Gen. 3:14, 15 heeft allereerst op de slang als gewoon dier betrekking.
God vernedert de slang, en zet vijandschap tusschen haar en den mensch;
van nu voortaan zal er in plaats van de vroegen onderworpenheid der
dieren aan den mensch een strijd tusschen beide heerschen, waarin de
mensch wel overwinnen maar toch veel van de dieren, bepaaldelijk van de
slang, zal hebben te lijden. Maar voorts gaat deze straf door de slang
heen op de booze macht terug, wier instrument zij was. Met haar had de
mensch een verbond gesloten en daarvoor het verbond met God verbroken;
God doet genadiglijk dit verbond des menschen te niet, zet vijandschap
tusschen slangenzaad en vrouwenzaad, brengt het vrouwenzaad d. i. de
menschheid weer aan zijne zijde over, spreekt dus uit dat er uit Eva nog
eene menschheid voortkomen zal, en dat die menschheid in den strijd
tegen de booze macht wel veel lijden maar toch ten slotte triumfeeren
zal. De weg voor het menschelijk geslacht zal van nu voortaan door lijden
tot heerlijkheid gaan, door strijd tot overwinning, door het kruis naar
de kroon, door den staat der vernedering tot dien der verhooging. Dit
is de grondwet, die God hier afkondigt voor den ingang in het koninkrijk
der hemelen. De straf over de vrouw, Gen. 3:16, treft haar beide als
moeder en als vrouw; zij zal juist als vrouw veel smart hebben te
dragen; het hoogste, wat zij wenscht, n.l. om moeder te zijn, zal zij niet
anders kunnen verkrijgen dan in den weg van velerlei lijden, begeerte
naar, onderwerping aan den man, baren met smart; maar zoo zal zij dan
toch haar hoogsten wensch verkrijgen, en haar bestemming bereiken; zij
zal een moeder van levenden zijn, ofschoon zij door haar overtreding en
verheffing boven den man den dood had verdiend, en zij zal zalig zijn in
kinderen te baren, 1 Tim. 2:15. De straf over den man, Gen. 3:17-19
bestaat daarin, dat het aardrijk om zijnentwil wordt vervloekt, dat hij
brood eten zal in het zweet des aanschijns en na een leven van arbeid en
moeite tot stof zal wederkeeren. Daarmede in verband wordt hij dan uit
het paradijs verdreven en de wijde wereld ingezonden, Gen. 3:22-24. Maar
ook deze straf is een zegen. Arbeid adelt; hij bewaart den mensch voor
moreelen en physischen ondergang, prikkelt zijne energie en verhoogt
zijne activiteit. Al is het ook, dat de mensch gebannen wordt uit het
paradijs, hij wordt toch niet verwezen ter helle; hij wordt de wereld
ingezonden, opdat hij deze door moeitevollen en ingespannen arbeid
onderwerpe en beheersche. Hierin ligt de aanvang en het beginsel van
alle cultuur; de heerschappij des menschen is niet ganschelijk verloren
maar wordt door arbeid uitgebreid, Ps. 8; ook in den gevallen mensch is
het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd, nog herkenbaar. Ja zelfs
de tijdelijke dood is niet alleen eene straf maar ook eene weldaad;
God heeft den dood ingesteld, opdat de zonde niet onsterfelijk zou
zijn, Iren., adv. haer. III 23. 6. Na den val treedt er dus aanstonds
tweeërlei principe in werking: toorn en genade, gerechtigheid en
barmhartigheid. Daaruit is ook alleen eene wereld te verklaren, gelijk
wij die kennen. Deze is eene wereld vol van humor, δακρυοεν γελασασα,
staande in het teeken des kruises, en terstond na den val gegeven aan
Christus, den man van smarten, opdat Hij ze behouden en onderwerpen zou.
Nadat God alzoo de straf heeft uitgesproken, buigen Adam en Eva
deemoedig het hoofd; zij brengen niets meer in, leggen de hand op den
mond, en nemen het woord Gods zonder eenige tegenwerping aan. Dat
woord klinkt wel ongeloofelijk, de waarheid ervan kan eerst in verre
toekomst blijken, maar toch gelooven zij het, blind in de toekomst en
ziende in het gebod. Steunende op Gods belofte noemt Adam zijne vrouw
Eva, leven, bron van leven, moeder der levenden. Vóór den val zag hij
in haar vooral de vrouw, die hem ter hulpe werd gegeven, en noemde ze
daarom manninne. Maar nu aanschouwt hij allereerst in haar de moeder en
noemt ze Eva. Dood en verderf zijn wel verdiend, maar Gods zegen maakt
toch de vrouw vruchtbaar, en doet uit haar eene menschheid voortkomen,
die in haar grootsten zoon, den Zoon des menschen, alle booze macht der
zonde overwinnen zal. Adam ziet in de belofte Gods de voortplanting,
het bestaan, de ontwikkeling, de behoudenis van het menschelijk
geslacht gewaarborgd en neemt haar als zoodanig aan met een echt
kinderlijk geloof. En dit geloof werd hem gerekend tot rechtvaardigheid.
Principieel bevat Genesis 3 heel de historie der menschheid, alle
wegen Gods tot redding van het verlorene en tot overwinning der zonde.
Zakelijk is hier het gansche evangelie, heel het verbond der genade
aanwezig. Al het volgende is ontwikkeling van wat thans als kiem reeds
geplant is.
2. Toch wordt in Gen. 3 het woord verbond nog niet genoemd; eerst bij
Noach, Abraham en Israel aan den Sinai is er sprake van. De nieuwe
kritiek meent, dat het ook hier nog is geantedateerd, en dat Israels
religie oorspronkelijk niet verschilde van die van andere volken. De
verhouding van Ihvh tot Israel was als die van Kamos tot Moab. De
idee van een tusschen Ihvh en zijn volk bestaand verbond was aan het
oude Israel geheel vreemd. Dit wist er niets van, dat God als de God
van hemel en aarde Israel uit alle volken verkoren, zich ten eigendom
gemaakt, en met zich in een verbond gesteld had. Al deze gedachten
zijn eerst veel later opgekomen. Zelfs bij Amos komt de bondsverhouding
nog niet voor; Hozea zegt alleen, dat men Israels ontrouw bij een
bondsbreuk vergelijken kan, 6:7. Eerst Deuteronomium is in waarheid
een bondsboek; het werd verbondsgewijze ingevoerd en aangenomen, 2 K.
23:3, cf. Jer. 34:8v. Ezr. 10:3, Neh. 10:1. Maar nu werd dat verbond
eerst, toen het opkwam, nog weer heel anders opgevat dan later. Men
verstond er toen vooral onder de verplichting van Israel tegenover
Ihvh, om een heilig volk te zijn en zijne wetten te onderhouden. Als
dus Israel het verbond niet hield, dan werd het verbroken en Israel
beladen met den vloek, Deut. 27 en 28. Maar ofschoon Israel het
verbond in de reformatie van Josia formeel aanvaardde, het hield er
zich niet aan, werd gestraft en in ballingschap gezonden. En toen
ontstond allengs de gedachte, dat Gods verbond bestond in eene wet,
die Hij had gegeven, dat God zich zelf verplicht had om Israel trouw te
blijven en ook, als het afviel, niet te verlaten; God kon Israel wel
straffen, maar het verbond niet vernietigen. Het uit de ballingschap
teruggekeerde Israel klemde zich aan deze bondsidee vast en legde
ze in het verleden, in de geschiedenis der aartsvaders, terug, cf.
Wellhausen, Gesch. Israels I 434 f. Smend, Altt. Theol. 116 f., en
vooral R. Kraetzschmar, Die Bundesvorstellung im A. T. in ihrer gesch.
Entw. Marburg Elwert 1896. Maar dit resultaat is verkregen door middel
van eene gewelddadige kritiek, die de feiten in het aangezicht slaat
en ten slotte niets dan willekeur is. Zoo heeten b.v. in Gen. 18:21
de woorden: zoo zal de Heere mij tot een God zijn, die werkelijk aan een
verbond doen denken, zeker een later toevoegsel. Ex. 21-23 draagt wel
den naam van het bondsboek en Ex. 34 bevat wel de bondswoorden, maar
deze stukken zijn niet uit Mozes’ tijd, en al zijn ze vóórdeuteronomisch,
zij behelzen toch geen formeel verbond zooals daarvan sprake is in de
dagen van Josia; misschien zijn ze ook wel nadeuteronomisch. Hos. 8:1 is
geinterpoleerd. Gen. 15:18 is het woord verbond maar de plechtige naam
voor den eed, waarmede God zich verplicht, aan Abrahams zaad het land
Kanaän te geven; van wederzijdsche verplichtingen is geen sprake enz.
Eene kritiek, die op deze wijze redeneert, krijgt geen zekerheid, dan
die zij zelve hebben wil. Eerst construeert zij op grond van de beweerde
onechtheid der geschriften de historie der religieuse voorstellingen,
en later bezigt zij deze zelfde gereconstrueerde historie, om de
onechtheid der tegen haar gerichte geschriften aan te toonen. Cf. G.
Vos, Recent Criticism of the early prophets, Presb. and Ref. Rev. April
1898 p. 214-238, ook Strack in eene recensie van Kraetzschmar’s boek,
Theol. Lit. Blatt 1898 n. 5. Voorts is de hoofdvraag bij het onderzoek
naar de bondsidee in de H. Schrift volstrekt niet deze, of het woord
ברית oorspronkelijk verbond dan wel inzetting beteekende. Sommigen
zooals Delitzsch, Gesenius, Dillmann, Schultz, Oehler, Wellhausen,
Guthe, Bredenkamp, König, Cremer zeggen het eerste, nemen als tweede
beteekenis verbondsvoorwaarde aan, en laten zoo den zin overgaan in
inzetting, wet, wijl eene wet in den weg des verbonds rechtsgeldigheid
verkrijgt. Anderen, zooals Hofmann, Buhl, Friedrich Delitzsch, Orelli,
Strack, Siegfried, Stade, Nowack meenen, dat bepaling, inzetting
de oudste beteekenis is, en dat deze in die van verbond overging,
omdat eene wet eene wederkeerige verhouding regelt. Aannemelijk zien
deze verklaringen er niet uit; ook is het onmogelijk, in de Schrift
den overgang van de eene tot de andere beteekenis historisch aan te
wijzen; nu eens overweegt deze, dan die beteekenis zonder dat men
daarbij oudere of jongere bronnen onderscheiden kan. Het begrip van
ברית is dan ook anders te bepalen. De afleiding verspreidt hierover
weinig licht. Volgens de meesten komt het van ברה, snijden en wijst
zoo terug op de oude Oostersche gewoonte, om bij eene bondssluiting
tusschen de tegenover elkander gelegde stukken van geslachte dieren
door te gaan, ter aanduiding daarvan, dat gelijk lot als deze dieren
den verbreker van het verbond mocht treffen, vandaar כרת ברית,
ὁρκια τεμνειν, foedus ferire, cf. Gen. 15:8v., Jer. 34:19; volgens
anderen komt het van een assyrischen stam, die binden beteekent,
Kraetzschmar 245. Hoe dit ook zij, uit Gen. 21:22v., 26:26v., 31:44v.,
blijkt duidelijk, dat er tot een ברית drie dingen behoorden, een eed
of belofte, die de overeengekomen bepalingen inhield, een vloek, die de
Goddelijke straf inriep over den verbreker, en eene cultische ceremonie,
die den vloek zinnebeeldig voorstelde. De sluiting van een ברית
was dus altijd eene religieuse handeling. Wel was het woord eerst
gebruikelijk op profaan gebied van bepalingen en verdragen tusschen
menschen. Lang voordat God met Noach en Abraham zijn verbond opricht,
waren er al verbonden tusschen menschen opgericht. En dit moest ook
zoo zijn, als Noach, Abraham, Israel de religie als een verbond zouden
begrijpen en waardeeren. Daarom komt het woord ook nog niet in Gen. 3:15
voor. Eerst toen in de zondige, leugenachtige menschelijke maatschappij
telkens ter verdediging of verkrijging van eenig goed verbonden noodig
werden, kon de beteekenis en de waarde van een verbond worden ingezien
en de religie onder dit gezichtspunt worden opgevat. Maar ook al wordt
ברית eerst van menschelijke verbonden gebezigd, het duidt toch
altijd eene religieuse handeling aan. De hoofdzaak in ברית is niet,
of het een verbond of eene inzetting aanduidt. Maar het geeft in het
algemeen te kennen zulk eene belofte, overeenkomst, verdrag, verbond,
bepaling, beschikking enz., welke door eene plechtige ceremonie onder
Gods hoede gesteld wordt en zoo een karakter van onverbrekelijkheid
verkrijgt, Kraetschmar t. a. p. 29. 30. 39-41. Of ברית meer een
tweezijdig verbond of een eenzijdige beschikking aanduidt, hangt niet
van het woord noch ook van de historische ontwikkeling van het begrip
af, maar wel eenvoudig van de partijen, die er bij betrokken zijn.
Naarmate eene van beide partijen ondergeschikter is en minder te
zeggen heeft, krijgt het ברית onwillekeurig het karakter van eene
beschikking, die door de eene partij aan de andere opgelegd wordt;
ברית wordt dan synoniem met חֹק, Ex. 34:10, Jes. 59:21, Jer.
33:20, 31:36, 34:13, en כרת ברית wordt niet alleen met עם en
בין maar ook met ל geconstrueerd, Jos. 9:6, Jes. 55:3, 61:8,
Jer. 32:40. Als de overwinnaar met een overwonnene, of een koning met
zijne onderdanen een ברית sluit, valt al de nadruk op de plichten,
die de laatsten daarbij hebben na te komen, Jos. 9, 1 Sam. 11, 2 S.
5:3, 1 Kon. 20:34, Ez. 17:13. Nog sterker wordt de beteekenis van
beschikking en inzetting, als er overdrachtelijk sprake is van een
ברית met de oogen, Job 31:1, met de steenen en de dieren, Job
5:22, 40:28, met den dood, Jes. 28:15, van God met de natuur, Gen.
8:22, Jer. 33:20, 25, of met de dieren, Gen. 9:12, Hos. 2:17-22, Jes.
11:6 enz. Maar ook als God en mensch een verbond sluiten, treedt
vanzelf het monopleurisch karakter telkens sterk op den voorgrond; het
zijn toch geen gelijke partijen, maar God is de Souverein, die aan de
schepselen zijne ordinantiën oplegt. Als God in Gen. 15:8v., met Abram
een verbond sluit, is dat geen eigenlijke pactio maar eene sponsio;
God geeft zijne belofte, Hij verbindt zich tot hare vervulling en gaat
tusschen de stukken van het offerdier door. En elders zweert Hij bij
zichzelf, Gen. 22:16, bij zijn leven, Deut. 32:40, bij zijne ziel, Am.
6:8, Jer. 51:14, om maar den mensch te bewijzen het onveranderlijke van
zijnen raad, Hebr. 6:17. En dit monopleurisch karakter van het verbond
moest in de historie steeds helderder in het licht treden. Want wel
legde het verbond Gods ook aan degenen, met wie het gesloten werd,
verplichtingen op; verplichtingen n.l., niet als voorwaarden tot het
ingaan in het verbond, want het verbond was gesloten en rust alleen in
Gods ontferming, maar wel als weg, dien de uit genade in het verbond
opgenomenen nu voortaan hadden te bewandelen, Gen. 17:1, 2, Ex. 19:5,
6, 8, 24:3, 7, Lev. 26:14v., Deut. 5:29, 27:10v, 28:1v., 30:1v. enz.
Maar al nam Israel het verbond Gods telkens bij vernieuwing aan, Ex.
