onder de laatste wederom groot onderscheid. De Stoa, Novatianus, Seb.
Franck, Deurhof e. a. hebben dit ten onrechte ontkend, M. Vitringa II
377. Wel is in beginsel de zonde en de deugd ondeelbaar; wie er ééne
heeft, heeft ze alle en wie er ééne mist, mist ze alle; tusschen goed
en kwaad is geen geleidelijke overgang, iemand stemt met de wet Gods al
of niet overeen: en de wet Gods is een organisme, dat, in één van zijne
geboden overtreden, in zijn geheel geschonden wordt, want God, die het
gebod gaf, dat overtreden werd, is de auteur van alle andere geboden,
Jak. 2:10, cf. Vinet, L’unité de la loi, in zijne Nouvelles études
évangéliques. Rothe, Theol. Ethik § 730. 731. Maar daarom zijn toch niet
alle zonden gelijk. De verschillende namen, voor de zonde in gebruik,
wijzen daar reeds op. Bij de offerande van Kain en Abel in Gen. 4 komt
het uit, dat de gezindheid van meer waarde is dan de gave. De wet, aan
Israel gegeven, bevat wel allerlei ceremonieele geboden, maar door heel
het O. T. heen staat het ethische handelen toch ver boven het cultische
en liturgische; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6,
gehoorzaamheid is beter dan offerande, 1 Sam. 15:22, Am. 2:6, 5:14,
21v., Hos. 4:1v., 12:7, Mich. 6:6, 8, Jes. 1:11v., 5:8v., Jer. 7:3,
22:3, Ezech. 16:49, 18:5v., Zach. 7:5v., Mal. 3:5 enz., cf. Clemen,
Die chr. Lehre v. d. Sünde I 70. Als na de ballingschap het farizeisme
opkomt en deze verhouding omkeert, gaan Jezus en de apostelen weder
tot wet en profeten terug, Mt. 5-7, 19:18v., Mk. 7:21v., Rom. 1:29v.,
1 Cor. 5:10v., 6:9v., 2 Cor. 12:20v., Gal. 5:19v., enz. De wet zelve
maakt bovendien onderscheid tusschen zonden בִּשְׁגָגָה, die
zonder boos opzet, uit onkunde of zwakheid bedreven zijn, het verbond
niet verbreken en binnen het verbond verzoend kunnen worden, en zonden
בְיָד רָמָה, die met bewustheid en opzettelijk gepleegd zijn, den
dader buiten het verbond stellen en des doods waardig maken, Lev. 4,
5, 22:14, Num. 15:22v., 35:11v., Jos. 20:3, 9. De Schrift verlaat
nooit het objectieve standpunt, dat den maatstaf der zonde alleen
zoekt in de wet Gods. Maar desniettemin is de schuld der overtreding
toch kleiner of grooter, alnaarmate het gebod met zwakker of sterker
bewustheid en wil geschonden werd. Eenerzijds leidt Stade, Gesch. des
Volkes Israel I 512 f, uit Gen. 12:17, 20:3. 26:10, Num. 22:34, 1 Sam.
14:24v., 36v., ten onrechte af, dat aan het oude Israel het onderscheid
tusschen bewuste en onbewuste overtredingen onbekend was en men dus
geheel buiten zijn weten en willen schuldig worden kon; want al deze
plaatsen houden de onkunde voor eene selbstverschuldete of spreken van
geen schuld. Maar andererzijds is het toch ook niet waar, dass Sünde
im Allgemeinen nur ist, sofern auch ein Bewusstsein derselben ist,
Schleiermacher, Chr. Gl. 68, 2. Wel onderstelt zonde eenige kennis der
wet; een mensch zonder het minste zedelijk besef zou ontoerekenbaar
zijn maar ook ophouden mensch te zijn, Rom. 2:14, 15; en wel gaat zonde
gewoonlijk met eenig schuldbesef gepaard, maar toch is de maatstaf der
zonde niet het schuldbewustzijn maar de wet Gods. Er zijn zonden, die
niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelven verborgen zijn, Job
11:4v., Ps. 19:13, 90:8, of eerst later als schuld worden erkend en
beleden, Ps. 25:7, 51:7. Onkunde is ook dikwerf zelve zonde, en het
schuldbewustzijn verzwakt, naarmate de zonde langer wordt gediend, Am.
2:11, Hos. 4:6, Mich. 3:1, 6:8, Spr. 24:12, Pred. 4:17. Daarom kan het
subjectieve bewustzijn van schuld het karakter der zonde niet bepalen.
Al kan onwetendheid dus nooit de zonde zelve goedmaken, zij strekt toch
dikwerf, wanneer ze niet moedwillig is, tot verontschuldiging. Paulus
zegt, dat hij te voren een lasteraar, vervolger en verdrukker was,
maar voegt eraan toe, dat hem barmhartigheid is geschied wijl hij het
onwetende deed, 1 Tim. 1:13. En zoo spreekt de H. Schrift meermalen
van de zonden der Joden en der Heidenen, als gedaan in onwetendheid,
Luk. 23:34, Hd. 3:17-19, 13:27, 17:30, Ef. 4:18, Hebr. 5:2, 1 Petr.
1:14, 2:25. Daarmede worden die zonden wel niet van haar schuldig
karakter ontdaan, gelijk Ritschl, Rechtf. u. Vers.² II 38. 241-246. III
350-354 schijnt te meenen; want Rom. 1-3, 5:12v., Ef. 4:17-19, Col.
3:5-7, 1 Cor. 15:9, 1 Tim. 1:13, 15 enz. leeren dit anders. Maar toch
worden deze zonden, in onwetendheid gedaan, daardoor onderscheiden
van zonden, uit verharding voortgekomen; de onwetendheid biedt een
pleitgrond voor vergeving aan. En gelijk de zonden in graad en mate
verschillen, naargelang zij uit onwetendheid en zwakheid of uit opzet en
boosheid bedreven zijn, zoo zijn ze ook onderscheiden naar het object,
waartegen zij gericht zijn: zonden tegen de eerste tafel zijn zwaarder
dan tegen de tweede, Mt. 22:37, 38; naar het subject, dat ze bedrijft:
naarmate iemand rijker met gaven bedeeld is, neemt de schuld zijner
overtreding toe, Mt. 11:21, Luk. 12:47, 48, Joh. 9:41, 15:22, 24;
naar de omstandigheden, waaronder zij gepleegd worden: wie uit armoede
steelt, zondigt minder zwaar dan wie het doet uit hebzucht, Spr. 6:30,
Jes. 26:10; naar de mate, waarin iemand aan de zonde toegeeft: wie
overspel pleegt met gedachte en woord, staat schuldig maar verzwaart
zijn oordeel, als hij de zonde voleindt in de daad, Mt. 5:28. Er is
ook in de zonde eene ontwikkeling, er is eene wet der zonde. Eene
bepaalde zonde komt allengs tot stand door suggestio, delectatio,
consensus, operatio; in suggestione peccati semen est, in delectatione
fit nutrimentum, in consensu perfectio, Gregorius M., cf. Lombardus,
Sent. II 24, 8. Bonav., Brevil. III 8. En zoo ontwikkelt zich ook de
zonde langzamerhand bij een persoon, in een gezin en familie, bij eene
maatschappij en volk, en ook in de geheele menschheid. De zonde is wel
niet in zich zelve zoo rijk, dat zij zoo vele gedaanten aannemen kan,
want zij is geen zelfstandig principe en is metaphysisch niets dan
privatio boni. Maar gelijk in haar oorsprong, zoo bestaat zij ook in
hare ontwikkeling alleen aan en door het goede. Zij verbindt zich met
den eindeloozen rijkdom van het geschapene, verwoest al het bestaande,
strijdt met de gansche wereld als haar instrument tegen God en zijne
heilige wet, en neemt daardoor al die verschillende vormen en gedaanten
aan, welke al te zamen haar het karakter geven van een welbestuurd rijk,
van een door één principe bezield organisme, van een κοσμος, staande
onder de leiding van den ἀρχων του κοσμου, den θεος του αἰωνος.
Wijl de zonde in haar wezen privatio is, kan aan haar zelve noch een
principium dividendi, noch ook eene divisio worden ontleend. Privatio
accipit speciem a forma, cui opponitur. De vroegere dogmatiek en
ethiek sprak daarom wel over het karakter der eerste zonde maar deed
overigens geen moeite, om een zoogenaamd principe der zonde op te
sporen en daartoe alle overtredingen der zedewet te herleiden. Eerst
in later tijd heeft men zulk een principe trachten vast te stellen, en
het beurtelings gezocht in de zinnelijkheid, Schleiermacher, Chr. Gl.
§ 66 e. a. of in de zelfzucht, Müller, Sünde I⁵ 178. Tholuck, Sünde⁸
18. 98. Vilmar, Moral I 136. Philippi, Kirchl. Gl. III² 3. Lange, art.
Selbstsucht in Herzog en voorts Thomasius, Kahnis, Frank, Zöckler enz.,
of ook in beide, Rothe, Theol. Ethik § 461. Lipsius, Dogm. § 480.
Inderdaad vertoonen de menschelijke zonden ook meestal het karakter
van zinnelijkheid of zelfzucht, van vleeschelijke begeerlijkheid of
geestelijken hoogmoed, van zwakheid of boosheid; soms schijnt de zonde
te bestaan in de heerschappij van de materie over den geest, soms ook
in een misbruik der vrijheid, in opstand tegen Gods ordeningen. Maar
toch is het noch aan Rothe gelukt, om de zelfzucht uit de zinnelijkheid,
noch ook aan J. Müller met zijn praeëxistentianisme, om de zinnelijkheid
uit de zelfzucht te verklaren, cf. Dorner, Gl. II 90-98. En dat is ook
goed te begrijpen. Metaphysisch en abstract kan de zonde niet anders en
niet nader omschreven worden dan als privatio boni; dan heeft zij geen
eigen principe, geen reëel bestaan; ze bestaat slechts aan het goede.
De vormen die zij aanneemt, ontleent zij aan het goede, waarin zij woont
en dat zij verderft. Ze zal dus in gedaante verschillen naar gelang van
de schepselen, in welke zij zetelt. Ofschoon altijd privatio boni, draagt
ze bij engelen en menschen en zelfs bij ieder van deze weder een bijzonder
karakter. En wijl de mensch van huis uit noch alleen een zinnelijk noch
alleen een geestelijk wezen is maar altijd beide te zamen, daarom zal
alle zonde bij hem ook dit karakter vertoonen. Geene enkele zonde des
menschen is uitsluitend zinnelijkheid of uitsluitend zelfzucht. Evenals
aan de eerste zonde bij Adam, zijn er aan elke zonde verschillende
zijden op te merken, al is het ook dat meestal de eene meer in het oog
springt dan de andere. Elke zonde is bij den mensch aversio a Deo,
ongehoorzaamheid, opstand, anarchie, anomie en tegelijkertijd wijl hij
aan zichzelf nooit genoeg heeft, conversio ad creaturam, afgoderij,
hoogmoed, zelfzucht, zinnelijkheid enz., Bonaventura, Sent. II dist.
42 art. 3 qu. 2. En wijl de schepselen, waar de mensch zich heenwenden
kan, zoovele zijn, daarom kan de zonde bij hem ook zoo velerlei vormen
aannemen. Er zijn zooveel soorten van zonden, als er verschillende
geboden, plichten, deugden, zedelijke goederen zijn. Thomas deelde de
zonden in naar de objecten, op welke zij zich richten, S. Theol. II 1
qu. 72 art. 1, Scotus naar de deugden, aan welke zij tegengesteld zijn,
Sent. II dist. 37 qu. 1, 9, cf. Liguori, Theol. mor. de pecc II. n.
