ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier te
lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer en zagen
in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door Jezus geleden en
door God toegelaten was, vooral in verband met zijne opstanding,
eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid en van de
zonde der menschen, welke dezen voor hunne boosheid doet schrikken,
Jezus’ grootheid leert bewonderen en Gods liefde gelooven, Hofstede
de Groot, De Gron. Godg. 181. Chantepie de la Saussaye nam in
zijne leer der verzoening de denkbeelden van Schleiermacher en de
Vermittelungstheologie over, cf. mijne Theol. van Ch. d. I. S. 48. In
Engeland leerden Thomas Erskine, The unconditional freeness of the
gospel 1828 en Dr. John Mc Leod Campbell, The nature of the atonement,
5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde
en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was ook onze
vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap,
de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron
aller ellende, op Gods gericht over de zonde het amen uitsprak en
als het ware in onze plaats belijdenis daarvan deed, en alzoo als ons
Hoofd eene gerechtigheid en leven verwierf, welke niet juridisch ons
toegerekend maar wel mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace
Bushnell, Vicarious sacrifice grounded in principles of universal
obligation, ed. New-York 1866, trachtte het lijden van Christus geheel
te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde
draagt. Maurice, Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson
e. a. zagen in de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des
Vaders het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch
vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf.
Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S. 460
f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen voor deze
mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening vooral in
aanmerking: Pressensé, Essai sur le dogme de la Rédemption, Bulletin
Théol. 1867. Durand, Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de
philos. 1889. Ménégoz, Péché et Rédemption. Bovon, Etude sur l’oeuvre
de la Rédemption 1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier
bij niemand, maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door
Tholuck, Lehre v. d. Sünde u. v. d. Versöhner 1823. Philippi, Kirchl.
Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar, Dogm. § 48.
Böhl, Dogm. 361 f. Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch
Christum oder die Genugthuung, Basel 1874. Koelling, Die satisfactio
vicaria, d. i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu,
I Gütersloh 1897. Gess, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 679-752. 1858
S. 713 f. 1859 S. 467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f. Ebrard, Dogm. §
396 f. Id. Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung 1857. Frank, Chr.
Wahrheit II² 157 f. Kähler, Wiss. v. d. chr. Lehre S. 363 f. Id. Zur
Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst. Theol. II
480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge, The atonement,
Philad. 1867. Dale, The atonement, 18 ed. London 1896. Crawford, The
doctrine of H. Scr. resp. the atonement, Edinb. London 1871. Candlish,
The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861.
Hugh Martin, The atonement in its relations to the covenants, the
priesthood, the intercession of our Lord, Edinb. Hunter z. j. George
Smeaton, The doctrine of the atonement as taught by Christ Himself,
Edinb. Clark Lyttelton, The atonement, in Gore’s Lux mundi 1892 p.
201-229. John Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement
as a satisfaction made to God for the sins of the world², London 1898.
Merle d’Aubigné, L’expiation de la croix, 2 ed. Paris 1867. Bois, La
nécessité de l’expiation, Revue théol. de Montauban 1888. Id. Expiation
et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 s.,
enz.
7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin, dat
Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was,
trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zoowel
tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere
secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te
Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam Jezus, יְהוֹשׁוּעַ
en הוֹשֵׁעַ 3 p. imp. hi. naast יְהוֹשִׁיעַ, Ps.
116:6 a. v. ישע, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen,
later verkort tot יֵשׁוּעַ, Ιησους, Jhesus, Jezus, werd wel op
uitdrukkelijk bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt.
1:21, omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4:12, Hebr. 7:25, maar
was toch onder Israel een gewone naam, Num. 13:16, 1 S. 6:14, 18, 2 K.
15:30, 23:8, Hos. 1:1, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11,
39, 10:24 enz., Hd. 7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11. In den naam Christus
daarentegen komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen
zich naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan, die
niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar zij hebben dan
ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat zij te minder Christenen
worden naarmate zij meer Jezuiten zijn. Maar de geloovigen noemen zich
naar den naam Christus, want zij zijn met Hem gezalfd tot profeten,
priesters en koningen. Van de andere namen, die zijn ambt en werk
aanduiden, komt vooral in aanmerking die van μεσιτης, 1 Tim. 2:5, Hebr.
8:6, 9:15, 12:24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat
Hij in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en mensch
met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der Hervorming ontstond
over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk geschil.
Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid Gods in Christus voor de
materia onzer rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogl.
te Königsberg, de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar
zijne menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke
verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog² 14, 590. Hij
kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de civ. XI 2, Conf. X 43,
Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2, die
allen zeiden, dat Christus alleen mediator was, in quantum homo, nam
in quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est; en deze theologen
werden door Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers: plus
valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones,
trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini;
qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia
verae theologiae. Lutherschen en Gereformeerden kwamen daar ten
sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide
naturen, dat Hij als zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij
het ambt van middelaar ook reeds in de dagen des O. T. had vervuld.
Die symb. Bücher der ev. luth. K. ed. Müller 622. 684. Gerhard, Loc.
IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven, C. R. XXXVII
337-358, de dienaren der kerk van Zurich in twee brieven, Herzog² 14,
592. Polanus, Synt. theol. p. 430. Turretinos, Th. El. XIV qu. 2. De
Roomschen hielden staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijne
menschelijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om
middelaar te zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen
het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus
alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, offeren, lijden,
sterven volbracht in zijne menschelijke natuur, dat deze dus alleen
was het principium quo, principium formale van de middelaarswerken,
Bellarminus, de Christo V c. 1-8. Petavius, de incarn. XII c. 1-4.
Doch deze scheiding tusschen den persoon en het werk des middelaars is
niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige,
dat zij door den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil
niet zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht,
ib. XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christus per sese
et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijne
Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en gelijk met den Vader en
den Geest, is de Zoon middelaar, maar wel naar die Goddelijke natuur
κατ’ οἰκονομιαν, quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione
gratiae se submiserit, Polanus p. 430. De Schrift noemt dan ook
meermalen Christus naar zijne Goddelijke natuur subject der vernedering,
Joh. 1:14, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders laten meermalen in
denzelfden geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus
en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne
Goddelijke natuur als zoodanig, ab humana natura divulsa, maar alleen
als menschgeworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en ten
slotte moesten de Roomsche theologen dit zelven weer tegen Stancarus
verdedigen.
Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien Christus
n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur in den zin van
Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór
zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment
zijner ontvangenis en is het O. Test. dus feitelijk van een middelaar
verstoken geweest, Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het
ook, dat de Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds,
toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er
kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz.
van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd zijn. Want
daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle
verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts in de idee en het besluit
Gods bestonden, maar de Zoon was in den beginne bij God en zelf God.
Zijne verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij
draagt het karakter van een pactum salutis; het verlossingswerk is
een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond
na den val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In
denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen en
de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen is geweest, is de
Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na den val
als middelaar opgetreden. Reeds onder het O. T. was Hij als profeet,
priester en koning werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den
Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in
de volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch
geopenbaard, 1 Joh. 1:2, 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dat het
koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als zoodanig wordt
Hij in het O. T. vooral geteekend en voorspeld; en met dien titel treedt
Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van
dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen
in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk
van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap
in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods
eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht
en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door
Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid.
De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat
in dienst van de waarheid en de gerechtigheid. Omdat het koningschap
van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen
bezwaar om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van
koning bij Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten
L. H. K. I⁴ 369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van
ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene
rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk der liefde
en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 402. Inderdaad is
een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het
eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust,
en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het
juist het woord ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd
te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet
aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7,
89:19-21, 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr. 5:4-6; de naam Christus
is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid,
waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zelven verkoren is.
