8. De weg, waarin dit peccatum originatum het deel aller menschen

wordt, is niet die van imitatie maar van generatie. Er gaat een κριμα,

een oordeel Gods aan vooraf, en krachtens dat oordeel worden alle

menschen schuldig, onrein en stervende uit Adam geboren. Zij worden

dit alles niet eerst op lateren leeftijd door hunne dadelijke zonden,

maar zijn het van hunne ontvangenis en geboorte af aan. De dood is ten

bewijze, want deze heerscht niet alleen over de volwassenen maar veel

sterker nog over de kinderkens, zelfs de ongeborene; en die dood is

naar de Schrift geen natuurproces maar eene bezoldiging der zonde.

Nu heeft deze leer der erfzonde, hoezeer zij vroeger als onredelijk

veroordeeld werd, in den laatsten tijd weer genade gevonden in de

oogen der dusgenaamde wetenschap. Zij bleek toch zoo dwaas en ongerijmd

niet, als vroegere tolken der wetenschap haar hadden tentoongesteld.

Wetenschappelijk is nu vlak het tegendeel van wat in vroeger eeuw

daarvoor gold. De leer van de aangeboren goedheid van den mensch en

van de maatschappij als oorzaak van alle kwaad heeft afgedaan; men

leert thans juist het omgekeerde: de mensch, afkomstig van een dier,

blijft in zijn hart een dier; in ieder mensch schuilt la bête humaine,

vitium hominis natura pecoris; en de „heilige” maatschappij en de

„Goddelijke” staat zijn het, die hem gelukkig in band houden en dwingen

tot deugd; alle ondeugd is aangeboren, alle deugd is verworven, cf.

b.v. Brunetière, La moralité de la doctrine évolutive, Paris 1896.

Het zijn niet de nieuw ontdekte feiten, die deze verandering in de

beschouwing hebben aangebracht. Want dat elke soort haars gelijken

voortbrengt, dat kinderen naar hun ouders aarden, dat niet alleen

lichamelijke maar ook allerlei geestelijke eigenschappen overerven,

dat is geen ontdekking der 19e eeuw maar was, blijkens de leer van

het traducianisme, ook vroeger wel bekend. En dat toch ook weer niet

alle eigenschappen overerven, dat elk individu toch nog iets anders

en iets meer is dan de optelsom of het product van zijne ouders, ook

dat was blijkens de leer van het creatianisme aan vroegere geslachten

niet onbekend. Wel is zeer zeker de kennis der feiten uitgebreid en

vermeerderd, maar dit was lang niet van dien aard, dat het alleen

eene gansche beschouwing radikaal veranderen kon. Deze verandering is

voornamelijk daaraan toe te schrijven, dat men zoo ongeveer dezelfde

feiten bezag uit een ander gezichtspunt en met een ander oog, n.l. uit

het standpunt van het monisme en met het oog van een dogmaticus der

evolutie. In strijd met allen nuchteren wetenschappelijken zin, heeft men

op enkele feiten eene reeks van diep ingrijpende conclusies gebouwd en

deze op allerlei manier in populaire geschriften aan den man gebracht:

de mensch--dat was duidelijk gebleken--was hoegenaamd geen zelfstandig

wezen, maar niets dan een product van bestaande factoren, een speelbal

der omstandigheden; van vrijheid bij hem te spreken, is dwaasheid, hij

is een willoos instrument van het noodlot; misdadigers zijn een eigen

type, die reeds als zoodanig geboren worden en onverbeterlijk en

ontoerekenbaar zijn; elk mensch moet met noodwendigheid wezen wat hij

is. Een leger van deels talentvolle schrijvers, zooals Zola, Ibsen,

Nietzsche enz. hebben deze beschouwing in roman en drama geschilderd

voor de verhitte verbeelding. En wie nu in dat koor niet meezingt

en aan de wetenschappelijkheid dezer beschouwing twijfelt, wordt in

den ban gedaan. En toch komt voor den nuchteren beschouwer alwat

de wetenschap op dit terrein aan het licht heeft gebracht op dit

weinige neer: 1º Er is niet alleen herediteit maar ook variatie, niet

alleen eenheid maar ook verandering, niet alleen herinnering maar ook

verbeelding. Vele eigenschappen gaan over van ouders op kinderen,

alle soorten brengen immers huns gelijken voort; maar toch gaan niet

alle eigenschappen over, want elk individu is iets nieuws; geen enkel

kind lijkt precies op zijne ouders. Hiermede is niets nieuws gezegd en

slechts eene oude bekende, door niemand ooit geloochende waarheid

herhaald. 2º. Deze beide feiten worden zeer gaarne met den naam van

wetten bestempeld; maar hoe die wetten heerschen, is nog zoo goed als

ten eenenmale onbekend. Herediteit en variatie staan voortdurend met

elkaar in verband, zij werken saam en kruisen elkaar, en vandaar dat de

verklaring der feiten zoo moeilijk is. En deze moeilijkheid wordt nog

daardoor verhoogd, dat de overerving bij alle hoogere wezens plaatsgrijpt

door de vermenging van twee individuen (amphimixis, gelijk Weismann ze

noemde). 3º. Dit blijkt, zoodra men eenigszins nader specialiseert.

Dat soorteigenschappen overerven, d. w. z., dat ouders kinderen van

dezelfde soort voortbrengen, staat vast maar brengt niet veel verder.

Dat ras- en varieteitseigenschappen constant worden overgeplant, is

aan rechtmatigen twijfel onderhevig; door selectie kan het ras, bv.

van dieren of planten, wel worden verbeterd; maar deze verbetering

is beperkt en tijdelijk; na vier of vijf generaties is de hoogte der

verbetering bereikt; zoodra men met de selectie ophoudt, keeren de

nakomelingen tot het oude type terug; de eigenschappen worden niet in

de natuur van de schepselen opgenomen, zij houden de neiging, om in

den oorspronkelijken vorm terug te slaan. Dat eindelijk individueele,

verworvene eigenschappen van ouders op kinderen overgaan, is wel

door Darwin e. a. beweerd, maar wordt door A. Weismann, hoogleeraar

te Freiburg, zoo sterk mogelijk bestreden, en zijne theorie vindt

tegenwoordig hoe langer hoe meer instemming. 4º. De poging, om de

verschijnselen, die zich hier voordoen, onder eenige wetten saam te

voegen, is niet alleen niet gelukt maar is voorshands zeer voorbarig

te achten. De verschijnselen zijn veel te talrijk en te gecompliceerd,

evenals b.v. die van het weder, om ons reeds nu van vaste wetten te

kunnen doen spreken. De wet van het atavisme maakt dan ook al den

indruk van slechts uitgevonden te zijn, om aan de vele gevallen,

waarin de gunstige eigenschappen niet overerven en dus de „wet” der

herediteit niet doorgaat, een schijn van regelmatigheid te geven. Nicht

begriffene Thatsachen scheinen schliesslich bekannt, sobald man sie

mit einem bekannten Worte bezeichnet, Dr. Kohlbrugge, Der Atavismus,

Utrecht 1897, S. 3, die het atavisme dan ook evenals Emery voor eene

sage houdt. De hypothese van Lombroso over den misdadigerstype behoort

thans reeds weer tot het verleden. En de statistiek, al moge zij ook

eene zekere regelmatigheid in geboorten, huwelijken, misdaden enz.,

aanwijzen, is daarmede toch nog geenszins gerechtigd tot de conclusie,

dat elk mensch tot zijne daden gedwongen wordt, evenmin als het feit,

dat de ouderdom eener bevolking in doorsnede dertig jaren bedraagt,

ieder dertigjarige tot sterven dwingt, Wundt, Grundzüge der physiol.

Psych. II² 397. A. v. Oettingen, Die Moralstatistik³ 1882 S. 24 f.

Eindelijk 5º. de verschillende theorieën ter verklaring van herediteit

en variatie zijn alle tot op den huidigen dag onvoldoende gebleken.

Reeds het groote aantal, dat er opgesteld is, bewijst, dat geen van alle

bevredigt. Alle natuurphilosofen en biologen hebben er hunne krachten

aan beproefd, zonder dit geheim des levens ontsluierd te hebben. De

hoogleeraar aan de Sorbonne, Yves Delage, heeft in zijn geleerd werk:

La structure du protoplasma et les théories sur l’hérédité et les

grands problèmes de la biologie générale, Paris Reinwald et Cie 1895

alle theorieën breedvoerig besproken en komt dan tot de slotsom: après

avoir étudié et discuté les nombreuses théories émises pour résoudre

les problèmes de l’hérédité et de l’évolution, nous sommes obligés de

reconnaître, qu’aucune ne présente une solution acceptable. Toutes

pèchent en quelques points, non pas accessoires mais fondamentaux,

et la plupart sont, en outre, appuyées sur des hypothéses gratuites

et tout à fait improbables, p. 743. Zelf waagt hij dan ook niet eene

théorie complète aan den lezer aan te bieden; nos connaissances sont

loin d’être assez avancées pour que cela soit possible, p. 747; cf.

ook nog Hugo de Vries, Eenheid in veranderlijkheid, Album der Natuur

1898 bl. 65-80. Ribot, L’hérédité psychol.⁵ Paris Alcan 1894. van

Bemmelen, De erfelijkheid van verworven eigenschappen, 1890. R. Schäfer,

Die Vererbung, Berlin, Reuther u. Reichard 1897. Dr. Jonker, Erfel.

en Toerekenb. in Theol. Stud. v. Dr. Daubanton 1894 bl. 291-322 enz.

Met dit alles ontkennen wij echter de feiten der erfelijkheid niet noch

ook haar uitgebreide heerschappij. De christelijke theologie heeft er

niet het minste belang bij, om aan deze ook maar eenigszins te kort te

doen; integendeel erkent zij ten volle en eerbiedigt de wetten, die op

dit gebied door God zijn vastgesteld; hoe meer in de erfelijkheid vaste

wetten worden opgespoord, des te grooter wordt de heerlijkheid van Hem,

die de Schepper aller ordinantiën en geen God van verwarring maar van

orde is. Ook is het volkomen waar, dat wij bijna nooit met juistheid de

grenzen kunnen aanwijzen, die de persoonlijke schuld scheiden van de

gemeenschappelijke schuld. Wat Schleiermacher zegt van de erfzonde, is

heel iets anders dan wat Schrift en kerk aangaande haar uitspreken,

maar op zichzelf is het van de zonde in het algemeen toch volkomen

waar, dat zij eene Gesammtthat und Gesammtschuld des menschlichen

Geschlechtes is, d. i.: de zondige toestand en de zondige daden van

ieder mensch zijn eenerzijds veroorzaakt door die van het voorgeslacht

en anderzijds ook weer oorzaak van de zondige toestanden en daden der

nakomelingen; de zonde is in Jedem das Werk Aller und in Allen das

Werk eines Jeden, Chr. Gl. § 71, 1. 2. Maar hoe waar dit alles ook zij,

zoolang de biologie naast de herediteit ook de variatie erkennen moet,

ontbreekt alle recht, om den mensch zijne zelfstandigheid en vrijheid te

ontnemen en hem voor te stellen als een willoos instrument van booze

machten. Zulk eene voorstelling berust niet op gezonde wetenschap maar

is eene vrucht van kranke verbeelding en richt door het dooden van alle

wilskracht in den mensch onberekenbare verwoestingen aan. En voorts,

al mag de steun, door de wetenschap van den dag aan de kerkelijke leer

der erfzonde geboden, tot op zekere hoogte dankbaar erkend, zij zelve

wordt er niet sterker door evenmin als zij er zwakker door wordt, als

het diezelfde wetenschap misschien morgen weer behagen mocht om ze als

dwaas en onzinnig ten toon te stellen. De erfzonde is nog iets anders

dan wat heden ten dage onder herediteit wordt verstaan. Immers is zij

geen soorteigenschap, die tot het wezen des menschen behoort, want zij

is door overtreding van Gods gebod in de menschelijke natuur ingekomen

en kan er door wedergeboorte en heiligmaking weder uit weggenomen

worden; en zij is ter andere zijde ook geen individueele verworvene

eigenschap, want zij is allen menschen zonder uitzondering eigen en

zij is zoo inhaerent aan de menschelijke natuur, dat wedergeborenen

zelfs nog kinderen voortbrengen, die van nature kinderen des toorns

zijn; justus non generat unde ipse regeneratus sed unde generatus est

(Augustinus). De erfzonde neemt daarom eene bijzondere plaats in;

de tegenwoordige leer der herediteit moge haar van hare schijnbare

ongerijmdheid hebben ontdaan, verklaren doet zij haar niet. Oudtijds werd

dit door het traducianisme of het creatianisme beproefd. Maar welk

standpunt men bij den oorsprong der zielen ook inneme, de voortplanting

der erfzonde blijft altijd even moeielijk. De erfzonde is toch geen

substantie, die zetelt in het lichaam en door generatie kan worden

overgeplant; zij is eene zedelijke qualiteit van den mensch, die de

gemeenschap met God mist, welke hij naar zijne oorspronkelijke natuur

bezitten moest en bezeten heeft. Adams verdorvenheid trad vanzelf in

en op hetzelfde oogenblik, toen hij in twijfel en ongeloof, in hoogmoed

en begeerlijkheid van God zich losscheurde. En op dezelfde wijze treedt

de zedelijke verdorvenheid in bij zijne nakomelingen van het eerste

oogenblik van hun bestaan af. Zooals God aan Adam om zijne overtreding

zijne gemeenschap onttrok, zoo doet Hij dit ook aan al zijne kinderen.

En evenmin als Hij, Adam na zijne overtreding toch nog onderhoudende,

door het onttrekken zijner gemeenschap de positieve oorzaak van zijne

verdorvenheid werd, evenmin is Hij dit bij zijne nakomelingen, hetzij men

den oorsprong der zielen traducianistisch of creatianistisch denke.

Ieder mensch wordt krachtens de physische en ethische relatie, waarin

hij tot Adam staat, onder schuld en in smet geboren. Est ergo quisque

sui individui peccati originalis et proximum principium et subjectum et

auctor, Voetius, Disp. I 1104, cf. Martyr, L. C. p. 70. Polanus, Synt.

VI c. 3. Zanchius, Op. IV 50. Voetius, Disp. I 1078 sq. Turretinus,

Theol. El. IX 12. Moor III 289. M. Vitringa II 358. Edwards, Works II

478.

9. De erfzonde is eene eigenschap der menschelijke natuur en daarom

eigen aan alle schepselen, die deze natuur deelachtig zijn. In Adamo

persona corrumpit naturam, in aliis hominibus natura corrumpit

personam, Thomas, S. Theol. III qu. 8 art. 5 qu. 69 art. 3. De

pelagiaansche bewering, dat er menschen zijn of althans kunnen zijn

zonder eenige zonde, wordt door de Schrift, door de ervaring, door

de getuigenissen aller godsdiensten en volken weersproken. Op den

regel, dat ieder mensch een zondaar is, is maar ééne uitzondering,

n.l. Christus, maar Hij was dan ook de eeniggeboren Zoon van God, de

tweede Adam, hoofd van een ander en beter verbond, en op bijzondere wijze

ontvangen van den H. Geest. De Roomschen maken echter ook nog eene

uitzondering voor Maria, de moeder van Jezus. De drie privileges, in

de Roomsche theologie allengs aan Maria toegekend, n.l. de vrijheid van

de erfzonde (immaculata conceptio), de vrijheid van alle dadelijke zonde

(perfectio justitiae) en de vrijheid van den dood (assumptio in coelum)

zijn eenvoudig gevolgtrekkingen uit den hoogen rang van middelares,

waartoe zij op grond van haar virginitas en deipartus door de kerk

verheven is. Ten aanzien van de onbevlekte ontvangenis stelde Pius

IX in de bul Ineffabilis vast, beatissimam virginem Mariam in primo

instanti conceptionis suae fuisse singulari omnipotentis Dei gratia et

privilegio, intuitu meritorum Christi Jesu Salvatoris humani generis,

ab omni originalis culpae labe praeservatam immunem. Er ligt hier niet

in opgesloten, dat Maria niet onder Adam begrepen en in hem gevallen

zou zijn, want Maria werd alleen vrij van de erfzonde bewaard door eene

bijzondere genade Gods en met het oog op Christus’ verdiensten. Maar er

wordt ook niet in uitgesproken, dat Maria eerst in zonden ontvangen en

daarna terstond geheiligd werd, want er wordt uitdrukkelijk verklaard,

dat zij in het allereerste moment van haar ontvangenis vrij van erfzonde

is bewaard. Voor dit dogma is echter in de Schrift niet de zwakste

grond aanwezig. Thomas zeide ronduit, quod de sanctificatione B.