32. En daarnaast bestonden nog vele andere indeelingen, zooals die in
zeven hoofdzonden, superbia, avaritia, luxuria, via, gula, invidia,
acedia (vox memorialis: saligia); naar de norma in zonden tegen de
verschillende geboden der wet of in zonden tegen God, den naaste en
onszelven; naar het instrument, waarmede ze geschieden, in zonden
met gedachten, woorden en werken, of in zonden des geestes en des
vleesches, of overeenkomstig 1 Joh. 2:16 in peccata sentiendi, sciendi
et dominandi, of in zonden van zwakheid, onwetendheid en boosheid; naar
den vorm in zonden van nalatigheid en van bedrijf, of in zonden per se
en per accidens; naar de adjuncta in verborgen en openbare, heerschende
en niet heerschende, stille en roepende zonden enz., cf. Lombardus,
Sent. II dist. 42. Thomas, S. Theol. I qu. 72. Gerhard, Loc. X c. 5 sq.
Ursinus, Tract. Theol. 202. Moor III 313. Mastricht, Theol. IV 3,10.
Heidegger, Corpus Theol. X 61. Vilmar, Theol. Moral I 221. Zöckler, Das
Lehrstück v. d. sieben Hauptsünden, München 1893 enz.
Verdere uitwerking aan de ethiek overlatende, bespreken wij hier
alleen nog de Roomsche onderscheiding der zonden in peccata mortalia
en venialia. Deze heeft haar oorsprong in de practijk der boete, cf.
Pijper, Gesch. der boete en biecht in de Chr. Kerk I 1891 bl. 306v.,
en komt zakelijk reeds voor bij Tertullianus, de pudic. 2. 3. 19. adv.
Marc. IV 9, en bij Augustinus, die van peccata levia, brevia, minuta,
minima, quotidiana sprak, welke in de geloovigen nog overblijven,
Enchir. 44. 71. de civ. XXI 27. de nat. et gr. 39. de spir. et litt.
36. Door de scholastiek uitgewerkt, Lombardus en anderen op Sent. II
dist. 42. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 88. 89, werd ze door de kerk
vastgesteld, Trid. VI c. 11 can. 27 XIV 5. Cat. Rom. II 5 qu. 40, en
sedert door alle theologen met ijver tegen alle bestrijding verdedigd,
Bellarminus, de amiss. gr. I c. 3 sq. Becanus, Theol. Schol. II 1619
p. 117. Liguori, Theol. Mor., de pecc. n. 51 sq. Busenbaum, Theol.
mor., de pecc. qu. 31 sq. Antoine, Theol. Mor., de pecc. c. 2 enz.
Naar deze onderscheiding zijn er zonden, die de ontvangen genade
doen verliezen en des doods waardig zijn, en andere, zooals een ijdel
woord, een al te luidruchtige lach, een onwillekeurig opwellende
begeerte, drift, toorn, een zeer kleine diefstal enz., die de genade
niet doen verliezen, niet zoozeer contra als praeter legem, en van
nature vergefelijk zijn. De onderscheiding wordt daarop gegrond, dat
de Schrift van verschillende zonden en straffen spreekt, Mt. 5:22,
7:3, 23:23, Luk. 6:41, 1 Cor. 3:12-15, soms aan de zonden den dood
verbindt, Rom. 1:32, 6:23, 1 Cor. 6:9, Gal. 5:21, 1 Joh. 3:14, en toch
de geloovigen dikwerf als zoodanig blijft erkennen, ook al struikelen
zij in velen, Spr. 24:16, Mt. 1:19, Luk. 1:6, Jak. 3:2, en voorts ook
op de overweging, dat er geneeslijke en ongeneeslijke ziekten bestaan
en dat er kleine beleedigingen zijn, die de vriendschap niet opheffen.
De Hervormers verwierpen deze onderscheiding als met Gods Woord in
strijd. Zij ontkenden niet, dat er graden in de zonden waren; en ook
hielden zij de termen peccata mortalia en venialia nog wel bij, maar zij
hechtten er eene andere beteekenis aan. De Lutherschen moesten tot
op zekere hoogte de onderscheiding nog overnemen, wijl de geloovigen
zonden konden doen, waarbij de genade bewaard bleef, en andere,
waarbij zij verloren ging, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 472
f. Melanchton, Loci Comm., de peccato. Gerhard, Loc. X c. 20, cf.
ook Bellarminus, de amiss. gr. I c. 4. Maar de Gereformeerden gingen
verder en wilden van heel de onderscheiding niets weten. Als zij de
woorden soms nog bezigden, verstonden zij eronder, dat alle zonden,
behalve de lastering tegen den H. Geest, door Gods barmhartigheid
vergeven kunnen worden en aan de geloovigen ook feitelijk vergeven
worden, doch dat zij alle in zichzelve des doods waardig zijn, Calvijn,
Inst. II 8, 58. III 2, 11. 4, 28. Antid. conc. Trid. VI 12. Ursinus,
Tract. theol. 209. Gomarus, Theses theol. disp. 13. Moor III 308-312.
Turretinus, Theol. El. IX 4. Mastricht IV 3, 22. Pictet, Christ. Godg.
VI 11. Heppe, Dogm. 257. De Schriftuurplaatsen, waarop de Roomschen
zich voor hunne distinctie beroepen, zijn dan ook alle zonder eenige
bewijskracht. Alleen Mt. 5:22 biedt eenigen schijn van grond, maar de
bedoeling van Jezus’ woord is daar toch eene geheel andere, dan om
lichte van zware zonden te onderscheiden. Tegenover de ouden n.l., die
zeiden, dat eerst de zondige daad, de eigenlijke doodslag, schuldig
en strafbaar maakte bij het plaatselijk gericht, zegt Jezus, dat niet
eerst de daad maar reeds de eerste opwelling van onrechtmatigen toorn,
ook al uit hij zich nog niet in een woord, bij dat gericht schuldig en
strafbaar maakt; dat wanneer die toorn zich uit in een klein, onwillig
woord, de zonde reeds zoo groot is, dat zij behandeld moet worden door
het sanhedrin; en dat zij, wanneer de toorn in een smaadwoord zich
uit, in eens, zonder vorm van proces, het helsche vuur waardig is.
Er is hier dus zoo weinig sprake van vergefelijke zonden, dat Jezus
juist omgekeerd de geringste zonde ten hoogste strafbaar acht, zoo
strafbaar als de ouden de zondige daad, d. i. den moord. Jezus stelt
den opwellenden, onrechtmatigen toorn, met den doodslag gelijk; hij
zegt dat de lichtste zonde juist al eene zeer zware zonde is, die zoo
groote straf verdient als volgens de ouden de doodslag. Welke straf
deze opwelling van toorn hiernamaals waardig is, zegt Jezus met geen
woord; maar als die toorn met een smaadwoord gepaard gaat, dan is
deze zonde zoo groot, dat zij op datzelfde oogenblik de helsche straf
waardig is; er is geen rechtbank meer noodig, om eene straf te bepalen.
Goed verstaan is deze tekst dus eer een argument tegen dan voor de
onderscheiding van peccata mortalia en venialia. En zoo staat heel de
Schrift tegen deze indeeling over. De wet is een organisch geheel Jak.
2:10, wie één gebod overtreedt, is in beginsel schuldig aan alle; zij
moet in haar geheel worden vervuld, Mt. 5:17-19; zij eischt ons geheel
met heel het hart en verstand, met ziel en lichaam, Mt. 22:37; voor
haar is niets onverschillig en gering, vervloekt is wie niet blijft
in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, dat hij dat doe,
Deut. 27:26, Gal. 3:10; zelfs de kleinste en geringste overtredingen
der wet, zooals een opwellende toorn, een onreine begeerte, een
overtollige bevestiging, een ijdel woord, Mt. 5:22, 28, 37, 12:36, Ef.
5:4 zijn zonde, in beginsel aan zondige daden gelijk, en dus als zonde
ook ἀνομια, vijandschap tegen God. Naar het beginsel beschouwd, zijn
er geen kleine en geringe zonden. Nullum peccatum contemnendum ut
parvum, cum revera nullum sit parvum, quando Paulus de omni peccato
generatim pronuntiaverit, stimulum mortis esse peccatum, Basilius bij
Gerhard t. a. p. Wanneer eene zonde, b. v. een ijdel woord, op zichzelve
gesteld en uit heel haar verband met den persoon, de omstandigheden
enz. losgemaakt wordt, schijnt de bewering bovenmate streng, dat zij den
eeuwigen dood verdient. Maar het is juist die abstracte, atomistische
beschouwing, welke, als in strijd met de Schrift en met de werkelijkheid
tevens, door de Hervormers principieel verworpen werd. Zonde is geen
quantum, dat, van den dader geisoleerd, op de vingers geteld of in
de weegschaal gewogen kan worden. De Roomsche onderscheiding heeft
feitelijk dan ook tot allerlei kwade practijken geleid. Niet alleen zijn
de theologen het er niet over eens, of de vergefelijke zonde God al
dan niet beleedigt; of zij al dan niet behoort gebiecht te worden; of
tot haar herstel werkelijk berouw van noode is dan wel het volbrengen
van een of ander verdienstelijk werk voldoende is. Maar allen erkennen
ook, dat de onderscheiding beide in theorie en practijk zeer moeilijk
en schier niet te handhaven is. Men moet daarom tot allerlei subtiele
redeneeringen de toevlucht nemen, die onder de hand heel het karakter
der zonde verliezen doen. Waar redeneeringen in den steek laten, telt
men de meeningen der doctores op en stelt men zich met eene kleinere
of grootere mate van waarschijnlijkheid tevreden. Zoo komt men tot eene
atomistische, casuistische, mechanische, materialistische schatting van
de zonden en van de voldoeningen, en houdt de zielen voortdurend in
angst, of zij misschien eene doodzonde hebben bedreven, of brengt ze tot
lichtzinnigheid en onverschilligheid, wijl de zonden meestal van zeer
lichten aard en zeer gemakkelijk goed te maken zijn.
7. Slechts van ééne zonde maakt de H. Schrift gewag, welke in dit en
het toekomende leven onvergefelijk is, n.l. de lastering tegen den H.
Geest. In het O.T. is er geen sprake van, ofschoon er in de wet voor
de zonden בְיָד רָמָה geen zoenoffer ingesteld was, wijl zij de
wet zelve teniet deden, Hebr. 10:28. Jezus spreekt er het eerst van,
Mt. 12:31, Mk. 3:28, Luk. 12:10. Toen Hij eenmaal een bezetene, die
tevens blind en stom was, volkomen genas, werden de scharen door dit
wonder zoo ontzet, dat zij Jezus erkenden als den Zone Davids, als den
Christus. Maar de Farizeën werden daardoor opgevoerd tot een toppunt
van haat, die hen zeggen deed, niet alleen dat Hij de duivelen uitwierp
door den duivel, maar dat Hij zelf ook van den duivel bezeten was,
Mk. 3:22, βεελζεβουλ ἐχει. Deze beschuldiging werd enkel en alleen
ingegeven door den haat, zij sproot uit loutere, bewuste, gewilde
vijandschap voort. Dat toont Jezus ook aan, Mt. 12:25-30; een koninkrijk,
tegen zichzelf verdeeld, kan niet bestaan, Satan werpt zichzelven niet
uit, maar de uitwerping van Satan is een bewijs, dat het koninkrijk
Gods tot hen gekomen is, Jezus werpt den duivel uit door den Geest
Gods. De tegenstelling tusschen Jezus en de Farizeën is hier dus op ’t
sterkst gespannen; zij zeggen, dat Jezus bezeten is, door den duivel
zijne wonderen doet, en het rijk des duivels sticht. En Jezus verklaart,
dat Hij de Christus is, dat Hij door den Geest Gods den duivel uitwerpt
en dat Hij alzoo het koninkrijk Gods tot hen brengt. En in dit verband,
naar deze aanleiding spreekt Jezus van de lastering tegen den H. Geest
als de onvergefelijke zonde. Hetzij men nu denkt, dat de Farizeën in dat
oogenblik deze zonde bedreven hadden, hetzij men meent, dit te moeten
ontkennen, o. a. omdat de H. Geest toen nog niet uitgestort was, Joh.
