfde
lichaam, dat van het kruis afgenomen en in den hof van Jozef van
Arimathea begraven was; het werd wel veranderd en verheerlijkt, zoodat
het geen σωμα ψυχικον maar een σωμα πνευματικον werd, Luk. 24:16, 36,
Joh. 12:14, 19, 1 Cor. 15:44v., Phil. 3:21, maar het bleef toch een
menschelijk σωμα, Mt. 28:5, 9, Luk. 24:39, 40, 43, Joh. 20:27, 21:25,
Hd. 1:11, 1 Cor. 15:37v., Op. 1:7. De verschillende pogingen, om deze
opstanding op andere wijze te verklaren (Reimarus), als schijndood
(Rationalisten, Schleiermacher, Hase, Herder, Gfrörer), visioen, hetzij
dan geheel subjectief (Strauss, Lang, Holsten, Hausrath, Renan), of als
objectief, door God bewerkt (Keim, Schweizer, Schenkel) zijn tot op den
huidigen dag ijdel gebleken, Steude, Stud. u. Krit. 1887 S. 203-294.
Nösgen, Neut. Offenbarung I 637 f. Loofs, Die Auferstehungsberichte
und ihr Wert, Christl. Welt 33, Leipzig Mohr 1898. Na de opstanding
bleef Christus nog een tijd lang op aarde, zoowel om door verschillende
verschijningen zijne jongeren van de waarheid zijner opstanding te
overtuigen, als ook om hen voor te bereiden voor hun ambt en hun het
bewijs te leveren, dat Hij, al zou Hij het vroegere verkeer niet meer
met hen openen, wijl Hij na de opstanding niet meer tot de aarde maar
tot den hemel behoorde, Joh. 20:17, toch onveranderlijk dezelfde in
liefde jegens hen zou blijven, 13:1, en eeuwiglijk met hen zou zijn
tot de voleinding der wereld, Mt. 28:20. De verschijningen hadden de
eerste acht dagen te Jeruzalem plaats, Joh. 20:26, waar de discipelen
om het paaschfeest nog blijven moesten, en eindigden daarmede, dat
Jezus zijnen jongeren den H. Geest gaf en de apostolische volmacht
schonk, Joh. 20:22, 23. Later volgden zijne verschijningen in Galilea,
waarheen de discipelen terugkeerden en waar de meeste volgelingen van
Jezus woonden, Joh. 21, Mt. 28:16, 1 Cor. 15:6. Mattheus en Johannes
besluiten met deze verschijningen van Jezus in Galilea hun evangelie en
vermelden de hemelvaart niet. Volgens Luk. 24:49, Hd. 1:4 moesten de
discipelen in Jeruzalem blijven, totdat zij aangedaan waren met kracht
uit de hoogte; Luk. 24 spreekt van geen verschijningen in Galilea,
Hd. 1:3 onderstelt ze. Zeker heeft Jezus zijnen discipelen bij een der
verschijningen in Galilea ook wederom bevolen, naar Jeruzalem te gaan en
daar te verwachten de belofte des Vaders. Als Hij dan in Jeruzalem weder
voor de laatste maal aan hen verschijnt, zegt Hij dat zij in Jeruzalem
blijven moeten totdat die belofte vervuld is. Dan leidt Hij hen naar
buiten tot aan Bethanie, Luk. 24:50, naar den Olijfberg, Hd. 1:12. En
daar scheidde Hij van hen, διεστη, en werd van hen opgenomen in den
hemel, ἀνεφερετο εἰς τον οὐρανον, ten onrechte door Tischendorf in
Luk. 24:51 weggelaten, ἐπηρθη, Hd. 1:9, ἀνεληφθη, Hd. 1:2, 11, 22, 1
Tim. 3:16. Schoon door Joh. Mt. en Mk., wiens evangelie volgens velen
met 16:8 eindigt, niet vermeld, staat de hemelvaart toch op grond van
vele klare getuigenissen der Schrift vast. Johannes onderstelt ze,
6:62, 14:2, 20:17, Paulus wijst erop, Rom. 10:6, Ef. 2:6, 4:9, 10, Col.
3:1 en noemt ze in 1 Tim. 3:16. Petrus maakt er melding van, 1 Petr.
3:22, cf. Hd. 2:33, 3:21, 7:56; de brief aan de Hebreën kent ze, 6:20,
9:24. Voorts ligt zij ten grondslag aan de N. T.sche leer van Jezus’
zitting aan de rechterhand Gods, Hd. 2:33, 5:31, 7:56, Rom. 8:34, Ef.
1:20, Col. 3:1, Hebr. 1:3, 8:1, 12:2, 1 Petr. 3:21, aan zijne voorbede
in den hemel, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 9:24-28, 1 Joh. 1:1, 2, aan al de
werkzaamheden, die Hij van uit den hemel op aarde, voornamelijk, in zijne
gemeente verricht, en aan de verwachting zijner wederkomst, Mt. 24:3 enz.
Deze verhooging heeft allereerst voor Christus zelven de grootste
beteekenis. Vroeger werd in de dogmatiek gewoonlijk ook de vraag
behandeld, of Christus door zijne volmaakte gehoorzaamheid ook iets
voor zichzelven verdiend had. Anselmus zeide, dat Christus voor zijn
onverplicht sterven wel loon verdiend had maar dit aan de zijnen had
afgestaan, Cur Deus homo II 19. De meeste scholastici, Lombardus, Sent.