Mariae, quod scilicet fuerit sanctificata in utero, nihil in Scriptura

canonica traditur, S. Theol. III qu. 27 art. 1. De Roomsche theologen

zijn hiermede dan ook in niet geringe verlegenheid, zoeken allerlei

redenen, om deze „verborgenheid van Maria” in de Schrift te verklaren,

en dwingen de vreemdste teksten tot een schijn van bewijs. Zoo beroepen

zij zich op Gen. 3:15, Ps. 45:11v., Hoogl. 1:8-16, 2:2, 3:6, 4:1v.,

6:9, Wijsh. 1:4, Luk. 1:28, 41, 48, Op. 12 en op typen als de ark van

Noach, de duif met den olijftak, den brandenden doornbosch enz.; maar

al deze aanhalingen en redeneeringen dienen slechts om hun armoede

aan argumenten te bedekken en hebben geen weerlegging van noode, cf.

b.v. Spencer Northcote, Maria in den Evang. Mainz 1889. Schaefer,

Die Gottesmutter in der h. Schrift, Münster 1867. Scheeben, Dogm. III

455-472. Veeleer leert de Schrift beslist, dat alle menschen, behalve

Christus alleen, zondaren zijn; voor Maria wordt nooit eene uitzondering

gemaakt; al staan er geen bepaalde zondige woorden of daden van haar

opgeteekend, ook niet in Mk. 3:21, Joh. 2:3, toch verheugt zij zich

in God haren Zaligmaker, Luk. 1:47, wordt wel om haar moederschap

van Christus maar nooit om haar zondeloosheid zalig gesproken, Luk.

1:28, 48, wordt ook in dit moederschap op zichzelf achtergesteld bij

wie Jezus’ moeder en broeders en zusters zijn in geestelijken zin,

Mt. 12:46v., Mk. 3:31v., Luk. 8:21, en volhardt met de apostelen

in bidden en smeeken, Hd. 1:14. Ook de kerkvaders leeren noch de

onbevlekte ontvangenis noch ook de zondeloosheid van Maria; Irenaeus,

adv. haer. III 16, 7, Tertullianus, de carne Chr. 7, Origenes, hom.

in Luc. 17 enz. spreken bij haar van dadelijke overtredingen; en zelfs

Roomsche godgeleerden kunnen dit niet loochenen. Dr. von Lehner, Die

Marienverehrung der ersten Jahrh. Stuttgart 1881 S. 151 zegt, dat

dit de toenmaals heerschende beschouwing was; Schwane, D. G. I² 382

erkent, dat de traditie uit dien tijd evenmin stringente bewijzen levert

als de H. Schrift; en Scheeben, Dogm. III 474, 476 stemt toe, dat de

persoon van Maria in de eerste vier eeuwen op den achtergrond treedt

en in relatieve Dunkelheit verkeert. Hoogstens werd alleen propter

honorem Domini geloofd, dat Maria door bijzondere genade vrij van

dadelijke zonden was gebleven, Augustinus, de nat. et gr. 36. Damasc.,

de fide orthod. IV 14. Zelfs toen sedert de vijfde eeuw de vereering

van Maria hoe langer hoe meer toenam en later nog het feest van hare

ontvangenis opkwam, leerden de voornaamste theologen--gelijk Canus,

Loci VII c. 1, Scheeben, Dogm. III 541 f. e. a. ook erkennen--wel eene

sanctificatio B. Virginis post animationem et contractionem peccati

in anima maar bestreden eene praeservatio, die apriori Maria van alle

erfzonde vrijhield, Anselmus, Cur Deus homo II 16. Lombardus, Thomas,

Bonaventura op Sent. III dist. 3. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 81 art. 3.

III qu. 27 art. 1. 2. Comp. Theol. c. 224 enz. Maar Duns Scotus bracht

hierin wijziging; hij betoogde dat, al was Maria ook in Adam begrepen,

God haar toch wel in het allereerste oogenblik van hare ontvangenis

de gratia schenken kon, die van alle zonde haar vrijhield. En wijl dit

Gode, Christus en Maria waardiger en met het gezag der Schrift en der

kerk niet in strijd was, achtte hij het probabile, quod excellentius

est attribuere Mariae, Sent. III dist. 3 qu. 1. En daarmede is ook

de grond aangegeven, waarop bij Rome dit dogma rust. Het heeft geen

steun in de Schrift noch in de traditie der oude kerk, maar het is,

evenals de hemelvaart van Maria, eenvoudig eene gevolgtrekking uit het

middelaarschap, dat haar allengs toegekend werd. Het is niet passend,

niet conveniens, dat Maria in zonde ontvangen is, zonde gedaan heeft en

gestorven is. Zij moet zondeloos zijn, en daarom is zij het, al wordt het

door Schrift noch traditie geleerd. Cf. Preuss, Die röm. Lehre v. d.

unbefleckten Empfängniss 1865. Benrath, Zur Gesch. der Marienverehrung,

Stud. u. Krit. 1886. Art. Maria in Herzog². Bolland, Rome en de

geschiedenis, Leiden 1897 bl. 1-53.

10. Even uitgebreid als de erfzonde is in de menschheid, is zij het

ook in den enkelen mensch. Zij heerscht over den ganschen mensch, over

verstand en wil, hart en geweten, ziel en lichaam, over alle vermogens

en krachten. Zijn hart is boos van der jeugd aan en bron van allerlei

zonden, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 51:7, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Mk. 7:21; hij

kan zichzelf niet vernieuwen, Jer. 13:23, Ezech. 16:6, de dingen Gods

niet verstaan, 1 Cor. 2:14, aan de wet Gods zich niet onderwerpen, Joh.

8:34, 36, Rom. 6:17, 20, 8:7, is dood door de zonden en misdaden, Ef.

2:1. Wedergeboorte is daarom noodig tot ingang in het koninkrijk Gods,

Joh. 3:3; heel de zaligheid is objectief en subjectief een werk van

Gods genade, Joh. 6:44, 15:5, 1 Cor. 4:7, 15:10, Phil. 2:13 enz. Op

deze stellige uitspraken der H. Schrift werd door Augustinus en zijne

volgelingen en later door de Hervormers de leer van de onbekwaamheid

des menschen ten goede gebouwd. Wijl in Adam de gansche menschelijke

natuur is bedorven, kan er uit haar niets waarlijk goeds meer

voortkomen, evenmin als een kwade boom goede vruchten voortbrengen kan.

Veeleer verkeert de mensch thans onder de dura necessitas non posse

non peccandi, zijne deugden zijn vitia potius quam virtutes, hij is van

nature geneigd tot alle kwaad, geneigd zelfs om God en zijnen naaste te

haten. Deze rede is ongetwijfeld hard, en het is geen wonder, dat zij ten

allen tijde besliste tegenspraak heeft ontmoet. De Heidenen kenden dit

diepe bederf der zonde niet; hoezeer zij ook menigmaal hare algemeene

verbreiding uitspraken, zij bleven toch gelooven aan de natuurlijke

goedheid van den mensch en aan de mogelijkheid der deugd, Sunt ingeniis

nostris semina innata virtutum, quae si adolescere liceret ipsa nos

ad beatam vitam natura perduceret, Cic. Qu. Tusc. II 1. Erras, si

existimas, nobiscum nasci vitia, supervenerunt, ingesta sunt, Seneca,

Ep. 96. In het pelagianisme werd deze paganistische leer vernieuwd, het

loochende de erfzonde geheel en al. Door hare mechanische opvatting

van het beeld Gods kwam de Roomsche kerk tot de leer, dat de homo

naturalis na verlies van het donum superadditum nog waarlijk goede

werken kan doen, wel niet in bovennatuurlijken maar toch in natuurlijken

zin, Trid. VI can. 5. 7. Socinianen, Remonstranten, Wederdoopers,

Kwakers, Rationalisten, enz. vielen tot dit Roomsche standpunt terug.

Coornhert ergerde zich aan de 5e en 8e vraag van den Heid. Catechismus.

Rousseau predikte de natuurlijke goedheid van den mensch. En Allard

Pierson getuigde van zichzelven, dat hij volstrekt niet geneigd was

tot alle kwaad maar wel tot veel goeds, Gids Nov. 1895 bl. 259. Aan

den natuurlijken afkeer, die onwillekeurig in het hart opkomt tegen de

leer van de algeheele zedelijke verdorvenheid des menschen, paart zich

bij hare bestrijders ongetwijfeld ook veel misverstand. Indien toch deze

leer duidelijk in het licht gesteld wordt, wordt zij door aller ervaring

dag aan dag bevestigd en door de getuigenissen van hare tegenstanders

zelven gerechtvaardigd. 1º. De leer van Schrift en kerk is toch niet,

dat ieder mensch in alle mogelijke dadelijke zonden leeft en actu

schuldig staat aan de overtreding van alle geboden. Zij spreekt alleen

van de diepste neiging, de innerlijkste gezindheid, de grondrichting

der menschelijke natuur en belijdt, dat deze niet naar God toe-, maar

van Hem afgekeerd is. Indien de mensch eene organische eenheid is, dan

zal toch een van beide het geval moeten wezen. Velen maken er zich van

af door te zeggen, dat de mensch van nature geen van beide of beide

tegelijk is, Hegel, Werke XII 209 f., maar dit verraadt gebrek aan

nadenken, is in strijd met de natuur van het goede en werd daarom ook

door Kant zeer ernstig bestreden, Religion, ed. Rosenkranz 23-26. Wie

ééne zonde doet, staat in beginsel schuldig aan de overtreding aller

geboden, en wie ééne deugd in waarheid bezit, heeft ze in beginsel

alle. De mensch is in den wortel van zijn wezen of goed of kwaad--een

derde is er niet. 2º. De zonde is echter geen substantie, zij woont

wel in en aan en bij den mensch, maar zij is niet en kan niet zijn het

wezen van den mensch. De mensch is ook na den val mensch gebleven, hij

heeft eene rede, geweten en wil behouden, kan daardoor zijne lagere

zinnelijke driften en neigingen beheerschen en zich alzoo dwingen tot

deugd, Augustinus, die de deugden der Heidenen splendida vitia noemde,

heeft dit toch volmondig erkend; vele hunner daden zijn niet alleen geen

berisping maar veeleer onzen lof en onze navolging waard, cf. Wiggers,

Aug. u. Pelag. I 119-123. De Lutherschen spraken van den natuurlijken

mensch als een blok en een stok op geestelijk gebied, maar schreven

hem in de zoo genoemde lagere hemispheer van het burgerlijke leven nog

wel allerlei krachten ten goede toe, Frank, Theol. der Conc. I 144 f.

En meer dan zij allen hebben Calvijn en de Gereformeerden de deugden

der ongeloovigen geëerd en ze aan de Christenen zelven menigmaal ten

voorbeeld gesteld, cf. mijne rede over de Algemeene Genade bl. 27v. De

leer van het totale bederf der menschelijke natuur, houdt dus geenszins

in, dat de zondige geneigdheid, die ligt op den bodem van het hart,

altijd in zulke daden uitbreekt, welke duidelijk vijandschap en haat

tegen God en den naaste verraden. Er zijn verschillende omstandigheden,

die tusschen beide treden en de neiging beletten zich ten volle te

uiten. Niet alleen worden vele zondige daden door het zwaard der

overheid, het burgerlijk fatsoen, de publieke opinie, de vrees voor

schande en straf enz., tegengehouden; maar allerlei factoren, zooals

de ieder mensch nog eigene natuurlijke liefde, het door opvoeding

en strijd gekweekte zedelijk karakter, gunstige omstandigheden van

constitutie, omgeving, werkkring enz., leiden den mensch menigmaal tot

beoefening van schoone, lofwaardige deugden. Alleen maar, daarmede is

de zondige geneigdheid des harten onderdrukt doch niet uitgeroeid; in

allerlei booze overleggingen, gedachten, begeerten komt ze telkens

naar boven; als de gelegenheid gunstig is en de nood dringt, breekt

zij dikwerf alle dammen en dijken, die haar inhielden, door; en zij, die

in schrikkelijke woorden en daden toonen God en den naaste te haten,

dragen geen andere natuur dan welke alle menschen deelachtig zijn.

3º. Als geleerd wordt, dat de mensch door de zonde onbekwaam is tot

eenig goed en deze onbekwaamheid eene natuurlijke wordt genoemd, dan

is daarmede geen physische noodzakelijkheid of fatalistische dwang

bedoeld. De mensch heeft door de zonde zijn wil en de hem ingeschapen

vrijheid niet verloren; de wil sluit krachtens zijne natuur allen

dwang uit en kan niet anders dan vrij willen. Maar de mensch heeft

wel verloren de vrije neiging van den wil tot het goede; hij wil nu

niet meer het goede doen; hij doet thans vrijwillig, uit neiging, het

kwade: de neiging, de richting van den wil is veranderd; semper est

in nobis voluntas libera, sed non semper est bona, Aug., de gr. et

lib. arb. 15, cf. ook de Geref. bij Heppe, Dogm. 237, 264. De onmacht

ten goede is in dezen zin niet physisch maar ethisch van aard; zij is

eene onmacht van den wil. Sommigen spraken daarom liever van zedelijke

dan van natuurlijke onmacht, Amyraldus, Testardus, Venema bij Moor III

231-233, en vooral Jonathan Edwards. Edwards had n.l. in zijne dagen

de onmacht des menschen te verdedigen tegen Whitby en Taylor, die de

erfzonde loochenden en den mensch in staat achtten om Gods wet te

onderhouden. Zij wierpen hem tegen, dat, indien de mensch Gods wet niet

_kon_ onderhouden, hij het ook niet behoefde te doen en, als hij het dan

niet deed, ook niet schuldig was. Om daartegen zich te verdedigen,

maakte Edwards onderscheid tusschen natuurlijke en zedelijke onmacht, en

zeide, dat de gevallen mensch wel de natuurlijke, maar niet de zedelijke

kracht had, om het goede te doen. En hij voegde eraan toe, dat alleen

natuurlijke onmacht werkelijk onmacht was, maar zedelijke onmacht slechts

in oneigenlijken zin zoo heeten kon. De zonde is n.l. geen physiek

gebrek in de natuur of de krachten van den wil; maar ze is een ethisch

gebrek, een gebrek aan genegenheid, liefde tot het goede, zie zijn

Freedom of the will, Works II 1-190 passim. Nu zeide Edwards wel, dat

de mensch zichzelf die genegenheid tot het goede niet schenken en zijn

wil niet veranderen kon; in dit opzicht stond hij geheel aan de zijde

van Augustinus en Calvijn. Maar door zijne weigering, om dezen onwil

ten goede natuurlijke onmacht te noemen, heeft hij veel misverstand

gekweekt en feitelijk het pelagianisme bevorderd. De Gereformeerden

hebben daarom vóór en na van natuurlijke onmacht gesproken. Dit woord

_natuurlijk_ kan echter verschillenden zin hebben. Men kan er mede het

oog hebben op de oorspronkelijke, door God in Adam naar zijn beeld

geschapen menschelijke natuur, zooals de Protestanten zeiden dat het

beeld Gods natuurlijk was,--dan is de onmacht ten goede niet natuurlijk.

Men kan er ook mede bedoelen de physische substantie of kracht van

eenig schepsel, en ook dan is de onmacht, wijl alle substantie en kracht

door God geschapen is, niet natuurlijk te noemen. De onbekwaamheid ten

goede is geen physische onmogelijkheid, zooals het bijv. voor een mensch

onmogelijk is, om met zijne hand aan de sterren te raken. Maar men kan,

sprekende van natuurlijke onmacht, ook denken aan de eigenschappen

der gevallen menschelijke natuur en ermede te kennen geven, dat de

onbekwaamheid ten goede nu in den gevallen toestand aan ieder mensch

„van nature” eigen is, hem van het eerste oogenblik van zijn bestaan

af aangeboren is en niet eerst door gewoonte, opvoeding, navolging

van buiten af in hem aangebracht is. In dezen zin is de naam van

natuurlijke onmacht volkomen juist, en die van zedelijke onmacht voor

misverstand vatbaar. Zedelijk onmogelijk heet immers menigmaal datgene,

wat op grond van iemands karakter, gewoonte, opvoeding voor onmogelijk

door hem te geschieden gehouden wordt; het is zedelijk onmogelijk, dat

een deugdzaam mensch in eens een dief wordt, een moeder haar kind

haat, een moordenaar een onschuldig kind worgt. Dat zedelijk onmogelijke

heeft desniettemin in sommige omstandigheden wel terdege plaats. Zoo

is het met de onbekwaamheid ten goede niet. Zij is wel ethisch van aard

en eene onmacht van den wil, maar zij is den mensch van nature eigen,

zij is hem aangeboren, zij is eene eigenschap van zijn willen zelf. En

juist, omdat de wil ook thans in den gevallen toestand krachtens zijne

natuur niet anders dan vrij willen kan, kan hij niet anders willen dan

wat hij wil, dan datgene waartoe hij van nature geneigd is, cf. Thomas,

S. c. Gent. IV 52. Calvijn op Ef. 2:3. Ursinus en andere comm. op Heid.

Cat. vr. 5. 8. Form. Conc. I 12. Cons. Helv. § 21. 22. Turret., Theol.