19:8, 24:3, 7, Deut. 29:10-13, Jos. 24:16, 2 Kon. 23:3, 2 Chr. 15:12,
23:16, 29:10, 34:31, Neh. 8 enz., het wandelde niet in den weg des
verbonds en ontheiligde en verbrak het ieder oogenblik. Zoo rees de
vraag, of dit verbond der genade dan even wankel was als het verbond
der werken vóór den val. En daarop gaf de openbaring ten antwoord,
en steeds krachtiger en luider, naarmate de afval toenam: neen, dit
verbond wankelt niet; menschen mogen ontrouw worden, maar God vergeet
zijne belofte niet, het verbond ligt enkel en alleen vast in zijne
ontferming, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31, 30:1v., 32:36v., Richt. 2:1,
2 Kon. 13:23, Ps. 81:9, 12, 89:1-5, 105:8-10, 106:45, 111:5, Jes.
1:3, 5:13, 54:10, Jer. 18:5-10, Ezech. 33:10-16, Hos. 6:1-3, 11:7-9,
14:2-9, Joel 2:12-14. God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij
heeft er zich vrijwillig, uit zichzelf, met een duren eed toe verbonden;
zijn naam, zijn eere, zijn wezen zelf hangt eraan, Ex. 32, 33, Num.
14:16, Deut. 32:26, 1 Sam. 12:22, Jes. 48:8-11, Jer. 14:7, 20, 21,
Ezech. 20:9, 14, 22, 43, 44, Joel 2:17-19 enz. En hierin schittert de
heerlijkheid der religie, welke wij als Christenen belijden. Vroeger, deel
II 551v. is aangetoond, waarom de ware religie de gedaante van een
verbond moet dragen. In haar daalt God tot den mensch af, en neemt hem
op in zijne gemeenschap. Maar als God zich zoo geeft aan den mensch,
dan is deze ook gehouden, zich geheel te geven aan God. Het verbond,
dat van God uitgaat en ons opneemt, vermaant en verplicht ons tot eene
nieuwe gehoorzaamheid. Maar als wij dan somtijds uit zwakheid in zonden
vallen, zoo moeten wij toch daarom aan Gods genade niet vertwijfelen noch
in de zonden blijven liggen, want het verbond der genade ligt vast in
het onveranderlijk welbehagen Gods. Deze onverbrekelijkheid, die in het
woord ברית ligt opgesloten, is waarschijnlijk ook de reden waarom
het in de LXX niet door συνθηκη maar door διαθηκη is weergegeven.
Het N. T. nam dit over en paste het beide op de O. en op de N. T.
bedeeling van het genadeverbond toe. Opmerking verdient, dat onze
Statenvertaling evenals ook de engelsche overzetting, het woord διαθηκη
in het eerste geval door verbond Luk. 1:72, Hd. 3:25, 7:8, Rom. 9:4,
11:27, Gal. 3:15, 17, 4:24, Ef. 2:12, Hebr. 9:4, en in het tweede door
testament vertaalt, Mt. 26:28, Mk. 14:14, Luk. 22:20, 1 Cor. 11:25, 2
Cor. 3:6, Hebr. 9:15, 12:24, 13:20. Er ligt daaraan de gedachte ten
grondslag, dat het begrip foedus meer past op de bedeeling des O. T.
en het begrip testamentum meer op die des N. T., cf. Bengel op Mt.
26:28. Nadat het verbond met het vleeschelijk Israel is verbroken,
is daarvoor in de plaats getreden het geestelijk Israel, dat naar
Gods verkiezing vergaderd wordt uit alle volken, dat de goederen des
heils als bij testamentaire beschikking van den Zoon ontvangt, in
kindschapsverhouding tot God staat en de hemelsche zaligheid als eene
erfenis verwacht, Luk. 22:29, Rom. 8:16, Gal. 3:15-17, Hebr. 9:15-17, 1
Joh. 3:1, 2, 1 Petr. 1:4. Litteratuur over de leer des verbonds in de
Schrift bij Kraetzschmar t. a. p. 1v.
3. Uit de Schrift ging deze bondsidee vanzelve over in de christelijke
theologie. Bij de kerkvaders komt zij, vooral in hunne commentaren,
telkens voor. Maar dogmatische beteekenis kreeg de leer van het verbond
daardoor, dat de christelijke religie begrepen moest worden in haar
verband met en tegelijk in haar onderscheid van de Israelietische.
Twee richtingen stonden hierin, reeds van de dagen der apostelen af,
tegenover elkaar. Het Judaisme, dat in bijna alle gemeenten tegen
Paulus’ persoon en leer optrad, eischte onderhouding van de Mozaïsche
wet, bepaaldelijk van de besnijdenis, ook door de Christenen uit de
Heidenen, Hd. 15, Rom. 16:17v., 1 Cor. 7:18, Gal. 5:4, 6:13, Phil.
1:15v., 3:2v., Col. 2:16, 21, Tit. 1:10, 14, 2:9, 1 Tim. 1:7v.,
en werd, nadat de breuke tusschen Joden en Christenen voltrokken,
Jeruzalem verwoest, de christelijke gemeente naar Pella gevlucht, eene
heiden-christelijke gemeente in Jeruzalem 135 gesticht was enz., meer
en meer tot eene secte (Nazareërs, Ebionieten), die joodsch werd in
haar leer over God en de Godheid van Christus ontkende. Aan den anderen
kant stond het Gnosticisme, dat ook reeds in den tijd der apostelen
zijne oorsprongen had (Simon Magus, Cerinthus), maar vooral in de 2e
en 3e eeuw van het Oosten over het Westen zich verbreidde en in den
persoon van Marcion zijne scherpe aanvallen richtte op het O. Test.
Uitgaande van een eeuwig dualisme tusschen God en de stof, dacht hij den
overgang tusschen beide door allerlei aeonen bemiddeld, en schreef de
schepping der wereld aan een lageren god, den demiurg of den Jodengod
toe. Deze was niet de hoogste, ware God, maar een God van lager rang,
de God der wet, der gerechtigheid en der wraak. Het O. T. stond veel
lager dan het N. T., want de God des O. T. is jaloersch, wraakzuchtig,
schepper van het kwade; Hij verstokt en verhardt, beveelt allerlei
zonden zooals het bestelen der Egyptenaren, het dooden der Kananieten;
Hij gaf wetten, die niet goed waren, en trad in verbond met mannen als
Abraham, Izak, Jakob, David enz., die aan allerlei zonden van bedrog,
leugen enz., zich schuldig maakten. Het is die Jodengod, de demiurg,
die zelfs Christus aan het kruis liet slaan, maar door Christus zelf
ter helle verwezen werd. In Christus heeft een geheel andere God
zich geopenbaard, de God der genade en der liefde. Heel het wettisch
standpunt is daarom voorbij. De Christen is vrij van de wet en van heel
het O. Test. De eenige, die dit terstond goed heeft ingezien, is
Paulus; hij is de eenige, ware apostel.
Tegenover deze beide partijen zag de christelijke kerk en theologie zich
geroepen tot eene dubbele taak. Zij moest tegenover het Gnosticisme de
eenheid en tegenover het Judaisme het onderscheid der beide testamenten
handhaven, cf. vooral Irenaeus, adv. haer. IV. Tertull., adv. Marc. II
en III. Zij bediende zich daartoe van Paulus’ leer aangaande de παλαια
en καινη διαθηκη, 2 Cor. 3, lat. testamentum of instrumentum, dat
dan eerst op de oeconomieën, daarna op de Schriften toegepast werd.
Beide zijn één in oorsprong en inhoud; God of de Logos is de auteur van
beide, en in beide wordt één geloof, één verbond, één weg ter zaligheid
voorgesteld. Onderscheid is er alleen in den vorm, en dit moest ook zoo
zijn. Want God is wel één maar de menschen verschillen en moeten daarom
ook verschillend opgevoed worden; God openbaart zijne genade successief
steeds rijker en voller. In de dagen des O. T. was er knechtschap,
maar nu vrijheid, toen beeld, nu waarheid; toen schemer, nu licht;
toen genade voor één volk, nu voor allen; toen de Messias beloofd, nu
gekomen enz. Dit onderscheid doet echter aan de wezenlijke eenheid niet
te kort, want de wet werd speciaal aan Israel gegeven en alleen gegeven
om zijne hardnekkigheid, Am. 5:17, Jer. 7:21, Ezech. 20:19, wees typisch
naar Christus heen, voedde Israel voor den Christus op en heeft in
Christus haar doel en einde bereikt. En daarom: N. T. in Vetere latet,
V. T. in Novo patet. Vetus Novum praeoccupat et Vetus interpretatum est
Novum, Vetus T. est occultatio Novi, et Novum est revelatio Veteris. Ἡ
διαφορα οὐκ ἐστιν κατα την οὐσιαν ἀλλα κατα την των χρονων ἐυαλλαγην.
Zelfs kreeg het O. T. in de hierarchie, priesterschap en offeridee,
in de wettische opvatting van het evangelie, in cultus, schilderkunst
enz. eene groote macht over de kerk, die in veel opzichten eene O. T.
theocratie wilde zijn, cf. art. διαθηκη in Suicerus. Diestel, Gesch.
des A. T. in der Chr. Kirche Jena 1869. Harnack, D. G. I² 531 f. Maar
toch werd daarbij de kerk in de nieuwe bedeeling hoog boven de oude
gesteld. In de scholastieke en Roomsche theologie werd het onderscheid
van beide testamenten zoo aangegeven, dat de promissa in het O. T.
temporalia waren en nu coelestia zijn; dat de praecepta toen exterius
regulantia waren, maar nu pleniora zijn, non solum manum sed et mentem
regulantia; dat de sacramenta toen slechts waren figuralia, nu gratiam
conferentia, Lombardus, Sent. III dist. 40 en andere comm. Thomas, S.
Th. III qu. 60 art. 6 ad 3. qu. 61 art. 4 ad 2. In verband daarmede
kwamen de geloovigen des O. T. ook niet aanstonds in den hemel, maar in
den limbus patrum, waaruit zij eerst door Christus naar den hemel werden
overgebracht, Thomas, Suppl. S. Theol. qu. 69 art. 4-6. Bellarminus, de
Christo IV 10. 11. Catech. Rom. I 3, 4, I 6, 6.
4. De Hervorming zag tegenover en naast zich allerlei richtingen,
tegenover welke zij ook op dit punt hare verhouding moest bepalen.
Judaistische en gnostische denkbeelden hadden in de Middeleeuwen zich
voortgeplant en lieten ook thans haar invloed gelden. Het Anabaptisme
was radikaal, wilde niet alleen religieus-ethische maar ook sociale en
politieke hervorming, en verlangde met beroep op de Schrift afschaffing
der rente, polygamie, gemeenschap van goederen enz. Dezelfde
tegenstelling van natuur en genade, van waaruit het eerst invoering van
allerlei O. en N. T. verordeningen wenschte, deed langzamerhand heel
de Schrift achterstellen bij het inwendige woord. De Schrift was eene
doode letter; vooral het O. T. miste allen evangelischen inhoud; Israel
werd als eene kudde zwijnen alleen door tijdelijke goederen gevoed; de
wet heeft alle waarde en kracht voor ons verloren, M. Vitringa IV 238.
Diestel 307 f. Het Socinianisme kwam door zijn rationalistisch beginsel
tot gelijk resultaat. Het O. T. staat veel lager dan het Nieuwe; het
leert polygamie, beperkt de naastenliefde, schrijft vele deugden in het
geheel niet voor, bepaalt op kleine zonden veel te zware straffen; het
kent alleen slaafsche vreeze en aardsche belofte; het weet van geen
volle gerechtigheid en vergeving; het is daarom volkomen afgeschaft,
en Christus is opgetreden als novus legislator, Fock, Der Socin. 325.
Diestel 535. Het Arminianisme sprak niet zoo boud maar vatte het O.
T. toch op als een verbond, dat alleen tijdelijke goederen beloofde,
Episcopius, Disp. II disp. 18-20. IV disp. 12-14. Limborch, Theol. Chr.
III c. 9. M. Vitringa IV 242. Zelfs Luther stelde O. T. en N. dikwerf
als wet en evangelie tegenover elkaar, maar werd later voorzichtiger
en leerde, dat er ook in het O. T. rijke, evangelische beloften waren,
Köstlin, Luthers Theol. I. 84 f. II 258. Toch werkte deze opvatting
in de Luthersche theologie na. Wel neemt zij aan, dat er in O. en N.
T. slechts één Messias, één geloof, één weg der zaligheid is, maar
zij weigert toch te zeggen, dat er maar één testament is. Het woord
testament duidt bij haar dat wettisch verbond aan, hetwelk op Sinai met
Israel werd opgericht; en in dezen zin verschilt het wezenlijk van, is
het tegengesteld aan en afgeschaft door het N. Test. Er zijn in het O.
T. wel vele beloften aan Israel gegeven, die ook ons nog gelden, maar
het O. Testament als wettisch verbond Gods met Israel was geen foedus
gratiae. De beloften des evangelies, aan Adam, Abraham enz. gegeven,
mogen wel onder den naam van foedus gratiae worden samengevat, maar
ook dit foedus gratiae in het O. T. verschilt dan niet slechts in
accidentia doch ook in substantia van het N. Test., gelijk de belofte
van de vervulling, de schaduw van het lichaam verschilt, Gerhard, Loci
XIV 119 sq. Quenstedt, Theol. IV p. 255-280. Hollaz, Examen 1043-1053.
Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 258.
Het rijkst is de verbondsleer ontwikkeld in de Geref. theologie. De
foederaaltheologie is niet afkomstig van Coccejus, gelijk Ypey meende,
Beknopte letterk. Gesch. der syst. Godg. II 70v., en is ook geen
eigenaardigheid van die Duitsch-Geref. theologie, welke in Melanchton
haar vader zou hebben, zooals Heppe het voorstelde in zijne Geschichte
en in zijne Dogmatik des deutschen Protestantismus. De onjuistheid van
deze gevoelens wordt thans door allen erkend, Sepp, Godg. Ond. II 220.
Schweizer, Gl. der ref. K. I 103. Gass, Gesch. d. prot. Dogm. II 265.
Schneckenburger, Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs II 146.
Diestel, Studien zur Foederaltheol., in Jahrb. f. d. Theol. X 209. Van
den Bergh, Calvijn over het Genadeverbond bl. 7 v. Heppe, Gesch. d.