III dist. 18. Thomas, S. Theol. III qu. 19 art. 3 qu. 48 art. 1 qu.
49 art. 6. Bonaventura, Brevil. IV c. 7; voorts de meeste Roomsche,
Bellarminus, de Christo V c. 9. 10, Becanus, Theol. schol. III tr. 1 c.
14 qu. 5. Id., Manuale Controv. III 2 qu. 4; en zeer vele Gereformeerde
theologen, Zanchius, Op. VI 121, VIII 477, 502. Piscator op Phil.
2:9. Gomarus op Phil. 2, Op. I 530 sq., Cloppenburg, Op. I 305. 888,
Rivetus, Op. II 836. Voetius, Disp. II 265-267. Mastricht, Theol. V
14, 7. Heidegger, Corp. Theol. XVIII 39. Moor III 600 e. a., gaven
op de bovengenoemde vraag een bevestigend antwoord, en oordeelden
dan, dat de gebedsverhooring, Joh. 11:42, Hebr. 5:7 en vooral heel
de staat der verhooging, de opstanding, hemelvaart, zitting ter
rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele moesten beschouwd worden
als loon voor zijne verdiensten, Jes. 53:11, Luk. 24:26, Joh. 17:4,
5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10, 12:2. Anderen echter zeiden, dat Christus
niets voor zichzelven maar alles voor ons heeft verdiend, Joh. 17:19,
1 Cor. 1:30, 1 Tim. 1:15 enz., en dat daarom de verhooging wel een
gevolg maar geen loon was voor zijne vernedering, Calvijn, Inst. II 17,
6. Comm. op Phil. 2:9. Polanus, Syst. VI 26. Junius, Theses theol.
29, 11. Chamier, Panstr. Cath. II 7, 8, Maresius, Syst. Theol. 45.
Kantt. Stat. V. bij Phil. 2:9 enz., en evenzoo de Luthersche theologen,
Gerhard Loc. IV 329. Quenstedt, Theol. III 324. Buddeus, Inst. p.
787. Hollaz, Examen p. 748 enz. Met de Schrift in de hand, is de
bovengestelde vraag echter niet anders dan bevestigend te beantwoorden.
Zij stelt toch telkens den staat der vernedering voor als den weg en
het middel voor Christus, om den staat der verhooging te verkrijgen,
Jes. 53:10-12, Mt. 23:12, Luk. 24:26, Joh. 10:17. Het διο in Phil.
2:9 duidt niet slechts de ordo en consequentia maar bepaald de causa
meritoria aan; omdat Christus zoo diep zich vernederd heeft, vs. 5-8,
daarom heeft God Hem ook zoo uitermate verhoogd. Vooral de brief
aan de Hebreën legt op dit meritorisch verband tusschen Christus’
vernedering en verhooging telkens sterken nadruk, 1:3, 2:9, 10, 5:7-10,
10:12, 12:2; Christus is zelf door het lijden geheiligd, d. i. niet
Gode gewijd of zedelijk volmaakt geworden, maar voltooid, tot vollen
wasdom en rijpheid gebracht, τελειος geworden, daarin bestaande, dat
Hij nu met eer en heerlijkheid is gekroond, 2:9, en tot een ἀρχηγος,
eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden is, 2:10, 5:9. De reden,
waarom velen bezwaar hadden, om van een verdienste van Christus voor
zichzelven te spreken, lag in de oppositie tegen de Socinianen, die
Christus eerst in den staat der verhooging tot den rang der Godheid
lieten komen. Maar al is deze voorstelling ook onjuist, de Schrift
zegt duidelijk, dat de verhooging ook voor Christus van groote
beteekenis is geweest en met zijn staat van vernedering in meritorisch
verband staat. De Geref. theologie heeft juist het voorrecht, dat
zij deze leer der Schrift veel beter tot haar recht kan doen komen
dan de Luthersche. Immers, op Luthersch standpunt blijft er voor een
verdienste van Christus voor zichzelven en zelfs voor een staat der
verhooging geen plaats open. De Logos toch, in het eerste moment der
vleeschwording de menschelijke natuur aannemende, maakte deze vatbaar
voor de inwoning van de volheid der Godheid en voor de mededeeling
der Goddelijke eigenschappen. Al heeft de Godmensch deze eigenschappen
in een tweede moment ook weer, ten aanzien van het gebruik of althans
van het publieke gebruik afgelegd, Hij bleef ze toch behouden, boven
bl. 245. En de staat der verhooging kan bij de Lutherschen daarom niets
anders wezen, dan een wederom in gebruik of in publiek gebruik nemen
van de in dien zin afgelegde Goddelijke eigenschappen. Christus ontving
dus bij zijne verhooging niets wat Hij niet reeds had; non data est
Christo in exaltatione nova potentia, virtus aut majestas, quam antea
non habuit, sed collata ei tantum fuit plena facultas administrandi
ejus regni, quod per ipsam unionem acceperat, Quenstedt III 368, cf.
Gerhard Loc. IV § 306 sq. 329. Hollaz, Ex. 774. Buddeus, Inst. 788.
Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 93-114. Deze terugneming van
het gebruik der Goddelijke eigenschappen had volgens de Lutherschen
plaats in het moment der reviviscentia of vivificatio, en deze is
dus eigenlijk de eerste trap der verhooging. Wel wordt door Gerhard,
Quenstedt e. a., de descensus ad inferos de eerste trap genoemd; maar
wijl deze descensus bepaaldelijk is geschied naar de menschelijke natuur
van Christus, naar ziel en lichaam beide, moet de vivificatio daaraan
voorafgaan; en Buddeus, Inst. p. 789 en anderen, cf. Vitringa V 573,
geven haar daarom terecht de eerste plaats in den staat der verhooging.
