Chalcedon sprak daarom terecht uit, dat de vereeniging der Goddelijke

en menschelijke natuur in Christus ἀδιαιρετος en ἀχωριστος was. Maar

evenzeer hield zij tegenover de andere richting staande, dat zij was

ἀτρεπτος en ἀσυγχυτος. Tegenover Nestorius verdedigde Cyrillus, dat

de vereeniging in Christus niet eene zedelijke was, maar eene ἑνωσις

κατα φυσιν of καθ’ ὑποστασιν, eene ἑνωσις φυσικη; maar wijl hij de

woorden προσωπον, ὑποστασις, φυσις nog niet zoo duidelijk als lateren

onderscheidde, aarzelde hij om van δυο φυσεις in Christus te spreken

en zeide hij ook wel, dat Christus ἐκ δυο φυσεων één is geworden,

dat Hij μια φυσις is, en dat Goddelijke en menschelijke natuur in Hem

vereenigd zijn εἰς ἑν τι, εἰς μιαν οὐσιαν. Dit kon misverstaan worden,

en werd misverstaan door Eutyches, volgens wien beide naturen door

en na de vereeniging elk hare bijzondere eigenschappen verliezen

en veranderd en omgesmolten werden in ééne nieuwe Godmenschelijke

natuur, cf. Schwane, D. G. II 351 f. Aan dit monophysitisme is in den

nieuweren tijd de leer der κενωσις verwant. Zij werd voorbereid door de

Luthersche leer van de communicatio idiomatum, boven bl. 245, werd

verder ontwikkeld door Zinzendorf, Plitt, Zinzendorfs Theologie II

166 f., en dan in deze eeuw, onder den invloed der philosophie van

Schelling en Hegel, die de idee van het worden in God opnam, door

velen als eenig mogelijke verklaring van den persoon van Christus met

warmte verdedigd. Zij houdt in, dat de Logos bij zijne menschwording van

al zijne Goddelijke eigenschappen, ook de immanente, of althans van zijne

transeunte eigenschappen zich ontdaan heeft, tot het standpunt van

eene zuivere potentie afgedaald is, en dan vandaar in vereeniging met

de menschelijke natuur zich weder langzamerhand tot een Godmenschelijk

persoon ontwikkeld heeft, boven bl. 252. Maar ook deze theorie is even

onaannemelijk als die van Dorner. De Schrift kent slechts één persoon,

één subject, één Christus, maar schrijft daaraan toch eene dubbele soort

van eigenschappen toe, Goddelijke en menschelijke. Hij is Logos en werd

vleesch; Hij is naar het vleesch uit Israel en toch God boven alles

te prijzen enz., boven bl. 239. Hetzij men nu meer, gelijk vroeger, de

menschelijke natuur in de Goddelijke laat veranderen, of, gelijk thans,

meer de Goddelijke zich laat ontledigen tot de menschelijke toe, of ook

beide naturen geheel of ten deele laat samenvloeien tot eene derde, tot

een mixtum quid; altijd wordt op pantheistische wijze de grens tusschen

God en mensch uitgewischt en de idee van den Godmensch vervalscht. De

monophysitische en kenotische leer is met de onveranderlijkheid, met

alle eigenschappen, met het wezen Gods, en evenzoo ook met de natuur

van het schepsel en van den eindigen mensch in strijd. Eene Godheid of

eene Goddelijke eigenschap, die dit alleen potentia is en niet actu, is

ondenkbaar; en een mensch, die door ontwikkeling de Goddelijke natuur

tot hare eigene maken kan, houdt op een schepsel te wezen en gaat uit

den tijd in de eeuwigheid, uit de eindigheid in de oneindigheid over.

Zelfs is heel de gedachte van een Godmensch, bij wien de vereeniging van

beide naturen door beider vermenging vervangen is, een monstrum, waarbij

niemand zich iets denken kan. Zulk een kan niet wezen de Middelaar Gods

en der menschen, wijl Hij geen van beiden is; Hij brengt de vereeniging,

de verzoening, de gemeenschap van God en mensch niet waarlijk tot

stand, wijl Hij zelf, door zijne vermenging van beide naturen, van beiden

onderscheiden en een tertium genus is. Cf. Form. Conc. ed. Müller

550, die de kenotische theorie verwerpt. Dorner, Entw. II 1261-1276.

Id. Gl. II 337 f. Id. Gesammelte Schriften 207-241. Vilmar, Dogm. II

54. Philippi, Kirchl. Gl. IV 386. Kähler, Wiss. d. chr. Lehre II 348.

Lipsius, Dogm. § 579. Schultz, Gottheit Christi 277 f. Bruce, The

humiliation of Christ, Edinb. 1870. Orr, Chr. view 280. Lobstein, Revue

de théol. et de philos. Mars 1891 p. 186 s. Id. Etudes christol., Paris

Fischbacher 1891. Chapuis, Revue de théol. et de philos. Sept. 1891 p.

426 s. Scholten, L. H. K. II 385v.

14. Voorshands kan de theologie, indien zij waarlijk Schriftuurlijke en

christelijke theologie wil zijn, niet beter doen dan de leer der twee

naturen te handhaven. Zij mag zichzelve daarbij diep doordringen van het

gebrekkige, dat hare taal, bepaaldelijk ook in de leer van Christus,

aankleeft. Maar alle andere pogingen, die dusver aangewend zijn om

het christologisch dogma te formuleeren en nader tot ons bewustzijn te

brengen, doen te kort aan den rijkdom der Schrift en aan de eere van

Christus. En hiervoor heeft de theologie in de eerste plaats te waken.

Welke bezwaren tegen de leer der twee naturen vroeger en later ook

ingebracht zijn, zij heeft toch dit voor, dat zij geen gegevens der H.

Schrift verwaarloost, den naam van Christus als den eenigen Middelaar

Gods en der menschen handhaaft, en ten slotte ook nog de meest klare en

heldere bevatting geeft van het mysterie der vleeschwording. Immers,

deze vleeschwording staat niet geisoleerd in de geschiedenis. Zij is

wel van alle feiten wezenlijk onderscheiden en neemt eene geheel eenige

plaats in, maar zij staat toch met alwat vóór en naast en na haar heeft

plaats gehad in nauw verband. Zij heeft, gelijk ons vroeger bleek, tot

voorbereiding en onderstelling de generatie, de creatie, de revelatie

en de inspiratie. Ten slotte dient hier nog aan toegevoegd, dat zij ook

in verband staat met het wezen der religie. Religie is gemeenschap met

God; zonder haar kan een mensch geen waar, volkomen mensch wezen; het

beeld Gods is geen donum superadditum maar behoort tot zijne natuur. Die

gemeenschap met God is eene unio mystica; zij gaat ons begrip verre te

boven; zij is eene allernauwste vereeniging met God door den H. Geest;

zij is eene unio personarum, een onverbrekelijk en eeuwig verbond van

God en mensch, dat door de benaming ethisch veel te zwak omschreven en

daarom als mystisch aangeduid wordt; zij is zoo innig, dat zij den mensch

naar Gods beeld verandert en hem de Goddelijke natuur deelachtig maakt,

2 Cor. 3:18, Gal. 2:20, 2 Petr. 1:4. Indien deze gemeenschap met God

en mensch nu waarlijk, niet als eene inbeelding maar als waarachtige

realiteit verstaan wordt, dan springt hare verwantschap en analogie

met de vleeschwording in het oog. Wie de generatie, de creatie, de

immanentie, de revelatie, de inspiratie, de religie, d. i. wie de

mededeelbaarheid Gods in waarheid belijdt, die heeft principieel ook

de incarnatie erkend. Niet in dien zin, alsof de vleeschwording uit

het wezen der religie vanzelf voortvloeien zou, maar wel zoo, dat de

erkenning der eene alle recht tot loochening der andere ontneemt. Want

indien de incarnatie hetzij van de zijde Gods hetzij van die des menschen

niet mogelijk is, dan kan ook de religie niet waarlijk bestaan in

gemeenschap van God en mensch. Maar de religie in dezen zin is door de

zonde verstoord; er is geen ware, zalige gemeenschap van God en mensch.

Daarom moest de vereeniging, die in Christus tusschen Goddelijke en

menschelijke natuur werd gesloten een gansch bijzonder karakter dragen.

Zij kon niet identisch wezen met de religieuse verhouding tusschen God

en mensch, want zij moest juist van de ware religie weer de aanvang,

het beginsel, de objectieve verwerkelijking zijn. Een verbond laat zich

niet improviseeren; het moet met een volk gesloten worden in zijn

koning of vertegenwoordiger. En zoo ook heeft God, om zijne gemeenschap

met de menschheid weer werkelijkheid te doen zijn, in Christus als

haar Hoofd zich met haar vereenigd. Daarom is Christus geen individu

naast anderen, maar Hoofd en Vertegenwoordiger der menschheid,

de tweede en laatste Adam, de Middelaar Gods en der menschen. De

vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur in Christus is

daarom van de inwoning Gods in zijne schepselen en in de geloovigen

wezenlijk onderscheiden. Zij is niet eene unio personarum maar eene unio

personalis et substantialis; zij is geene zedelijke vereeniging, die

haar beeld vindt in het huwelijk, geen overeenstemming van gezindheid

en wil, geen gemeenschap der liefde alleen. Maar zij is eene ἑνωσις

φυσικη, gelijk Athanasius, c. Apoll. I 8 en Cyrillus, Anathem. 3 haar

noemden. Daarmede wordt niet te kennen gegeven, dat die vereeniging

noodzakelijk was en uit eene van beide of uit beide naturen vanzelf

voortvloeide, maar zij heet zoo, wijl zij niet zedelijk is van aard, maar

eene vereeniging der naturen in den persoon des Zoons, eene unio

naturarum, niet naturalis maar personalis, Petavius, de incarn. III 4.

Turretinus, Theol. El. XIII 6, 3. En het resultaat dier vereeniging

is niet eene nieuwe natuur noch ook eene nieuwe persoonlijkheid, maar

alleen de persoon van Christus als Christus. Hij die in de gestalte Gods

was, bestond van nu voortaan ook in de gestalte eens menschen.

Krachtens dezen haar geheel eenigen aard, is de vereeniging niet anders

te denken dan als eene vereeniging van den persoon des Zoons met eene

onpersoonlijke menschelijke natuur. Indien toch de menschelijke natuur

in Christus een eigen, persoonlijk bestaan had, zou er geen andere

vereeniging dan eene zedelijke mogelijk zijn geweest. Dan ware Christus

ook niet persoonlijk God, maar slechts een mensch, in nauwe gemeenschap

met God levende. Dan ook ware Christus een bepaald mensch met een

eigen individualiteit geweest, maar niet de tweede Adam, hoofd van het

menschelijk geslacht. Hij moest echter niet een individu naast anderen

zijn; zijn werk bestond niet daarin, dat Hij één enkel mensch, met wien

Hij zich vereenigde, tot de gemeenschap met God terugbracht. Maar Hij

moest het zaad Abrahams aannemen, Hoofd van eene nieuwe menschheid zijn

en eerstgeborene van vele broederen. Daartoe moest Hij aannemen eene

onpersoonlijke menschelijke natuur. Dit is niet met de Anastasius Sinaita

en anderen zoo te verstaan, dat Christus de menschelijke natuur in hare

algemeenheid, in den zin der Platonische idee, heeft aangenomen, want

deze bestaat wel in de menschheid doch niet op zichzelve, in eene

numerische eenheid, Schwane, D. G. II 369. De menschelijke natuur in

Christus was integendeel in zooverre wel terdege eene individueele,

dat Hij daardoor van alle menschen, schoon dezelfde natuur deelachtig

door bepaalde eigenschappen onderscheiden was. Toch is Christus

daarom geen individu naast anderen, want de menschelijke natuur had in

Hem geen eigen, persoonlijk bestaan naast den Logos maar was van den

aanvang af door den H. Geest zóó voor de vereeniging met den Logos

en voor zijn werk toebereid, dat zij in dien Logos heel het menschelijk

geslacht vertegenwoordigen en voor alle menschen van alle geslachten

en standen en leeftijden, van alle eeuwen en plaatsen de Middelaar Gods

kon zijn. Cf. Greg. Nyss., Hilarius, Basilius, Ephraem, Apollinaris e.

a. bij Dorner, Entw. I 958 f. Damascenus, de fide orthod. III 3. 6. 11.

Thomas, S. Theol. III qu. 4 art. 4. Petavius, de incarn. V 5. Moor

III 776. Pictet, Christ. Godg. I 552. Schneckenburger, Zur kirchl.

Christol. 74 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 405. Shedd, Dogm. Theol.

II 295.

Het is echter juist deze onderscheiding van natuur en persoon, welke

èn bij de triniteit èn bij de leer van Christus het grootste bezwaar

ontmoet en daarom ook in beide leerstukken de oorzaak der meeste

dwalingen is. Zoowel Nestorius als Eutyches konden deze onderscheiding

niet laten gelden en concludeerden daarom uit de twee naturen tot twee

personen of uit den éénen persoon tot ééne natuur. De christelijke

theologie werd echter bij de leer van God en van Christus tot deze

gewichtige onderscheiding geleid. In God was er ééne natuur en drie

personen; in Christus één persoon en twee naturen. De eenheid der

drie personen in het Goddelijk wezen is in vollen zin naturalis,

συνουσιωδης, coessentialis; de eenheid der beide naturen in Christus

is personalis. Deze onderscheiding is ook wijsgeerig gerechtvaardigd.