7:39, altijd maakt het verband toch duidelijk, dat de zonde tegen den H.
Geest bestaan moet in eene bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering
van de klaar erkende, en toch uit haat en vijandschap aan den duivel
toegeschreven openbaring van Gods genade in Christus door den H. Geest.
De lastering tegen den H. Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof,
noch in het in het algemeen weerstaan en bedroeven van den H. Geest,
noch in de loochening van de persoonlijkheid of Godheid des H. Geestes,
noch in het zondigen tegen beter weten in en ten einde toe, zonder
meer. Zij is ook niet eene zonde tegen de wet alleen, maar bepaald ook
tegen het evangelie, en wel tegen het evangelie in zijne duidelijkste
openbaring. Er gaat dus veel aan vooraf, objectief eene openbaring van
Gods genade in Christus, de nabijheid van zijn koninkrijk, eene krachtige
werking des H. Geestes, en subjectief eene verlichting en overtuiging
des verstands, zoo levendig en krachtig, dat men de waarheid Gods
niet loochenen kan, dat men ze als Goddelijk erkennen moet. En dan
bestaat zij zelve niet in een twijfelen aan of eenvoudig ontkennen van
die waarheid, maar in eene loochening, die tegen de overtuiging des
verstands, tegen de verlichting des gewetens, tegen de inspraak van het
hart ingaat; in een welbewust, moedwillig en opzettelijk toeschrijven van
hetgeen klaar als Gods werk erkend is aan den invloed en de werking
van Satan, d. i. in eene besliste lastering van den H. Geest, in een
met moedwil verklaren, dat de Heilige Geest de Geest uit den afgrond,
dat de waarheid de leugen, dat Christus Satan zelf is. Haar wortel
is dus de welbewuste, opzettelijke haat tegen God en het als Goddelijk
erkende; haar wezen is het zondige in zijne hoogste openbaring, de
voltooide, de voleindigde revolutie, het zetten van God op de plaats
van Satan en van Satan op de plaats van God; haar karakter is niet
menschelijk meer maar daemonisch. Al is het ook, dat de duivelen deze
zonde in dezen bepaalden vorm niet doen, wijl Gods genade hun niet
verschenen is, Christus hunne natuur niet aangenomen heeft, de H.
Geest onder hen niet uitgestort en het koninkrijk Gods niet tot hen
gekomen is; toch draagt de daemonische zonde hetzelfde karakter, dat
de lastering tegen den H. Geest onder menschen vertoont. Daarom is zij
ook onvergefelijk; Gods genade is er wel niet te klein en te machteloos
toe; maar er zijn ook in het rijk der zonde wetten en ordinantiën, die
door God erin gelegd zijn en door Hem worden gehandhaafd. En die wet
bestaat hier bij deze zonde daarin, dat zij alle berouw uitsluit, het
geweten toeschroeit, den zondaar ten eenemale verstokt en verhardt en
in dezen weg zijne zonde onvergefelijk maakt. Behalve in de evangeliën,
is er nergens in de Schrift met rechtstreeksche woorden van deze zonde
sprake. Maar deze lastering tegen den H. Geest kan in verschillende
omstandigheden bedreven worden. En zoo zegt Hebr. 6:4-8, 10:25-29 cf.
12:15-17, dat degenen, die eens verlicht geweest zijn en de hemelsche
gave gesmaakt hebben en des H. Geestes deelachtig geworden zijn en
die dan tot het Jodendom terugvallen, den Zoon Gods vertreden en
kruisigen en te schande maken, het bloed des N. T. onrein achten en
den Geest der genade smaadheid aandoen, dat dezulken niet wederom tot
bekeering kunnen gebracht worden. En evenzoo getuigt 1 Joh. 5:16, dat
er eene zonde is, die noodzakelijk krachtens hare natuur tot den dood
zonder bekeering leidt, en voor welke Johannes niet zegt, d. i. niet
gebiedt, dat men bidden zal. Het gebed, zoo niet ongeoorloofd, is toch
vruchteloos. Waarschijnlijk denkt Johannes hier in verband met heel zijn
brief aan de besliste en moedwillige loochening van den Christus als
den vleeschgeworden Zoon van God. In beide deze plaatsen hebben wij dus
te doen met zonden, die den mensch volkomen verharden, en dus zelve
onvergefelijk zijn. Feitelijk en zakelijk vallen deze met de lastering
tegen den H. Geest samen. Voor de verbazend rijke litteratuur over dit
onderwerp zij verwezen naar Thomas, S. Theol. II 2 qu. 14 art. 1. Comm.
op Sent. II dist. 43. M. Vitringa II 378. Walch, Bibl. theol. sel.
I 88. 254. Schaff, Die Sünde wider den H. Geist, Halle 1841. Muller,
Sünde II 596 f. Clemen, Die chr. Lehre v. d. Sünde I 89-100.
§ 38. DE VERBREIDING DER ZONDE.
1. De zonde, zoo schrikkelijk reeds in haar wezen, krijgt nog ernstiger
karakter door de uitgebreidheid harer heerschappij. Ook buiten de
bijzondere openbaring is de volstrekte algemeenheid der zonde erkend. De
verschillende godsdiensten met hun priesters en altaren, hun offeranden
en boetedoeningen zijn alle op de belijdenis der zonde gebouwd; dogma
en cultus, gebed en lied, religie en philosophie vertolken soms op
roerende wijze het algemeene zondebesef. Ἀνθρωποισι γαρ τοις πασι κοινον
ἐστι τοὐξαμαρτανειν. Vitiis nemo sine nascitur. Communis hominum
labes. Cf. Pfanner, Theol. gent. IX 7. Bretschneider, Dogm. II⁴ 16.
Lamennais, Essai sur l’indifférence III p. 393-408. Hettinger, Apol. d.
Christ. III⁷ 30. 412. Klaarder nog wordt deze algemeenheid der zonde
in de H. Schrift uitgesproken, Gen. 6:5, 8:21, 1 Kon. 8:46, 2 Chr.
6:36, Job 4:17-21, 14:4, 25:4-6, Ps. 14:3, 53:2, 130:3, 143:2, Spr.
20:9, Pred. 7:20, Jes. 53:6, 58:1, 59:4, 12 enz., cf. Sir. 8:6, 25:26,
Wijsh. 9:6, 13-18, 12:10, 11 enz. Jezus onderstelt haar, als Hij allen
zonder onderscheid roept tot bekeering en den ingang in het koninkrijk
Gods verbindt aan de wedergeboorte uit water en Geest, Mt. 4:17, Mk.
1:15, 6:12, Luk. 12:47, Joh. 3:3, 5. Wel spreekt Hij van gezonden en
rechtvaardigen, Mt. 9:12, 13, Mk. 2:17, Luk. 5:31, 32, maar Hij doet
dat, zonder over den aard dier gezondheid en rechtvaardigheid een
oordeel te vellen, objectief, naar de meening dergenen, die hij alzoo
beschrijft. Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere
plaatsen genoegzaam; over de farizeërs roept Hij zijn wee uit, maar de
vermoeiden en beladenen noodigt Hij tot zijne rust. Evenzoo leeren de
apostelen, dat allen gezondigd hebben, dat de gansche wereld in het
booze ligt en voor God verdoemelijk is, dat allen behoefte hebben aan
de vergevende liefde des Vaders, aan de verlossing door Christus,
aan de vernieuwing des H. Geestes, Rom. 3:9-20, 23, 5:12, 11:32, 2
Cor. 5:19, Gal. 3:22, 1 Joh. 1:8, 5:19. Voorts is naar de Schrift de
zonde den mensch eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de
ontvangenis af aan, Gen. 6:5, 8:21, Joh 14:4, 13:26, Ps. 25:7, 51:7,
58:4, 103:14, Jes. 43:27, 48:8, 57:3, Ezech. 16:3, Hos. 5:7, Joh.
3:6, Rom. 7:7v., Ef. 2:3. David gaat in zijne schuldbelijdenis tot den
diepsten grond zijner zondigheid terug, vindt die in de zonden zijner
ouders en verklaart daaruit, dat hij ook zelf van zijne ontvangenis en
geboorte af aan onrein voor God staat, Ps. 51:7. In Joh. 3:6 zegt
Jezus, dat het vleesch, d. i. de mensch als zinnelijk wezen, alleen
vleesch voortbrengen kan, dat een zoodanig mensch geen ingang heeft in
het koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit den Geest behoeft,
dat de mensch als zulk een zinnelijk wezen, als σαρξ, onrein en bedorven
is van zijne geboorte af. En in Ef. 2:3 verklaart Paulus, dat Joden en
Heidenen τεκνα φυσει ὀργης zijn; hij stelt zeer zeker φυσει hier niet
tegenover de dadelijke zonden, waar hij juist over spreekt, vs. 1-3,
maar zegt, dat zij φυσει kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu,
nadat zij levend en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen zijner
liefde zijn, en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun
dood zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was, eene
φυσις, die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2:14, 11:21, 2:15,
4:8. Voor het overige is het waar, dat de H. Schrift de algemeenheid
der zonde en het tot in de ontvangenis teruggaande bederf des menschen
veel meer onderstelt dan breedvoerig en herhaaldelijk beschrijft. De
menschen zelven worden allerwege als zondaren geteekend; niet alleen
het geslacht vóór den zondvloed en alle Heidenen en goddeloozen, maar
ook het volk van Israel; en onder dat volk worden ook van de vromen
vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job, David, Salomo
enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar ze overtuigd zijn van
het rechtvaardige hunner zaak, toch in ootmoedige schuldbelijdenis voor
God nedervallen en om ontferming en vergeving smeeken, Ps. 6, 25, 32,
38, 51, 130, 143, Jes. 6:5, 53:4-6 enz. Het is het hart van den mensch,
dat bedorven is, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 14:1, Jer. 17:9, Ezech. 36:26,
Mt. 15:19; daaruit zijn de uitgangen des levens, Spr. 4:23, daaruit
komen alle ongerechtigheden en ook het onverstand voort, Mk. 7:22. Het
verstand des menschen is verduisterd, Job 21:14, Jes. 1:3, Jer. 4:22,
Joh. 1:5, Rom. 1:21, 22, 1 Cor. 1:18-28, 2:14, Ef. 4:18, 5:8; zijn ziel
is schuldig en onrein en heeft verzoening en bekeering van noode,
Lev. 17:11, Ps. 19:8, 41:5, Spr. 19:2, 15, Mt. 16:26, 1 Petr. 1:22;
zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom verbroken,
verlicht, gereinigd worden, Ps. 51:19, Spr. 16:18, 32, Pred. 7:9, Jes.
57:15, 66:2, 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, 1 Thess. 5:23; zijn geweten is
bevlekt en behoeft reiniging, Tit. 1:15, Hebr. 9:9, 14, 10:22; zijn
begeerte, genegenheid en wil strekt zich uit naar het verbodene en is
machteloos ten goede, Jer. 13:23, Joh. 8:34, 36, Rom. 6:17, 8:7, 2 Cor.
3:5; en het lichaam, met al zijne leden, oogen, Deut. 29:4, Ps. 18:28,
Jes. 35:5, 42:7, 2 Petr. 2:14, 1 Joh. 2:16, ooren, Deut, 29:4, Ps.