Van deze vivificatio leeren de Lutherschen verder, dat zij geschiedde
niet alleen door Christus’ Goddelijke maar ook door zijne menschelijke
natuur; deze had daartoe wel niet vanzelve de macht, maar zij bezat
toch van het moment der incarnatie af de Goddelijke eigenschappen,
bepaaldelijk ook de vis vivificans; en alzoo anima Christi, virtute
divinitatis personaliter sibi communicata, corpus utpote proprium
suum templum vivificavit, Quenstedt III 435. Voorts nam Christus
naar zijne menschelijke natuur in datzelfde moment der vivificatie al
die Goddelijke eigenschappen weer in gebruik, die zij in de incarnatie
ontvangen maar in de exinanitie, althans wat het gebruik of het publiek
gebruik aangaat, afgelegd had; d. i. zij had op datzelfde oogenblik
weer het gebruik der omniscientia, omnipotentia, omnipraesentia en
vis vivificans, Quenstedt III 154-198. Daaruit volgt, dat de gradus
exaltationis bij de Lutherschen eigenlijk geen verschillende, op elkaar
volgende trappen in de verhooging kunnen zijn. In het moment der
vivificatie was de menschelijke natuur van Christus terstond, door hare
vereeniging met den Logos, almachtig, alwetend, alomtegenwoordig.
De descensus ad inferos, die door de Lutherschen tot de verhooging
gerekend wordt, is eene openbaring van Christus’ majestas divina in de
hel; de resurrectio is slechts eene resurrectionis manifestatio voor de
menschen, Buddeus p. 789; beiden hadden dan ook plaats clauso sepulcro,
evenals de verschijning van Jezus aan de discipelen, Joh. 20:19 plaats
had occlusis foribus, Quenstedt III 441; de hemelvaart heet wel een
vera et realis loci mutatio, inzoover Christus zichtbaar voor het
oog zijner jongeren is opgevaren, maar is toch alleen eene visibilis
en localis, geenszins eene invisibilis absentia corporis Christi in
terris, want ook naar zijne menschelijke natuur is en blijft Christus
alomtegenwoordig, zij het ook op onzichtbare wijze, Gerhard, Loc. IV §
219. XXVIII § 24. Quenstedt, III 380. Buddeus, Inst. 796. Philippi,
Kirchl. Gl. IV² 1 S. 185, cf. Vitringa V 601. Moor IV 246; en de sessio
ad dextram Dei eindelijk bestaat daarin, dat Christus, bepaaldelijk naar
zijne menschelijke natuur, deelheeft aan de divina, infinita ac immensa
virtus et majestas Dei, vooral ook aan zijne alomtegenwoordigheid, en
deze uitoefent in zijn koninkrijk der genade en der macht, Quenstedt, III
383-388, 443-450. Gerhard, Loc. IV § 218. Buddeus p. 797. Bedenkt men
nu, dat al deze eigenschappen aan de menschelijke natuur van Christus
reeds in het moment der vleeschwording zijn medegedeeld en dat Hij wel
het gebruik maar nooit het bezit daarvan afgelegd heeft; dan blijkt,
dat volgens de Luthersche voorstelling aan Christus in den staat der
verhooging niets is medegedeeld, wat Hij niet reeds van zijne ontvangenis
af aan bezat. Christus is terstond bij zijne vleeschwording datgene, wat
Hij worden kan; Hij is in eens ook naar zijne menschelijke natuur voltooid,
τελειος; er is geen ontwikkeling bij Hem mogelijk; de verhooging was er
al bij zijne ontvangenis en kan dus niet opgevat worden als een loon. De
Luthersche leer is op dit punt aan de Roomsche verwant, die Christus
reeds op aarde comprehensor laat zijn en alle gaven, voor welke de
menschelijke natuur vatbaar is, reeds bij de vleeschwording aan Christus
laat mededeelen; en zij dient ter verdediging van eenzelfde religieus
belang, n.l. de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het
avondmaal.
De Geref. theologie had echter eene andere opvatting. Wel houdt zij
tegen de Socinianen en ook tegen vele nieuwere theologen staande,
dat Christus niet eerst door zijne opstanding tot profeet, priester
en koning geworden en tot den rang der Godheid verheven is. Want de
Schrift getuigt herhaaldelijk, dat Hij in den beginne bij God en zelf
God was, Joh. 1:1, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:9,
Hebr. 1:3 enz., en dat Hij reeds van eeuwigheid door den Vader tot
profeet, priester en koning gezalfd en als zoodanig in de dagen des
O. T. en tijdens zijne omwandeling op aarde werkzaam was, 2 Tim. 1:9,
Tit. 3:4, Hebr. 13:8, 1 Petr. 1:11, 20. Wat Christus dus in den staat
der verhooging voor zichzelven ontving, kan niet bestaan hebben in de
Goddelijke natuur of den rang der Godheid, noch ook in het ambt van
profeet, priester en koning, dat op Goddelijke verkiezing en aanstelling
berust; maar het bestond in de verhooging zelve, in de opstanding,
hemelvaart, zitting ter rechterhand Gods en wederkomst ten oordeele,
in de middelaarsheerlijkheid, waartoe Hij naar beide naturen verheven
werd, Jes. 53:10-12, Luk. 24:26, Joh. 17:5, Phil. 2:9, Hebr. 2:10,
12:2, cf. Voetius, Disp. II 277. Volgens Rom. 1:3 is Christus κατα
σαρκα, d. i. in den weg des vleesches, door geboorte uit eene vrouw,
Gal. 4:4, geworden uit David; maar κατα πνευμα ἀγιωσυνης, krachtens
den Geest der heiligheid, die in Hem woonde en Hem in heel zijn leven
geleid had, werd Hij uit en door de opstanding door God verordineerd
en aangesteld, ὁρισθεις, cf. Hd. 17:31, als Zoon Gods in kracht.