Natuur en persoon verhouden zich niet, gelijk in Hegels philosophie,

als wezen en verschijning, als potentia en actus, zoodat de natuur, in

alle schepselen wezenlijk één, in den mensch door immanente kracht tot

persoon zich ontwikkelt. Maar natuur is het substraat, het suppositum,

datgene waardoor iets is wat het is, principium quo; en persoon is het

subject, niet van eene natuur in het algemeen, maar van eene redelijke

natuur, individua substantia rationalis naturae, principium quod.

Persoon is het in en voor zichzelf zijnde, dat de eigenaar, bezitter

en heer is van de natuur, een complementum existentiae, sustentans et

terminans existentiam naturae, het subject, dat door de natuur met

haar ganschen rijken inhoud leeft, denkt, wil, handelt enz., waardoor

de natuur een voor zichzelf bestaande wordt en geen accidens van een

ander is, Schwane, D. G. II 369 f. Kleutgen, Theol. d. Vorzeit III

71 f. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes 3 f. Zoo nu is de

menschelijke natuur in Christus met den persoon des Zoons vereenigd. De

Zoon wordt niet eerst persoon in en door de menschelijke natuur, want Hij

was dit van eeuwigheid; Hij had noch de schepping noch de vleeschwording

van noode, om tot zichzelf te komen en persoonlijkheid, geest te worden.

Maar wel sluit de vleeschwording in, dat de menschelijke natuur, welke

in en uit Maria gevormd werd, geen enkel oogenblik op en voor zichzelf

bestond maar van het allereerste moment der conceptie af vereenigd

was met en opgenomen in den persoon des Zoons. De Zoon schiep haar

in zichzelven in, in se ipso creavit et creando assumsit. Daarom is

die menschelijke natuur toch niet incompleet, gelijk Nestorius en thans

nog Dorner, Entw. II 1225 beweert. Want al sloot zij door een eigen

persoonlijkheid en ikheid zich in zichzelve niet af, zij was toch van

den aanvang af persoonlijk in den Logos, die als subject in en door

haar, met al hare bestanddeelen, vermogens en krachten leefde, dacht,

wilde, handelde, leed, stierf enz. Dat zij niet in eene zelfstandige

ikheid een eigen, afzonderlijk complementum existentiae ontving, vloeide

niet voort uit een gebrek, maar juist daaruit, dat zij de menschelijke

bestaansvorm van den Logos moest zijn. Naturae assumptae non deest

propria personalitas propter defectum alicujus, quod ad perfectionem

humanae naturae pertineat, sed propter additionem alicujus, quod est

supra humanam naturam, quod est unio ad divinam personam, Thomas, S.

Theol. III qu. 4 art. 2 ad 2.

Daarom is de menschelijke natuur in Christus niet door een eigen

persoonlijkheid met den Logos gecoordineerd maar aan dezen

ondergeschikt. Beide naturen zijn en blijven wel ἀλλο και ἀλλο, maar niet

ἀλλος και ἀλλος. Het is altijd dezelfde persoon, hetzelfde subject,

hetzelfde ik, dat door de Goddelijke en de menschelijke natuur leeft en

denkt, spreekt en handelt. De menschelijke natuur is de tabernakel,

waarin de Zoon is gaan wonen; het kleed, dat Hij zelf zich bereid en

aangedaan heeft; de μορφη, waarin Hij ons verschenen is; het instrument

en orgaan, dat Hij zich geheiligd heeft en waarvan Hij met Goddelijke

wijsheid voor zijn ambt en werk zich bedient. In Christo humanitas quasi

quoddam organum divinitatis censetur, Thomas, Comp. Theol. c. 212, cf.

S. Theol. III qu. 19 art. 1. Petavius, de incarn. IV 8, 6. Turretinus,

Theol. XIII 6, 7. Hierin is nu niets, dat onze tegenspraak verdient.

Zonder dat wij daarmede iets te kort doen aan de zelfwerkzaamheid

van het schepsel, belijden wij, dat de gansche wereld een instrument

der openbaring Gods is, een gewaad, waarin Hij tegelijk zich aan ons

openbaart en verbergt. De gemeente en ieder geloovige verlangt niets

hoogers, dan met ziel en lichaam en alle krachten in den dienst van God

te staan en een instrument te wezen in zijne hand. Wat zou er dan tegen

wezen, dat in nog veel rijker mate, in volstrekten zin de menschelijke

natuur in Christus het heerlijk, willig orgaan van zijne Godheid is? Hoog

gaat de vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur in Christus al

ons spreken en denken te boven. Alle vergelijking begeeft ons, want zij

is zonder eenige wederga. Maar zij is dan ook het μυστηριον εὐσεβειας,

dat de engelen begeerig zijn in te zien en de gemeente aanbiddend

bewondert.

15. Toch wordt als een gewichtig bezwaar tegen de leer der twee

naturen altijd weer dit te berde gebracht, dat zij de menschelijke natuur

van Christus niet tot haar recht doet komen en eene menschelijke

ontwikkeling bij Hem onmogelijk maakt. De Roomsche en Luthersche

Christologie geven inderdaad aanleiding tot deze bedenking. De

vereeniging der twee naturen in Christus bracht n.l. in de vroegere

dogmatiek drie gevolgen mede, communicatio idiomatum, apostelesmatum

en charismatum. De eerste hield in, dat in de vleeschwording de beide

naturen met al hare eigenschappen medegedeeld werden aan den éénen

persoon en het ééne subject, dat daarom met Goddelijke en menschelijke

namen kan worden aangeduid; men mag dus zeggen, de Zone Gods is

geboren, heeft geleden, is gestorven, Hd. 20:28, 1 Joh. 1:7, en ook

de mensch Christus Jezus bestaat van eeuwigheid, is uit den hemel

nedergedaald enz., Joh. 3:13. Door de tweede werd verstaan, dat de

eigenlijke middelaars- of verlossingswerken alle een Godmenschelijk

karakter dragen, d. w. z., dat zij alle tot bewerkende oorzaak hebben

het ééne ongedeelde, persoonlijke subject in Christus; dat zij tot

stand gebracht zijn door Christus onder medewerking van zijne beide

naturen en met eene dubbele ἐνεργεια, en dat zij toch weder in het

resultaat eene ongedeelde eenheid vormen, wijl zij het werk zijn van

één persoon. De derde gaf te kennen, dat de menschelijke natuur van

Christus van het eerste oogenblik van haar bestaan af versierd werd

met allerlei heerlijke en rijke gaven des H. Geestes. Over deze drie

effecta unionis rees er een belangrijk verschil, boven bl. 242-246.

De Lutherschen vatten de communicatio idiomatum zoo op, dat de

eigenschappen der beide naturen niet alleen aan den éénen persoon, maar

die der Goddelijke natuur ook aan de menschelijke werden medegedeeld.

De menschelijke natuur werd door de vereeniging verheven tot Goddelijke

almacht en alomtegenwoordigheid, Symb. Bücher ed. Müller 679. 680;

zij ontving singulares, excellentissimas, maximas, supernaturales,

impervestigabiles, ineffabiles atque coelestes praerogativas

majestatis, gloriae, virtutis ac potentiae, welke niet maar geschapen

en eindige gaven zijn, ib. 685, maar Goddelijke en oneindige zooals

vivificare, omnipotentia, omniscientia, omnivolipraesentia, 686. 689.

691. 692. Het is duidelijk, dat deze opvatting van de mededeeling

der eigenschappen aan de mededeeling der gaven heel hare beteekenis

ontneemt; wat zijn er nog gaven van noode, als Goddelijke eigenschappen

worden medegedeeld. De Luthersche Christologie spreekt nog wel van

gaven, ib. 686, maar zij weet er eigenlijk geen weg mede, cf. Dorner,

Entw. II 914-916, en heeft zelfs voor de zalving van Christus met den

H. Geest geen plaats meer, Schneckenburger, Zur kirchl. Christol.

30. Aan de andere zijde leeren nu de Roomschen wel eene mededeeling

van gaven en bestrijden ook de Luthersche leer van de communicatio

idiomatum, maar zij zeggen, dat de menschelijke natuur van Christus

krachtens de unio hypostatica terstond in het eerste oogenblik harer

ontvangenis uberrimam Spiritus Dei copiam atque omnem charismatum

abundantiam accepit, Cat. Rom. I 4, 4. Beide, Luthersche en Roomsche

Christologie bergen hierdoor in zich een docetisch element; de zuiver

menschelijke ontwikkeling van Christus komt hier niet tot haar recht;

uit reactie sloeg men in deze eeuw tot het andere uiterste over en

miskende de Godheid des Heeren. De Gereformeerden echter hebben de

mededeeling der gaven zoo verstaan, dat eene menschelijke ontwikkeling

van Jezus daarbij mogelijk was. Ofschoon de tweede Adam, Christus was

toch een ander dan Adam. Adam werd volwassen geschapen, kreeg tot

woonplaats een paradijs en was aan geen lijden en dood onderworpen.

Christus werd echter in Maria ontvangen van den H. Geest en als een

hulpeloos kindeke geboren; Hij werd niet geplaatst in een paradijs

maar kwam in een wereld, die in het booze ligt; Hij stond bloot aan

verzoeking van allen kant; Hij droeg eene natuur die vatbaar was voor

lijden en dood. Zijner was niet de menschelijke natuur van Adam vóór den

val, maar God zond zijnen Zoon ἐν ὁμοιωματι σαρκος ἁμαρτιας, d. i. in

zulk vleesch, dat in gestalte en verschijning aan de σαρξ ἁμαρτιας gelijk

was, Rom. 8:3.

Door deze schoone leer van de communicatio charismatum was de Geref.

theologie, beter dan eenige andere, in staat, om naast de Godheid ook

de ware, echte menschheid in Christus te handhaven. Zij is daartoe van

onberekenbare waarde. 1º Onder de Gereformeerden was er nog verschil

over, of de menschwording op zichzelve, afgedacht van den toestand der

zonde, in welken zij plaats had, reeds eene daad van vernedering was.

Van de eene zijde kon men er zich op beroepen, dat de afstand tusschen

God en mensch zoo groot is, dat het aannemen der menschelijke natuur

zonder meer reeds vernederend is. Maar van den anderen kant kon men

daartegen aanvoeren, dat Christus dan nu nog, terwijl Hij verheerlijkt is

aan ’s Vaders rechterhand, in den staat der vernedering zou verkeeren,

Heraut 284, 285. De strijd is gemakkelijk zoo te beeindigen, dat de

menschwording op zichzelve, zonder meer, steeds is en blijft eene

daad van nederbuigende goedheid, maar niet in engeren zin een trap

in den staat der vernedering is. Dat was zij daardoor, dat ze eene

vleeschwording was, aanneming van eene zwakke, menschelijke natuur.

Hierover was er immers geen strijd, dat Christus eene zwakke, aan lijden

en dood onderworpen, menschelijke natuur aannam en dat dit eene daad

van vernedering voor den Zone Gods was. De Schrift stelt dit dan ook

boven allen twijfel vast, Jes. 53:2, 3, Joh. 1:14, 17:5, 1 Cor. 2:8, 2

Cor. 8:9, Phil. 2:7, 8 enz. 2º Zoodra wij ons echter rekenschap trachten

te geven van wat in die zwakke menschelijke natuur ligt opgesloten,

wordt de vraag moeilijker. Want zeer zeker had Jezus allerlei behoeften

aan spijs, drank, rust, slaap enz., maar deze waren toch ook eigen aan

Adam vóór den val. En omgekeerd valt het moeilijk te denken, dat Jezus

naar zijne menschelijke natuur uit zichzelf voor ziekte, krankheid, dood

vatbaar was; Hij had toch zelf de macht om het leven af te leggen,

Joh. 10:17, maar was niet vanzelf, zonder zijn wil, aan den dood

onderworpen. Van ouds waren hierover dan ook de meeningen verdeeld.

Over Jezus’ uitwendige gedaante was verschil; sommigen zooals Origenes,

Chrysostomus, Hieronymus e. a. schreven Hem eene schoone gestalte toe

met beroep op Ps. 45:3, anderen zooals Justinus, Clemens, Tertullianus

enz. dachten, dat Hij lichamelijk zonder gedaante of heerlijkheid was, Ps.

22:7, Jes. 53:2, 3; nog anderen hielden het midden tusschen deze beide

voorstellingen of onthielden zich van een oordeel, cf. Vitringa V 501.