El. X 4. 39. Moor III 232. Hodge, Syst. Theol. II 257-272. Shedd,

Dogm. Theol. 219-257. III 364-374. 4º. Eindelijk moet men in het oog

houden, dat Schrift en kerk, het geheele bederf des menschen leerende,

daarbij den hoogsten maatstaf aanleggen, n.l. de wet Gods. De leer van

de onbekwaamheid ten goede is eene religieuse belijdenis. Naar den

maatstaf, dien menschen gewoonlijk gebruiken in het dagelijksch leven

of ook in de philosophische ethiek, kan volmondig erkend, dat er veel

goeds en schoons door menschen geschiedt. De volgeling van Augustinus

kan met dezen maatstaf in de hand in de beoordeeling en waardeering

van menschelijke deugden nog milder en ruimer zijn dan de overtuigdste

Pelagiaan. Er is echter nog een ander, hooger ideaal voor den mensch;

er is eene Goddelijke wet, waaraan hij beantwoorden moet. Deugden en

goede werken zijn onderscheiden. Goed, waarlijk goed, goed in het oog

van den heiligen God, is alleen datgene, wat uit het geloof, naar

Gods wet en tot Gods eere geschiedt. En aan dezen maatstaf getoetst,

wie durft dan zeggen, dat er eenig werk door menschen geschiedt, dat

volkomen rein is en geen vergeving en vernieuwing behoeft? Met Rome en

ten deele ook met de Lutherschen den mensch in tweeën te deelen en te

zeggen, dat hij in het bovennatuurlijke en geestelijke niets goeds vermag

maar in het natuurlijke iets volkomen goeds kan doen, dat is in strijd

met de eenheid der menschelijke natuur, met de eenheid der zedewet, met

de leer der Schrift, dat de mensch altijd beeld Gods moet zijn, alwat hij

doet tot Gods eere moet doen en God liefhebben moet altijd en overal met

geheel zijn hart en verstand en kracht. Indien dit nu zoo is, indien het

wezen van den mensch daarin bestaat dat hij beeld en gelijkenis Gods is,

dan kan in den mensch, gelijk hij thans leeft en werkt, niets voor Gods

aangezicht bestaan. Gewogen in de weegschaal van Gods heiligdom, wordt

al zijn doen te licht bevonden.

Men kan over dezen maatstaf verschillen, en de wet Gods, ten einde tot

gunstiger slotsom te komen, neerhalen van hare hoogte en pasklaar maken

naar der menschen gedragingen. Maar gegeven deze maatstaf, is er geen

ander oordeel mogelijk dan dat der Schrift, dat er niemand is, die goed

doet, ook niet tot één toe. En dit oordeel der Schrift wordt bevestigd

door allerlei getuigenissen. Laten zij, die de Schrift niet gelooven,

luisteren naar de stemmen van de grootsten van ons geslacht. Zoodra

men bij zichzelf of bij anderen niet bij de woorden of daden blijft staan

maar naar de verborgen motieven, de geheime bedoelingen onderzoek doet,

komt de zondige aard van alle menschelijk streven aan het licht. Nos

vertus ne sont le plus souvent que des vices déguisés (Rochefoucauld).

L’homme n’est que déguisement, que mensonge et hypocrisie, et en

soi-même et à l’égard des autres (Pascal). Homo homini lupus; zonder

den staat zou de menschelijke samenleving een bellum omnium contra

omnes zijn (Hobbes). Volgens Kant is de mensen von Natur böse; er is

in hem een natuurlijke Hang zum Bösen, ein radicales, angebornes Böse;

de schrikkelijke feiten, die de geschiedenis der menschheid ons kennen

doet, bewijzen dit genoegzaam. Ein jeder Mensch hat seinen Preis, für

den er sich weggiebt. Wat de apostel zegt, is algemeene waarheid: er is

niemand, die goed doet, er is er ook niet tot één toe, Kant, Relig. ed.

Rosenkranz 35 f. Diejenigen, welche ein servum arbitrium behaupteten

und den Menschen als einen Stock und Klotz charakterisirten....

hatten vollkommen Recht, Fichte, Syst. der Sittenlehre 1798 S. 265.

Das natürliche Herz, worin der Mensch befangen ist, ist der Feind,

der zu bekämpfen ist, Hegel, Werke XII 270. Der Mensch hat sich von

Ewigkeit in der Eigenheit und Selbstsucht ergriffen und alle, die

geboren werden, werden mit dem anhängenden finstern Princip des Bösen

geboren. Dieses ursprüngliche Böse im Menschen, das nur derjenige

in Abrede ziehen kann, der den Menschen in sich und ausser sich

nur oberflächlich kennen gelernt hat, ist in seinem Ursprung eigne

That, Schelling, Werke I 7 S. 388. Die Haupt- und Grundtriebfeder im

Menschen, wie im Thiere ist der Egoismus, d. h. der Drang zum Daseyn

und Wohlseyn. Dieser Egoismus ist im Thiere wie im Menschen mit dem

innersten Kern und Wesen desselben aufs genaueste verknüpft, ja

eigentlich identisch. Dit egoisme wordt wel door allerlei banden van

fatsoen, vrees, straf, overheid enz., beteugeld; maar als deze worden

weggenomen, springen die unersättliche Habsucht, die niederträchtige

Geldgier, die tief versteckte Falschheit, die tückische Bosheit

te voorschijn. Kriminalgeschichten und Beschreibungen anarchischer

Zustände muss man lesen, um zu erkennen, was in moralischer Hinsicht

der Mensch eigentlich ist. Diese Tausende, die da vor unseren Augen

in friedlichen Verkehr sich durcheinander drängen, sind anzusehen als

eben so viele Tiger und Wölfe, deren Gebiss man durch einen starken

Maulkorb gesichert hat. Zelfs het geweten is meest samengesteld uit

1/5 menschenvrees, 1/5 deisidaemonie, 1/5 vooroordeel, 1/5 ijdelheid

en 1/5 gewoonte, Schopenhauer, Die beiden Grundprobleme der Ethik,

3e Aufl. 1881 S. 186 f. Welt als Wille u. V. I⁶ 391 f. Parerga u.

Paral. II⁵ 229 f. De aanhangers der evolutie zijn teruggekeerd tot de

leer van Mandeville, Helvetius, Diderot, d’Alembert enz., dat egoisme

de basis is der moraal en de norma van alle menschelijk handelen;

de mensch is van de dieren afkomstig en hij blijft in den grond een

dier, door egoistische instincten geleid; beschaving kan temmen maar

nooit van den mensch iets anders maken dan wat hij oorspronkelijk

en naar aanleg is; wat wij zedelijk leven noemen, is een toevallig

product van de omstandigheden, van het leven der menschen in eene

bepaalde maatschappij; onder andere omstandigheden en in eene andere

maatschappij zouden goed en kwaad een geheel anderen inhoud hebben,

Darwin, Afst. des menschen, hoofdst. 3-5. Büchner, Kraft u. Stoff 16e

Aufl. 478-492. In zijn Ethisch idealisme Amst. 1875 maakt de Bussy een

groot onderscheid tusschen den moreelen mensch, wiens egoistische

natuur door de gemeenschap bedwongen is in haar willekeur maar niet

vernietigd, wiens deugden menigmaal splendida vitia zijn, 22v., en den

zedelijken mensch, in wien een nieuw beginsel is geplant. Het is waarlijk

de Schrift niet alleen, die hard over den mensch oordeelt. Het zijn

menschen, die over menschen het hardste en strengste oordeel hebben

geveld. En dan is het altijd nog beter, in de hand des Heeren dan in die

des menschen te vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele. Immers als

God ons veroordeelt, dan biedt Hij tegelijk in Christus zijne vergevende

liefde aan, maar als menschen menschen veroordeelen, stooten zij hen

menigmaal van zich en geven hen aan hunne verachting prijs. Als God

ons veroordeelt, dat laat Hij dit oordeel ons brengen door menschen,

profeten en apostelen en dienaren, die niet hoog als heiligen zich

boven ons stellen maar met allen zich samenvatten in gemeenschappelijke

belijdenis van schuld; maar de wijsgeeren en moralisten, de menschen

verachtend, vergeten daarbij meestal dat zij zelven menschen zijn. Als

God ons veroordeelt, dan spreekt Hij van zonde en schuld, die wel groot

is en zwaar maar die toch weggenomen kan worden wijl zij niet behoort

tot het wezen van den mensch; maar de moralisten spreken menigmaal van

egoistische, dierlijke neigingen, die den mensch krachtens zijn oorsprong

eigen zijn en tot zijn wezen behooren; zij slaan hem wel neer maar beuren

hem niet op; indien wij van huis uit dieren zijn, waarom behooren wij dan

te leven als kinderen Gods?

§ 39. DE STRAF DER ZONDE.

1. De straf der zonde kan in deze paragraaf nog niet volledig behandeld

worden. De gansche, verdiende straf is door God van te voren wel op de

zonde bedreigd, maar nadat zij gepleegd was niet voltrokken; ook treedt

zij bij niemand in dit leven volkomen in, zelfs wordt zij bij den dood

nog niet ten volle toegepast; eerst na het oordeel ten jongsten dage

treft zij den schuldige in haar gansche zwaarte. In Gen. 2:7 had God

uitdrukkelijk gezegd: _ten dage_ als gij daarvan eet zult gij zekerlijk

sterven. Deze stellige bedreiging is echter niet volvoerd. Er is een

element tusschen beide getreden, dat deze straf gematigd en uitgesteld

heeft. Adam en Eva zijn nog vele jaren na den val blijven leven; Eva werd

zelfs de moeder der levenden; er is een menschelijk geslacht uit hen

voortgekomen, dat door de aarde gedragen en gevoed wordt. De aanvangen

der geschiedenis zetten na den val, zij het ook in zeer gewijzigden vorm,

zich voort. Dit alles is niet aan Gods gerechtigheid, maar, gelijk

later duidelijker blijken zal, aan zijne genade te danken. Deze treedt

aanstonds na den val in werking. Zij krijgt de leiding der geschiedenis,

niet ten koste van maar in verbinding met het recht Gods. Alle gevolgen

en straffen, die na de zonde intreden, dragen dan ook aanstonds een

dubbel karakter. Zij zijn niet louter gevolgen en straffen, door Gods

gerechtigheid ingesteld, maar alle zonder onderscheid onder een ander

gezichtspunt ook middelen der genade, bewijzen van Gods lankmoedigheid

en ontferming. Er is hier niet tegen in te brengen, dat God dan in Gen.

2:7 onwaarheid zou hebben gesproken. Daar toch wordt alleen de ware,

volle straf aangekondigd, die de zonde verdient; de zonde verbreekt de

gemeenschap met God, is geestelijke dood en verdient den dood. Dat die

straf gematigd, uitgesteld, zelfs kwijtgescholden zou worden, was uit

den aard der zaak vóór de overtreding voor mededeeling niet vatbaar.

God maakt daarom in Gen. 2:7 alleen van de ééne, groote straf der

zonde, d. i. den dood, gewag. Daarmede houdt toch in eens alles op,

leven, vreugde, ontwikkeling, arbeid, ook de mogelijkheid van bekeering

en vergeving, van herstel der gemeenschap met God. De zonde verdient

niet anders dan den ganschen, vollen dood. Alle andere straffen, die

na den val feitelijk ingetreden en uitgesproken zijn, zooals schaamte,

vrees, verberging voor God, vloek over de slang, over de aarde enz.,

zijn wel straffen maar onderstellen toch tevens, dat God zijne bedreiging

niet aanstonds en ten volle uitvoert, dat Hij nog een ander plan heeft

met menschheid en wereld en deze daarom in zijne lankmoedigheid en

genade laat bestaan. Toch zijn zij onder een bepaald gezichtspunt zeer

zeker ook straffen en behooren in zoover hier ter sprake te komen.

Gods genade spreekt er zich in uit, maar ook zijne gerechtigheid. Straf

toch heeft, naar de algemeene gedachte der Schrift, de bedoeling, om

het recht Gods, dat door de zonde geschonden is, te herstellen. Onder

Israel had zij de strekking, om de door God ingestelde wetten staande te

houden en het booze uit het midden des volks weg te doen, Deut. 13:5,

17:7, 12, 22:21v., 24:7, en dan voorts, om dergelijke overtredingen

te voorkomen en Israel in vreeze in des Heeren inzettingen te doen

wandelen, Deut. 13:11, 17:13, 19:20, 21:21. Het doel der straf was dus

tweeledig, had betrekking op het verleden en de toekomst, moest begane

overtredingen herstellen en toekomstige voorkomen. De maatstaf der

straf was niet willekeur of wraak, Lev. 19:18, Spr. 24:29, maar de aard

van het misdrijf, Ex. 21:23-25, Lev. 24:19, 20, Deut. 19:21, zonder dat

echter het jus talionis altijd streng, letterlijk, beide qualitatief en

quantitatief, toegepast werd, b.v. Ex. 21:30v. Het farizeisme paste

dezen regel, die alleen voor de overheid geldt, ook in het private

leven toe, in strijd met het O. Test. zelf, Lev. 19:18, Deut. 32:35,

Spr. 24:29. Daartegen komt Jezus op, Mt. 5:38; Hij verbiedt alle zucht

naar wraak, hetzij men deze privaat of langs publieken weg zoekt, en

beveelt lijdzaamheid en barmhartigheid aan. Vergelding is echter wel

door heel de Schrift heen de objectieve maatstaf der straf, niet

alleen voor de aardsche overheid maar ook voor God zelven. Niet alleen

bedreigt Hij straf op de zonde, Gen. 2:7, Deut. 27:15v., Ps. 2:9v, 5:5,

11:5, 6, 50:21, 94:10, Am. 6:8, Jes. 10:13-23, Jer. 25:12, Mt. 21:42,

23:13, 24:15, Rom. 2:3, Joh. 8:24, Rom. 6:21, 23, Gal. 6:8, 2 Petr.

2:12, 3:7 enz., maar Hij bepaalt de mate der straf ook naar den aard van

het misdrijf en vergeldt een iegelijk naar zijn werk, Ex. 20:5-7, Deut.

7:9, 10, 32:35, Ps. 62:13, Spr. 24:12, Jes. 35:4, Jer. 51:56, Mt.

16:27, Rom. 2:1-13, Hebr. 10:30, Op. 22:12.

2. Hiermede in overeenstemming sprak de christelijke theologie van

eene justitia judicialis, onderscheiden in justitia remunerativa en

vindicativa, deel II 199v., en leidde daaruit af het recht en het wezen

der straf. Inderdaad is er geen ander laatste en diepste beginsel,

waaruit de straf kan worden gededuceerd, dan de gerechtigheid Gods.

Alle straf onderstelt, dat hij, die de straf uitspreekt en oplegt,

met gezag is bekleed over hem die de wet overtrad. Dit gezag, dit

recht kan zijn oorsprong niet hebben in den mensch, noch in zijne

physische natuur, want deze schept alleen het recht van den sterkste,

noch in zijne ethische natuur, want alle menschen zijn zondaren en

het recht tot straffen rust nooit daarin, dat iemand zedelijk hooger

staat dan de schuldige. Alle zoogenaamde relatieve theorieën, die

er buiten de Goddelijke gerechtigheid om voor de handhaving van het

strafrecht uitgedacht zijn, zooals de noodweer-, de praeventieve, de

afschrikkings-, de verbeteringstheorie, zijn onvoldoende, om het recht

van straffen te vindiceeren en zijn ook met het wezen der straf in

strijd; zij zijn misschien momenten in, maar kunnen niet zijn principe

van de straf; straf is altijd in de eerste plaats poena vindicativa en

daarna eerst poena medicinalis en exemplaris. Utiliteit schept geen

recht. Al de genoemde theorieën, die het strafrecht bouwen op het

belang van den staat, de maatschappij, de overtreders, vallen daarom

alle in de theorie van het recht van de sterkste terug; recht wordt

ingewisseld voor macht. Als er geen zedelijke en rechtsorde is, boven

en onafhankelijk van den mensch, en als hare handhaving aan niemand

door eene hoogere autoriteit is opgedragen, dan moge het straffen

voor sommige personen, voor eene toevallige meerderheid nuttig zijn

maar recht ertoe bestaat niet. Het atheisme is de ondermijning en

vernietiging van alle recht en moraal; ni Dieu ni maître. Alleen dan

is er recht tot straffen, als er eene rechtsorde bestaat, door God

vastgesteld en in zijn naam door de overheid ten koste zelfs van het

leven harer overtreders te handhaven, wijl zij kostelijker is dan eenig

goed en alle schepsel in waarde verre overtreft. Wel schijnt het bij het

eerste hooren vreemd, dat de rechts- en daarachter de zedelijke orde van

zoo onvergelijkelijke waarde is en goed en leven van den mensch tot hare

handhaving en herstelling opeischt. Maar deze zedelijke wereldorde is

geen idee van den mensch, geen staat van zaken, door hem geproduceerd;

zij is ook geen zelfstandige, in zichzelve rustende macht, waarvan

niemand zeggen kan wat zij is; maar zij is de openbaring en werking der

gerechtigheid Gods in deze wereld, zij rust in den volmaakten, heiligen

wil van Hem die alle dingen onderhoudt en regeert; wie haar aantast

tast God zelven aan. Daarom staat zij hoog boven den mensch en is ze

meer waard dan alle schepselen samen; als het tot een conflict komt,

gaat de mensch erbij te gronde; fiat justitia, pereat mundus; wenn die

Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen Werth mehr, dass Menschen

auf Erden leben (Kant). Om haar te handhaven, is de straf ingesteld;

zij bedoelt rechtsherstel, handhaving van Gods gerechtigheid; indien zij

daartoe niet dient, wordt ze dwang en overmacht. Cf. Lombardus, Sent

II. dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87. Stöckl, Lehrb. d. Philos.

III 53. 97. Polanus, Synt. p. 340. Hoornbeek, Theol. pract. I 412.