115:6, 135:17, Jes. 6:10, Jer. 5:21, Zach. 7:11, voeten, Ps. 38:17,
Spr. 1:16, 4:27, 6:18, Jes. 59:7, Rom. 3:15, mond en tong, Job 27:4,
Ps. 17:10, 12:4, 15:3, Jer. 9:3, 5, Rom. 3:14, Joh. 3:5-8 enz. staat
in den dienst der ongerechtigheid. In één woord, de zonde zit niet
aan en om maar in den mensch en breidt over den ganschen mensch en
over heel de menschheid zich uit, Schultz, Altt. Theol.⁴ 670 f. Van de
plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worden aangehaald,
behoeft alleen Rom. 7:7-26 eenige nadere bespreking. Ten allen tijde
hebben de Pelagianen zich op dezen pericoop beroepen ten bewijze, dat
de νους of het πνευμα in den mensch vrij van zonde is gebleven en deze
alleen zetelt in de σαρξ; in den nieuweren tijd is deze exegese bijna
algemeen aangenomen. Augustinus echter in zijne latere periode en
al zijne volgelingen zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche
kerken, hebben steeds deze uitlegging weersproken en de verzen 14-25
verstaan, als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden
gesproken, eene verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt
door Delitzsch, Philippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit,
Kohlbrugge, e. a., cf. Tholuck in zijn Comm. zum Brief an die Römer⁵,
1856 S. 333-369, en voorts Meyer, Philippi enz. De laatste exegese
verdient om verschillende redenen de voorkeur. 1º Paulus betoogt in
Rom. 7:7-26, dat de wet, van welke de geloovige, door gestorven te zijn
met Christus, ontslagen is, zelve niet zondig is. En dat doet hij door
aan te wijzen, dat zij den geloovige eerst tot kennis van zijne zonde en
zijn dood gebracht heeft, 7-13 en dat zij nu nog de instemming heeft van
zijnen inwendigen mensch, al is het ook, dat zijn vleesch zich tegen
haar verzet, 14-26. In dit verband is het betoog, dat de wet nu nog de
instemming van den geloovige heeft, al is hij ook van haar ontslagen,
noodzakelijk. Want voor de stelling, dat de wet zelve heilig is, is het
niet genoeg, dat de onwedergeborene, maar is het juist noodzakelijk,
dat de wedergeborene haar goedkeurt. En zoo spreekt Paulus dan ook
van vers 14 af in den tegenwoordigen tijd, niet uit levendigheid van
voorstelling, maar wijl hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en
goedkeurt. Wijl de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van
zijne zonde en dood, wijl hij in de gemeenschap met Christus, vs. 4, Gal.
2:19, 20 door de wet der wet is gestorven en van haar vloek is bevrijd,
Gal. 3:13, daarom en daardoor heeft hij ze als heilig en rechtvaardig
en goed leeren kennen, geeft hij haar getuigenis en bevestigt hij de
wet door het geloof, Rom. 3:30. 2º Omdat Paulus naar den gang van zijn
betoog de wet in haar heilig karakter wil eeren, werpt hij alle schuld
op de zonde, die in hem woont, en maakt hij een scherp onderscheid
tusschen het centrum en de peripherie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn
wil, naar zijn inwendigen mensch heeft hij Gods wet lief, maar in zijne
leden woont eene andere macht en eene andere wet, n.l. de zonde. Zulk
een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens bij den onwedergeborene
aangenomen. Bij dezen is er wel eene kennis van God en van de wet en
ook een van nature doen van de dingen die der wet zijn, Rom. 1:19,
2:14, 15, d. i. dus een strijd tusschen rede en zinnelijkheid, geweten
en lust, verstand en hart; maar een strijd tusschen vleesch en geest,
gelijk Paulus dien hier teekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal.
5:17; alleen zij kunnen zeggen, de wet Gods lief te hebben, haar goed
te keuren, haar te willen met heel hun hart. 3º Ofschoon Paulus als
wedergeborene zichzelf nog noemt σαρκινος, πεπραμενος ὑπο την ἁμαρτιαν,
hij zegt daarmede toch niet, dat hij ἐν σαρκι is, 8:8, 9 of κατα σαρκα
wandelt, 8:1, want hij noemt zich alleen zoo, wijl hij van wege de in
zijne leden wonende zonde niet doen kan wat hij wil en dus door die wet
der zonde in zijne leden gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig,
wijl hij met het vleesch de wet der zonde dient, dient hij toch met zijn
νους de wet Gods, vs. 26, en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8
nader uitgewerkt wordt. In Christus is hij rechtvaardig en wandelt hij
naar den Geest. 4º Daarbij komt nog, dat, indien Rom. 7:14v. van den
onwedergeborene ware te verstaan, de wedergeboorte zelve onnoodig,
eene helpende genade voldoende zou wezen en heel de leer der Schrift
over zonde en genade, over rechtvaardigmaking en heiligmaking, over
geloof en bekeering omvergeworpen zou worden. Veeleer is Rom. 7:7-25
een sterk bewijs voor de algeheele bedorvenheid der menschelijke natuur;
want indien de wedergeborene nog zoo heeft te klagen over de macht
der zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel en al,
zonder het te weten, een dienstknecht der zonde, zijnde in het vleesch
en wandelend naar het vleesch, en het bedenken van dat vleesch is
vijandschap tegen God.
Deze algemeenheid der zonde wordt in Gen. 3 afgeleid uit den val van
den eersten mensch. Wel staat dit er niet met even zooveel woorden;
Gen. 3 let veel meer op de verandering in de omstandigheden, die
tengevolge van den val intreedt (smart der vrouw, vervloeking van het
aardrijk, verdrijving uit den hof), dan op den zedelijken omkeer, die
er bij Adam en bij zijne nakomelingen plaats greep. Maar toch verhaalt
het, dat terstond na het bedreven kwaad schaamte en vrees zich van hen
meester maakt, dat het schuldbewustzijn ontwaakt, dat zij wegvluchten
van God. De straffen, Gen. 3:16v. uitgesproken, hebben niet alleen op
Adam en Eva maar zonder twijfel ook op hunne nakomelingen betrekking,
en deze straffen onderstellen naar heel de beschouwing des O. T.
ook gemeenschappelijke schuld. Het eerste feit, dat na den val wordt
bericht, is Kains broedermoord; de historie zelve wordt eene andere,
ook zonder dat dit nader wordt gezegd, zij wordt eene geschiedenis
van zonde, ellende en dood. De mensch is nu van nature boos, Gen.
6:5, 8:21. Evenzoo brengen de verdere O. T. Schriften de algemeenheid
der zonde niet uitdrukkelijk met den val van den eersten mensch in
verband. Zij blijven bij het feit van de algemeenheid der zonde staan
of herleiden deze ook tot de vergankelijke, zinnelijke natuur van den
mensch, Job 4:17v., 14:4, 15:14v., 25:4v., Ps. 78:38v., 103:13v., Mk.
14:38, Joh. 3:6, Rom. 6:7v. enz., cf. boven bl. 49v. Eerst Paulus is
het, die in 1 Cor. 15:21v., Rom. 5:12v. de algemeenheid der zonde
uit Adams ongehoorzaamheid verklaart, cf. ook Wijsh. 1:13, 14, 2:23,
24, Apoc. Baruch 23:4, 54:15, 56:5, 9, 4 Ezra 7:68. In 1 Cor. 15:21v.
zegt hij, dat de dood van alle menschen op dezelfde wijze zijn oorzaak
heeft in den mensch Adam, als de opstanding uit de dooden in den mensch
Christus. Er ligt hier duidelijk in, dat de dood van alle menschen niet
eerst veroorzaakt is door hunne persoonlijke zonden, maar reeds over
alle menschen uitgesproken en tot alle menschen doorgegaan is, enkel
en alleen om de ongehoorzaamheid van Adam; op dezelfde wijze, als de
opstanding niet door de persoonlijke goede werken, het geloof enz. van
de geloovigen, maar uitsluitend door de gehoorzaamheid van Christus
verdiend is. Niet in en door zichzelven maar in Adam sterven zij; en
niet in en door zichzelven staan zij op maar alleen in Christus. Hoe
en waarom die dood tot allen is doorgegaan, wordt nader uiteengezet
in Rom. 5:12v. Wijl wij door den dood van Christus als vijanden verzoend
zijn, zijn wij zeker, dat wij met Hem ook eeuwig leven zullen; ja zoo
zeker zijn wij, dat wij nu reeds roemen door Christus, die de verzoening
ons schonk, vs. 10, 11. De genade en het leven van Christus gaan
daarom (δια τουτο, vs. 12) de zonde en dood van Adam verre te boven.
Dit is het thema van den pericoop vs. 12-21, en het wordt op deze
wijze uitgewerkt en bewezen. Door één mensch is de zonde, als machtig
en allesbeheerschend beginsel, in de wereld gekomen, en op die wijze
en in dien weg is ook de dood tot alle menschen doorgegaan, nademaal
allen zondigden. De woordjes ἐφ’ ᾡ zijn niet met Orig., Vulg., Aug.,
enz. door _in quo_ te vertalen, want ze staan te ver van ἀνθρωπος
af, om daarop terug te kunnen gaan, en ze beteekenen ook niet _in
welken_, ofschoon deze gedachte op zichzelve niet onschriftuurlijk is,
Hebr. 7:10, 1 Cor. 15:22, maar ze zijn eene conjunctie, ἐπι τουτῳ ὁτι,
eo quod, quia, quandoquidem, Calvijn, Martyr en de meeste nieuwere
exegeten; ἡμαρτον duidt niet aan een zondigen toestand, maar eene
daad. Paulus zegt dus in vers 12: Adam overtrad, daardoor kwam de
zonde en de dood in de wereld en heerschte over allen. De redengevende
zin ἐφ’ ᾡ παντες ἡμαρτον geeft niet te kennen, dat Paulus de oorzaak
van den dood van ieder mensch in zijne persoonlijke, dadelijke zonden
zoekt, want in 1 Cor. 15:22 zegt hij uitdrukkelijk, dat allen in Adam
sterven; hier in vers 14 verklaart hij, dat de dood ook heerschte
over hen, die niet zondigden in de gelijkheid van Adams overtreding,
en--zoo mogen wij er bijvoegen--ook over de kinderen; en in vs. 15 en 17
spreekt hij het zoo sterk mogelijk uit, dat door de misdaad van éénen
velen gestorven zijn. Toch is ter andere zijde bij dien redengevenden
zin niet stilzwijgend bij te denken, dat allen _in Adam_ gezondigd
hebben. Dit is op zichzelf al onwaarschijnlijk, maar het wordt daardoor
onmogelijk gemaakt, dat vs. 13 en 14 juist handelen van de zonde, die
de menschen niet in Adam maar zelf persoonlijk bedreven, al zondigden
zij toen ook niet in de gelijkheid der overtreding van Adam. Maar Paulus
wil zeggen, dat door Adams overtreding èn de zonde èn de dood, beide
in verband met elkaar, in de menschheid tot heerschappij gekomen zijn,
dat tengevolge van Adams overtreding alle menschen zelf persoonlijk
zondaren geworden zijn en allen hoofd voor hoofd sterven. Hij betoogt
deze stelling in de volgende verzen aldus: de zonde, die door Adams
overtreding in de wereld inkwam, was er ook en heerschte ook in den
tijd van Adam tot Mozes, toen God zijne wet nog niet had afgekondigd;
de menschen zondigden ook toen. Maar--zoo werpt Paulus zichzelven
als het ware tegen--de zonde wordt toch niet toegerekend als er geen
wet is; de wet van Mozes was er nog niet, dus kon toen de zonde ook
niet toegerekend worden. En daarop antwoordt hij: zeer zeker wel, de
dood heeft immers toch geheerscht van Adam tot Mozes toe, al is het
ook, dat de menschen toen geen positieve, door God uitdrukkelijk en
woordelijk afgekondigde wet overtraden en dus niet zondigen konden in
gelijkheid der overtreding van Adam. Zij zondigden toch wel, omdat zij
ook toen eene wet hadden, die hun van nature bekend was, Rom. 1:18v.,
2:12-15. Als de dood dus toen toch geheerscht heeft, dan moet ook
toen de zonde geheerscht hebben. En zij heerschte toen, niet doordat
ieder persoonlijk een positief gebod overtrad als Adam en dus elk voor
zichzelf en door zichzelf een zondaar werd; neen, maar omdat door de
overtreding van Adam de zonde in de wereld was gekomen en over allen
heerschte en in het gevolg daarvan ook de dood. Adam is dus juist een
type van Christus. Het gaat met de zonde en den dood, die uit Adam
ons toekomen, op dezelfde wijze toe, als met de gerechtigheid en het
leven, welke Christus verworven heeft. Er is verschil in intensiteit,
de genade is overvloediger en het leven is machtiger, maar de modus
quo, waarop beide ons deel worden, is dezelfde. De misdaad van éénen
was de oorzaak van de schuld, de zonde en den dood aller menschen, en
zoo is de gehoorzaamheid van éénen de oorzaak van aller gerechtigheid,
vrijspraak en leven. In éénen zijn allen veroordeeld en gestorven; in
éénen worden zij allen gerechtvaardigd en behouden. In beide gevallen
gaat er een oordeel Gods, een κριμα, vooraf; en uit dat κριμα worden
eenerzijds onze zonde en dood, en andererzijds onze gerechtigheid en ons
leven afgeleid. En zoo komt de gedachte, welke Paulus in dezen pericoop
ontwikkelt, hierop neer: 1º over de ééne overtreding van Adam heeft God
een vonnis geveld, bestaande in schuldigverklaring en veroordeeling tot
den dood. 2º dat vonnis is in Adam geveld over alle menschen, omdat zij
op de eene of andere wijze, welke Paulus hier niet nader verklaart maar
uit zijn redeverband vermoeden laat, in Adam begrepen waren; allen zijn
in Adam schuldig verklaard en ten doode veroordeeld. 3º krachtens dit
voorafgaand oordeel Gods zijn alle menschen persoonlijk zondaren geworden
en sterven zij allen ook feitelijk. God denkt en beschouwt, beoordeelt en
veroordeelt alle menschen in éénen, en daarom komen zij ook allen als
zondaren uit hem voort en zijn zij allen aan den dood onderworpen. Cf.