Onder het O. T. werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1
Sam. 9:16, 10:1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5:3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39, 2 Kon.
9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1:39,
Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps.
20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz. De zalving met olie was symbool van de
Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1,
9, 10. En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in
geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2, 42:1,
61:1, Ps. 2:6, 45:8, 89:21, Luk. 4:18, Joh. 3:34, Hd. 4:27, 10:38,
Hebr. 1:9, bij zijne ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1:35 en bij den
doop door Johannes, Mt. 3:16, Mk. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even
reëel als zijne zalving, van welke die onder het O. T. slechts schaduw
was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap
was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van
Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in
minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David
en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat
hij een man naar Gods hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen
en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht,
Deut. 17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet,
en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf
gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid
en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning
treedt Christus op; Hij sticht een rijk Gods, dat nu alleen geestelijk en
zedelijk bestaat maar bestemd is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal
zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn
en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een
koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook
het profetisch en priesterlijk ambt in.
8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar,
omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is, Ritschl,
Rechtf. u. Vers. I² 520 f. III² 386 f. Frank, Chr. Wahrh. II² 158. 202.
Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan ook toegestemd, dat geen enkele
werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne
woorden zijn eene verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo
op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles
gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1:122, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij
zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven,
Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2:11, 10:37
enz., maar ook openbaring van zijne priesterlijke barmhartigheid, Mt.
8:17 en van zijne koninklijke macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede
komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en
koninklijk ambt uit, Joh. 17:2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en
voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook eene offerande,
Ef. 5:2 en een betoon zijner macht, Joh. 10:18. De dogmatiek is daarom
ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit
Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd
gewoonlijk behandeld het leeren, voorspellen en wonderen doen; onder
het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor
het koninklijk ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer
over dan de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem,
de aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten;
geisoleerde feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen
gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid
in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet
zich wel voort in het leeren zijner gemeente door Woord en Geest, maar
ook als koning regeert en beschermt Hij zijne kerk door deze beide; en
zijne hoogepriesterlijke voorbede is geen smeeking maar een koninklijk
willen, Joh. 17:24. Het is dan ook eene atomistische beschouwing,
die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en
daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk
en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde
in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en
koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet,
priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die
drieërlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene
werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk
of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt
meer in de dagen des O. T. en in zijne omwandeling op aarde, zijn
priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer
in zijn staat van verhooging op den voorgrond; maar werkelijk draagt Hij
alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd
uit, zoowel vóór als na zijne menschwording, beide in den staat der
vernedering en dien der verhooging. Daarom is echter het spreken van
drie ambten bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak,
die zonder bezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet
tot een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar
onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te
wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie ambten aangesteld en door
den Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mensch
bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij
heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand
om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den
aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid
en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde,
die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet
alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis,
maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid en voorts nog
ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en
beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor
ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid
Gods te kennen en te openbaren; priester, om zich Gode te wijden en
in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons
te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden; discere,
acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing;
waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene zaligheid
noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in
zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd
tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het
mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk
ambt. Maar de Schrift ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk,
onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning.
Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn Woord
en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is
priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is
almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een
zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en
in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid. Witsius,
Exerc. 10 in Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leydecker, de
verit. relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Philippi,
Kirchl. Gl. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v.
9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche werk een
openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten
eene scherpe tegenstelling tusschen den God des toorns, der wrake, der
gerechtigheid, die zich in het O. T. openbaarde en den God der liefde
en der genade, die in het N. T. in Christus zich had bekend gemaakt,
deel II 200. Maar zulk eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh
Elohim in het O. T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne
eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig,
gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5, 6, 34:6,
7, Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In het N. T. is God, de Vader van onzen
Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk.
6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er is geen tegenstelling tusschen den
Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en gaarne vergevende
als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus
spreekt, zijne werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker,
σωτηρ, Luk. 1:47, 1 Tim. 1:1, Tit. 3:4, 5, degene, die in Christus
de wereld met zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend
heeft, 2 Cor. 5:18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst
door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des Vaders
gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus is eene gave
van Gods liefde, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:32, 1 Joh. 4:9, 10. Wel zegt
Paulus in Rom. 3:25, 26, dat God Christus Jezus tot eene verzoening
door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteld
εἰς ἐνδειξιν της δικαιοσυνης αὐτου; en hierbij is zonder twijfel aan
de gerechtigheid als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder
verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder
Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen te komen
en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig, dat God Christus
in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des tijds, tot eene verzoening
door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook
rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. Maar
ook hier is de gerechtigheid Gods niet als in strijd met zijne genade
en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet
daarin, dat zij de zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat
zij in Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God
nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk
den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods n.l. bestaat
in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, den
schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig
houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen,
die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde
hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In dezen laatsten zin
wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant;
maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let
op de anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft
en den toestand, waarin hij verkeert, deel II 194v. Ook hier bij Paulus
is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid, trouw,
waarheid identisch, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld.
Immers is zij juist die deugd Gods, welke Christus gaf tot eene
verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade. Van een strijd
van Gods gerechtigheid en liefde, gelijk het evangelisch gezang 125:5
dien voorstelt, is er dus geen sprake. In onzen zondigen toestand
kan ons dit wel zoo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en
in volle harmonie. Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen,
alsof Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid
ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus Christus,
is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de menschen door
allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift,
ook in het O. Test., een gansch ander karakter, het onderstelt het
verbond der genade. Ook kwame er dan eene gnostische tegenstelling
tusschen Vader en Zoon, die den Zoon als den God der genade verre
boven den Vader als den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test.,
schepping en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou.
Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene betooning
van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde, gelijk wij ons die
menigmaal denken en die van de liefde Gods in de Schrift ten eenenmale
verschilt. In dat geval toch bleve niet alleen het lijden en sterven van
Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde
voorstelt, geheel onverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook
rechtstreeks weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening
gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon
dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons veeleer,
dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot luisterrijke
openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop, maar zij wordt door
alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve in den weg van recht en
gerechtigheid, Jes. 1:27, 5:16. Hinter dem Zorne ist als letztes Agens
die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne (Delitzsch).
Cf. over Rom. 3:25, 26, behalve de commentaren van Philippi, Tholuck,
Meyer enz., Pfleiderer, Der Paulinismus² 143 f. Holtzmann, Neut. Theol.
II 100. Fricke, Der Paulin. Grundbegriff der δικ. θεου, erörtert auf
Grund von Röm. 3:21-26, Leipzig 1888.
10. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken vraag,
of deze weg des rechts voor God noodzakelijk was, om zijne genade te
openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening vergeven kon. Scotus
ging uit van het absolutum dominium Dei en achtte menschwording en
voldoening alleen door Gods willekeur bepaald; Athanasius, Augustinus,
Thomas, Calvijn, Musculus, Zanchius, Twissus e. a. oordeelden ze niet
volstrekt noodzakelijk maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als
hoogst passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus,
Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor e. a. neigden er
toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden, cf. deel II 207-216
en Voetius, Disp. II 238. Het is te begrijpen, dat velen liever den
middelweg bewandelden dan in God de willekeur ten troon te verheffen
of zijne almacht door eene absolute necessitas te beperken. Toch is er
geen bezwaar, om hierbij van noodzakelijkheid te spreken, indien deze
maar goed verstaan wordt. De wil in God is noch eene van alle deugden
en van heel het wezen Gods gescheiden formeele willekeur, noch ook eene
door al die deugden en door dat gansche wezen gebonden en daarom onvrije
keuze. De wil Gods is dikwerf voor ons de laatste grond der dingen en
wij hebben daarin te berusten, ook al weten wij niet, waarom God zoo en
niet anders gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en
heilige redenen voor zijn zóó en niet anders handelen, want Hij handelt
nooit dan in overeenstemming met alle zijne deugden, met zijne liefde,
wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming van den wil Gods
met al zijne deugden is geen dwang, geen beperking voor dien wil, maar
juist de ware, hoogste vrijheid. Zoo te willen en te handelen als zijne
heilige, wijze, almachtige, liefderijke natuur zelve wil, dat is voor God
beide de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zoo is het ook
met de vleeschwording en voldoening; zij mogen noodzakelijk heeten, niet
als een dwang, die Gode van buiten af opgelegd wordt en waaraan Hij niet
ontkomen kan, maar wel als daden en handelingen, die in overeenstemming
met zijne deugden zijn en deze op het luisterrijkst tot openbaring
brengen. Vooreerst toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns
zelfs wil, Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste
doel, ook van menschwording en voldoening, kan niet liggen in het
schepsel, in de zaligheid van den zondaar maar moet liggen in God zelf.
Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn zoon in de wereld gezonden tot eene
verzoening voor onze zonden, opdat alzoo zijne deugden tot openbaring
zouden komen. En inderdaad is er geen feit, dat die volmaaktheden Gods
zoo in het licht stelt als de menschwording en de voldoening. Niet
eene enkele deugd treedt daardoor in het helderst licht, maar alle te
zamen, zijne wijsheid, genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigheid,
rechtvaardigheid, heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen
sprake van Gods genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere
deugden niet worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en
werk de hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring Gods, zijn knecht,
zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons den Vader verklaard. Indien God zich
op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe de schepping en de
herschepping, de menschwording en de voldoening noodzakelijk. In de
schepping werden reeds zijne deugden openbaar, maar veel rijker en hooger
nog in de herschepping; de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als
een middel, om zichzelf te verheerlijken. Ten tweede is het de leer der
Schrift, dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde
haat met Goddelijken haat, Gen. 18:25, Ex. 20:5, 23:7, Ps. 5:6, 7, Nah.
1:2, Rom. 1:18, 32. Er is eene absolute tegenstelling tusschen God en
de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat Hij met al zijne deugden
er tegen reageert; Hij wil de zonde niet, Hij heeft er geen lust en
welgevallen aan, Hij haat ze en toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan,
zonder dat zij door God gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelven
niet verloochenen; Hij kan het recht der zonde niet erkennen; Hij kan
aan Satan geen gelijke rechten geven met zichzelven. Juist omdat Hij de
volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt ieder dat
toe; ook al zegt men dat God de zonde zonder voldoening vergeven kan
en als de hoogste liefde ook vergeven moet; toch erkent elk nog, dat
God de zonde _vergeeft_, d. i. dat Hij ze uit genade niet straft, maar
tot die straf wel het recht en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes
vond op de vergadering van moderne theologen weinig instemming met zijne
stelling, dat de uitdrukking „vergevende liefde” eene contradictio
in adjectis is en niets beteekent, Bijbl. v. d. Herv. 28 Juni 1895.
Ten derde is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft
lang niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen
staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder, Souverein, Wetgever,
Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men
in één dezer namen met voorbijzien der andere de volle openbaring Gods
aanschouwt. Zoo is God ten opzichte der zonde geen schuldeischer
en geen beleedigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de
beleediging vergeten en vergeven kan. Maar Hij is zelf de Gever,
Beschermer, Wreker der wet, de persoonlijke gerechtigheid, en als
zoodanig kan Hij de zonde niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22.
In die qualiteit kan Hij het recht der wet niet teniet doen; want het
gaat hier niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand
kan doen, maar om de gerechtigheid, d. i. om de deugden en de eere van
God zelven. Wel zou men hiertegen zich beroepen kunnen op het recht
van gratie, dat de aardsche overheid menigmaal uitoefent; maar dit
recht van gratie is haar alleen daarom gegund, wijl zij feilbaar is en in
vele gevallen eene te zware of zelfs onverdiende straf oplegt. In God
kan zoo iets niet vallen; Hij is de gerechtigheid zelve, behoeft door
de gratie de justitia niet te herstellen, doet ze door haar ook niet
te niet, maar laat ze saam in het kruis van Christus tot openbaring
komen. Ten vierde is de zedewet als zoodanig geen willekeurige,
positieve wet, maar in de natuur van God zelven gegrond; zij is ook geen
onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelve rustende macht,
zoodat Christus niet aan God maar aan haar eisch voldeed, cf. Dale, The
atonement, lect. 9; maar zij is uitdrukking van zijn wezen. God, de wet
handhavend, handhaaft zichzelf en omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk
en onschendbaar. Door heel de Schrift heen draagt zij dat karakter;
onze eigen conscientie geeft er getuigenis aan; en heel de zoogenaamde
zedelijke wereldorde met hare verschijnselen van verantwoordelijkheid,
plichtbesef, schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze
onschendbaarheid der zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen,
om de wet te ontbinden maar te vervullen, Mt. 5:17, 18, Rom. 10:4;
Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en het geloof
doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31. Ten vijfde,
de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter; zij is onverstand,
dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande enz., zij wordt vergeleken
bij eene geldschuld, en is onder een ander gezichtspunt ook weer eene
beleediging van God. Maar zoo komt zij in de Schrift ook voor als eene
misdaad, crimen, een vergrijp tegen de gerechtigheid, eene schennis van
de majesteit Gods, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19, en
des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eischt ze straf en
is er zonder voldoening geen vergeving; alleen in den weg van het recht
is zij, zoo wat haar schuld en smet als wat haar macht en heerschappij
aangaat, volkomen te overwinnen. Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd,
dat de zonde zoo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet
blijven, aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en
smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid
op eene andere wijze ware te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs
gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles saam te vatten,
vleeschwording en voldoening zijn daartoe geschied, dat God weer als God
door zijne schepselen zou worden erkend en geëerd. Zonde was miskenning
van God en van al zijne deugden, heenwending tot en aanbidding van
het creatuur. Maar in Christus heeft God zichzelf weer geopenbaard,
zijne souvereiniteit hersteld, al zijne deugden gerechtvaardigd, zijn
naam verheerlijkt, zijne Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het
werk der verlossing, allereerst om zichzelven, om zijn eigen glorie te
doen. Cf. Voetius, Disp. I 372 II 238 sq. Mastricht, Theol. V 18, 34.
Turretinus, Theol. El. XIV 10. Id. de satisf. Christi, disp. 1 en 2.
Heidegger, Corpus Theol. XIX 80 sq. Heppe, Dogm. 341. Ebrard, Dogm. §
427. Martensen, Christl. Ethik II² 155 f. Dorner, Chr. Gl. II 614. Ch.
Hodge, Syst. Theol. II 487. A. A. Hodge, The atonement p. 48. Shedd,
Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin, The atonement, Edinb. z. j. p. 172 enz.
11. De Socinianen en hunne geestverwanten echter hebben deze
noodzakelijkheid der voldoening zeer ernstig bestreden; hunne argumenten
komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening en vergeving,
en dus verder ook wet en evangelie, Oud en Nieuw Testament, schepping
en herschepping enz., met elkander in strijd zijn en elkander uitsluiten.