Pietismus u. d. Mystik in der ref. Kirche 1879 enz. Dezen gaan allen
tot Olevianus, Calvijn of Bullinger terug. De bondsidee is echter al
opgenomen door Zwingli, die in zijn Elenchus contra Anabaptistas 1527,
Opera III 412 sq. 418 sq. 421 sq. V 45 de wezenlijke eenheid handhaafde
van Oud en Nieuw Testament. Van Zwingli werd ze dan overgenomen in de
Zwitsersche theologie, Bullinger, de testamento seu foedere Dei unico
et aeterno 1534, Comp. relig. Christ 1556, Decades 1549v., Calvijn,
Inst. II c. 10. 11, cf. van den Bergh, Calvijn over het genadeverbond
en de beoordeeling van deze dissertatie door Dr. van Dijk, Studien VII
1880 1e stuk; in de Duitsche Geref. theologie van Olevianus, Ursinus,
Sohnius, Eglin, Boquinus, Hyperius enz; in de Engelsche theologie van
Rollock, Howie, Cartwright, Preston, Thomas Blake, Perkins, Amesius,
John Ball, James Usher, de Westm. conf. c. 7, Francis Roberts, Thomas
Boston enz. cf. Vos, De verbondsleer in de Geref. Theol. 1891; in
Nederland door Snecanus, Junius, Gomarus, Trelcatius vader en zoon,
Nerdenus, Ravensperger enz. Lang vóór Cloppenburg en Cocecjus was dus
de leer der verbonden in de Geref. Theol. inheemsch. Maar deze beiden
maakten de bondsidee tot uitgangspunt en beheerschend beginsel der
gansche dogmatiek, Cloppenburg, Disp. de fordere Dei, Op. I 487-570,
Coccejus, Summa doctrinae de foedere et test. explicata 1648, en zoo
ook Burman, Synopsis 1671, Braun, Doctrina foederum 1688, Witsius,
de oec. foed. 1677. De strijd tegen Coccejus liep rechtstreeks heel
niet over de verbondsleer, die door allen erkend werd, maar over den
sabbat bij Essenius en Hoornbeek 1655-1659, over den toestand der kerk
in de tweeërlei huishouding bij Maresius 1662, over de παρεσις in
het O. T. bij Voetius 1665. Wat in Coccejus bestreden werd, was niet
zijn foedusbegrip, maar zijn bijbelsche theologie en zijne historische
methode. Evenals Cartesius in de philosophie, zoo kwam Coccejus in de
theologie op tegen de scholastiek en het traditionalisme; drong aan op
Schriftstudie en wilde eene summa theologiae ex Scripturis repetita,
gelijk de titel zijner dogmatiek luidde. Om dat te verkrijgen, ging hij
niet uit van God en van zijn eeuwigen raad, maar nam hij zijn standpunt
in de historie en het verbond Gods met de menschen. Zijne dogmatiek
werd dus heilshistorie, een bijbelsche theologie in geschiedkundigen
vorm, waarvan de Schrift niet principium en norma maar object en inhoud
was. Dat verbond, d. i. de ware religie ging hij historisch na van
zijne eerste aanvangen af tot op den tegenwoordigen tijd toe; en hij wees
overal de ontwikkeling en den vooruitgang van dat verbond, van de ware
religie, aan. Er was dus niet alleen verschil, gelijk de Gereformeerden
zeiden, in duidelijkheid van openbaring, d. i. in helderheid van
inzicht en klaarheid van bewustzijn. Neen, er was verschil in de
objectieve weldaden zelve onder de verschillende bedeelingen van het
genadeverbond. De zaligheid was in het O. T. objectief geringer dan
in het N. T. In het O. T. bestond de sabbat in cessatio operis, had
Israel nog geen vera et permanentia bona, maar was het een volk der
hope, verlangend naar een lang aardsch leven, en nog door vreeze des
doods bevangen. Het had geen volle ἀφεσις maar alleen παρεσις; de
rechtvaardigmaking was onvolkomen; het dieroffer kon geen verzoening
aanbrengen; de troost der geloovigen was nog zwak, hun geweten nog niet
gerust, de besnijdenis des harten werd wel beloofd maar werd eerst een
goed des N. T., de wet werd bediend door engelen, i. é. w. in het O. T.
was alles wel aanwezig, maar alleen in type en schaduw; de realiteit
der zaak zelve ontbrak of was althans veel geringer. Niet subjectief
maar ook objectief, niet alleen in accidentia maar ook in substantia
was het O. T. een ander dan het nieuwe. Ja, Coccejus ondermijnde
zelfs heel de verbondsleer, als hij het genadeverbond uitsluitend
negatief opvatte, als een langzame, historisch en successief zich
voltooiende afschaffing van het werkverbond. Ten slotte bleef er
van het verbond niets over; het was maar een tijdelijke, menschelijke,
steeds zich wisselende vorm der religie. Cf. Gass, Gesch. der prot.
Dogm. II 266 f. Art. Coccejus van Ebrard in Herzog². Heppe, Gesch. des
Pietismus 217 f. Diestel, Jahrb. f. d. Th. 1865. Van der Flier, De
Johanne Coccejo 1859, ook deel I 121 en Dr. Geesink, De Ethiek in de
Geref. theol. 1897 bl. 49v. Coccejus verliet daarmede zonder twijfel
het uitgangspunt en de lijn der Geref. theologie. Dit werd terstond
door velen gevoeld, en daarom ook min of meer bestreden. Maar het
was meer een aanval op ondergeschikte punten dan eene principieele
bestrijding. Het Coccejanisme, straks met het Cartesianisme in bond,
won steeds meer ingang en leidde niet alleen tot oppositie tegen
verschillende dogmata maar droeg ook bij tot degradeering van het O.
T. Overal drong onbewust de meening door, dat het O. T. nog slechts
historische waarde had en dogmatisch van geen belang meer was. Uit
deze veranderde dogmatische beschouwing werd vanzelf te harer tijd
de historische kritiek van het O. T. geboren, sedert Spinoza en R.
Simon. Het rationalisme en supranaturalisme had van de beteekenis en
waarde des O. T. niet het minste besef. Volgens Kant was het Jodendom
slechts ein Inbegriff bloss statutarischer Gesetze, auf welchen eine
Staatsverfassung gegründet war; de moralischen Zusätze waren maar een
aanhangsel en er niet wezenlijk aan eigen; het Jodendom wilde heel
geen kerk maar alleen staat zijn en vorderde daarom alleen uitwendige
waarneming der geboden, geen innerlijke gezindheid. Het Christendom is
niet uit het Jodendom voortgekomen, maar is er de volle afschaffing
van, Religion ed. Rosenkranz S. 150 f. Bij Schleiermacher is het
Jodendom wegens zijn particularisme nog verwant met het feticisme,
Chr. Gl. § 8. 4 en staat het in zijne verhouding tot het Christendom
gelijk met het Heidendom, § 12, cf. § 132. Hegel plaatste het Jodendom
als de Religion der Erhabenheit nog beneden de Grieksche religie der
schoonheid en de Romeinsche religie der doelmatigheid, Werke XII
39 f. Vatke en Bruno Bauer, beiden leerlingen van Hegel, zochten
deze wijsgeerige beschouwing van het O. Test. door de historische
kritiek der Bijbelboeken te bevestigen. De Schriftkritiek der laatste
eeuw heeft niet de wereldbeschouwing veranderd, doch de gewijzigde
wereldbeschouwing vergde een dikwerf zeer negatief oordeel over
de groote feiten der Heilige Schrift, v. d. Bergh van Eysinga,
Levensbeschouwing, Zutphen Thieme bl. 25. In de O. T. Schriftkritiek
zijn dan ook heden ten dage alle beschouwingen teruggekeerd, die vroeger
door de Gnostieken, Anabaptisten, Socinianen, Rationalisten over het O.
T. werden voorgedragen. Jahveh is niet de ééne, ware God, de Vader van
onzen Heere Jezus Christus, maar een volksgod van Israel, oorspronkelijk
een zonnegod. Het volk van Israel is niet door God verkoren, maar
was oudtijds eene woeste horde van verschillende stammen, die aan
allerlei polytheisme waren overgegeven. De verhalen van schepping, val,
zondvloed, aartsvaders, richters enz. zijn mythen en sagen, ten deele
aan andere volken ontleend. De wet staat veel lager dan de profeten
en draagt dikwerf een uitwendig, zinnelijk, eudaemonistisch karakter.
De heiligen des O. T., zooals Abraham, Izak, Jakob, en vooral David
zijn dien naam niet waard en hebben in het geheel niet bestaan of zijn
door het nageslacht geidealiseerd. Het onderscheid van ware en valsche
profeten is geheel subjectief. Het Christendom is minstens evenzeer
door het Heidendom als door het Jodendom voorbereid.
5. De leer des verbonds is voor de dogmatiek en tevens voor de
practijk van het christelijk leven van de grootste beteekenis. Meer dan
Roomsche en Luthersche, heeft de Gereformeerde kerk en theologie dit
begrepen. Op grond van de H. Schrift vatte zij de ware religie des O.
en N. T. steeds op als een verbond tusschen God en mensch, hetzij dit
opgericht werd met den niet-gevallen mensch (foedus operum), of met de
schepping in het algemeen bij Noach (foedus naturale), of met het volk
der verkiezing (foedus gratiae). En zelfs hierbij bleef zij niet staan,
maar voor deze verbonden in den tijd zocht zij een vasten, eeuwigen
grondslag in den raad Gods, en vatte dezen raad als bedoelende de
behoudenis van het menschelijk geslacht ook weder op als een verbond
van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf (pactum salutis, raad
des vredes, verbond der verlossing). Dit laatste verbond komt kort en
zakelijk reeds voor bij Olevianus, Wezen des Genadeverbonds, 2e art. §
1. Junius, Theses Theol. c. 25 th. 21. Arminius, de sacerdotio Christi
1603. Gomarus op Mt. 3:13, Luk. 2:21. Theses Theol. XIX 1. Amesius,
de morte Christi I 5. Voetius, Disp. II 266. Essenius, de subjectione
Christi ad legem X 2; wordt dan verder in den breede ontwikkeld door
Cloppenburg, de foedere Dei III 4-28 en Coccejus, Summa de foedere
c. 5; krijgt daarna eene bepaalde plaats in de dogmatiek bij Burman,
Braun, Witsius, Vitringa, Turretinus, Leydecker, Mastricht, Marck,
Moor, Brakel, om dan door Deurhof. Over natuurkundige en schriftuurlijke
samenstelling van de H. Godg. I 12, Wesselius in de voorrede voor
Pictets Godgeleerdheid en anderen bestreden te worden en weder allengs
geheel uit de dogmatiek te verdwijnen. De ontwikkeling van de leer
van het pactum salutis bij de Gereformeerden was ook van scholastieke
spitsvondigheid niet vrij. De locus classicus Zach. 6:13, die voor deze
leer aangehaald werd, bewijst niets en zegt alleen, dat de het koning-
en het priesterschap in zich vereenigende Messias den vrede van zijn
volk beraadslagen en bevorderen zal (Keil). Uit Job 17:3, Jes. 38:14,
Ps. 119:122, die echter geen van alle op den Messias zien, en Hebr.
7:22, waar alleen staat, dat Christus, omdat Hij eeuwig leeft, borg is,
dat het nieuwe verbond eeuwig zal blijven bestaan, werd afgeleid, dat
Christus van eeuwigheid in het pactum salutis borg was geworden; en
wel niet van God bij ons, gelijk Crell op Hebr. 7:22, Limborch, Theol.
Christ. III 21, 7, beweerden, want God als de Waarachtige heeft geen
borg noodig, maar van ons bij God, Coccejus, de foedere V § 150-162,
Owen op Hebr. 7:22, Witsius, Oec. foed. II c. 5, Heidegger, Corp.
Theol. XI 23, van den Honert, Het Hoogepr. van Christus 1712 bl. 403,
Boston. Eene beschouwing van het Verbond der genade, 2e dr. 1868 bl.
68 enz. Verder werd aan de juristen de onderscheiding ontleend van
fidejussor en expromissor en de vraag behandeld, of Christus in het
pactum salutis de zonden der O. T. uitverkorenen conditioneel, dan wel
absoluut had op zich genomen; het eerste zeiden Coccejus, de foed. §
150-162, Wittichius, Theol. pacif. § 290, Allinga, van Til, d’Outrein,
Perizonius e. a. cf. Heppe, Dogm. 270; het laatste zeiden Leydecker,
Fax Verit. V 7, Vis Verit. II 1, Filius Dei sponsor 1674, Turretinus,
Th. El. XII 9, Mastricht V 1, 34, Voetius, Disp. V 346, Moor IV
569-580, M. Vitringa III 12 enz. En eindelijk werd ook het geschilpunt
besproken, of dit pactum salutis meer het karakter droeg van een
testament met beroep op Luk. 22:19, Joh. 17:24, Hebr. 6:17, 8:6, 9:15,
13:20, gelijk Coccejus, Burman, Heidegger, Schiere, Doctrina test. et
foed. I c. 10 beweerden, dan wel van een verbond, zooals Leydecker, Fax
Verit. V 6, Wesselius e. a. staande hielden. Toch rust deze leer van
het pactum salutis, trots haar gebrekkigen vorm, op eene Schriftuurlijke
gedachte. Als Middelaar toch is de Zoon aan den Vader ondergeschikt;
noemt Hem zijn God, Ps. 22:3, Joh. 20:17, is Hij zijn knecht, Jes. 49v.,
wien een werk is opgedragen om te doen, Jes. 53:10, Joh. 6:38-40,
10:18, 12:49, 14:31, 17:4, en die voor de volbrachte gehoorzaamheid
Mt. 26:42, Joh. 4:34, 15:10, 17:4, 5, 19:30, loon ontvangt, Ps. 2:8,
Jes. 53:10, Joh. 17:4, 11, 17, 24, Ef. 1:20v. Phil. 2:9v. Deze relatie
tusschen Vader en Zoon, ofschoon tijdens de omwandeling van Christus op
aarde het duidelijkst uitkomende, is toch niet eerst ingegaan in het
moment der vleeschwording, want deze vleeschwording behoort reeds tot
de uitvoering van het aan den Zoon opgedragen werk; maar zij valt in
de eeuwigheid en bestond dus ook reeds gedurende den tijd des O. T. De
Schrift leert dit ook duidelijk, als zij de leiding van Israel aan den
Malak Ihvh toeschrijft, Ex. 3:2v., 13:21, 14:19, 23:20-23, 32:34, 33:2,
Num. 20:16, Jes. 63:8, 9, en Christus ook reeds in de dagen des O. T.
ambtelijk werkzaam laat zijn, Joh. 8:56, 1 Cor. 10:4, 9, 1 Petr. 1:11,
3:19. Er is immers ook maar één Middelaar Gods en der menschen, Joh.
14:6, Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5, die gister en heden en eeuwig dezelfde is,
Hebr. 13:8, die van eeuwigheid tot Middelaar is verkoren, Jes. 42:1,
43:10, Mt. 12:18, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 4:28, 1 Petr. 1:20, Op. 13:8,
en als Logos ook eeuwig bestond, Joh. 1:1, 3, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor.
8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz. De Schrift geeft ons door dit alles eene
rijke en heerlijke voorstelling van het werk der verlossing. Het pactum
salutis doet ons de verhouding en het leven der drie personen in het
Goddelijk wezen kennen als een verbondsleven, als een leven der hoogste
zelfbewustheid en der hoogste vrijheid. Hier, binnen het Goddelijk
wezen, heeft het verbond zijne volle realiteit; terwijl het verbond van
God en den mensch wegens beider oneindigen afstand altijd min of meer
het karakter draagt van eene souvereine beschikking, διαθηκη, is het
hier tusschen de drie personen eene συνθηκη in vollen zin. De hoogste
vrijheid en de volkomenste overeenstemming vallen hier samen. Het werk
der zaligheid is een werk der drie personen, waartoe allen medewerken
en waarin elk zijne bijzondere taak verricht. In de besluiten, ook in
die der praedestinatie, trad de ééne wil Gods op den voorgrond en kwam
het trinitarisch karakter nog niet zoo duidelijk uit. Maar hier in het
pactum salutis komt het verlossingswerk uit in zijne volle Goddelijke
schoonheid. Het is het Goddelijk werk bij uitnemendheid. Gelijk bij de
schepping des menschen God vooraf opzettelijk met zichzelven te rade
gaat, Gen. 1:26, zoo treedt bij de herschepping ieder der drie personen
nog duidelijker in zijn onderscheiden karakter op. De herschepping is
evenals de schepping een werk van God alleen; uit, door, tot Hem zijn
alle dingen; geen mensch is zijn raadsman geweest of heeft Hem eerst
gegeven, dat het hem zou wedervergolden worden. Het is God drieëenig
alleen, Vader, Zoon en Geest, die samen het gansche werk der zaligheid
uitdenken, vaststellen, uitvoeren, en ten einde brengen. Maar voorts
legt dit pactum salutis ook verband tusschen het eeuwige werk Gods ter
zaligheid en datgene, wat Hij daartoe doet in den tijd. Het verbond der
genade, dat in den tijd wordt geopenbaard, hangt niet in de lucht, maar
rust op een eeuwigen, onveranderlijken grondslag. Het ligt vast in den
raad en in het verbond van God drieëenig, en is daarvan de onfeilbaar
volgende toepassing en uitvoering. Ja, in het verbond der genade,
dat in den tijd door God met menschen opgericht wordt, is de mensch
niet de handelende en de actief optredende. Maar het is wederom God
drieëenig, die het werk der herschepping, na het ontworpen te hebben,
ook tot stand brengt. Het is niet zoo, dat God eerst zijn verbond met
Adam en Noach, met Abraham en Israel opricht en eindelijk eerst met
Christus. Maar het verbond der genade ligt van eeuwigheid gereed in
het pactum salutis der drie personen en wordt van stonde aan na den
val door hen gerealiseerd. Christus begint niet eerst te werken met
en na zijne vleeschwording, en de H. Geest vangt zijn arbeid niet eerst
aan met zijne uitstorting op den Pinksterdag. Maar gelijk de schepping
een trinitarisch werk is, zoo is ook de herschepping van het eerste
oogenblik af een werk der drie personen geweest. Alle genade, die na
den val der schepping toevloeit, komt haar toe uit den Vader door den
Zoon in den H. Geest. De Zoon is terstond na den val opgetreden als de
Middelaar, als de tweede en laatste Adam, die de plaats des eersten
inneemt en herstelt en volbrengt, wat hij verdierf en naliet. En de H.