Walch, Bibl. theol. III 439. Menzel, Symbolik 1855 I 177 f. Schotel,

Iets over de uitwendige gedaante van Jezus Christus, Bosch 1852. Riehm,

Handw. I 724 en art. Christusfiguren in Herzog³. En zoo stonden ook ten

opzichte van de lijdens- en stervensvatbaarheid de aphthartodoceten en

de phthartolatri tegenover elkander. Er is nu geen twijfel aan, dat de

Zone Gods eene menschelijke natuur aannam, die vatbaar was voor lijden en

sterven, anders zouden deze schijn en geen waarheid zijn geweest; zelfs

Roomschen en Lutherschen moeten dit erkennen. Voorts is ter anderer

zijde ook waar, dat Christus deze menschelijke natuur geheel vrijwillig

aannam en in het afgetrokkene steeds het recht behield, om deze zwakke

menschelijke natuur af te leggen of in eene heerlijke, boven alle lijden

en dood verhevene te veranderen. In zoover bleef het lijden en sterven

altoos zijne vrije daad. Hij had en hield de macht om het leven aan te

nemen en af te leggen. Niemand kon Hem eenige smart aandoen noch zijn

leven ontnemen, tenzij hij zelf de macht daartoe gaf. Hij beschikte de

ure en de macht der duisternis. Maar deze zijn wil ondersteld, was het

lijden en sterven voor Hem natuurlijk, met den aard der menschelijke

natuur, welke Hij aannam, gegeven. Hilarius, bij Schwane, D. G. II 269

en anderen hebben het dikwerf juist omgekeerd voorgesteld en in de

smart, het lijden enz. van Christus het niet-natuurlijke, het wonder,

en in de wonderen van Christus juist het natuurlijke gezien. Ofschoon

dit in goeden zin kan opgevat, rekent het toch niet genoegzaam met

het feit, dat Christus de zwakke menschelijke natuur aannam en daarin

van Adam was onderscheiden. Daaruit mag niet afgeleid, dat Christus

ook vatbaar was voor allerlei ziekte en krankheid; want Hij nam wel op

zich de algemeene gevolgen der zonde, lijden en dood, die nu behooren

tot de menschelijke natuur, maar niet elke bijzondere krankheid, die

uit bijzondere omstandigheden, zwak lichaamsgestel, ongeregelde of

onvoorzichtige levenswijze voortvloeit, Thomas, S. Th. III qu. 14. Moor

III 591. IV 26. Ebrard § 417. Ook was de menschelijke natuur bij Christus

veel rijker ontvouwd dan bij Adam; want in den status integritatis was er

voor vele gemoedsaandoeningen, toorn, droefheid, medelijden, ontferming

enz. geen gelegenheid. Maar Christus heeft niet alleen met de innerlijke

bewegingen van Gods barmhartigheid ons bezocht; Hij heeft ons in zijne

menschelijke natuur die rijke wereld des gemoeds geopend, die bij Adam nog

niet bestond en niet bestaan kon. 3º Er is in Christus een menschelijk

weten, eene intellectueele ontwikkeling, eene toeneming in wijsheid en

kennis geweest. De Arianen en Apollinaristen, volgens wie bij Christus

de Logos de plaats van het pneuma inneemt, konden geen menschelijk weten

in Christus aannemen. Ook de Monophysieten moesten daartegen opkomen,

maar konden evengoed eene alwetendheid van Christus leeren, wanneer

n.l. de menschelijke natuur in de Goddelijke was opgegaan, als in het

omgekeerde geval eene onwetendheid (Themistius, hoofd der Agnoëten),

met beroep op teksten als Mt. 20:32, 21:19, Mk. 5:9, 13:32, Luk.

2:52, 8:30, Joh. 11:34, Schwane, D. G. II 366. Tegenover deze partijen

kwamen de kerkvaders er hoe langer hoe meer toe, om de menschelijke

kennis van Christus van het eerste oogenblik af volmaakt en voor geen

toeneming vatbaar te stellen; en van hen ging dit gevoelen over in

de scholastieke en Roomsche en ook in de Luthersche Christologie. Zij

kwamen hierdoor met bovengenoemde duidelijke uitspraken der Schrift in

strijd, en moesten tot eene docetische verklaring de toevlucht nemen.

De ware grond voor deze leer is dan ook alleen de convenientia, dat

God aan een menschelijke natuur, die zoo nauw met Hem vereenigd was,

wel deze gave der kennis moest schenken, Kleutgen, Theol. III 251; de

Schriftplaatsen, waarop men zich beroept, zooals Joh. 1:14, 2:24, 25,

6:64, 13:3, Col. 2:3, 9 bewijzen het tegendeel niet, omdat zij van den

ganschen Christus en niet bepaald van zijne menschelijke natuur, en nog

veel minder van deze in hare historische ontwikkeling handelen. De

Gereformeerden zeiden daartegenover, vooreerst, dat de scientia infusa

en acquisita bij Christus niet terstond compleet was, maar allengs

toenam en vermeerderde, en ten tweede, dat Christus hier op aarde niet

was een comprehensor maar viator, dat Hij wandelde door geloof en hope

en niet door aanschouwen, dat de scientia beata hier op aarde zijn deel

nog niet was. Natuurlijk was het geloof bij Christus, niet als bij ons

een steunen op de genade en barmhartigheid Gods, maar dit eigenaardige

heeft het geloof alleen gekregen door den toestand der zonde, waarin wij

verkeeren; van nature is het geloof bij Adam en bij Christus niets dan

een zich vastklemmen aan het woord en de belofte Gods, een vasthouden

van den Onzienlijke. En dat heeft ook Jezus gedaan, Mt. 27:46, Hebr.

2:17, 18, 3:2. Dat geloof en die hope waren bij Christus ook niet wankel

en weifelend, maar vast en sterk; zij hielden Hem, die in ons het

geloof wekt en voleindt, staande in de verzoeking en deden Hem voor

de als loon op zijn arbeid Hem wachtende vreugde het kruis verdragen

en de schande verachten, Hebr. 12:2. Zoo was er dus eene toeneming

in wijsheid en kennis bij Christus; het menschelijk bewustzijn in Hem,

hoewel hetzelfde subject hebbende als het Goddelijk bewustzijn, kende

dat subject, dat Ik, slechts zeer ten deele, wel ὁλον maar niet ὁλως.

Achter ons beperkt bewustzijn ligt in ons nog eene wereld van zijn;

zoo lag achter het menschelijk bewustzijn van Christus nog de diepte

Gods, die door dat menschelijk bewustzijn slechts allengs en altijd op

beperkte wijze kon heenschijnen, Gomarus, Op. I 196. Voetius, Disp. II

155 sq. Turretinus, Theol. El. XIII 12. 13. Moor III 804. M. Vitringa

V 246. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 315. Shedd, Dogm. Theol. II 281.

307. 329. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II 281v. C. Lucassen, Der

Glaube Jesu Christi, Neue Kirchl. Zeits. VI 1895 S. 337-347. Hieruit

mag echter niet afgeleid, dat Jezus op verschillende terreinen dwalen

kon. Wel wordt dit tegenwoordig in wijden kring geleerd, om bepaaldelijk

aan Jezus’ autoriteit in zake het O. Test. te ontkomen. Maar men

randt hiermede den Christus zelven aan. Want wel is het waar, dat

Jezus geen onderwijs gaf in eenige menschelijke wetenschap en daartoe

ook niet op aarde gekomen is. Hij kwam, om ons den Vader te verklaren

en zijn werk te volbrengen. Maar daartoe diende Hij dien Vader in zijn

openbaring en werken ook te kennen, en dus ook te weten, of het O.

Testament Gods Woord was, al dan niet. Dit was geen kennis van zuiver

wetenschappelijken maar van religieusen aard, en voor het geloof der

gemeente van het hoogste belang. Wie in dit opzicht aan Jezus dwaling

toeschrijft, komt niet alleen met zijne Goddelijke natuur maar ook met

zijn profetisch ambt in strijd, cf. deel I 333. Herzog¹ 21, 204. Herzog²

6, 27. Voigt, Fundamentaldogm. 527 f. Tholuck, Das Alte Test. im N. 4e

Aufl. 1854. Caven, Presb. and Ref. Review, July 1892. Schwartzkopff,

Konnte Jezus irren? Giessen, Ricker 1896. Id. Die Irrthumslosigkeit

Jesu Chr. und der chr. Glaube ib. 1897. 4º Er is in Christus eene

zedelijke ontwikkeling. Theodorus van Mopsuestia, Nestorius en allen,

die uitgaan van de menschelijke natuur van Christus, nemen aan, dat Hij

door allerlei strijd en verzoeking zich volmaakt heeft. Jezus was niet

positief heilig, Hij bracht niet mee het non posse peccare; integendeel

zulk een aangeboren heiligheid is onmogelijk en ethisch waardeloos.

Maar Jezus was een mensch, die de mogelijkheid van zondigen meebracht

doch door zedelijke inspanning en strijd zich van alle zonden feitelijk

heeft vrij gehouden, zich ethisch tot het hoogste standpunt ontwikkeld

en de vereeniging met God zich waardig gemaakt heeft, cf. Schwane,

D. G. II 319, 325 enz. Deze voorstelling berust op een feitelijk niet

rekenen met de Godheid van Christus; zij gaat uit van de verkeerde

gedachte, dat er geen andere deugd is dan die door strijd verworven

werd en zij brengt het hoogstens slechts tot eene historische,

feitelijke zondeloosheid, die voor Jezus als Middelaar ongenoegzaam is.

De proeven, om Jezus zondeloosheid historisch te bewijzen zooals van

Ullmann, De zondeloosheid van Jezus, Tiel 1851, Dorner, Ueber Jesu

sündlose Vollkommenheit, Jahrb. f. d. Theol. VII 1862 S. 49-107. Art.

Sündlosigheit Jesu in Herzog¹ suppl. Gouda Quint, De zondeloosheid des

Heeren 1862. Schaff, Jezus Christus, het wonder der geschiedenis 1866.

van Oosterzee, Leven v. Jezus I 569v. Dogm. § 93. Chapuis, La sainteté

de Jésus, Revue de théol. et de philos., Juillet, Sept. Nov. 1897 enz.,

zijn onvoldoende, Philippi, K. Gl. IV 161. Aan historische zekerheid,

die straks weer door anderen onzeker gemaakt wordt, hebben wij niet

genoeg. Hoe zeer het waardeering verdient, dat zoovelen, van wie naar

hun beginsel anders te verwachten ware, nog een diep besef hebben van

Jezus’ zedelijke volmaaktheid, zooals Daub, Marheineke, Rosenkranz,

Vatke, Schleiermacher, Beyschlag, Hase, Schenkel, Lipsius enz., toch is

het geloof wankel, dat niet rust op de getuigenis der Schrift en daarom

altijd door allerlei philosophische en historische bezwaren gedrukt

en benauwd wordt. De Schrift doet ons echter in Christus niet alleen

eene empirische zondeloosheid maar ook eene noodzakelijke onzondigheid

erkennen. Hij is de Zone Gods, de Logos, die in den beginne bij God en

zelf God was; Hij is één met den Vader en volbrengt altijd zijn wil en

werk enz. Voor wie dit van Christus belijdt, is de mogelijkheid van

zondigen en vallen een Ungedanke, Holtzmann, Neut. Th. II 446. Frank,

Chr. Wahrh. II² 178. Daarom hield de christelijke theologie tegenover

Arianen, Pelagianen, Nominalisten, zooals Scotus, Biel, Durandus,

Molina enz., staande, dat Christus niet zondigen kon. Immers zou dan

òf God zelf hebben moeten kunnen zondigen--wat blasphemie is; òf de

vereeniging van Goddelijke en menschelijke natuur wordt verbreekbaar

geacht en feitelijk geloochend, Augustinus, Enchir. c. 36. 40. 41.

Lombardus, Sent III dist. 12 en comm. van Thomas en Bonaventura.

Moor III 692. Shedd, Dogm. Theol. II 330. Philippi IV 161 f. enz.

Maar daarmee is toch het wezenlijk onderscheid niet opgeheven, dat er

bestaat tusschen de heiligheid Gods en de heiligheid van Christus

als mensch. Daarop lettende, kon Jezus zeggen, dat niemand goed, de

goedheid zelve is dan God alleen, Mt. 19:16, 17, Mk. 10:17, 18, Luk.

18:18, 19. De goedheid of heiligheid van Christus naar zijne menschelijke

natuur is geen Goddelijke, oorspronkelijke, maar zij is eene geschonkene,

infusa; en daarom moest zij zich ook in den weg van strijd en verzoeking

openbaren, staande houden en bevestigen. De bonitas infusa sluit de

bonitas acquisita niet uit. De laatste onderstelt de eerste; geen goede

vruchten dan van een goeden boom; maar de deugdelijkheid van den boom

moet toch uitkomen in de gaafheid der vruchten. En zoo moest Christus

ook zijne aangeborene heiligheid openbaren door verzoeking en strijd

heen; deze worden door het non posse peccare niet overbodig of ijdel.

Want al kon eigenlijke verzoeking niet van binnen maar alleen van buiten

tot Jezus komen, Hij had toch eene menschelijke natuur, die tegen lijden

en dood opzag. Zoo werd Hij dan heel zijn leven door op allerlei wijze

verzocht, door Satan, zijne vijanden, zelfs door zijne discipelen, Mt.

4:1-11, Mk. 1:13, Luk. 4:1-13, Mt. 12:29, Luk. 11:22, Mt. 16:23, Mk.

8:33. En in die verzoekingen had Hij zich strijdende staande te houden;

het non prosse peccare was geen dwang maar was ethisch van aard en

moest daarom ook op ethische wijze tot openbaring komen. 5º Hetzelfde

geldt van de macht van Christus. Ofschoon als de Zone Gods almachtig,

was Hij toch beperkt, wat aangaat de macht zijner menschelijke natuur.