De christelijke religie is n.l. volgens hen de absoluut geestelijke
en zedelijke religie, van alle natuurlijke en zinnelijke elementen
bevrijd. God is niet te denken als Rechter maar als Vader; straffende
gerechtigheid, heiligheid, haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden
in God maar alleen de liefde. De O. T. religie stond nog op het
standpunt der wet, vatte de verhouding van den mensch tot God als
rechtsverhouding op; het farizeisme dreef dit op de spits en Paulus
bediende zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en bestreed de
farizeesche combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon niet.
Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit des
menschen zondigheid doch uit de natuur der wet zelve, die niet dient om
leven te geven maar om de zonde te vermeerderen. De christelijke religie
vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving,
geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft
geen kosmische, juridische, metaphysische bestanddeelen meer, zij is
enkel heilsleer, en al het andere, de leer van God, den mensch, de
zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en
soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des
rechts, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar. Cf.
boven bl. 322v. en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De
Gron. Godg. 181. Scholten, L. H. K. II 46v., 57v. Schweizer, Gl. der
ev. ref. K. § 63 f. Christl. Glaub. § 94 f. Pfleiderer, Paulinismus²
86-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 f. Ritschl, Rechtf.
u. Vers. III² 8-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 f. v. Hartmann,
Religionsphilos. I 546 f. Heel deze tegenstelling is echter valsch en
is in de christelijke theologie altijd als marcionitisch verworpen. Ten
eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in
God eene tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift
aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat
tegen de zonde toe, dl. II 195v., maar de genade onderstelt zelfs de
gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers,
genade is die deugd in God, waardoor Hij om eene of andere reden van
zijn recht afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en
heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen
sprake zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende
liefde, die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien
de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie
het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede is recht en
religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en
zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt in
zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den naaste als
zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of
veruitwendigd, maar integendeel in hun ware beteekenis gehandhaafd.
God wil, dat de mensch Hem liefhebben zal met geheel zijn hart en met
geheel zijn verstand en met al zijne krachten; Hij eischt den ganschen
mensch voor zijn liefdedienst op. Godsdienst en zedelijkheid zouden
niet kunnen bestaan, indien zij niet wortelden in het recht Gods op
zijn schepsel. De zedelijke orde wordt in dezen zin door de rechtsorde
gedragen. Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn
wortelt in den mensch nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen
godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwerf nog
krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte mensch God en den
naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak zijner heilige natuur;
maar dit verandert niets aan het feit, dat juist die dienst uit liefde
met Gods wet overeenkomt en daarin voorgeschreven wordt. De zedewet
is wel ter dege een eisch en een recht Gods, al is het dat zij den
ganschen mensch opeischt en een dienst in geest en waarheid verlangt.
Want gelijk godsdienst en zedelijkheid wortelen in een recht Gods, zoo
is omgekeerd dat recht Gods geen abstracte, formeele willekeur, maar
juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelve weer een
ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en steun,
deel II 201. Ten derde is daarom de bewering onjuist, dat de zedelijke
wereldorde eerst door de zonde eene wettelijke geworden is, Kaftan,
Dogm. 370. 545. Wettelijk is ze wel voor den mensch door de zonde
geworden, in dien zin, dat de liefde tot God en den naaste thans als
een gebod buiten en tegenover hem staat, waaraan hij niet beantwoorden
kan, dat hij overtreden heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk
is ze niet door de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een
recht en een wet Gods. De Luthersche theologie heeft dit wel alzoo
geleerd, deel II 556. 558, maar de Gereformeerde heeft anders en beter
geoordeeld. De wet is wel ter dege de, ook afgezien van de zonde, in
Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde. Deze is
zelfs niet denkbaar zonder eene wet. Alle godsdienst en zedelijkheid
onderstelt eene wet. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. Wie
de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt, maakt ze objectief en
subjectief tot willekeur en graaft het fundament onder haar voeten weg.
Ten vierde, wie recht en genade alzoo dualistisch tegenover elkander
plaatst, raakt op alle punten met de Schrift in strijd. De status
integritatis, als leven van den naar Gods beeld geschapen mensch in
overeenstemming met de zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde
is geen schuld en verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn
van den zondaar. De wet heeft geen eeuwige maar alleen eene tijdelijke,
voorbijgaande, paedagogische beteekenis. Het O. Test. als godsdienst der
wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid Gods en van
de voldoening in Christus is een joodsch, farizeesch inkruipsel in de
theologie van het N. Test. De vergeving der zonden is een subjectief
tot inzicht komen, dat zij geen schuld zijn en geen straf verdienen.
De heiligmaking is zedelijke, autonome zelfontwikkeling. De kerk is
alleen eene religieus-ethische gemeenschap en heeft met recht en wet
niets van doen. Onder den schijn van de christelijke religie zuiverder
op te vatten, wordt ze van haar hart en kern beroofd. Eindelijk, ten
vijfde, indien echter genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn
en alle het vrijwillig afstand doen van een recht onderstellen, dan kan
zeer zeker met Socinus, de Christo Servatore I 1, de vraag nog worden
gedaan, of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening
te eischen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en barmhartig en
vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er van eenige voldoening
sprake is, als er maar oprecht berouw aanwezig is, Deut. 30:1-3,
Jerem. 3:13, 14, 18:8, Mt. 18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien
zij werkelijk ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure
maar alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eischen; genade
en vergeving onderstellen het; alleen is er verschil over, of God die
voldoening geeischt heeft. Het zal straks blijken, dat het lijden en
sterven in waarheid een satisfactorisch karakter draagt. Tegenover deze
werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid, of God van zijn recht
op voldoening geen afstand had kunnen doen, van zeer ondergeschikte
beteekenis. Maar in elk geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de
voldoening te bestrijden, als zou de eene de andere uitsluiten. Want
niet alleen worden zij in de Schrift met elkander verbonden, Lev. 4:31,
Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding tot
elkander geplaatst, dat de voldoening juist den weg tot de vergeving
ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening de vergeving wel op, wijl
het hierbij in het geheel niet aankomt op den persoon, die betaalt,
maar alleen op de som, die betaald wordt. Maar bij zedelijke schulden is
dat gansch anders. Deze zijn persoonlijk en moeten in den schuldige zelf
worden gestraft. Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt,
dan is het toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden
van zijne verdiensten voor die van den schuldige toch altijd eene daad
van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving schenkt
God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus maar met het
oog op ons genade. De voldoening van Christus opent voor God den weg,
om zonder krenking van zijn recht uit genade de zonden te vergeven en
den goddelooze te rechtvaardigen. Indien de zonde van dien aard is, dat
recht en gerechtigheid, wet en waarheid niet de minste schade lijden,
ook al wordt ze niet gestraft, dan is ook de genade der vergeving niet
groot. Maar als de zonde zoo groot is, dat God, eer Hij ze ongestraft
liet blijven, met den bitteren en smadelijken dood des kruises aan zijnen
lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de rijkdom van Gods
genade, de macht zijner vergevende liefde aan het licht. Dan vindt ook
de mensch voor zijn beschuldigend geweten in die voldoening rust en
troost en kan hij zonder eenige vreeze in de vergeving zijner zonden zich
verheugen; want de volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte,
onberouwelijke, eeuwige vergeving. Cf. Maccovius, Coll. theol. I 274.
Mastricht, Theol. V 18, 35. Turretinus, Th. El. XIV qu. 10, 8. Id. De
satisfactione p. 44. Hoornbeek, Socin. Confut. II 629. Petrus de Witte,
Wederlegginge der Socin. Dwalingen, Amst. 1662 II 90v. Leydecker, Vis
verit. p. 82. Moor III 1031. Shedd, Dogm. Theol. II 382. Martin, The
atonement 183 etc.