Moor III 329. Buddeus, Inst. theol. mor. I 612-629. Stahl, Philos. d.

Rechts⁵ II 1 S. 160 f. 2 S. 681 f. Ulrici, Gott u. d. Mensch II 391

f. Dorner, Gl. I 286 II 324. Kohler, Das Wesen der Strafe, Würzburg

1888. H. Seuffert, Was will, was wirkt, was soll die staatliche Strafe?

Bonn 1897. Caro, Problèmes de morale sociale 1887 p. 193. Dale, The

atonement, 18th ed. 1896 p. 373. Harris, God the Creator and Lord of

all, Edinb. 1897 II 442. F. C. Domela Nieuwenhuis, Het wezen der straf

I Utrecht 1867. H. L. Lindaal Jacobs, Beschouwingen over straf en

straffen, Amst. 1884. Kuyper, Ons Program 1879 bl. 738.

Straf bestaat altijd in zeker lijden, in berooving van eenig goed, hetzij

aan vermogen of vrijheid, aan lijf of leven; ze is een malum passionis,

quod infligitur ob malum actionis. Waarom de rechtsorde bepaald van

dengene, die haar schendt, lijden eischt en hoe zij daardoor hersteld

en bevredigd wordt, is moeilijk te zeggen. Willekeur en toeval is dit

zeker niet. Achter die rechtsorde staat de levende, waarachtige,

heilige God, die den schuldige geenszins onschuldig houdt; en bij Hem

rust de straf niet op een dominium absolutum in den zin van Duns

Scotus, cf. deel II 207. 216, maar op den eisch zijner gerechtigheid.

Indien Hij de zonde niet strafte, zou Hij aan het kwade gelijke rechten

toekennen als aan het goede en zichzelven verloochenen. Opdat God

God blijve, is de straf der zonde noodzakelijk. Zoodra dus de zedelijke

of de rechtsorde aangetast is, verheft zij zich en roept om herstel.

Zij wreekt zich in de straf, zoowel in- als uitwendige, drukt den

overtreder neer en toont daarin hare onvergelijkelijke majesteit. God

kan niet dulden, dat de zondaar, in plaats van onder zijne wet te staan

en haar te gehoorzamen, zich boven haar verheft en in beginsel zich

Gode gelijk maakt. En daarom handhaaft Hij in de straf zijne Goddelijke

souvereiniteit; Hij drukt door het lijden den zondaar neer op de plaats,

waar hij behoort te staan, en brengt hem, waar hij het niet vrijwillig

aanvaarden wil, door de straf tot de gedwongen erkentenis, dat hij de

mindere, dat hij niet God maar een schepsel is. Wie niet hooren wil,

moet voelen. De straf is een machtig bewijs, dat alleen de gerechtigheid

recht heeft van bestaan, dat God alleen goed is en groot. Ten deele

vloeit de straf uit de zonde zelve voort; zonde brengt uit haar aard

scheiding van God, en dus duisternis, onkunde, dwaling, leugen, vreeze,

onvrede, schuldbesef, berouw, ellende, slavernij mede; de dienst der

zonde is zoo onuitsprekelijk hard. Maar ten deele wordt de straf ook van

buiten af door de bevoegde autoriteit aan de overtreding toegevoegd.

Zoo geschiedt het in het huisgezin, in de school, in de maatschappij

en den staat, en zoo is het ook bij de straffen, die God op de zonde

volgen laat. Velen hebben dit laatste ontkend en op dit gebied alleen

van natuurlijke, maar in geen geval van stellige straffen willen weten,

Spinoza, Eth. V prop. 42, vele rationalisten in de vorige eeuw, cf.

bij Bretschneider, Syst. Entw. 391 en Dogm. I 527. Strauss, Gl. I 603.

Scholten, L. H. K. II 108v. 569v. Vrije Wil 236, cf. ook Schleiermacher,

Chr. Gl. § 84, Biedermann, Dogm. II 575 f. Lipsius, Dogm. §. 393.

Ritschl, Rechtf. u. Vers. I² 397 III² 326 f. Kaftan, Dogm. § 36 enz.

Op dit standpunt is er eigenlijk geen loon en geen straf; de deugd

draagt haar loon, de ondeugd haar straf in zichzelve; een hemel of

hel bestaat er niet dan alleen in het gemoed van den mensch zelf;

die Weltgeschichte ist das Weltgericht; hoogstens bestaat er eene

subjectieve noodzakelijkheid voor den schuldigen mensch, om zijn lijden op

te vatten als straf. Nu is het woord van den dichter waarachtig: Das

Leben ist der Güter grösstes nicht, Der Uebel grösstes ist die Schuld.

Puniri non est malum, sed fieri poena dignum. Culpam quam poenam plus

de ratione mali habere certum est, Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 6.

De schuld maakt het lijden tot straf; als zij eruit weggenomen is, kan

het lijden hetzelfde blijven en toch geheel van karakter veranderen.

De dood is als feit voor geloovigen en ongeloovigen hetzelfde, maar

voor de laatsten is hij een straf, voor de eersten een doorgang tot het

eeuwige leven. Daarom mag ook uit het lijden, dat iemand treft, niet

tot zijne persoonlijke zonde worden besloten, Luk. 13:4, Joh. 9:1; het

lijden dient n.l. in Gods hand naar zijne genade en wijsheid niet alleen

tot straf, maar ook tot beproeving, kastijding, opvoeding; Hij is zoo

machtig, dat Hij dengenen, die Hem liefhebben alles kan doen medewerken

ten goede, Rom. 8:28. Maar met dit alles wordt het objectief, door

God gelegd verband tusschen zonde en lijden niet verbroken. De Schrift

levert er bijna op iedere bladzijde bewijzen voor. De geschiedenis is wel

niet _het_, maar zij is toch _een_ wereldgericht; zij doet ons feiten

kennen, die zelfs den ongeloovigste tot de belijdenis dwingen: dit

is de vinger-Gods. Het lijden moge dikwerf niet in eene persoonlijke

zonde zijn oorzaak hebben, het heeft die toch wel in de zonde van

geslacht, volk of menschheid. Het eigen geweten getuigt bij een iegelijk

mensch, dat er verband bestaat en bestaan moet tusschen heiligheid en

zaligheid, tusschen deugd en geluk. Kant was daarvan zoo overtuigd,

dat hij uit de disharmonie, die hier op aarde tusschen beide bestaat,

tot een hiernamaals besloot. Niet om het loon dient de vrome God, maar

hij is er evenmin onverschillig voor, gelijk de voorstanders van een

amour desintéressé dat beweren te zijn; Paulus zegt dat de geloovigen

de ellendigste van alle menschen zouden zijn, indien zij alleen in dit

leven op Christus waren hopende. God heeft na den val tusschen ethos

en physis, tusschen zedelijke en natuurorde, tusschen den gevallen

mensch en de verwoeste aarde een zoodanig verband gelegd, dat ze samen

dienstbaar zijn aan de eere zijns naams en de komst van zijn rijk. De

positieve straffen, die God dikwerf reeds in dit leven op de zonde

volgen laat, zijn dan ook geen willekeur maar nemen, al doorzien wij het

niet, in de geschiedenis der menschelijke zonde en schuld haar geordende

plaats in. Wie ze ontkent of er slechts een subjectief bestaan aan

toeschrijft, loopt gevaar, ook in de zonde zelve niet veel meer te

zien dan eene inbeelding en een waan; de geschiedenis wordt hem een

wanklank, die nimmer in een hooger accoord opgelost wordt. Cf. Stapfer,

Wederl. Godg. IV 448v. Bretschneider, Dogm. I 525 f. Van Voorst, Over

de Goddelijke straffen, Haagsch Gen. 1798. V. d. Wijnpersse, Over de

straffende gerechtigheid, ib. 1798. Dorner, Chr. Gl. I 287 f. II 224 f.

3. De straffen, welke God in dit leven op de zonde gesteld heeft,

zijn schuld, smet, lijden, dood en heerschappij van Satan. Schuld is

de eerste en zwaarste straf. Het woord, dat met zullen samenhangt,

duidt eerst alleen aan, dat iemand ergens de bewerker van is, evenals

αἰτια, causa. Meest sluit het al de gedachte in, dat iemand de oorzaak

is van iets, dat niet behoorde te zijn of te geschieden (het is zijn

schuld). In dezen zin onderstelt schuld, dat wij verplicht waren iets te

doen of na te laten; wij zijn schuldig, de gansche wet te houden, Luk.

17:10, Gal. 5:3. En indien wij dat dan niet gedaan hebben, staan wij

schuldig; wijl wij de oorzaak der wetsovertreding zijn, verkeeren wij in

staat van beschuldiging (αἰτιασθαι, accusare, reus), de daad wordt ons

toegerekend, wij moeten er ons voor verantwoorden en zijn verplicht, om

aan de wet te voldoen; wij zijn gehouden tot straf. Schuld is de van wege

wetsovertreding op iemand rustende verplichting, om aan de wet door

een evenredig straflijden te voldoen. Zij bindt den zondaar terstond na

zijne overtreding aan de wet, aan haar eisch om voldoening en straf. De

mensch meent door overtreding vrij te worden van de wet, maar juist het

tegendeel heeft plaats, hij wordt op andere wijze veel vaster gebonden

aan haar eisch. God die niet ophouden kan God te zijn, ook al geeft hij

den mensch vrijheid om zich tegen Hem te stellen, laat den mensch nooit

los, en deze wordt nimmer los van God. Op hetzelfde oogenblik, dat hij

zich buiten de wet, d. i. buiten de liefde plaatst, treft zij hem met

haar vloek en bindt hem aan haar straf. Schuld is obligatio ad poenam

justam sustinendam, subjectio peccatoris ad poenam, Polanus, Synt. p.

338. Moor III 135. Turret., Theol., El. IX qu. 3. Mastricht, Theol. IV

2, 7. Müller, Sünde I 264. Vilmar, Moral I 195. Art. Schuld in Herzog²

en Wuttke, Ethik II 97. Scholten, Vrije wil 217v. Hoekstra, Vrijheid

303v. De Roomsche theologie maakt onderscheid tusschen reatus culpae

en poenae, Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, I 2 qu. 87 art. 6.

Trid. VI c. 14 can. 30 XIV de poenit., c. 8 en can. 12-15. Bellarminus,

de amiss. gr. et statu pecc. V 19. Theol. Wirceb. VII 27. Maar deze

onderscheiding verraadt kennelijk hare bedoeling, om de satisfactorische

straffen voor de geloovigen hier op aarde en in het vagevuur te

rechtvaardigen, en is met den aard van schuld en straf in lijnrechten

strijd. Wel is het waar, dat de zonden der geloovigen, d. i. van hen,

die volle vergeving hebben ontvangen, _in zichzelve_ altijd zonden en

strafwaardig blijven; tegen de Antinomianen, die dit loochenden en

daarom het gebed om vergeving voor de geloovigen onnoodig achtten,

hebben de Gereformeerden dit steeds gehandhaafd en de distinctie

gemaakt van reatus potentialis en reatus actualis, Moor III 135. Maar

wanneer van de zonden de schuld is weggenomen, dan vervalt daarmede

vanzelf ook alle voldoening en straf, want schuld is niets anders dan

verbintenis tot straf. God is dan geen Rechter meer maar een Vader;

kastijdt wel den zoon, dien hij liefheeft, 2 Sam. 12:13, 14, maar straft

hem niet; en eischt geen voldoening van hem, voor wien de gansche

gerechtigheid door Christus aangebracht is. Zoo zegt ook Augustinus

van den gedoopte: omni peccato caret, non omni malo, quod planius ita

dicitur, omni reatu omnium malorum caret, non omnibus malis, c. Jul. VI

c. 16, cf. Alting, Theol. el. nova XVII 5. Turret., Theol. El. IX qu.

3. Moor III 136. Shedd, Dogm. Theol. II 414.

Dat de zonde nu waarlijk schuld medebrengt, staat vast door het

getuigenis Gods in de Schrift zoowel als in de conscientie. In de

Schrift zijn zonde, schuld en straf zoo onderling samenhangende

begrippen, dat de woorden voor zonde, zooals ‎‏עָוֹן‏‎, ‎‏חַטָּאת‏‎,

ongemerkt de beteekenis van schuld verkrijgen, Gen. 4:13, Ex. 34:7,

Lev. 24:15, Num. 9:13 enz. Het eigenlijk woord, dat de zonde als schuld

aanduidt, is ‎‏אָשָׁם‏‎, Gen. 26:10, Lev. 4:13, 5:2, Num. 5:7 enz.,

en ὀφειλημα, Mt. 6:12, cf. 5:26, Luk. 7:41, 42, 13:4., Schultz, Altt.

Theol.⁴ 684 f. God houdt den schuldige geenszins onschuldig en spreekt

den vloek uit over al wie niet blijft in het boek der wet, Deut.

27:26, Gal. 3:10. Vloek, ‎‏עָלָה‏‎, ‎‏מְאֵרָה‏‎, ‎‏קְלָלָה‏‎, καταρα,

ἀναθεμα, maledictum, is het tegendeel van zegen, ‎‏בְּרָכָה‏‎, εὐλογια,

benedictio, Deut. 11:26, 30:19. Gelijk Gods zegen iemand allerlei heil

en leven toeschikt, zoo is de Goddelijke vloek de overgave van iemand

aan het verderf, den ondergang, den dood, het oordeel, Satan. Menschen

kunnen alleen zegen en vloek toewenschen, maar Gods zegenen en vloeken

is altijd exhibitief, het zendt wat het wenscht. Eerst rustte Gods zegen

op de schepping, Gen. 1:22, 28, 2:3, maar die zegen is in een vloek

verkeerd, Gen. 3:17. Wel is later wederom de zegen Gods over de aarde

en de menschheid uitgesproken, maar deze vloeit uit Gods genade voort.

De Heidenen kennen dan ook het begrip van den Goddelijken zegen niet.

Des te meer weten zij van den Goddelijken vloek; de klassieke oudheid

wordt beheerscht door de vrees voor de wraak van de Erinyen (Moiren,

Furiën), de godinnen van den vloek. In alle heidensche godsdiensten

overweegt de angst (δεισιδαιμονια, religio) verre het vertrouwen op de

goden; de religie gaat meer en meer in superstitie over; overal acht

men zich omgeven en beheerscht door verderfbrengende goden, die men

vergeefs door offeranden en pijnigingen te verzoenen zoekt. Er rust

waarlijk een vloek Gods op menschheid en wereld. Uit de liefde Gods

alleen het leven en de geschiedenis te willen verklaren, is onmogelijk.

Er is een principe des toorns Gods in heel de schepping werkzaam,

dat slechts door den oppervlakkige kan worden ontkend. Er is geen

gemeenschap maar scheiding tusschen God en den mensch; het verbond is

verbroken; God heeft een twist met zijn schepsel. Allen staan schuldig

en strafbaar voor zijn aangezicht, παντων ἐνοχοι, Mt. 5:21, 22; Mk.

3:29, Jac. 2:10. De gansche wereld is ὑποδικος τῳ θεῳ, Rom. 3:19; zij

staat onder het gericht Gods en heeft niets te antwoorden. Art. Segen

in Herzog², ἀναθεμα bij Cremer. Subjectief wordt dit bevestigd door

de getuigenis Gods in de conscientie van iederen mensch. Schuld en

schuldbewustzijn zijn niet hetzelfde. Wie uit het schuldbewustzijn tot

de schuld wil opklimmen, snijdt zich den weg af, om de schuld in haar

eigenlijke beteekenis en zwaarte te verstaan. Onwetendheid kan de zonde

tot op zekeren hoogte verontschuldigen, Luk. 23:34, Hd. 17:30, gelijk

bewuste en opzettelijke overtreding de zonde verzwaart, Luk. 12:47, Joh.