Geboorte en opstanding staan hier tegenover elkander. Door de geboorte
werd Christus het zaad Davids, Rom. 9:5, nam Hij aan ὁμοιωμα σαρκος
ἁμαρτιας, Rom. 8:3, werd Hij zwak, 2 Cor. 13:4; maar door de opstanding
werd Hij openlijk als Zone Gods aangesteld. Dat wil niet zeggen en kan
niet beteekenen, dat Hij toen eerst de Goddelijke natuur of den rang
en den naam van God ontving, want het tegendeel blijkt uit Rom. 1:3,
8:3, 32, Gal. 4:4, enz.; maar terwijl Hij bij zijne menschwording de μορφη
θεου met de μορφη δουλου verwisselde, Phil. 2:9, ontvangt Hij nu bij de
opstanding de heerlijkheid terug, die Hij te voren bij den Vader had,
Joh. 17:2, wordt Hij nu κυριος της δοξης, 1 Cor. 2:8, θεου δυναμις, 1
Cor. 1:24, ontvangt Hij een naam boven allen naam, d. i. den naam van
κυριος, Joh. 20:28, Hd. 2:36, 1 Cor. 12:3, Phil. 2:9, 10, en daarin
de κυριοτης, het recht, de bevoegdheid en de macht, om als middelaar,
als profeet, priester en koning over alle schepselen te heerschen,
zijne vijanden te onderwerpen, zijn volk te vergaderen en de gevallen
schepping voor God te herwinnen, Ps. 2, 72, 110, Mt. 28:18, 1 Cor.
15:21v., Ef. 1:20-23, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:3v., 1 Petr. 3:22, Op.
1:5 enz. In de opstanding heeft God Hem openlijk tot Zoon Gods, Heer,
Koning, Middelaar aangesteld en tot Hem gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden
heb Ik u gegenereerd, Hd. 2:36, 13:33, 17:31, Hebr. 1:5. Inderdaad
is Christus door zijne opstanding ingetreden in een nieuwen stand; Hij
is als middelaar boven alle schepselen aan Gods rechterhand verhoogd.
In die verhooging deelt in zekeren zin ook zijne Goddelijke natuur.
Gelijk niet maar de menschelijke natuur van Christus doch de persoon
des Zoons subject der vernedering was, zoo is ook diezelfde persoon
naar beide naturen subject der verhooging. Hij had immers zijne μορφη
θεου afgelegd en zijne Goddelijke natuur achter het kleed eener zwakke
menschelijke natuur verborgen; niemand zag in Hem of kon in Hem zien
den Eengeborene van den Vader, tenzij dan met het oog des geloofs, Joh.
1:14. Maar nu, in den staat der verhooging, straalt zijne Goddelijke
heerlijkheid een ieder in de oogen; wie Hem thans ziet, moet belijden,
dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar voorts
deelt in die verhooging ook zijne menschelijke natuur. Het πνευμα
ἁγιωσυνης woonde ook reeds in Christus vóór zijne opstanding, van zijne
ontvangenis af aan, want Hij was ontvangen van den H. Geest, Luk. 1:35,
was vol des H. Geestes, Luk. 4:1, ontving Hem zonder mate, Joh. 3:34,
enz., cf. Mt. 12:18, 28, Luk. 4:14, Hd. 1:2, 4:27, Hd. 10:38. Maar
deze heerlijkheid, die Christus inwendig bezat, kon zich toch niet naar
buiten openbaren; Hij was vleesch, en werd krachtens de zwakheid des
vleesches ook gedood aan het kruis, 2 Cor. 13:4. Maar in den dood heeft
Hij die zwakheid afgelegd, en heeft Hij allen samenhang met zonde en dood
verbroken. God, die zijn eigen Zoon voor ons in den dood gaf en daarin
het oordeel over de zonde voltrok, heeft Hem door zijnen Geest, die als
πνευμα ἁγιωσυνης in Christus zelven en ook in alle geloovigen woont,
Rom. 8:11, uit de dooden opgewekt, opdat Hij nu niet meer in zwakheid
des vleesches maar in kracht des Geestes leven zou. Gedood is Hij dus
wel in vleesch, maar Hij is levend gemaakt in Geest, 1 Petr. 3:18. De
Geest Gods heeft toch in Christus, ook toen Hij vleesch was, gewoond
als de beheerschende macht van zijn leven, als πνευμα ἀγωσυνης, zoodat
Christus zich altijd door dien Geest leiden liet en den Vader gehoorzaam
bleef tot in den dood toe; en daarom moet die Geest zich nu ook in
Christus bij de opstanding als πνευμα ζωης openbaren, die den dood in
Christus en ook eenmaal in de geloovigen volkomen overwint, Rom. 8:11.
Zoover is Christus nu boven alle zwakheid des vleesches verheven, dat
Hij geworden is door de opstanding tot een πνευμα ζωοποιουν, 1 Cor.