De monophysieten onderscheiden deze beide niet, en laten de twee

naturen, de twee willen en de onderscheidene macht in elkaar opgaan.

Maar Schrift en kerk maakten tusschen beide onderscheid en laten de

twee naturen zoo verbonden zijn, dat in het ééne Godmenschelijk werk elke

natuur doet wat het hare is. En daarom komt het doen van wonderen, het

vergeven van zonden, het schenken van eeuwig leven en alwat behoort

tot het Middelaarswerk, niet alleen aan zijne Godheid maar ook aan zijne

menschheid toe. Daarom schrijft Christus juist als Zoon des menschen,

als Messias, zich deze macht der vergeving en des oordeels toe, Mt.

9:2-8, Joh. 5:27. Er gaat bij aanraking kracht van Hem uit, Luk. 6:19.

Zijn vleesch is het brood, dat der wereld het leven geeft, Joh. 6:51.

De Vader heeft Hem alle dingen in zijne hand gegeven, Joh. 3:35, 13:3,

17:2. Niemand kan de schapen uit zijne hand rukken evenmin als uit de

hand des Vaders, Joh. 10:28-30. Evengoed als de Vader hoort Hij het

gebed, Joh. 14:13, cf. 16:23, zendt Hij den Geest, 15:26, cf. 14:26,

schenkt Hij het eeuwige leven, 10:28, 17:2. Maar dit alles sluit toch

niet uit, dat zijne macht, als menschelijke, voor toeneming vatbaar is.

Hij is als een kindeke, zwak en hulpeloos, geboren; Hij had behoefte

aan spijze en drank, Hij was vermoeid van de reis en zat neder bij de

bron, Joh. 4:6; zelfs bij het doen van wonderen was Hij van het geloof

der menschen afhankelijk, Mt. 13:58; in den hof werd Hij door een engel

versterkt, Luk. 22:43. Eerst na de opstanding zegt Hij, dat Hem alle

macht gegeven is in hemel en op aarde, Mt. 28:8, Mk. 16:20, Luk. 24:19.

Dan ontvangt Hij de heerlijkheid terug, die Hij als Zoon reeds te voren bij

den Vader had, Joh. 17:5, en doet daarin ook zijne menschelijke natuur

deelen. Door de opstanding is Christus ook als mensch tot Heer geworden

over levenden en dooden, heeft Hij een naam ontvangen boven allen naam

en macht over alle creaturen, Mt. 28:18, Col. 2:3, 9, Phil. 2:9, Hebr.

2:7, 8.

16. De belijdenis aangaande Christus vindt hare practische toepassing in

de vereering, welke Hem toegebracht wordt, in den honor adorationis. Bij

hen, die met Arius de Godheid van Christus ontkennen, of met Nestorius

haar van de menschelijke natuur scheiden, of met Socinus in Jezus alleen

een mensch zien, valt alle grond voor de aanbidding van den Middelaar

weg. Toch tracht men deze dan nog op allerlei wijze te handhaven.

Nestorius zeide, dat ook de mensch Jezus als belijder en verdediger

der Goddelijke eer mocht aangebeden worden: separo naturas, conjungo

reverentiam, Schwane, D. G. II 349. Socinus verdedigde haar daarmede,

dat Christus verhoogd was tot Heer en alle macht had ontvangen en

dus in nood en ellende ons helpen kon; velen van zijne partij echter,

zooals Davidis, Francken e. a. bestreden ze, omdat God alleen mocht

aangebeden worden en de macht van Christus in elk geval eene beperkte

was; Socinus zag zich dan ook genoodzaakt, om tusschen de vereering

van God als prima causa en die van Christus als causa secunda van

ons heil onderscheid te maken, Vitringa V 252. Fock, Der Socin. 538

f. Ook de Remonstranten ontleenden den grond voor de aanbidding van

Christus vooral daaraan, dat Hij Middelaar, Koning, Heer was en als

zoodanig van den Vader een honor adorationis had ontvangen, die wel

verus en divinus maar toch niet supremus was, Apol. Conf. c. 2 p.

39. c. 3 p. 50. c. 16 p. 153. Arminius, Op. 436. Limborch, Theol.

Christ. V 18. Episcopius, Inst. theol. IV 35 VII 27, 6, cf. daartegen

Censura in conf. Rem. c. 2. 3. 12. Trigland, Antapol. c. 44. Heydanus,

<laCausa Dei V 12. Vitringa V 268. De verdediging van de aanbidding

van Christus door Ritschl en zijne school komt zakelijk met die van

Socinus overeen: Christus, als mensch ten opzichte van God, mag wel

vereerd maar niet aangebeden, doch Christus, religieus beschouwd, als

openbaring Gods, als die persoon, in wien de gemeente God heeft, is

wel te aanbidden, want dan bidden wij Hem niet aan naast God, maar God

in Hem. Deze aanbidding van Christus behoort dan verder wel in den

openbaren godsdienst der gemeente tehuis maar niet in het gebed der

bijzondere personen; dit laatste is ongezond, maakt Christus tot een van

God onderscheiden subject, kweekt een sentimenteele richting en leidt

tot creatuurvergoding, Schultz, Gottheit Christi 1881 S. 706 f. Evenals

onder de Socinianen, zijn er dan onder de volgelingen van Ritschl, die

de aanbidding van Christus geheel verwerpen, en Hem wel een voorwerp

des geloofs en een voorbeeld ter navolging noemen maar niet een object

van religieuse vereering, Chapuis, Revue de théol. et de philos. Nov.

1895 p. 560-586, Id. Die Anbetung Christi in Gottschick’s Zeits. f.

Theol. u. Kirche 1897 S. 28-79. Het Socinianisme en het Ritschlianisme

komt zoo bij het Unitarisme uit, dat Christus van alle religieuse

vereering berooft. Voorzoover zij echter toch nog eene aanbidding van

den mensch Christus trachten te handhaven, zijn zij verwant en bieden

steun aan hen, die, schoon Christus’ Godheid erkennende, toch ook aan

zijne menschelijke natuur een grond der aanbidding ontleenen. Tot dezen

behooren in de eerste plaats de monophysieten, tegen wie het vijfde oec.

Concilie c. 9, bij Denzinger n. 180, bepaalde, dat de aanbidding van

Christus niet rust op eene συγχυσις της θεοτητος και της ἀνθρωποτητος

maar zich richten moet op God, den vleeschgeworden Logos met zijn

vleesch. Maar ook de scholastieke en Roomsche theologen zijn er allengs

toe gekomen, om de menschelijke natuur van Christus op zich zelve

religieus te vereeren. Uitgangspunt was daarbij de algemeene leer der

kerkvaders, dat de persoon van Christus in de ongedeelde eenheid harer

beide naturen, als vleeschgeworden Woord, als God en mensch te zamen,

met ééne aanbidding vereerd moest worden. Daaruit werd afgeleid, dat

de menschelijke natuur van Christus zelve, op zichzelve, in se, ook

voorwerp van Goddelijke vereering (λατρεια) mocht en moest wezen; echter

niet om zichzelve, per se en propter se, maar om hare hypostatische

vereeniging met den Zone Gods. Daaraan werd dan verder toegevoegd, dat,

al is de menschelijke natuur op zichzelve te aanbidden en dus objectum

materiale der adoratio, zij dan toch altijd een objectum partiale en niet

totale is; d. w. z. wie haar aanbidt, bidt met haar altijd Hem aan,

die met die menschelijke natuur zich vereenigd heeft; en zoo werd het

daardoor geoorloofd en mogelijk, om niet alleen de menschelijke natuur

van Christus op zichzelve, maar zelfs een deel van haar, zooals b. v.

het heilige hart van Jezus, tot voorwerp van aanbidding te maken; de

aanbidding geldt toch dat hart niet alleen maar geldt den ganschen

Christus, die in dat hart zijne Goddelijke liefde wonen deed. En eindelijk

zeiden vele theologen nog, dat de menschelijke natuur van Christus

niet alleen op grond van hare hypostatische vereeniging met den Logos

voorwerp van λατρεια, maar ook op grond van de vele haar zonder mate

geschonken gaven voorwerp van δουλεια mocht zijn, en dan nader weer

voorwerp van ὑπερδουλεια, naar den hierarchischen regel: adoratio est

diversa pro diversitate excellentiae, quae est ejus objectum formale.

Cf. Damascenus, de fide orthod. III c. 8. Lombardus en andere comm.

op Sent. III dist. 9. Thomas, S. Theol. III qu. 25. Bellarminus, de

imag. sanct. II c. 12 sq. Petavius, de incarn. XV c. 1-4. Theol.

Wirceb. IV 330. Perrone, Prael. theol. IV 274. Scheeben, Dogm. III 51

f. Pesch, Prael. theol. IV 97 sq. Simar, Dogm. 411. Krachtens hunne

leer van de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke

natuur leeren ook de Lutherschen, dat de menschelijke natuur van

Christus te aanbidden is, Gerhard, Loc. IV § 23. Quenstedt, Theol.

III 199-208 V 353. Buddeus, Inst. theol. p. 771 sq. En eindelijk heeft

bij de Herrnhutters de mensch Christus bijna geheel de plaats van God

ingenomen; Hij is niet de middelaar maar de plaatsvervanger Gods en bijna

het eenige voorwerp der Godsdienstige vereering, Plitt, Zinzendorfs

Theol. III 20 f. Römheld, Theol. sacrosancta 1888.

Geheel in overeenstemming met hunne leer van Christus zeiden nu de

Gereformeerden, dat de Middelaar wel voorwerp van aanbidding was maar

dat de grond voor die aanbidding gelegen was in zijne Goddelijke natuur.

Toch was er onder hen nog eenig verschil van gevoelen. Allen waren

het hierin eens, dat Christus ook als Middelaar aangebeden en vereerd

moest worden, maar sommigen meenden dat de grond voor die aanbidding

alleen lag in de Godheid van Christus, Voetius, Disp. I 520 sq. II 304

sq. Maccovius, Coll. theol. I 369 sq. Macc. Redivivus c. 91. Hoornbeek,

Socin. confutatus I 36 sq. Mastricht V 2, 26 enz.; anderen oordeelden,

dat het objectum formale niet alleen de Godheid maar het Middelaarschap

van Christus was, Amesius, de adoratione Christi. Walaeus, Loci Comm.

Op. I 389. Trigland, Antapol. c. 46. Alting, Theol. problem. XII 20.

Cloppenburg, Op. I 461. Bucanus, Inst. XXXV qu. 9. Turretinus, Theol.

El. XIV qu. 18. Hottinger, Heidanus, Burman, Heidegger, Moor III 829.

Vitringa V 247. Nu laat de Schrift er geen twijfel over, of Christus,

evenals het voorwerp van ons geloof en vertrouwen, Joh. 14:1, 17:3,

Rom. 14:9, 2 Cor. 5:15, Ef. 3:12, 5:23, Col. 1:27, 1 Tim. 1:1 enz., zoo

ook het object van onze godsdienstige vereering en aanbidding mag zijn,

Joh. 5:23, 14:13, Hd. 7:59, 9:13, 22:16, Rom. 10:12, 13, 1 Cor. 1:2, 2

Cor. 12:8, Phil. 2:9, Hebr. 1:6, Op. 5:12, 13, 22:17, 20, cf. Loofs in

Herzog³ 4, 21. Th. Zahn, Die Anbetung Jesu im Zeitalter der Apostel,

Stuttgart 1885, ook in Skizzen aus dem Leben der alten Kirche 1898 S.

271-308. Maar toch kan de grond der aanbidding van Christus naar de

Schrift aan niets anders dan aan zijne Godheid worden ontleend. Immers,

het woord der Schrift staat vast: den Heere uwen God zult gij aanbidden

en Hem alleen dienen. Dat is het gebod, hetwelk alle Heidensche en

Roomsche creatuurvergoding in beginsel veroordeelt. Indien daarbij de

koninklijke macht van Christus of ook zijn middelaarschap nog als grond

voor religieuse aanbidding wordt aangevoerd, dan wordt dit gebod Gods

verzwakt en geschonden. Als middelaar, koning, priester, profeet,

is Christus niet absolute summus, maar Gode gesubordineerd; in die

hoedanigheid heeft Hij eene andere heerlijkheid en eene andere macht,

dan welke Hij als Zoon met den Vader en den Geest deelachtig is; in

die qualiteit is Hij niet de causa efficiens, welke God alleen is,

maar de causa instrumentalis onzer zaligheid. Ligt daarom de grond

voor de aanbidding van den Middelaar, behalve in zijne Godheid, ook

nog in zijn Middelaarschap, dan ligt de grond ook feitelijk in zijne

menschelijke natuur, want als Middelaar is Christus zonder deze niet

te denken; dan hebben Vader en Geest, die geen Middelaar zijn, één

grond voor hunne aanbidding minder dan de Zoon en komt deze dus boven

den Vader en den H. Geest te staan; dan zijn er twee gronden voor

adoratie, eene, die aan de Godheid, een andere, die aan iets anders,

dat is aan iets creatuurlijks, is ontleend, en dan is in beginsel de

Roomsche onderscheiding van λατρεια en δουλεια binnengehaald en de

creatuurvergoding gewettigd. Christus is dus zeer zeker als onze

Middelaar te aanbidden, evenals God ook als Schepper enz. vereerd en

aangeroepen wordt, maar de grond daarvoor ligt alleen in zijne Godheid.