15:22, 9:41, maar er zijn ook voor onszelf en anderen verborgen zonden,

Ps. 19:13; en ook onwetendheidszonden zijn zonden, Hd. 17:27-29, Rom.

1:19-21, 28, 1 Tim. 1:13-15. Toch reflecteert de objectieve schuld zich

zwakker of sterker in het bewustzijn van den mensch. Terstond na den

val werden aan Adam en Eva de oogen geopend en zij werden gewaar, dat ze

naakt waren. Hierin ligt dat zij ook weten en erkennen, kwaad gedaan te

hebben. Schaamte is vrees voor schande, een onaangenaam pijnlijk gevoel

over iets verkeerds of onbehoorlijks. En bij die schaamte komt de vrees

voor God en de zucht, om zich voor Hem te verbergen. Dat is, in den

mensch is het geweten ontwaakt. Vóór den val was er in den mensch,

strikt genomen, geen geweten; er was geen klove tusschen hetgeen hij was

en hetgeen hij wist, dat hij moest wezen. Zijn en zelfbewustzijn vielen

saam. Maar door den val komt er scheiding. De mensch houdt, door Gods

genade, nog de bewustheid, dat hij anders behoorde te zijn, dat hij in

alle deelen met Gods wet moest overeenkomen. Maar de werkelijkheid

getuigt anders; hij is niet die hij wezen moest. En dit getuigenis

is de conscientie. Het geweten is dus niet het bewustzijn van de

gemeenschap Gods met den mensch, gelijk Schenkel het opvatte, art.

Gewissen in Herzog¹ en Die christl. Dogm. vom Standpunkt des Gewissens

aus 1858. Het is veeleer het tegendeel, het is juist een bewijs, dat

de gemeenschap met God verstoord is, dat er een afstand en klove is

tusschen God en den mensch, tusschen zijne wet en onzen toestand.

Duidelijk komt dit uit, als het geweten beschuldigend optreedt, maar

ook waar het ontschuldigt in een gegeven geval, d. i. feitelijk zwijgt,

ligt er die scheiding van God aan ten grondslag, Rom. 2:14, 15. Het

geweten is het subjectief bewijs voor ’s menschen val, de getuige van

zijne schuld voor het aangezicht Gods. God klaagt den mensch niet alleen

aan; in het geweten veroordeelt de mensch zichzelf en kiest hij voor

God en zijn vonnis tegen zichzelven partij. Hoe fijner en nauwgezetter

het geweten oordeelt, hoe meer het Gods gedachte over den mensch in de

Schrift rechtvaardigt. De besten en edelsten van ons geslacht hebben

Gods waarachtigheid bevestigd en het schuldig uitgesproken over hun

eigen hoofd. Cf. over het geweten mijne Beginselen der Psychologie 1897

bl. 111. 203.

4. Eene andere straf van de zonde is de smet. Evenals bij de eerste

zonde, zoo is ook bij de zonden in het algemeen de uitwendige

overtreding openbaring en bewijs der inwendige. Zonde bestaat niet

alleen in de daad maar ook in de gedachte, lust, neiging enz. Op

elk van die trappen is de zonde beide schuld en smet tegelijk. Adam

werd niet eerst schuldig toen hij at, maar hij laadde ook reeds schuld

op zich, toen hij begeerde naar de vrucht van den boom. Schuld en

smet zijn altijd de beide zijden der zonde, ze gaan onverbrekelijk saam;

waar de eene is, is de andere. Zonde is schuld, wijl zij strijdt met

Gods gerechtigheid; zij is smet, omdat zij tegengesteld is aan zijne

heiligheid. Schuld verbindt ons tot straf, smet verontreinigt ons. Door

schuld wordt de objectieve relatie tot God, door smet de subjectieve

gemeenschap met God verstoord. Zonde is tegelijk verbreking van het

werkverbond en verwoesting van het beeld Gods. Het eerste houdt in,

dat God ’s menschen bondgenoot niet meer is; Hij kan zich niet in gunst

en liefde keeren tot den schuldige, en de zondaar staat niet meer in

dat verbond, kan de wet niet meer liefhebben en onderhouden en dus

langs dezen weg het leven niet meer verwerven. Uit de werken der wet

kan geen vleesch meer gerechtvaardigd worden, Ps. 143:2, Rom. 3:20, 2

Cor. 3:6v., Gal. 3:2, 10. Al is het ook, dat de wet van het werkverbond

ons behalve tot herstel van het bedreven kwaad door straflijden, ook

nog steeds tot algeheele gehoorzaamheid aan hare geboden verplichten

blijft, Mt. 5:48, 22:37; ofschoon God zelf zijne belofte houdt en aan

de onderhouding van de wet het leven blijft verbinden, Lev. 18:5, Mt.

19:17, Luk. 10:28; ja, al is het werkverbond in dien zin onverbrekelijk,

dat God in het genadeverbond den eisch tot voldoening en volstrekte

gehoorzaamheid aan de wet op Christus legt, toch is het verbroken in

dit opzicht, dat de mensch onbekwaam is om langs dezen weg het leven

in te gaan. Het paradijs is voor hem gesloten, de boom des levens hem

ontzegd. Cf. Moor III 105-108. Marck, Hist. Parad. II c. 15. Ex. v.

h. ontw. v. Tol. X 478-480. Witsius, Oec. foed. I c. 9. Mastricht,

Theol. III 12, 22. En tegelijk daarmede is door de zonde het beeld

Gods verwoest. Rome verstaat daaronder, dat de bovennatuurlijke gaven

verloren en de natuurlijke ongeschonden gebleven zijn. De Lutherschen

leerden oorspronkelijk, dat de mensch het beeld Gods, wijl alleen

bestaande in de zedelijke eigenschappen, geheel verloren had en dat

de mensch nu een stok en een blok gelijk was. Maar de Gereformeerden

handhaafden, dat het beeld Gods in enger zin wel verloren en in ruimer

zin geheel geschonden en bedorven, maar toch niet vernietigd was, Ned.

Gel. art. 14. Het beeld Gods is geen uitwendig, mechanisch toevoegsel

aan den mensch, maar hangt organisch met zijn wezen samen; het is

de gezondheid van den mensch. De mensch, die Gods wet overtreedt,

houdt niet op mensch te zijn; hij behoudt zijn lichaam, zijne ziel, zijne

vermogens, zijne krachten, zijn verstand, wil enz., maar zij staan alle

in den dienst der zonde en werken in eene verkeerde richting. Als

berooving en verstoring van het beeld Gods, is de smet der zonde aan

alle menschen, behalve Christus, van nature eigen, qualitatief is er

geen onderscheid. Maar daarom is er nog wel quantitatief verschil.

Allen zijn wel van God afgekeerd en wandelen van nature op het pad, dat

ten verderve leidt. Maar niet allen zijn evenver voortgeschreden op dien

verkeerden weg en niet evenver in quantitatieven zin verwijderd van

het koninkrijk der hemelen. Er is een eindelooze variatie en overgang

tusschen den aanvang en de hoogste ontwikkeling van het zondige leven.

Menschen, gezinnen, geslachten, familiën, klassen, standen, volken

loopen ook in de zonde verre uiteen. Er zijn, die niet verre zijn van het

koninkrijk Gods; er zijn ook, die de zonde indrinken als water, in de

ongerechtigheid overgegeven, verhard, verstokt zijn en voor elken goeden

indruk onvatbaar. En dit quantitatieve verschil komt onder de menschen

niet eerst tot stand door hunne persoonlijke daden en individueele

handelingen, maar is ook reeds met de ontvangenis en de geboorte

gegeven. De erfzonde, die van Adams wege ons toekomt, is wel de

algemeene onderstelling en bron van alle individueele, dadelijke zonden,

maar de zondige daden der individuën werken ook weer op die aangeboren

zedelijke verdorvenheid terug, versterken haar en ontwikkelen haar in

eene bepaalde richting. Evenals eene zondige daad, telkens herhaald,

bij ons eene zondige neiging kweekt, b.v. tot drank, zingenot, wellust;

zoo ook kunnen zondige zeden en gewoonten in gezin, familie, geslacht,

volk de aangeboren verdorvenheid versterken en naar eene bepaalde

zijde ontwikkelen. En ook die eigenaardige wijziging der aangeboren

verdorvenheid plant zich menigmaal over van ouders op kinderen, van het

eene op het andere geslacht. De mensch is geen individu. Das Individuum

ist eine Fiktion so gut wie das Atom, Natorp, Archiv f. syst. Philos.

III 1 S. 81. De mensch wordt uit de gemeenschap geboren en leeft van

stonde aan in een bepaalden kring, toestand en tijd. Gezin, familie,

maatschappij, volk, klimaat, levenswijze, cultuur, eeuw, enz. alles

oefent invloed op den individueelen mensch en wijzigt zijne aangeboren

zedelijke verdorvenheid. De zonde is daarom wezenlijk wel altijd dezelfde,

maar zij vertoont zich bij verschillende personen, familiën, standen,

volken en in verschillende toestanden en tijden telkens op eene andere

wijze en in eene andere gedaante. Elk mensch draagt ook als zondaar een

eigen physionomie. De zonden in het Oosten dragen een ander karakter

dan die in het Westen, in de heete zone een ander dan in eene koude

luchtstreek; op het platte land een ander dan in de steden, in den

cultuurtoestand een ander dan in een staat van verwildering, in de

negentiende eeuw een ander dan in de achttiende, enz. Er zijn gezins-,

geslachts-, familie-, volks-, maatschappelijke zonden. De statistiek

heeft bewezen, dat er in bepaalde tijden en toestanden en kringen ook

eene huiveringwekkende regelmaat van misdaden heerscht, b.v. van

doodslag, zelfmoord, buitenechtelijke geboorten enz., A. von Oettingen,

Die Moralstatistik in ihrer Bedeutung für eine Socialethik, 3te Aufl.

Erlangen 1882. Wij staan allen op elk terrein onder den invloed van

verkeerde gewoonten, zondige voorbeelden, van den tijdgeest en de

publieke opinie. Er is behalve de eigenlijk gezegde erfzonde ook nog

eene Gesammtschuld en Gesammtthat der Sünde. Gelijk de menschen, zoo

staan ook hunne zondige neigingen en daden met elkander in verband.

Indringende in den eindeloozen rijkdom van al het geschapene, vormt ook

de zonde een rijk, dat, van één levensprincipe bezield, in velerlei

vormen en verschijningen zich organiseert. Cf. Schleiermacher, Chr. Gl.

§ 71. 72. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 311 f. Frank, Syst. der chr.

Wahrh. I 463 f. H. Schmidt in Herzog² 15, 33 f. Dorner, Chr. Gl. II 158

f. en boven bl. 96.

5. Behalve schuld en smet is naar de H. Schrift ook het lijden eene

straf voor de zonde. Door haar verloor de mensch niet alleen de ware

kennis, gerechtigheid en heiligheid maar ook de heerschappij en de

heerlijkheid. Dat blijkt reeds terstond na den val en wordt voorts door

heel de Schrift bevestigd. God zet vijandschap tusschen den mensch

en de slang en ontneemt hem daarmede in beginsel de heerschappij,

welke oorspronkelijk over de dierenwereld hem geschonken was, Gen.

1:26, 2:19. Voorts spreekt God over de vrouw de straf uit van

smartvolle zwangerschap en van eene desniettegenstaande haar immer

kwellende begeerte naar den man. De man zelf krijgt zijn deel van het

lijden in den vloek, die over het aardrijk wordt uitgesproken en die

hem tot moeitevollen arbeid voor het brood zijns bescheiden deels

verplicht. Hiermede is voor de menschheid en voor heel de aarde de

lijdensgeschiedenis geopend. En al het lijden, dat hier op aarde de

menschen treft, een kort leven, een plotselinge gewelddadige dood,

hongersnood, pest, oorlog, nederlaag, kinderloosheid, smartelijke

verliezen, berooving van goederen, verarming, misgewas, sterfte van het

vee enz., het heeft alles zijne oorzaak, wel niet steeds in personeele

zonden, want er is ook een sparen der goddeloozen, Gen. 18:26v., en een

straffen ter beproeving der rechtvaardigen, Job 1, Luk. 13:21, Joh.

9:1, 11:4, 2 Cor. 12:7, maar toch in de zonde in het algemeen; zonder

zonde ware er ook geen lijden, Lev. 26:14v., Deut. 28:15v., Ezech. 4:21,

Hos. 2:8v., Openb. 18:8, 21:4. Zelfs de redelooze schepping is door God

om ’s menschen zonde aan de ματαιοτης en φθορα onderworpen, en zucht

nu gemeenschappelijk, als in barensnood verkeerend, de openbaring der

heerlijkheid van Gods kinderen te gemoet, op hope van dan ook zelve

bevrijd te worden van de dienstbaarheid der verderfenis, Rom. 8:19-22.

De Schrift is niet pessimistisch in den gangbaren zin van het woord,

maar zij kent en erkent het lijden en vertolkt het in de roerendste

klachten, Gen. 47:9, Job 3, 6, 7, 9, 14 enz., Ps. 22, 38, 39, 69, 73,

74, 79, 89, 90 enz. Pred., Klaagl., Mt. 6:34, Rom. 7:24, 8:19v., 1

Cor. 15:19 enz. En dergelijke klachten stijgen voortdurend uit heel de

menschheid op. Godsdienstleeraars, zedemeesters, wijsgeeren, dichters,

kunstenaars, rijkbegaafden en misdeelden, allen spreken in denzelfden

geest. De luchthartigen en oppervlakkigen zetten er zich over heen,

maar alle ernstigen van zin hebben steeds iets van den geheimzinnigen

samenhang van leven en lijden beseft. Ook de Grieksche oudheid maakt

daar geen uitzondering op; de grondstemming was daar niet zoo vroolijk,

als men vroeger wel dacht, ze was veeleer bitter en droef. In smart

te leven, is het lot, dat de goden den onsterfelijken hebben beschikt;

alleen zij zelven zijn van zorgen vrij (Homerus). Behalve God, is niemand

gelukkig (Euripides). Geen sterfelijke blijft van ongeluk vrij, niemand

ontgaat zijn lot; de mensch is vergankelijk als eene schaduw, ijdel als

een droom, zijn geluk is schijn; het beste is, niet geboren te zijn, en

als men geboren is, zoo spoedig mogelijk te sterven (Sophocles). De dood

is misschien het grootste goed (Socrates). Een plotselinge dood is

het grootste geluk, een kort leven de grootste weldaad, het verlangen

naar den dood de diepste wensch (Plinius), cf. Pfanner, Theol. gent.

c. 17 de morte. Nägelsbach, Homer. Theol. 310 f. Paulsen, Ethik I 80

f. Weiss, Apol. d. Christ. I³ 475-501 II³ 464-517. Het optimisme der

vorige eeuw sloeg reeds bij Voltaire, Candide 1759 in pessimisme om, en

Hegels rationalisme maakte plaats voor de wijsbegeerte van Schelling,

welke niet de rede maar den wil tot principe der wereld verhief, deel

II 204. De rede moge verklaren kunnen, wat en hoe de dingen zijn; _dat_

ze zijn, is alleen af te leiden uit een wil; en deze existentie der

dingen is het eigenlijk positieve, is de irrationale Rest, die ten

slotte op den bodem van al het bestaande overblijft. Nach der ewigen

That der Selbstoffenbarung ist nämlich in der Welt, wie wir sie jetzt

erblicken, alles Regel, Ordnung und Form; aber immer liegt noch im

Grunde das Regellose, als könnte es einmal wieder durchbrechen, und

nirgends scheint es, als wären Ordnung und Form das Ursprüngliche,

sondern als wäre ein anfänglich Regelloses zur Ordnung gebracht worden.

Dieses is an den Dingen die unergreifliche Basis der Realität, der nie

aufgehende Rest, das, was zich mit der grössten Anstrengung nicht in

Verstand auflösen lässt, sondern ewig im Grunde bleibt..... Ohne diess

vorausgehende Dunkel giebt es keine Realität der Creatur; Finsternis

ist ihr notwendiges Erbtheil..... Alle Geburt ist Geburt aus Dunkel

ans Licht, Werke I 7 S. 359 f. Om deze reden had Schelling ook een

geheel anderen blik op leven en wereld dan Hegel; voor dezen was alles

redelijk, maar Schelling zag aan alles het irrationeele, het regellooze,

de duisternis, het chaotische ten grondslag liggen en erkende den

lijdensweg van het wereldproces. Es ist vergebliches Bemühen, aus

friedlicher Ineinsbildung verschiedener Kräfte die Mannichfaltigkeit in

der Natur zu erklären. Alles was wird, kann nur im Unmuth werden, und

wie Angst die Grundempfindung jedes lebenden Geschöpfs, so ist alles

was lebt, nur im heftigen Streit empfangen und geboren. Wer möchte

glauben, dass die Natur so vielerlei wunderliche Produkte in dieser

schrecklichen äussern Verwirrung und chaotischen innern Mischung.....

anders als im heftigsten Widerwillen der Kräfte habe erschaffen können?