15:45; Hij heeft ook na de opstanding nog wel een σωμα, Hij is dezelfde
Jezus, Hd. 9:5, Rom. 4:24, 8:11, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 1:14, 4:5v. Hij
is de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45; Hij heeft datzelfde σωμα,
waarmede Hij opgestaan is, maar het is een σωμα πνευματικον, in plaats
van de φθορα, ἀτιμια en ἀσθενεια, welke aan het σωμα ψυχικον, de
σαρξ eigen zijn, gansch andere eigenschappen n.l. de ἀρθαρσια, δοξα,
δυναμις deelachtig, 1 Cor. 15:42v., Phil. 3:21. Ja, in 2 Cor. 3:17
zegt Paulus: ὁδε κυριος το πνευμα ἐστιν; de apostel wil daarmede niet
eene omschrijving geven van het substantieele wezen van Christus; maar
hij komt tot deze uitspraak, wijl hij betoogen wil, dat de Christenen
vrij zijn van de wet. Die vrijheid toch vindt daarin haar grond, dat de
Heer, d. i. de verhoogde Christus de Geest is, d. w. z. dat de Geest
Gods nu in Christus zoo absoluut woont en zoo ten innigste één met Hem
is, dat daardoor aan alle onvrijheid een einde wordt gemaakt, ὁυ δε το
πνευμα κυριου, ἐλευθερια. De uitdrukking πνευμα κυριου bewijst, dat
Paulus in het begin van het vers aan geen identificeering van Christus
en den H. Geest denkt; de H. Geest is de Geest van Christus, omdat Hij
in Christus zelven woont en omdat Christus zich door Hem aan de zijnen
mededeelt, vs. 18. En zoo is Christus nu degene, in wien παν το πληρωμα
της θεοτητος σωματικως woont, Col. 2:9, cf. 1:19. Hij is het zichtbare
εἰκων του ἀορατου θεου, Col. 1:19. Goddelijke heerlijkheid wordt in zijne
menschelijke natuur openbaar en straalt van zijn aangezicht af, 2 Cor.
3:18, 4:4, 6.
23. Maar gelijk in den staat der vernedering, zoo is Christus alwat Hij
in den staat der verhooging geworden is, ten goede voor zijne gemeente.
Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving,
is niet te scheiden. Hij is παντα και ἐν πασιν, Col. 3:11. Het pleroma,
dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld
εἰς παν το πληρωμα του θεου, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die
Christus vervult, Col. 1:19, Christus is het, die de gemeente vervult,
Ef. 1:23. De gemeente is daarom zijn pleroma, dat, wat Hij volmaakt
en van zichzelven uit (πληρουμενος), langzamerhand, Ef. 4:10, met
zichzelven vervult, en dat daarom allengs vol en vervuld wordt en
zoo op hare beurt Christus vervult, Ef. 1:23; het completum wordt
een complementum. Want de gemeente is er niet zonder Christus, maar
Christus is er ook niet zonder de gemeente; Hij is haar κεφαλη ὑπερ
παντα, Ef. 1:22, Col. 1:18, en zij is zijn σωμα, dat uit Hem gevormd
wordt en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19 en alzoo opwast εἰς
μετρον ἡλικιας του πληρωματος του Χριστου, Ef. 4:13. De vereeniging
tusschen Christus en de gemeente is zoo nauw als tusschen wijnstok en
ranken, bruidegom en bruid, man en vrouw, hoeksteen en gebouw. Zij kan
met Hem de ééne Christus heeten, 1 Cor. 12:12. Om haar te volmaken,
is Hij verhoogd aan ’s Vaders rechterhand en zet Hij zijne profetische,
priesterlijke en koninklijke werkzaamheid in den hemel voort.
Evenals in de dagen des O. T. en van zijne omwandeling op aarde, is
Christus ook thans nog de eenige profeet en leeraar van zijne gemeente.
Er is geen andere meester, Mt. 23:8, 10; er is naast, boven of in de
plaats van Christus der gemeente geen waarzeggerij, geen orakel, geen
enthusiasme, geen spiritisme, geen onfeilbaar pausdom van noode. Want
Christus is de wijsheid, alle schatten der wijsheid en der kennis zijn
in Hem verborgen, 1 Cor. 1:24, 30, Col. 2:3; en het is Christus zelf,
die door zijn Woord en Geest zijne gemeente onderwijst, opdat zij allen,
van God geleerd, profeten zouden zijn en de groote daden Gods zouden
verkondigen, Num. 11:29, Jer. 31:33, 34, Mt. 11:25-27, Joh. 6:45. Heb.
8:10, 11, 1 Joh. 2:20. En zoo blijft Hij ook in den staat der verhooging
nog werkzaam als priester. Nadat Hij op Golgotha zijne offerande heeft
volbracht, is Hij als hoogepriester, niet met het bloed van bokken en
kalveren maar met zijn eigen bloed, Hebr. 9:12-14, door den tabernakel
van zijn lichaam, 9:11 en het voorhangsel van zijn vleesch heen, 10:20,
ingegaan in het hemelsche heiligdom, dat in het heilige der heiligen
op Sion zijn voorbeeld had, 6:20, 9:12, 24, om daar voor de zijnen
voorbede te doen en voor Gods aangezicht te verschijnen, 7:25, 9:24. De
Socinianen trachtten hieruit af te leiden, dat Christus nog niet in
eigenlijken zin priester was op aarde, dat zijne offerande aan het kruis
niet het ware offer maar slechts de inleiding en voorbereiding ervan
was; evenals onder het O. Test. de verzoenende acte niet bestond in het
slachten van het offerdier maar in de besprenging van het bloed op
het altaar of op het verzoendeksel, Lev. 16:11-16, zoo brengt Christus
de verzoening niet op aarde maar in den hemel tot stand, cf. Socinus
de J. Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 164. Volkelius, de verit.