Hij is niet God omdat Hij Middelaar, maar Hij is Middelaar omdat Hij God

is, met den Vader en den Geest één eenig God, boven alles te prijzen in

der eeuwigheid. De middelaarswaardigheid en de middelaarswerken kunnen

en mogen motieven der aanbidding zijn, gelijk allerlei weldaden ons nopen

tot aanbidding van God. Zij kunnen ook in zoover gronden der aanbidding

heeten, als daarin het Goddelijk wezen werkt en zich openbaart; maar

fundament der aanbidding is het God-zijn alleen.

§ 42. HET WERK VAN DEN MIDDELAAR.

1. Bij alle volken treffen wij eenig besef van zonde en behoefte aan

verzoening en verlossing aan. Ook komen er bijna in alle godsdiensten

heilige personen voor, die de gemeenschap met God voor anderen

bewerken en in stand houden. Koningen en profeten treden dikwerf als

zulke middelaars op, maar vooral de priesters zijn met dezen dienst

belast. Het woord priester komt van presbyter, oudste, en had dus

oorspronkelijk in het geheel geen hieratischen zin; de namen in andere

talen, zooals ‎‏כֹּחֵן‏‎, ἱερευς, sacerdos duiden de priesters aan als

zoodanige personen, die voor God staan en een heilig werk verrichten,

bepaaldelijk offers brengen. Hoezeer nu zulk een priesterschap bijna in

alle godsdiensten voorkomt, cf. Julius Lippert, Allgemeine Geschichte

des Priesterthums, Berlin 1883-4, toch is de oorsprong ervan ons

onbekend. Volgens de Schrift kwamen er in den oudsten tijd nog geen

bijzondere priesters voor; Abel, Kain, Noach, de aartsvaders brengen

nog zelf hunne offeranden, Gen. 4:3, 4, 8:20, 12:7 enz.; eerst als

onder de volken het zondebesef en het bewustzijn van scheiding tusschen

God en mensch toeneemt, komt allerwege de idee van een middelaarschap

op. Het voornaamste middel, waarvan deze priesterschap zich bedient,

om de gemeenschap met God te verkrijgen, is de offerande, ‎‏מִנְחָהַ‏‎,

‎‏עֹלָה‏‎, ‎‏זֶבַח‏‎, ‎‏אִשֶּׁה‏‎, δωρον, ἱερειον, προσφορα, θυσια,

τελετη, oblatio, sacrificium. Ook oorsprong en wezen van het offer

is voor ons in het duister gehuld. Sommigen verklaren het offer uit

de gezindheid des menschen, om de Godheid door een of ander geschenk

gunstig te stemmen en allerlei hulp van haar te verkrijgen (do ut des,

geschenktheorie), Saussaye, Religionsphilos. I 101. v. Hartmann,

Religionsphil. I 35. Daarbij meenen velen dan, dat de menschen de

goden eerst aan zichzelven gelijk dachten en hun daarom in de offers

vooral voedingsmiddelen aanboden (spijstheorie), ib. en Siebeck,

Religionsphilos. 279. Anderen huldigen de mystische of sacramenteele

theorie en zien het wezen van het offer niet in eene gave aan maar in

de gemeenschap met de goden, daardoor genoten, dat men saam aanzit

aan één disch en één spijze en drank nuttigt, Marti, Israel. Relig.³

36. Smend, Att. Rel. 24. Pfleiderer, Religionsphilos.³ 648. Volgens

eene andere, de symbolische theorie, geeft de offeraar in de gave,

die hij den goden biedt, een bewijs van zijn eerbied en onderwerping,

van zijne verloochening van al het aardsche en van zijne algeheele

toewijding aan God, Wuttke, Gesch. des Heidenthums I 127 f. Eindelijk

zijn er nog, die het destructieve element in het offer wezenlijk achten

en daarom aan alle offer een verzoenend karakter geven, Bellarminus,

Vasquez en vele Roomsche theologen, cf. Thalhofer, Das Opfer des alten

und neuen Bundes, Regensb. 1870. Id. Handbuch der kath. Liturgik,

Freiburg 1894 I² 197 f. Nog moeilijker wordt de vraag naar oorsprong en

wezen van het offer, wanneer wij aan de bloedige en dan weer bepaald

aan de menschenoffers denken. Hoe kwam de menschheid tot deze wijze

van Godsvereering? Welke offers waren de oudste, de bloedige of de

onbloedige? Vanwaar de breede plaats en de ontzaglijke beteekenis,

in den cultus aan het bloed toegekend? De historie geeft hier geen

antwoord. Alleen de Schrift verhaalt, dat het offer al bestaat van den

oudsten tijd der menschheid af. Vóór den val maakt zij van geen offer

melding. Toch is er niets ongerijmds in de gedachte, dat ook toen

het offer in ruimeren zin behoorde tot de elementen van den cultus,

evengoed als het gebed. Offerande toch is naar de omschrijving van

Augustinus, de civ. X 6, omne opus, quod agitur, ut sancta societate

inhaereamus Deo. Als zoodanig paste het ook aan den mensch in den

status integritatis. Hij was toch naar Gods beeld geschapen in ware

kennis, gerechtigheid en heiligheid; hij was profeet, priester en

koning en moest als zoodanig Gods naam verheerlijken, zichzelf met al

het zijne Gode wijden, en alles regeeren en besturen naar den wille

Gods; hij ontving ook in den Sabbat een bijzonderen dag voor den dienst

van God en had daartoe bepaalde vormen van cultus noodig; er is niets

vreemds in, als daartoe behalve het gebed ook de offerande behoorde.

Wel kan de mensch eigenlijk Gode niets geven, want de aarde is des

Heeren, mitsgaders hare volheid. Maar God gaf toch de aarde aan den

mensch en stelde hem tot heer over haar aan. En daarom kan de mensch

Gode in symbolischen zin iets offeren, ten bewijze van zijn eerbied

en afhankelijkheid. Indien de offerande van huis uit behoorde tot de

religie des menschen, welke ook vóór en na den val niet in wezen

verschillend kan zijn, dan verklaart zich ook gemakkelijk, dat er spoedig

na den val van Kains en Abels offerande wordt gesproken, zonder dat God

opzettelijk den offercultus instelt. Protestanten en Roomschen streden

er vroeger over, of het offer berustte op een positief gebod Gods dan

wel op een innerlijken religieusen drang van den mensch, M. Vitringa IV

275-280. Herzog² 11, 31. Maar indien het offer reeds bestond vóór den

val, is daarmee dit geschil ook opgelost. Wel echter heeft de zonde

in de offerande groote wijziging gebracht, niet alleen zoo, dat aan de

bestaande het zoenoffer mechanisch werd toegevoegd, maar bepaald ook in

dien zin, dat de offerande zelve van karakter veranderd is. De mensch

na den val vreest voor God en verbergt zich voor zijn aangezicht, en

daarom is ook de gezindheid en de bedoeling veranderd, waarmede hij

offert en waarmede hij bidt. Het zoenoffer (sacrificium propitiatorium,

propter offensam commissam) komt in het middelpunt te staan en vormt en

draagt de andere offeranden (sacr. latreuticum, propter Dei majestatem,

lofoffer; sacr. impetratorium, propter beneficia sperata, bidoffer;

sacr. eucharisticum, propter beneficia jam suscepta, dankoffer),

Thomas, S. Theol. II 1 qu. 102 art. 3 ad 10. Onder die zoenoffers

nemen de bloedige offers eene eerste plaats in, en deze dragen een

destructief en een substitueerend karakter; hetgeen Gode aangeboden

wordt, wordt verstoord, geslacht; en wijl eigenlijk de mensch zelf tot

zijne verzoening zich alzoo moest opofferen, neemt hij een dier of ook

een ander mensch in zijne plaats. En eindelijk komt er allengs in alle

godsdiensten een afzonderlijke stand van priesters op; de mensch voelt

zich van God verwijderd en heeft behoefte aan een middelaar, die hem

in de nabijheid Gods brengt. Zoo wijzen alle offers der menschheid,

direct in Israel, indirect ook bij de Heidenen, naar de groote volmaakte

offerande heen, welke door Christus, den Middelaar Gods en der menschen

gebracht is op het kruis van Golgotha. Cf. Pfanner, Theol. gent. c.

15. Lasaulx, Die Sühnopfer der Griechen u. Römer u. ihr Verh. zu dem

Einen auf Golgotha, Würzburg 1841. Nägelsbach, Nachhom. Theol. 1857 S.

315 f. Bähr, Symb. des mos. Cultus II 217 f. 269 f. Stöckl, Das Opfer

nach seinem Wesen u. Geschichte², Mainz 1861. Weiss, Apol. d. Christ.

II³ 248-304. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der kath. Kirche I²

503 f. Gihr, Das heilige Messopfer⁶, Freiburg 1897 S. 10 f. Scheeben,

Dogm. III 387 f. Daniel Dewar, The nature, reality and efficacy of the

atonement 1831 ch. 1. Trumbull, The blood covenant. A primitive rite

and its bearings on Scripture, 2 ed. Philad. 1893. Art. Blut in Herzog³.

2. De wijziging, door de zonde in de offerande aangebracht, vertoonde

zich eerst langzamerhand. Eerst was het offer eenvoudig ‎‏מִנְחָה‏‎,

gave, Gen. 4:3; en de offeranden werden door de offeraars zelven

gebracht. Toen offercultus en priesterschap reeds bij andere volken

zich ontwikkeld hadden, werden deze ook voor Israel geregeld. Evenals

het profetisch en koninklijk, zoo rust ook het priesterlijk ambt volgens

de wet op verkiezing van Ihvh, Num. 16:7, Hebr. 5:4. De taak, aan de

priesters opgedragen, is eene dubbele; zij moeten het volk Israels, mede

door de urim en thummim, onderwijzen aangaande de rechten en wetten des

Heeren, Ex. 28:30, Deut. 17:9, 33:8-10, Jer. 18:18, Ezech. 7:26, 44:23,

24, Hagg. 2:12, Mal. 2:7, en voorts met de offeranden des volks tot

Ihvh naderen, Lev. 21:8, Num. 16:5 enz., en dan van zijnentwege het volk

zegenen, Lev. 9:23, Num. 6:23. De offers, die Israel brengen moest,

waren verschillend. Het paaschoffer, Ex. 12, neemt eene zelfstandige

plaats in, is zoen- en brandoffer, sacrificium en sacramentum tegelijk;

het bondsoffer, Ex. 24:3-11, diende, evenals dat bij Abraham, Gen.

15:9, Jer. 34:18v., tot bevestiging van het verbond; het bestond

daarom uit brandoffers van varren, wier bloed ter bedekking der zonde

en ter heiliging door Mozes als middelaar der verbonds deels op het

altaar deels op het volk werd gesprengd, en werd daarna met dankoffers

besloten; het brand- en dankoffer, Lev. 1, 3, diende, om de op den

grondslag des verbonds rustende gemeenschap met God te onderhouden; het

zond- en schuldoffer, Lev. 4-6, onderstelde, dat de gemeenschap met

God door eene zwakheidszonde gestoord was en bood in de besprenging

des bloeds van het geslachte offerdier bedekking der zonde en herstel

der gemeenschap met God. De verzoening kwam nu aldus tot stand: door

de handoplegging droeg de offeraar zijne zonde op het dier over; wel

wordt dit dikwerf ontkend, maar ten onrechte; handoplegging sluit in de

Schrift altijd eenige overdracht in, van zegen, Gen. 48:13, Mt. 19:13,

vloek, Lev. 24:14, ambt, Num. 27:18, Deut. 34:9, den H. Geest, Hd.

8:17 enz., en zoo bij de bloedige, ook de brand- en de dankoffers, Lev.

1:4, 3:2, van erkende en beleden zonde, Lev. 4:4, 15, 16:21, 2 Chr.

29:23; de offerande zelve heette ‎‏חטאת‏‎ of ‎‏אשׁם‏‎. Daardoor was

het offerdier nu des doods waardig. Maar wijl het niet alleen diende,

om voor den offeraar de straf te ondergaan maar juist om voor zijne

zonde verzoening te doen, daarom wordt het dooden van het dier altijd

een slachten genoemd. Het was niet om den dood als dood te doen, maar

om daardoor het bloed te verkrijgen, dat verzoening moest doen. God had

juist dat bloed van het dier tot eene verzoening op het altaar gegeven;

en wel omdat dat bloed de zetel der ziel, de zetel van een, na en door

de slachting weer van zonde bevrijd leven was, Lev. 17:11. Als dit bloed

nu op het altaar of op het verzoendeksel in Gods nabijheid kwam, dan

werd daardoor de offeraar of zijne zonde voor het heilig aangezicht

Gods bedekt; of liever, God zelf was het, Deut. 21:8, Jer. 18:23,

Mich. 7:19, en als zijn plaatsvervanger de priester, Lev. 5:13, 10:17,

15:15, die door de als ‎‏כֹּפֶר‏‎, λυτρον, losprijs gedachte offerande

de personen der offeraars van hunne zonden weg of ook die zonden zelve

voor zijn aangezicht bedekte, ‎‏כִּפֶּר‏‎ met de praep. ‎‏על‏‎ of

‎‏בעד‏‎. Litt. over den O. T. offercultus in Herzog² 11, 61 en voorts

nog Smend, Altt. Relig. 319. Marti, Gesch. d. isr. Rel. 226.