12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het
algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil,
Mt. 3:15, 20:28, 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, Rom. 5:19, Gal. 4:4,
Phil. 2:7, 8, Hebr. 5:8, 10:5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de
theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus
is dikwerf van de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak,
losgemaakt en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de
christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de
bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd;
ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de christelijke deugden
bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren
en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit
zijn lijden; Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens
lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese
und Mönchthum, I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus
bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods
wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven,
dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en
als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche
theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus
niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de
sanctissima passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen
ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats
de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. I 2, de Christo
V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken, vert.
door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341. Ook onder de
Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz.,
opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor,
die aan zijne actieve gehoorzaamheid te kort doen. Zelfs Parsimonius
en Piscator loochenden haar, wijl Christus reeds voor zichzelf tot
deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel een
necessarium requisitum personale was, ons ten goede, nostro bono, maar
geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de
H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze
gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven,
verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en
het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven.
De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon
van Christus naar beide naturen Heer der wet was en dus ook niet als
mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was, Gerhard,
XVI 57. 59. Quenstedt III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol.
58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers I² 274. Maar de Gereformeerden konden
alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker
verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven
al en den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen
van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en
werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding tusschen
eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia
mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem
heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4:34,
17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een
losprijs voor velen, Mt. 20:28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op
het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de
voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal.
4:4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd
ten gevalle van zichzelven, οὐχ ἑαυτῳ ἠρεσεν, Rom. 15:3, heeft bij zijne
menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht
aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden
tot den dood toe, μεχρι θανατου, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9 en zoo is
het één δικαιωμα en ééne ὑπακοη, die aan velen de δικαιωσις ζωης
schenkt, Rom. 5:18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd,
om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of
zelfs zooals Jac. Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480,
tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Het
beroep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr. 7:27,
1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout,
geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen
niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van
Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid, cf. Moor III 985 sq.
Mastricht V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. S. II
771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471.
Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis
af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der
menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog
niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar
zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in
het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus, Sent. III dist. 18,
2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel. art. 22, cf. Acta Syn. Dordr.
sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst.
I 91. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 287. Ten tweede is het zeker
waar, dat Christus als mensch, voor zichzelf der wet onderworpen was;
alleen maar, zijne menschwording en zijn mensch-zijn is niet voor Hem
zelven maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit
beschouwd als een persona privata, een individu naast en op gelijke
lijn met anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de
tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor zichzelven
zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, wier representant
hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid en gehoorzaamheid de
vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was
Christus als mensch aan de wet Gods onderworpen als regel des levens;
zelfs de geloovigen worden nooit van de wet in dien zin ontslagen.
Maar Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de
wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet
alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet werd hem in het
werkverbond nog onder eene andere forma voorgehouden, n.l. als weg tot
het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door
zijne vereeniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven.
Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het
werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zich en
de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus
eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk Anselmus zeide,
maar heel zijn leven was eene zelfverloochening, ééne zelfofferande,
door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen gebracht. Ten derde, dat de
geloovigen nog altijd tot onderhouding der wet als regel des levens
verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou
al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want
de geloovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg der zonden te
dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld,
zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zoo zou
Christus hen van niets, noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben
bevrijd. Jac. Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de
zijnen alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende
de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, den
lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk
der verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen,
eene verlossing van den ganschen mensch naar ziel en lichaam, van alle
zonden en gevolgen der zonde. En deze is volbracht in en door Christus’
leven en sterven. Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in
een onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten
rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks wederkomen
zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt de verlossing, door
Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst
geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeeling worden de geloovigen
geestelijk bevrijd van elke schuld en macht der zonde en hare gevolgen,
van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving der zonden en het
eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven;
en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht
der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze voltooid
zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het
werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van
Christus’ werk alleen in de verlossing van den eeuwigen dood te zien;
even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke,
ethische heerschappij van den Christen over zonde en wereld in het
Diesseits, te beperken. De gansche persoon van Christus, beide met zijne
actieve en passieve gehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche
verlossing. Cf. over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16,
5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5:19, Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol.
disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35.
Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius,
Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus, de foedere V 93. Quenstedt, Theol.
III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755.
Baur, Versöhnung 478v. Philippi, Der thätige Gehorsam Christi 1841.
Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., Neue
kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers I² 271 f. A. A.
Hodge, The atonement 248-264 enz.
13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van de
voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia
passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme de
kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden onderworpen,
trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog te handhaven,
door ze in mystischen of ethischen zin om te werken, boven bl. 327v.
De voorstelling is dan in hoofdzaak deze, dat Christus’ lijden en
sterven niet noodig was, om aan Gods gerechtigheid te voldoen noch
door God als een offer voor onze zonden geëischt werd, maar dat het
de consequentie was van zijn leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het
bewijs dat Hij in zijn religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in
den dood toe, het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven
te midden van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die
het lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken en
als Etwas Sachliches op zichzelf stellen, bezit deze voorstelling een
onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige, Op. 1:5, Hij
heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd, 1 Tim. 6:13,
zijn lijden en sterven is geen lot maar eene daad, Hij heeft macht, om
het leven af te leggen, gelijk om het aan te nemen, Joh. 10:18. Maar
toch wordt zij zelve door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1º
Reeds dit is van beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij
Jezus alleen van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin
ligt reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende,
dan heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe
ontwikkeld, staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleen in
religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en moeten
wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren. Is Christus
daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester en koning, dan
is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te
doen, staat Hij met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods
aangezicht te vertegenwoordigen, om ons te regeeren naar zijnen wil,
Martin, The atonement 105. 2º Gevolg van deze opvatting is, dat het
lijden en sterven van Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher
leidde het daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige
gemeenschap; hij liet het bestaan in Mitgefühl mit menschlicher Schuld
und Strafwürdigkeit en zag in zijn dood gevolg van zijn Eifer für seinen
Beruf, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo, dat het de trouw aan
zijn beroep is, welke Christus tot eene offerande qualificeert; zijn
dood was geen offerande maar een onbedoeld gevolg van het conflict
tusschen Hem, den heilige, en de zondige menschheid, das Accidens
seiner positiven Treue im Berufe, Rechtf. u. Vers. III² 525, cf. 415
f. 441 f. II 334 f., Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl, Die Heilsbedeutung
des Todes Christi 190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood
van Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden en
door God toegelaten, en vatten het δει in Mt. 16:21, Mk. 8:31, Luk.
9:22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. christ.
ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron. Godg. 181. Eene theorie nu, die het
lijden en sterven van Christus voor toevallig verklaart, is daarmede
reeds ten volle geoordeeld. 3º De Schrift toch zegt duidelijk, dat
Jezus’ lijden en sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel
tracht men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en
met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid
van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea Philippi, Mt.
16:20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich langzamerhand tegen
zijn persoon ontwikkelde, b. v. Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295. Maar
Kähler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus
blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam
Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling
zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk.
4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijne discipelen zou
weggenomen worden, Mk. 2:20; de vergelijking van zichzelven met Jona,
Mt. 12:40 en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van
het koninkrijk der hemelen in geestelijken zin, van de zelfverloochening
en het kruisdragen, van den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5,
10, 11:16v., 12:25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn
de dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo had
Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung I 1891
S. 395 f. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung 1898 S. 159 f. De dag van
Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering, dat Jezus openlijk aan
zijne discipelen verkondigde, dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd
zou worden en ten derden dage zou opstaan, Mk. 16:21, Mk. 8:31, Luk.
