Galilea hoopvol begonnen, later zonder gevolg bleef en Hij nu op geen
andere wijze aan zijne roeping getrouw kon blijven dan door tegelijk zijn
Messiasschap en het lijdensprogram te openbaren, Holtzmann, I 284. Want
van den aanvang af was aan Jezus zijne plaats in dat koninkrijk, welks
Evangelie hij predikte, volkomen klaar en duidelijk. Behalve uit de
aanwijzing in den doop door Johannes, Mt. 3:11v., Joh. 1:26v., blijkt dit
duidelijk daaruit, dat Jezus terstond optrad met de namen van Zoon des
menschen en Zoon Gods. Den eersten naam ontleende Jezus, gelijk thans,
vooral na Baldensperger’s belangrijke studie over Das Selbstbewusstsein
Jesu, Strassb. 1888, 2e Aufl. 1892 vrij algemeen erkend wordt, met
bewustheid aan Dan. 7:13, om daarmede aan te duiden èn dat Hij de
Messias was, zonder wien het koninkrijk Gods niet komen kon, èn dat
Hij het was in gansch anderen zin, dan zijne tijdgenooten in hunne
aardschgezinde verwachtingen zich dit voorstelden. De naam menschenzoon
is alzoo geen symbool voor het toekomstige Godsrijk (Hoekstra),
noch benaming van Jezus als den waren, idealen mensch (Herder,
Schleiermacher, Neander, Lange, Ebrard, Thomasius, Godet, Beyschlag
enz.) of als den nederigen, zwakken mensch (Grotius, de Wette, Ewald,
Baur, Strauss, Kuenen, Schenkel, Stier, Nösgen enz.), maar is bepaald
aanduiding van zijne boven allen verheven, Messiaansche waardigheid in
den zin, gelijk Hij zelf die verstond. Nu hebben, evenals vroeger reeds
de rationalist Paulus, Comm. über das N. T. op Mt. 8:20 en Uloth in
de Godg. Bijdragen 1862, zoo in den jongsten tijd Lagarde, Wellhausen,
Brandt, Oort en vooral Lietzmann wel beweerd, dat Jezus zich nooit in
het Arameesch בר נוש noemde of daarvan alleen zich bediende om
zichzelven in den derden persoon als den mensch aan te duiden; dat de
Arameesche woorden later ten onrechte door ὑιος του ἀνθρωπου vertaald
werden en in de christelijke apocalyptiek in aansluiting aan Dan. 7:13
van den Messias verstaan werden, en in die beteekenis dan Jezus in den
mond zijn gelegd. Maar deze hypothese is toch zeer onwaarschijnlijk, het
ontbreekt haar aan alle verklaring, wanneer en waarom de Arameesche
uitdrukking zoo in het grieksch is weergegeven, in Messiaanschen zin
verstaan is, en zonder eenige reden Jezus in den mond is gelegd, cf.
Schulze, Die Religion Jesu und der Glaube an Christus, Halle 1897 S.
7-13. Fréd. Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu 124 s.
Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898 S. 78. Veeleer is
het waarschijnlijk, dat de uitdrukking בר נוש reeds in de Joodsche
apocalyptiek den Messias aanduidde, of dat Jezus zelf opzettelijk dien
titel aan Daniel ontleende, om zichzelf duidelijk en toch in anderen
zin, dan zijne tijdgenooten dachten, als Messias aan te duiden. In elk
geval, Jezus noemt zich zoo, waar Hij door zijn nederig leven, Mt. 8:20,
11:19, door zijn dienen, Mt. 20:28, door zijn zoeken en zaligmaken van
het verlorene, Mt. 18:11, door zijne vergeving van zonden, Mk. 2:10,
door zijne macht over den Sabbat, Mk. 2:18, door zijn lijden, Mk. 8:31,
9:12, 31, 10:33, door zijn wederkomst, Mk. 13:26, 14:62 het koninkrijk
der hemelen op aarde sticht, uitbreidt en voltooit. Met deze aanspraak
en dezen naam trad Jezus niet eerst op tegen het einde van zijn leven,
Hij was zich zijn Messiasschap bewust van het eerste oogenblik zijner
openbare werkzaamheid af aan en begon deze krachtens die bewustheid.
Reeds op twaalfjarigen leeftijd wist Hij, dat Hij moest zijn in de dingen
zijns Vaders, Luk. 2:49. In den doop door Johannes ontving Hij van zijne
roeping het Goddelijk teeken en zegel, Luk. 3:21. En terstond trad Hij
op met den naam van Menschenzoon, lang vóór het voorval in Cesarea
Philippi, Mk. 2:10, 28. Hij geeft zichzelven van den aanvang af eene
bijzondere en geheel eenige plaats in het koninkrijk Gods, doet werken
die zijn Messiasschap onderstellen, en eischt eene eere, die alleen dan
Hem toekomt, wanneer Hij de Messias is, Mt. 5:11, 10:18, 32, 37, 12:6,
41, 19:29. Maar wel is het waar, dat Hij den naam van Zoon des menschen
in den eersten tijd spaarzaam gebruikt, en dat Hij te veelvuldiger hem
bezigt, als Hij na het voorval bij Cesarea met de Messianiteit ook het
lijdensprogram verbinden kan. Jezus moest zijne discipelen zoo opvoeden,
dat zij Hem erkenden als Messias en toch niet op Hem overdroegen al die
aardsche politieke verwachtingen, die in Jezus’ tijd met de Messiaansche
idee verbonden waren. Litt. over de uitdrukking Zoon des Menschen bij
Oort, De uitdrukking ὁ υἱος του ἀνθρωπου in het N. T. Leiden 1892 bl.
5v. H. Lietzmann, Der Menschenson, Freiburg Mohr 1896. Holtzmann,
Neut. Theol. I 246. H. Appel, Die Selbstbezeichnung Jesu, Der Sohn
des M. Stavenhagen 1896. Ook Theol. Tijdschr. Nov. 1894. Mei 1895.
Theol. Stud. van Dr. Daubanton enz., Mei 1895. Kähler, Zur Lehre v.
d. Versöhnung 1898 S. 75 f. Fréderic Krop, La pensée de Jésus etc. p.
118-132. Hiermede is gezegd, dat Jezus’ zelfbewustzijn als Messias zich
niet historisch of psychologisch verklaren laat. Het is terstond bij
Jezus’ optreden aanwezig; het is niet af te leiden uit den invloed der
apocalyptische litteratuur, die zonder twijfel door Baldensperger in
het algemeen en ook in betrekking tot Jezus overschat wordt. Deze ziet
zich daarom ook zelf genoodzaakt, om verder, n.l. tot het religieuse
bewustzijn van Jezus, tot zijn Godsbewustzijn terug te gaan en te zeggen,
dat bij den doop met zijn Godsbewustzijn zijne Messianiteit Hem onmiddellijk
bewust werd; toen ontwaarde Hij Gods nabijheid als nooit te voren, toen
hoorde hij inwendig in zich de stem: Gij zijt mijn Zoon, Baldensperger,
Das Selbstbew. Jesu S. 160. Tot op zekere hoogte is dit juist. Jezus’
bewustzijn, dat Hij de Messias was, vloeide voort uit de wetenschap, dat
Hij in eene geheel eenige verhouding stond tot God. Hij noemde zich Zoon
des menschen maar ook Zone Gods, cf. deel II 243. In het O. T. werd
zoo het volk Israel, dan de koning en vooral de Messias aangeduid.
Deze theocratische beteekenis heeft de naam Zoon Gods misschien ook
nog in den mond van de bezetenen, Mt. 8:29, de Joden, Mt. 27:10, den
Hoogepriester, Mt. 26:63, en zelfs van de discipelen in den eersten
tijd, Joh. 1:50, 11:27, Mt. 16:16. Maar Jezus legt in dezen naam een
anderen en dieperen zin. Hij is Zoon Gods, niet omdat Hij Messias en
Koning is, maar Hij is het laatste, omdat Hij het eerste is, omdat Hij
Zoon des Vaders is. God is zijn Vader, Luk. 2:49; Hij is de ééne Zoon,
dien de Vader liefhad en dien Hij ten laatste zond, Mk. 12:6; bij den
doop Mt. 3:17, en later bij de verheerlijking, Mt. 17:5 noemt God Hem
zijn geliefden Zoon, in wien Hij al zijn welbehagen heeft; en in Matth.
11:27 zegt Hij, dat alles, wat tot uitvoering van Gods εὐδοκια noodig
is, Hem is overgegeven en dat alleen de Vader den Zoon en de Zoon
den Vader kent. Dit Zoonschap is de bron van al zijn leven, denken en
handelen. In die bewustheid stelt Hij zich boven de ouden, Mt. 5:18v.,
boven Jona en Salomo, Luk. 11:31, 32, boven de engelen zelfs, Mk.
13:32. Wetende, dat Hij in geheel eenige verhouding staat tot den Vader
en koning van het Godsrijk is, spreekt Hij zalig, Mt. 5:3v., Luk. 10:23,
vergeeft Hij de zonden, Mk. 2:20, eischt Hij alles om zijnentwil te
verlaten, Mt. 5:11, 10:18, 22 enz., en verbindt daaraan den ingang in
het eeuwige leven. De Synoptici bevatten reeds in kiem alles, wat later
door de apostelen en ook door de christelijke kerk over den persoon
van Christus geleerd werd. Het is waar, dat de discipelen vóór Jezus’
opstanding nog geen recht inzicht hadden in zijn persoon en werk. De
evangeliën zeggen ons dat zelve. Vandaar dat Jezus in zijn onderwijs ook
met de vatbaarheid zijner jongeren rekende, hen allengs opleidde tot
de kennis van zijn Zoonschap en zijne Messianiteit en veel overliet aan
de onderwijzing des Geestes, Joh. 16:12. Maar de opstanding deed reeds
een wonderbaar licht opgaan over den persoon en het werk van Christus;
van toen af gold Hij voor alle discipelen als ein himmlisches Wesen; de
leer van Paulus en Johannes over het wezen van Christus vond bij geen
der discipelen bestrijding, Weiszäcker, Das apost. Zeitalter² 16. 110.
Wat zij eraan toevoegen, is niets nieuws, maar alleen uitbreiding en
ontwikkeling. Jezus is waarachtig mensch, vleesch geworden en in het
vleesch gekomen, Joh. 1:14, 1 Joh. 4:2, 3, uit de vaderen, zooveel het
vleesch aangaat, Rom. 9:5, Abrahams zaad, Gal. 3:16, uit Juda’s stam,
Hebr. 7:14, uit Davids geslacht, Rom. 1:3, geboren uit eene vrouw, Gal.
4:4, Hebr. 2:14, mensch in vollen, waren zin, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:45,
1 Tim. 2:15, die moede, dorstig, bedroefd, verheugd was als wij, Joh.
4:6v., 11:33, 38, 12:27, 13:21, Hebr. 4:15, onder de wet was, Gal.
4:4, gehoorzaamheid geleerd heeft tot den dood toe, Phil. 2:8, Hebr.
5:8, 10:7, 9, geleden heeft, gestorven is en begraven enz. Maar deze
zelfde mensch was tegelijk van alle zonde vrij, Mt. 7:11, 11:29, 12:50,
Joh. 4:34, 8:29, 46, 15:10. Hd. 3:14, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1
Petr. 1:19, 2:26, 1 Joh. 2:1, 3:5; Hij is ook opgestaan, verheerlijkt,
gezeten aan Gods rechterhand, Hd. 2:34, 5:31, 7:55 enz. Hij bestond
reeds vóór zijne vleeschwording, Joh. 1:1, 17:5, 1 Cor. 10:4, 9, Hebr.
11:26, was toen in de gestaltenis Gods, Phil. 2:6, eerstgeborene aller
creatuur, Col. 1:15, hooger dan de engelen, Hebr. 1:4, door wien God
alles geschapen heeft en in wien alles bestand heeft, Joh. 1:3, 1 Cor.
8:6, Col. 1:16, Ef. 3:9, Zoon Gods in geheel eenigen zin, Joh. 1:14,
5:18, Rom. 8:3, 32, Gal. 4:4, en zelf God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5,
2 Thess. 1:1, Tit. 2:13, Hebr. 1:8, 9. (1 Joh. 5:20), 2 Petr. 1:1. Cf.
art. Christologie, Schriftlehre van Kähler in Herzog³ 4, 4 met de daar
aangehaalde litt.
3. Deze apostolische getuigenis aangaande Jezus den Christus was te
veelomvattend, dan dat zij terstond in het christelijk bewustzijn kon
opgenomen en in eene alle dwaling afsnijdende, duidelijke formule kon
weergegeven worden. Bij de apostolische vaders is daarvan dan ook nog
geen sprake, al kennen zij aan Christus eene geheel eenige plaats toe
en al noemen zij Hem met allerlei heerlijke en verheven namen, deel II
250. Door de ter linker en ter rechter zijde opkomende dwalingen van
het Ebionitisme en het Gnosticisme werd eerst het christelijk denken
gewekt, om de apostolische getuigenis zich in haar veelzijdigheid toe
te eigenen en de verhouding van Christus, beide tot God en tot de
menschheid, tot klaarheid te brengen. Het Ebionitisme hield Jezus wel
voor den Messias, geloofde soms ook wel, dat Hij op bovennatuurlijke wijze
ontvangen en bij den doop met eene Goddelijke kracht toegerust was, maar
het zag overigens in Jezus niets dan een mensch, uit Davids geslacht,
met Gods Geest gezalfd en tot koning over een bij zijne wederkomst op te
richten aardsch rijk aangesteld. Het Gnosticisme, de stof verachtend
en de schepping der wereld aan een δημιουργος toeschrijvend, maakte
ook bij Christus eene scherpe scheiding tusschen het Goddelijke en
het menschelijke; de hoogste aeon, n.l. Christus, was uit den hemel
nedergedaald en had zich voor een tijd lang met den aardschen mensch
Jezus vereenigd, of bracht uit den hemel een psychisch lichaam mede
of nam tijdelijk een schijnlichaam aan, om de menschheid uit de banden
der materie te bevrijden. Harnack meent wel, dat de erkenning van Jezus
als een door God uitverkoren en met den Geest toegerust mensch niet
ebionietisch maar christelijk was, D. G. I 245, en zegt ook, dat de
leer der twee naturen van Christus oorspronkelijk gnostisch was, I 220,
516, maar hij moet toch toegeven, dat in de oudste overlevering Jezus
ook als Zoon Gods beleden en nooit voor een ψιλος ἀνθρωπος gehouden
werd, I 153-168, cf. Loofs in Herzog³ 4, 18 f. Er mogen verschillende
voorstellingen geweest zijn, hoe een en hetzelfde subject tegelijk Zoon
Gods en mensch kon zijn; maar zoo werd Christus van het begin af door
allen erkend. Deze belijdenis moest leiden en leidde onder Justinus,
Irenaeus en Tertullianus, cf. deel II 250-256, tot de leer der twee
naturen. De uitdrukking δυο οὐσιαι χριστου komt het eerst voor in een
fragment van Melito, welks echtheid echter betwijfeld wordt, Harnack, D.
G. I 165, volgens Loofs, Herzog³ 4, 31 ten onrechte. Irenaeus heeft de
formule van de twee naturen nog niet, maar leert duidelijk, dat Christus
waarlijk de Zoon, de Logos, en zelf God is, dat Hij als zoodanig mensch
is geworden, en dat deze menschgeworden Logos eene onverbrekelijke
eenheid is. Hij is vere homo et vere deus, adv. haer. IV 6, 7, het is
een en dezelfde Christus, die de wereld geschapen heeft en die geboren
en gestorven is, III 9, 3. 16, 6. 19, 1 enz. Tertullianus leert evenzoo
en spreekt nog sterker van twee substanties in Christus, carnea en
spiritalis, van twee conditiones, divina et humana, de carne Chr. 5,
en nam in Hem aan duplicem statum, non confusum sed conjunctum in una
persona, Deum et hominem verum, adv. Pr. 27. Spoedig werd daarna in het
Westen voor deze leer van Christus de formule gebezigd, dat Hij was una
persona met duo naturae. Augustinus drukt zich geregeld aldus uit; ita
vero inter Deum et homines mediator apparuit, ut in unitate personae
copulans utramque naturam, et solita sublimaret insolitis et insolita
solitis temperaret, Ep. ad Volus. 3. In het Oosten bleef echter de
terminologie, evenals in de triniteitsleer, langen tijd onvast en daarom
voor allerlei misverstand vatbaar. De woorden οὐσια, φυσις, ὑποστασις,
προσωπον misten nog strenge bepaling en werden daarom dooreen gebruikt;
zelfs Cyrillus duidt de menschelijke natuur van Christus nog dikwerf
als ὑποστασις in plaats van als φυσις aan, en spreekt dan toch weer
van ééne natuur in Christus, μια σεσαρκωμενη φυσις; de vereeniging
van beide naturen werd door Gregorius Naz. en Nyss. als eene μιξις,
ἀνακρασις, en door Cyrillus als eene ἑνωσις φυσικη of κατα φυσιν
aangeduid; en datgene, wat door de hypostatische vereeniging tot stand
kwam, werd meermalen niet εἱς maar ἑν genoemd, Schwane, D. G. II 294
f. 341 f. De epistola dogmatica van Paus Leo den Groote aan Flavianus
droeg er echter veel toe bij, om ook in het Oosten het helder inzicht
en het nauwkeurig spraakgebruik in de leer van Christus te bevorderen,
Halm, Bibl. der Symbole u. Glaubensregeln³ 321-330. En te Chalcedon
werd, na verwerping van het Nestorianisme, het Patripassianisme, het
Eutychianisme enz., de belijdenis van Christus vastgesteld als van
één en denzelfden Zoon en Heere, τελειον τον αὐτον ἐν θεοτητι και
τελειον τον αὐτον εν ανθρωποτητι, θεον αληθως και ἀνθρωπον αληθως τον
αυτον,..... ἑνα και τον αὐτον χριστον, υἱον, κυριον, μονογενη, ἐν δυο
φυσεσιν (volgens de oorspr. lezing; niet ἐκ δυο φυσεων) ἀσυγχυτως,
ἀτρεπτως, ἀδιαιρετως, ἀχωριστως γνωριζομενον, Hahn, ib. 166.