Geest is terstond opgetreden als de Trooster, als de toepasser van het
heil, door den Christus te verwerven. Alle verandering, ontwikkeling,
vooruitgang in inzicht en kennis valt dus aan de zijde van het schepsel.
In God is er geen verandering noch schaduw van omkeering. De Vader
is eeuwig Vader, en de Zoon eeuwig Middelaar, en de H. Geest eeuwig
Trooster. Daarom is het O. T. ook te begrijpen als één in wezen en
substantie met het N. T. Want, schoon God zijne openbaring successief en
historisch meedeelt en rijker en voller maakt, en de menschheid dus in
kennis, in bezit en genot der openbaring vooruitgaat, God is dezelfde
en blijft dat. De zon verlicht het aardrijk langzamerhand, maar zij zelve
is dezelfde, des morgens en des avonds, in den dag en den nacht. Al
heeft Christus zijn werk eerst op aarde volbracht in het midden der
historie en al is de H. Geest eerst op den Pinksterdag uitgestort,
God kon de weldaden, door hen te verwerven en toe te passen, toch
ook ten volle uitdeelen in de dagen des O. T. De geloovigen des O.
T. zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij. Er is één geloof,
één Middelaar, één weg des heils, één verbond der genade. Cf.
Schneckenburger, Verlg. Darst. II 135 f. Dr. Vos, De Verbondsleer in de
Geref. Theol. Grandrapids 1891.
6. Bij de uitvoering van het pactum salutis in den tijd is echter wel
te onderscheiden tusschen het foedus gratiae in ruimer en in enger
zin. Het is niet goed, om bij de bespreking van het verbond der genade
in den tijd terstond tot Israel en tot de gemeente des N. T. over te
gaan. Immers, de Schrift gaat ook niet in eens van Adam tot Abraham
over; zij laat de menschheid niet los, maar beschrijft in hoofdtrekken
hare ontwikkeling tot den tijd van Abraham toe. Als uit de menschheid
Abraham en Israel wordt uitverkoren, wordt de band met die menschheid
niet doorgesneden; Israel zweeft niet als een oliedrop op de volkeren,
maar blijft in allerlei verband met die volken staan, en houdt ten
einde toe de verwachting ook voor die volken vast. In de volheid des
tijds worden Jood en Heiden in den éénen mensch verzoend; de menschheid
schaart zich rondom het kruis; en de gemeente, uit die menschheid
verkoren, staat met die menschheid in het nauwste verband. Natuur en
genade, schepping en herschepping zijn in die onderlinge relatie te
stellen, waarin de Schrift ze plaatst. En dan verdient het opmerking,
dat de eerste beloften der genade, die na den val van Gods mond tot
Adam en Eva uitgaan, gansch universeel zijn en heel de menschheid
aangaan. Boven is erop gewezen, dat alle straf, in Gen. 3 over de
zonde uitgesproken, tegelijk te erkennen is als eene openbaring van
Gods genade. En die genade breidt daar zonder eenige beperking tot de
gansche menschheid zich uit. Algemeene en bijzondere genade stroomen
nog in ééne bedding. In de straf, welke God na de overtreding over de
slang, de vrouw en den man uitspreekt is meer nog de barmhartigheid
dan de toorn aan het woord; zij is straf en belofte tegelijk, zij is eine
gnädige fröhliche Strafe (Luther). Daarom ligt in haar de oorsprong en
de waarborg van het voortbestaan, de uitbreiding en ontwikkeling, den
strijd en de zegepraal der menschheid. Religie en zedelijkheid, cultus
en cultuur nemen daar hun aanvang. In de lange periode van Adam tot
Noach ontwikkelen zich deze alle onder den invloed van Gods algemeene
en bijzondere genade. De oorspronkelijke krachten, door God bij de creatie
in de verschillende schepselen gelegd, zijn wel gebroken maar werken
ook na den val nog langen tijd na. Vooral komt dit uit in de sterkte en
den veel grooteren levensduur der menschen vóór den zondvloed, Gen.
5:5v., en in de veel machtiger werking van de elementen der natuur,
die eerst na den zondvloed aan banden worden gelegd, Gen. 8:22. Deze
historie der Schrift wordt bevestigd door de traditie der volken, die
in haar gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuw van een langzaam
verval der menschheid gewaagt, en ook door de geologie, volgens welke
aan deze onze periode eene andere voorafging, waarin er over geheel
de aarde eene hoogere temperatuur heerschte, de jaargetijden nog niet
waren begrensd en vuur en water eene veel grootere rol speelden dan
tegenwoordig; bij den overgang van de mesozoische tot de kainozoische
periode hadden er toch allerlei gewichtige veranderingen plaats, eene
groote uitbreiding van het vasteland, door opheffing van uitgebreide
stukken van den zeebodem boven het water; de formatie der bergen zooals
de Alpen, Pyreneën, Karpaten, Himalaya, Cordilleros enz.; eene sterke
verandering in het klimaat; het uitsterven der groote, praehistorische
dieren en planten enz., Pfaff, Schöpfungsgeschichte, kap. 11-15.
Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.⁵ 320 f. Wossidlo, Leitfaden der
Mineralogie und Geologie, Berlin Weidmann 1889 S. 196 f. In verband met
dit alles is de grootere sterkte en de langere levensduur der menschen
in de periode van Adam tot Noach volstrekt niet onwaarschijnlijk; de
eenvoudiger levenswijze, de minder inspannende arbeid, het geringer
aantal kwaadaardige ziekten, de nawerking van den toestand vóór
den val verklaren dit feit genoegzaam; zelfs komen nu bij wijze van
uitzonderingen nog leeftijden van 120 tot 150 jaren voor; en er is
geen physische noodzakelijkheid te bedenken, waarom de menschelijke
levenskracht na 70 of 80 jaren uitgeput moet zijn. Cf. Fürer, Das
Lebensalter des Menschen usw., Beweis des Glaubens 1868 S. 97 f. 184 f.
Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen 1879 S. 244-288. Schanz,
Das Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896. Büchner, ’s Menschen
Levensduur, holl. door Schwencke, Amst. 1892. De religie blijft ook
na den val bestaan en krijgt eene vaste gestalte in offerande, Gen.
3:3, gebed en prediking, Gen. 4:26; de cultuur neemt een aanvang
met landbouw, veeteelt, stedenbouw enz., Gen. 4:2, 17; kunsten en
wetenschappen komen tot ontwikkeling, Gen. 4:20v. Maar deze eerste
periode in de geschiedenis der menschheid kenmerkte zich ook reeds
spoedig door de schrikkelijkste goddeloosheid; corruptio optimi pessima;
de buitengewone krachten en gaven werden in den dienst der zonde
misbruikt. Met broedermoord werd deze periode ingeleid; de Kainieten
scheidden van de Sethieten zich af, legden zich toe op de beheersching
der aarde, Gen. 4:20v, en zochten hun sterkte in het zwaard, Gen.
4:24. Maar eerst toen Sethieten en Kainieten zich vermengden, steeg
de goddeloosheid ten top; de boosheid was menigvuldig op de aarde;
het gedichtsel der gedachten van ’s menschen hart was ten allen dage
alleenlijk boos, Gen. 6:5; het was eene periode zoo vol ongerechtigheid,
als er later nooit ééne geweest is en alleen in de toekomst van den
Zoon des menschen terugkeeren zal, Mt. 24:37. In den geweldigen
zondvloed gaat dit gansche geslacht onder, behalve Noach’s gezin, dat
dan de oorsprong eener tweede menschheid wordt. De periode na den vloed
onderscheidt zich wezenlijk van de voorafgaande. Van Adam tot Noach
droeg de natuur, de planten- en dierenwereld, de menschheid een geheel
ander karakter dan na Noach. Krachtig en rijk van gaven voorzien, werd
de wereld in zekeren zin aan zichzelve overgelaten; maar het bleek
spoedig, dat, als God niet krachtig tusschenbeide trad, de wereld in
haar eigen goddeloosheid omkomen zou. Daarom begint er met Noach eene
andere periode. De genade, die terstond na den val zich openbaarde,
treedt thans krachtiger op in de beteugeling van het kwaad. God sluit
formeel een verbond met al zijne schepselen. Dit verbond met Noach, Gen.
8:21, 22, 9:1-17, heeft wel in Gods genade zijn oorsprong; het staat
ook met het eigenlijke foedus gratiae in het nauwste verband, omdat
het dit draagt en voorbereidt; maar het is er niet identisch mede.
Het is veeleer een foedus longanimitatis, door God gesloten met alle
menschen en zelfs met alle schepselen. De vloek over de aarde wordt
er door beperkt; de natuur wordt aan banden gelegd; haar verwoestende
kracht wordt beteugeld; het water wordt bedwongen in zijn ontzettend
geweld; een geregelde wisseling van jaargetijden wordt ingevoerd;
heel de redelooze natuur wordt aan vaste ordinantiën gebonden, die
vastliggen in Gods verbond; en ten teeken en onderpand wordt de
regenboog in de wolken gesteld, Gen. 8:21, 22, 9:9-17. Er treedt eene
menschheid op, die in vergelijking met de vorige, veel zachter is van
aard, veel kleiner van kracht, veel korter van duur. De zegen der
vermenigvuldiging wordt uitdrukkelijk weer uitgesproken, Gen. 9:1, de
vreeze en verschrikking des menschen op alle dieren gelegd, vs. 2, het
groene kruid en het vleesch wordt den mensch tot spijze gegeven, vs 3.
Het leven des menschen wordt gewaarborgd door de instelling van de
doodstraf op menschenmoord, en daarmee in beginsel van de overheid, vs
5, 6; en als later de menschheid bij Babels torenbouw het plan vormt, om
saam te blijven wonen en een wereldrijk te stichten, dan verijdelt God dat
plan, doet de menschheid in volken en talen uiteengaan, en gaat ook op
die wijze de ontwikkeling en de uitbarsting der goddeloosheid te keer.
De genade Gods treedt dus na den vloed veel krachtiger op dan vóór dien
tijd. Aan haar is te danken het bestaan en het leven der menschheid, de
uitbreiding en ontwikkeling der volken, de staten en maatschappijen, die
allengs zich gevormd hebben, de religie en zedelijkheid, die ook onder
de verwilderdste volken niet ganschelijk zijn teloorgegaan, de kunsten
en wetenschappen, die zich hoog hebben verheven; alles, wat er na den
val ook in den zondigen mensch nog goeds is op alle terrein, heel de
justitia civilis, is vrucht van Gods algemeene genade. God liet de
Heidenen wel wandelen op hunne eigene wegen, Hd. 14:16, maar Hij onttrok
zich niet aan hen; Hij liet zich aan hen niet onbetuigd, bepaalde hunne
woning, was niet ver van een iegelijk van hen, openbaarde zich hun in de
werken zijner handen, Hd. 14:16, 17, 17:27, 28, Rom. 1:19, Jak. 1:17.
De Logos verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld, Joh. 1:9.
De H. Geest is auteur van alle leven, kracht en deugd ook onder de
Heidenen, Gen. 6:17, 7:15, Ps. 33:6, 104:30, 139:2, Job 32:8, Pred.
3:19. Door deze genade, en onder de bedeeling van dit foedus naturae
is de menschheid vóór Christus geleid en voor zijne komst voorbereid.
Er valt inderdaad in goeden zin te spreken van eene opvoeding des
menschdoms door God. De vatbaarheid voor verlossing is gehandhaafd,
de behoefte aan verlossing is gewekt. Vergelijk over het Noachitisch
verbond de oudere litt. bij M. Vitringa IV 286; over de deugden der
Heidenen de litt., vroeger deel I 239 opgegeven en bij M. Vitringa III
333; over den laten tijd van Christus’ komst, Bonaventura, Brevil. IV 4.
Petavius, de incarn. II c. 17. Jansen, Prael. Theol. II 561; over de
Goddelijke opvoeding van de menschheid de werken van Lessing, Herder,
van Heusde, Hofstede de Groot, Lotze, Mikrok. III 20 f. Ritschl,
Rechtf. u Vers. III² 282 f.; over de algemeene genade, de beteekenis
van het Heidendom, de voorbereiding van Christus’ komst en de volheid
der tijden mijne Rede over de Algem. Genade, Kampen 1894. Kuyper’s
art. in de Heraut 923v. D. Zahn, Die natürliche Moral, Gotha 1881.
Schelling, Werke II 4 S. 74-118. A. Wuttke, Gesch. des Heid. Breslau
1852-53. Tholuck, Der sittl. Character des Heid. Werke VIII 1-91.
Uhlhorn, Der Kampf des Christ. mit dem Heid. c. 1-2. Rocholl, Die Fülle
der Zeit, Hann. 1872. Id. Philosophie der Gesch. Gött. I 1878 II 1893.
Kahnis, die Erfüllung der Zeiten, Leipzig 1877. Dorner, Gl. I 672 f.
Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 306. Frank, Chr. Wahrheit II² 35.
Talbot, The preparation in history for Christ, 4th essay in Lux Mundi
ed. by Charles Gore 1892 p. 93-131. H. M. van Nes, De adventstijd, Rott.
1893.
7. Van een wezenlijk ander karakter was de voorbereiding des heils in
Israel. Toch mag de samenhang van het foedus gratiae en het foedus
naturae, van Israel en de volken niet uit het oog worden verloren.
Israel is uit de volken genomen; het was niet anders en niet beter dan
andere volken, overtrof hen nog in hardnekkigheid en wederspannigheid
en werd alleen uit genade verkoren, Deut. 7:7, 9:13, 32:5v. Jer. 5:23,
Ezech. 16:3v. Am. 9:7, Mt. 11:21v. Ook ligt het eigenaardige van
Israels religie niet daarin, dat er allerlei elementen in voorkomen,
die in andere godsdiensten niet worden aangetroffen; integendeel is er
niets onder Israel, waarvan niet de analogie ook elders te vinden is;
besnijdenis, sabbat, feesten, offerande, gebed, priesterschap, tempel,
altaar, ceremoniën, zeden, gewoonten, staatkundige en maatschappelijke
wetten enz., komen ook bij andere volken voor, en omgekeerd worden
instellingen, die eerst na den val zijn opgekomen, zooals polygamie,
slavernij enz. ook bij Israel gevonden. Zelfs theophanie, profetie
en wonder hebben in het Heidendom hun analogie en caricatuur, cf.