relig. III 37. Fock, Der Socin. 635. 646 f., en thans nog W. Milligan,
The ascension and heavenly priesthood of our Lord, London 1892, Doedes,
Jaarb. v. Wet Theol. 1846 bl. 293v. 313 f. Seeberg, Der Tod Christi in
s. Bedeutung für die Erlösung 1895 S. 14. 16 f. enz. Terecht is dit
door anderen bestreden, want bij het O. T. offer zijn de verschillende
verzoenende handelingen wel temporeel gescheiden maar zij vormen toch
één geheel; het is het bloed van een geslacht dier, dat door zijne
uitstorting en besprenging den offeraar in Gods gunst herstelde en van
de zonde en hare straf bevrijdde. In den brief aan de Hebr. wordt daarom
ook evenals in heel het N. T. de verzoenende kracht toegekend aan de
eenmaal op het kruis door Christus gebrachte offerande, 2:17, 7:27,
8:3, 9:12, 26, 28, 10:10, 14, 18, 13:12; daardoor zijn alle weldaden,
vergeving, reiniging, heiligmaking, volmaking verworven. Omdat Christus
nu eenmaal aan ’t kruis zich opgeofferd heeft en gestorven is, kan
Hij het zelfs niet voor de tweede maal doen, want ieder mensch sterft
maar eens, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling vatbaar,
9:26-28. Het ingaan van Christus met zijn bloed in het hemelsche
heiligdom kan daarom naar de meening van den brief aan de Hebreën niet
als eene offerande worden opgevat. Wel wordt eens, in 9:7 gezegd, dat
de hoogepriester het bloed, waarmee hij inging in het allerheiligste,
offerde, προσφερει, voor zichzelf en des volks misdaden; maar deze
offerande des bloeds is dan toch wezenlijk onderscheiden van die, welke
daarbuiten, in den voorhof, plaats had; en zoo heet ook alleen het
brengen des bloeds in het O. Test. Maar van Christus’ ingaan met zijn
bloed in den hemel wordt nergens gezegd, dat het een offerande is; het
is dat niet en kan het niet zijn; door de ééne offerande heeft Hij alles
volbracht, 9:26-28, 10:12, 14. Het ingaan van Christus met zijn bloed
in het binnenste heiligdom heeft daarom alleen ten doel, om het door
zijn dood verworven heil voor Gods aangezicht ons ten goede te doen
gelden. Juist omdat door de bloedstorting, d. i. door de offerande aan
het kruis, de verzoening volbracht is, kan Christus als hoogepriester
met zijn bloed in den hemel ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen,
9:12-14, 26. Zijne priesterlijke werkzaamheid in den hemel bestaat daarom
ook niet in eenige offerande, maar in zijne voorbede en verschijning
voor Gods aangezicht ten gunste van zijn volk, 7:25, 9:24, cf. Rom.
8:34, 1 Joh. 2:2. Toch ligt er waarheid in de door Thalhofer, Handbuch
der kath. Liturgik I² 1894 S. 223-236 uit Hebr. 8:1-4 afgeleide
voorstelling, dat Christus, schoon met ééne offerande alles volbracht
hebbende, toch in den hemel die offerande op hemelsche wijze nog
voortzet en zijne daad van gehoorzaamheid op Golgotha aan de rechterhand
des Vaders steeds vernieuwt. Want de offerande van Christus, eens
aan het kruis geschied, leeft niet bloot in de herinnering, maar in
de gezindheid voort, waaruit ze voortkwam. Er is in den hemel geen
herhaling, geen vernieuwing, geen reproductie van de offerande aan
het kruis; maar die offerande, eens volbracht, werkt voort in de
verschijning voor Gods aangezicht en in de voorbede voor ons, 7:25,
9:24. Daarom kan eenerzijds gezegd, dat Christus door ééne offerande
allen volmaakt heeft, 10:24, en anderzijds, dat Hij allen, die door Hem
tot God gaan, volkomen zalig maakt, alzoo Hij altijd leeft, om voor
hen te bidden, 7:25. Cf. Cloppenburg, Op. II 889-902. Nic. Arnoldus,
Religio Socin. Fran. 1654 p. 678-706. de Witte, Wederl. der Soc.
dwal. II 152v. Mastricht, Theol. V 7, 15 sq. Maccovius, Coll. theol.
I 240 sq. Jaarb. v. Wet. Theol. IV 18v. Weiss, Bibl. Theol. d. N. T.