4. Daarmede waren scherp en belijnd de grenzen getrokken, binnen welke
de kerkelijke leer van Christus verder ontwikkeld kon worden. Maar
het was er ver van af, dat hiermee vroeger en later eenstemmigheid
werd verkregen. De vraag: wat dunkt u van den Christus? heeft in het
christelijk leven en ook in de theologie allerlei antwoorden uitgelokt;
zij houdt alle eeuwen door hoofden en harten der menschen verdeeld.
Zelfs binnen die kerken, welke samen het Chalcedonense aanvaarden,
is er bij alle overeenstemming toch ook nog aanmerkelijk verschil. In
de theologie van het Oosten bleef de grondgedachte deze, dat God
zelf mensch moest worden, opdat de mensch de Goddelijke natuur, de
onsterfelijkheid, het eeuwige leven, de θεωσις, deelachtig zou worden.
De gevolgen der zonde zijn veel meer physisch dan ethisch van aard,
en daarom loopt naast het rationalisme in de Grieksche kerk altijd de
mystiek. Deze mystiek moest er toe leiden, dat, al werd de menschelijke
natuur van Christus ook erkend, de sterkste nadruk toch viel op zijne
Godheid, op het ingaan der Goddelijke natuur in de menschelijke, op
de eenheid van beide, op het wezen van Christus meer dan op zijne
historische verschijning, op zijne vleeschwording meer dan op zijne
voldoening. Bij den persoon van Christus kwam het daarom vooral aan op
zijn Goddelijk wezen, dat in menschelijken vorm werd medegedeeld en zoo
door den mensch ontvangen en genoten wordt. Aan strenge onderscheiding
der beide naturen werd daarom allerminst behoefte gevoeld; ze wordt bij
Athanasius, de Cappadociërs, ja zelfs nog ten deele bij Cyrillus gemist;
de Grieksche lezing van het Chalcedonense is eene correctie van den
oorspronkelijken tekst; de uitdrukking ἐν δυο φυσεσιν is door ἐκ δυο
φυσεων vervangen. Het monophysitisme was in het Oosten eene macht;
hoezeer veroordeeld en onderdrukt, het kwam toch telkens weer boven, in
de leer der theopaschieten, der aphthartodoceten, der aktisteten en der
monotheleten; het droeg er toe bij om de grenslijn tusschen het Goddelijke
en het menschelijke uit te wisschen en om de kerken in het Oosten meer
en meer voor den ondergang in het Heidendom rijp te maken, cf. deel II
292. 293.
Daartegen onderscheidde het Westen streng tusschen de Goddelijke en
menschelijke natuur van Christus; de terminologie van una persona en
duo naturae stond reeds sedert Tertullianus vast; op het ethische lag
meer dan op het physische, op de voldoening, het lijden en den dood,
meer dan op de menschwording de nadruk. Toch werd ook hier niet alle
gevaar van de vergoddelijking der menschelijke natuur van Christus
vermeden. Het Oosten nam bijna geen notitie van het Westen en onderging
met name in het geheel niet den invloed van Augustinus. Maar omgekeerd
nam het Westen wel de theologie en bepaaldelijk ook de mystiek van het
Oosten over. Daardoor drong ook in de Latijnsche kerk en theologie de
gedachte door van eene vergoddelijking van het menschelijke. De mystische
contemplatie, de leer van het donum superadditum, de transsubstantiatie
berusten alle op de gedachte, dat het eindige aan het oneindige deel
hebben kan. Dit kon niet zonder invloed blijven op de christologie,
want de menschelijke natuur was nauwer dan eenig ander schepsel met
de Godheid vereenigd. Als Adam door het donum superadditum, als de
geloovigen door de gratia infusa, als de mystieken door de contemplatie
reeds der Goddelijke natuur deelachtig en in zekeren zin vergoddelijkt
werden, cf. deel I 220v. 276v. II 152v. 518. 522v., dan moest dit in
veel sterker mate nog het geval wezen bij den mensch Christus. Geheel
in overeenstemming met Joh. Damascenus, de fide orthod. III 3. 7. 17.
19, cf. Dorner, Lehre v. d. Person Christi II 267 f., leerde daarom de
scholastieke en Roomsche theologie, dat iedere natuur in Christus wel
zichzelve blijft en de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de
menschelijke natuur niet reëel is te denken, maar dat toch de Goddelijke
natuur de menschelijke geheel doordringt en doorgloeit, gelijk warmte het
ijzer, en haar de Goddelijke heerlijkheid en wijsheid en macht deelachtig
maakt (περιχωρησις, θεωσις). Daaruit wordt dan afgeleid, dat Christus
als mensch reeds hier op aarde de scientia beata, de visio Dei bezat;
Jezus was reeds op aarde een comprehensor ac viator, wandelend door
aanschouwen en niet door geloof; van geloof en hope kan en mag er bij
Hem geen sprake zijn. Voorts werden al de gaven, waarvoor de menschelijke
natuur van Christus vatbaar was, Hem niet allengs, maar terstond, in
eens bij zijne menschwording geschonken. Als mensch bleef Hij wel eindig
en beperkt; ook had Hij in den staat zijner vernedering allerlei defecten
(vatbaarheid voor lijden en dood) en affecten (aandoeningen van smart,
honger, koude enz.). Maar Hij ontving toch bij zijne menschwording in
eens alle wijsheid, waarvoor zijne menschelijke natuur vatbaar was. Zijne
toeneming daarin, Luk. 2:52, is niet objectief maar subjectief te
verstaan; het scheen aan anderen zoo toe; ook bad Hij niet uit behoefte,
maar alleen om onzentwil, om ons een voorbeeld te geven. Jezus was
eigenlijk nooit kind, Hij was dadelijk man. En omdat zijne menschelijke
natuur zoo door de Goddelijke verheerlijkt en vergoddelijkt is, daarom
heeft ook zij recht op en is ook zij voorwerp van aanbidding; ja ieder
deel van de menschelijke natuur van Christus, zooals inzonderheid het
heilige hart, is Goddelijke vereering waardig. Cf. Lombardus, Sent.
III dist. 9. 13 sq. 23. Thomas, S. Theol. III qu. 7-15. 25. 33. 34.
Bonaventura, Brevil. IV 6. Bellarminus, de Christo III. IV. Petavius,
de incarn. X. XI. Theol. Wirceb. IV 260 sq. Scheeben, Dogm. III 1-261.
Kleutgen, Theol. d. Vorz. III 213 f. Pesch, Prael. IV 86 sq. 111 sq.
Jansen, Prael. II 669. C. v. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes
1870 S. 164 f. Simar, Dogm. 420 f.
Dezelfde grondgedachte treffen wij aan in de Luthersche theologie.
Maar zij is hier toch anders uitgewerkt en toegepast. Grieksche en
Roomsche theologie leerden wel eene mededeeling van Goddelijke gaven
maar niet van Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur; en
zij leerden ook wel eene ware en wezenlijke mededeeling der Goddelijke
eigenschappen, maar dan niet aan de menschelijke natuur als zoodanig,
doch aan de hypostase van beide naturen. Luther echter leerde, dat
ook reeds in den staat der vernedering de menschheid van Christus
was, waar de Godheid was, en dat beide naturen niet alleen in den
persoon maar ook beide onderling met hare eigenschappen vereinigt
und vermischt waren, Köstlin, Luthers Theol. II 392. f. Daarom
konden de Roomsche theologen de Luthersche Christologie en vooral de
ubiquiteitsleer eenparig bestrijden, Bellarminus, de Christo III 9.
Petavius, de incarn. X 7-10 enz. Maar toch is er, hier evenals in
de leer van het avondmaal, verwantschap. De Lutherschen leeren toch
uitdrukkelijk, dat de beide naturen in Christus nooit vermengd of in
elkaar veranderd worden, maar dat elk van beide tot in eeuwigheid
zichzelve blijft en haar wezenlijke eigenschappen behoudt en nooit
de eigenschappen der andere natuur tot haar eigene ontvangt, Form.
Conc. ed. Müller 675.676. Ook zeggen zij niet, dat alle Goddelijke
eigenschappen in gelijken zin en in gelijke mate aan de menschelijke
natuur worden medegedeeld; de quiescente eigenschappen van oneindigheid
enz. werden haar niet zelve rechtstreeks, doch alleen door bemiddeling
van de andere eigenschappen geschonken; de operatieve echter, zooals
alomtegenwoordigheid, almacht, alwetendheid werden rechtstreeks en
onmiddellijk het deel van de menschelijke natuur; en zelfs schreef men
haar dikwerf niet alleen de multivolipraesentia of ubiquitas in den
zin van Chemniz maar bepaald de omnipraesentia toe, ib. 685 sq. En
zakelijk komen Roomsche en Luthersche theologie daarin overeen, dat zij
de menschelijke natuur boven de haar gestelde grenzen verheffen en de
menschelijke ontwikkeling van Jezus benevens den staat zijner vernedering
in schijn oplossen. In de Luthersche theologie is dat al zeer duidelijk
uitgekomen. Bij de menschwording n.l. werd wel niet temporeel maar toch
logisch onderscheid gemaakt tusschen de incarnatio (assumtio carnis)
en de exinanitio (conceptio in utero). Van de eerste is alleen de
Logos subject; en zij bestaat daarin, dat Hij de in zichzelve eindige
menschelijke natuur vatbaar maakt voor de inwoning van de volheid der
Godheid en haar de bovengenoemde Goddelijke eigenschappen mededeelt.
Maar op deze manier dreigde niet alleen het onderscheid tusschen
Goddelijke en menschelijke natuur maar ook dat tusschen den staat van
vernedering en van verhooging geheel teloor te gaan. Daarom nam men
aan, dat in het tweede moment, in de exinanitio, van welke niet de
Logos maar de Godmensch het subject was, deze de eerst medegedeelde
eigenschappen weder in zekeren zin afgelegd had. Maar over den aard
dezer exinanitio was er groot verschil en werd er zelfs tusschen de
Giessensche en Tubingsche theologen een langdurige (1607-1624) strijd
gevoerd. Volgens de Tubingers legde Christus alleen het _publieke_
gebruik van die eigenschappen af; Hij behield ze wel en Hij gebruikte
ze ook, want de onderscheiding tusschen potentia en actus gaat bij de
Goddelijke eigenschappen niet op; eene potentieele alomtegenwoordigheid,
alwetendheid enz. is ongerijmd; maar Christus gebruikte die medegedeelde
eigenschappen in den staat zijner vernedering alleen op latente,
verborgen wijze (κρυψις χρησεως); de staat der verhooging is niets
anders dan een zichtbaar vertoonen van wat onzichtbaar reeds van de
ure der ontvangenis af bestond. Op deze wijze werd echter heel de
menschelijke ontwikkeling van Jezus, zijn toenemen in kennis en wijsheid,
zijn hongeren en dorsten, zijn lijden en sterven slechts schijn. En daarom
zeiden de Giessensche en de latere Luthersche theologen liever, dat
Christus in het moment der exinanitio heel het gebruik der medegedeelde
eigenschappen had afgelegd (κενωσις χρησεως); Hij bleef ze wel behouden,
maar alleen potentia, niet actu; eerst bij de verhooging nam Hij ze ook
in gebruik. Cf. Chemniz. de duabus naturis in Christo 1570. Gerhard,
Loc. IV c. 11-14. Quenstedt III 79 sq. Hollaz 765 sq. Buddeus,
Inst. theol. IV c. 2 en voorts Dorner, Entw. II 771-847. Gesch. der
prot. Theol. 569 f. Frank, Theol. der Concordienformel III 165-396.
Schneckenburger, Vergl. Darst. § 26 Id. Zur kirchl. Christologie.
Die orthodoxe Lehre vom doppelten Stande Christi nach luth. und ref.
Fassung 1868. Sartorius, Christi Person und Werk I³ 520 f. Philippi,
Kirchl. Gl. IV 1 S. 243 f. Herzog¹ art. Doppelter Stand Christi.
Herzog² art. Kenotiker und Kryptiker. Herzog³ art. Comm. idiom.
De Gereformeerden verkeerden van den aanvang af in veel gunstiger
conditie; zij hebben de Grieksche, Roomsche en Luthersche vermenging
van het Goddelijke en menschelijke ook in de leer van Christus
principieel overwonnen. Ofschoon de eenheid des persoons ten strengste
handhavende, hebben zij ook op de menschelijke natuur van Christus
den stelregel: finitum non est capax infiniti toegepast en dezen
niet alleen in den staat der vernedering maar ook zelfs in dien der
verhooging gehandhaafd. Zoo kreeg de Geref. theologie ruimte voor eene
zuiver menschelijke ontwikkeling van Christus, voor eene successieve
mededeeling van gaven, voor een wezenlijk onderscheid tusschen
vernedering en verhooging. En toch heeft zij daarbij het nestorianisme,
waarvan ze steeds beschuldigd werd, ernstig vermeden. En dat kwam
daardoor, dat in Grieksche, Roomsche en Luthersche theologie de
nadruk altijd viel op de vleeschwording van het Goddelijk wezen, van de
Goddelijke _natuur_. Indien die natuur niet vleesch wordt, schijnt het
werk der zaligheid, de gemeenschap met God, gevaar te loopen. Maar de
Gereformeerde theologie stelt op den voorgrond, dat de _persoon_ des
Zoons vleesch is geworden; niet de substantie maar de subsistentia des
Zoons nam onze natuur aan. In dien persoon ligt de eenheid der beide
naturen, in weerwil van beider strenge onderscheiding, onwankelbaar
vast. Gelijk in de leer der triniteit, van den mensch als beeld Gods
en van de verbonden, zoo treedt ook hier in de leer van Christus de
Gereformeerde gedachte van het persoonlijke, bewuste leven als het
rijkste en hoogste leven, zeer duidelijk op den voorgrond. Cf. Calvijn,
Inst. II c. 12-14. Beza, de hypostatica duarum in Christo naturarum
unione, Tract. Theol. I 625-645 II 74-101. Ursinus, Tract. theol.
652-663. Martyr, Loci Comm. loc. 17 p. 212. Zanchius, de incarnatione
Filii Dei, Op. VIII p. 15-296. Polanus, Synt. VI c. 12 sq. Owen,
Declaration of the glorious mystery of the person of Christ, God and
man, Works, Edinb. I. en meer litt. bij Walch, Bibl. theol. sel. I 259.
M. Vitringa V p. 45. 202.
5. Al deze ontwikkelingen van de leer van Christus gaan uit van en
bewegen zich binnen de grenzen van het symbolum Chalcedonense. Maar
lang niet alle Christenen konden zich vinden in deze belijdenis. Ten
allen tijde waren er, die ter rechter of ter linker zijde afweken en in
het voetspoor traden van het oude Ebionitisme of Gnosticisme. Aan de
eene zijde staan het Arianisme, Nestorianisme, Socinianisme, Deisme,
Rationalisme enz., cf. deel II 260-264, en aan den anderen kant
het Patripassianisme, Sabellianisme, Monophysitisme, middeleeuwsch
Pantheisme, Anabaptisme, de Theosophie enz., cf. deel II 264-268 en
voorts Petavius, de incarnatione I c 1: synopsis haeresum omnium,
quae cath. in carnationis fidem oppugnarunt. Forbesius à Corse,
Instruct. hist. theol. lib. 2. 3. 5. 6. M. Vitringa V 46 sq. Baur,
Lehre v. d. Dreiein. u. Menschw. Gottes 1841-43. Dorner, Entw. der
Lehre v. d. Person Christi² 1851-54. Réville, Histoire du dogme de
la divinité de Jésus-Christ 1869. Münscher-v. Coelln, D. G. Art.