Schelling, Werke II 4 S. 119-151. Het is niet alleen het recht maar
ook de plicht der Oudtest. wetenschap, om dit alles in het licht te
stellen. Maar toch worde om de verwantschap en samenhang het wezenlijk
onderscheid niet over het hoofd gezien. En dat ligt in de genade, de
gratia specialis, die aan de Heidenen onbekend was. Al de godsdiensten
der Heidenen zijn eigenwillig en wettelijk. Ze zijn alle nawerkingen en
verbasteringen van het verbroken werkverbond. De mensch tracht hier
altijd zelf zijne verlossing tot stand te brengen, door reiniging,
ascese, boete, offerande, wetsonderhouding, ceremonie enz. Maar dit
is alles onder Israel anders. 1º Vooreerst is Jahveh voor Israel van
den aanvang af ook Elohim, de Schepper van hemel en aarde. Zelfs de
volgens de nieuwere kritiek oudste stukken spreken dit geloof duidelijk
uit, Gen. 2:4, Ex. 20:11. Nooit is de verhouding van God en wereld in
Israel anders opgevat dan als die van Schepper en schepsel, Schultz,
Altt. Theol.⁴ 565. Met dit ééne dogma is in beginsel alle paganisme
gebannen; het is de grondslag der ware, zuivere religie. 2º Deze
Schepper van hemel en aarde is ook degene die haar onderhoudt en
regeert, en die bepaaldelijk tot Israel vrijwillig en genadig in eene
bijzondere verhouding is getreden. Israel is uit de volken genomen;
Abraham was uit Sem, in wiens geslachten de kennis en dienst van God
het langst en het zuiverst werd bewaard. Het verbond met Abraham is
voorbereid in de geschiedenis van Adams dagen af. Israels religie is
opgetrokken op den breeden grondslag van de oorspronkelijke religie der
menschheid. Maar toch is het verbond met Abraham eene nieuwe en hoogere
openbaring, die wederom geheel en alleen van God uitgaat. Hij neemt bij
dit verbond het initiatief. Hij stelt het vast, Hij verkiest Abraham.
Door de wondere geboorte van Izaak toont Hij beide Israels Schepper
en Herschepper te zijn. In Israels religie is het niet de mensch, die
God, maar God, die den mensch zoekt. 3º Dit verbond met de vaderen
blijft, ook als het later bij Sinai met Israel eene andere gedaante
aanneemt; het is de grondslag en kern ook van het Sinaietisch verbond,
Ex. 2:24, Deut. 7:8. De belofte is door de wet, die later kwam, niet
te niet gedaan, Gal. 3:17. Het verbond met Israel was wezenlijk geen
ander dan dat met Abraham. Zooals God zich eerst vrijwillig en genadig
aan Abraham, zonder eenige zijner verdiensten, geeft tot een schild
en loon, tot een God voor hem en zijn zaad, en nu op grond daarvan ook
Abraham roept tot een oprechten wandel voor zijn aangezicht, zoo is het
ook God, die het volk van Israel verkiest, redt uit Egypte, en zich aan
dat volk geeft en nu ook op grond daarvan Israel als volk verplicht,
om heilig te zijn en zijn volk te wezen. Het verbond op den Sinai is en
blijft in wezen een genadeverbond. Ik ben de Heere uw God, die u uit
Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb, Ex. 20:2, dat is de
aanhef en de grondslag der wet, dat is het wezen van het genadeverbond.
De Heere is Israels God vóór en afgedacht van alle waardigheid van
Israel en Hij blijft dat eeuwiglijk. Het is een eeuwig verbond, dat zelfs
door geen zonden en ongerechtigheden van Israels zijde kan vernietigd
worden, Deut. 4:31, 32:26v., Richt. 2:1, Ps. 89:1-5, 105:8, 111:5,
Jes. 54:10, Rom. 11:1, 2, 2 Cor. 1:20. 4º De weldaden, door God in zijn
verbond aan Israel geschonken, zijn dezelfde als die aan Abraham maar
nader uitgewerkt en gespecialiseerd. Reeds Gen. 3:15 bevat in kiem het
gansche verbond en alle weldaden der genade. God verbreekt het verbond,
door den mensch met Satan gesloten, zet vijandschap tusschen beide,
brengt den mensch aan zijne zijde over en belooft hem de zegepraal over
de vijandelijke macht. De ééne groote belofte aan Abraham is: Ik zal uw
God zijn, en gij en uw zaad zult mijn volk zijn, Gen. 17:8. En deze is de
hoofdinhoud ook van Gods verbond met Israel. God is Israels God en
Israel is zijn volk, Ex. 19:6, 29:46 enz.; en daarom ontvangt Israel
allerlei zegeningen, niet alleen tijdelijke, zooals het land Kanaan,
vruchtbaarheid des huwelijks, een lang leven, voorspoed en welvaart,
zege over de vijanden, maar ook geestelijke en eeuwige, zooals het wonen
Gods onder hen, Ex. 29:45, Lev. 26:12; de vergeving der zonden, Ex.
20:6, 34:7, Num. 14:18, Deut. 4:31, Ps. 32, 103 enz.; het zoonschap,
Ex. 4:22, 19:5, 6, 20:2, Deut. 14:1, Jes. 63:16, Am. 3:1, 2 enz.; de
heiliging, Ex. 19:6, Lev. 11:44, 19:2, enz. 5º Al deze weldaden worden
echter in het O. Test. niet klaar en duidelijk voor oogen gesteld als in
het N. Test. Zij zouden dan niet verstaan en in haar geestelijke natuur
begrepen zijn. Het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Alle
geestelijke en eeuwige weldaden zijn daarom onder Israel ingekleed in
zinnelijke vormen. De vergeving der zonden is gebonden aan offeranden
van dieren. Het wonen Gods onder Israel is gesymboliseerd in den tempel
op Zion. Het zoonschap van Israel heeft in de eerste plaats eene
theocratische, en de uitdrukking volk Gods niet alleen eene religieuse
maar ook eene nationale beteekenis. De heiligmaking in ethischen zin
is gesymboliseerd in de levietische, ceremonieele reinheid. Het eeuwig
leven verbergt zich voor het Israelietisch bewustzijn in de vormen van
een lang leven op aarde. Dwaas ware het te meenen, dat daarom die
weldaden van vergeving en heiligmaking, van wedergeboorte en eeuwig
leven ook objectief in de dagen des O. T. niet bestonden. Zij werden
wel ter dege ook toen geschonken door Christus, die eeuwig dezelfde
is. Maar het bewustzijn en het genot van die weldaden was in het O. T.
lang zoo rijk niet als in de dagen des N. T. En opdat dit bewustzijn
der vromen allengs in den loop der tijden voor den rijkdom van Gods
weldaden ontsloten zou worden, daartoe nam het verbond der genade
onder Israel zulk eene eigenaardige, symbolische gestalte aan. De
religie onder Israel sluit zich aan bij de onder alle volken voorkomende
godsdienstvormen van offerande, altaar, tempel, priesterschap,
ceremoniën enz.; het geestelijke en eeuwige hult zich in het gewaad
van het natuurlijke en tijdelijke; God zelf, die Elohim is, Schepper
van hemel en aarde, daalt als Jahveh, als God des verbonds, tot het
schepsel af, gaat in de geschiedenis in, neemt menschelijke taal en
aandoeningen en vormen aan, om alzoo zichzelven met al zijne geestelijke
zegeningen mede te deelen aan den mensch en zijne vleeschwording, zijne
duurzame en eeuwige woning in de menschheid voor te bereiden. Zelfs
zouden wij geen woorden hebben gehad, om het geestelijke te noemen,
indien dat geestelijke niet eerst in den vorm van het natuurlijke zich
hadde geopenbaard. Het geestelijke kunnen wij, zinnelijke schepselen, toch
nooit anders dan analogisch uitdrukken. Indien daarom het eeuwige niet
in het tijdelijke onder ons bereik ware gebracht, indien God niet mensch
ware geworden, dan zouden zijne gedachten ons ook niet in onze taal in
de H. Schrift kunnen zijn medegedeeld. God ware dan eeuwig voor ons
onkenbaar geweest, en wij hadden altijd van Hem moeten zwijgen. 6º Gelijk
Abraham, als God zich aan hem verbindt, verplicht wordt tot een wandel
voor zijn aangezicht, zoo wordt ook Israel als volk door het verbond
Gods vermaand tot eene nieuwe gehoorzaamheid. Heel de wet, welke het
genadeverbond bij den Sinai in dienst neemt, bedoelt, om Israel in den
weg des verbonds te doen wandelen. Zij is maar eene explicatie van het
ééne woord tot Abraham: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht,
en daarom evenmin eene omverwerping van het genadeverbond en eene
oprichting van het werkverbond, als dit woord, tot Abraham gesproken.
De wet van Mozes is daarom niet aan de genade tegengesteld maar aan
haar dienstbaar en wordt zoo door Israels vromen ook telkens verstaan
en geprezen. Maar afgedacht en losgemaakt van het genadeverbond,
dan was zij inderdaad eene letter, die doodde, eene bediening der
verdoemenis. Nu nam het genadeverbond in de dagen des O. T. onder
andere de wet ook daartoe in dienst, opdat zij het bewustzijn van zonde
wekken, de behoefte aan verlossing vermeerderen, de verwachting van
eene nog rijkere openbaring van Gods genade versterken zou. Van die
zijde beziet Paulus vooral de O. T. bedeeling van het genadeverbond.
En dan zegt hij, dat Israel, als onmondig kind onder de verzorging der
wet gesteld, naar Christus moest worden heengeleid, Rom. 10:4, Gal.
2:23v., 4:1v., en dat in verband daarmede de zonde vermeerderd, de
onwaarde der werken voor de rechtvaardigmaking en de noodzakelijkheid
des geloofs zou ingezien worden, Rom. 4:15, 5:20, 7:7v., 8:3, Gal.
3:19. De wet stond dus eenerzijds in dienst van het genadeverbond, zij
was niet een verkapt werkverbond, zij bedoelde niet, dat de mensch door
eigen werken zijne rechtvaardigmaking verkrijgen zou. Maar andererzijds
bedoelde zij toch, om eene hoogere, betere bedeeling van datzelfde
genadeverbond, in welks dienst zij stond, in de volheid des tijds voor te
bereiden. De onmogelijkheid, om het Sinaietisch verbond te houden en aan
de eischen der wet te voldoen, maakte eene andere, betere bedeeling van
het genadeverbond noodzakelijk. Het eeuwig genadeverbond wordt door de
onvolkomenheid van de tijdelijke gedaante, welke het onder Israel aannam,
geprovoceerd tot eene hoogere openbaring. De zonde is meerder geworden,
opdat de genade te overvloediger zijn zou. Christus kon niet terstond
mensch worden na den val en de genade kon zich niet terstond in al
haar rijkdom openbaren. Er was voorbereiding en opvoeding van noode.
Non decuit a principio humani generis ante peccatum Deum incarnari,
cum non detur medicina nisi infirmis; nec statim post peccatum, ut
homo per peccatum humiliatus recognosceret se liberatore indigere: sed
in plenitudine temporis quod ab aeterno disposuit, Thomas, S. Th. III
qu. 1 art. 5. De noodzakelijkheid dezer opvoeding en voorbereiding ligt
niet objectief in God, alsof Hij veranderlijk ware; niet in Christus,
alsof Hij niet gister en heden en eeuwig dezelfde ware; niet in de
geestelijke weldaden, alsof die niet bestonden en eertijds niet door God
konden worden meegedeeld. Maar zij ligt subjectief in de gesteldheid
van het menschelijk geslacht, dat juist als geslacht behouden moest
worden, en daarom langzamerhand voor het heil in Christus moest
voorbereid en opgevoed worden, Calv. Inst. II 11, 13. 14. Daarom is
Christus waarlijk het keerpunt der tijden, het kruis het middelpunt
der wereldgeschiedenis. Eerst wordt alles naar het kruis heengeleid,
daarna alles uit het kruis afgeleid. 7º Als dan ook de volheid des
tijds gekomen is en Christus zijn werk op aarde heeft volbracht, gaat
het genadeverbond in eene hoogere bedeeling over. De geloovigen in
Israel wisten wel, dat de Sinaietische bedeeling slechts tijdelijk was,
en zagen daarom verlangend uit naar den dag des N. Verbonds. En Jezus
en de apostelen, die zoo het O. T. lazen, zagen daarin hetzelfde
genadeverbond met dezelfde weldaden, welke thans ten volle aan het
licht traden. Oud en Nieuw Testament zijn in wezen één verbond, Luk.
1:68-79, Hd. 2:39, 3:25; zij hebben één evangelie, Rom. 1:2, Gal. 3:8,
Hebr. 4:2, 6, 2 Tim. 3:15; één Middelaar, n.l. Christus, die ook in
de dagen des O. T. bestond, Joh. 1:1, 14, 8:58, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9,
Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz., zijn middelaarsambt bediende, Joh. 8:56, 1
Cor. 10:4, 1 Petr. 1:11, 3:19, Hebr. 13:8 en de eenige Middelaar is
voor alle menschen en in alle tijden, Joh. 14:6, Hd. 4:12, 1 Tim. 2:5;
één geloof als weg ter zaligheid, Mt. 13:17, Hd. 10:43, 15:11, Rom.
4:11, Gal. 3:6, 7, Hebr. 11; dezelfde beloften en weldaden van Gods
gemeenschap, 2 Cor. 6:16, Op. 21:3, vergeving en rechtvaardigmaking,
Hd. 10:43, Rom. 4:22, eeuwig leven, Mt. 22:32, Gal. 3:18, Hebr. 9:15,
11:10 enz. De weg was dezelfde, waarop de geloovigen in O. en N. T.
wandelden, maar het licht verschilde, waarbij zij wandelden, Calvijn
op Gal. 3:23. Daarom is er bij de eenheid ook onderscheid. Oud en
Nieuw Testament staan als verschillende bedeelingen van hetzelfde
genadeverbond tegenover elkander als belofte en vervulling, Hd. 13:32,
Rom. 1:2, als schaduw en lichaam, Col. 2:17, als letter, die doodt
en als Geest, die levend maakt, 2 Cor. 3:6v., als dienstbaarheid en
vrijheid, Rom. 8:15, Gal. 4:1v., 22v., Col. 2:20, Hebr. 12:18v., als
particulier en universeel, Joh. 4:21, Hd. 10:35, 14:16, Gal. 4:4, 5,
6:15, Ef. 2:14, 3:6. 8º Het nieuwe in het Nieuwe Testament is dus het
wegvallen van de niet-willekeurige, maar toch tijdelijke, zinnelijke,
nationale vormen, waaronder de ééne en zelfde genade in den ouden dag
geopenbaard werd. De nieuwe bedeeling neemt in zekeren zin al een
aanvang, als met de geboorte van Johannes den Dooper en van Jezus
de Oudtest. beloften beginnen vervuld te worden. Toch bleef de oude
bedeeling nog van kracht tot den dood van Christus toe. Jezus zelf was
Israeliet, vervulde alle gerechtigheid en wendde zich nog alleen tot
de verlorene schapen van het huis Israels. Maar bij zijn dood scheurt
het voorhangsel, Mt. 27:51, sterft de testamentmaker, Hebr. 9:15-17,
wordt het Nieuwe Testament gegrond in zijn bloed, Mt. 26:28, wordt het
handschrift der wet, dat tegen ons was, uitgewischt, Col. 2:14, wordt
de middelmuur des afscheidsels verbroken, Ef. 2:14 enz. Feitelijk moge
de oude bedeeling nog lang nawerken, rechtens is zij afgeschaft. Of
beter nog, afgeschaft is er niets, maar de vrucht is rijp en breekt door
den bolster heen; de kerk, die als een kindeke in Israels moederschoot
gedragen werd, wordt tot een eigen zelfstandig leven geboren en
ontvangt in den H. Geest een eigen, immanent levensprincipe; de zon der
gerechtigheid is gerezen tot in het zenith des hemels en schijnt over
alle volken heen; wet en profeten zijn vervuld en hebben in Christus
als hun einde en doel hunne bestemming bereikt. De wet is door Mozes
gegeven, maar de genade en waarheid is door Jezus Christus geworden,
Joh. 1:14; Hij is de waarheid, Joh. 14:6, het lichaam, Col. 2:17, in
wien alle beloften en schaduwen verwezenlijkt zijn. In Hem is alles
vervuld. Hij is de ware profeet, priester en koning; de echte knecht des
Heeren, het ware ἱλαστηριον, Rom. 3:25, de ware offerande, Ef. 5:2, de
ware besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, en daarom is
zijne gemeente het ware zaad Abrahams, het ware Israel, het ware volk
Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26, 2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29,
Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, 1 Petr. 2:9, Op. 21:3, de ware tempel Gods, 1
Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16, Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, 9, het ware
Zion en Jeruzalem, Gal. 4:26, Hebr. 12:22, haar geestelijke offerande
de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18 enz. Er gaat
niets van het Oude in het Nieuwe Testament teloor, maar alles wordt
vervuld, is voldragen, bereikt zijn wasdom en brengt nu uit het tijdelijke
omhulsel de eeuwige kern te voorschijn. Het is niet zoo, dat er onder
Israel een echte tempel en offerande en priesterschap enz. waren, en
dat deze alle thans zijn verdwenen. Neen, veeleer omgekeerd, onder
Israel was er van dat alles slechts de schaduw, nu echter is er het
lichaam zelf. De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die
men niet ziet, zijn eeuwig.