Moor III 255. Turretinus, Theol. El. IX 9. Ontw. v. h. Ex. v. Tol. X
373. Dietzsch, Adam u. Christus, Bonn 1871. Hünefeld, Römer 5:12-21,
Leipzig 1895. Hofmann, Schriftbew. I 524 f. Thomasius, Christi Person
u. werk I 212. Pfleiderer, Der Panlin. 53 enz.
2. Op deze gegevens der Schrift werd in de christelijke kerk de leer der
erfzonde gebouwd. Van den beginne aan werd een zekere samenhang erkend
tusschen Adams zonde en die zijner nakomelingen, cf. vele aanhalingen
bij Vossius, Hist. Pelag. p. 134 sq. Horn, Comm. de sententiis eorum
patrum, quorum auctoritas ante Aug. plurimum valuit, de peccato
originali, Gott. 1801. Wiggers, Aug. u. Pelag. I 403 f. Münscher-v.
Coelln, D. G. I 343. 353. Schwane, D. G. II 439. Harnack, D. G.
III 38. 151. In zooverre is de bewering, dat de leer der erfzonde
eene uitvinding van Augustinus is, geheel onjuist, en kon deze zelf
getuigen: non ego finxi peccatum originale, quod catholica fides credit
antiquitus, de nupt. II 12. Maar toch is het waar, dat de theologie in
den eersten tijd, vooral in het Oosten, den nadruk veel meer tegenover
het Gnosticisme legde op den vrijen wil en de persoonlijke, dadelijke
zonde dan op de erfzonde uit Adam; en waar erkend wordt, dat een malum
animae ex originis vitio antecedit, Tert. de an. 41, wordt toch
het wezen dier erfzonde niet nader bepaald en de wijze harer verbreiding
niet dieper ingedacht. Pelagius kon zich daarom met eenigen schijn van
recht op vele voorgangers beroepen, maar hij ging toch veel verder
dan zij, leerde iets wezenlijk anders en ontkende de erfzonde. Volgens
Pelagius bestond het beeld Gods alleen in de vrije persoonlijkheid, niet
in positieve heiligheid, onsterfelijkheid enz. De overtreding van Adam
heeft dat beeld Gods niet ontnomen en feitelijk in het geheel geen
nadeelige gevolgen gehad. Er is geen erfzonde. Alleen in zoover heeft
Adams overtreding aan zijne nakomelingen schade gedaan, als zij een kwaad
voorbeeld stelde, dat, door anderen gevolgd, de zonde tot eene macht
in de menschheid maakte. Overerving van zonde is eene manicheesche
dwaling; zonde is geen toestand maar eene daad, en draagt altijd een
persoonlijk karakter; het zou met Gods rechtvaardigheid in strijd zijn
om ons vreemde zonden toe te rekenen; ook zou de voortplanting in
het huwelijk ongeoorloofd zijn, als de overerving der zonde in dien
weg plaats greep; bovendien kunnen gedoopte ouders de zonde niet
meer voortplanten, wijl zij immers in den doop is uitgedelgd. De zonde
wordt daarom niet voortgeplant door generatie maar door imitatie. De
menschen, wier zielen rein door God worden geschapen, worden nu nog
in denzelfden toestand geboren, als waarin Adam zich bevond vóór den
val; ziekte, lijden, dood enz. zijn geen straffen der zonde; de mensch
is nog volkomen vrij en kan uit zichzelf het goede kennen en doen, hij
heeft geen genade van noode; het is mogelijk, om van alle zonden zich
te onthouden, en enkele menschen hebben het inderdaad ook zoo ver
gebracht, cf. de antipel. geschriften van Augustinus en de litt., deel
II 320. Pelagius kwam in deze loochening der erfzonde met de Joden
overeen, die meenden, dat de zielen rein door God werden geschapen en
in staat waren om den in het vleesch wonenden יצר הרע tegen te
gaan en zondeloos te leven, Weber, System 217 f. En later stemden met
hem in de Socinianen, Fock, Der Socin. 654 f., sommige Anabaptisten,
Cloppenburg, Op. II 151 sq., vele humanisten en rationalisten,
Wegscheider, Instit. theol. § 117, en tegenwoordig ook Ritschl en zijne
school. Volgens Ritschl mogen wij niet achter de bijzondere, actueele
zonden een algemeen begrip van zonde aannemen, want zulk een begrip is
geheel onverstaanbaar; een passief overgeërfde toestand kan niet als
zonde gedacht worden; de Schrift leert ze niet, Ps. 51:7 is maar eene
individueele belijdenis, Ef. 2:3 ziet op de vroegere dadelijke zonden van
hen, die nu Christenen zijn, en Rom. 5:12 is te onduidelijk om er iets
uit af te leiden; de erfzonde zou alle verantwoordelijkheid wegnemen,
de opvoeding onmogelijk maken, het graadonderscheid in de zonden te
niet doen; elk mensch was dan in de erfzonde al tot den hoogsten graad
van zonde gestegen en de persoonlijke, dadelijke zonden zouden daarbij
haast niet meer in aanmerking komen. Neen, de zonde is geen eenheid
krachtens één principe maar eene collectieve eenheid als resultaat van
alle individueele handelingen en neigingen; en subject van de zonde is
niet de menschheid als geslacht, wat eene abstractie en slechts een
herinneringsbeeld is, maar de menschheid als som van alle individuen.
Niet eerst de zondige toestand en dan de daad, maar omgekeerd de
zelfbepaling van den wil is de grond van alle zonden. Alleen krijgt
de wil, die steeds het kwade doet, wel allengs eene neiging, een
habitus, en deze werkt dan weer op de wilsdaden in. En zoo ontstaat er
dan wel bij den mensch een Gesetz der Sünde, een rijk der zonde, eene
gemeenschappelijke zonde, maar deze is heel iets anders dan de erfzonde
en werd door Schleiermacher ten onrechte zoo genoemd. Eene zondelooze
levensontwikkeling kan daarom ook apriori niet worden ontkend, de wil
der kinderen is niet op het kwade gericht, veeleer is er in hen eene
algemeene neiging ten goede, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 311 f.
Unterricht in d. chr. Rel. 1886 S. 25. Clemen, Die chr. Lehre v. d.
Sünde I 256.
Deze pelagiaansche verklaring van de algemeenheid der zonde ontmoet
echter te vele en te ernstige bezwaren, dan dat zij langen tijd en bij
velen ingang kan vinden. In de vorige eeuw met haar rationalisme,
individualisme en optimisme was er plaats voor; Rousseau maakte
de gedachten uit veler hart openbaar, als hij de onbedorven natuur
verheerlijkte en de oorzaak van alle zonde en ellende in de maatschappij
zocht. Maar de historische zin, die na de revolutie ontwaakte; het
inzicht in de onberekenbare waarde van samenleving, maatschappij en
staat; de organische beschouwing, die overal is doorgedrongen; de
leer der erfelijkheid bovenal, wier beteekenis, ook op geestelijk en
zedelijk gebied, meer dan vroeger in het licht is gesteld, hebben aan de
individualistische en atomistische opvatting van de menschheid en van
de in haar heerschende zonde een einde gemaakt. Indien iets vaststaat,
dan is het wel dit, dat de zonde niet maar een toevallig verschijnsel is
in het leven der individuen, maar dat zij is een toestand en leefwijze
van heel het menschelijk geslacht, eene eigenschap der species. De
zondige daden, die niet nu en dan voorkomen maar allen menschen in
alle leeftijden en omstandigheden eigen zijn, wijzen op eene zondige
hebbelijkheid terug, evenals kwade vruchten een kwaden boom onderstellen
en troebel water terugwijst naar eene onreine bron. Daaruit immers wordt
alleen verklaard, dat alle kinderen van der jeugd aan een lust tot het
verbodene toonen en eene neiging tot allerlei kwaad. Wel hebben de
Pelagianen menigmaal met beroep op Jon. 4:11, Ps. 106:38, Mt. 18:3,
19:14, Luk. 18:17, Joh. 9:3, 1 Cor. 7:14 van de onschuld der kinderen
gesproken. En in relatieven zin is dat ook juist; er is onderscheid in
graad tusschen de zonden; in verband met leeftijd en ontwikkeling, is
ook de zonde bij kinderen nog niet tot haar volle openbaring gekomen
en kan zij zich nog niet in zulke schrikkelijke vormen vertoonen als
op lateren leeftijd; maar ook leert de ervaring van alle ouders en
onderwijzers, dat met de toeneming in kennis enz., bij de kinderen ook
de zondige neiging zich ontwikkelt. En als wij zelf ons eigen leven
nagaan, vinden wij de zonde zoover als wij ons kunnen herinneren; en hoe
dieper ons schuldbewustzijn afdaalt, des te meer gaat het tot de zonden
der jeugd, ja der geboorte en ontvangenis terug, Ps. 25:7, 51:7. De
bovengenoemde Schriftplaatsen bieden dan ook aan de Pelagianen geen
steun; zij spreken hoogstens van eene relatieve onschuld, maar leeren de
zondeloosheid der kinderen niet. Voorts is de bewering dat er menschen
zonder zonde geleefd hebben of kunnen leven, van alle waarschijnlijkheid
en van allen grond ontbloot. Xenophons getuigenis van Socrates, Mem. I
1, 11. IV 8, 11, wordt wel door niemand in absoluten zin verstaan; van
de vromen in O. en N. Test. worden ons tal van zondige daden bericht;
de verstgevorderden op den weg der heiligmaking hebben in diezelfde
mate hun schuld en onvolkomenheid te dieper gevoeld. En zoo sterk en
algemeen is de overtuiging van de zondigheid van heel het menschelijk
geslacht, dat, als iemand optrad met de bewering van zondeloos te zijn,
wij allen dit terstond zouden toeschrijven aan gebrek aan zelfkennis,
hoogmoed of krankzinnigheid, Müller, Sünde II 370. Deze volstrekte
algemeenheid der zonde is door imitatie niet te verklaren. Zij gaat
aan alle bewuste en opzettelijke wilsdaad vooraf, en is bij ons allen
een toestand, lang voordat zij in daden overgaat. Dat Ritschl dit niet
erkent, hangt ook bij hem met het nominalisme samen; de menschheid is
geen organisme maar de som van alle individuen; zonde is geen toestand
maar bestaat alleen in wilsdaden; de dingen in het algemeen zijn of zijn
in elk geval slechts kenbaar in hunne werkingen. Toch blijft Ritschl
zelf aan zijn uitgangspunt niet getrouw; want ofschoon hij de aangeboren
zonde ontkent en de integriteit der menschelijke natuur leert, geeft
hij toch evenals Pelagius aan het kwade voorbeeld en den invloed der
maatschappij zulk eene macht, dat daardoor de algemeenheid der zonde
verklaard wordt en er zelfs eene gemeenschappelijke zonde ontstaat. Eén
van beide nu: deze invloeden van buiten werken slechts toevallig en
dan verklaren zij niets en is de algemeenheid der zonde een raadsel; of
zij veroorzaken de algemeene zondigheid feitelijk, maar dan zijn zij nog
van veel erger natuur dan de Schriftuurlijke leer der erfzonde. Voorts
bestrijdt Ritschl deze leer wel daarmede, dat zij alle graden in de
zonde opheft, maar dit berust op misverstand; zelf heeft hij maar twee
klassen van zonden, die van onwetendheid en van definitieve boosheid,
welke zeker de veelzijdigheid van het zondige leven niet omvatten. En
de pogingen, om deze leer uit de H. Schrift te verwijderen, dragen bij
al hunne scherpzinnigheid toch een te gewelddadig karakter, dan dat zij
geslaagd kunnen heeten. Cf. Pfleiderer, Die Ritschl’sche Theologie,
in Jahrb. f. prot. Theol. 1889. Dorner, Chr. Gl. II 149. Orr, The
Ritschlian Theology, London 1897 p. 145.