Christologie, Kirchenlehre van Loofs in Herzog³ 4, 16. Vooral in de
nieuwere theologie is de gedachte heerschend geworden, dat de leer der
twee naturen wel paste bij de Grieksche theologie en kerk, maar thans
voor ons alle religieuse waarde verloren heeft, dat ze ook onder de
kritiek van het Socinianisme en Rationalisme onherroepelijk gevallen is
en daarom thans in geheel nieuwen, religieus-ethischen zin, behoort
gewijzigd te worden. Deze nieuwe Christologie heeft hare voornaamste
vertegenwoordigers in Kant, Schleiermacher en Ritschl.
Kant kon de bijbelsche en kerkelijke leer van Christus niet aanvaarden,
wijl hij de kenbaarheid van het bovennatuurlijke loochende en, uit het du
sollst tot het du kannst besluitende, geen Verlosser van noode had.
Christus kon daarom voor Kant nog slechts blijven een voorbeeld der
zedelijkheid en een leeraar der deugd. Alwat Schrift en kerk voorts
nog van dien Christus uitsprak, had slechts symbolische waarde. De
kerkelijke Christus is het symbool van de Gode welgevallige menschheid;
deze is de ware, eengeboren, veelgeliefde Zoon, om welken God de wereld
schiep. De menschwording van Christus symboliseert het ontstaan van
het ware zedelijke leven in den mensch; zijn plaatsvervangend lijden
beteekent, dat de zedelijke mensch in ons boeten moet voor het kwaad van
den zinlijken mensch; het geloof aan Christus duidt aan, dat de mensch
ter zijner zaligheid gelooven moet aan de idee der Gode welgevallige
menschheid. In één woord, de historische mensch Jezus is geen middelaar
of zaligmaker, maar alwat de kerk van dien persoon belijdt, geldt
ten volle van de idee der menschheid, Religion ed. Rosenkranz, 69
f. Kant begon er in de nieuwe philosophie mede, om evenals de oude
Gnostieken den historischen Christus van den idealen te scheiden; en
anderen hebben dat voortgezet. Fichte ging uit van de gedachte, dat
God en mensch absoluut één waren. Maar Christus heeft deze eenheid het
eerst in zichzelf erkend en klaar uitgesproken; dat is zijne groote,
historische beteekenis; duizenden zijn door Hem tot deze erkentenis,
tot deze gemeenschap met God gekomen. Maar al is dit historisch zoo
geweest, toch is daarmede niet gezegd, dat de mensch niet uit zichzelf,
niet anders dan door Christus, tot die gemeenschap komen kan. Als
Jezus terugkwam, zou Hij volkomen tevreden zijn, dat het Christendom in
de harten heerschte, ook al was zijn persoon geheel vergeten. Slechts
de metaphysische, eeuwige waarheid, de erkenning der eenheid met God,
maakt zalig; het historische is een op zichzelf staand, voorbijgaand
feit, Anweisung zum seligen Leben, vooral 6e Vorl. Bij Schelling in zijne
eerste periode is het absolute geen onveranderlijk zijnde maar een eeuwig
worden, dat dus in de wereld als zijn logos en zoon tot openbaring komt.
De theologie meent, dat Christus de eengeboren en vleeschgeworden Zoon
Gods is. Dat is onjuist; God is eeuwig en kan niet in een bepaald
tijdsmoment de menschelijke natuur hebben aangenomen; het Christendom
als historisch feit heeft voorbijgaande beteekenis. Maar eeuwig blijft
de idee; de wereld is de zoon Gods; de menschwording Gods bestaat
daarin, dat het absolute, om zichzelf te zijn, in eene wereld, in eene
veelheid van individuen, in een rijke geschiedenis, in een historisch
proces tot openbaring komt. De wereld is dus God zelf in zijn worden;
de menschwording Gods is principe van alle leven en geschiedenis;
het eindige is de noodzakelijke vorm voor het openbaar worden Gods;
alles moet begrepen worden van de idee der menschwording uit. En dit
is ook de esoterische waarheid van het Christendom; de historische
inkleeding is maar tijdelijke vorm voor deze eeuwige idee, Vorles. über
die Methode des akad. Studiums, 1803, Werke I 5 S. 286 f. Evenzoo
zeide Hegel, dat hetgeen de theologie symbolisch in voorstellingen
weergaf, door de philosophie in begrippen werd omgezet; Christus is
niet de eenige Godmensch, maar de mensch is wezenlijk één met God en
wordt zich dit ook op het hoogste standpunt zijner ontwikkeling bewust,
Religionsphilos., Werke XII 235 f. Van deze philosophische praemissen
uit zochten Marheineke, Rosenkranz, Göschel, Daub, Conradi e. a. nog
wel de vleeschwording Gods in Christus te handhaven, maar Strauss trok
de consequenties en zeide in zijn Leben Jesu, 1835 II 716 f. 734 f.,
dat de idee hare volheid niet in één exemplaar uitstort maar alleen in
eene veelheid van individuen; de menschheid is de menschgeworden God,
die ontvangen is van den H. Geest, zondeloos leeft, opstaat uit de
dooden, opvaart ten hemel enz. In de moderne dogmatiek, welke van deze
wijsgeerige gedachte uitgaat, blijft er daarom geen plaats meer over voor
Christus, anders dan een religieus genie, een leeraar der deugd, een
profeet, die de religie het diepst verstaan, Gods liefde het duidelijkst
geopenbaard en de eenheid en gemeenschap van God en mensch het klaarst
uitgesproken heeft; maar de persoon van Christus staat zelf feitelijk
buiten het wezen des Christendoms, Strauss, Dogm. II 214 f. Alte u.
neue Gl.² 24 f. Schweizer, Chr. Gl. § 116 f. Pfleiderer, Grundriss §
128. Biedermann, Chr. Dogm. II² 580 f. Lipsius, Dogm.² § 588. Scholten,
Initia c. 4 p. 171. Kielstra, Het godsd. leven 1890 bl. 39. Niet ten
onrechte sprak von Hartmann met het oog op deze moderne theologie van
eene crisis en eene Selbstzersetzung des Christendoms, Die Krisis des
Christ. u. die moderne Theologie 1880. Die Selbstzersetzung des Christ.
u. die Religion der Zukunft³ 1888. En Dr. Boekenoogen, Christol.
Beschouwingen, Theol. Tijdschr. Maart, Mei, Sept. Nov. 1892 Nov. 1897,
poogde tevergeefs de leer van Christus in de moderne dogmatiek nog te
handhaven als symbolische inbeelding van religieuse ideeën.
Eene andere richting werd ingeslagen door Schleiermacher. Hoewel de
kerkelijke leer van Christus beslist verwerpende, trachtte hij toch de
fout der speculatieve philosophie te vermijden, om n.l. het wezen des
Christendoms te zoeken in eene abstracte idee en deze los te maken van
den historischen persoon van Christus. Daartoe ging hij uit van de
ervaring der gemeente, van het christelijk bewustzijn, dat tot inhoud
heeft de verzoening en de gemeenschap met God. De laatste oorzaak
hiervan is nergens anders te vinden dan in den stichter der christelijke
gemeente, in wien daarom het Godsbewustzijn in absolute kracht aanwezig
moet geweest zijn. En deze sterkte van zijn Godsbewustzijn was het
zijn Gods in Hem, zoodat Hij het religiöse Urbild der menschheid is,
zondeloos, volmaakt, hoogste product van het menschelijk geslacht en
tegelijk door eene scheppende daad Gods voortgebracht als het volmaakte
subject der religie. Niet op zijn leer maar op zijn persoon, niet op wat
Hij deed maar op wat Hij was, niet op zijn ethisch voorbeeld maar op zijn
religieus leven komt het in de eerste plaats aan, Chr. Gl. § 91 f. Door
alzoo de verwezenlijking van de religieuse idee niet in de menschheid
maar in den persoon van Christus te zoeken, heeft Schleiermacher een
machtigen invloed geoefend en aan de Christologie weer eene plaats
verzekerd in de dogmatiek. Vooreerst werd Schleiermacher’s invloed
daarin merkbaar, dat men, in tegenstelling met Kant, Fichte, Hegel in
Christus trachtte te handhaven eene gansch bijzondere en geheel eenige
openbaring Gods. Indien het Godsbewustzijn in Christus absoluut en nooit
door eenige zonde verstoord was geweest, moest God ook op geheel eenige
wijze in Hem hebben gewoond. Natuurlijk kon men dit op verschillende wijze
beproeven, al naar mate men anders dacht over de triniteit. Zij die de
ontologische triniteit verwerpen, nemen in Christus eene bijzondere
manifestatie Gods, eene volkomene inwoning Gods, de realiseering van
Gods eeuwige wereldgedachte of menschidee aan, Rothe, Ethik § 533
f. Weisse, Philos. Dogm. I 437-556. Schenkel, Dogm. II 2 S. 717.
724. Ewald, Göschel, Redepenning, Beyschlag enz. Anderen erkennen
wel eene ontologische triniteit maar denken de verhouding van den
Zoon tot den Vader als subordinatiaansch, en komen daarom tot eene
ariaansche Christologie, Thomasius, Kahnis, Gess, Keerl, Hofstede de
Groot, Doedes enz. Nog anderen coordineeren den Zoon met den Vader
en naderen daarom de kerkelijke leer, K. I. Nitzsch, Twesten, Müller,
Martensen, Sartorius, Liebner, Lange, Voigt, Philippi, Vilmar, Ebrard,
Oosterzee e. a. Vervolgens kwam er door Schleiermacher in de nieuwere
Christologie eene vroeger ongewone belangstelling in de menschelijke,
historische ontwikkeling van den persoon van Christus. De leer van
de communicatio idiomatum werd daarom zoo goed als prijsgegeven; de
menschelijke natuur van Christus werd op den voorgrond geschoven; de
leer der twee staten werd veranderd in een leven van Jezus, en dat
leven werd in zijne voorbereiding, ontwikkeling en invloed nagespeurd.
Zeer geliefd werd daarom de geschiedenis van Israel, van de klassieke
wereld en vooral van Jezus’ eigen tijd (Neutest. Zeitgesch. van
Hausrath, Schürer enz); voorts moest de menschwording beschouwd als
niet toevallig om de zonde noodzakelijk maar als uit de idee Gods
voortvloeiende en met de schepping zelve gegeven (Steffens, Göschel,
Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Ehrenfeuchter enz.);
en dan moest de ontwikkeling van Jezus als mensch nagegaan worden
in hare historische ontwikkeling, totdat Hij tweede Adam, hoofd der
menschheid, Centralindividuum werd (Rothe, Liebner, Schneckenburger,
Martensen, Lange, Neander, Kahnis, Beyschlag, Keerl). Eindelijk kwam
in de nieuwere Christologie, die aan de belijdenis van Christus als
Godmensch nog vasthield, het streven op, om de eenheid van deze beide
op eene andere en betere wijze te handhaven dan in de belijdenis van
Chalcedon en de kerkelijke dogmatiek geschied was. Daartoe werd, ten
deele op God zelf maar dan vooral op den Godmensch de idee van het
worden toegepast. Schelling begon daarmede in zijne tweede periode, cf.
deel II 304 f. De Zoon was in zekeren zin wel eeuwig in den Vader,
maar als door den Vader gegenereerd, als Zoon buiten (praeter) den
Vader, treedt Hij eerst op in de schepping. Ook dan echter bestaat de
Zoon niet als werkelijk, maar als eene Potenz, die zich verwerkelijken
kan en moet. Door de zonde des menschen wordt echter de wereld een
aussergöttliches Sein, en de Zoon, die om die wereld gegenereerd is
en aan haar verbonden blijft, krijgt een niet innerlijk maar uiterlijk
van den Vader onafhankelijk zijn, Werke II 3 S. 317 f. Hij was in een
tusschentoestand, ἐν μορφῃ θεου, Hij wordt Christus, blijft aan de
gevallen wereld, welke de Vader aan Hem overlaat, verbonden, voert deze
in den weg van zelfvernietiging en gehoorzaamheid tot den Vader zelf
terug, en wordt zoo aan het einde der wereld zelf Zoon in volkomen zin,
II 4 S. 35 f. Deze gedachte over de wording van den Godmensch had in
theosophische kringen bv. op Baader, Steffens, enz. grooten invloed.
En zelfs Rothe en Dorner namen de gedachte over, dat God of de Logos
in diezelfde mate meer in den historischen persoon van Jezus ging
inwonen, als deze zichzelf ontwikkelde tot religieuse persoonlijkheid,
tot geest; de menschwording Gods neemt toe met de Godwording des
menschen. Op eene andere en toch verwante wijze is de verklaring van
den Godmensch beproefd door de leer van de κενωσις, d. i. door de
onderstelling, dat de Logos bij de vleeschwording zich van alle of van
sommige eigenschappen tot op het niveau van de menschelijke ontwikkeling
ontledigd en deze dan langzamerhand in den weg van ontwikkeling
teruggewonnen heeft, cf. Gess, Die Lehre v. d. Person Christi 1856 S.
281 f. 309 f. Liebner, Die Chr. Dogm. aus d. christol. Princip, 1849 en
Jahrb f. d. Theol. 1858. Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 409-445.
Sartorius, Lehre v. d. heiligen Liebe II² 21. Lange, Dogm. II 594 f.
Ebrard, Dogm. § 350 f. Schöberlein, Prinzip u. System der Dogm. 167 f.
Martensen, Dogm. § 133. Hofmann, Schriftbeweis II 1 S. 20 f. Delitzsch,
Bibl. Psych.² 326 f. Kahnis, Dogm. II 83. Frank, Chr. Wahrheit II 137
f. Kübel, Ueber den Unterschied zw. der posit. u. d. liber. Richtung
in der mod. Theol.² 1893 S. 124. H. Schmidt, Zur Lehre v. d. Person
Christi, Neue Kirchl. Zeits. VII 1896 S. 972-1005, vooral 982 f. Godet,
Comm. op Joh. 1:14. Grétillat, Exposé IV 180 s. Recolin, La personne de
J. C. et la théorie de la kenosis Paris 1890. Saussaye, cf. mijne Theol.
van Ch. d. l. S. 44. Oosterzee, Chr. Dogm. II 494. Kähler, Herzog³ 4.
Met Schleiermachers Christologie komt ten slotte die van Ritschl
overeen; alleen maar legt zij, nauwer zich aansluitend bij de wijsbegeerte
van Kant, meer nadruk op het werk dan op den persoon van Christus en
kent in het wezen des Christendoms eene grootere plaats toe aan het
ethische. Ook Ritschl verwerpt in de leer van Christus alle metaphysica
en alles wat door de natuurwetenschap en door de historische kritiek
wordt veroordeeld, b. v. de praexistentie, de bovennatuurlijke
ontvangenis, de opstanding, hemelvaart, wederkomst. Christus is in dat
opzicht een gewoon mensch. Maar zijne eigenaardigheid lag in zijn beroep,
in het werk dat hij gedaan heeft, n.l. het stichten van een rijk Gods.
Als ethisch persoon staat Christus hoog boven alle menschen; zijn wil
was volmaakt één met den wil Gods, met het plan en het doel, dat God
in betrekking tot wereld en menschheid zich voorgesteld had. Maar
daarom heeft Christus ook groote religieuse beteekenis; in Hem is God
zelf, zijne genade en trouw, zijn wil en bedoeling met de menschheid
tot openbaring gekomen; Christus heeft het ons getoond en met zijn
dood bevestigd, dat het rijk Gods de bestemming aller menschen is, dat
zijn wil de wil der gansche menschheid moet worden. Daarin bestaat de
koninklijke macht, de wereldheerschappij van Christus; en daarin bestaat
ook zijne Godheid. Christus is niet God in metaphysischen zin, maar de
naam God duidt bij Hem zijn rang en stand aan, is geen wezens- maar een
ambtsnaam; Christus mag God heeten omdat Hij ten opzichte van ons de
plaats van God en de waarde van God inneemt, Ritschl, Rechtf. u. Vers
III² 358 f. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 1881 S. 295 f. Id. Brauchen wir
ein neues Dogma, 1890 S. 49-72. Id. Dogmatik 1897 S. 404 f. Schultz,
over Rom. 9:5, Jahrb. f. d. Theol. XIII 1868 S. 462-507 Die Lehre v.
d. Gottheid Christi 1881. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g.
kirchl. Theologie 1890 S. 207. Nitzsch, Ev. Dogm. 513. Lobstein, Etudes
Christologiques, Strassb. 1892. Chapuis, La transformation du dogme
christol. au sein de la théol. moderne, Lausanne Bridel 1893.