9:22. En Hij zegt erbij, dat dit alzoo _moet_ zijn, niet omdat Hij zedelijk
verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep kon
blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en
zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het alzoo in Gods
raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 26:54, Luk. 22:22,
24:26, 44, 46, Joh. 3:14, 7:30, 8:20, 10:18, 11:9, 12:23, 17:1, 20:9,
Hd. 2:23, 4:28, 1 Cor. 15:3, cf. Scholten, L. H. K. II 45. 4º De beide
teksten Mt. 26:39 en Hebr. 5:7 zijn hiermede geenszins in strijd. Volgens
Hebr. 5:7 bad Hij niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet
als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed,
niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is; maar Christus bad,
dat Hij in den dood niet mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt
en verheerlijkt mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods
wil te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10:5-10. Dit werpt
licht op Mt. 26:39-42; Jezus bidt daar niet naar zijn wil, welken Hij
juist aan dien des Vaders onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke
der menschelijke natuur is ingeschapen om eigen verderf te ontvlieden,
Kantt. St. Vert.; Hij ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist,
dat God Hem sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods
wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge. 5º Het lijden
en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk eene plaats in, dat
het niet als het accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat.
Aan de beschrijving daarvan is het grootste gedeelte der evangeliën
gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap maar als een
gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters.
Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl
Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd
den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst
tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk
druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33, Luk. 22:44, Joh. 12:27,
Si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de
Jésus sont d’un Dieu (Rousseau). In de prediking der apostelen is het
kruis van Christus het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden.
Veel meer dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk;
en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden; om der
zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij voor de zijnen de
gerechtigheid en het leven verworven. Al mag dat lijden en sterven niet
losgemaakt worden van den persoon, het is toch bepaald door God als
zoodanig gewild, door den Zoon volbracht; het vormt in het leven van
Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk
geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de
eerste plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de
zaligheid verworven. 6º Wel wordt daartegen ingebracht, dat God niet
propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond der
genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e. a. en thans b. v.
Scholten, L. H. K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter Christum, Zeits.
f. Theol. u. Kirche 1897 S. 352-384. De Lutherschen schiepen er zelfs
behagen in om de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij krachtens hun
praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem
alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de
Gereformeerden zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentum
en causa electionis was, deel II 380; de verkorenen waren al voorwerp
van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was aangewezen en
waren verkoren niet om maar in en tot Christus, Gerhard, Loc. XVI de
justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 S. 45 f. Id.
Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389.
Maar deze beschuldiging is onwaar. Christus is zeer zeker bewijs en
openbaring van de liefde des Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot
zaligheid aan zijne verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet
eerst door Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin
bestaat juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren wil
schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon, en
het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne gerechtigheid. Gods
genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te
niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste, quia mero
beneplacito mediatorem statuit, qui nobis salutem acquireret, Calv.
Inst. II 17, 1. Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat,
ib. 16, 3. Jam nos diligenti reconciliati sumus, ib. 4. En deze beide,
Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom
samengaan, wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde
en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo is het
dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om
zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43:23-25, Ezech. 36:21,
Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is zoo weinig daarmede in strijd, dat
God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons
eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het
leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets
dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons
verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk
aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande
(amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in den
tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelve zijn door
Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de
uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is
tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem.
Hij is geworden uit eene vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons
van den vloek der wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen
verkrijgen zouden. Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is
Christus de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20:28, 27:28, Joh.
1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:21, 22, 2 Cor. 5:19-21, Gal. 3:13,
4:4, 1 Joh. 4:9. Zoo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden
vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’
wil, schriftuurlijk en door de gansche Christenheid geleerd, ook door
de Gereformeerden, Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15:13,
Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf.
Scholten, L. H. K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid. Cat. qu.
37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II 170v. Mastricht,
Theol. V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol. IV 40 X 30. Turretinus,
de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 265 f. Eindelijk 7º, de
mystische en de moreele theorie raken op alle punten met de Schrift en
met de christelijke religie in strijd. De eerstgenoemde acht het wezen
der religie gelegen in de mystische eenheid van God en mensch. Deze
is door de zonde verstoord maar door Christus hersteld en wel niet
zoozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer
dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis. Hoe die
mystische eenheid van God en mensch nu door Christus hersteld is, is op
dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide, dat die eenheid objectief
bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken
is. Schleiermacher stelt het zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in
onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne
heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf
zoo uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al
deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en zijn,
zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De moreele
theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eischt maar
in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijne leer, leven en
sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid
veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementeele
theorie van Grotius ziet in God den Rector mundi, die persoonlijk wel
zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang der wereldorde de
zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij
al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods,
van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt
dan in figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis
en geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in
het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften geen
plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan in een
martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, de christelijke
religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school. Gerechtigheid
is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op hare plaats. Zonde is
geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mensch is niet zoo boos, of
hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten
goede veranderd worden, cf. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A. A.
Hodge, The atonement, ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet
in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan
eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelven
verandert. De geloovigen onder het O. T. hadden het voorbeeld van
Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op eene andere wijze zalig
geworden dan wij, en Christus is niet de eenige naam, onder den hemel
den menschen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde
theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tusschen den
dood van Christus en de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven.
Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van
deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de
zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer,
dat Christus door zijn beeld een diepen indruk maakt op het verstand of
op den wil of ook op het gevoel van den mensch, en zoo hem bevrijdt van
de meening, dat God om zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht,
die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem
neerdrukt. Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede
en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en
het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het
bloed des kruises!
14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus, welke in
de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven dan door
haar op te vatten als satisfactio vicaria. De bestrijders dezer leer
stellen het echter menigmaal zoo voor, dat men bij het werk, evenals
bij den persoon van Christus onderscheiden moet tusschen de zuivere
feiten, en de theorieën, die daarover ter verklaring opgesteld zijn.
Eerst wordt deze onderscheiding gemaakt met het oog op de kerkelijke
leer der satisfactio vicaria maar weldra daarna ook met het oog op
het onderwijs van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan
het naakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie
en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten. Zoo
staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring saam;
Christus is priester maar ook profeet; Hij heeft zijn eigen persoon en
werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord zijn dood geinterpreteerd,
en de christelijke theologie is daaraan gebonden. Er zijn dus niet
vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele, de mystische, de
privaat- en de publiekrechterlijke, welke door de theologie bij wijze
van hypothesen ter verklaring der feiten en verschijnselen opgesteld
worden en als verschillende pogingen ter oplossing alle evenveel
recht van bestaan hebben. Maar de vraag is, wat in al deze meeningen
en leeringen met de Schrift overeenkomt en daarin gegrond is. Zoo de
vraag gesteld, is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio
vicaria door de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen
en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen,
neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van Ritschl
moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, hare
onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer betwijfeld, cf. Kreibig,
Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr. Bew. 1878. Frank, Die Theol.
Ritschls 1891. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie, Jahrb. f. pr.
Theol. 1889. Id. Entw. der prot. Theol. 228 f. Orr, The Ritschlian
theology, London 1897. Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar
altijd weer de kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug,
Wegscheider, Instit. theol. § 136. Pfleiderer, Der Paulinismus² 136 f.
Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz.
De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus eene
vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn eisch, boven
bl. 310. Als profeet, priester en koning, in zijne geboorte en dood,
in zijn leven en lijden, in zijn woorden en wonderen, in zijn spreken en
handelen, altijd volbrengt Hij Gods wil; Hij is gekomen, om dien wil te
doen; de wet Gods was in het binnenste zijns ingewands; zijn gansche
leven is ééne volmaakte offerande, Gode tot eene welriekende reuk.