Opmerking verdient het echter, dat de zoenoffers volstrekt niet alle

maar slechts enkele, bepaalde, onopzettelijke zonden verzoenden; op

de zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing uit het midden des

volks, Num. 15:30. Al werden de zonden door afdwaling ook zeer ruim

genomen, Lev. 5, 6; toch bleef de verzoening, welke door de zoenoffers

aangebracht werd, zeer beperkt. Trouwens, het genadeverbond, door God

met Israel opgericht, berustte niet op die zoenoffers maar ging eraan

vooraf en had zijn grondslag alleen in Gods belofte: Ik ben de Heere

uw God. De zond- en schuldoffers dienden alleen, om onopzettelijke

overtredingen, die geen bepaalde bondsbreuk waren, te verzoenen en de

daardoor verstoorde gemeenschap met God te herstellen. Dit blijkt ook

daaruit, dat zij verordend waren voor gevallen, waarin er alleen van

levietische onreinheid maar niet van subjectieve schuld sprake was,

Lev. 5:2, 12:6, 7, 15:14. Er bleven dus tal van zonden over, voor welke

de wet geen verzoening door offeranden aanwees; niet alleen eenige

zonden met opgeheven hand, die met uitroeiing werden gestraft, maar

voorts allerlei geestelijke en vleeschelijke zonden, zonden met gedachten

en woorden, zonden van hoogmoed en zelfzucht. Voor al deze zonden

waren geen offers voorgeschreven. Het is waar, dat volstrekt niet

alleen de zond- en schuldoffers maar dat ook de brand- en dankoffers

een verzoenend karakter droegen, Lev. 1:3, 4, 9:7, en dat op den

grooten verzoendag alle zonden des volks werden verzoend, Lev. 16:16,

23:26-32, Num. 29:7-11. Toch blijft het opmerkelijk, dat daarbij van

al de bovengenoemde zonden geen sprake is en dat de eigenlijke zond-

en schuldoffers alleen in bepaalde gevallen voorzien. Bij bijzondere

gelegenheden, als het volk zwaar gezondigd en aan bondsbreuk zich

schuldig gemaakt heeft, wordt dan ook de verzoening op buitengewone

wijze verkregen, door Mozes’ voorbede, Ex. 32:30-35, Num. 14, Ps.

106:23, of door ongewone offeranden, Num. 16:45-50, 2 Sam. 24:25, 2

Chron. 29:8-11. En dat wisten de vromen in Israel ook; zij wisten, dat

de zoenoffers slechts in zeer enkele gevallen een weg tot verzoening

ontsloten; en daarom gaan zij achter die offers terug en pleiten op

de barmhartigheid Gods. En dat bedoelde de O. T. offercultus ook aan

Israel te leeren. Die enkele offeranden, die voorgeschreven waren,

dekten niet het gansche leven; zij brachten geen ware verzoening aan;

zij dienden alleen om het zondebesef te wekken en waren typen, die

heenwezen naar eene andere en betere offerande. De O. T. offercultus

was onvolmaakt; de priesters waren zelven zondaren; het bloed van

stieren en bokken kon de zonden niet wegnemen; de offers moesten

eindeloos worden herhaald. Alles duidde aan, dat de ceremonieele

bedeeling des O. T. slechts eene voorbijgaande, symbolische, typische

beteekenis had. En daarom komt er naar de profetie een ander verbond,

dat niet verbroken maar door allen gehouden wordt, Jer. 31:31; een

ander profeet, die in bijzondere mate met den Geest Gods gezalfd zal zijn

en eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut.

18:15, Jes. 11:2, Mal. 4:5; een andere priester, die niet naar de wijze

van Aaron maar naar de orde van Melchizedek zal aangesteld worden en

daarom de priesterlijke en koninklijke waardigheid in zich vereenigen en

beide eeuwiglijk dragen zal, Ps. 110, Jer. 30:21, Zach. 6:13; een andere

koning, die uit Davids huis voortkomen en een Heerscher wezen zal in

Israel, Mich. 5:1, 2. En zoo zal er ook eene andere, betere offerande

komen. De offers van dieren zijn de ware niet, Ps. 40:7, 50:8, 51:18,

Am. 4:4, 5:21, Hos. 6:6, 8:11, Jes. 1:11, Jer. 6:19, 7:21 enz.; de ware

offeranden Gods zijn gehoorzaamheid, 1 Sam. 15:22, barmhartigheid, Hos.

6:6, een gebroken geest, Ps. 51:19, naar Gods stem hooren, Jer. 7:23.

En die offerande zal gebracht worden door dien knecht des Heeren, die

Israels plaats innemen, zijn werk volbrengen, tot een verbond des volks

en tot een licht der Heidenen wezen zal, Jes. 42:6, 49:6, en voor de

zonden zijns volks zijne ziel tot een schuldoffer zal stellen, Jes. 53:10.

In het O. T. loopen deze belofte van den lijdenden knecht des Heeren en

die van den gezalfden koning ten deele nog parallel. Beide beloften

wortelen in de vastheid van Gods verbond; God kan zijn verbond, in

weerwil van Israels ontrouw en afval, niet vergeten; Hij kan het niet

doen om zijns naams wil; het is een eeuwig verbond, dat van geen

wankelen weet. En daarom krijgt Israel, hoe ook van wege zijne zonde tot

ellende vervallen, toch weer een koning uit Davids huis. Die koning zal

zijn van nederige geboorte, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22, Hij

zal niet alleen koning maar ook priester wezen, Jer. 30:21, Zach. 3:1,

6:13, Ps. 110, de gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen, Jer. 23:6,

de offers overbodig, Jes. 60:21, Jer. 24:7, 31:35, Ezech. 36:25, 27

en allen tot priesters maken, Jes. 61:6. Daarnaast loopt nu de andere

belofte, dat deze gerechtigheid voor Israel alleen in den weg van lijden

verworven zal worden. De offercultus symboliseerde de noodzakelijkheid

der zoenofferande; de historie toonde het in zoo menig voorbeeld, in

Mozes, David, Job, de profeten en in die kleine schare van getrouwen,

die de knie voor Baal niet bogen, dat de besten het meest lijden, dat

zij, die de zake Gods voorstaan en in zoover rechtvaardig zijn, door

lijden tot heerlijkheid moeten ingaan; en in de ballingschap en daarna

als gemeente werd Israel de knecht des Heeren, die in nood en ellende

verkeerende en van alle zijden benauwd, toch door den Heilige Israels

verlost worden zou, Jes. 41:8v. Doch ook Israel is de ware knecht

des Heeren niet; en heeft zelf verlossing van noode, Jes. 41:14,

42:19v.; waar kon de profeet ook in het verleden of heden het Israel

of een individueel persoon, een profeet, een martelaar vinden, die zoo

wonderbaar door Jhvh was toegerust, die zoo onwankelbaar trouw bleef,

die in de verkondiging der waarheid aan de Heidenen het zwaarste lijden

en den schandelijksten dood onderging? De moderne exegese doet vergeefs

moeite, om in de enkele vromen onder Israel, in de profeten, of ook in

Jeremia of een ander lijder de figuur voor Jesaja’s schilderij van den

knecht des Heeren te vinden. Israel zelf met al zijne vromen en profeten

stelt zich in Jes. 53 tegenover dien knecht des Heeren, erkent dat

het Hem om zijn lijden veracht heeft en belijdt, dat Hij juist om hunne

overtredingen verwond en om hunne ongerechtigheden verbrijzeld is. Al

wordt het niet rechtstreeks gezegd, de knecht des Heeren kan geen ander

dan de Messias zijn, die immers ook priester wezen en de gerechtigheid

voor zijn volk aanbrengen zal. Cf. Delitzsch op Jes. 42v. Oehler, in

Herzog² 9, 649 en de daar aangehaalde litt., ook Smend, Altt. Rel. 257.

Het is eene moeilijke vraag, of de Joodsche theologie vóór Jezus’ komst

deze twee lijnen in de profetie reeds liet samenvallen en alzoo een

lijdenden Messias verwachtte, cf. Wünsche, Leiden des Messias, Leipzig

1870. Dalman, Der leidende u. sterbende Messias der Synagoge 1888.

Weber, System 344 f. Schürer, Neut. Zeitgesch. 597. Baldensperger,

Selbstbew. Jesu 121 f. Oehler in Herzog² 9, 670. Holtzmann, Neut.

Theol. I 65 f. Maar al wordt deze vraag ook bevestigend beantwoord;

inhoud van het volksgeloof was de verwachting van een lijdenden Messias

toch niet; Jezus’ discipelen toonen er zich geheel onvatbaar voor, Mt.

16:22, Luk. 18:34, 24:21, Joh. 12:34.

3. Volgens het N. T. loopen al deze verschillende getuigenissen van wet

en profetie op Christus uit; het gansche O. T. wordt principieel in Hem

vervuld; in Hem zijn alle beloften Gods ja en amen, Rom. 15:8, 2 Cor.

1:20. Hij is de ware Messias, de koning uit Davids huis, Mt. 2:2, 21:5,

27:11, 37, Luk. 1:32 enz.; de profeet, die den armen het evangelie

verkondigt, Luk. 4:17v.; de priester, die in zijn persoon, zijn ambt,

zijne aanstelling, zijne offerande, zijn heiligdom de O. T. priesterschap

zeer verre overtreft, Hebr.; de knecht des Heeren, die als een δουλος,

Phil. 2:7, 8, kwam om te dienen, Mk. 10:45, zich onderwierp aan de wet,

Gal. 4:4, alle gerechtigheid vervulde, Mt. 3:15 en gehoorzaam was tot

den dood des kruises toe, Rom. 5:19, Phil. 2:8, Hebr. 5:8. Als zoodanig

maakt Jezus nu onderscheid tusschen het Godsrijk, gelijk het thans door

Hem in geestelijken zin wordt gesticht en gelijk het eens in heerlijkheid

zal geopenbaard worden; tusschen zijne eerste en tweede komst, die

voor de O. T. profetie nog samenviel; tusschen zijn werk in den staat

der vernedering en dat in den staat der verhooging. De Christus moet

door lijden in zijne heerlijkheid ingaan, Luk. 24:26. Het werk, dat Hij nu

in den staat der vernedering volbrengt, wordt in het N. T. veelzijdig

beschreven. Het is een ἐργον, door den Vader Hem opgedragen, Joh. 4:34,

5:36, 17:4; het bestond in het algemeen in het volbrengen van Gods wil,

Mt. 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, en omvatte dan nader de verklaring

Gods, Joh. 1:18, de openbaring en verheerlijking van zijn naam, 17:4,

6, 26, de mededeeling van Gods woorden, 17:8, 14 enz. Christus is een

profeet, machtig in woorden en werken, Luk. 24:19; Hij is geen novus

legislator, maar hij verklaart de wet, Mt. 5-7, 22:40, Luk. 9:23, 10:28,

Joh. 13:34, 1 Joh. 2:7, 8, verkondigt het evangelie, Mt. 12:16-21, Luk.

4:17-21, en predikt in beide zichzelven als vervuller der wet en inhoud

van het evangelie. Hij is de wet en het evangelie in eigen persoon. Hij

is geen profeet slechts door hetgeen Hij spreekt, maar allereerst door

hetgeen Hij is. Hij is de Logos, Joh. 1:1, vol van genade en waarheid,

Joh. 1:18, gezalfd met den Geest zonder mate, 3:34, de openbaring des

Vaders, Joh. 14:9, Col. 2:9. Bron van zijne prediking is Hijzelf, is

niet de inspiratie maar de incarnatie. Gods Geest kwam maar niet over

Hem; God sprak niet maar met Hem, zooals met Mozes, van aangezicht tot

aangezicht, doch God was in Hem en sprak door Hem, Hebr. 1:3. Hij is

niet een profeet naast anderen maar de hoogste, de eenige profeet; bron

en middelpunt van alle profetie; en alle kennisse Gods, in het O. T.

vóór zijne vleeschwording, en ook thans in het N. T. na zijne opstanding

en hemelvaart, is uit Hem, 1 Petr. 1:11, 3:19, Mt. 11:27. Vervolgens

omvatte de wil Gods, dien Jezus kwam volbrengen, ook de wonderen,

die Hij deed; het ééne werk valt in vele ἐργα uiteen, Joh. 5:36, die

werken zijns Vaders zijn, 5:20, 9:3, 10:32, 37, 14:10, bewijzen, dat de

Vader Hem liefheeft en in Hem is, 5:20, 10:38, 14:10, getuigen, dat de

Vader Hem gezonden heeft, 5:36, 10:25, en zijne Goddelijke heerlijkheid

openbaren, 2:11, 11:4, 40. Ja, Hij doet niet alleen wonderen, maar Hij

is zelf in zijn persoon het absolute wonder; als de menschgeworden,

van den H. Geest ontvangen, opgestane en verheerlijkte Zone Gods is Hij

zelf het grootste wonder, middelpunt van alle wonderen, auteur van de

herschepping aller dingen, eerstgeborene uit de dooden, in allen de

Eerste, Col. 1:18. Voorts omvat de wil Gods vooral, dat de eengeborene

Zoon des Vaders het leven aflegge voor de zijnen, Joh. 10:18. Het N.