6. De leer van Christus is niet het uitgangspunt maar wel het
middelpunt der gansche dogmatiek. Alle andere dogmata bereiden haar
voor of zijn uit haar afgeleid. In haar als het hart der dogmatiek klopt
heel het religieus-ethische leven der Christenheid. Zij is het μυστηριον
εὐσεβειας, 1 Tim. 3:16. Hiervan heeft alle leer van Christus uit te
gaan. Indien echter Christus het vleeschgeworden Woord is, dan is de
vleeschwording ook het centrale feit der gansche wereldgeschiedenis,
dan moet ze voorbereid zijn van de tijden der eeuwen en na- en doorwerken
tot in alle eeuwigheid toe. Terecht zegt Schelling, dat het iemand
moeilijk moet vallen, einer Persönlichkeit, die ihm nicht eher als
von dem Augenblick an bekannt ist, wo sie in menschlicher Gestalt
erschienen ist, die für _ihn_ eine bloss historische ist, es muss ihm
ungemein schwer fallen, einer solchen Persönlichkeit _nachher_ eine
vormenschliche, ja vorweltliche Existenz zuzuschreiben; er wird sich
natürlich geneigt finden, diess nur als eine Vorstellung anzusehen,
mit der im weiteren Fortgang die Person des grossen Religionsstifters
umgeben und verherrlicht worden, Werke II 4 S. 35. Gansch anders
wordt dit, als, gelijk elk feit der openbaring, zoo ook de persoon van
Christus allereerst theologisch beschouwd wordt. Vooreerst heeft de
vleeschwording dan haar onderstelling en grondslag in het trinitarisch
wezen Gods. In het deisme en pantheisme, is er voor eene vleeschwording
Gods geene plaats; daar wordt God van wereld en mensch op abstracte
wijze gescheiden, hier verliest God zich in de schepselen en heeft Hij
geen eigen zijn en leven. Het is daarom gansch natuurlijk, als op dit
standpunt de vleeschwording als ongerijmd verworpen wordt. De Socinianen
kwamen hier rond voor uit en maakten aan dit dictum rationis hun
exegese dienstbaar, Cat. Rac. qu. 98. 111; zij noemden de incarnatie een
menschelijk droombeeld en een monstreus dogma, en achtten het lichter,
dat een mensch een ezel dan dat God mensch werd, Fock, Der Socin. 525.
Evenzoo zeide Spinoza, dat de menschwording Gods even ongerijmd was als
dat circulus naturam quadrati induerit, Ep. 21, cf. ook Bretschneider
II 195. Wegscheider § 128. Schleiermacher § 96. Strauss II 153 enz.
Alleen de theistische en trinitarische belijdenis van Gods wezen opent
de mogelijkheid voor het feit der incarnatie. Hier toch blijft God die
Hij is en kan Hij toch aan anderen zich mededeelen. Indien men naar het
woord van Vinet eerst zichzelven hebben moet om zichzelven te geven,
dan is de absolute liefde slechts te denken als volmaaktheid van een
drieëenig Goddelijk wezen. Dan toch alleen is er onderscheid tusschen
wezen en persoon, en daarom gemeenschap van den mensch door den persoon
aan het wezen Gods, zonder dat dit wezen met den mensch vereenzelvigd
wordt of in hem overvloeit. De triniteit maakt in één woord mogelijk,
dat er een middelaar zij, die zelf beide de Goddelijke en de menschelijke
natuur deelachtig is en alzoo God en mensch met elkander verbindt.
Hoezeer dan ook de theosophie van Böhme en Schelling aan het dwalen is
geraakt, als zij de menschwording trachtte af te leiden uit het wezen
Gods, toch is het trinitarisch wezen de onderstelling en voorwaarde van
de vleeschwording Gods, Dorner, Gl. II 394.
Van belang is het daarom ook vast te houden, dat niet de Goddelijke
natuur als zoodanig, maar bepaald de Persoon des Zoons mensch is
geworden. Het patripassianisme van Praxeas, Hermogenes, Noëtus, Beron,
Beryllus, Sabellius, cf. M. Vitringa V 52. Dorner, Entw. I 518, is door
de kerk ten allen tijde, b.v. op de synode van Aquileja, veroordeeld
en komt in dezen vorm niet meer voor. Maar naar zijne grondgedachte
is het eigen aan alle pantheistische stelsels, vooral die van Hegel,
Schelling, von Hartmann enz., die het absolute niet als zijn maar als
worden opvatten en het Goddelijke zich in de wereld laten uitstorten en
vereindigen; de wereld en de menschheid met al haar smart en ellende
is dan een moment in het leven Gods, de openbaringsgeschiedenis is dan
de lijdensgeschiedenis Gods, cf. ook A. von Oettingen, Das göttliche
noch nicht, Leipzig 1895. Al kan hierin nu ook, gelijk straks blijken
zal, een bestanddeel van waarheid worden erkend, toch schrijft de H.
Schrift de vleeschwording altijd toe aan den Zoon, Joh. 1:14, Phil. 2:6,
Hebr. 2:14, 15. Zelfs spraken de Gereformeerden er liever van, dat de
persoon des Zoons, dan met de Lutherschen, dat de Goddelijke natuur
in Christus mensch was geworden. Zij wilden daarmede niet ontkennen,
dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk woonde, Col. 2:9,
dat de Zoon hetzelfde Goddelijk wezen met den Vader en den Geest
deelachtig is, en dus in zoover ook de Goddelijke natuur ons vleesch had
aangenomen. Maar toch legden zij er tegen alle vermenging nadruk op,
dat de persoon des Zoons, in wien de Goddelijke natuur op eene eigene
wijze bestond, de menschelijke natuur had aangenomen. Het verschil is
zeker niet van groote beteekenis, gelijk Mastricht V 4, 15, Moor III
480 opmerken, maar toch is het opmerkelijk, dat vele Lutherschen zich
liefst zoo uitdrukken, dat de Goddelijke natuur in den persoon des Zoons
is mensch geworden; het staat ongetwijfeld met hunne grondgedachte in
verband. Maar de Gereformeerden gaven de voorkeur aan de zegswijze,
dat de persoon des Zoons onmiddellijk en de Goddelijke natuur in Hem
middellijk met de menschelijke natuur was vereenigd, Zanchius VIII 47.
Polanus VI c. 13. Synopsis XXV 8. Alting, Loci Comm. p. 74. Maresius,
Syst. IX 12. M. Vitringa V 51. 63. Zoo was ook vroeger door de patres
geleerd en door de kerk beleden. De 6e Synode te Toledo 638 sprak uit:
hoewel heel de triniteit in de vleeschwording medewerkt, wijl alle
werken der triniteit inseparabilia zijn, solus (Filius) tamen accepit
hominem in singularitate personae, non in unitate divinae naturae, in
id quod est proprium Filii, quod non commune trinitati, Hahn, Bibl.
d. Symbole u. Glaubensregeln³ 237; cf. ook Anselmus bij Dorner II
376. Lombardus, Sent. III dist. 5. Thomas, S. Theol. III qu. 3 art.
4. Bellarminus, Contr. I lib. 3 c. 8. Becanus, Theol. schol. III 1
c. 4 qu. 1 enz. Vragen, als in de scholastiek op Sent. III dist. 1
behandeld werden, of ook de Vader en de H. Geest mensch hadden kunnen
worden, behoeven daarom niet op te houden. De Vader kon niet gezonden
worden, want Hij is de eerste in orde en bestaat van zichzelf; de H.
Geest gaat uit van den Zoon, volgt op Hem en wordt door Hem gezonden.
Maar de Zoon is de voor de vleeschwording aangewezene. Hij neemt in
het Goddelijk wezen de plaats in tusschen Vader en Geest, is Zoon en
Beeld Gods van nature, was in de eerste schepping reeds Middelaar en
kon als Zoon ons weder herstellen tot kinderen Gods, Lombardus, Sent.
III dist. 1. Thomas, S. Th. III qu. 3 art. 8. Petavius, de incarn. II
15. Kleutgen, Theol. der Vorz. III 180 f. Turretinus, Th. El. XIII
qu. 4. Shedd, Dogm. Theol. II 266. Dorner, Gl. II 394. Toch, al is de
vleeschwording subjective en terminative alleen eigen aan den Zoon, zij
is toch originaliter, principiative, quoad efficientiam een werk der
gansche triniteit; Christus is gezonden door den Vader en ontvangen
van den H. Geest. De Geref. theologie gaf hieraan reeds uitdrukking in
haar leer van het pactum salutis. Het gansche werk der herschepping
is niet enkel een besluit Gods, het berust op het vrije, bewuste
overleg der drie personen; het is een opus personale, niet naturale.
De Vader is eeuwig in den Zoon de Vader zijner kinderen; de Zoon is
eeuwig hun Borg en Middelaar; de H. Geest is eeuwig hun Trooster.
Niet eerst na den val, zelfs niet eerst bij de schepping, maar in de
eeuwigheid zijn de grondslagen van het verbond der genade gelegd. En de
vleeschwording is geen toevallig, later opgekomen besluit; zij is van
eeuwigheid voorgenomen en bepaald. Er was geen tijd, dat de Zoon niet
was. Er was ook geen tijd, dat de Zoon niet wist en niet bereid was, de
menschelijke natuur uit het gevallen geslacht van Adam aan te nemen. De
vleeschwording is voorbereid van eeuwigheid; zij rust niet in het wezen
maar in de personen; zij is geen noodzakelijkheid als in het pantheisme
maar ook geen willekeur of toeval als in het pelagianisme.
7. Behalve in de triniteit, heeft de vleeschwording voorts hare
onderstelling en voorbereiding in de schepping. Schepping geeft het
aanzijn aan eindige, beperkte wezens; het is volstrekt onmogelijk, dat
God iets scheppen zou, hetwelk Hem in wezen gelijk en God ware. God
heeft dus eeuwiglijk eindige schepselen gedacht en hun ook aanzijn
gegeven in de noodwendige grenzen van ruimte en tijd. In die schepselen
heeft Hij dus als het ware zijne eeuwige gedachten, zijne oneindige
almacht beperkt. Bepaaldelijk is de schepping des menschen naar Gods
beeld eene onderstelling en voorbereiding van de menschwording Gods.
Onder invloed van de pantheistische identiteitsleer en ook in verband
met de Luthersche communicatio idiomatum heeft de nieuwere theologie
hiervan veel misbruik gemaakt. In plaats van het oude finitum non est
capax infiniti stelde zij den regel: homo divinae naturae capax, wees op
de verwantschap van God en mensch, wischte beider onderscheid uit, en
ging uit van de gedachte, dat voor beider volmaking de menschwording
noodzakelijk was, Dorner, Entw. II 1227. Dit is door het christelijk
theisme verboden. Maar toch, de mensch is Gode verwant, zijn beeld,
zijn zoon, zijn geslacht; en daarom is de menschwording Gods mogelijk,
Thomas, Bonaventura e. a. op Sent. III dist. I, zoodat vragen, of God
ook de natuur van een steen, eene plant of een dier kan aannemen,
Sent. III dist. 2 gelijk Occam die bevestigend beantwoordde, Stöckl,
Philos. d. M. A. II 1620, niet te pas komen. En als God dan den mensch
schept naar zijn beeld, en in dien mensch woont en werkt met zijn Geest,
invloeden op zijn hart en hoofd doet uitgaan, tot hem spreekt en zich
aan hem te kennen en te verstaan geeft, dan is dat eene neerdaling Gods
tot, eene accommodatie aan zijn schepsel, eene anthropomorfiseering
Gods, en dus in zekeren zin en in zooverre eene menschwording Gods.
Met en in de schepping is de mogelijkheid der openbaring en ook van
de menschwording gegeven. Wie de vleeschwording onmogelijk acht,
moet bij nadenken ook komen tot de loochening der schepping; wie
de laatste aanneemt, heeft principieel het recht verloren om het
eerste te bestrijden. Vroeger, deel II 310. 401, is gebleken, dat de
mogelijkheid der schepping gegeven is met de generatie des Zoons; indien
God onmededeelbaar ware, zou Hij noch aan den Zoon noch aan eenig
schepsel het leven hebben kunnen geven. Nu moet er aan toegevoegd,
dat, indien God heeft kunnen scheppen en zich heeft kunnen openbaren
aan wezens, essentieel van Hem onderscheiden, dan moet Hij ook mensch
kunnen worden. Want de menschwording is zeker wel van alle andere
openbaring onderscheiden, maar zij is er toch ook aan verwant, zij is er
de spits, de kroon, de voltooiing van, cf. Athan. en Greg. Nyss. bij
Harnack, D. G. II 167. Alle openbaring werkt heen naar en groepeert
zich rondom de vleeschwording, als de hoogste, rijkste, volkomenste
openbaring. Generatie, creatie, incarnatie staan in nauw verband, ook
al vloeit de volgende niet noodwendig uit de voorafgaande voort. Maar
er is meer. De schepping zelve is reeds infralapsarisch te denken
en Adam was reeds een type van Christus. Dit is onaannemelijk op het
standpunt van hen, die meenen, dat God zonder raad en besluit tot de
schepping is overgegaan en bij de schepping lijdelijk heeft afgewacht,
wat de mensch doen zou. Maar de Schrift leert anders. Bij de schepping
van Adam heeft God al op den Christus gerekend. De schepping zelve
heeft in dezen zin de vleeschwording al voorbereid. De wereld is zóó
geschapen, dat zij, vallende, weer kon opgericht; de menschheid is zoo
onder één hoofd georganiseerd, dat zij, zondigende, weer onder een ander
hoofd kon worden saamvergaderd; Adam is zoo aangesteld tot hoofd, dat
Christus onmiddellijk zijne plaats kon innemen; en het werkverbond is zóó
ingericht, dat het, verbroken, in het genadeverbond kon worden geheeld.
Ten onrechte heeft men daarom gemeend, dat de menschwording van Gods
Zoon ook zonder de zonde zou hebben plaats gehad. Bij de kerkvaders
komt dit gevoelen nog niet duidelijk voor, cf. alleen Tertullianus,
de resurr. carnis 6. adv. Prax. 12. Maar in de scholastiek werd deze
vraag druk besproken; behalve de triniteit was de incarnatie een
geloofsartikel ook vóór den val en noodzakelijk, om den mensch te
brengen tot zijn bovennatuurlijk doel, cf. deel I 518 II 528. De vraag
werd daarom bevestigend beantwoord door Rupert v. Deutz, Duns Scotus,
Sent. III dist. 7 qu. 3, Alexander Halesius, Albertus Magnus, Joh.
Wessel, Catharinus, Pighius, Suarez, cf. ook Bellarminus, de Christo
V c. 10, die niet beslist; voorts door Osiander, Socinus, Praelect.
theol. c. 10; en dan door vele nieuwere theologen, Steffens, Göschel,
Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Schöberlein,
Ebrard, cf. Dorner, Entw. II 1243-1260, Chr. Gl. I 642; vele engelsche
theologen, die door de incarnatie alles trachten te verklaren, zooals
Westcott, Christus Consummator, London 1886 p. 99v. Illingworth, The
incarnation in relation to development, 5 essay in Gore’s Lux Mundi,
ook Van Oosterzee, Christol. III 85v. Dogm II 107. 495 enz. Het is te
begrijpen, hoe men, al redeneerende, tot deze meening kwam. Een feit
als de menschwording Gods kan niet toevallig zijn, en kan niet in de
zonde als eene toevallige en willekeurige daad des menschen zijn oorzaak
hebben; de zonde moge het plan Gods kunnen wijzigen, zij kon het niet
vernietigen; en daarom moet de menschwording wel afgedacht van de
zonde vaststaan; de zonde veroorzaakte alleen, dat die menschwording
geschieden moest tot verlossing van den zondaar. Daar komt dan nog
bij, dat de religie vóór en na den val, niet wezenlijk verschillen kan;
indien er thans een middelaar noodig is, dan is er zulk een ook noodig
geweest in de religie vóór den val; Christus’ persoon en werk gaat
dan ook in het verzoenen der zonden, in het verwerven der zaligheid
volstrekt niet op; Hij is niet alleen middelaar maar ook hoofd; Hij is
geen middel maar ook doel, Selbstzweck, 1 Cor. 15:45-47, Ef. 1:10,
21-23, 5:31, 32, Col. 1:15-17. Hij is er niet alleen om de gemeente,
de gemeente is er ook om Hem; de praedestinatie van Christus tot
heerlijkheid gaat aan die van den mensch vooraf. Deze overwegingen
bevatten zooveel waarheid, dat de instemming, welke de hypothese van
de menschwording Gods buiten de zonde gevonden heeft, niet verwonderen
kan. Indien de pelagiaansche wilsvrijheid wordt geleerd en de zonde dus
voor God eene toevalligheid en teleurstelling is, is er geen beter
middel om vrijen wil en Gods plan met elkaar te vereenigen, dan door
te zeggen, dat de menschwording toch bepaald was en alleen in iets
ondergeschikts gewijzigd is. Op het standpunt van Augustinus en nog
nader van de Geref. theologie is er echter aan heel deze hypothese
geen behoefte. Er is maar één plan en besluit Gods; voor eene andere
werkelijkheid dan de bestaande is er met het oog op Gods raad geen
plaats. Hoezeer de zonde dan ook door den wil van het schepsel in de
wereld kwam, zij is toch van eeuwigheid opgenomen in Gods raad en is
voor Hem niet contingent of onvoorzien. In dien eeuwigen raad heeft
ook de vleeschwording om de zonde eene plaats; zij hangt niet van den
mensch maar alleen van Gods welbehagen af. Ja meer nog, de Zoon was
ook afgedacht van de zonde voor den mensch mediator unionis; vele
Gereformeerden erkenden dit met Calvijn, Inst. II 12, 4. 6. Wijl dit door
Quenstedt, Theol. did. pol. I 110 cf. Schneckenburger, Vergl. Darst.