3. Het pelagianisme werd door de christelijke kerk veroordeeld. Van den
beginne aan namen de kerkvaders een zeker verband aan tusschen Adams
zonde en die van zijn geslacht. Al werd dit verband nog niet ingedacht,
Adams overtreding bracht toch eene groote zedelijke verandering aan voor
hemzelf en voor zijne nakomelingen. De aard dier zedelijke verandering
werd echter zeer verschillend opgevat. Volgens het semipelagianisme
bestonden de gevolgen van Adams val voor hem en voor zijne nakomelingen
behalve in den dood, vooral in verzwakking der zedelijke kracht. Eene
eigenlijke erfzonde, die schuld ware, is er wel niet, maar er is toch
een Erbübel; door Adams val is de mensch zedelijk krank geworden; zijn
wil is verzwakt en ten kwade geneigd; er is een strijd in hem ontstaan
tusschen vleesch en geest, die het onmogelijk maakt, dat er een mensch
zonder zonde leeft; maar hij kan toch het goede willen, en als hij dit
wil, komt hem de genade in het volbrengen ter hulp, Wiggers, Aug. u.
Pelag. II 54-82. Op dit standpunt staat de Grieksche kerk, deel II 319,
en ofschoon in het Westen Augustinus veel invloed had, de kerk dwaalde
toch hoe langer hoe verder naar het semipelagianisme af, en leerde te
Trente, dat de wilsvrijheid wel verzwakt naar niet vernietigd en dat de
concupiscentia op zichzelve geen zonde is, cf. deel II 322v. Geheel in
overeenstemming hiermede is het gevoelen van de Anabaptisten, bij Moor
III 205, van Zwingli, cf. mijne Ethiek van Zwingli bl. 17. 18, van de
Remonstranten, Conf. c. 7 en Apol. Conf. ib., Episcopius, Inst. theol.
IV sect. 5 c. 2. Limborch, Theol. Christ. III c. 2., de Herrnhutters,
Plitt, Zinzendorfs Theol. II 213 f., de Supranaturalisten, Reinhard,
Dogm. § 81-84, Krabbe, Lehre v. d. Sünde u. v. Tode 148 f. en vele
nieuwere theologen, Rothe, Theol. Ethik § 485 f. H. Schmidt bij Herzog²
15, 31. Kaftan, Wesen der chr. Rel. 260 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 325.
Oosterzee, Dogm. II 278v. Doedes, Leer der Zaligheid n. 27 en Ned. Gel.
art. 15 enz. Allen stemmen hierin overeen, dat Adams val ook voor zijne
nakomelingen gevolgen had, omdat zij in physischen samenhang met hem
staan. Maar de zedelijke toestand, die tengevolge van Adams overtreding
bij het menschelijk geslacht is ingetreden, is niet een toestand van
zonde en schuld, maar van zwakte, gebrek, krankheid. Op zichzelve kan
deze erfzonde den mensch niet verdoemen en heeft zij hoogstens eene
poena damni, zonder poena sensus, tengevolge; zij is eene aanleiding
tot zonde maar niet zonde zelve in eigenlijken zin. Daar echter de wil
verzwakt is, geeft hij lichtelijk aan de verleiding, die van het vleesch
uitgaat, gehoor; en dan, als de wil toestemt en de begeerlijkheid
inwilligt, wordt de erfzonde tot persoonlijke zonde, die schuldig stelt
en strafwaardig maakt. Zakelijk komt deze leer over de erfzonde geheel
overeen met de theorie, dat de zonde uit de zinlijkheid voorkomt,
Biedermann, Dogm. II 573.
Deze semipelagiaansche opvatting van de erfzonde is echter in den
grond niet veel beter dan die van Pelagius en stuit op even groote
bezwaren. 1º. Zij miskent het karakter en den ernst der zonde. Zonde
toch is ἀνομια, dislegalitas. De toestand waarin de menschen geboren
worden, komt òf met Gods wet overeen òf wijkt daarvan af; hij is goed
of kwaad, niet of wel zondig; een derde is er niet. Dat die toestand
goed is en in alle deelen met Gods wet overeenkomt, durven ook de
Semipelagianen niet beweren. Toch noemen zij hem ook niet zondig in
eigenlijken zin. En zoo scheppen zij een tusschentoestand, en spreken
van de erfzonde als een ziekte, gebrek, krankheid, die geen eigenlijke
zonde is maar alleen aanleiding kan wezen tot zonde; of zij scheiden
zonde en schuld en zeggen, zooals Rothe en Kaftan, dat de erfzonde wel
zonde is maar geen schuld. 2º. Dit is beide onmogelijk. Zonde en schuld
zijn onlosmakelijk aan elkander verbonden, Gal. 3:10, Jak. 2:10, 1 Joh.
5:17; als zonde ἀνομια is, dan is zij strafbaar, en omgekeerd, waar
schuld en straf is, daar moet zonde wezen. Nu is echter de erfzonde van
dien aard, dat er de dood op volgt, Rom. 5:14, dat zij de gemeenschap
Gods en zijn hemel onwaardig maakt (Doedes), dat zij in zichzelve onrein
is, dat zij de aanleiding en de bron van vele zonden is, zij moet dus
zelve wel zonde zijn. Anders ware God onrechtvaardig, die met den dood,
de bezoldiging der zonde, Rom. 6:23, straft wat geen zonde is en den
dood niet verdient; de wet verloor haar absolute geldigheid, want er
ware afwijking, die geen straf waardig was; de gemeenschap met God wierd
onthouden zonder dat er van schuld sprake was; tusschen hemel en hel,
goed en kwaad, licht en duisternis kwame een toestand in, die geen van
beide ware, eene poena damni zonder poena sensus; wat allerlei zonden
voortbrengt, zou zelf geen zonde zijn; de boom ware goed en hij droeg
toch kwade vruchten; de bron ware rein maar onrein het water, dat
eruit voortvloeit. 3º. Dat die aangeboren zondigheid eerst tot zonde
en schuld wordt, als de wil erin toestemt, verbetert de theorie niet
maar maakt ze nog erger. Want één van beide: de wil staat dan als het
ware boven en buiten die aangeboren neiging, en dan bestaat de erfzonde
in niets dan de aangeboren zinnelijke natuur en gaat heel het karakter
der zonde te loor, of de wil zelf is door die erfzonde in meerdere
of mindere mate aangetast en verzwakt; hij wortelt zelf in de zondige
natuur en komt daaruit op, en dan verliest men juist in diezelfde mate,
als men den wil laat verzwakt zijn, datgene wat men met deze theorie
wilde handhaven, n.l. dat er geen zonde is zonder vrije wilsbeslissing.
Maar bovendien, al ware zulk een wil, die geheel of ten deele buiten
de aangeboren zondige natuur stond, denkbaar; hij zou toch feitelijk
niet geven, wat men ermede beoogt. De eerste wilsbeslissingen, die de
aangeboren concupiscentia toestemmen, vallen alle in de eerste jaren,
als de wil nog zwak en krachteloos is. Niemand is zich bewust, dat hij
met die eerste wilsbeslissingen zulk eene schuld op zich laadde, dat
hij feitelijk toen eerst gevallen is en een kind des toorns is geworden.
Tegenover wie dit beweert, zou elk zich kunnen verontschuldigen,
dat hij niet beter wist en niet anders kon, dat hij voor zulk eene
gewichtige beslissing over zijn eeuwig wel of wee al in zeer ongunstige
omstandigheden was geplaatst; ja, indien de erfzonde geen zonde is, dan
kunnen alle andere latere zonden, die zoo lichtelijk en zoo noodzakelijk
daaruit voortvloeien, ook geen zonde zijn. Ook Schleiermacher verwierp
daarom de voorstelling, dat de erfzonde niet eerder schuld kan zijn,
dan voordat zij in werkelijke zonden uitbreekt, indem ja der Umstand,
dass es noch an Gelegenheit und an äusserer Anreizung gefehlt hat,
den geistigen Werth des Menschen nicht erhöhen kann, Chr. Gl. I 382.
4º. De semipelagiaansche theorie lost niet alleen het probleem niet
op, dat hier voorligt, maar zij raakt het ook zelfs met de vingers
niet aan en sluit er opzettelijk de oogen voor. De algemeenheid der
zonde is een feit, dat ook de Semipelagianen erkennen; zij verwerpen
de verklaring daarvan uit navolging; zij nemen aan, dat een onreine,
gebrekkige, zieke, zondige (zij het dan ook niet zondige en strafbare)
toestand aan de zondige daden voorafgaat; zij erkennen, dat die onreine,
kranke toestand bij allen zonder onderscheid tot zondige, schuldige,
strafbare daden leidt, zoodat de verzwakte vrije wil feitelijk bitter
weinig te beteekenen heeft. Welnu, hoe is dat ontzettend verschijnsel
te verklaren? Hoe is het met Gods rechtvaardigheid te rijmen, dat Hij,
afgedacht nu van het verbond der genade, alle menschen in zulk een
toestand geboren laat worden, die voor de vroegstervende kinderen in
elk geval den dood en de verbanning uit zijne gemeenschap en voor
alle anderen het eeuwige verderf medebrengt? De semipelagiaansche
theorie denkt dit probleem ganschelijk niet in en stelt zich met eene
oppervlakkige en nietsbeteekenende vrije-wilsleer tevreden. Cf. Müller,
Sünde II 445 f.
4. Op dit probleem had Paulus echter, door de tegenstelling van
Christus geleerd, ten antwoord gegeven, dat door de misdaad van
éénen de zonde en de dood in de wereld gekomen en tot alle menschen
doorgegaan was. Allengs ging in de christelijke theologie voor deze
diepe leer het bewustzijn open, cf. Schwane, D. G. II² 439 f. 480 f.
Irenaeus zeide: in primo quidem Adam (Deum) offendimus, non facientes
ejus praeceptum, in secundo autem Adam reconciliati sumus, obedientes
usque ad mortem facti, adv. haer. V 16, 3. Tertullianus sprak van een
malum animae, dat ex originis vitio tot ons gekomen en uit Adams val is
af te leiden; omnis anima eo usque in Adam censetur donec in Christo
recenseatur, tamdiu immunda, quamdiu recenseatur, de an. 40. 41, cf.
ook Cypr. de op. et eleem. 1. ep. 64, 5. Het sterkst spreekt Ambrosius,
die meer dan anderen vóór hem op het schuldig karakter van alle zonde
en op den zondigen toestand, waarin wij geboren worden den nadruk legt
en dezen tot den val van Adam terugleidt; fuit Adam et in illo fuimus
omnes, periit Adam et in illo omnes perierunt, Harnack, D. G. III
45. Maar toch was het vooral Augustinus, die de gedachte van Paulus
aangreep en verder ontwikkelde; telkens doet hij, vooral in zijne beide
geschriften tegen Julianus, een beroep op Rom. 5:12, 1 Cor. 15:22, Ef.