§ 121. Scheeben, Dogm. III 443 f. Martin, Atonement 115. Daarom ook,
wijl Christus priester was en is en eeuwiglijk blijft, heeft de gemeente
op aarde geen priester meer noodig; alle geloovigen zijn priesters,
Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, Op. 1:6. Geen offerande voor de zonde behoeft
meer gebracht, ook geen onbloedige meer in de mis, want van de ééne
offerande, aan het kruis volbracht, gaat in de voorbede van Christus,
eene voortdurende sprake uit tot God, niet om wrake, als uit het bloed
van Abel, maar om genade en vergeving, Hebr. 12:24. De voorbede van
Christus is geen smeeking meer als in de dagen zijns vleesches, Calvijn,
Inst. III 20, 20, maar is de standvastige en genadige wil van Christus,
Joh. 17:24, om op grond van zijne offerande al zijn volk tot de hemelsche
zaligheid te leiden. Zoo is Christus onze eenige priester, die naar de
ordening van Melchizedek eeuwig blijft, met zijne offerande voortdurend
onze zonden bedekt, altijd bij den Vader als onze Paracleet optreedt,
tegenover alle beschuldigingen van Satan, wereld en eigen hart onze
partij opneemt, onze gebeden en dankzeggingen den Vader aangenaam maakt,
steeds een vrijmoedigen toegang tot den troon der genade ons verzekert,
en alle zegeningen der genade uit zijne volheid ons toekomen doet, Luk.
22:32, Joh. 14:16, 17:9v., Rom. 1:7, 8:32v., 1 Cor. 1:3, 2 Cor. 1:2,
Ef. 1:3, 1 Tim. 4:8, Hebr. 7:25, 9:24, 1 Joh. 2:2.
En zoo is en blijft Christus ook onze eeuwige koning. Ofschoon ook tot
dit ambt van eeuwigheid gezalfd, is Hij toch naar zijne menschelijke
natuur eerst bij zijne verhooging als koning opgetreden. Toen ontving
Hij den naam van Heer, werd tot Zone Gods verordineerd en ontving alle
macht in hemel en op aarde. Koning is Christus in de eerste plaats over
zijn volk, in het regnum gratiae, Ps. 2:6, Jes. 9:5, 11:1-5, Luk. 1:33,
19:21-23, 23:42, 43, Joh. 18:33, 19:19; en Hij betoont dit koningschap
daarin, dat Hij zijne gemeente vergadert, beschermt, regeert en tot de
eeuwige zaligheid leidt, Mt. 16:18, 28:20, Joh. 10:28. Maar omdat zijn
koningschap een geheel ander karakter draagt dan dat van de vorsten der
aarde, wordt Hij in het N. T. veel meer genoemd het hoofd der gemeente,
1 Cor. 11:3, Ef. 1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19; Hij regeert niet
door geweld, maar door recht en gerechtigheid, door genade en liefde,
door Woord en Geest. Dan wordt Hij ook in het N. T. vooral nog als
koning beschreven, wanneer er sprake is van de overwinning zijner
vijanden. Want opdat Hij zijne gemeente waarlijk vergaderen, beschermen en
ter eeuwige zaligheid leiden kunne, moet Hij ook als middelaar macht
hebben over alle schepselen, Ps. 2:9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1
Cor. 15:24, 27, Ef. 1:22, Phil. 2:9-11, 1 Petr. 3:22, Op. 1:5, 17:14.
Er ligt hier niet in, dat de wereld positief door Christus wordt
geregeerd, maar wel, dat zij onder zijne macht staat, Hem onderworpen is
en eens, zij het ook onwillig, Hem als Heer erkennen en huldigen zal.
Bepaaldelijk hoort hier ook toe zijne macht over het rijk van Satan. De
voorstelling van vele kerkvaders, dat Christus zijne offerande aan Satan
bracht en door list hun zijne buit ontnam, is onschriftuurlijk. Maar toch
heeft Christus door zijn kruis ook over de wereld der gevallen geesten
den triumf behaald. Hij kwam op aarde, om de werken des duivels te
verbreken, 1 Joh. 3:8, en streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13,
vooral in den laatsten tijd, toen het de ure en de macht der duisternis
was, Luk. 22:53. Hij was de sterkere, Luk. 11:22, en de duivel had niets
aan hem, Joh. 14:30. Hij zag hem reeds als een bliksem uit den hemel
vallen en ontnam hem zijne wapenrusting, Luk. 10:18, 11:22. Vooral door
het kruis heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd, Col.
2:15, ontnam hem de wapenen van zonde, dood en wereld, Joh. 16:33, 1
Joh. 4:4, 1 Cor. 15:55, 56, Hebr. 2:14 en wierp hem buiten het gebied
van zijn rijk, Joh. 12:31. En zijn triumf vierde Hij over de booze geesten
bepaald in de opstanding. In 1 Petr. 3:19-22 wordt dit duidelijk
geleerd. Er is daar geen sprake van eene nederdaling van Christus naar
de hel, om aan de verlorenen het evangelie te verkondigen. Er staat
toch, dat Christus eerst levend gemaakt d. i. opgestaan was en toen
heenging om te prediken. Alle grond ontbreekt om met de Lutherschen
tusschen de vivificatio en de resurrectio een temporeel onderscheid te
maken en in dien tusschentijd dan de nederdaling ter helle te plaatsen.
Ook is er nergens in de Schrift eenige aanwijzing, dat Christus na
zijne opstanding, voor dat Hij ten hemel voer, nog eerst naar de hel is
gegaan. Aan de andere zijde is ook de exegese onhoudbaar, dat Christus
in den Geest naar de tijdgenooten van Noach is gegaan en hun heeft
gepredikt; ἐν ᾡ slaat duidelijk op den levend gemaakten Christus;
πορευθεις, cf. vs. 22 laat geen andere opvatting toe; de prediking van
Christus in den Geest aan Noachs tijdgenooten vóór vele eeuwen doet hier
niets ter zake. De pericoop bevat dan ook heel iets anders. Petrus
vermaant de geloovigen, om wel doende te lijden en daarin Christus na
te volgen. Hij toch leed wel doende, want Hij leed voor de zonden, als
een rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, en wel met dit doel, dat Hij
ons, onrechtvaardigen, tot God zou brengen. Dat is wel doende lijden!