Sind nicht die meisten Produkte der unorganischen Natur offenbar Kinder

der Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung? Werke I 8 S. 322, cf.

328. 335 II 1 S. 582. Zelfs is er in God ein Quell der Traurigkeit,

die aber nie zur Wirklichkeit kommt, sondern nur zur ewigen Freude der

Ueberwindung dient. Daher der Schleier der Schwermuth, der über die

ganze Natur ausgebreitet ist, die tiefe unzerstörliche Melancholie

alles Lebens; Freude muss Leid haben, Leid in Freude erklärt werden,

I 7 S. 399. De tegenwoordige wereld, in welke wij leven, is slechts

als eene aussergöttliche te begrijpen. Van haar is de mensch door

zijn val de oorzaak, II 3 S. 352 f., diese aussergöttliche Welt ist

die Welt des göttlichen Unwillens, alle Menschen, Juden und Heiden,

sind τεκνα φυσει ὀργης, von Natur Kinder des göttlichen Unwillens,

ib. 372 enz., cf. v. Hartmann, Ges. Stud. u. Aufs. 1876 S. 683 f. Al

deze gedachten keeren in systematischen samenhang bij de wijsgeeren

Schopenhauer en von Hartmann, in dichterlijken vorm bij Rückert, Lenau,

Byron, Shelley, George Sand, Alfred de Musset, Leopardi en bovenal ook

in de nieuwere fin-de-siècle litteratuur terug; het Buddhisme, dat in

den wil om te leven, in het zijn zelf, de oorzaak van alle lijden ziet,

wordt als de hoogste wijsheid geëerd. Leven is lijden, het slingert heen

en weer tusschen smart en verveling, het is de moeite van het leven

niet waard. De wereld met hare hospitalen, lazareths, chirurgische

martelingen, gevangenissen, folterkamers, slavenstallen, slagvelden,

gerechtshoven, woningen van ellende enz., biedt eene geschikte stof

voor de beschrijving der hel en is zelve een hel, waarin de eene mensch

een duivel voor den ander is. Indien zij een weinig slechter ware, zou

zij van ellende niet kunnen bestaan. Alwat bestaat is daarom waard, dat

het te gronde gaat, Schopenhauer, Die Welt u.s.w. I⁶ 366 f. II 657

f. Parerga II⁵ 303 f. v. Hartmann, Philos. d. Unb. II 273-390 enz.,

en verdere litt. over het pessimisme bij Ueberweg-Heinze, Gesch. d.

Philos.⁸ 1897 S. 183 f. 481. Over oorsprong en doel van het lijden zijn

de beschouwingen vele geweest. De philosophie is er bijna altijd op uit,

om de schuld ervan, evenals van de zonde, rechtstreeks of zijdelings

te werpen op God. Het lijden wordt dan afgeleid uit een zelfstandig,

boos principe (Parzisme, Manicheisme), uit een oorspronkelijk boos

wezen (Daub), uit eene donkere natuur in God (Böhme, Schelling), uit

den blinden, alogischen wil om te zijn (Buddhisme, Schopenhauer, von

Hartmann), uit de zelfobjectiveering en Entäusserung Gods (Hegel),

uit de materie (Plato, Aristoteles, Philo), uit natuurnoodwendigheid

(Weisse, Rothe), uit de eindigheid van het schepsel (Leibniz), uit den

ontwikkelingstoestand der wereld (Ulrici), uit het zondig bewustzijn

des menschen, dat de op zichzelf noodzakelijke onvolkomenheden der

wereld als Uebel opvat (Schleiermacher, Lipsius, Ritschl) enz. Dat

echter het lijden niet in dien zin aan God is toe te schrijven, dat het

met de schepping zelve gegeven was, staat vast op grond van de leer

der H. Schrift, van de getuigenis onzer conscientie, en het wezen

der religie, dat heiligheid en zaligheid ten nauwste verbindt. Toch

schijnt een bestaan en ontwikkeling van wereld en menschheid zonder

lijden eene onmogelijke gedachte te zijn. Van eene geschiedenis zonder

zonde en ellende kunnen wij ons geene voorstelling vormen; zoodra wij

deze wegdenken, blijft er in het ledige raam van den tijd en de ruimte

geene gebeurtenis meer over. Aan het physisch organisme schijnt smart

en dood van nature, noodwendig eigen te zijn; de impassibilitas is

eene eigenschap, die in een zinnelijk schepsel niet te denken valt.

Van menschen geldt dit reeds, veel meer nog van planten en dieren;

de nieuwere natuurwetenschap heeft ons overal in de organische en

anorganische natuur een struggle for life doen aanschouwen, waarin alle

schepselen vijandig staan tegenover elkaar en het op elkanders dood

hebben toegelegd.

En toch, hoe natuurlijk smart en lijden ook schijnen, tegen de voorgaande

beschouwing is met grond het volgende in te brengen: 1º. Indien wij uit

wereld en menschheid eens verwijderen konden alle lijden, dat zonder

eenigen twijfel direct of indirect door de zonde is veroorzaakt, dan zou

in eens verreweg het meeste en zwaarste lijden verdwenen en het probleem

des lijdens tot zeer kleine afmetingen teruggebracht zijn. Niemand kan

ontkennen, dat er tusschen zonde en ellende een allernauwst verband

bestaat; vele zonden slepen naar aller oordeel allerlei schrikkelijke

gevolgen na zich, niet alleen geestelijk, zooals vrees, spijt, schaamte,

schande, berouw enz., maar ook stoffelijk, zooals ziekte, ellende,

pijn, armoede, verwildering enz. En niet alleen is dit het geval bij

vleeschelijke zonden, zooals zingenot, dronkenschap, wellust enz., maar

ook bij zulke zonden die een meer geestelijk karakter dragen, zooals

afgoderij, bijgeloof, ongeloof, leugen, hebzucht, ijdelheid, hoogmoed,

haat, nijd, drift enz. Zij werken alle in meerder of minder mate ook

op het lichaam in en brengen er verwoestingen aan. Een stroom van

geestelijke en lichamelijke ellende in de individueele personen, in

gezinnen, familiën, geslachten, volken, in staat, kerk, maatschappij,

wetenschap, kunst neemt in de zonde zijn oorsprong. Neem deze weg, en

er blijft volgens aller instemming bijna geen lijden meer over. Die Welt

ist vollkommen überall, wo der Mensch nicht hinkommt mit seiner Qual

(Schiller). Die Hauptquelle der ernstlichsten Uebel, die den Menschen

treffen, ist der Mensch selbst, homo homini lupus, Schopenhauer, Die

Welt II⁶ 663. 2º. Toch, hoeveel waarheid er ook ligge in Schillers

woord, heelemaal waar is het niet. Al denken wij het lijden weg, dat

naar aller oordeel rechtstreeks of zijdelings in de zonde zijne oorzaak

heeft, de wereld zou er toch niet in eens volmaakt door worden. Er

zouden nog overblijven al die rampen, welke den mensch van buiten af

overkomen en niet voor ieders bewustzijn in verband met de zonde staan,

zooals aardbeving, storm, onweder, watersnood, hongersnood, pest,

spoorwegongeluk enz. Ook hier is er wel naar de getuigenis der Schrift

verband met de zonde, maar het is toch anders dan bij het bovengenoemde

lijden. Farizeën en Motazelieten zochten ook daarvan de verklaring

in persoonlijke zonden, maar Jezus oordeelde anders, Luk. 13:4, Joh.

9:1. Niet in persoonlijke zonden, maar in de zonde der menschheid

heeft de disharmonie en vijandschap der natuur hare oorzaak. God heeft

om de zonde des menschen de aarde met den vloek getroffen en al het

schepsel der ijdelheid en verderfenis onderworpen. De gevallen mensch

hoort niet meer thuis in een paradijs; met zijn toestand komt de aarde

overeen, die tusschen hemel en hel instaat. De mensch heeft met de

kennis en gerechtigheid ook de heerschappij en heerlijkheid verloren;

de krachten en elementen der natuur staan menigmaal vijandig tegen

hem over; hij kan ze nu niet anders aan zich onderwerpen dan door

moeitevollen, inspannenden arbeid. In haar geheel is de menschheid

geen betere plaats dan deze aarde waardig; en voor haar ontwikkeling,

opvoeding, behoudenis is er ook geen betere mogelijk. Van bijzondere

rampen kunnen wij bijna nooit de bedoeling aangeven, waarmee God ze

zond, al zijn ze zeker nooit volstrekt sprakeloos voor dengene, dien

ze treffen. Maar des te vermeteler is het, met Schopenhauer en von

Hartmann de schaal in de hand te nemen, daarin het lief en het leed

der gansche wereld tegen elkander af te wegen, om dan het oordeel

op te maken, dat de straf de vreugde zeer verre overtreft. Want elk

schepsel en ieder mensch, ook de volleerdste pessimist, geeft feitelijk

aan het smartvolle zijn boven het smartlooze niet-zijn de voorkeur en

tracht in zijn bestaan te volharden. En de menschheid in haar geheel

heeft in de worsteling met de natuur een prikkel voor haar energie,

een materiaal voor haar arbeid, een spoorslag voor hare ontwikkeling

gevonden. De vloek over de aarde is haar door Gods genade in een zegen

verkeerd. 3º. Dat de gansche natuur deelt in den val van den mensch,

staat niet alleen vast op grond van de Schrift, maar vloeit uit de

centrale plaats, welke de mensch in de schepping inneemt, als vanzelve

voort, en is ook met het oog op de hedendaagsche natuurwetenschap

meer dan waarschijnlijk. Er is over den toestand der wereld vóór den

val en over hare verandering door en na den val soms zeer wonderlijk

geredeneerd, deel II 548. 549, maar de Gereformeerden hebben hier

over het algemeen eene wijze soberheid betracht, ib. 559. 560, en den

gulden regel gevolgd, dat wel de forma der dingen door de zonde is

veranderd maar de materia dezelfde is gebleven. De zonde is immers

geen substantie en kan de substantie der dingen, die alleen God tot

auteur heeft, noch vermeerderen noch verminderen. Gelijk de mensch na

den val wezenlijk mensch is gebleven, zoo is het met de gansche natuur.

Er zijn geen nieuwe species in planten- of dierenrijk bijgekomen; doornen

en distelen zijn niet door een woord Gods nieuw geschapen gelijk het

gras en het kruid en het geboomte op den derden dag, Gen. 1:11; en

kruipend en wild gedierte bestond er ook reeds vóór den val, Gen.

1:24. Maar gelijk bij den mensch dezelfde vermogens en krachten, door de

zonde bedorven, in eene andere richting gingen werken, zoo is het ook

met de gansche schepping, nadat ze door God met den vloek getroffen

werd. Overgelaten aan zichzelve, geëmancipeerd van de heerschappij en

de verzorging van den mensch, beladen met Gods vloek, is de natuur

allengs verwilderd en verbasterd en heeft doornen en distelen, allerlei

ongedierte en verscheurende beesten voortgebracht. De mogelijkheid van

zulk eene verbastering wordt door de nieuwere natuurwetenschap boven

alle bedenking verheven. De palaeontologie levert slechts zeer weinig

fossilen van verscheurende dieren; de groote dieren van den oudsten

tijd, rhinoceros, mammuth, mastodon waren allen plantenetend. Van de

zoogenaamde sauriërs, die men voor hagedissen houdt, is het onzeker;

maar zelfs de walvisschen leven ten deele van planten. Insecten zijn

alle plantenetend; alleen zijn er sommige, die in onontwikkelden

toestand, zooals rupsen, larven, sluipwespen (ichneumon) zich voeden

met de bestanddeelen van animale wezens, maar kevers, mieren, bijen,

vlinders enz., leven alle van plantaardig voedsel. Onder de vogels

zijn er wel vele, die dierlijk voedsel gebruiken, maar zij kunnen toch

ook van planten leven. Tot de verscheurende dieren behooren de drie

genera van felis (leeuw, tijger, kat, panther, luipaard enz.), canis

(hond, wolf, vos) en ursus (beer enz). Maar van al deze dieren is het

minstens twijfelachtig, of het vleescheten tot hunne natuur behoort.

Darwin heeft in zijn ook in dit opzicht voor theologen zeer leerzame

werk, Het varieeren der huisdieren en cultuurplanten, vert. door Dr. H.

Hartogh Heys van Zouteveen, Arnh. Nijm. Cohen, bewezen, dat dieren zich

aan veranderde voeding kunnen gewennen en haalt daarvoor verschillende

voorbeelden aan, II 344v. En evenzoo kunnen door verwildering takken

in dorens, en door cultivatie dorens in takken veranderen, II 361. De

natuur is nu in veel opzichten eene antithese geworden van den mensch,

2 Kon. 17:25, Job 5:22, 23, Hos. 2:20, Jes. 11:6v. 7:23, 65:20v.,

Ezech. 14:15, 21, Op. 21, Sir. 39:32v.; planten en dieren zijn geworden

tot levende beelden van menschelijke zondige neigingen en hartstochten;

dierenvrees en dierenvereering bewijzen de abnormale verhouding van den

mensch tot de wereld rondom hem heen. Maar de nu en dan bij menschen nog

voorkomende wondere macht over de dieren; de vele veranderingen, die

blijkens de palaeontologie in planten- en dierenrijk zijn ingetreden; de

domesticatie en de langzame variabiliteit bij planten en dieren leveren

bewijzen te over, dat een toestand, als Jesaja in hoofdst 11 en 65 ons

teekent, volstrekt niet tot de onmogelijkheden behoort. Er is niets

ongerijmds in de gedachte, dat, evenals bij den mensch, zoo ook bij de

natuur tengevolge van het oordeel Gods eene belangrijke verandering is

ingetreden. In elk geval is de Schrift heel wat rationeeler dan wat

soms onder den naam van wetenschap aan de markt wordt gebracht; volgens

Lindenschmitt waren de menschen vroeger verscheurende dieren geweest,

die zich tegenover elkander door in het water gebouwde paalwoningen

moesten beschermen, maar de roofdieren waren toen hoogst onschuldige

schepsels geweest, bij Weiss, Apol. II³ 497. 4º. Daarbij vergete men

eindelijk niet, dat, theologisch gesproken, de schepping zelve in

zekeren zin infralapsarisch was, Delitzsch, Genesis 1887 S. 67. De val

is voor God geen verrassing en geen teleurstelling geweest. Hij zag hem

vooruit, had hem opgenomen in zijn raad en rekende er reeds mede bij de

schepping. Deze heeft daarom zoo plaats gehad, dat de gansche wereld,

ingeval de mensch als haar hoofd viel, zoo worden kon als zij thans

is. De toestand van den mensch en van heel de aarde was vóór den val

een voorloopige, die zoo niet blijven kon. Hij was van dien aard, dat

hij opgevoerd kon worden tot hooger heerlijkheid maar ook, in geval van

’s menschen overtreding, aan ijdelheid en verderfenis kon onderworpen

worden. Door de zonde en den vloek Gods kwam overal van onder en van

achter de harmonie het regellooze, het chaotische, het daemonische te

voorschijn, dat ons verwart en beangst. Er is over de gansche schepping

een Schleier der Schwermuth uitgebreid. Πασα ἡ κτισις συνστεναζει και

συνωδινει. Cf. Naville, Le problème du mal, Genève 1868. Delitzsch,

Syst. d. chr. Apol. 1869 S. 141 f. Ebrard, Apolog. I 275 f. Pressensé,

Le problème de la douleur, Etudes évang. 1867 p. 1-168. Keppler, Das

Problem des Leidens in der Moral, Freiburg Herder 1895. Sterling

Berry, Das Problem menschl. Leidens im Lichte des Christ. Aus d. Engl.

Heilbronn 1895. Holliday, The effect of the fall of man on nature,

Presb. and. Ref. Rev. Oct. 1896 p. 611-621. Paul Cadène, Le pessimisme

légitime, Montauban 1894. James Orr, Christian view 217. 495. Harnisch,

Das Leiden beurteilt vom theist. Standpunkt, Halle 1881. Kübel, in

Herzog² 15, 702 f. Lamers, Het probleem des lijdens, Theol. Stud 1896.

Illingworth, The problem of pain, 3d essay in Lux Mundi ed. by Ch.

Gore, 13 ed. 1892 p. 82-92. Henry Hayman, Why we suffer and other

essays, London 1890 p. 1-109.

6. Dit lijden voleindt zich in die andere straf op de zonde, welke de

dood heet. Velen zijn van meening, dat de Schrift, behalve op enkele

plaatsen, den dood niet beschouwt als gevolg en straf der zonde. Wel

is in Gen. 2:17 de plotselinge, terstond intredende dood als straf op

de zonde bedreigd, en deze wordt ook altijd als eene ramp en eene straf

beschouwd. Maar de dood op zichzelf is veelmeer natuurlijk en is met het

stoffelijk organisme van den mensch vanzelf gegeven, Gen. 3:19, 18:27,

Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7. Zoo

oordeelden vroeger reeds de Pelagianen, Socinianen, Rationalisten en

oordeelen thans nog vele theologen, zooals Schleiermacher, Chr. Gl.