Test. ziet in Christus eene offerande, en de vervulling van den O.

T. offercultus. Hij is het ware bondsoffer; evenals het oude verbond

werd bevestigd door het bondsoffer, Ex. 24:3-11, zoo is het bloed van

Christus het bloed des nieuwen testaments, Mt. 26:28, Mk. 14:24, Hebr.

9:13v Christus is eene θυσια, ‎‏זֶבַח‏‎, het slachtoffer voor onze

zonden, Ef. 5:2, Hebr. 9:26, 10:12; eene προσφορα, δωρον, ‎‏קָרְבָּן‏‎,

‎‏מִנְתָה‏‎, Ef. 5:2, Hebr. 10:10, 14, 18; een λυτρον, ἀντιλυτρον. Mt

20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6 ‎‏גְּאֻלָּה‏‎, ‎‏פָדוּי‏‎, ‎‏כֹפֶר‏‎,

losprijs, losgeld, om iemand los te koopen uit de gevangenis, en vandaar

zoenmiddel, om door eene offerande anderer zonde te bedekken en zoo

hen te redden van den dood; eene τιμη, 1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr.

1:18, 19, een prijs, die voor de loskooping betaald is; een zondoffer,

dat voor ons tot zonde is gemaakt, 2 Cor. 5:21, 1 Joh. 2:2, 4:10; het

paaschoffer, dat voor ons is geslacht, Joh. 19:36, 1 Cor. 5:7, het

lam Gods, dat de zonde der wereld draagt en daarvoor geslacht is, Joh.

1:29, 36, Hd. 8:32, 1 Petr. 1:19, Op. 5:6 enz; het ἱλαστηριον, Rom.

3:25, d. i. niet het verzoendeksel, ‎‏כַפֹּרֶת‏‎, al is dit woord ook

zoo in LXX overgezet wijl er geen beter aequivalent in het grieksch te

vinden was, maar datgene, wat tot verzoening dient, zoenmiddel, of

scil. θυμα, zoenoffer, cf. Deismann, Die sprachl. Forschung der griech.

Bibel, Giessen 1898 S. 16. 17; een καταρα, Gal. 3:13, die den vloek

der wet van ons overnam; als de slang in de woestijn, aan het kruis

verhoogd, Joh. 3:14, 8:28, 12:33, en als een tarwegraan, in de aarde

stervende, om alzoo veel vrucht te dragen, Joh. 12:24. De betrekking,

waarin deze offerande van Christus tot ons en onze zonde staat, wordt

evenzoo op zeer verschillende wijze uitgedrukt. Hij geeft of stelt zijn

leven, Mk. 10:45, Joh. 10:15, heiligt zich, Joh. 17:19, wordt zonde

en vloek gemaakt, 5 Cor. 5:21, Gal. 3:13, is overgeleverd, Rom. 4:25,

heeft zich overgegeven, Gal. 2:20, heeft geleden, 1 Petr. 3:18, is

gekruisigd en gestorven, Joh. 11:50, 51, Rom. 5:6, 1 Cor. 15:3, 2 Cor.

5:15, 1 Thess. 5:10, en dat wel als een λυτρον ἀντι πολλων, Mt. 20:28,

Mk. 10:45, in de plaats van velen, of ὑπερ c. gen. pers., Joh. 10:15,

11:50, 51, Rom 5:6, 8, 2 Cor. 5:15, 21, Gal. 3:13, Ef. 5:2, Hebr.

2:9, ten behoeve van ons, van zijn volk, cf. Phil. 13, ὑπερ σου, in

gratiam tuam, zoodat gij ’t niet behoeft te doen; of ὑπερ c. gen. rei,

Joh. 6:51, 1 Cor. 15:3, Hebr. 10:12, ten behoeve van de zonden, om ze

weg te doen, of ten behoeve van het leven der wereld, opdat deze door

Christus’ dood het leven erlange; of περι c. gen. pers., Mt. 26:28, 1

Joh. 2:2, om, ter wille van velen of van de geheele wereld; of περι c.

gen. rei, Rom. 8:3, Hebr 10:6, 18, 1 Petr. 3:18, 1 Joh. 2:2, 4:10, om,

ter wille van de zonde; of δια c. acc. rei, Rom. 4:25, ter oorzake van,

van wege de zonde.

Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft, is te

veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf Hij daardoor

zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1:20, de hemelvaart, 1

Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de

verheffing tot Hoofd der gemeente, Ef. 1:22, den naam boven allen naam,

Phil. 2:9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2:9, de heerschappij over

alle dingen in hemel en aarde, Mt. 28:18, Ef. 1:22, 1 Cor. 15:24v.,

het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder verwierf Hij voor de

zijnen, voor de menschheid, voor de wereld eene onafzienbare reeks

van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die

zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8:12, het ware brood, 6:35, de

ware wijnstok, 15:1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven,

11:25, 14:6, onze σοφια, δικαιοσυνη, ἁγιασμος, ἀπολυτρωσις, 1 Cor.

1:30, onze ειρηνη, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die

door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede en laatste

Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd der gemeente, Ef. 1:22, de hoeksteen van

het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijne

weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien

toch alle weldaden voort: de gansche σωτηρια, Mt. 1:21, Luk. 2:11, Joh.

3:17, 12:47, en dan nader de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Ef. 1:7,

de wegneming, αἰρειν onzer zonden, Joh. 1:29, 1 Joh. 3:5, de reiniging

of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10:22, de rechtvaardigmaking,

Rom. 4:25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, de υἱοθεσια, Gal. 3:26,

4:5, 6, Ef. 1:5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de

aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d.

i. de ἱλασμος, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de daarvoor

bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige

maar gunstige vredeverhouding tot de wereld, καταλλαγη, Rom. 5:10v.,

2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding des menschen in betrekking tot

God, Rom. 5:1; verder de gave des H. Geestes, Joh. 15:26, Hd. 2, Gal.

4:6, de wedergeboorte en het landschap uit God, Joh. 1:12, 13, de

heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom.

6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal. 2:20, de kruisiging

aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef. 5:26, 1 Joh. 1:7, 9, en de

afwassching, 1 Cor. 6:11, Op. 1:5, 7:14, der zonden door de besprenging

met het bloed van Christus, Hebr. 9:22, 12:24, 1 Petr. 1:2, de wandel

in den Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6:4, de gemeenschap

aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6:5, Ef. 2:6,

Phil. 3:20, de navolging van Christus, Mt. 10:38, 1 Petr. 2:21v.;

alverder de bevrijding van den vloek der wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal.

3:13, Col. 2:14, de vervulling van het oude en de inwijding van een

nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing uit

de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15, 1 Joh. 3:8,

Col. 1:13, de overwinning der wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 5:4,

de bevrijding van den dood en van de vreeze des doods, Rom. 5:12v., 1

Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27,

28; en eindelijk, de opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11:25, 1

Cor. 15:21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de

hemelsche erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier

reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36 en eens zich ten volle

openbarend in heerlijkheid, Mk. 10:30, Rom. 6:22, de nieuwe hemel en

aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, de wederoprichting aller dingen, Hd.

3:21, 1 Cor. 15:24-28.

4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een ander

karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’ persoon.

Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare

formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat

werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis der theologie kwamen

allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van

waarheid bevatten, cf. Bähr, Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den

drei ersten Jahrh. 1832. Baur, Die christl. Lehre v. d. Versöhnung in

ihrer gesch. Entw. 1838. Dorner, Entw. d. Lehre v. d. Person Christi²

1851. Thomasius, Christi Person u. Werk II³ 113 f. Ritschl, Rechtf.

u. Vers., deel I. Art. Versöhnung in Herzog¹ van Schoeberlein, in

Herzog² van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken van Hagenbach

enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik

der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons

geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7. Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad

Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter trachtte men zich van het werk van

Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond

verschillende voorstellingen naast elkander voor; van den beginne af

werd Christus niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en

priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander

genoemd; Eusebius spreekt van Christus als μονον ἀρχιερεα των ὁλων

και μονον ἁπασης της κτισεως βασιλεα και μονον προφητων αρχιπροφητην

του πατρος, Hist. eccl. I 3, en verwante uitspraken komen ook voor bij

Lactantius, Greg. Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss, Das

Mittlerwerk nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. d. Theol. 1872

S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling

soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat

Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle

waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd, Just.

Apol. I 10. Iren., adv. haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex.,

Strom. V 12. Orig., de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de

incarn. 16. Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld

en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing

dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van

de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen

Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfelijkheid deelachtig maken

zou, Iren., adv. haer. III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn.

7. Greg. Nyss., Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in

weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen

gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een

losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en dezen alzoo

door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had,

Orig., op Mt. 20:28. Greg. Nyss., Orat. cat. 22-26. Damasc., de fide

orthod. III 1. 27 enz. En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de

gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en

in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de

heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden

we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9, cf. Clemens

Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens Justinus Martyr is

Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig

te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in

de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en

van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle

zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht

is, de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, cf.

Semisch, Justin der Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt Irenaeus,

dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat

en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef. cf. III 18. 7. V 16, 2,

door zijn lijden en dood ons Gode verzoend, III 16, 9, ons in de gunst

van God, tegen wien wij gezondigd hadden, hersteld, den Vader voor ons

verzoend, onze ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt

en de vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17,

1. En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer

voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf, komt

ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss., Damascenus

voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd deze voorstelling

overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus zag in de religie

eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan Gods wet is onderworpen

en voor overtredingen aan God door de poenitentia heeft te voldoen;

evenals in de triniteit, zoo bracht Tertullianus in de leer van de

boete verschillende termen in zwang, deo offenso satisfacere, deum

iratum placare, reconciliare, deum promereri enz., die nog wel niet

door hemzelven maar toch reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius

e. a. op Christus en zijne offerande werden toegepast, Harnack, D. G.

III 15 f., cf. I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van

Christus’ offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds

ons bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds ons

verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner, Augustinus

Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi, Heidelberg 1899 S. 18.

Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie komt ook de

juridische of satisfactorische bij hem voor. Christus is mediator,

reconciliator, redemptor, salvator, medicus, pastor enz., Hij is

sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij is het ware en eenige offer voor de

zonden, de civ. X 6. Enchir. 33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze

straf over, om daarmede onze schuld te betalen en aan onze straf een

einde te maken, c. Faust. Man. XIV 4. Delicta nostra sua delicta fecit,

ut justitiam suam nostram justitiam faceret. Zijne maledictio is onze

benedictio; Christus de te sibi habebat carnem, de se tibi salutem, de

te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias, de se tibi

honores, Enarr. in ps. 60.

De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden van Christus

aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’ geschrift

Cur Deus homo gaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht

over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat

hij Christus’ dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde.

Maar terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en

voldoening niet absoluut noodzakelijk was, zocht Anselmus naar een

grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de

zonde altijd aut poena aut satisfactio volgen moet en dat, indien God de

menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die

satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Maar omdat

Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote

waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf maar bovendien ook nog

verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde,

voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had.

Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute

noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd meestal

ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde, loochende de

oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus’ verdienste,

ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf genoegzaam was, leerde, dat

het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en

voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God,

cf. deel II 211; maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk

en noemde ze conveniens, S. Th. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3.

Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer

en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden niet

eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van zijne genade en

liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons

door zijn woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde in

ons wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods kinderen maakt,

en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van Christus’

persoon en werk gelegen is, Herzog² 1, 16. Verschillende elementen in

de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals

heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft,

de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als

eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt met

miskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen

poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt tusschen

satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en de reden,

waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg,

dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, als

voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtigheid, om daardoor

voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere

theologie eene blijvende beteekenis heeft verkregen. De verlossing, door

Christus aangebracht, is door Anselmus het eerst en het duidelijkst

opgevat als eene bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen

der zonde, van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst

van de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd

in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch is dit

in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht

gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoening niet

met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel

het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus, S. Theol. III

qu. 46; ook verklaart hij de overdracht van Christus’ verdienste op de

zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente

zijn lichaam is, ib. qu. 8; maar hij brengt het in de beschouwing van

Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op als

meritum, satisfactio, sacrificium, redemptio, ib. qu. 48 en noemt dan

als zijne vruchten de liberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena

peccati, reconciliatio, aditus paradisi, ib. qu. 49. De verzoening

staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle

daardoor tot stand, dat Christus als een forma virtutis et humilitatis

ons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons

beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en

subjectieve zijde der verzoening, vergeving en vernieuwing worden niet

genoegzaam uit elkander gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts

Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura,

Brevil. IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche

theologen, Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.³ IV 295 sq.

Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht 1888 II

267v., maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het

begrip redemptio, of satisfactio (en meritum) of behandelen het ook

in het schema der drie ambten, Cat. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael.

theol. IV 1839 p. 309. Liebermann, Instit. theol.⁸ II 264. Dieringer,

Kath. Dogm.⁴ 465. Scheeben, Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV

198 sq. 256 sq. Jansen, Prael. theol. II 708.