2:3; voorts haalt hij Cyprianus, Hilarius, Ambrosius, Gregorius Naz.,
Chrysostomus e. a., tot verdediging van zijn gevoelen aan; dan ziet
hij ook in de practijk van den kinderdoop een krachtig bewijs voor zijne
leer van de erfzonde; en eindelijk wijst hij erop, dat de schrikkelijke
ellende van het menschelijk geslacht niet anders dan als eene straf op
de zonde te verklaren is. Hoe kan God, die toch goed en rechtvaardig
is, alle menschen van hunne ontvangenis af aan onderwerpen aan zonde
en dood, als zij volkomen onschuldig zijn? Er moet op allen rusten eene
oorspronkelijke schuld; het grave jugum, dat alle kinderen van Adam
drukt, is anders niet te begrijpen; wie de ellenden van het menschelijk
leven nagaat, van het eerste schreien der kinderen af tot de laatste
zuchten der stervenden toe, moet met Paulus tot de erkentenis komen
van een originale peccatum. Quoniam Dei non est iniquum judicium,
ideo in miseria generis humani, quae incipit a fletibus parvulorum,
agnoscendum est originale peccatum, Op. imperf. c. Jul. III 77 en zoo
passim, I 25. 49. II 107. III 44. 202. VI 17. 28 enz. De zonde van
Adam moet daarom opgevat worden als eene daad van hem en van al zijne
nakomelingen. Adam was niet een privaat persoon, niet een individu
naast anderen, maar alle menschen waren in hem begrepen. De wijze
hiervan wordt bij Augustinus niet volkomen duidelijk; wijl hij bij de vraag
naar den oorsprong der ziel van eene keuze tusschen traducianisme en
creatianisme zich onthield, laat hij ook hier er zich niet beslist over
uit, of bij het begrepen zijn van het menschelijk geslacht in Adam alleen
realistisch of ook foederalistisch denkt. Eenerzijds zegt hij telkens,
dat allen in Adams lendenen waren, gelijk de Israelieten in die van
Abraham, dat Adam geen beteren kon voortbrengen dan hijzelf was, dat
Adams zonde door propagatie en niet door imitatie wordt overgeplant,
dat de zonde van Adam ons deel wordt door geboorte op dezelfde wijze
als de gerechtigheid en het leven van Christus door wedergeboorte,
de civ. XIII 3. Op. imp. c. Jul. I 48 enz. Maar andererzijds is toch
het feit van beteekenis, dat hij het traducianisme van Tertullianus
niet aanvaardt, en dat hij telkens zoo sterk mogelijk uitspreekt, dat
allen in Adam waren en in hem zondigden; omnes ille unus homo fuerunt,
omnes fuimus in illo uno, de pecc. mer. et rem. I 10. de civ. XIII 14
enz. De erfzonde is daarin van dadelijke zonden onderscheiden, dat zij
niet persoonlijk door ons bedreven werd, maar zij is toch zonde, wijl zij
in zekeren zin weer onze daad was. Zij is beide eene vreemde en eene
eigene zonde; aliena enim (sunt peccata originalia), quia non ea in
sua vita quisque commisit; nostra vero, quia fuit Adam et in illo
fuimus omnes, Op. imp. c. Jul. III 25, cf. I 48. 57; zij is zelfs een
peccatum voluntarium, quia ex primi hominis mala voluntate contractum,
factum est quodam modo haereditarium, Retract. I 13. c. Jul. III 5.
de nupt. et conc. II 28 enz. De zondige toestand, waarin wij ontvangen
en geboren worden, is een gevolg en straf van onze overtreding in
Adam, Op. imp. c. Jul. I 47 VI 17; God straft menigmaal zonde met
zonde, c. Jul. V 3. de nat. et gr. 22. En hij bestaat feitelijk in de
concupiscentia. Soms neemt Augustinus dit woord in ruimen zin en zegt
hij, dat de overgeërfde zondigheid niet alleen in den geslachtslust
zetelt maar in quocunque corporis sensu cognosci, Op. imp. c. Jul. IV
28; dat de carnalis concupiscentia ook in de ziel haar zetel heeft,
ib. V 7, dat de erfzonde geen substantie is maar een affectionalis
qualitas, een vitium, languor, morbus, substantiae accidens, de nupt.
et conc. I 24. 25 II 34. Op. imp. c. Jul. VI 7 Conf. VII 12 enz. Maar
toch denkt hij bij de concupiscentia allereerst aan den geslachtslust;
in den zelfstandigen, van den wil onafhankelijken motus genitalium komt
vooral de verdorvenheid der natuur uit, en de schaamte strekt daarvoor
ten bewijze; door den geslachtsdrift plant dan ook de zonde zich voort
en maakt heel de menschheid tot eene massa corrupta, die onderworpen
is aan de misera necessitas non posse non peccandi, cf. vooral de
nupt. et conc. passim, Harnack, D. G. III 190 f. Wiggers, Aug. u.
Pelag. I 107 f. Deze concupiscentia heet beter peccatum originale
quam naturale, wijl zij niet van Goddelijken maar van menschelijken
oorsprong is, Op. imp. c. Jul. V 9; zij is zonde, quia peccato facta
est appetitque peccare, ib. I 71, en maakt den mensch originaliter
reum, c. Jul. VI 5. Ongedoopt stervende kinderen gaan om haar verloren;
haar schuld wordt echter in den doop weggenomen, zelve blijft zij over
tot prikkel voor den strijd, reatus ejus regeneratione solutus est,
conflictus ejus ad agonem relictus est, Op. imp. I 71. 101. c. Jul.
VI 5. de pecc. mer. et rem. II 4, cf. ook Gangauf, Die metaph. Psych.
d. h. Aug. 420 f. Scholastiek en Roomsche theologie bouwden op dezen
grondslag voort maar brachten in de voorstelling van Augustinus toch
eene niet onbelangrijke wijziging aan. Behouden bleef de gedachte, dat
Adams overtreding de oorzaak was van aller menschen zonde en dood. De
erfzonde bestaat allereerst in de toerekening aan alle menschen van die
overtreding, welke Adam beging, wijl zij allen in hem begrepen waren;
zij is in de eerste plaats schuld, daarna straf. De Schrift sprak dit
dan ook duidelijk uit, en de kerk nam het op in hare belijdenis, conc.
Milev. can. 2. conc. Araus. c. 2. Trid. V 2. Cat. Rom. I 3, 2. Pighius
en Catharinus gingen zelfs zoover, dat zij in deze toerekening van Adams
overtreding geheel de erfzonde lieten opgaan en alwat daarop volgde,
verlies der oorspronkelijke gerechtigheid, bederf der natuur enz.,
alleen als straf maar niet als zonde wilden opvatten, bij Bellarminus,
de amiss. gr. et statu pecc. V c. 16. Maar ongetwijfeld spraken deze
theologen daarmede eene gedachte uit, die uit de ontwikkeling van het
leerstuk der erfzonde in de Roomsche theologie voortvloeide. Er kwam
n.l. spoedig verschil over het karakter van dien zedelijken toestand,
welke na Adams ongehoorzaamheid bij hem en bij al zijne nakomelingen is
ingetreden. Bij Augustinus bestond deze in de concupiscentia, die dan in
den geslachtsdrift haar voornaamsten zetel en orgaan had. Hierbij bleef
Lombardus nog staan, Sent. II dist. 30. 31. Maar langzamerhand kwam de
leer van het donum superadditum op, dat aan Adam geschonken maar door
zijn val verloren werd. Het eerste gevolg van Adams overtreding was dus
voor hem en alle menschen het verlies van de gratia supernaturalis
(justitia originalis); dit was het eerste, negatieve element in de
erfzonde, waar dan het tweede, positieve, n.l. de concupiscentia nog
bijkwam. Zoo omschreef Anselmus de erfzonde reeds, de casu diaboli 27,
en werd daarin door Halesius, Bonaventura, Albertus, Thomas gevolgd.
De erfzonde bestond dus in privatio originalis justitiae en in quaedam
inordinata naturae dispositio (concupiscentia), Thomas, S. Th. II 1
qu. 82 art. 1 en voorts Schwane, D. G. III 393-413. Maar bij verder
nadenken moest over deze laatste weer verschil ontstaan. Immers, het
beeld Gods werd allengs opgevat als een donum supernaturale, deel II
518, er was dus ook een mensch denkbaar en bestaanbaar zonder dat beeld
en toch zonder zonde, een homo naturalis; in zulk een mensch zouden
echter vleesch en geest toch uiteraard tegenover elkander staan en met
elkander strijd voeren; d. i. de concupiscentia, de begeerlijkheid van
het vleesch tegen den geest, is van nature, noodzakelijk, door schepping
eigen aan den mensch en kan dus op zichzelf geen zonde zijn. Het beeld
Gods was nu wel aan Adam geschonken tot een remedium en frenum, maar
toen hij dit verloor, kwam de strijd van vleesch en geest vanzelf weer
op; deze lag in zijne natuur, was wel onderdrukt maar werd nu weer vrij.
De concupiscentia is een morbus seu languor naturae humanae, qui ex
conditione materiae oriebatur, deel II 527; zij kan op zichzelf geen
zonde zijn en dus ook geen deel uitmaken van de erfzonde. De Roomsche
leer van het domum superadditum wreekt zich hier op bedenkelijke wijze
bij de erfzonde. Het is historisch aan te wijzen, hoe daarom allengs in
de Roomsche theologie het zwaartepunt in de leer der erfzonde uit de
concupiscentia in de privatio justitiae originalis, uit het positieve
in het negatieve is verlegd. Augustinus omschreef heel de erfzonde
door concupiscentia; de scholastici namen daarbij op het verlies der
oorspronkelijke gerechtigheid, maar handhaafden toch nog de erfzonde
in positieven zin als eene inordinata dispositio, languor naturae,
habitus corruptus, Thomas, S. Th. II 1 qu. 82 art. 1. Trente spreekt
zeer voorzichtig; het zegt dat Adam niet alleen de gerechtigheid
verloren heeft maar ook naar lichaam en ziel in deterius veranderd
is; dat hij, nadat hij verontreinigd was, niet alleen den dood en de
straffen des lichaams maar ook vooral de zonde over zijne nakomelingen
heeft uitgestort; dat de zonde van Adam niet door navolging maar door
voortplanting aan ieder eigen is, inest unicuique proprium, en alleen
door Christus’ verdienste in den doop kan worden weggenomen, sess. 5.
Maar de Synode onthield zich met opzet van engere bepalingen, Möhler,
Symb. 57; de aard dezer zonde wordt niet nader omschreven; de woorden
in deterius zeggen weinig; de concupiscentia, die in de gedoopten
overblijft, is zelve geen zonde maar is alleen ex peccato et ad peccatum
inclinat, ib. 5; de vrije wil is niet verloren maar verzwakt, VI c.
5, en kan ook vóór het geloof goede werken doen, ib. 7. Alles saam
genomen, is niet in te zien, waarin, afgedacht van de toerekening van
Adams overtreding en het verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid,
de erfzonde verder nog zou kunnen bestaan. Er blijft niets voor haar
over. Na Trente wordt dan ook uitdrukkelijk de meening van Lombardus
bestreden, later nog omhelsd door Henricus, Gregorius Arim., Driedo,
dat de erfzonde formaliter of materialiter in concupiscentia, in eene
positieve qualitas zou bestaan, Bellarminus, de amiss. gr. et statu
pecc. V c. 15. Becanus, Theol. schol., de pecc. orig. qu. 3 en 4.