§ 59 Zusatz. Lipsius, Dogm. § 414. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 308

f. Smend, Altt. Rel. 504. Marti, Gesch. d. israel. Rel. 193. Clemen,

Die chr. Lehre v. d. Sünde I 233 f. Matthes, Theol. Tijdschr. 1890

bl. 239-254 enz. Er ligt in deze voorstelling eenige waarheid. In

Gen. 2:17 is inderdaad niet de dood in het algemeen, maar bepaald de

terstond na de overtreding intredende dood op de zonde bedreigd. Gen.

3:19 verhaalt daarom ook niet de volle uitvoering der bedreigde straf;

maar wijzigt deze en stelt haar uit. Dientengevolge ziet het O. T. in

den plotselingen, in den bloei der jaren intredenden dood juist eene

straf voor de zonde, Gen. 6:3, Num. 16:29, 27:3, Ps. 90:7-10, gelijk

ook de doodstraf zoo opgevat wordt. Deze beschouwing hangt samen met

de toenmalige oeconomie des verbonds en met de paedagogie van het volk

Israels. God verbond aan de onderhouding zijner geboden in de dagen des

O. T. een lang en gelukkig leven en stelde op de overtreding allerlei

straffen aan deze zijde des grafs. Zoo was het oog van de rechtvaardigen

vooral op de lotsbedeeling van dit leven gericht en binnen den kring

van het aardsche bestaan beperkt; slechts zelden drong het door tot

de overzijde des grafs. Het onderscheid tusschen rechtvaardigen en

goddeloozen lag daarom niet allereerst in den dood als zoodanig, want

deze was voor allen gelijk, maar in de verschillende bedeeling van het

lot, dat aan den dood voorafging. En als die bedeeling ook dikwerf zoo

weinig verschilde, dan werd het onderscheid tusschen de rechtvaardigen

en de goddeloozen gezocht in de onderscheidene bedoeling, die het

lijden voor de eersten en de laatsten had, Deut. 8:2v., Hos. 2:5v. Jes.

1:25v., Jer. 5:3, 9:7, 31:18, Klaagl. 3:27v., Ps. 119:67, 71, 75,

Spr. 3:11v., Job 1 enz. De gerechtigheid Gods, die de zonden bezoekt,

wordt voor het vrome Israel ook wederom principe van verlossing en

heil, deel II 197v. Maar hieruit volgt nog geenszins, dat de dood zelf

natuurlijk en noodzakelijk werd geacht. Immers sluit de beschouwing,

dat de dood gevolg is van het stoffelijk organisme des menschen,

geenszins uit, dat die dood straf is der zonde. Alleen daarom kan

voor den mensch de straf der zonde in den dood bestaan, wijl hij stof

is en uit de aarde genomen. Paulus leert evenzoo, dat Adam aardsch is

uit de aarde en dat desniettemin de dood door de zonde in de wereld

is gekomen. En alle Christenen spreken op dezelfde wijze; de mensch

is stof, vleesch, vergankelijk, en toch is zijn dood gevolg der zonde.

Voorts is er geen volk, dat de schrikkelijkheid en de onnatuurlijkheid

des doods dieper heeft gevoeld dan Israel; de mensch is stof en moet

tot stof wederkeeren, maar natuurlijk is dit niet, de zonde heeft de

levenskracht der menschen allengs verzwakt, Henoch en Elia zijn den

dood ontkomen, het is in strijd met de innerlijke natuur van den mensch,

Job 14:1-12, rechtvaardigheid en leven zijn innig verbonden, Lev. 18:5,

Deut. 4:1, 30:15, Jer. 21:8, Hab. 2:4, Ezech. 33:16, Ps. 36:10, Spr.

3:2, 18, 4:4, 13, 22, 8:35 enz., in de vergankelijkheid des levens wordt

een gericht Gods openbaar, Ps. 90:7-12, cf. Krabbe, Die Lehre v. d.

Sünde u. v. Tode 1836. Schultz, Altt. Theol. 690 f. Oehler, Theol. d.

A. T. § 77. In de apocriefe en joodsche litteratuur, Sir. 25:26, 39:29,

40:9, Henoch 69:11, Wijsh. 1:12v., 2:24, 4 Ezr. 3:7, Apoc. Bar. 23:4,

Weber, System 238 f., en in het N. T., Joh. 8:44, Rom. 1:32, 5:12,

6:23, 1 Cor. 15:22, 55, 56, Hebr. 2:14, 1 Petr. 4:6, Jak. 1:15, 5:20,

Op. 20:14, 21:4 enz., wordt dan duidelijk uitgesproken, dat de dood

bezoldiging der zonde is. Allerminst bestaat er dus voor hen, die het

N. T. steeds verheffen ten koste van het O. T., reden, om den samenhang

van zonde en dood te loochenen. Toch geschiedt dit menigmaal op grond

van getuigenissen der historie en uitspraken der natuurwetenschap.

Er zijn n.l. velen, die alle vreeze des doods schijnen overwonnen te

hebben en zeer kalm ontslapen; anderen maken door zelfmoord zelfs een

einde aan het leven; Rousseau beweerde, dat de natuurmenschen allen in

vrede en zonder vreeze sterven; Lessing meende, dat de ouden den dood

hielden voor een broeder van den slaap en er niets schrikwekkends

in zagen; de romantiek dweepte menigmaal op sentimenteele wijze met

den dood. En toch, al hebben enkelen in stoische apathie het zoover

gebracht, dat zij den dood als een lot met kalmte tegemoet zien, vreeze

des doods is al het levende aangeboren. Wij gelooven in den grond niet,

dat wij sterven moeten. De dood speelt in het menschelijk leven zulk

eene groote rol, dat de philosophie terecht eene μελετη θανατου kan

heeten, Schopenhauer, Die Welt I 324 f. II 528 f. De dood is voor den

mensch altijd de laatste en grootste vijand geweest; allen erkennen in

hem ten slotte eene onnatuurlijke macht en ontvluchten hem zoo lang

mogelijk. Wel heeft de natuurwetenschap menigmaal den dood natuurlijk en

noodzakelijk genoemd; Lauvergne zeide b. v., la mort de l’homme est une

conséquence logique et naturelle de son être. Tout prend fin, dura lex

sed lex, bij Delitzsch, Apol. 132, cf. ook H. Wagner, De dood toegelicht

van het standpunt der natuurwet, Utrecht 1856. Maar zoo sprekende,

heeft de wetenschap meer beweerd, dan zij verantwoorden kon. De dood is

een mysterie in vollen zin. Volgens de natuurwetenschap zijn stof en

kracht, en volgens Weismann en anderen zijn ook de ééncellige protozoën

onsterfelijk. Waarom is dan sterfelijk het physisch organisme, dat uit

zulke stoffen en krachten en cellen samengesteld is? Dat organisme

wordt bovendien volgens de wetenschap bij een mensch alle zeven jaren

vernieuwd; het wordt van dag tot dag gevoed en versterkt; waarom kan

dit proces niet doorgaan en houdt het na enkele tientallen van jaren

reeds op? Men spreke niet van ouderdom en verval van krachten, want

dit zijn namen, die de verschijnselen wel aanduiden maar niet verklaren,

en zelve juist verklaring van noode hebben. Weshalb die Zellen

sich abnutzen und dahinsiechen, weshalb sie im Alter Veränderungen

unterliegen, von denen sie in der Jugend bewahrt bleiben, das ist uns

bis jetzt noch verborgen, H. de Varigny, Wie stirbt man? Was ist der

Tod? Uebers. von S. Wiarda, Minden z. j. 52. Vele planten en dieren

voorts overtreffen den levensduur des menschen tot soms met honderden

jaren toe; waarom is de levenskracht bij den mensch zoo spoedig uitgeput

en brengt hij het hoogstens tot zeventig of tachtig jaren, als hij zeer

sterk is? Daarbij komt nog, dat de dood door verval van krachten zoo

goed als nooit voorkomt, noch bij menschen, noch bij planten en dieren.

Bijna altijd treedt de dood in tengevolge van een ziekte, een ramp, een

ongeval enz.; zelfs als eene enkele maal een mensch zoogenaamd aan

verval van krachten sterft, draagt de dood toch nog een pathologisch

karakter en wordt hij door eene of andere storing van bepaalde cellen

in het lichaam veroorzaakt. Wat is dan de reden, dat de dood bijna

alle menschen wegneemt vóór den tijd en dikwerf zelfs in de kracht der

jaren, in den bloei der jeugd, in de eerste uren van hun bestaan? De

wetenschap kent de oorzaak niet, welke den dood tot eene noodwendigheid

maakt, de Varigny 18. Dat de mensch sterft, zegt daarom Prof. Pruys van

der Hoeven in zijne Studie der Christ. Anthropologie, is een raadsel,

dat zich alleen verklaren laat door de ontaarding zijner natuur, bij

Delitzsch, Apol. 126. Le mystère de la mort reste aussi intact que

celui de la vie, Delage, La structure du protoplasme etc. 1895 p.

354. 771, en cf. voorts Sabatier, Le problème de la mort, 2 ed. 1896.

Bourdeau, Le problème de la mort, ses solutions imaginaires et la

science positive, 2 ed. Paris 1896. Newman Smyth, The place of death in

evolution, London Unwin 1897.

7. De laatste, hier te bespreken straf der zonde bestaat daarin, dat

de wereld in ethischen zin in de macht van Satan en zijne engelen

gekomen is. Sedert Satan den mensch verleid en ten val heeft gebracht,

Joh. 8:44, 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 12:9, 14, 15, 20:2, 10, is

de wereld in zijne macht en ligt in den booze, 1 Joh. 5:19, hij is de

overste der wereld en de god dezer eeuw, Joh. 12:31, 16:11, 2 Cor.

4:4. Al is het ook, dat de duivelen na hun val in de hel geworpen zijn,

om tot het oordeel bewaard te worden, 2 Petr. 2:4, Jud. 6; zij zijn

toch nog niet door dat oordeel getroffen, Mt. 8:29, Luk. 8:31, Jak.

2:19. Zij komen nog in de vergadering der engelen, Job 1, Luk. 10:18,

Op. 12:7, houden zich op in de lucht, Ef. 2:2, 6:12, zwerven rond,

wonen en werken op deze aarde, en hebben hier groote macht. Vooral

de Heidenwereld is het gebied hunner werkzaamheid, Hd. 16:16, 26:18,

Ef. 2:2, 6:12, Col. 1:13, 1 Cor. 10:20, 8:5, Op. 9:20; maar toen

Christus op aarde kwam, hebben zij ook binnen de grenzen van het volk

Gods den strijd tegen Hem aangebonden. Satan heerschte en werkte in de

Christus vijandige Joden, Joh. 8:44v., verzocht Jezus, Mt. 4:1-11,

zond onreine geesten, voer in Judas, Luk. 22:3, Joh. 6:70, 13:2, 27

enz.; het was toen zijne ure, Luk. 22:53, Joh. 14:30. Maar Christus was

de sterkere, Luk. 11:22, streed tegen hem heel zijn leven, Luk. 4:13,

overwon hem en wierp hem buiten, Luk. 10:18, Joh. 14:30, 12:31, 16:11,

Col. 2:15, Hebr. 2:14, Joh. 3:8, en onttrekt in beginsel het gebied

der gemeente aan zijne heerschappij, Hd. 26:18, Col. 1:13, 1 Joh. 2:13,

4:4, Op. 12:11. Toch werkt hij nog altijd van buiten af in de gemeente

in; hij zwerft rond over de aarde, Job 1, verzoekt de geloovigen en

werkt hun tegen, Luk. 22:31, 1 Cor. 12:7, 1 Thess. 2:18, tracht hen te

verleiden en ten val te brengen, 1 Cor. 7:5, 2 Cor. 2:10, 11:3, 13-15,

1 Petr. 5:8, 1 Thess. 3:5, Op. 12:10, zoodat de gemeente geroepen is

voortdurend tegen hem te strijden, Mt. 6:13, Ef. 6:12v., Rom. 16:20, 1

Petr. 5:9, Jak. 4:7, Op. 12:11. Eens aan het einde der dagen verheft hij

zich nog eenmaal in al zijne kracht, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21, 2 Thess.

2:1-12, Op. 12v.; maar dan zal hij ook door Christus overwonnen en met

al zijne engelen in den poel des vuurs geworpen worden, 2 Thess. 2:8, 1

Cor. 15:24, Op. 20:10, cf. Litt. boven bl. 91.

Het geloof aan booze geesten komt bij alle volken en in alle

godsdiensten voor. Soms heeft de vrees voor de booze geesten het

vertrouwen op de goede schier geheel verdrongen, Roskoff, Gesch. des

Teufels 1869 I 20. En in bijna alle heidensche godsdiensten wordt het

physisch kwaad aan een of meer geestelijke wezens toegeschreven, die

in natuur en rang met de goede goden gelijk staan, ib. 24-175. De

Schrift leert echter anders, en het Christendom heeft in den eersten

tijd op allerlei wijze het joodsche en heidensche bijgeloof bedwongen en

tegengegaan; kerk en staat maakten allerlei bepalingen tegen tooverij,

waarzegging enz., en pasten toch op hen, die zich daaraan schuldig

maakten, tot de dertiende eeuw niet anders dan disciplinaire straffen

toe, ib. I 287. 293. Zelfs toen men later tot de doodstraf de toevlucht

nam, had men daarmede toch eigenlijk de uitroeiing der heidensche

superstitie op het oog. Het gaat daarom niet aan, christelijke religie

en kerk zonder meer aansprakelijk te stellen voor al het bijgeloof,

dat ook onder de Christenen, en voornamelijk van de 13e tot de 18e

eeuw, heeft geheerscht. Er werkten daartoe allerlei oorzaken mede,

de ellendige toestanden in staat en maatschappij, de schrikkelijke

bezoekingen van hongersnood en pest, de grove onkunde van het volk, de

gebrekkige kennis van de natuur, de magische, kabbalistische richting

onder de beoefenaren der natuurwetenschap enz., ib. II 314 f. Toch

gaat de kerk in dezen niet vrij uit. Menigmaal nam zij in theorie en

practijk het heidensche bijgeloof over. Reeds bij de kerkvaders komt dat

uit. Gelijk ieder mensch zijn beschermengel heeft, zoo heeft hij ook

zijn daemon. Buiten het Christendom heeft de duivel schier onbeperkte

heerschappij. De verlossing in Christus is in de eerste plaats eene

bevrijding van den duivel. Alle physisch kwaad in de wereld, ziekte,

misgewas, hongersnood, pest, dood wordt aan Satan toegeschreven.

Hij is de onzichtbare oorzaak van alle afgoderij, magie, astrologie,

ketterij, ongeloof; de superstitie rust op eene daemonische realiteit.

Toen de veelszins oppervlakkige bekeeringen der volken van Europa

onder christelijk vernis allerlei heidensche leeringen en practijken

deden voortleven, kwam in de Middeleeuwen daar nog bij het geloof, dat

de duivel in allerlei gedaanten, van kater, kat, muis, bok, zwijn,

weerwolf, verschijnen, allerlei ongedierte scheppen, als incubus of

succubus aan hoererij zich schuldig maken, menschen tot een met bloed

bezegeld verbond overhalen, hen beheksen, in hen varen, met hen door

de lucht rijden, hen in dieren veranderen, en ook in de natuur allerlei

onheil aanrichten kon. Rome heeft de daemonische realiteit van dit

bijgeloof steeds in bescherming genomen, niet alleen in de Middeleeuwen

(bul van Innocentius VIII 1484. Malleus maleficarum 1487), maar ook na

de Hervorming tot op den huidigen dag toe; in de Roomsche theologie,

b. v. van Suarez, Vasquez, Lessius, Liguori, Görres, e. a., neemt het

geloof aan de macht des duivels eene buitengewoon breede plaats in, cf.

Graf Paul von Hoensbroech, Religion oder Aberglaube, Berlin Walther

1897 S. 56 f.; en hoezeer het bijgeloof onder de Roomsche Christenen

in de practijk voortleeft, is nog onlangs in de beruchte geschiedenis

van Leo Taxil op droeve wijze aan het licht getreden, cf. H. Gerber,

Leo Taxil’s Palladismusroman, 2 Th. Berlin 1897. Voor Rome valt al het

bestaande in een lager, ongewijd en een hooger, gewijd terrein uiteen;

op het eerste heerscht Satan met bijna onbeperkte macht, het tweede

moet door kruisteeken, wijwater, bezweringen enz., voor zijn invloed en

werking beveiligd worden, De Harbe’s Verklaring der Kath. Geloofs-

en zedeleer, bew. en verm. door B. Dankelman, Utrecht IV 1888 bl.