De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geen andere

leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met hand en

tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens

haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband.

Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het

werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde

was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om

aan Gods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de

voldoening door den Godmensch noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor

aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle

schuld en straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der

wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet

zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne gansche,

zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk

in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet door ons te leeren

en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook

als priester en koning, Calvijn eerst in den Catech. Genev., daarna

in de editie der Institutie van 1539 en dan van hem allengs door

Geref., Luth. en Roomsche theologen overgenomen. De objectieve en de

subjectieve zijde der verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden.

Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in

zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods

gerechtigheid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God

en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot

zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is daarom de

vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smet,

dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen,

de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de

waarachtige koning. Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f.

Gerhard, Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460. Hollaz,

Ex. 728-764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn, Inst. II 15-17.

Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius, Coll. theol. I 228 sq.

Voetius, de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El.

XIV. Id. De satisfactione Christi 1691. Owen, verschillende tractaten

in deel X van zijn Works, Edinburgh Clark 1862. Moor III 842 sq. M.

Vitringa V 315 sq. VI 5 sq.

5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen

geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een

profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot

den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon

van Goddelijke wijsheid, die in eene schijnbaar menschelijke gedaante op

aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit

de banden der materie te bevrijden en hen tot πνευματικοι te maken.

Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het

bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen

in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich

voortzettende openbaring, welke thans nog het deel der geloovigen is en

de christelijke religie uit den kinderlijken in den mannelijken leeftijd

doet overgaan. In de dualistische, pantheistische, apocalyptische en

libertinistische secten der Middeleeuwen bleef er evenzoo voor Christus

geen andere beteekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun

ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het

tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift

van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk

sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van

iederen mensch. Al deze gedachten werkten na in de eeuw der Hervorming

en leidden tot eene sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn.

Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar

de Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus de

eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke natuur had

medegebracht, en deze den zijnen door het geloof instort en alzoo hen

rechtvaardigt, Herzog² 11, 125 f. Carlstadt, Frank, Schwencfeld, Weigel

e. a. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid

eene gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus

buiten en voor ons maar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke

gemeenschap met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340 f. 441

f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook

later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn Gods en den dood

als reëele, physische machten, welke Christus door zijn dood verwonnen

heeft en in wier plaats Hij een nieuw Goddelijk leven in de menschheid

uitstort, Joh. Claassen, J. Böhme, sein Leben u. seine theos. Werke III

31-76. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus,

maar Christus is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade

en het licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die,

welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware Christ.

Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het

plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet

op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde

te prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen,

M. Vitringa VI 51. Evenzoo vatte J. C. Dippel het lijden en sterven

van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap,

waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan;

de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet

noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II 924.

Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller

dingen, de Jehova des O. T., die daarin Gods liefde heeft geopenbaard,

dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden en zooveel heeft

geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als

wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed, zijn dood is

daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van

Christus’ zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong

van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort, Plitt,

Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f. Schneckenburger, Vorles. über die

Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien 195 f. Swedenborg hield

het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene

gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had

gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing maar was voor

Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner

verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns

Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch, kon Hij de vijandige,

zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is

eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der

hel en ordening des hemels, Swedenborg, Die wahre christl. Religion²

1873 S. 169-205.

Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er

bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe

kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar

zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is,

Herzog² 14, 590 f.; en ook de ontkenning der obedientia activa door

Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden

het eerst uiteenzette in een brief ten jare 1604, opgenomen in de

Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses theol. XV 18. 19. Karg nam

in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius,

Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e. a., en oefende

later door Camero, Placaeus, Capellus enz. een schadelijken invloed op

de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van

de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen

zij Christus nog profeet, priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar

feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het

koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die

vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was

opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3:13, 31, 6:36, 62, 8:28, 10:28, Cat.

Rac. qu. 195), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt,

en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat.

Rac. qu. 209v, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven,

ib. qu. 352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven.

Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven,

door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding ib. qu.

374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en

heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods

liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne

opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die

Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus

zelf de macht te schenken, om aan allen, die Hem gehoorzamen, het

eeuwige leven te schenken, qu. 384. De dood van Christus had hier

dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde

geen zelfstandig moment in het werk van Christus maar diende alleen,

eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen

tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel

maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn

hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering,

want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam, qu. 465. Maar bij de

hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot

Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun,

die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten

laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doen _kan_, is

zijn koninklijk; dat Hij dit doen _wil_, is zijn hoogepriesterlijk ambt,

qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet, qu. 483; zijn dood was

niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het

ware offer brengt Hij nu in den hemel, evenals de O. T. hoogepriester

de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413.

En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d. i. ons

van den dienst en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit

moesten de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als

die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral Catech.

Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c. 15 en de Jesu

Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 121-252. Vooreerst is zij naar hun

oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele

zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk,

dat God de zonde uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit;

de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen

plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden

heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te

bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen

aan, dat Christus ons den weg gewezen heeft, om van den dienst en de

straf der zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door

een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en

heeft ons dit door Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening

ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijn

niet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode

van nature eigen, maar zij zijn effectus ipsius voluntatis en hangen

van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil, wordt in

het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil bepaald; God kan

evengoed en beter dan een mensch de zonden zonder voldoening vergeven;

ja zijne gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat

ze den onschuldige straft en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne

barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich

betoonen kan; God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving

beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de

voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is onmogelijk, omdat

wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander

kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde

van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al ware dit mogelijk, die

andere zou dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d.

i. den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor

alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel

minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk

voor zichzelf verplicht, maar kan de een nooit voor den ander

overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkander

in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze

dan ook niet volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is

ten derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden was

eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde,

omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden

oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons

dat baten, daar de mensch had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan

God zelven (den Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook

schadelijk, wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met zijn

eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan Christus dan

aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid

opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zooveel

wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde

bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen!

De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo scherp

en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn

argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van

Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen

ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomschen en

Lutherschen, dat Christus voor alle menschen voldaan had, maar ook

ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde

had gesteld, dat Hij den eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia

activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geen

satisfactio plenaria pro peccatis, geen solutio debitorum, die immers

vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken;

maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood gehandhaafde,

toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor

alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God

nu door het evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden,

opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de

werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om

zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van

hemzelven af, Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III

c. 18-23. Ook Hugo de Groot wendde in zijne Defensio fidei catholicae

de satisfactione Christi 1617 eene poging aan tot rechtvaardiging

van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit den

wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit de

justitia Dei rectoria, d. i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de

wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening

te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te

vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods

gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de

voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel

ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid;

en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe

God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening

voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche

en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand.

De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel,

Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke, Egeling, Weg der zaligheid II

175 enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen,

droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of

van Hugo Grotius. Hetzelfde was het geval in de New England Theology.

De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer, Works I

582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring,

droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor, cf. E. Park, The

atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey,

Emmons etc., New-York 1860. A. A. Hodge, The atonement p. 328. Maar

velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening.

Ernesti, de officio Christi triplici, Opusc. theol. 1773 p. 413

bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet,

priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk

ambt de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in

zijn de obedientia Christi activa commentatio 1755 alle Sociniaansche

bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus

maar tegen heel de leer der voldoening. En met hem betoogden Bahrdt,

Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider, Inst. § 140-142,

Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor,

Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid

maar van zijne liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft

dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve

voortvloeien en een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der

plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus

en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in O.

T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus,

indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof, bekeering,

zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral, dat vergeving

der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke

vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan maar daarop volgen moet

en daarvan afhankelijk is. De religie werd gebouwd op de moraal; het

zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung

van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van den mensch. Zoo kon de

dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging

der waarheid (Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der

menschen en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of eene factische

verklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil

(Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God

te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om

ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden

(Steinbart), of eene symbolische voorstelling van de vrijwillige

overname door den zedelijken mensch van de straf, die hij in zijn zondigen

toestand heeft verdiend, Kant, Religion 84 f., cf. v. d. Willigen,

Oordeelk. Overzigt over de versch. wijzen, op welke men zich heeft

voorgesteld het verband tusschen den dood van J. C. en de zaligheid der

menschen, Godg. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw.

608 f. Baur, Chr. Lehre v. d. Versöhnung 478 f. Ritschl, Rechtf. u.

Vers. I cap. 7. 8.

6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan pogingen, om

de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele daartegen ingebrachte

bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen vorm te handhaven. Algemeen

werd zij daarbij geleid door het streven, om de juridische leer van

de voldoening, waarbij Christus in onze plaats den eisch van Gods

gerechtigheid vervulde, om te zetten in die van eene persoonlijke,

religieus-ethische werkzaamheid van Christus, waardoor Hij niet in God,

die altijd liefde is, maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of

in ons hart of in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel

schreven echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog

slechts eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon

mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar.

Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid. De persoon en

het werk van Christus zijn de historische inkleeding van de idee, dat

de wereld als zoon Gods, uit Hem uitgaande en tot Hem terugkeerende,

noodzakelijk lijden moet en alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd

en de eindigheid onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en

stervende God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is

een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent

zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf terug,

Hegel, Werke XII 249-256. Zoo voortredeneerende, zeide von Hartmann,

God kan mij niet, maar ik kan God verlossen, nur durch mich kann Gott

erlöst werden. Das reale Dasein ist die Incarnation der Gottheit,

der Weltprocess die Passionsgeschichte des fleischgewordenen Gottes

und zugleich der Weg zur Erlösung des im Fleische Gekreuzigten, Das

sittl. Bewustsein² 1886 S. 688. In de moderne theologie, die wel

zoover niet gaat maar toch principieel door de philosophie van Hegel

en Kant beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen

hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch

aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking

van het kindschap Gods, van de eenheid van God en mensch; verkondiger

van Gods vaderliefde en voorbeeld der gemeente, Pfleiderer, Grundriss

§ 128. 133. Schweizer, Chr. Gl. § 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm.

§ 802. 815 f. Lipsius, Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann, Die Krisis d.

Christ. in der mod. Theol. 1880. Scholten, L. H. K. I 410v. Hoekstra,

Godg. Bijdr. 1866 bl. 273v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het

godsd. geloof bl. 201v.

Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher; wel

leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed, al sloot hij zich ook

bij haar spraakgebruik en bij de leer van de drie ambten aan, maar het

was hem er toch om te doen, om aan Christus eene blijvende plaats in het

Christendom te verzekeren. De Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand

door de mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus

n.l. deelde altijd in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en

zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap, kreeg

deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne

heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des

kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap, neemt Hij daarna,

niet door zijn woord en voorbeeld slechts maar door de mystieke werking

die er uitgaat van heel zijn persoon, ons op in zijne gemeenschap,

en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid

en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de

Erlösung, d. i. de wedergeboorte, de heiligmaking gaat evenals bij Rome

en het rationalisme aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden

vooraf, Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef

de grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie,

Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe, Theol. Ethik §

541-558. Schoeberlein, art. Versöhnung in Herzog¹ en Princip u. Syst.

d. Dogm. 182 f. 647 f. Lange, Dogm. II 813-908. Martensen, Dogm. §

156-169, ook Hofmann in zijn Schriftbeweis, die daarom door Philippi,

Thomasius, Delitzsch e. a. bestreden werd, cf. Weiszäcker, Um was

handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre? Jahrb. f.

d. Th. 1858 S. 155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij

Ritschl. Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met

zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van loon

en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de

verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort.

God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij

onveranderlijk de menschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in

hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre

van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het

gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft

God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is

Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie

ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in een

rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is

het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus

ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze

behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is

aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te

stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor

de zijnen Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene

gansch bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om n.l.

de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne levenstaak; en

heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit gezichtspunt opgevat,

als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde, niet als een borgtocht of

middelaarschap, als een plaatsvervanging voor ons. In die zedelijke

levenstaak ging Jezus op, daaraan wijdde Hij zich geheel, Hij bleef

er trouw aan tot in den dood toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil

volbracht, zijn doel met de menschheid gerealiseerd, zijne liefde,

genade, trouw geopenbaard, en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne

levenstaak tot in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd

en toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christus

geen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig ware

gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen losgekocht

zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar wel verkregen, dat

allen, die evenals Christus Gods wil tot den hunnen maken, in zijne

gemeenschap het schuldbewustzijn, het ongeloof, het wantrouwen, de

verkeerde gedachte, alsof God toornde en strafte, mogen afleggen en

in weerwil van hunne zonden aan Gods liefde en trouw gelooven en in

de vergeving der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook

zelven positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot

hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf. u.

Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann, Der Verkehr des Christen

mit Gott 1886 S. 93 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm. § 44-46. Kaftan,

Wesen der chr. Rel. 246 f. Dogm. S. 446 f. Haering, Zu Ritschl’s

Versöhnungslehre, Zurich 1888. Id. Zur Versöhnungslehre, Gött. 1893.

Nitzsch, Ev. Dogm. 504-513. Ziegler in Gottschicks Zeits. f. Th. u. K.

1895. Riebergall, ib. 1897 S. 461-512. Ecklin, Der Heilswert des Todes

Jesu, Basel 1888. Kühl, Die Heilsbedeutung des Todes Christi, Berlin

1890.

Gereformeerde dogmatiek. Derde deel · 第 13 / 18 题