II 190 niet goed begrepen werd, kon hij Zanchius, Bucanus, Polanus
rekenen tot de voorstanders van de vleeschwording buiten de zonde.
De bedoeling was alleen, dat de religie in werk- en genadeverbond
wezenlijk eene en dezelfde was, en de zaligheid dus altijd bestaan moet
in de gemeenschap met den drieëenigen God. Alleen Comrie kwam door zijn
streng volgehouden supralapsarisme tot de leer, dat de praedestinatie
van den mensch Christus aan die van den val voorafging, deel II 339.
Maar overigens hielden zich de meeste theologen aan de Schrift, welke
de vleeschwording van Christus altijd en alleen met de zonde in verband
brengt en in haar het grootste bewijs van Gods ontferming ziet, Mt.
1:21, 9:13, 20:28, Luk. 1:67, 2:30, Joh. 1:29, 3:16, Rom. 8:3, Gal.
4:4, 5, 1 Tim. 3:16, Hebr. 2:14, 1 Joh. 3:8 enz. De tegenovergestelde
meening leidt ook zoo licht tot de gedachte, dat de menschwording
op zichzelve voor God betamelijk en noodzakelijk is, dat is, tot de
pantheistische leer van de eeuwige zelfopenbaring Gods in de wereld.
Cf. Iren., adv. haer. V c. 14. Greg. Naz., Or. 36. August., de verbis
Apost. 8, 2. 7. Thomas, S. Theol. III qu. 1 art. 3, maar anders Sent.
III 1 qu. 1 art. 3. Bonaventura, Sent. III dist. 1 art. 2 qu. 2.
Petavius, de incarn. II c. 17. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw.
Gottes 307. Kleutgen, Theol. III 400. Quenstedt II 108-116. Calovius,
Isag. ad theol. 59-99. Calvijn, Inst. II 12, 4-7. Mastricht V 4, 17.
Turretinus, Theol. El. XIII 3. Moor III 759. M. Vitringa V 47. J.
Müller, Dogm. Abh. 1870 S. 66-126. Philippi, K. Gl. IV 376. Frank, Chr.
Wahrh. II² 80. Heraut 264. 265. Orr, Chr. View 319-327.
8. Eene derde en laatste voorbereiding van de vleeschwording is de
geschiedenis der openbaring van het paradijs af aan. De incarnatie heeft
niet terstond plaats gehad na den val; maar vele eeuwen zijn er van de
eerste zonde tot op de komst van Christus in het vleesch verloopen.
De Schrift wijst er op, als zij van de volheid des tijds spreekt, Ef.
1:10, Gal. 4:4, dat dit geen toeval of willekeur was, maar alzoo door
God in zijne wijsheid was bepaald. De vleeschwording moest eerst in de
voorafgaande historie door allerlei middelen en langs allerlei wegen
worden voorbereid. Gelijk de incarnatie de generatie en de creatie
onderstelt, zoo komt er thans nog eene onderstelling en voorbereiding
bij, n.l. de revelatie. Het is inzonderheid Johannes in zijn proloog, die
deze voorbereiding van de vleeschwording in de voorafgaande historie
ons in het licht stelt. Niet alleen was de Logos in den beginne bij
God en zelf God; en niet alleen zijn alle dingen door Hem gemaakt.
Maar deze Logos heeft ook van het moment der schepping af aan aan de
schepselen zijn leven en licht medegedeeld. Want in Hem was leven en
het leven was het licht der menschen. Zelfs na den val heeft deze
openbaring niet opgehouden. Integendeel, het licht van dien Logos
scheen in de duisternis en verlichtte een iegelijk mensch, komende
in de wereld. Bijzonderlijk openbaarde Hij zich in Israel, dat Hij zich
tot eene erve had uitverkoren, en als Engel des Verbonds leidde en
zegende. Hij kwam voortdurend tot het zijne, in theophanie, profetie en
wonder. Zoo heeft de Zoon de gansche wereld, van Joden en Heidenen
saam, voor zijne komst in het vleesch voor- en toebereid. Wereld en
menschheid, land en volk, kribbe en stal, Bethlehem en Nazareth, ouders
en bloedverwanten, natuur en omgeving, maatschappij en beschaving, het
is alles een moment in de volheid der tijden, in welke God zijn Zoon
gezonden heeft in het vleesch. Het was de Zoon zelf, die alzoo terstond
na den val als Logos en als Engel des Verbonds de wereld der Heidenen
en der Joden gereed maakte voor zijne komst. Hij was komende van het
begin der tijden af aan en kwam eindelijk voor goed in de menschheid en
maakte door zijne vleeschwording woning in haar. Cf. Baldensperger, Der
Prolog. des vierten Evangeliums, Freiburg Mohr 1898. De incarnatie
sluit bij de voorafgaande, zoowel algemeene als bijzondere revelatie
zich aan. Zij staat en valt met deze. Want indien God zich zóó heeft
kunnen openbaren, als de Schrift beide ten aanzien van de Heidenwereld
en van Israel getuigt, dan ligt de mogelijkheid der vleeschwording
daarin vanzelve opgesloten; en indien de laatste niet mogelijk ware,
zou ook de eerste niet te handhaven zijn. Revelatie berust toch op
dezelfde gedachte als de incarnatie, d. i. op de mededeelbaarheid
Gods, zoowel in het wezen Gods aan den Zoon (generatie) als buiten het
wezen Gods aan de schepselen (creatie). Deze gansche voorbereiding
van de vleeschwording in de voorafgaande eeuwen concentreert zich nu
als het ware en voltooit zich in de verkiezing en begenadiging van
Maria als moeder van Jezus. Maria is de gezegende onder de vrouwen.
Zij heeft eene eere ontvangen, welke aan geen ander schepsel tebeurt is
gevallen. Hoog gaat zij in onverdiende gratie, haar geschonken, alle
menschen en engelen te boven. Rome heeft dit terecht gehandhaafd;
wie het ontkent, maakt geen ernst met de vleeschwording Gods. Alleen
maar, de Roomsche kerk is van deze erkentenis zonder eenigen grond
voortgeschreden tot de leer van de immaculata conceptio B. Virginis,
zie boven 211v. Wat haar daarbij geleid en daartoe gebracht heeft, is
niet het gezag der Schrift of der traditie; is ook niet de poging, om
daardoor de zondeloosheid van Jezus te verklaren en te waarborgen, want
deze rust oorzakelijk in zijne Goddelijke natuur en instrumenteel in de
ontvangenis van den Heiligen Geest. Maar de drijfkracht voor dit dogma
ligt wederom voor Rome in de hierarchische idee. Naarmate een schepsel
nader bij God staat, moet het ook te meer deel hebben aan zijne natuur
en aan al zijne eigenschappen; moet het des te meer in de θεωσις, in
de deificatio deelen. Boven Maria nu staat geen schepsel; zij is op de
nauwste wijze met God vereenigd, zij is θεοτοκος, Deipara, zij heeft Gods
eigen Zoon onder het harte gedragen, God zelf heeft in haar gewoond.
Of er bewijzen uit Schrift en traditie zijn, is de hoofdzaak niet; maar
de Roomsche kan zich de moeder van den Zaligmaker niet anders denken
dan boven alle kinderen der menschen en boven alle engelen des hemels,
aan God welgevallig, rein en vlekkeloos. Was zij niet met den Godmensch,
en dus ook met den Goddelijken Persoon des Woords, met de heiligheid
zelve, door de nauwste en teederste betrekkingen verbonden? Heeft God
door het feit zelf harer uitverkiezing tot zoo hooge waardigheid en zoo
innige vertrouwelijkheid, niet allerduidelijkst getoond, dat Hij die reine
maagd boven alle schepselen beminde? En is het daarom ook, afgezien
van de bewijzen uit Schrift en overlevering, niet zeer _aannemelijk_,
dat God de heilige maagd boven alle schepselen met zijne genadegaven
heeft bedeeld? De eer des Zaligmakers vorderde, dat zijne uitverkoren
moeder van allen zweem en schaduw zelfs der zonde vrijbleef. Het is
_passend_, dat een schepsel, hetwelk zoo vertrouwelijk met God moest
omgaan, in zoo innige en teedere betrekking tot Hem stond, voor de
minste zonde smet bleef gevrijwaard. Het is _passend_, dat het huis des
Heeren heilig was. Aldus Bensdorp in de Katholiek, CXII 1897 bl. 429.
445. 447. In het hierarchisch systeem der Roomsche kerk en theologie
past de leer van de onbevlekte ontvangenis, de zondeloosheid van Maria,
en daarom is deze er allengs in opgenomen; zelfs de leer van hare
hemelvaart is eene kwestie van tijd. Daarom nemen de praedicaten, aan
Maria toegekend, hoe langer hoe meer in aantal en in qualiteit toe;
zij is dochter des Vaders, bruid van den Zoon, tempel en orgaan des H.
Geestes, complementum, Ergänzung der Dreieinigkeit, die instrumentale
und theilweise die meritorische Ursache unserer ewigen Auserwählung,
de voornaamste reden der natuurlijke en bovennatuurlijke schepping, de
wijze, alle wonderen werkende, met onbeperkte heerschappij toegeruste,
almachtige regeerster der kerk, gelijk God de wereld regeert enz., zie
b. v. Wörnhart, Maria die wunderbare Mutter Gottes und der Menschen,
Innsbrück 1890 S. 13. 19. 244. 289, ook Petavius, de incarn. XIV.
Scheeben, Dogm. 69. 93, een Jezuit Salazar bij Rivetus, Op. III 681.
De Mariolatrie verdringt bij Rome de ware, christelijke Godsvereering
geheel en al. Prof. Schoeler, Das vatik. Bild, Gütersloh 1898 ziet dit
bijgeloof typisch uitgedrukt in eene muurschilderij op het vaticaan,
welke de Madonna voorstelt, hoog in het midden geplaatst, terwijl
Vader en Zoon als werktuigen van haar almachtigen wil ter rechter
en linker zijde gezeten zijn. Het is tegen deze menschvergoding, dat
de Reformatie in verzet kwam. Het ware niet te verwonderen, als zij
uit vreeze voor zulk eene afgoderij niet altijd aan Maria de haar
verschuldigde eere had bewezen. Maar ook dat is niet het geval, al was
zij natuurlijk voorzichtig in hare lofverheffing. Maria staat ook bij
alle Protestanten, die de vleeschwording des Woords belijden, in hooge
eere. Zij is door God verkoren en toebereid, om de moeder van zijn Zoon
te wezen. Zij is de begenadigde onder de vrouwen. Zij is door Christus
zelf tot zijne moeder begeerd, die Hem ontving van den H. Geest, die
Hem droeg onder haar hart, die Hem zoogde aan haar borst, die Hem
onderwees in de Schriften, in wie in één woord de voorbereiding der
vleeschwording voleind werd.
9. Toch, ofschoon Christus zich bij zijne vleeschwording aan de
voorafgaande openbaring aansluit en door natuur en geschiedenis zijn
eigen komst heeft voorbereid, Hij is geen product van het verleden, geen
vrucht van Israel of de menschheid. Tot op zekere hoogte geldt het
van ieder mensch, dat hij niet volledig uit zijne ouders en omgeving kan
worden verklaard. Daarom kon ook Kuenen, G. v. I. II 506v., Volksgodsd.
en Wereldgodsd. 158. 193, nadat hij de voorwaarden en bouwstoffen voor
het Christendom had aangewezen, erkennen, dat daarmede de persoon van
Christus nog niet begrepen is. Maar het geldt van Christus nog in een
anderen en hoogeren zin, dan door hem werd bedoeld. Naar de Schrift
toch is in Christus dat Woord vleesch geworden, hetwelk in den beginne
bij God en zelf God was. Ten allen tijde en van allerlei zijde is deze
Godheid van Christus ontkend en bestreden. Maar 1º de Schrift leert
niet anders, boven bl. 231, 238. Wij zijn, gelijk Ch. de la Saussaye eens
zeide, aan de superlatieven der H. Schrift gewoon en verstaan dikwerf
de kracht harer uitdrukkingen niet meer. Maar indien een mensch zoo
van zichzelven sprak als Jezus steeds deed, als anderen een mensch
zoo vereerden, gelijk profeten en apostelen dat den Christus doen,
dan zou elk dat houden voor waanzinnige dweepzucht of schrikkelijke
Godslastering. De Schrift kent, niet op eene enkele plaats maar
telkens, aan Christus toe een persoonlijk eeuwig voorbestaan, Joh. 1:1,
8:58, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6, een Goddelijk
Zoonschap in bovennatuurlijken zin, Mt. 3:17, 11:27, 28:19, Joh. 1:14,
5:18, Rom. 8:32, de schepping en de onderhouding aller dingen, Joh.
1 3, 1 Cor. 8:6, Ef. 3:9, Col. 1:16, 17, Hebr. 1:3, Op. 3:14, de
verwerving voor allen en een iegelijk van alle heil en zaligheid, Mt.
1:21, 18:11, Joh. 1:4, 16, 14:6, Hd. 4:12, 1 Cor. 1:30, het koningschap
in de gemeente, Mt. 3:2, 5:11, 10:32, 37, Joh. 18:37, 1 Cor. 11:3, Ef.
1:22, Col. 1:18, de heerschappij over alle dingen, Mt. 11:27, 28:18,
Joh. 3:35, 17:2, Hd. 2:33, 1 Cor. 15:27, Ef. 1:20-22, Phil. 2:9, Col.
2:10, Hebr. 2:8, het oordeel over levenden en dooden, Joh. 5:27, Hd.
10:42, 17:31, Rom. 14:10, 2 Cor. 5:10; zij noemt Hem rechtstreeks en
ondubbelzinnig met den naam van God, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, 2
Thess. 1:12, Tit. 2:13, 2 Petr. 1:1, Hebr. 1:8, 9, cf. Cremer, s. v.
θεος. 2º Wel is waar begint alle bestrijding van de Godheid van Christus
met een beroep op de Schrift tegen de confessie. Maar deze illusie
duurt slechts een zeer korten tijd. Onpartijdige exegese doet weldra
zien, dat de leer der kerk veel meer grond heeft in de Schrift, dan
men oorspronkelijk had verwacht. Zoo ziet men zich dan genoodzaakt,
om wederom van den Christus der apostolische verkondiging tot den
Jezus der Synoptici terug te gaan en deze dan zoolang te critiseeren,
tot al het supranatureele eruit verdwijnt. De Godheid van Christus kan
dan verklaard worden voor eene vrucht van diepzinnige theologische of
philosophische speculatie, oorspronkelijk geheel vreemd aan de gemeente,
Nitzsch, Ev. Dogm. 522. Schultz, Gottheit Christi 417 f. 438. 468. Dit
duurt echter altijd slechts zoo lang, als men er prijs op stelt en belang
bij heeft, om eigen geloof voor te stellen als het oorspronkelijke,
zuivere Christendom. Zoodra dat standpunt verlaten is, herneemt de
onpartijdigheid hare stem en geeft der kerkelijke belijdenis gelijk. Negari
nequit, in dictis eorum (scriptorum s.) semina quaedam doctrinae
ecclesiasticae vere inesse, Wegscheider § 128. Es ist unleugbar, dass
auch dasjenige, was die Kirchenlehre über die göttliche Natur Christi
lehrt, Stützpunkte im N. T. besitzt, Nitzsch ib. 518. 521, cf. ook
Holtzmann, Neut. Theol. I 353. 418. Baldensperger, Der Prolog. des
vierten Ev. 4 f. Daarmede vervalt dan weer de verklaring van dit dogma
uit latere, theologische of philosophische speculatie. 3º. Evenals de
studie der Schrift, zoo zet ook het dogmenhistorisch onderzoek altijd
weer op de kerkelijke belijdenis van de Godheid van Christus het zegel
der waarheid. De ontwikkeling van het christologisch dogma toont een
logischen gang, die ten slotte door ieder onderzoeker opgemerkt en
erkend wordt, v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 6. Eenvoudig was het
geloof, waarmede de gemeente in de wereld optrad. Maar één ding wist
zij, dat in Christus God zelf tot haar was gekomen en haar opgenomen had
in zijne gemeenschap. Dat stond vast, dat liet zij zich niet ontnemen,
dat heeft zij tegenover allerlei bestrijding verdedigd en in haar
belijdenis klaar en duidelijk geformuleerd. In de leer van de Godheid
van Christus heeft zij het absoluut karakter der christelijke religie,
de realiteit harer gemeenschap met God gehandhaafd. In het Christendom
bekleedt Christus eene gansch andere plaats, dan Buddha, Zarathustra,
Mohammed in hunne godsdiensten. Christus ist nicht der Lehrer, nicht
der Stifter, er ist der Inhalt des Christenthums, Schelling, Werke II
4 S. 35, cf. v. Hartmann, Die Krisis des Christ. 1880 S. 1. Strauss,
Dogm. II 174. Daarom worden, geoordeeld naar de leer der Schrift en
het geloof der gemeente, ten slotte mannen als Irenaeus, Athanasius,
Augustinus, altijd weer tegenover hunne bestrijders in het gelijk gesteld.