598v.; de Roomsche Christen ziet zich overal van den duivel bedreigd

en moet allerlei maatregelen nemen, om hem te verjagen, Kolde, Die

kirchl. Bruderschaften, Erlangen 1895 S. 47. Het is waar, dat het

Protestantisme dit Roomsche en in den grond heidensche bijgeloof in

den eersten tijd bijna geheel onaangetast heeft gelaten; heksengeloof

en heksenprocessen werden door de Protestanten even sterk als door

de Roomschen verdedigd en later door de Roomschen (Spina, Molitor,

Loos, Tanner, von Spee) evengoed als door de Protestanten (Weier

1563, Godelmann 1562, Reginald Scott 1584, van Dale 1685, Bekker

1691, Thomasius 1701) bestreden; op voorgang van Luther, kenden de

Lutherschen eene zeer groote macht aan den duivel toe, leidden alle

kwaad uit hem af en handhaafden het exorcisme, Köstlin, Luthers Theol.

II 351 f. Müller, Symb. Bücher 477. 483. 771, cf. Roskoff, t. a. p. II

364 f. Philippi, Kirchl. Gl. III 341. Maar toch bracht de Reformatie,

vooral in haar Calvinistische vertakking, in het duivelgeloof wel

terdege eene belangrijke wijziging aan. Teruggaande tot de Schrift en bij

hare gegevens blijvende staan, belijdende de volstrekte souvereiniteit

Gods, kon zij in Satan en zijne engelen, hoe machtig ook, toch niet

anders zien dan schepselen, die zonder Gods wil zich noch roeren noch

bewegen kunnen. Rationalistisch was de Hervorming niet. Zij hield

staande, dat er booze geesten waren, die op de menschen, vooral op hun

verbeelding, inwerken en hen zelfs tot hun instrument verlagen konden.

Maar deze macht van Satan over de menschheid was toch altijd aan Gods

voorzienigheid onderworpen; zij was in de eerste plaats ethisch van

aard en had in de zonde haar oorsprong; zij was bovendien binnen enge

grenzen beperkt; niet Satan, maar God is de Schepper van het licht en

de duisternis, van het goede en het kwade; ziekte en dood worden door

Hem ons toegezonden, Jes. 45:7. Hebr. 2:7 zegt alleen, dat Satan het

geweld des doods heeft, wijl hij door de zonde den dood in de wereld tot

heerschappij heeft gebracht en dus menschenmoorder is van den beginne,

Joh. 8:44. Ons leven en levenseinde is niet in Satans maar in Gods

hand. Luk. 13:11, 16 en 2 Cor. 12:7 geven geen recht, om alle ziekte en

kwaal aan Satan toe te schrijven. En voorts kan Satan niet scheppen en

iets uit niet voortbrengen, hij kan noch als incubus noch als succubus

kinderen voortbrengen, hij kan geen menschen in dieren veranderen,

ter dood brengen of in het leven terugroepen; hij kan niet onmiddelijk

op verstand en wil inwerken, hij kan de substantie en de qualiteit

der dingen niet veranderen enz., Voetius, Disp. I 906 sq., en voorts

Polanus, Synt. V c. 12. Zanchius, Op. III 167-216. Synopsis pur. theol.

XII 36 sq. Turretinus, Theol. El. VII qu. 5. Mastricht, Theol. III c.

8. Brahe, Aanm. over de vijf Walch. art. 1758 bl. 195v. Moor II 328. M.

Vitringa II 117 sq.

Alleen door zulk een geloof, dat zich eng aansluit bij de H. Schrift,

is het bijgeloof te overwinnen, hetwelk zoo diepe wortelen geslagen

heeft in het menschelijk hart en trots alle zoogenaamde verstandelijke

ontwikkeling telkens weer bovenkomt. Het rationalisme bestreed eerst

de inwerking der booze geesten op de menschen en daarna hun bestaan;

en het gevolg is geweest, dat wel het geloof aan de Schrift is

prijsgegeven, maar niet het bijgeloof is uitgeroeid. Integendeel doet dit

thans onder allerlei vormen van magnetisme, hypnotisme, telepathie,

spiritisme, astrologie enz., juist in de kringen des ongeloofs zijn

intrede; het occultisme, dat alle eeuwen door en bij alle volken

gebloeid heeft, cf. Kiesewetter, Gesch. d. Occultismus, 3 Bde, Leipzig

1891, A. Lehmann, Aberglaube und Zauberei, Stuttgart 1898, telt ook

in de laatste decennia dezer eeuw zijne aanhangers bij millioenen en

wordt zelfs in kunst en wetenschap als de hoogste wijsheid verheerlijkt.

Ook tegenover dit nieuwerwetsche bijgeloof is het dwaze Gods wijzer dan

de menschen. Want niet alleen is er tegen het bestaan van gevallen

geesten niets redelijks in te brengen, maar ook de mogelijkheid, dat zij

menschen verleiden kunnen, kan op geen enkelen grond worden betwist.

Gelijk menschen door woord en daad, door voorbeeld en gedrag op

anderen invloed oefenen, zoo is er niets ongerijmds in de gedachte,

dat ook van de gevallen geestenwereld eene verleidende macht uitgaat

op der menschen verbeelding, verstand en wil. Er wordt hiertegen wel

ingebracht, dat dan de mensch altijd zijne schuld op den duivel werpen

kan; maar dit is ook het geval, als iemand door zijn medemensch verleid

wordt; voorts geschiedt de verzoeking altijd in ethischen weg en heft

de eigen schuld niet op; en in de kringen, waar aan het bestaan van

gevallen engelen geloofd wordt, is het schuldgevoel gewoonlijk niet

zwakker, dan daar, waar hun bestaan wordt ontkend. Het geloof aan

den duivel handhaaft tegelijk den ontzettenden ernst der zonde en de

verlossingsvatbaarheid van den mensch; entweder ein Teufel ausserhalb

der Menschheit oder Tausende von Teufeln in Menschengestalt, Weiss,

Apol. d. Christ. II³ 519. Er openbaart zich bij menschen soms zulk een

woeste, welbewuste, opzettelijke haat tegen God en al het goddelijke, ib.

574-587; kinderen Gods, en onder hen niet de zwakste en de kleinste,

maar de verst gevorderden, zulke, die vooraan staan in den strijd,

die het nauwst leven in de gemeenschap met God, zij klagen menigmaal

over zulke schrikkelijke verzoekingen en aanvechtingen, zij gewagen van

zoo goddelooze gedachten en neigingen, die plotseling in hun hart

opstijgen, dat het een voorrecht is, aan het bestaan van duivelen te

mogen gelooven. Er zijn βαθη του σατανα, welke in de Schrift, in de

historie der menschheid, in de worsteling der kerk van Christus, in

de ervaring der geloovigen soms voor een oogenblik worden ontdekt.

En daarbij bedenke men, dat de zondige macht een rijk vormt en in haar

bestrijding van God en zijn rijk systematisch te werk gaat. Wie haar

geheel kon overzien, zou zonder twijfel in de geschiedenis harer

worsteling een plan van aanval en verdediging ontdekken. Daar is in het

zondige leven van den enkelen mensch, maar veel meer nog in dat van

gezinnen, geslachten, volken, menschheid door alle eeuwen heen eene

welbewuste, planmatige bestrijding van God en al wat Godes is. En de

leiding van dezen strijd rust bij hem, die in de Schrift de overste dezer

wereld en de god dezer eeuw heet. Zoo is hij reeds terstond opgetreden

bij de verleiding en den val van den eersten mensch. In het Heidendom

heeft hij eene macht georganiseerd, die tegen alle ware religie,

zedelijkheid, beschaving vijandig overstaat. Als Christus op aarde

verscheen, heeft hij zijne macht tegen Hem geconcentreerd, niet alleen

door Hem persoonlijk aan te vallen en rusteloos te vervolgen, maar ook

door Hem van alle kant met daemonische krachten te omringen en alzoo

zijn werk tegen te houden en af te breken. De δαιμονιζομενοι in het N.

T. waren geen gewone kranken, al komen ziekteverschijnselen, zooals

doofheid, stomheid, epilepsie, krankzinnigheid enz., ook wel bij hen

voor. Want zij worden telkens duidelijk van gewone zieken onderscheiden,

Mt. 4:24, 8:16, 10:1, Mk. 1:32, 3:15, Luk. 13:32. Het bijzondere bij

de bezetenen is, dat uit hen een ander subject spreekt, dan zij zelven

zijn, dat dat subject Jezus als den Zone Gods erkent, geheel vijandig

tegenover Hem staat, en niet anders dan op zijn bevel den lijder verlaat,

Mt. 1:34, 8:29, 31, Mk. 1:26, 3:11, Luk. 4:34, 41, 5:41, 8:2, 30, Hd.

16:17, 19:15. Deze obsessio nu, hoe ontzettend ook, is zoo weinig

onmogelijk, dat wij in het hypnotisme, waarbij de eene mensch aan gedachte

en wil van den ander onderworpen wordt, een analoog verschijnsel zien

optreden; dat er nog heden ten dage zulke gevallen van bezetenheid zich

voordoen; en dat wie haar onmogelijk acht, ook alle inwerking van de

ziel op het lichaam, en van God op den mensch en de wereld zou moeten

ontkennen. Satan bootst alles na; God openbaart zich door theophanie

(incarnatie), profetie, wonder; de daemonische caricatuur daarvan zijn

obsessio, mantiek en magie, aan welke de Schrift daarom menigmaal

realiteit toekent, Gen. 41:8, Ex. 7:12, 22, 8:7, 18, 19, Num. 22, Deut.

33:4, Jos. 24:10, 1 Sam. 6:2, 7, 28, 2 Chr. 33:6, Jes. 47:9-12, Jer.

39:13, Nah. 3:4, Dan. 1:20, 2:10, Hd. 8:9, 13:6-10, 16:16 enz., die

zij ten stelligste afkeurt en verbiedt, Ex. 22:18, Lev. 20:27, Deut.

18:10, Jer. 27:9, 2 Chr. 33:6, Mich. 5:11, Gal. 5:20, maar die nog eens

tegen het einde der dagen door Satan in al hare verleidende kracht

zullen worden geopenbaard, 1 Thess. 2:18, 2 Thess. 2:8-11, Op. 9:1-11,

13:13-15, 19:20. Cf. behalve de reeds vroeger over de daemonologie

genoemde litt., boven bl. 91, Ebrard, art. Dämonische in Herzog¹. Joh.

Weiss, in Herzog³. Delitzsch, Bibl. Psych.² 293. Hofmann, Schriftbew. I

445 f. Philippi, Kirchl. Gl. III² 334 f. Kahnis, Dogm. I 445 f. Beck,

Vorles. über Chr. Gl. II 390 f. Weiss, Leben Jesu I 454 f. Justinus

Kerner, Geschichten Besessener neuer Zeit, nebst Reflexionen von C.

A. Eschenmayer über Besessensein und Zauber 1834, en daarbij Strauss,

Charakteristiken und Kritiken 1830 S. 301. Demon Possession and allied

themes, being an inductive study of phenomena of our own times, bij Rev.

John L. Nevius D. D. for forty years a missionary to the Chinese. With

an introduction by Rev. F. F. Ellinwood D. D. 2 ed. New-York, Chicago

and Toronto, Fleming H. Revell Company 1896. Hafner, Die Daemonischen

im N. T. 1894. Laehr, Die Daem. des N. T. Leipzig 1894. Zimmer,

Sünde oder Krankheit, Leipzig 1894. J. A. H. van Dale, Bezetenheid

en Krankzinnigheid, Heusden 1896. Florenz Chable, Die Wunder Jesu,

Strassb. Theol. Stud. II 4. 1897 S. 45 f. Bodelschwingh, Die Mitarbeit

der Kirche an der Pflege der Geisteskranken, 1896 S. 13 f.

Hoofdstuk VII.

Over Christus.

§ 40. HET VERBOND DER GENADE.

1. Zonde en ellende worden tot op zekere hoogte door alle menschen

erkend. En uit deze erkentenis wordt bij allen een zwakker of sterker

verlangen naar verlossing geboren; ook de verlossingsbehoefte is

algemeen. Zelfs zijn alle menschen in meerder of minder mate zich

bewust, dat de verlossing moet komen van boven. Παντες δε θεων χατεους’

ἀνθρωποι. Maar de Heidenen kenden toch de genade niet, welke den

mensch alleen van zonde en ellende verlossen kan; zij hadden slechts

vermoedens en wenschen. Humana ad deos transferebat Homerus; divina

mallem ad nos (Cicero). Eerst in de H. Schrift treedt de genade Gods

in al haar rijkdom en heerlijkheid ons tegemoet. Terstond na den val

neemt zij al een aanvang. De in Gen. 2:17 gedreigde straf is blijkbaar

niet ten volle uitgevoerd. Adam en Eva zijn niet op den dag hunner

overtreding gestorven. Ware de rechtvaardige straf op de zonde terstond

en ten volle voltrokken dan zou in het eerste menschenpaar geheel

het menschelijk geslacht vernietigd, de aarde verwoest, de kosmos tot

een chaos, ja tot het niet wedergekeerd zijn. Maar dan had ook Satan

getriumfeerd en God het verloren. Daarom treedt er terstond na den

val een ander beginsel in werking, dat de zonde beteugelt, bestrijdt

en verwint. Niet alleen wordt de straf niet ten volle toegepast; maar

ook die straf, welke toegepast wordt, is tegelijk ook nog een zegen.

Alwat terstond na den val plaats heeft, is openbaring en bewijs van

Gods toorn en van Gods genade tegelijk. Het schuldbewustzijn, dat in

Adam en Eva ontwaakt, het geweten dat beschuldigend zich verheft, de

schaamte over hun naaktheid, de vreeze en de verberging voor God, Gen.

3:7v. zijn alle een bewijs, dat zij Gods wet hebben overtreden en zijn

toorn en straf waardig zijn; maar zij toonen toch ook, dat de mensch

niet verstokt of verhard is, dat hij geen duivel geworden maar mensch

gebleven is. Met de engelen is het zoo, dat zij, vallende, ook in eens

vallen ter helle toe, Jud. 6, ze zijn terstond verstokt in het kwaad

en onverlosbaar. Maar de mensch is zoo geschapen, dat hij, vallende,

toch nog weer opgericht kan worden; hij blijft vatbaar voor verlossing.

God houdt de volle doorwerking van het beginsel en de macht der zonde

in den mensch tegen. Meer nog, God trekt zich na den val niet terug

en laat ook dan den mensch geen oogenblik los. Als terstond na de

overtreding schuldgevoel, schaamte, vreeze in den mensch ontwaken, dan

is dit alles reeds eene werking van Gods Geest in den mensch, eene

openbaring van zijn toorn maar ook van zijne genade, eene openbaring,

die de grondslag is van alle religieuse en ethische leven, dat er nog

in den mensch is na den val. Maar God openbaart zich ook nog op eene

andere wijze. Als de mensch zich voor Hem verbergt, zoekt Hij hem op en

roept hem. Het is waar, God komt uit de verte tot hem en de mensch wil

uit vreeze zich verbergen en den afstand tusschen zichzelven en God

nog grooter maken. Er is geen gemeenschap meer tusschen God en mensch

maar verwijdering en scheiding; het verbond is verbroken. En toch, God

komt tot den mensch en zoekt hem op; Hij laat hem niet meer over aan zijn

eigen dwaasheid en angst, welke hem in verberging voor God heil zoeken

doet. Maar Hij zelf roept uit eigen beweging den mensch tot zich terug.

En daarbij overvalt en verschrikt Hij den mensch niet. Hij komt als het

ware uit de verte; Hij komt tot hem niet in storm of onweder maar in de

‎‏רוּחַ הַיּוֹם‏‎, d. i. in de avondkoelte, onder het plechtig ruischen

der boomen in den avond. En daaraan kenden zij de stem Gods en bemerkten

zij dat Hij naderde. Dat naderen was genade. God laat den mensch tijd,

om tot zichzelf te komen en te overleggen wat hij antwoorden zal. Nog

duidelijker komt in het verhoor en in de straf deze openbaring van Gods

genade uit, Gen. 3:9-13. De Heere roept bepaaldelijk Adam, want deze

is het hoofd en de verantwoordelijke persoon. God komt niet in eens

met zijn vonnis maar stelt een onderzoek in, gaat aan het ondervragen,

en geeft den mensch alle gelegenheid, om zich te verantwoorden. Als

de mensch daarvan gebruik maakt, en wel niet alle schuld ontkent maar

toch ook niet ootmoedig en boetvaardig voor God neervalt, doch zich te

verontschuldigen zoekt, dan ontsteekt God niet in toorn, dan laat Hij

die verontschuldiging tot op zekere hoogte gelden. En dan richt Hij,

terwijl Hij in het verhoor met Adam begon, nu bij het uitspreken der straf

het eerst zich tot de slang, dan tot Eva, daarna tot Adam.

Gereformeerde dogmatiek. Derde deel · 第 10 / 18 题