En nu is Christus wel in het vleesch gedood, maar Hij is levendgemaakt
en opgestaan in Geest, d. i. wijl het πνευμα ἁγιωσυνης beginsel van
heel zijn leven was, als Geest. En als zoodanig, als levendgemaakte,
opgestane Geest, als Heer en Koning, heengaande, πορευθεις, d. i. niet
naar de hel, maar blijkens vs. 22 heengaande _naar den hemel_, heeft Hij
den geesten in de gevangenis gepredikt. Dat is: zijn heengaan naar den
hemel als opgestane Heer, Hd. 2:36, was een κηρυγμα tot de geesten in
de gevangenis. Wat de inhoud van dat κηρυγμα was, wordt niet gezegd
en behoeft niet gezegd. Het opstaan en ten hemel varen was zelf het
rijke, machtige, triumfantelijke κηρυγμα van Christus tot de geesten in
de gevangenis. Dat Petrus dat κηρυγμα van Christus door zijne hemelvaart
nu bepaaldelijk brengen laat aan die geesten in de gevangenis, die in
Noachs dagen, in weerwil van Gods lankmoedigheid en niettegenstaande zij
het bouwen der ark zagen, ongehoorzaam waren, heeft een dubbele reden.
Ten eerste zijn die tijdgenooten van Noach in de Schrift steeds de meest
goddelooze van alle menschen geweest; en ten tweede zijn zij omgekomen en
Noach met de zijnen gered door eenzelfde water. Evenzoo is het water des
doops door de _opstanding van Christus_ het verderf voor de goddeloozen
en de behoudenis voor de geloovigen. Want Christus die opgestaan
is en dien doop ingesteld heeft en er kracht aan verleent, zit aan
Gods rechterhand, nadat door de hemelvaart alle engelen en krachten
en machten Hem onderdanig zijn gemaakt. Christus leed wel doende en
overwon, laten de geloovigen zijn voetstappen drukken! En evenals over
alle gevallen geesten, zoo heeft Christus als middelaar ook macht in
zijn regnum potentiae over al zijne vijanden. En Hij zal niet rusten,
voordat zij allen onder zijne voeten zijn gelegd.
Als Christus aan het einde der dagen zijne gemeente en alle zijne vijanden
overwonnen zal hebben, dan zal Hij de βασιλεια, het koningschap,
het koninklijk ambt, aan den Vader overgeven. Zijn middelaarswerk is
dan voleindigd. Het werk, dat de Vader Hem opdroeg, is volkomen
volbracht. God zelf is dan koning eeuwiglijk en altoos. Over den aard
dezer onderwerping van Christus aan den Vader ontstond reeds vroeg
verschil. Marcellus van Ancyra schreef eene verhandeling over de
onderwerping des Heeren Christus, en werd beschuldigd van de leer,
dat het rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur
met den Logos een einde nemen zou, Schwane, D. G. II 136. 148.
Marcellus werd door Eusebius en later door Basilius bestreden; het
Nicaeno-Constantinopolitanum voegde aan de belijdenis, dat Christus
wederkomen zou om te oordeelen levenden en dooden, de woorden toe:
οὗ της βασιλειας οὐκ ἐσται τελος, cujus regni non erit finis, Hahn,
Bibl. d. Symbole u. s. w. 164-166, cf. Petavius, de incarn. XII 18.
Pesch, Prael. IV 84. Later leerden de Socinianen, dat Christus, dien
de Vader tijdelijk tot stadhouder aangesteld had, eenmaal aftreden zou,
evenals een veldheer, na de overwinning behaald te hebben, zijne macht
en heerschappij aan den vorst teruggeeft, en zij leidden daaruit af, dat
de Zoon Gods, wijl Hij eenmaal onderworpen zou worden aan den Vader,
niet de hoogste God kon zijn, cf. daartegen Petavius, de trin. III 5.
Bisterfeldius, de uno Deo, Patre, Filio ac Spiritu Sº I 2, 26. Vitringa
V 443-446. Onder de Gereformeerden was er ook verschil; sommigen
zeiden, dat het koningschap van Christus oeconomisch en tijdelijk was,
Calvijn, Inst. II 14, 3. 15, 5. comm. op 1 Cor. 15:28. Alting, Theol.
probl. nova XII 36. Pareus op 1 Cor. 15, Kuyper, Enc. II 321; anderen
waren van oordeel, dat er wel verandering komt in de wijze van regeeren
maar dat zijn koningschap toch eeuwig is, Mastricht, V 8, 9. Moor III
1129. Vitringa V 443. Het verschil is gemakkelijk in dien zin op te
lossen, dat het middelaarschap der verzoening, en dus in zoover ook
het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus een einde
neemt; God zal koning en alles in allen wezen; maar wat blijft is het
middelaarschap der vereeniging, Christus blijft profeet, priester en
koning, zooals dit met de menschelijke natuur vanzelf gegeven, in het
beeld Gods opgesloten, $1oogst en rijkst in Christus als Beeld Gods
verwezenlijkt is. Christus is en blijft het hoofd der gemeente, uit
wien alle leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit. Wie dit wilde
ontkennen, zou ook moeten komen tot de leer, dat de Zoon eenmaal zijne
menschelijke natuur afleggen en vernietigen zou; en daarvoor ontbreekt
in de Schrift alle grond.