Ieder rekent zich overeenstemming met hen tot eene eere; niemand wordt
gaarne naar Arius, Pelagius of Socinus genoemd. 4º. Het is duidelijk,
dat de christelijke religie, d. i. de waarachtige gemeenschap van God
en mensch, niet anders te handhaven is dan door de belijdenis van de
Godheid van Christus. Want als Christus niet waarachtig God is, dan
is Hij alleen een mensch. En hoe hoog Hij dan ook geplaatst zij, Hij
kan noch in zijn persoon noch in zijn werk inhoud en voorwerp zijn van
het christelijk geloof. Of Christus dan voor zichzelf in ongebroken
gemeenschap met God hebbe gestaan (Schleiermacher), de eenheid van
God en mensch het eerst hebbe uitgesproken (Hegel), het kindschap
Gods volkomen in zichzelven hebbe gerealiseerd (Lipsius), Gods liefde
geopenbaard en het Godsrijk gesticht hebbe (Ritschl); het Christendom is
nu dan toch, nu het eenmaal bestaat, van Hem onafhankelijk; Hij is er de
stichter van, historisch blijft zijne beteekenis groot, en zijn voorbeeld
werkt na, maar Hijzelf staat buiten het wezen des Christendoms. De
ariaansche Christologie, de moreele Christologie van het rationalisme,
de symbolische van Kant, de ideëele van Hegel, de aesthetische van de
Wette, de anthropologische van Feuerbach, zij laten geen van alle aan
Christus in de dogmatiek eene plaats. Wird die Persönlichkeit Christi
als eine menschliche, wenn auch noch so sehr idealisirte, festgehalten,
so kann nicht sie selbst als Persönlichkeit die erlösende Kraft für den
Gläubigen sein, v. Hartmann ib. 15. 5º. Ritschl en de zijnen trachten
echter toch nog voor Jezus, ofschoon alleen mensch, den titel van God
te handhaven, omdat Hij voor de gemeente de plaats van God inneemt
en de waarde van God bezit. Vroeger is dit op dezelfde wijze door de
Socinianen beproefd. Zij bestreden de Godheid van Christus zoo sterk
mogelijk en zeiden, dat Christus, in die enkele Schriftuurplaatsen,
waar Hij God genoemd werd, zooals Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, alzoo
heette om zijn rang, waardigheid en heerschappij, waartoe Hij vooral na
zijne opstanding verheven was, Cat. Rac. qu. 94-190. Christus werkt
door Goddelijke kracht diezelfde dingen, quae ipsius Dei sunt, tanquam
Deus ipse, ib. 120. 164. Hoc nomen Deus non est nomen substantiae
cujusdam proprium vel personae, sed auctoritatis, potentiae, evenals
ook engelen en overheden in de Schrift volgens Jezus’ eigen woord,
Joh. 10:34, soms Goden genoemd worden, Socinus, op Joh. 1:1. Ditzelfde
wordt thans door Ritschl en zijne school geleerd; de naam van God wordt
in de Schrift en in de gemeente wel voor Christus gebruikt, maar is
dan een ambts-, geen wezensnaam. Deze voorstelling is echter geheel
onhoudbaar. Wel worden engelen en overheden in de Schrift soms God
genoemd, maar dan is de overdrachtelijke, ambtelijke zin duidelijk en
springt elk in het oog. Bij Christus is dat een geheel ander geval. Hem
wordt een persoonlijk, eeuwig voortbestaan toegekend; van Hem wordt
gezegd, dat Hij God was, in zijne gestalte bestond, het afschijnsel van
Gods heerlijkheid was, eengeboren Zoon Gods, Beeld des onzienlijken
Gods, ja God boven alles te prijzen in der eeuwigheid--wie kan dit
bij mogelijkheid verstaan van een mensch, die alleen om het ambt, dat
hij droeg, en het werk, dat hij deed, den eeretitel van God kreeg?
Voorts, de christelijke kerk heeft, Jezus God noemende, daarmede nooit
een ambts- maar altijd een wezensnaam bedoeld. Wanneer men datzelfde
woord en dienzelfden naam in gansch anderen zin gaat bezigen, geeft
men opzettelijk aanleiding tot misverstand en verwarring en maakt men
zich tegenover de gemeente aan oneerlijkheid schuldig. Verder, indien
Christus niet God is in wezenlijken zin, dan mag Hij zoo ook niet genoemd
en vereerd worden. Of men al zegt, dat Hij Gods liefde volkomen heeft
geopenbaard, dat Hij Gods plan met wereld en menschheid geheel in zich
heeft opgenomen, dat Hij Gods wil ten volle tot den zijnen heeft gemaakt,
dit alles rechtvaardigt op Schriftuurlijk, christelijk standpunt en ook
logisch en wijsgeerig voor den mensch Jezus de benaming van God niet. In
religieusen en ethischen zin één met God te zijn, is iets gansch anders,
dan het te wezen in metaphysischen zin. Een Werthurtheil is onwaar, als
het niet in een Seinsurtheil zijn grond heeft. Eindelijk de benaming en
vereering van Jezus als God, terwijl Hij slechts een mensch is, is eene
pantheistische vermenging van Schepper en schepsel, eene paganistische
afgoderij, een terugkeer tot Roomsche creatuurvergoding, met het
wezen des Christendoms en met het beginsel van het Protestantisme in
lijnrechten strijd. Indien Jezus, ofschoon alleen een mensch, als God
mag aangeroepen en vereerd worden, dan is daarmede principieel ook
de Roomsche vereering van Maria, de heiligen en de engelen, en heel
de heidensche afgoderij gerechtvaardigd. Bestrijdende, dat God mensch
worden kan, leert men tegelijk, dat een mensch wel tot den rang en de
waardigheid van God zich verheffen kan, Schultz, Gottheit Christi 386
f. 389. 407. 411. 454. 463. Incarnatie is onmogelijk, maar apotheose zal
zeer goed kunnen bestaan. De menschwording Gods is ongerijmd, maar de
Godwording des menschen zal redelijk zijn; als of wat uit ontwikkeling
voortkomt, ooit God kan wezen. Το γαρ προκοπτον οὐ θεος, Greg. Naz. bij
Schaezler t. a. p. 56, en cf. verder Fock, Der Socin. 538 f. Lipsius,
Theol. Jahresbericht X 378, Pfleiderer, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S.
168 f. Dieckhoff, Die Menschw. des Sohnes Gottes. Ein Votum über die
Theol. Ritschl’s, Leipzig 1882. Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl,
Leipzig 1888 S. 165 f. Hoensbroech, Christ u. Widerchrist. Ein Beitrag
zur Vertheidigung der Gottheit Christi u. zur Char. d. Unglaubens in
der prot. Theol. Freiburg 1892.
10. Deze Zoon van God is mensch geworden naar de leer der H. Schrift
door ontvangenis van den H. Geest en door geboorte uit de maagd
Maria. De bovennatuurlijke ontvangenis werd oudtijds reeds ontkend
door de Joden, Eisenmenger, Entd. Judenthum I 105 f., door de
Ebionieten, door Cerinthus, Carpocrates, Celsus, cf. Moor III 722,
deisten en rationalisten in de vorige eeuw, zooals Morgan, Chubb, cf.
Bretschneider, Entw. 567, door de nieuwere critici zooals Strauss,
Bruno Bauer, Renan enz., en in den jongsten tijd door Harnack, Das
apost. Glaubensbekenntniss, Berlin 1892; zijn oordeel, dat de woorden:
ontvangen van den H. Geest en geboren uit de maagd Maria geen
bestanddeel uitmaakten van de oorspronkelijke verkondiging van het
evangelie gaf tot een ernstigen strijd aanleiding, waarbij velen zich
aan zijne zijde schaarden, zooals Achelis, Zur Symbolfrage Berlin 1892,
Herrmann, Worum handelt es sich in dem Streit um das Apostolikum?
Leipzig 1893. Hering, Die dogm. Bedeutung und der relig. Werth der
übernat. Geburt Christi, Zeits. f. Th. u. Kirche von Gottschick,
1895, S. 58-91. Lobstein, Die Lehre v. der übernat. Geburt Christi,
2e Aufl. 1896, maar anderen ook beslist zich tegenover hem stelden,
vooral Wohlenberg, Empfangen vom h. Geist, geboren von der Jungfrau
Maria 1893. Cremer, Zum Kampf um das Apostolikum, Berlin 1892, Th.
Zahn, Das apost. Symbolum, Erl. u. Leipzig 1893. Deze strijd kreeg nog
meer belang door de vondst van eene syrische vertaling der evangeliën
door Mrs. Lewis en hare zuster Mrs. Gibson in een palimpsest van
het Katharinaklooster op den Sinai in den zomer van 1892, The four
gospels in Syriac, transscribed from the Sinaitic palimpsest. By the
late Robert L. Bensley and by J. Rendel Harris and by F. Crawford
Burkitt. With an introd. by Agnes Smith Lewis, Cambridge 1894. Mt.
1:16 luidt toch in deze syrische vertaling aldus: Jozef, aan wien de
maagd Maria verloofd was, gewon Jezus, die Christus genoemd wordt,
cf. Theol. Tijdschr. Mei 1895 bl. 258v. Gids, Juli 1895 bl. 88-104.
Maar al zou deze Syr. vertaler de bovennatuurlijke ontvangenis van
Christus daarmede ontkennen, dit feit zou in de geschiedenis van het
evangelie onder de Syriers geheel op zichzelf staan en zonder invloed
gebleven zijn. Het Syrische diatesseron van Tatianus, de Syrische
Evangelienfragmenten, door Cureton 1858 uitgegeven, en alle latere
Syrische uitgaven van de Evangeliën leeren haar duidelijk. Voorts noemt
de nieuwgevonden vertaling in Mt. 1:16 Maria maagd en verloofd aan
Jozef; vs. 18 luidt evenzoo als in onzen Gr. tekst en leert dus de
ontvangenis van den H. Geest, evenzoo vs. 20, en met Luk. 3:23 is het
hetzelfde geval. Er is niet het minste bewijs, dat de Syr. vertaler door
zijn tekst van Mt. 1:16 de ontvangenis van den H. Geest heeft willen
ontkennen, Th. Zahn, Theol. Lit. Blatt 1895 col. 28. Maar verder is de
bovennatuurlijke ontvangenis van den H. Geest wel zeker een bestanddeel
geweest van de oorspronkelijke verkondiging van het evangelie. Het
oude Roomsche symbool, dat zeker vóór het midden der tweede eeuw
en waarschijnlijk reeds tegen het einde der eerste eeuw bestond,
bevatte reeds de woorden: qui natus est de Spiritu Sancto et Maria
virgine, (τον γεννηθεντα ἐκ πνευματος ἁγιου και Μαριας της παρθενου),
later ter verduidelijking eenigszins gewijzigd. De bestrijders van de
bovennatuurlijke ontvangenis, ook Cerinthus, een tijdgenoot van Johannes,
hebben er zich nooit op beroepen, dat deze leer later opgekomen was;
in hun tijd moet deze dus inhoud van het algemeen christelijk geloof
geweest zijn; er is geen enkele grond en het is bovendien ook vreemd,
om de ketters Cerinthus enz., met Harnack te houden voor de zuivere
dragers en bewaarders van het geloof der eerste christelijke gemeente.
Al verder wordt deze leer gevonden in de brieven van Ignatius, ad
Smyrn. I 1-3, ad Eph. VII 1-2, die omstreeks het jaar 117 den
marteldood stierf, en in de voor eenigen tijd gevonden Apologie van den
wijsgeer Aristides van Athene, dien deze in het jaar 125 aan keizer
Hadrianus overhandigde. Zij moet te meer inhoud van de apostolische
prediking zijn geweest, omdat de heidensche fabelen van Godenzonen de
Christenen anders zeker hadden afgeschrikt van eene leer, die er zoo
na aan verwant scheen. Van een invloed dier heidensche fabelen op het
ontstaan van het evangelisch verhaal der bovennatuurlijke ontvangenis,
gelijk Usener, Religionsgesch. Untersuchungen, I Das Weihnachtsfest
Bonn 1880 S. 69 f. en Hillmann, Die Kindheitsgesch. Jesu nach Lukas,
Jahrb. f. prot. Theol., 1891 S. 192 f. dien aannamen, is er nergens
eenig spoor; Harnack, Theol. Lit. Z. 1889 Nº 8 verklaart haar dan ook
alleen uit Joodsche gegevens, bepaaldelijk uit eene onjuiste exegese van
Jes. 7:14, cf. ook Weiss, Leben Jesu I 217 f. Eindelijk komt zij wel is
waar in het N. T. rechtstreeks alleen bij Mattheus en Lukas voor, maar
datgene, waarop het in deze verhalen bij Mattheus en Lukas aankomt, is
de leer van alle evangelisten en apostelen. Jezus is n.l. vooreerst
genealogisch een zoon van David; daarvoor werd Hij algemeen gehouden,
door de schare, die Hem telkens omringde, en door al zijne discipelen,
Mt. 1:1, 20, 9:27, 12:23, 15:22, 20:30, 31, 21:9, 15, 22:42-45, Mk.
10:47, 11:10, 12:35-37, Luk. 1:27, 32, 69, 18:38, 39, 20:41-44, Joh.
7:42, Hd. 2:30, 13:23, Rom. 1:3, 9:5, 2 Tim. 2:8, Hebr. 7:14, Op. 3:7,
5:5, 22:16. Voorts is Hij de Heilige, die nooit eenige zonde gedaan of
gekend heeft, Mt. 7:11, 11:29, 12:50, Mk. 1:24, Luk. 1:35, Joh. 4:34,
6:38, 8:29, 46, 15:10, 17:4, Hd. 3:14, 22:14, Rom. 5:12v., 1 Cor.
15:45, 2 Cor. 5:21, Hebr. 4:15, 7:26, 1 Petr. 1:19, 2:21, 3:18, 1 Joh.
2:1, 3:5. En eindelijk is Hij, de uit Maria geborene, de Zone Gods in
geheel eenigen zin, Mt. 1:23, 4:3, 8:29, 14:33, 16:16, 26:63, Mk. 1:1,
3:11, 5:7, 14:61, 15:39, Luk. 1:32, 35 enz. Opdat dit nu verkregen zou
worden, dat een zoon van David, uit zijn geslacht geboren, toch van
alle zonde vrij en Gods Zoon wezen zou, daartoe was de bovennatuurlijke
ontvangenis noodig; daartoe is zij geschied; en daarom heeft zij ook een
hoog religieus en ethisch belang. Dit is echter--om dit punt hier even
af te doen--niet het geval met het theologoumenon, dat Maria in en na
de geboorte maagd gebleven is. De virginiteit van Maria in partu en
post partum wordt bij de kerkvaders vóór Nicea nog niet aangetroffen;
Tertullianus, de carne Christi c. 23, Origenes, hom. 14 in Luc.,
Irenaeus, adv. haer. IV 66 kennen de virginitas in partu nog niet, en
Tertullianus, de carne Christi 7 ontkent ook de virginitas post partum.
De virginitas in partu komt het eerst voor in het apocriefe Evang.
Jacobi c. 19 en was ook als sommiger meening reeds aan Clemens Alex.,
Strom. VII c. 16 bekend. Maar na Nicea wordt de virginitas van Maria
zoowel in partu als post partum in verband met hare Gottesmutterschaft
(θεοτοκος, deipara) steeds duidelijker geleerd, door Epiphanius,
Hieronymus, Greg. Nyss., Ephraim, Ambrosius, Augustinus enz., en tegen
de Apollinaristen, Helvidius, Jovinianus, Bonosus verdedigd, cf.