Die wil Gods is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne
offerande. Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele
zijde onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan den
gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomen onderhouden
en ook hare overtreding door straf herstellen zou, boven bl. 220.
Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, n.l. de
vergeving der zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identisch;
rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelsche zaligheid.
Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch
nog in den weg der werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen
is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de
misdadiger, die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt,
vervult het recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der
wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om
voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid en
dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid verwerven
moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen en plaatste
ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, dien Adam te
bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet
alleen de vergeving der zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook
terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori,
deel II 557: die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het
eeuwige leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom
ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk
naast elkander genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hd. 26:18, Rom. 5:17,
18, Gal. 4:5, Op. 1:5, 6. En zoo is het ook met de actieve en passieve
gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in
concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve
gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch
omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden
van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te brengen.
Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning
is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld der
zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed,
te zeggen, dat de vergeving der zonden alleen door zijne passieve, en
het eeuwige leven alleen door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven.
Want zijn lijden was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging
der wet; en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook
een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden was daad.
Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk, zoo waardevol
in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen door voldaan,
alle eisch der wet er ten volle door vervuld en de gansche, eeuwige
zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische van Christus’
gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat Hij eene wraakzuchtige Godheid
door bloed bevredigd, haar haat en nijd door eene quantiteit van lijden
gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat hij van het begin tot
het einde van zijn leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen
en liefderijken wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en
alle krachten Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar
die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet alleen het leven
maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen
in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Wat God vereenigd
heeft, zal de mensch niet scheiden. Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13,
11 sq. Mastricht, Theol. V 18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev.
ref. K. 326. 341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u.
Vers. I² 279 f. III² 61.
De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene satisfactio;
zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift
zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee der
plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van den
offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat Hem weder
gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen wij de idee der
plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van den
Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar zijnen zoon, maar een
ram ten brandoffer offert in zijns zoons plaats, Gen. 22:12, 13. In
den Oudtest. cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden
van den offeraar op het offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening
zelve komt niet in één maar in drie acten tot stand, n.l. slachting,
bloedsprenging en verbranding; schoon met de zonden van den offeraar
beladen en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet
eenvoudig gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig,
zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening
te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is
niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer, maar
daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het wel met de zonden
des offeraars beladen en daarom gedoode, maar toch in zichzelf
volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht en gewijd wordt. Zoo
doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom
niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van den
offeraar; het maakt dat heel het dier in de verbranding Gode is tot
eene aangename reuk; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst,
het dier heeft van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en
alzoo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus
ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht des
Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in
Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen
en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om
onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede
aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden.
De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de
overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel
tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht
of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt
nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukking λυτρον
hier in aanmerking, Mt. 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6; het is naar zijne
afkomst van λυειν, losmaken, het middel om iemand los te maken, uit
de gevangenis te bevrijden, en vandaar dikwerf losgeld. In de LXX is
het de vertaling van גְּאֻלָּה, Lev. 25:51, 52 of פִדִּוי,
Num. 3:46 of כֹּפֶר, Ex. 21:30, 30:12, Num. 35:31, 32, Spr. 6:35,
13:8, dat echter elders vertaald wordt door ἐξιλασμα, 1 Sam. 12:3, Ps.
49:8 of ἀλλαγμα, Am. 5:12, Jes. 43:3, of δωρον, Jos. 36:18. Nu is het
waar, dat in het woord λυτρον het plaatsvervangende en aequivalente
nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl,
Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10:45 zoo te verstaan, dat
Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel
is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den dood als lot aller
schepselen, maar voor de volle vernietiging en de doelloosheid van het
leven en dus bevrijd worden van de vreeze des doods. Want het woord
λυτρον moge op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt
tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand,
dat iemand, die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen
afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr.
21:18 wisselt het daarom met תחת, in de plaats van. En dan vooral,
de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eene τιμη, een dure prijs,
1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. 1:18. 19; er wordt bepaald gezegd, dat een
mensch geen ἀνταλλαγμα, losprijs, vergoeding, aequivalent kan geven voor
zijne ziel, Mt. 16:26, Mk. 8:37, cf. Ps. 49:8; en het woord λυτρον wordt
in het N. T. nog versterkt door de praepositie ἀντι, Jezus geeft zijn
leven tot een losprijs in de plaats van velen, die het wel moesten maar
niet konden doen, cf. Cremer s. v. Maar behalve de uitdrukking λυτρον
komt hier in de tweede plaats heel de N. T. leer van de offerande
van Christus ter sprake. De praeposities, die het verband van die
offerande tot ons en onze zonden aanduiden, ὑπερ, περι, δια, boven bl.
312, beteekenen op zichzelve niet: in de plaats van, maar ten behoeve
van, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen
tusschen Christus’ offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat
de mystische, moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift
in het geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook
ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in Hem
gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat de zin der
Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting van Christus’
lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf worde erkend, dat
Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven
is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij
de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit,
menschwording, Godmensch enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon
persoonlijk zonder eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich
genomen en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek
is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten
kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria voor ons de
verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven, de gansche
zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet anders te denken,
dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze straf gedragen heeft.
Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b. 80 enz. Holtzmann, Neut.
Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de praep. ὑπερ, Holwerda, Jaarb. v.
wet. Theol. 1862 bl. 521v.
15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer wichtige
bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den ander overnemen
en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan
den persoon. Zij kunnen uit den aard der zaak niet door een ander worden
overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet
onschuldig en den onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den
aard der zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch
nooit het schrikkelijkste in de zonde, d. i. de zelfbeschuldiging,
het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige
lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf der zonde maar
eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met
de werkelijkheid, want Christus heeft niet den toorn Gods gedragen
maar steeds in zijne liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de gansche
straf der zonde gedragen, want Hij stierf noch den geestelijken noch den
eeuwigen dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor
één enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch
maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde zijner
offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet lijden kon,
boven 324. Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat
daarom vooraf uit den weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het
volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelven,
het voorwerp van Gods toorn is geweest; Hij is nooit in eigen persoon
een zondaar geweest. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal
onderscheid tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige
en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in
Christus, boven 275v. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging
zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf maar ook de smet
en onreinheid der zonde was overgedragen; de verwisseling tusschen
Christus en de uitverkorenen was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is
en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd
geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen,
zijn geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben
geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het vleesch, van
den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery, 2e dr. 1738
bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 704. Witsius, Misc. S.
II 758-780. En in lateren tijd zijn deze gevoelens soms vernieuwd door
de Methodisten, Schneckenburger, Vorles. über die kleineren protest.
Parteien 146, door de Irvingianen, Herzog² 7, 154, door sommige
volgelingen van Kohlbrugge, Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott
durch Christum 1874. Böhl, Von der Incarnation des göttl. Wortes 1884
Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords Amst. 1887,
Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk
mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden, boven 296, en
de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh.
1:14, Rom. 8:3, Hebr. 2:14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene
zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet dat
Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen zooals
Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3:13,
hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in
objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt
en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12.
Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een
zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd
en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet en
haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging,
belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen;
de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot
alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen
te dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar
zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus
en de zijnen, is niet in pantheistisch physischen of mystischen zin
te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig
in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij
tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats brengt
het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mede,
dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet.
Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie toch anders opgevat
dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch
of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het
goedgevonden had, want tantum valet omne creatum oblatum, pro quanto
Deus acceptat illud et non plus, 8ent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf.
dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat
niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde
en dat meritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem
persolutum est, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episc.,
Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover noemde Thomas, S.