8. Dit foedus gratiae, dat door verschillende bedeelingen heen nu in
het N. T. ten volle is gerealiseerd, werd van het eerste oogenblik
zijner openbaring af aan en wordt nu nog altijd van alle zijden door het
foedus naturae, dat God met alle schepselen heeft opgericht, omgeven en
gedragen. De gratia specialis is wel wezenlijk van de gratia communis
onderscheiden, maar staat er toch mede in het nauwste verband. Immers,
ofschoon het verbond bij Noach ter onderscheiding foedus naturae heet,
het is daarom toch niet uit Gods natuur voortgevloeid of met der dingen
natuur gegeven; het berust ook op genade, is uit Gods lankmoedigheid
voortgekomen en schenkt alle natuurlijke weldaden en zegeningen uit Gods
algemeene goedheid; het is een verbond der genade in ruimeren zin.
Voorts is het de Vader, die niet buiten den Zoon om maar bepaaldelijk
door den Logos en den Geest alle krachten en gaven in natuur en
onherboren menschheid werkt, Joh. 1:4, 5, 9, 10, Col. 1:17, Ps. 104:30,
139:7. En deze Logos en deze Geest, die in alle schepselen en menschen
wonen en werken, zijn dezelfde, die als Christus en als Geest van
Christus de verwerver en toepasser zijn van alle weldaden in het verbond
der genade. Vader, Zoon en Geest bereiden dus in het foedus naturae
het foedus gratiae voor en grijpen als het ware uit het foedus gratiae
telkens in het foedus naturae terug.
Het wezenlijke van het genadeverbond bestaat dus daarin, dat het uit
Gods bijzondere genade voortvloeit en niets dan genade, onverdiende en
verbeurde zegeningen tot inhoud heeft. In zoover is het essentieel van
het vóór den val opgerichte maar door den val verbroken foedus operum
onderscheiden. Zeker was God ook tot het oprichten van het werkverbond
niet verplicht; het is nederbuigende goedheid, en alzoo ook genade in
algemeenen zin, die Hem dit verbond aan den mensch schenken deed; Hij
heeft het dan ook vastgesteld en alle deelen ervan bepaald; het is zijne
ordening en instelling. Maar in dat werkverbond kwam God toch tot den
mensch met den eisch der gehoorzaamheid en beloofde Hij hem, eerst in
dien weg en na die volbrachte gehoorzaamheid, de zaligheid des hemels,
het eeuwige leven, de genieting zijner aanschouwing te schenken. Het
werkverbond rekende dus met den vrijen wil van den mensch, het rustte
ten deele in den mensch, en daarom was het wankel en onvast. Feitelijk
is het dan ook verbroken, niet door God maar door den mensch. God
houdt zich aan den regel, dat wie de wet onderhoudt, het eeuwige leven
ontvangen zal. Hij zegt dat in zijne wet, Hij getuigt het in ieders
conscientie, Hij doet dit woord in Christus gestand. Maar de mensch
heeft het werkverbond verbroken; hij kan zijnerzijds thans niet meer door
wetsonderhouding het leven verwerven; uit de werken der wet kan geen
vleesch gerechtvaardigd worden. Daarom heeft God in onderscheiding
van en in tegenstelling met het werkverbond een ander, beter verbond
opgericht, geen wettisch, maar een evangelisch verbond. Maar dit heeft
Hij opgericht niet met een, die enkel mensch was, maar met den mensch
Christus Jezus, die zijn eigen, eengeboren, veelgeliefde Zoon was. En
in dezen, die der Goddelijke natuur en der Goddelijke eigenschappen
deelachtig is, ligt het onwankelbaar vast. Het kan niet meer verbroken
worden, het is een eeuwig verbond. Het rust niet in eenig werk van
den mensch, maar alleen in het welbehagen Gods, in het werk van den
Middelaar, in den H. Geest, die eeuwiglijk blijft. Het is van geen
voorwaarde des menschen afhankelijk, het schenkt geen gave op eenige
verdienste, het wacht niet op eenige wetsvolbrenging van ’s menschen
zijde. Het is uit en door en tot genade. God zelf is de eenige en
eeuwige, de getrouwe en waarachtige, in wien het rust; die het opricht,
handhaaft, uitvoert, voltooit; het verbond der genade is het Goddelijk
werk bij uitnemendheid, Zijn werk alleen, Zijn werk geheel. Alle roem is
voor den mensch hier uitgesloten, maar alle glorie komt toe aan Vader,
Zoon en H. Geest.
Toch is hiermede de volle inhoud van het genadeverbond nog niet in
het licht gesteld. Het genadeverbond moet daartoe niet alleen in
zijne onderscheidenheid van maar ook in zijne verwantschap met het
werkverbond in het licht worden gesteld. God heeft na de verbreking
van het werkverbond niet terstond een gansch ander verbond uitgedacht,
dat met het vorige niets te maken heeft en een geheel ander karakter
draagt. Dat kan niet het geval zijn, omdat God onveranderlijk is, omdat
de eisch in het werkverbond aan den mensch gesteld geen gril en geen
willekeur is, omdat het beeld Gods, de wet, de religie in hun wezen
slechts één kunnen zijn, omdat de genade de natuur, het geloof de wet
niet te niet kan of mag doen. En het is ook niet zoo. Het genadeverbond
is niet, gelijk Coccejus leerde, de successieve afschaffing, het is
veeleer de vervulling en herstelling van het werkverbond. Gratia
reparat et perficit naturam. God houdt zich aan den eisch, dat alleen
in den weg van gehoorzaamheid het eeuwig leven te verkrijgen is; en
als de mensch zijne wet overtreedt, dan wordt die eisch nog met een
anderen vermeerderd, dat n.l. de overtreding door straf moet worden
geboet. Na den val heeft God dus een dubbelen eisch op den mensch,
dien van strafvordering voor het bedreven kwaad en dien van volkomen
gehoorzaamheid aan zijne wet, satisfactio en obedientia. Arminius
meende in een brief aan Uytenbogaerdt, dat de mensch vóór den val
wel tot gehoorzaamheid maar nu na den val alleen maar tot straf was
verplicht, omdat het contract verbroken en dus de partij van zijne
verplichting ontslagen was. Maar de gehoorzaamheid aan Gods wet is wel
in het werkverbond in een bijzonderen vorm gegoten en tot een bijzonder
doel aangewend, n.l. tot het verkrijgen van het eeuwige leven, doch
zij is op zichzelve in de natuur des menschen gegrond en daarom eene
verplichting, waarvan de mensch nooit los komen kan. Anders zou hij
ook door ééne overtreding in het vervolg van het houden van al Gods
geboden, en dus van alle zonden en straffen zich kunnen ontslaan. De
Schrift spreekt daarom ook over den zondaar niet alleen Gods oordeel
uit, Deut. 27:26, Gal. 3:10, Rom. 6:23, Hebr. 10:27, maar handhaaft ook
voor den mensch na den val den eisch tot volmaakte gehoorzaamheid als
weg tot het eeuwige leven, Lev. 18:5, Mt. 19:17, Luk. 10:28.
Het verschil tusschen werkverbond en genadeverbond bestaat daarom
hierin, dat God in het laatste niet met één maar met een dubbelen eisch
optreedt en dat Hij met dien dubbelen eisch niet tot de menschheid in
Adam maar tot de menschheid in Christus komt. Het foedus operum en het
foedus gratiae verschillen voornamelijk daarin, dat Adam uitgewisseld
wordt voor en vervangen wordt door Christus. Paulus zegt in Gal.
3:16-18, dat het verbond met Abraham door de later ingekomen wet niet
vernietigd is maar eigenlijk betrekking had op en wezenlijk rustte in
Christus, die alle belofte vervuld en de erfenis geschonken heeft.
Nog verder gaat hij in Rom. 5:12-21 en 1 Cor. 15:22, 45-49 terug; uit
Adam vloeit der menschheid de zonde en de dood, uit Christus vloeit
haar de gerechtigheid en het leven toe. Christus is de tweede en
laatste Adam, die herstelt en overneemt wat de eerste bedorven en
nagelaten heeft, de middelaar van het genadeverbond, het hoofd der
nieuwe menschheid. De Geref. theologie heeft deze gedachte der Schrift
in hare verbondsleer beter dan eenige andere tot haar recht doen
komen. De ontwikkelingsgang was daarbij kortelijk deze, dat eerst ter
handhaving van de wezenlijke eenheid van Oud en Nieuw Testament de leer
van het genadeverbond opkwam; dat dienovereenkomstig ook de verhouding
van God en den mensch vóór den val als een verbond en wel als een
werkverbond werd voorgesteld; dat het indenken van de overeenkomst en
het verschil tusschen werk- en genadeverbond tot het inzicht leidde,
dat het genadeverbond, in zoover het met Christus was opgericht,
wezenlijk een werkverbond was; dat daarom in het genadeverbond wederom
onderscheiden moest worden tusschen het verbond, gelijk het met Christus
van eeuwigheid was opgericht (pactum salutis, raad des vredes) en het
verbond, gelijk het als uitvoering van dien vrederaad in den tijd met
de uitverkorenen of geloovigen wordt opgericht; en dat eindelijk deze
onderscheiding weder werd teniet gedaan, genadeverbond en vrederaad
als wezenlijk één werden opgevat, en het genadeverbond zelve in de
eeuwigheid werd verlegd, als zijnde daar met Christus en in Hem met al
de zijnen opgericht. Het laatste punt, de vereenzelviging van vrederaad
en genadeverbond, kwam het eerst in Engeland tot ontwikkeling, bij
Rollock, Preston, Blake, Westm. Catech.major, cf. Vos, De verbondsleer
in de Geref. theol. 1891 bl. 27v., voorts Th. Boston, Eene beschouwing
van het verbond der genade, uit het eng. door Al. Comrie 1741 en dan
van de Engelschen overgenomen door Comrie, Brahe, Verklaring van Ps.
89, voorrede bl. V-XXXVI e. a., cf. ook Shedd, Dogm. Theol. II 360.
Velen bleven echter tegen deze vereenzelviging bezwaar koesteren,
zooals Turretinus, Theol. El. XII 2, 12. Witsius, Oec. foed. II 2, 1.
Misc. Sacra II 820-824. R. Schutte, Tweetal verhandelingen over Gods
testament en verbond 1785 bl. 143v. Hodge, Syst. Theol. II 358.
Er is ook inderdaad onderscheid tusschen pactum salutis en foedus
gratiae; in het eerste is Christus borg en hoofd, in het tweede
middelaar; het eerste blijft tot Christus beperkt en eischt van Hem
het dragen der straf en het volbrengen der wet in de plaats der
uitverkorenen, het tweede breidt zich over en door Christus tot de
menschen uit en eischt van hen geloof en bekeering, die Christus niet
in onze plaats heeft volbracht of kunnen volbrengen; het eerste loopt
over de verwerving der zaligheid, is eeuwig en kent geen historie,
het tweede handelt over de toepassing der zaligheid, neemt in den tijd
een aanvang en heeft onderscheiden bedeelingen. Maar toch mag bij dit
onderscheid de samenhang en de eenheid niet over het hoofd gezien. Er
zijn in de Schrift slechts twee verbonden, twee wegen voor den mensch
ten hemel, n.l. het werk- en het genadeverbond. Het werkverbond is
de weg ten hemel voor den ongevallen, het genadeverbond die voor den
gevallen mensch. Het werkverbond werd met de menschheid gesloten
in Adam, het genadeverbond in Christus; Hij en Hij alleen is het de
menschheid vervangende en vertegenwoordigende Hoofd. Als dan ook in
de Schrift gezegd wordt, dat het verbond der genade opgericht is met
Adam, Noach, Abraham, Israel enz., dan mag dit niet zóó verstaan,
alsof zij de eigenlijke partijen en hoofden in dit verbond waren. Neen,
Christus was toen en nu, in O. en N. Testament het hoofd, de partij in
het genadeverbond en door zijne bediening kwam het tot de aartsvaders
en tot Israel. Hij die van eeuwigheid bestond en zich borg gesteld
had, is ook terstond na den val daadwerkelijk opgetreden als profeet,
priester en koning, als tweede Adam, als hoofd en vertegenwoordiger
der gevallen menschheid. In de verbonden met Adam, Noach, Abraham,
David enz. is Hij de middelaar, de borg, die voor de realiseering van
het verbond instaat, die het door zijn Geest verwezenlijkt in de harten,
die het aan zondaren bedient, die de weldaden ervan schenkt, die
de zijnen in het verbond opneemt. Heel het verbond is van het begin
tot het einde Hem toebetrouwd; alleen in Hem ligt het vast; gelijk de
Vader Hem het koninkrijk heeft verordineerd, zoo verordineert Hij het
hun, die Hem gegeven zijn; Hij deelt de door Hem verworven weldaden als
eene erfenis uit. Het verbond is vast als een testament, het is een
foedus testamentarium en een testamentum foederale. Het is betrekkelijk
onverschillig en raakt geen beginsel, of men de tweeheid dan wel de
eenheid van pactum salutis en foedus gratiae op den voorgrond plaatst;
indien maar vaststaat, dat in het pactum salutis Christus nooit één
oogenblik is los te denken van de zijnen noch ook in het foedus gratiae
de geloovigen één enkel oogenblik beschouwd kunnen worden buiten
Christus. Het is in beide de Christus mysticus, Zanchius, Op. II 400
sq. Mastricht, Theol. V 1, 4, Christus als de tweede Adam, die optreedt
als de handelende partij. Adam en Abraham en David enz. mogen typen
zijn, maar de antitype is Christus. En wijl Adam reeds vóór den val type
was van Christus, zoo werd het genadeverbond niet eerst door Noach en
Abraham, en niet eerst door het verbond der genade met Adam maar reeds
in en door het werkverbond voorbereid. God, die alles weet en bepaalt
en de verbreking van het werkverbond ook in zijn raad opnam, heeft bij de
schepping van Adam en bij de instelling van het werkverbond reeds op den
Christus en op zijn genadeverbond gerekend, deel II 546.
9. Zoo handhaaft de leer van het verbond op wonderschoone wijze Gods
souvereiniteit in heel het werk der zaligheid. Het gaat het werkverbond
zeer verre te boven, zoo ver als Christus Adam overtreft. Veel klaarder
dan in de schepping komt Gods drievuldig wezen in de herschepping
tot openbaring. Het is de Vader, die de verlossing voorneemt en
wil; het is de Zoon die er voor instaat en ze feitelijk verwerft;
het is de Geest, die ze uitwerkt en toepast. En in dat gansche werk
der zaligheid komt er van het begin tot het einde niets in van den
mensch. Het is Gods werk geheel en alleen; het is louter genade en
onverdiende zaligheid. Maar des te meer is het van belang, om op te
merken, dat deze leer des verbonds, in weerwil dat zij of liever juist
omdat zij in het werk der zaligheid Gods souvereiniteit zoo zuiver
en ten volle handhaaft, tegelijkertijd de redelijke en zedelijke natuur
des menschen op zoo schoone wijze tot haar recht doet komen. Bij het
werkverbond is dit reeds breedvoerig in het licht gesteld, deel II
553. Maar in het genadeverbond komt dit nog treffender uit. In dit
opzicht is het grootelijks onderscheiden van de verkiezing. Wel zijn
beide niet zoo onderscheiden, dat de verkiezing particulier en het
genadeverbond universeel is, dat gene den vrijen wil ontkent en dit
hem leert of onderstelt, dat het laatste terugneemt wat de eerste
belijdt. Maar wel verschillen zij zoo, dat in de verkiezing de mensch
volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voorkomt.