Bellarminus, de sacr. euch. III c. 6. Petavius, de incarn. XIV c. 3 sq.
Lehner, Die Marienverehrung S. 120 f. Het vijfde oecumenisch concilie
can. 6 nam den titel ἀειπαρθενος van Epiphanius voor Maria over, en
de Lateraansynode van 649 stelde in can. 3 hare virginiteit ook in en
na de geboorte van Jezus vast, cf. Cat. Rom. I 4, 8. Het semper virgo
werd ook opgenomen in de Art. Smalc. I 4, Form. Conc. II 7, 100 en 8,
24. Zwinglii Expos. Chr. fidei 5, maar Lutherschen en Gereformeerden
leerden toch dat de geboorte van Jezus op gewone wijze had plaats gehad
en dat de virginitas van Maria, post partum, hoewel pieteitshalve
aannemelijk, toch geen artikel des geloofs was en in geen geval door
Maria bij wijze van gelofte op zich genomen was. Dat Maria Jezus gebaard
heeft utero clauso, leert de Schrift met geen enkel woord. Dat zij door
gelofte tot virginiteit zich verbonden heeft, is uit Gen. 3:15, Jes.
7:14, Luk. 1:34 en uit zoogenaamde typen, Richt. 6:36, 11:29, Dan.
2:34, Ezech. 44:2 niet af te leiden. En dat zij later geen kinderen meer
voortgebracht heeft, is tegenover Mt. 1:18, 25, 12:46, 13:55, Mk. 3:31,
6:3, Luk. 2:7, 8:19, Joh. 2:12, 7:5, Hd. 1:14, 1 Cor. 9:5 moeilijk vol
te houden. Cf. Calvijn, op Luk. 1:34. Polanus, Synt. VI c. 17. Rivetus,
Apol. pro S. Virgine Maria, Op. III 601-744. Chamier, Panstr. Cath. II
4 c. 3. Turretinus, Theol. El. XIII 10. Mastricht, Theol. V 10, 12.
Moor III 563. 716. Quenstedt, Theol. III 401.
11. Geheel anders staat het met de bovennatuurlijke ontvangenis. Deze is
voor den persoon van Christus van de hoogste beteekenis en daarom ook
van religieus belang. De Schrift kent Jezus’ ontvangenis toe aan den H.
Geest of aan de kracht des Allerhoogsten. De H. Geest, die de auteur is
van alle physisch, psychisch en pneumatisch leven, deel II 230, wordt
in Mt. 1:18, 20 blijkens de praep. ἐκ gedacht als de causa efficiens van
die ontvangenis, terwijl deze in Luk. 1:35 toegeschreven wordt aan de
kracht, die van God, den Allerhoogste, zal uitgaan en over Maria komen
zal. Duidelijk blijkt hieruit, dat de werkzaamheid des H. Geestes bij
deze ontvangenis niet bestond in het uitstorten van eenige hemelsche,
Goddelijke substantie in Maria, maar in eene betooning van kracht, welke
haar schoot vruchtbaar maakte, in eene overschaduwing als met eene
wolk, cf. Ex. 40:34, Num. 9:15, Luk. 9:34, Hd. 1:8. Wanneer de oude
strijd tusschen spermatisten en ovisten ten gunste der laatsten beslist
wierd, wat echter nog geenszins het geval is, Schäfer, Die Vererbung,
Berlin 1897 S. 74-80; dan zou deze werkzaamheid des H. Geestes daardoor
ook physiologisch verduidelijkt zijn. Maar hoe dit zij, hetgeen in Maria
verwekt wordt, το ἐν αὐτῃ γεννηθεν is ἐκ πνευματος ἁγιου, uit den H.
Geest als causa efficiens, heeft in de werkzaamheid des H. Geestes
zijn oorzaak en niet in den wil des mans of des vleesches. Behalve
deze vruchtbaarmaking van Maria’s schoot, bewerkte de H. Geest ook de
heiliging van het kindeke, dat uit haar geboren zou worden. Het is
een ἁγιον, dat uit haar geboren wordt; het zal Zoon Gods, Zoon des
Allerhoogsten heeten, Luk. 1:35. Van belang is het nu op te merken,
dat deze werkzaamheid des H. Geestes ten aanzien van de menschelijke
natuur van Christus volstrekt niet op zichzelve staat; zij is bij de
ontvangenis wel begonnen maar niet geeindigd; zij heeft zich voortgezet
heel zijn leven door, zelfs tot in den staat der verhooging toe. In het
algemeen kan de noodzakelijkheid dezer werkzaamheid reeds daaruit worden
afgeleid, dat de H. Geest auteur is van alle leven in de schepselen en
bepaald van het religieus-ethische leven in den mensch. De ware mensch,
die Gods beeld draagt, is geen oogenblik denkbaar zonder de inwoning
des H. Geestes, deel II 540. Voorts moest de menschelijke natuur bij
Christus toebereid worden tot vereeniging met den persoon des Zoons,
d. i. tot eene eenheid en gemeenschap met God, als waartoe geen ander
schepsel ooit verwaardigd is. Als de mensch in het algemeen reeds
geen gemeenschap met God hebben kan dan door den H. Geest, dan geldt
dit in des te sterker mate van Christus’ menschelijke natuur, welke op
geheel eenige wijze met den Zoon vereenigd moest worden. Deze bijzondere
vereeniging, welke de immanentie Gods in zijne schepselen, de openbaring
Gods in de profeten, de inwoning Gods in zijn volk zeer verre overtreft
en er wezenlijk van verschilt, maakt eene gansch bijzondere werkzaamheid
des H. Geestes reeds apriori waarschijnlijk en zelfs noodzakelijk. Maar de
H. Schrift leert deze ook uitdrukkelijk. De profetie verkondigde reeds,
dat de Messias in bijzonderen zin met den H. Geest gezalfd zou worden,
Jes. 61:1, en het N. T. verhaalt, dat Christus dien Geest ontving
zonder mate, Joh. 3:34. Niet alleen werd Hij van Hem ontvangen, maar die
Geest daalt op Hem neder bij den doop, Mt. 3:16, vervult Hem geheel en
al, Luk. 4:1, 18, leidt Hem heen naar de woestijn en naar Galilea, Mt.
4:1, Luk. 4:14, geeft Hem de kracht, om duivelen uit te werpen, Mt.
12:18, om zichzelven Gode onstraffelijk op te offeren, Hebr. 9:14, om,
gelijk Hij Davids Zoon is geworden in den weg des vleesches, zoo door
de opstanding als Zoon Gods in kracht, als Heer, met een verheerlijkt
lichaam aangesteld te worden, Rom. 1:4, zichzelven als zoodanig voor
aller oog te rechtvaardigen, 1 Tim. 3:16, heen te gaan van de aarde en
op te varen ten hemel, 1 Petr. 3:19, 22, en zich als levendmakenden
Geest, wiens de Geest is en die door den Geest werkt, aan de zijnen te
openbaren, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, 18, cf. Gloël, Der H. Geist,
Halle 1888 S. 113 f.
In dit verband geplaatst, krijgt de ontvangenis van den H. Geest eene
rijke beteekenis. Jezus moest naar zijne menschelijke natuur van het
eerste oogenblik af aan door heel zijn leven heen tot in den staat der
verhooging toe gevormd worden tot Messias, Christus, Zoon Gods des
Allerhoogsten. Hij kon dit niet worden dan κατα σαρκα, in den weg des
vleesches, door geboorte uit eene vrouw, Rom. 1:3, 9:5, Gal. 4:4, maar
tegelijk, om dat te zijn, kon Hij niet wezen vrucht van den wil des mans
of des vleesches. Wat uit vleesch geboren is, is vleesch. Jezus ware
dan misschien geweest Davids zoon en erfgenaam van zijn aardsche rijk,
maar niet Davids Heer, de Messias, de Zoon Gods, die tot koning in
het Godsrijk aangesteld is. En dat was Hij toch. Paulus zegt wel, dat
Hij door de opstanding tot Zoon Gods en Heer is aangesteld, Rom. 1:4,
maar dit sluit niet uit, dat Hij reeds bij en vóór zijne ontvangenis Zoon
Gods was, Rom. 1:3; evenmin als de υἱοθεσια, door de geloovigen in de
toekomst verwacht, Rom. 8:23, uitsluit, dat zij die nu reeds bezitten,
Rom. 8:15. Zoon Gods was Christus van eeuwigheid; Hij was in den beginne
bij God; Hij is de eerstgeborene aller creaturen. Zoo kon Hij dan ook
niet geteeld en door den wil des mans worden voortgebracht; Hij was
zelf het handelende subject, dat zich door den H. Geest een lichaam
toebereidde in Maria’s schoot. In het O. T. wordt Hij daarom vooral
beloofd als het zaad der vrouw, Gen. 3:15, als de door God gegevene,
Jes. 9:5, als de door den Heere verwekte, Jer. 23:5, 6, 33:14-17,
als een rijsken uit den afgehouwen tronk van Isai, Jes. 11:1, als de
zoon eener עַלְמָה, in het algemeen eene jonge vrouw, en vooral
eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8, Ps. 68:26, Hoogl. 1:3, 6:8, Spr.
30:18, 19, die den naam Immanuel dragen zal, Jes. 7:14. In het O.
T. wordt daarbij over de wijze zijner ontvangenis niets naders gezegd;
alleen zal Hij de zoon eener vrouw en tegelijk eene gave en openbaring
Gods zijn. Dit is alzoo in Christus vervuld. Daargelaten de moeielijke
vraag, of Lukas de genealogie van Maria geeft en Maria ook zelve uit
Davids geslacht was, cf. Luk. 1:30-33, 35, 48; niet naar Maria maar
naar Jozef was Jezus een Davidide. Al was Hij ook niet uit Jozef, Hij
was toch door Maria, die aan Jozef verloofd was, burgerlijk en wettelijk
de zoon van Jozef, Luk. 2:27, 41, 48, en erfde van dezen de rechten op
Davids troon. Daarom werd Jozef ook van Godswege vermaand, om Maria
als zijne wettige vrouw tot zich te nemen, op te treden als hoofd en
vader des gezins, en als zoodanig aan het kindeke den naam Jezus te
geven, Mt. 1:18-21. Alzoo werd Christus Davids zoon en bleef Hij tegelijk
Davids Heer. Deze uitsluiting van den man bij zijne ontvangenis bewerkte
tevens, dat Christus, als niet in het werkverbond begrepen, ook vrij
bleef van erfschuld en daarom ook naar zijne menschelijke natuur vóór
en na zijne geboorte van alle smet der zonde kon bewaard worden. Als
subject, als Ik, was Hij niet uit Adam, maar was Hij de Zoon des Vaders,
die van eeuwigheid was verkoren tot Hoofd van een nieuw verbond.
Niet Adam maar God was zijn Vader. Als persoon kwam Hij niet uit de
menschheid voort maar kwam Hij zelf van buiten tot haar en ging in haar
in. En wijl Hij alzoo naar Gods rechtvaardig oordeel van alle erfschuld
vrijbleef, daarom kon Hij ontvangen worden van den H. Geest en door
dien Geest van alle smet der zonde bevrijd blijven. De ontvangenis van
den H. Geest was niet de diepste grond en laatste oorzaak van Jezus’
zondeloosheid, gelijk velen beweren, Ebrard, Dogm. II 4-10. Rothe, Ethik
§ 533 f. Müller, Sünde II 535, maar zij was de eenige weg, waarin Hij,
die als persoon reeds bestond en tot Hoofd van een nieuw verbond was
aangesteld, nu ook op menschelijke wijze, in het vleesch, zijn en blijven
kon wat Hij was, de Christus, de Zoon Gods des Allerhoogsten. Cf.
Polanus, Synt. XI. 13. Frank, Chr. Wahrh. II 109 f.
12. Door deze ontvangenis van den H. Geest en geboorte uit Maria werd
de Zone Gods een waarachtig en volkomen mensch. Maar niet minder sterk
dan zijne Godheid, is zijne menschheid bestreden. De Gnostieken konden
haar krachtens hun dualisme niet erkennen, en zeiden daarom, dat de
aeon Christus slechts een schijnlichaam had aangenomen (Saturninus,
Marcion), of dat Hij een heerlijk, geestelijk lichaam uit den hemel had
medegebracht en door Maria slechts doorgegaan was als water door eene
buis (Valentinus, Bardesanes), of dat Hij bij zijne nederdaling naar de
aarde zich wel uit de elementen een lichaam gevormd en daarin geleden
had, maar dit bij zijn terugkeer ten hemel ontbonden en prijsgegeven had
(Apelles), of dat Hij slechts tijdelijk bij den doop op den mensch Jezus
neergedaald was en dezen vóór het lijden verlaten had (Cerinthus),
of zich vóór het lijden met Simon van Cyrene verwisseld en dezen aan
den kruisdood had overgegeven (Basilides), of dat Christus, de Jezus
impatibilis, die uit de lichtwereld reeds tot Adam neerdaalde en
slechts in een schijnlichaam op aarde verscheen, wel te onderscheiden
is van den Jesus patibilis, die de zoon eener arme weduwe en een
afgezant des duivels was, en, wijl hij zich tegen Christus stelde, door
dezen aan het kruis werd geslagen (Mani). Al deze gedachten plantten
zich in de Middeleeuwsche secten voort en kwamen onder invloed van de
pantheistische mystiek, de kabbalistische theosophie en de nieuwere
natuurphilosophie in de eeuw der Hervorming bij de Anabaptisten tot eene
nieuwe, uitgebreide heerschappij. Ook zij leerden, dat Christus zijne
menschelijke natuur niet kon aannemen uit Maria, uit de Adamitische
menschheid, omdat Hij dan noodzakelijk een zondaar had moeten zijn;
maar Hij nam ze van eeuwigheid aan uit zichzelven, bracht zijn lichaam
dus mee uit den hemel en ging door Maria heen als door een kanaal
(Hofmann, Menno Simons; cf. verwante voorstelling van eene eeuwige
lichamelijkheid Gods bij de kabbala met haar Adam Kadmon, bij Swedenborg,
Dippel, Oetinger, Petersen); of Hij vormde zich deze hemelsche,
onzichtbare lichamelijkheid van eeuwigheid uit de eeuwige jonkvrouw,
de Goddelijke Eva, de wijsheid Gods, woonde daarmede reeds terstond na
den val in Adam, Abel enz., en maakte ze dan zichtbaar en sterfelijk
door de ontvangenis en geboorte uit Maria (Weigel); of Hij nam die
heerlijke menschelijke natuur reeds aanstonds bij de schepping aan uit
Adam vóór den val, die toen nog een fijne, hemelsche lichamelijkheid
had, om ze later uit Maria te omkleeden met eene zwakke, sterfelijke
menschheid (Ant. Bourignon, Poiret, Barclay); of ook vormde Hij zich
zijne menschelijke natuur uit Maria, maar niet uit de vleeschelijke,
doch uit de wedergeboren Maria, die door hare vereeniging met de
Goddelijke wijsheid, een heilig, Goddelijk element in zich ontvangen had
en het jonkvrouwelijk wezen van Adam vóór den val terug bekomen had
(Schwencfeld e. a.), cf. de vroeger aangehaalde werken van Dorner,
Schwane, Harnack enz. Ons schijnen deze gedachten zeer vreemd toe.
Toch drukken zij in andere vormen niets anders uit dan wat de nieuwere
philosophie sedert Kant en Hegel met hare scheiding van den idealen
en historischen Christus voorgesteld heeft. De ideale Christus is
de eeuwige Logos, de absolute rede, de ééne substantie welke in de
wereld zich eeuwig realiseert en niet in een enkel mensch haar volheid
uitstorten kan maar in de menschheid als den zoon Gods de menschelijke
natuur aanneemt. Maar de historische Jezus is niet de ware, wezenlijke
Christus; Hij vormt in het proces der menschwording wel een belangrijk
maar toch slechts een voorbijgaand moment; Hij is een zwak, sterfelijk,
zondig mensch geweest, die de idee van den waren Christus wel
geopenbaard heeft, maar volstrekt niet met hem samenvalt en één met hem
is, cf. Runze, Dogm. § 78.
Nu behoeft het geen lang betoog, dat de H. Schrift hier lijnrecht
tegenover staat. Onder het O. T. beloofd als de Messias, die uit eene
vrouw, uit Abraham, Juda, David voortkomen zal, wordt Hij in de volheid
des tijds in Maria, ἐν αὐτη, Mt. 1:20 ontvangen van den H. Geest, en
uit haar, ἐκ γυναικος, geboren, Gal. 4:4. Hij is haar zoon, Luk. 2:7,
vrucht haars buiks, Luk. 1:42, naar het vleesch uit David en Israel,
Hd. 2:30, Rom. 1:3, 9:5, ons vleesch en bloed deelachtig en ons in
alles gelijk, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:14, 17, 18, 4:15, 5:1, een
waarachtig mensch, de Zoon des menschen, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:21, 1
Tim. 2:15, opgroeiend als een kindeke, Luk. 2:40, 52, hongerend, Mt.