Theol. III qu. 48 art. 2 de passio Christi niet alleen sufficiens sed
superabundans satisfactio pro peccatis humani generis, cf. Cat. Rom.
I 5 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars
III tom. 2 p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag
behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening
ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw.
der Lehre v. d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing zoowel
bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke, quantitatieve
berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming
met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel
de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus als de superabundantie
van Thomas verwierp, Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor
III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus
naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de
offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde met
wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient hield,
zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling
door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name
de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen
voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, dat
het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer
kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen
behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook inderdaad
geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging
onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze
eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op
Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus
heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen noch ook daarin
afzonderlijk voor de zonden van elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus,
adv. haer. II 22, 4 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet
precies hetzelfde, idem, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want
schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood
als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft
Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als
verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5. qu. 48
art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. Moor
IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454.
Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239. Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2,
29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586.
Zelfs ligt er in de acceptilatie eenige waarheid, want het strikte
recht Gods vorderde, dat ieder mensch persoonlijk voor zichzelven
voldeed; en het is zijne genade geweest, die Christus gaf tot een
middelaar des verbonds en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten
toerekende. Met eene quantitatieve berekening komen wij dus bij de
satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare
grootheden, met welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De
zonde is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel,
eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en
organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich richt
tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid. Cat. 37.
Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij
door zijne schepselen als God wordt miskend of onteerd. Daarom bestaat
de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die
verhouding tot God, tot zijn toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan
staan, in welke het menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor
die menschheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt,
een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als
de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval maar voor één
mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij de straf der zonde toch
slechts één maal heeft gedragen, dan gaat deze redeneering van dezelfde
quantitatieve berekening uit als de acceptilatie van Duns Scotus
en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde
die door Adam in de wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van
zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn Gods door ieder
schuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd
de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare toorn
Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk geslacht ontbrand is,
de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods, die door de zonde gekrenkt is,
de ééne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En
daarom is de straf van Christus ook ééne, maar eene, die intensief en
qualitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk
geslacht, den toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht
verzoent, de gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt
en God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid, van
liefde en genade weer in het menschelijk geslacht tot erkenning brengt.
Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet maar een individu
naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menschelijk
geslacht, de Zoon des menschen en de Zone Gods tevens.
16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen nog
te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk eene
plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te
merken, dat de idee der plaatsvervanging ook op zedelijk gebied diep in
de menschelijke natuur is gegrond, en onder alle volken in priesterschap
en offerande zich belichaamd heeft en ook op allerlei wijze in poezie
en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood
reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland
gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het
schijnt volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen,
dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen
nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31. De christelijke
theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius,
Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede
het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk
hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien,
dat de idee der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken
en Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met de
tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd door Schuld und Sühne
maar wel door Leidenschaft und Leid is weer te geven. De dood van
den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor
begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere
vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte
verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, verkondigt
de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt
langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het
edele en groote in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes,
Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz.,
verzoent ons met hen en met hun geslacht; alle menschlichen Gebrechen
sühnet reine Menschlichheit (Goethe). En zoo is het ook dikwerf in de
historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor
zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers,
en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI
boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der
familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke
voorbeelden leveren. In het de mortuis nil nisi bene eeren wij allen de
verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op
aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De
graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid
wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart en soms
stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied
der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken,
strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van
de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. Alle edele
goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor
allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter;
hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden,
συμπαθεια; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om,
in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van
zijn zoon. Natuur en menschheid leeren, dat er stellvertretende Kräfte
zijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius, Syst. Theol. X 24.
Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II
221v. Bushnell, Vicarious sacrifice 1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de
Maistre, Soirées de St. Petersbourg, éclairc. sur les sacrifices.
Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt, om
het plaatsvervangend lijden van Christus eenigermate toe te lichten.
Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid uiteenrukt
en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde.
Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren.
Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van
Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze
zondige gemeenschap, b. v. Schleiermacher, Chr. Gl. § 104, 4. Weisse,
Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz, Der Begriff
des stellvertr. Leidens, Basel 1864 enz. Maar zoo komt de offerande
van Christus niet tot haar recht. Wel is menschelijke sympathie voor
Christus, en bovenal voor Hem als den heiligen en barmhartigen
Hoogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Mt. 8:17,
9:36, 14:14 enz., maar zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak,
evenmin als honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking
van Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden voor
Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een
getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend
van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als eene
straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Mt. 20:28, 26:28, 27:46,
en heel de Schrift leert, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en
een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan
zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de
plaats, die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet
een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet
een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen; die
natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam Christus
met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk Adam daarom
onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader was van heel het
menschelijk geslacht, zoo is Christus plaatsvervanger van de gemeente,
die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem
is. En evenals wij b. v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij
met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft
wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl.
qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale, The atonement,
lect. 10. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement,
ch. 7. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 67 f. Bilderdijk, Opst.
v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze realistisch-mystische
opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelve volkomen
juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen
toch zijn zelven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt
en in den hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3
enz., cf. Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen
verzoener maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der
zonde moest wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest
breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het
werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is
zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de
zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8
volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij
den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het
pantheisme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de
objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd
laat b. v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen
van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan alleen is
deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de
objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer
Christus allereerst als Hoofd des verbonds wordt beschouwd en in
foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden.
Het verbond der genade gaat aan den persoon en de offerande van
Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet nadat Christus zijn werk
heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en
geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg
en de middelaar van, Hebr. 7:22, 8:6, 12:24; zijn bloed is bondsbloed
en daarom verzoenend, Mt. 26:28. Ja meer nog, het verbond der genade
is niet eerst opgericht in den tijd, maar het heeft zijn grondslag in
de eeuwigheid, het rust in het pactum salutis, het is in de eerste
plaats een verbond der drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader
en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig
begint het eerst in den tijd met de werkzaamheid des H. Geestes, dat
het veeleer van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand
en vastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria
van Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije,
almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet zeggen,
dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en
menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar
analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam, boven bl. 129v.
identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid eene eigenaardige plaats
in; zij alleen zijn hoofden van heel het menschelijk geslacht; hun invloed
en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam
staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus
is plaatsvervanger der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar
nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze
plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid.
Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel was; Christus is
hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een
mensch, schoon zonder zonde, aardsch uit de aarde; Christus was het
vleeschgeworden Woord, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en
waarheid, de Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus
herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond
het verbond der werken, en het evangelie de wet te boven gaat, zoo hoog
staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio vicaria is zelfs niet naar
het verbond der werken met zijne wet te begrijpen; zij is wel niet contra
legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat
alle onze gedachten zeer verre te boven. Zij is tot geen algemeenen
regel terug te brengen noch door eene algemeene wet te verklaren, want
zij is geen verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit,
geheel eenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard
en zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods.
En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar draagt
een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft haar grondslag
in den raad van God drieëenig, in het leven der hoogste, der volmaakte
en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond der verlossing. Naar de
ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats der zijnen in en
wisselt Hij hunne zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn
leven in. Ὠ της γλυκειας ἀνταλλαγης, ὠ της ἀνεξιχνιαστου δημιουργιας,
ὠ των ἀπροσδοκητων εἰεργεσιων, ἱνα ἀνομια μεν πολλων ἐν δικαιῳ ἑνι
κρυβῃ, δικαιοσυνη δε ἑνος πολλους ἀνομους δικαιωσῃ, Ep. ad Diogn. 9.
Cf. A. A. Hodge, The atonement 198 etc. Hugh Martin, The atonement p. 9
etc.