De verkiezing zegt alleen zonder meer, wie verkoren zijn en onfeilbaar
de zaligheid zullen erlangen; het genadeverbond beschrijft den weg,
waarlangs deze verkorenen tot hunne bestemming zullen geraken; het is
de bedding, in welke de stroom der verkiezing zich voortbeweegt naar
de eeuwigheid heen. Christus treedt in het genadeverbond wel als hoofd
en vertegenwoordiger der zijnen op, maar Hij effaceert en vernietigt hen
niet. Hij staat voor hen in, maar zoo, dat zij ook zelven, door zijn Geest
geleerd en bekwaamd, bewust en vrijwillig in het verbond toestemmen. Het
verbond der genade is wel met Christus gesloten, maar het breidt zich
over en door Hem heen ook tot de zijnen uit en neemt dezen geheel en al
met lijf en ziele in zich op. Het pactum salutis breidt zich uit tot een
foedus gratiae; het hoofd van het genadeverbond is tevens de middelaar
ervan. En daarom treedt het aanstonds bij zijne promulgatie ook op met
den eisch van geloof en bekeering, Mk. 1:15. In den eersten tijd spraken
de Gereformeerden vrijmoedig van voorwaarden des verbonds. Calvijn,
Inst. IV 15, 17, op Gen. 15:6, 17:4, Mt. 3:7, 9, Gomarus, de foedere,
Maresius, Syst. Theol. VIII 5, Trigland, Antopologia c. 18, Voorrede
van de Statenvert. voor het N. Test., Voetius, Disp. V 272. 273 enz.
Maar toen de natuur van het genadeverbond dieper ingedacht werd en
tegen Roomschen, Lutherschen en Remonstranten moest verdedigd worden,
voelden velen daartegen bezwaar, Olevianus, Wezen des genadeverbonds I
13. 14. Junius, Disp. Theol. XXV 12. 13. 19. Coccejus, de foedere § 87,
Id. Summa Theol. 41, 5. 12. 13. Cloppenburg, de foedere § 29. Witsius,
Oec. foed. III 1, 8-16. Franken, Kern c. 23. Brakel, Red. Godsd. XVI
17. Comrie, Heid. Catech. I 352 enz., cf. M. Vitringa IV 224, in
Engeland vooral ook de Antinomianen, Tobias Crisp e. a. tegen wie R.
Baxter, Dan. Williams e. a. optraden.
Eigenlijk zijn er in het foedus gratiae, d. i. in het evangelie,
hetwelk de bekendmaking van het genadeverbond is, geen eischen en
geen voorwaarden. Want God geeft wat Hij eischt; Christus heeft alles
volbracht en ook wedergeboorte, geloof en bekeering, schoon Hij ze niet
in onze plaats volbracht, toch voor ons verworven; en de H. Geest
past ze toe. Maar toch neemt het genadeverbond in zijne bediening
door Christus dezen eischenden, voorwaardelijken vorm aan, om den
mensch te erkennen in zijne redelijke en zedelijke natuur, om ook als
gevallen hem nog te behandelen als naar Gods beeld geschapen, om ook
op dit hoogste terrein, waar het gaat om de eeuwige zaligheid en het
eeuwig verderf, hem verantwoordelijk en onontschuldigbaar te stellen,
om hem met bewustheid en vrijheid te doen intreden in dit verbond en
dat met de zonde te doen verbreken. Het verbond der genade is daarom
wel monopleurisch, het gaat van God uit; Hij heeft het ontworpen en
vastgesteld. Hij handhaaft en verwezenlijkt het; het is een werk van God
drieëenig en volkomen afgewerkt binnen de drie personen onderling.
Maar het is bestemd om dupleurisch te worden, om in de kracht Gods
door den mensch bewust en vrijwillig aanvaard en bewaard te worden.
Dit is de wille Gods, die in het verbond zoo duidelijk en zoo schoon
aan het licht treedt, dat het werk der genade zich klaar afspiegele
in het menschelijk bewustzijn, en ’s menschen wil opwekke tot krachtige
energie. Het verbond der genade doodt den mensch niet, en behandelt
hem niet als een stok en blok; maar het neemt den mensch geheel en al
op met al zijne vermogens en krachten, naar ziel en lichaam, voor tijd
en eeuwigheid; het omvat hem geheel, vernietigt zijne kracht niet maar
ontneemt hem zijne onmacht; doodt zijn wil niet maar maakt hem vrij van de
zonde; verdooft zijn bewustzijn niet maar verlost het van de duisternis;
het herschept den ganschen mensch en doet hem dan, door de genade
vernieuwd, vrij en zelfstandig met heel zijn ziel en geest en lichaam
God liefhebben en Hem zich wijden. Het verbond der genade spreekt uit,
dat Gods eere en roem niet ten koste maar ten bate van den mensch
wordt verkregen en in de herschepping van den ganschen mensch, in zijn
verhelderd bewustzijn en in zijne herstelde vrijheid haar triomfen viert.
Tegelijk is daarmede nog eene andere gedachte gegeven, welke in het
genadeverbond, in onderscheiding van de verkiezing, aan het licht
treedt. In de verkiezing treden de verkorenen op als zoovele Gode
met name bekende personen; wel zijn ze uitverkoren in Christus en
vormen ze een organisme met Hem als hun Hoofd. Maar toch treedt
dit in de verkiezing niet klaar en sterk op den voorgrond. Gansch
anders is dit in het genadeverbond. Hier treedt Christus op als de
plaatsvervanger van Adam, als het tweede Hoofd van het menschelijk
geslacht. Hier staat Christus met zijne gemeente in samenhang met de
menschheid onder Adam. De verkiezing let vooral op de individuen, en
op zichzelve liet zij de mogelijkheid open, dat de verkorenen, elk op
zichzelf, individualistisch, sprongsgewijze uit het menschelijk geslacht
werden uitgenomen, wedergeboren en in den hemel overgebracht. Maar
het verbond der genade zegt, dat die verkiezing zich op eene gansch
andere wijze realiseert. Het spreekt de diepe, schoone waarheid uit,
dat Adam door Christus is vervangen; dat de menschheid, die in den
eersten viel, in den tweeden wordt hersteld; dat niet enkele losse
individuen worden behouden maar dat in de verkorenen onder Christus
het organisme der menschheid en der wereld zelve wordt gered; dat
niet alleen de personen der verkorenen maar ook, om zoo te zeggen,
de structuur van het organisme, hetwelk zij in Christus vormen, aan
de oorspronkelijke schepping in Adam is ontleend. Daarom springt het
verbond der genade ook niet van individu op individu over, maar het zet
organisch en historisch zich voort. Het doorloopt eene geschiedenis,
en heeft verschillende bedeelingen. Het schikt zich naar de tijden en
gelegenheden, door den Vader als Schepper en Onderhouder bepaald. Het
wordt nooit alleen met een enkel persoon gesloten maar dan altijd ook
daarin met zijn zaad; het is een verbond van geslachten tot geslachten.
Het omvat nooit den persoon des geloovigen alleen, in het afgetrokkene,
maar dien persoon concreet, gelijk hij historisch bestaat en leeft, dus
hem niet alleen, maar ook alles wat zijns is; hem voor zijn persoon
niet alleen maar hem ook als vader of moeder, als ouder of kind, met
alwat het zijne is, met zijn gezin, met zijn geld en zijn goed, met zijn
invloed en macht, met zijn ambt en betrekking, met zijn verstand en zijn
hart, met zijne wetenschap en kunst, met zijn leven in maatschappij
en staat. Het verbond der genade is de aan de scheppingsordening
zich aansluitende, in deze als teruggrijpende, en heel die schepping
qualitatief en intensief in zich opnemende organisatie der nieuwe
menschheid onder Christus als haar Hoofd. Het spreekt daarom vanzelf,
dat het verbond der genade tijdelijk, in deze aardsche bediening en
bedeeling, ook zulken in zich opneemt, die innerlijk ongeloovig blijven
en de geestelijke weldaden niet deelachtig zijn. De Gereformeerden
maakten met het oog hierop onderscheid tusschen een inwendig en
een uitwendig verbond, Kantteekening op 1 Cor. 7:14, 1 Petr. 2:9,
Witsius, Oec. foed. III 1, 5, Mastricht V 1, 28; of tusschen verbond
en verbondsbedeeling, Olevianus, Wezen des Genadeverbonds I 2, Alting,
Theol. catech. p. 33, Turretinus, Theol. El. XII 6, 5; of tusschen
een absoluut en een conditioneel verbond, Maresius, Theol. syst. VIII
7, Koelman, Historie der Labadisten bl. 566; zelfs gingen enkelen,
zooals Blake bij Dr. Vos, De Verbondsleer bl. 12, 45, Stoddard te
Northampton bij Edwards, Works I 34, J. Schuts, Het verbond der genade
verduisterd 1713 en Verhandeling over het H. Avondm. 1722, M. Swarte
1740, R. Schutte, Tweetal verhandelingen 1785 e. a. zoover, dat zij twee
verbonden aannamen, het eene met de uitverkorenen en ware geloovigen,
het andere met de niet oprecht geloovende, uitwendige leden der kerk,
en daardoor het lidmaatschap der laatsten en hun toegang tot het
avondmaal trachtten te rechtvaardigen. Maar anderen, zooals Edwards,
Works 185-295, Koelman, Historie der Labadisten bl. 95v., Appelius, De
Herv. Leer 1769, Vitringa, Obs. Sacr. II c. 6, Brakel, Red. Godsd. c.
16, Moor V 470, ook Ds. de Herder, cf. Heraut 937 e. a. kwamen terecht
hiertegen op. Het verbond der genade is één; en de uit- en inwendige
zijde ervan, schoon hier op aarde nooit samenvallend, kunnen en mogen
niet van elkander losgemaakt en naast elkaar gelegd worden. Er zijn
zeer zeker kwade ranken aan den wijnstok, er is kaf onder het koren,
er zijn in een groot huis gouden en aarden vaten, Mt. 3:12, 13:29,
Joh. 15:2, 2 Tim. 2:20. Maar ons ontbreekt het recht en de macht, om
tusschen beide scheiding te maken; God zelf zal dat doen in den dag des
oogstes. Zoolang zij naar het oordeel der liefde in den weg des verbonds
wandelen, zijn zij als bondgenooten te beschouwen en te behandelen.
Schoon niet de foedere, zijn zij toch in foedere en zullen zoo eenmaal
geoordeeld worden. Zij zijn hier op aarde op allerlei wijze met de
verkorenen verbonden; en de uitverkorenen kunnen, wijl zij leden zijn der
Adamitische menschheid, als organisme niet anders onder Christus als
hun Hoofd worden vergaderd tot één, dan in den weg des verbonds.
§ 41. DE PERSOON DES MIDDELAARS.
1. Het verbond der genade is van het werkverbond ook daarin
onderscheiden, dat het een middelaar heeft, niet van vereeniging maar
van verzoening, ten einde de verbroken gemeenschap tusschen God en
mensch weer te herstellen. Ook met deze leer van een middelaarschap
staat de H. Schrift niet alleen, maar wordt zij van alle zijden gesteund
en bevestigd door de analogieën, die daarvan in de godsdiensten bij
de volken voorkomen. Over het algemeen zijn de woorden en daden van
groote mannen voor de geschiedenis en het leven der volken van de
rijkste beteekenis; maar bepaaldelijk geldt dit op godsdienstig gebied.
Bijna overal komen er heilige personen voor, die de gemeenschap met God
voor anderen bewerken en in stand houden. Profeten treden als tolken
der Godheid op en maken haar wil bekend; priesters vertegenwoordigen
de menschen in hunne toenadering tot God, brengen hun offeranden en
gebeden over en deelen hun Gods zegen uit; koningen worden menigmaal
beschouwd als zonen der goden, als dragers van hun wijsheid en macht.
De oorsprong van al deze heilige personen wordt ons door de historie
niet verhaald; maar hunne algemeenheid bewijst, dat wij hier te doen
hebben met een verschijnsel, dat niet toevallig is maar samenhangt met
het wezen der religie zelve en met eene diepe behoefte der menschheid.
Vele historische godsdiensten zijn bovendien aan de namen van bepaalde
stichters verbonden, die dan later boven den rang van gewone menschen
verheven, of zelfs, gelijk in het Buddhisme, geheel en al vergoddelijkt
worden; apotheose en incarnatie komen bijna in alle godsdiensten
voor. Het onderscheid, dat Tiele maakt tusschen theocratische en
theantropische godsdiensten, is ook volgens zijn eigen erkentenis niet
streng vol te houden en slechts een verschil van meer of minder,
Inleiding tot de godsdienstwet. Amst. 1897 bl. 141v., 221v. Eindelijk
is er zelfs in alle godsdiensten niet maar in het algemeen eene
verwachting, dat het kwade eens door het goede zal overwonnen worden,
maar meermalen knoopt zich die verwachting ook aan een bepaald persoon,
zooals b. v. aan Krishna in de Indische en Baldur in de Noorsche
religie. Ook de mythe van Heracles, de bekende uitspraak van Plato
over den rechtvaardige in Rep. VII, de vierde ecloga van Vergilius
zijn in dit opzicht merkwaardig. In zijne schoonste en edelste uitingen
wijst het Heidendom onbewust naar het Christendom heen; cf. deel I
238-240 en voorts ook nog Lamennais, Essai sur l’indifférence III 408
s. Tholuck, Lehre v. d. Sünde, 4te Beilage. R. Ch. Trench, The Hulsean
Lectures for 1845. 1846. 4th ed. Cambr. 1859 p. 153: Christ the desire
of all nations or the unconscious prophecies of Heathendom. Pfleiderer,
Religionsphilos.³ 1896 S. 714 f.
Maar wat bij de Heidenen niet meer dan een onbewust en onbepaald
verlangen was, dat werd in Israel voorwerp van een vast geloof en
vurige hope. God gaf zijne beloften aan dat volk. Hij liet de menschheid
hare geschiedenis niet beginnen zonder de hope, dat het vrouwenzaad
eens over het slangenzaad zou triumfeeren. Ja, het is de Christus zelf
geweest, die als Engel des verbonds het volk Gods in den O. T. dag
heeft geleid, door Israel heen zijn eigen komst in het vleesch heeft
voorbereid, en door zijn Geest zijn eigen beeld teekenen liet in historie
en profetie, Joh. 5:39, 1 Petr. 1:11, Op. 19:10. Daarom bevat het O.
T. ook niet enkele, op zichzelf staande Messiaansche teksten, die in
eene Christologie des O. T. atomistisch worden saamgegaard; maar heel
de O. T. bedeeling met haar personen en gebeurtenissen, haar ambten
en instellingen, haar wetten en ceremoniën is eene heenwijzing en
heenbeweging naar de vervulling in het N. T. Er is eene „Symbolik der
Schöpfung”, eene typiek in de natuur, welke blijkens Jezus’ gelijkenissen
in Hem en in zijn koninkrijk hare verwezenlijking erlangt. Er is eene
onbewuste verwachting en hope in de religie en in de historie der
volken, welke in het Christendom tot hare waarheid komt. Er is eene
rechtstreeksche en opzettelijke voorbereiding en afschaduwing van de
λογικη λατρεια in de instellingen en gebeurtenissen des O. T. Tempel
en altaar, priester en offerande, Zion en Jerusalem, profeet en koning,
alle zijn ze voorbeelden en schaduwen van eene hoogere, geestelijke,
waarachtige werkelijkheid. En vooral het koningschap kreeg onder Israel
zulk eene typische beteekenis. De theocratische koning, die vooral in
David met zijne nederige afkomst, zijne rijke levenservaring, zijne edele
natuur, zijn diep gevoel, zijn poetischen aanleg, zijne groote gaven,
zijn onbezweken moed, zijne schitterende overwinningen belichaamd werd,
Smend, Altt. Rel. Gesch. 58, was een zoon Gods, 2 Sam. 7:14, Ps. 2:6,
7, Ps. 89:27, de gezalfde bij uitnemendheid, Ps. 2:2, 18:51, wien
allerlei lichamelijke en geestelijke zegeningen werden toegewenscht, Ps.