4:2, dorstend, Joh. 19:28, weenend, Luk. 19:41, Joh. 11:35, ontroerd,
Joh. 12:27, bedroefd, Mt. 26:38, toornend, Joh. 2:17, lijdend, stervend
enz. Het staat voor de Schrift zoo vast, dat Christus in het vleesch
gekomen is, dat zij de loochening daarvan antichristelijk noemt, 1 Joh.
2:22. En niet alleen leert zij, dat Christus eene waarachtige, maar
ook dat Hij eene volkomene menschelijke natuur heeft aangenomen. Arius
loochende dit en zeide, dat de Logos, die immers een schepsel was,
geen mensch kon worden maar slechts in menschelijke gedaante verschenen
was en daartoe alleen een lichaam, maar geen ziel had aangenomen.
Daarentegen wilde Apollinaris juist vasthouden, dat Christus niet
slechts een door den Logos verlicht mensch, een ἀνθρωπος ἐνθεος, was,
gelijk Paulus van Samosata zeide, maar dat Hij zelf God was en zijn
werk Goddelijk; en zoo kwam hij tot de leer, dat de Logos een bezield
menschelijk lichaam, zonder pneuma, had aangenomen en zelf de plaats van
dat pneuma vervulde, cf. art. Apoll. in Herzog³ 1, 671. Maar de Schrift
zegt duidelijk, dat Jezus een volkomen mensch was en schrijft Hem alle
bestanddeelen der menschelijke natuur toe, niet alleen een lichaam, Mt.
26:26, Joh. 20:12, Phil. 3:21, 1 Petr 2:24, vleesch en bloed, Hebr.
2:14, beenderen en zijde, Joh. 19:33, 34, hoofd en handen en voeten,
Mt. 8:20, Luk. 24:39, maar ook eene ziel, Mt. 26:38, geest, Mt. 27:50,
Luk. 23:46, Joh. 13:21, bewustzijn, Mk. 13:32, wil, Mt. 26:39, Joh.
5:30, 6:38 enz. Het Apollinarisme werd daarom door de christelijke kerk
en theologie ten allen tijde veroordeeld; zij begrepen het belang, dat
hiermede gemoeid was: totus enim Christus totum assumpsit me, ut toti
mihi salutem gratificaret; quod enim inassumptibile est, incurabile
est, Damasc., de fide orthod. III 6. Lombardus, Sent. III 2. Petavius,
de incarn. V c. 11. De loochening van de waarachtige en de volkomene
menschelijke natuur komt altijd uit zeker dualisme voort. De σαρξ,
de materie is van nature zondig en kan daarom geen bestanddeel zijn
van den waren Christus; deze heeft daarom zijne substantie niet aan
de zinnelijke, stoffelijke wereld ontleend, maar aan de onzienlijke,
hemelsche wezenheid in God, in zichzelven, in de Goddelijke wijsheid, in
den ongevallen Adam of de wedergeboren Maria. De verbinding tusschen
dezen idealen Christus en den historischen Jezus kan daarom slechts
toevallig, mechanisch zijn; het komt tot geen ware eenheid, dat is
dus ook tot geen waarachtige gemeenschap van God en mensch. God en
wereld, schepping en herschepping, natuur en genade, het eeuwige en
het tijdelijke, het hemelsche en het aardsche blijven eeuwig naast en
tegenover elkander staan. Bij de Gnostieken en de Anabaptisten is dit
alles duidelijk. Maar hoe vreemd het klinke, ditzelfde dualisme is ook
eigen aan de nieuwere pantheistische philosophie, welke zoo gaarne
met den naam van monisme zich siert. Want immers, het is een axioma
dezer wijsbegeerte, dat de idee zich niet ten volle in één individu
uitstorten kan; dat is, er is geen eenheid, geen gemeenschap van God en
mensch mogelijk. Om tot gemeenschap met God te komen, moet het individu
zichzelf verliezen, zijne persoonlijkheid uitwisschen, wegzinken als
een golf in den oceaan van het al. God en mensch, eeuwigheid en tijd,
en met name heiligheid en eindigheid staan tegen elkander over; het
eindige is in zijn aard gebrekkig, onvolmaakt; de zonde is noodzakelijk.
Vandaar, dat Hegel, bij Dorner, Entw. II 1115 f., Strauss, Gl. II 164,
Leben Jesu 1835 II 716-718, Baur, Dreieinigkeit III 963 f. e. a. de
zondeloosheid van Jezus niet kunnen vasthouden; een eindig individu
kan niet volmaakt zijn en de volle gemeenschap met God genieten. Nu
meent dit pantheisme op eene andere wijze te kunnen vergoeden wat
het eerst heeft weggenomen. Het schrijft aan het geheel toe, wat het
ontneemt aan de deelen; niet één enkel mensch, maar de menschheid is
de ware Christus, de zoon van God, zij geniet de hoogste eenheid en
gemeenschap met God, in haar neemt God de menschelijke natuur aan. Maar
deze vergoeding is schijnbaar en geeft niets. Niet alleen bestaat de
menschheid alleen in de individuen en is het al niet anders dan de som
der deelen; maar het is ook niet waar dat het al, dat de menschheid
nader hij God staat dan de enkele menschen. Goethe heeft wel gezegd,
willst du ins Unendliche schreiten, so geh’ ins Endliche nach allen
Seiten; maar het eindelooze is gansch iets anders dan het oneindige, de
eeuwigheid iets gansch anders dan de niet uit te spreken som van alle
tijdsmomenten, en de volmaaktheid iets gansch anders dan het totaal van
alle onvolkomenheden. Ook al ruilt het pantheisme het individu uit voor
de menschheid en het deel voor het geheel, het vordert daarmede geen
stap; het laat den overgang van het oneindige tot het eindige, van de
eeuwigheid tot den tijd, van God tot de wereld volkomen onverklaard en
geeft ter verklaring niets dan woorden en beelden, deel II 392. Indien
God niet mensch kan worden in éénen, dan kan Hij het ook niet worden in
allen. Tegenover deze dualistische en atomistische beschouwing plaatst
nu de Schrift de organische. In éénen komt God tot allen, niet in schijn
maar in waarheid. Daar is één Middelaar Gods en der menschen, de mensch
Christus Jezus. Maar daarom komt het evengoed als op zijne Godheid, zoo
op zijne waarachtige en volkomene menschelijke natuur aan. Indien er één
wezenlijk bestanddeel in de menschelijke natuur van Christus van de ware
eenheid en gemeenschap met God is uitgesloten, dan is er een element
in de schepping, dat dualistisch naast en tegenover God blijft staan.
Dan is er eene eeuwige ὑλη. Dan is God niet de Almachtige, Schepper
des hemels en der aarde. Dan is de christelijke religie niet waarachtig
katholiek. Quod enim inassumptibile est, incurabile est.
13. Zoo zijn in Christus God en mensch met elkander vereenigd. De
Schrift spreekt niet in de taal der latere theologie, maar bevat
zakelijk datzelfde, wat door de christelijke kerk in hare leer van de
twee naturen beleden is. De paulinische christologie, zegt Holtzmann,
Neut. Theol. II 75, ist allerdings ein erster Ansatz zur kirchlichen
Lehre von der Doppelnatur. Immers naar de Schrift is het Woord, dat
bij God en zelf God was, vleesch geworden, ὁ λογος σαρξ ἐγενετο, Joh.
1:14. Hij, die was ἀπαυγασμα της δοξης και χαρακτηρ της ὑποστασεως
του θεου, is ons vleesch en bloed deelachtig en ons in alles gelijk
geworden, Hebr. 1:3, 2:14, God zond zijn eigen, eengeboren zoon in de
wereld, die geboren werd uit eene vrouw, Gal. 4:4. Hij, die ἐν μορφῃ
θεου bestond, ἑαυτον ἐκενωσε μορφην δουλου λαβων, Phil. 2:7. Uit de
vaderen κατα σαρκα, is Hij toch ὁ ὠν ἐπι παντων θεος εὐλογητος εἰς τους
αἰωνας, Rom. 9:5. Ofschoon beeld des onzienlijken Gods, eerstgeborene
aller creaturen, Schepper aller dingen, is Hij toch ook πρωτοτοκος ἐκ
των νεκρων, Col. 1:13-18; Davids zoon, is Hij toch tegelijk Davids Heer,
Mt. 22:43; rondwandelende op aarde, is Hij ook zoo steeds nog εἰς τον
κολπον του πατρος, Joh. 1:18, ὁ ὠν ἐν τω οὐρανῳ, Joh. 3:13, zijnde
vóór Abraham, Joh. 8:58; in één woord, de volheid der Godheid woont
σωματικως in Hem, Col. 2:9. Ieder oogenblik worden in de Schrift aan
hetzelfde persoonlijke subject Goddelijke en menschelijke praedicaten
toegeschreven, een Goddelijk en een menschelijk zijn, alomtegenwoordigheid
en beperktheid, eeuwigheid en tijd, scheppende almacht en creatuurlijke
zwakheid. Wat is dit alles anders dan de kerkelijke leer der twee
naturen, vereenigd in één persoon? De nieuwere theologie gevoelt
echter voor een deel van deze leer der twee naturen een diepen
afkeer, vindt ze het toppunt der ongerijmdheid, en vervangt ze door de
Doppelseitigkeit, Holtzmann, Neut. Theol. II 65. 94, door de Doppelheit
von Gesichtspunkten, Pfleiderer, Grundriss § 129. Nitzsch, Ev. Dogm.
513, door de leer van twee opeenvolgende toestanden vóór en na de
opstanding, Schultz, Gottheit Christi 417, of door die van idee en
verschijning, Schweizer, Chr. Gl. II 12 enz. Het is duidelijk, dat in
deze beschouwingen de leer der Schrift over den persoon van Christus
ganschelijk niet tot haar recht komt. Al is het waar, dat Christus,
inzonderheid bij Paulus, eerst door zijne opstanding intreedt in het
volle Zoonschap, Rom. 1:4, Heer uit den hemel en levendmakende Geest
wordt, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17 en een naam ontvangt boven allen naam,
Phil. 2:9, daarmede ontkent Paulus in het minst niet, dat Christus ook
vóór zijne menschwording reeds een persoonlijk, Goddelijk bestaan had, 2
Cor. 8:9, Phil. 2:6, Col. 1:15-17 en Gods eigen Zoon was, Rom. 1:3,
8:32, Gal. 4:4. De leer der twee naturen is iets gansch anders dan de
leer van twee zijden aan of twee toestanden in het leven van Christus.
Jezus draagt in de Schrift al die heerlijke praedicaten niet, omdat Hij
eenerzijds als mensch zich volkomen aan God wijdde en daarom waarachtig
mensch was, en omdat Hij andererzijds als diezelfde mensch volkomen Gods
liefde ons openbaarde, Schultz, Gottheit Christi 338, maar omdat Hij
werkelijk God en mensch in één persoon was. Een mensch, hoe hoog ook
staande in religieusen en ethischen zin, kan en mag toch, juist naar
het strenge monotheisme der H. Schrift, niet die Goddelijke praedicaten
dragen, welke juist door haar aan Christus worden toegekend. Het blijkt
dan ook overtuigend, dat zij, die de leer der twee naturen door die der
twee zijden of die der twee toestanden vervangen, toch geenszins zóó van
Christus kunnen en durven spreken, als de Schrift doet. De namen van
God, Gods Zoon, Logos, Beeld Gods, eerstgeborene van alle creaturen
enz. worden daarom alle van hun Schriftuurlijke beteekenis beroofd en in
een gansch anderen zin opgevat. De moderne theologie, in Jezus alleen
eene menschelijke natuur aannemende, kan Hem noch naar zijne religieuse
zijde, als openbaring van Gods liefde, noch ook in den staat der
verhooging, waarin Hij tot Heer geworden zou zijn, eeren met de namen,
welke de Schrift Hem toekent. Hare exegese, stel dat ze juist ware, zou
haar niet de minste winst geven voor haar eigen Christologie. Want deze
is er niet meer, als Jezus alleen een mensch is, en niet ook de eeuwige
en eenige Zoon van God.
Om al de gegevens der Schrift over den persoon van Christus te
handhaven, kwam de theologie allengs tot de leer der twee naturen.
Zij stelde deze niet op bij wijze van hypothese en bedoelde er ook niet
mede eene verklaring van het mysterie van Christus’ persoon; zij vatte
daarin alleen onverminkt en onverzwakt de gansche leer der Schrift
van Christus saam en handhaafde deze daarmede tegenover de dwalingen,
die ter linker- en ter rechter zijde in ebionitisme en gnosticisme,
arianisme en apollinarisme, nestorianisme en eutychianisme,
adoptianisme en monotheletisme, en in den nieuweren tijd in de leer
van Rothe en Dorner over den wordenden Godmensch en in de leer van
Gess e. a. over de kenosis optraden. Het nestorianisme kwam voort
uit de Antiocheensche school, had zijne voorbereiding bij Diodorus van
Tarsus en Theodorus van Mopsuestia, en werd dan door Nestorius zoo
ontwikkeld, dat de eeuwige, natuurlijke Zoon van God onderscheiden was
van en een ander was dan de Zone Davids, die uit Maria geboren werd; er
is immers onderscheid tusschen den tempel en dien, die daarin woont;
tusschen Hem, die in de gestalte Gods was, en Hem, die rondwandelde
in knechtsgestalte; tusschen den God en den mensch in Christus, die
beide persoonlijk bestaan. Maria kan daarom geen θεοτοκος heeten,
en de mensch, die uit haar geboren werd, is niet de eeuwige Zoon
Gods maar zijn aangenomen Zoon (adoptianisme). De vereeniging van God
en mensch in Christus is geen natuurlijke maar eene zedelijke, als
tusschen man en vrouw in het huwelijk, geen ἑνωσις maar eene συναφεια;
de inwoning Gods in Christus is niet specifiek maar gradueel van die
in de geloovigen onderscheiden, en zij neemt toe, naarmate de mensch
Jezus vordert in deugd en meer en meer tot orgaan en werktuig, tot
tempel en kleed der Godheid wordt, naarmate zij meer θεοφορος is, cf.
Schwane, D. G. II 317 f. Daaraan is in den jongsten tijd de leer van
Dorner verwant, volgens welke de Logos zich langzamerhand meer aan
den mensch mededeelt en inniger met Hem samengroeit, naarmate deze
zich onder zijn invloed zedelijk ontwikkelt, Chr. Gl. § 102 f. Heel deze
voorstelling wordt door de Schrift veroordeeld. Deze schrijft allerlei
en zeer verschillende praedicaten aan Christus toe, maar altijd aan
één en hetzelfde subject, het ééne, ongedeelde Ik, dat in Hem woont
en uit Hem spreekt. Bepaaldelijk zegt zij ook, dat de Logos niet in een
mensch gewoond heeft maar vleesch is geworden, Joh. 1:14. Wat iemand
geworden is, dat is Hij. Als de Zone Gods mensch is geworden, dan is Hij
zelf mensch. Van een persoon kan velerlei gepraediceerd, maar nooit een
ander persoon. Van vele menschen kan gezegd worden, dat zij één zijn,
in een of ander opzicht; maar nooit kan van den eenen persoon gezegd
worden, dat hij de andere persoon is. Man en vrouw zijn één vleesch, maar
nooit is de man de vrouw of omgekeerd. Was dus in Christus de mensch
een ander subject dan de Logos, dan kon de Schrift nooit gezegd hebben,
dat de Logos vleesch geworden is en dus is. Bij Nestorius is dus de
vereeniging tusschen God en mensch in Christus niet eene persoonlijke
en natuurlijke, maar eene zedelijke; zij blijven altijd twee onderscheidene
subjecten, hoezeer zij zedelijk ook steeds meer één mogen worden. En
zelfs deze zedelijke vereeniging is niet uitgangspunt maar einddoel en
resultaat; zij is nog niet eens als bij Origenes vrucht van de verdienste
der praeexistente ziel, die niet gevallen is maar zich de vereeniging
met den Logos in haar voorbestaan verworven heeft, de princ. II 6, 3.
c. Cels. VI 47; maar zij komt langzamerhand in het aardsche leven van
Jezus tot stand en hangt van allerlei voorwaarden af, zij is van de
vereeniging Gods met andere menschen slechts gradueel onderscheiden;
dat is, Christus verliest zijne geheel eenige plaats, Hij is slechts een
mensch, in wien God zich meer dan in anderen openbaart; de idee van
den Godmensch gaat te loor en het verlossingswerk wordt ondermijnd. Het
nestorianisme is aan het deisme en pelagianisme verwant.