2:8v., 21, 45, 72, die zelfs als Elohim werd aangesproken, Ps. 45:7.
De koning is drager der hoogste, der Goddelijke waardigheid op aarde.
In David heeft de theocratische koning zijn zuiverst beeld gevonden;
daarom zal het koningschap ook blijven in zijn huis, 2 Sam. 7:8-16. Deze
belofte Gods aan David is dan de grondslag, het middelpunt van alle
volgende verwachting en profetie. De profetie, die bij de typiek ter
verklaring bijkomt, ziet uit het verleden en heden naar de toekomst
heen en teekent den te verwachten Davidide steeds duidelijker in zijn
persoon en werk af. De meening, b. v. van Paul Volz, Die vorexilische
Jahweprophetie und der Messias, Göttingen 1897, dat de Messiasidee aan
de voorexilische profeten vreemd is, wordt door de feiten weerlegd en
is slechts door eene willekeurige kritiek staande te houden. Naarmate
het koningschap in Israel en Juda minder aan zijne idee beantwoordde,
nam de profetie de belofte van 2 Sam. 7 op en klemde zich daaraan vast,
Am. 9:11, Hos. 1:11, 3:5, Mich. 5:1, 2, Jes. 9:5, 6, 11:1, 2, 10,
Jer. 23:5, 30:9, 33:17, 20-22, 26, Ezech. 34:23, 24, 37:22-24. Deze
gezalfde koning zal uit Davids huis voortkomen, als dit tot nederheid
vervallen, van den troon verstooten, aan een afgehouwen tronk gelijk
geworden zal zijn, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17:22; God zal
hem als eene spruite aan Davids huis doen voortspruiten, Jer. 23:5,
6, 33:14-17, zoodat hij zelfs den naam van Spruite draagt, Zach. 3:8,
6:12. Maar ondanks zijn nederige geboorte, zal hij toch de echte, ware,
theocratische koning zijn. Ofschoon afkomstig uit het kleine, verachte
Bethlehem, waar het Davidisch koningshuis zijn oorsprong heeft en zich,
verdreven uit de heerschappij, terugtrekt, Mich. 5:2, cf. 3:12, 4:9,
14, zal de Messias toch een Heerscher over Israel zijn, wiens uitgangen
en oorsprongen als Heerscher, van God uit, al zijn van ouds af, van de
dagen der eeuwigheid, deel II 243. Hij wordt door God gegeven, is een
eeuwig koning, draagt de namen van Wonderbaar Raadgever, sterke God,
cf. 10:21, Deut. 10:17, Jer. 32:18, eeuwig Vader (voor zijn volk),
Vredevorst, Jes. 9:5, 6, is gezalfd met den Geest der wijsheid en des
verstands, des raads en der dapperheid, der kennis en vreeze des
Heeren, 11:5, wordt gelegd tot een beproefden kostelijken grondsteen
in Zion, 28:16, is een rechtvaardig, zegerijk, zachtmoedig en daarom
op een ezelin rijdend koning, die niet trotsch is op zijne macht maar
door God ondersteund wordt, Jer. 33:17, 20, 22, 26, Zach. 9:9v., dien
het volk noemt en erkent als den Heere onze gerechtigheid, Jer. 23:6,
cf. 33:16, waar Jeruzalem zoo genoemd wordt als de stad, in welke Ihvh
zijne gerechtigheid wonen doet; die een held zal zijn als David en wiens
huis zal wezen als God, als de Engel Gods, die eens bij den uittocht
Israels leger voorging, Zach. 12:8, cf. Mal. 3:1, die eeuwig heerschen,
een rijk van gerechtigheid, vrede en welvaart stichten zal, en zijne
heerschappij ook over de Heidenen, tot de einden der aarde uitbreiden
zal, Ps. 2, 45, 72, Ezech. 37:25, Zach. 6:13, 9:10 enz. Dit heerlijk
Messiasbeeld wordt dan daardoor nog afgewerkt, dat deze toekomstige
koning ook als profeet en priester geteekend wordt. Wel treden deze
trekken niet op den voorgrond, want in het Godsrijk zal de Geest Gods op
allen uitgestort worden, Joël 2:28, Zach. 12:10, 13:2v., Jer. 31:34,
en al het volk zal priesterlijk en den Heere heilig zijn, Jes. 35:8,
Joël 3:17, Zach. 14:20, 21; maar toch wordt de Messias ook als profeet
voorgesteld, op wien in bijzondere mate de Geest des Heeren rust, en
die eene blijde boodschap brengen zal aan Israel en de Heidenen, Deut.
18:15, Jes. 11:2, Jes. 40-66, Mal. 4:5; en hij zal de priesterlijke en de
koninklijke waardigheid in zich vereenigen, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13,
Ps. 110. In den knecht des Heeren bij Jesaja komen duidelijk alle drie
ambten aan het licht; hij is priester, die door zijn lijden de zonden zijns
volks verzoent, hij is profeet, die met Gods Geest gezalfd het aangename
jaar des Heeren verkondigt, hij is koning, die verheerlijkt wordt en
de vrucht van zijn arbeid geniet. Hoe diep deze Messiasverwachting in
Israel is ingegaan, toonen ons de psalmen; vele gaan uit van het
Davidisch koningschap en zijn in engeren zin messiaansch, Ps. 2, 18, 20,
21, 45, 61, 72, 89, 132, andere spreken alleen van God of Jahveh als
Koning, Ps. 10, 24, 29, 44, 47, 48, 66, 68, 87, 93, 95-100, 145-150.
Cf. de werken over de Christologie des O. T. van Hengstenberg, 2e Ausg.
1854, van Oosterzee, 1859-61, Bade, 2 Bde, 2e Aufl. Münster 1858,
Böhl 1882, R. Gordon, Christ as made known to the ancient Church, 4
vol. Edinburgh 1854; voorts werken over de O. T. voorspellingen als
van Riehm, Die messian. Weissagung, Gotha 1875. Hofmann, Weissagung
und Erfüllung 1841, ’44. Schriftbeweis, 2e Aufl. 1859, Orelli, Die
alttest. Weissagung von der Vollendung des Gottesreiches in ihrer
gesch. Entw. 1882; vervolgens werken over de theologie des O. T. van
Schultz, Oehler, Smend, Dillmann, Riehm, Kayser, Kuenen, De profeten
I 234v., Duhm, Die Theologie der Propheten 1875. König, Die Theologie
der Psalmen 1857. Dornstetter, Das endzeitliche Gottesreich nach der
Prophezie, Würzburg 1896. Stade, Die mess. Hoffnung im Psalter, in
Gottschick’s Zeits. f. Th. u. K. II 1895 S. 369-413. Boehmer, Das Reich
Gottes in den Psalmen, Neue Kirchl. Zeits. VIII 1897, Heft 8-10; en
eindelijk ook nog dogmatische leerboeken, als van Dorner Chr. Gl. I 702.
Grétillat, Exposé IV 95. Runze, Katech. der Dogm. Leipzig Weber 1898 §
75.
2. Ook na het uitsterven der profetie is de Messiasverwachting in
het hart van Israels volk blijven leven. In de apocriefe litteratuur
vinden we wel de verwachting van Israels toekomstige verlossing
en heerschappij, maar zonder dat daarbij van den Messias anders dan
eenige weinige aanduidingen voorkomen, 1 Makk. 2:57, 4:46, 9:27,
14:41. Ook Philo heeft niets over den Messias. In het algemeen was
de eigengerechtigheid van het Judaisme aan de Messiasverwachting
niet gunstig; Israel had immers de wet, was door hare onderhouding
rechtvaardig en had daarom geen verlosser van noode; hoogstens was
er plaats voor een aardsch koning, die de Joden vergold naar hunne
verdienste en hen tot heerschappij bracht over de volken der wereld.
De Messias werd enkel en alleen een politiek persoon. Maar in het
volk bleef toch de Messiasverwachting leven en kwam telkens weer
boven, vooral in tijden van druk. Ze werd onderhouden en gevoed door
de lectuur des O. Testaments; tal van plaatsen werden Messiaansch
verklaard, gelijk de LXX bewijst; de Joden vonden in de Schriften zelfs
456 Messiaansche beloften, 75 in den Pentateuch, 243 in de Profeten,
en 138 in de Hagiographa; en vooral de apocalyptische literatuur van
Henoch, het Psalterium Salomonis, Baruch, de Sibylle, 4 Ezra nam de
Messiasverwachting weer op en werkte ze uit. Men verwachtte over het
algemeen, dat Hij aan het einde van den עֹלָם הַזֶּה verschijnen
zou, nadat bange tijden, de zoogenaamde Messiasweeën en Elias of ook
een ander profeet als Mozes of Jeremia waren voorafgegaan. Hij werd
gewoonlijk aangeduid als Messias, Menschenzoon, Uitverkorene, Zoon
Davids, enkele malen ook als Zoon Gods, en werd opgevat als een mensch
die te voren reeds bestond en bij God verborgen was, die uit Bethlehem
te voorschijn zou komen, rechtvaardig, heilig en met vele gaven door God
toegerust was en die het rijk Gods op aarde bevestigen zou. In hoofdzaak
komt daarmee de verwachting overeen, die volgens het getuigenis des
N. T., Luk. 1:38, 74, 2:25 enz. in de volkskringen aangetroffen werd,
Schürer, Neutest. Zeitgesch. 613. Weber, System 333. Baldensperger,
Das Selbstbewusstsein Jesu im Lichte der Mess. Hoffnungen seiner Zeit,
Strassb. 1888, 2e Aufl. 1892. Herzog² 9, 653. Marti, Gesch. d. isr.
Rel. 289. Holtzmann, Lehrb. der neut. Theol. I 68. Ludwig Paul, die
Vorstellungen vom Messias u. vom Gottesreich bei den Synopt. Bonn 1895.
Te midden van deze verwachtingen treedt de Christus zelf op, en in
zijne prediking sluit Hij terstond bij haar zich aan. Het koninkrijk
Gods, dat door de profeten voorspeld en verwacht werd, waarin God
koning en zijn wil aller lust zal zijn, dat naar oorsprong en natuur een
hemelsch koninkrijk is en thans ook al in de hemelen aanwezig is, Mt.
6:10, dat koninkrijk komt ook op aarde, het is nabij, Mk. 1:15. Maar
aanknoopende aan die verwachtingen, brengt Jezus er terstond eene
groote wijziging in; van de Joodsche traditie gaat Hij terug tot de
Schrift, en verstaat onder het koninkrijk niet allereerst een politieke,
maar een religieus-ethische heerschappij. De God Abrahams, Izaks en
Jakobs, Mk. 12:26, de God Israels, Mt. 15:30, dien Jezus als zijn God
erkent en belijdt, is zeker ook en voor alles Koning, Mt. 5:35, 18:23,
22:2, de Heere des hemels en der aarde, Mt. 11:25, maar Hij is ook de
Vader in de hemelen, die in zijn rijk als een Vader over zijne kinderen
heerschen wil; zijn rijk is ook eene familie, eene gemeente, Mt. 6:4, 6,
9, 7:11, Mk. 3:34, 35; en deze beide gedachten van het koningschap en
het vaderschap Gods schaden niet maar bevorderen elkaar. Voorts: ingang
in dat koninkrijk is er niet door farizeesche wetsonderhouding, maar
door bekeering, geloof, wedergeboorte, Mt. 18:3, Mk. 1:15, Joh. 3:3, en
daarom staat het juist open voor de armen, de verlorenen, de tollenaren
en zondaren, Mt. 5:3, 9:11, 12, 11:5, 28-30, Luk. 19:10. Dat koninkrijk,
dat eenerzijds voor alles moet gezocht worden en eene andere en betere
gerechtigheid dan die der farizeën onderstelt, Mt. 5:20, 6:33,
13:44-46 en dan als een loon wordt voorgesteld, bewaard in de hemelen,
Mt. 5:12, 6:20, 19:21, 20:1-7, 24:45, is toch andererzijds met heel
zijn inhoud, vergeving der zonden, Mt. 9:2, 26:28, Luk. 1:77, 24:47,
gerechtigheid, Mt. 6:33, eeuwig leven, Mt. 19:16, 25:46, Mk. 8:43 eene
alle werk en verdienste ver te boven gaande gave, Mt. 19:29, 23:12,
24:47, 25:21, 25:34, Luk. 6:32v., 12:32, 37, 17:10, 22:29. In zoover
de zaligheid hier nog niet ten volle wordt genoten, is het koninkrijk
dus nog wel toekomstig; maar in zoover het door de wedergeboorte,
vergeving, vernieuwing hier reeds aanvankelijk in de harten geplant
wordt, is het tegenwoordig, Mt. 11:11, 12:28, 23:13, Mk. 4:26-29,
10:15, Luk. 10:18, 17:21. Schmoller, Die Lehre vom Reiche Gottes in
den Schriften des N. T. Leiden 1891 en anderen, zooals Joh. Weiss,
Gunkel, hebben dit laatste ten onrechte ontkend. Het koninkrijk Gods is
bij Jezus niet alleen een in den hemel gereedliggend, op gerechtigheid
als loon geschonken goed, en dus alleen een religieus begrip; maar
het is ook aanvankelijk op aarde in de weldaden van bekeering, geloof,
wedergeboorte, vernieuwing gerealiseerd, het wast allengs op en
doordringt alles, het is tegelijk een ethisch begrip. Dat is, Jezus
neemt het begrip van het rijk Gods over, zooals het in de Schrift en
vooral later in de apocalyptiek in eschatologischen zin ontwikkeld was.
Maar Hij verbindt daarmede de later door het Judaisme verwaarloosde
gedachte, dat, al zal het koninkrijk Gods in eschatologischen zin eerst
aan het einde der dagen door eene in de wereld ingrijpende daad Gods
gerealiseerd worden, het desniettemin door eene religieus-ethische
vernieuwing, door het koninkrijk Gods in dezen zin, moet voorafgegaan
en voorbereid worden. Bij de profeten des O. T. gaan deze gedachten saam
en zijn ze ineengeweven. Zij kennen slechts ééne komst van den Messias.
Het Godsrijk is inbegrip van alle geestelijke en natuurlijke weldaden;
het brengt tegelijk bekeering en terugkeer (herstel van Israel als volk
en rijk); het is terzelfder tijd een ethisch en een religieus begrip.
Maar Jezus maakt tusschen deze onderscheid. Het koninkrijk is er in
religieus-ethischen, het komt in eschatologischen zin. De ééne idee van
het rijk Gods komt in twee groote momenten tot stand. De ééne komst van
den Messias splitst zich in een dubbele, ter behoudenis en ten gericht,
ter voorbereiding en ter voltooiing. Das Messiaswerk wird Heilswerk,
es entwindet sich der Eschatologie und mündet ein in die Soteriologie,
Baldensperger, Das Selbstbew. Jesu 114. Daargelaten de vraag, hoe
langen tijd er voor Jezus’ bewustzijn en dat der apostelen tusschen
zijn tegenwoordig en zijn toekomstig koninkrijk verloopen zou; het feit
staat vast, dat beide ook temporeel onderscheiden zijn. Cf. Holtzmann
I 215-225, en voorts de litt. over het rijk Gods, die te vinden is bij
Frédéric Krop, La pensée de Jésus sur le royaume de Dieu d’après les
évangiles synoptiques avec un appendice sur la question du fils de
l’homme. Paris Fischbacher 1897 p. 7. s. Cf. ook nog A. Ritschls Idee
des Reiches Gottes im Lichte der Gesch., kritisch untersucht von Dr.
Rich. Wegener, Leipzig Deichert 1898.