Theol. Wirceb. VII 84-94. Met beroep op Thomas, Bonaventura, Scotus
enz. wordt de erfzonde alleen gesteld in het verlies der justitia
originalis; Bellarminus sprak het open en duidelijk uit: non magis
differt status hominis post lapsum Adae a statu ejusdem in puris
naturalibus, quam differat spoliatus a nudo, neque deterior est humana
natura, si culpam originalem detrahas, neque magis infirmitate et
ignorantia laborat, quam esset et laborasset in puris naturalibus
condita. Proinde corruptio naturae non ex alicujus doni naturalis
carentia neque ex alicujus malae qualitatis accessu sed ex sola doni
supernaturalis ob Adae peccatum amissione profluxit, de gr. pr. hom.
5. De toestand, waarin de mensch na den val geboren wordt, is volkomen
gelijk aan dien van Adam vóór den val zonder het donum superadditum. Van
eene corruptio of vulneratio naturae kan er alleen in zoover gesproken
worden, als deze toestand er niet behoorde te zijn, wijl Adam het donum
superadditum ontving en dat verloor; het verlies ervan is schuld. Maar
zakelijk is die toestand niet verkeerd, hij is nackte Natürlichkeit;
de erfzonde niets anders dan reductio ad statum mere naturalem;
supernaturalia amissa, naturalia integra; in den doop wordt dit verlies
door de gratia infusa hersteld; na den dood wordt de erfzonde alleen
met poena damni gestraft. Sommigen trachten nog wel eene corruptio
naturae vast te houden, maar de supranaturalistische opvatting van het
Christendom maakt dit onmogelijk. Alleen is er nog verschil over, of de
toerekening van Adams zonde, die het verlies van het donum superadditum
voor al zijne nakomelingen ten gevolge had, berust op een nexus physicus
dan wel op een nexus moralis (foederalis). Sommigen zeggen, dat alle
menschen wel niet formaliter maar toch causaliter, materialiter,
seminaliter in Adam begrepen waren; anderen meenen de toerekening niet
anders te kunnen verklaren dan door aan te nemen, dat Adam niet alleen
onze stamvader maar ook ons hoofd en onze vertegenwoordiger was; nog
anderen verbinden beide voorstellingen met elkander. Cf. Anselmus, de
conceptu originali et de originali peccato. Lombardus, Sent. II dist.
30-33 en de comm. van Thomas, Bonaventura enz. Thomas, S. Theol. II 1
qu. 81 sq. Bellarminus, de amiss. gr. V 17-20. Becanus, Theol. Schol.
II tr. 2 c. 9 de pecc. orig. Theol. Wirceb. VII 65 sq. Vasquez, Suarez
e. a. bij Schwane, D. G. der neueren Zeit 1890 S. 166-198. Schwetz,
Theol. cath. II 163-177. Dens, Theol. I 356 sq. Perrone, Prael. theol.
III 1839 p. 189. 216-223. Scheeben, Dogm. II 633 f. Oswald, Relig.
Urgesch. der Menschheit 1887 S. 110 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II
616-675. Simar, Dogm. 351-367. Pesch, Prael. theol. III 111-152 enz.
5. Tegen deze Roomsche verzwakking van de erfzonde kwam de Reformatie
in verzet. Op zichzelve vond de scholastieke definitie van de erfzonde
als privatio justitiae originalis, homini inesse debitae, geen
bezwaar, indien zij maar niet zuiver negatief werd verstaan. Dit werd
echter in de Roomsche theologie hoe langer hoe meer het geval, en
daarom legde de Reformatie er juist nadruk op, dat de erfzonde niet
alleen eene privatio was maar daarin ook tegelijk eene totale corruptie
der menschelijke natuur. Dikwerf werd in den eersten tijd deze corruptie
nog met den naam van concupiscentia aangeduid, doch dan werd deze
toch niet eenzijdig met Augustinus en Lombardus als geslachtslust
opgevat, maar als ἀταξια omnium appetitionum, zetelend zoowel in de
hoogere als in de lagere vermogens van den mensch. Calvijn zegt zeer
duidelijk, zij, die de erfzonde bepalen als verlies der oorspronkelijke
gerechtigheid, omschrijven haar wel geheel maar drukken haar kracht
en werkzaamheid niet genoeg uit. Onze natuur is n.l. niet alleen van
iets goeds beroofd, maar zij is ook malorum omnium fertilis et ferax.
Als de erfzonde daarom als concupiscentia omschreven wordt, is dit
goed, mits men er bijvoege, quidquid in homine est, ab intellectu ad
voluntatem, ab anima ad carnem usque hac concupiscentia inquinatum
refertumque esse, aut ut brevius absolvam, totum hominem non aliud
ex se ipso esse quam concupiscentiam, Inst. II 1, 8. Voorts leerden
de Hervormers, dat deze begeerlijkheid ook in haar primoprimi motus
zonde was; zij wordt niet eerst tot zonde, als de wil erin toegestemd
heeft maar zij is zonde in zichzelve, niet eerst als formata dus maar
ook reeds als informis. Calvijn verklaart wederom, dat hij in dit punt
van Augustinus afwijkt; deze noemt de concupiscentia, als in den doop
de schuld ervan is weggenomen, met den naam van infirmitas; nos autem
illud ipsum pro peccato habemus, Inst. III 3, 10. En eindelijk was deze
corruptie der menschelijke natuur eene zoo totale, dat de mensch van
nature onbekwaam is tot eenig geestelijk goed, geneigd tot alle kwaad
en om haar alleen reeds de eeuwige straf waardig. Het valt niet te
ontkennen, dat men soms, uit reactie tegen Rome, vooral van Luthersche
zijde zich al te sterk uitgedrukt heeft. Al was het niet zoo kwaad
bedoeld, het was toch zeker voor ernstig misverstand vatbaar, als
Luther de erfzonde peccatum essentiale en essentia hominis noemde,
Köstlin, Luthers Theol. II 366 f. Nog sterker sprak Flacius van de
erfzonde als substantia hominis. En ook de Formula Concordiae zeide
in Luthers eigen woorden, dat ’s menschen verstand, hart en wil in
geestelijke zaken prorsus corruptus atque mortuus was, niets meer
vermogend quam lapis, truncus aut limus, ed. Müller 589. 594, cf. ook
Frank, Theol. d. Conc. I 138. Hoezeer de Roomschen de Lutherschen
daarom van manicheisme trachtten te beschuldigen, Bellarminus, de
amiss. gr. et stat. pecc. V c. 1 sq. Becanus, de pecc. orig. qu.
2 sq. Möhler, Symbolik S. 66 f., toch hebben zij in de Form. Conc.
uitdrukkelijk beleden, dat de zonde geen substantie was, en alle
theologen stemmen daarmede in. Ja, al hebben de Lutherschen over het
algemeen het traducianisme gehuldigd en al waren zij daarom geneigd,
om de erfzonde door de carnalis concupiscentia te laten voortplanten,
Luther bij Köstlin II 367. Melanchton, Loci C. de pecc. orig. C. R. XXI.
p 668 sq., cf. Frank, Theol. der Concordienformel I 50 f., toch zegt
Melanchton daar ook, dat hij er niet op tegen heeft, natos etiam propter
lapsum Adae reos esse; de Form. Conc. verklaart, dat de erfzonde is
culpa seu reatus, quo fit, ut omnes propter inobedientiam Adae et Hevae
in odio apud Deum et natura filii irae simus, Müller, Symb. Bücher
576, en later zeggen verscheiden Luthersche theologen, dat Adam niet
alleen te beschouwen is als caput physicum maar ook als caput morale
seu foederale generis humani, en dat daarom zijne overtreding aan allen
wordt toegerekend, Quenstedt, Theol. II 53. 118. Hollaz, Ex. theol.
515. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 172 f. De Gereformeerden wachtten
zich van den beginne af voor dergelijke sterke uitdrukkingen, als de
Lutherschen soms bezigden; Calvijn keurde de bovengenoemde beelden
volstrekt niet goed, Schweizer, Centrald. I 385. 394. Maar toch leerden
ook zij, dat de erfzonde negatief in carentia justitiae originalis maar
ook positief in corruptio naturae bestond, en dat zij haar oorzaak had
in de toegerekende overtreding van Adam, Calvijn, Inst. II 1, comm. op
Ps. 51:7, Rom. 5:12 enz. Beza, Tract. Theol. I 344. Martyr, Loci C. 68
sq. Polanus, Synt. 336. Ursinus, Tract. Theol. 202. Explic. Catech. qu.
7. Zanchius, Op. IV 30. Junius, Theses Theol. 19 20. Heppe, Dogm. 245
f. Er heerschte op dit punt eene zeer groote overeenstemming. Rivetus
verzamelde eene lange reeks van uitspraken uit kerkelijke belijdenissen
en theologische werken, die alle hetzelfde leeren, Testimonia de
imputatione primi peccati omnibus Adami posteris, Op. III 798-826,
grootendeels in het engelsch vertaald in Princeton Theol. Essays 1846
p. 195-217. Er kwam echter bestrijding dezer leer uit de school van
Saumur; Placaeus leerde n.l. in zijne theses de statu hominis lapsi ante
gratiam, Synt. thesium theol. in acad. Salm. ed. 2 1665 p. 205, dat de
ongehoorzaamheid van Adam aan zijne nakomelingen slechts middellijk werd
toegerekend, d. i. slechts in zoover en op grond daarvan, dat zij al
onrein uit hem geboren waren. Vroeger werd eenstemmig geleerd: corrupti
nascimur, quia primum peccatum nobis imputatur; Placaeus keerde dit om
en zeide: primum peccatum nobis imputatur, quia corrupti nascimur, en
lichtte zijn gevoelen nog nader toe in Disp. bipartita de imputatione
primi peccati Adami 1655. De Synode te Charenton veroordeelde zijn
gevoelen 1645, Rivetus zamelde op last der Synode zijne bovengenoemde
testimonia, verschillende theologen kwamen tegen de leer van Placaeus
op, Heidegger, Turretinus, Maresius, Driessen, Leydecker, Marck,
Comrie, Holtius enz. Maar de tijd scheen voorbij voor de reformatorische
leer van de erfzonde. Placaeus vond overal ingang, in Frankrijk,
Zwitserland, Engeland, Amerika, bij theologen als Wyttenbach, Endemann,
Stapfer, Whitby, John Taylor, Roell, Vitringa, Venema enz. cf. M.
Vitringa II 349, en ook bij de Lutherschen, Walch, Bibl. theol. I 85. In
Amerika schreef Jonathan Edwards nog wel zijn beroemd tractaat Original
sin defended 1757, Works II 305-310, tegen Whitby, maar hij huldigde
zelf daarin reeds de middellijke toerekening van Adams zonde en bracht
de New England Theology van Hopkins, Edwards Jr., Dwight, Emmons
enz. geheel in de lijn van Placaeus. Het pelagianisme deed overal zijn
intocht; het Protestantisme viel, in diezelfde mate als het ontrouw
aan zijn verleden werd, in het Romanisme terug; de mensch was goed van
nature maar bezweek zeer licht in den strijd tegen de zinnelijkheid.
Zelfs de nieuwere theologen, die een invloed van Adams zonde op zijne
nakomelingen aannemen, zijn daarmede nog slechts ten deele tot de leer
der Reformatie teruggekeerd, Vilmar, Dogm. I 270. Philippi, Kirchl.
Gl. III 40. Ebrard, Dogm. § 340-344. Dorner, Chr. Gl. § 82. 83. Frank,
System d. chr. Wahrh. I 460. 482. Müller, Sünde II 426-503 enz. Toch
is door allerlei oorzaken de diepe zin van de leer der erfzonde
voor velen weer duidelijk geworden. In 1845 schreef Gervinus: wir
sind der Erbsündenangst entnommen, die wie die Gespensterfurcht nur
die Furcht einer abergläubischen Religionslehre war, bij Delitzsch,
Christl. Apol. 119. Er zullen niet velen zijn, die thans nog met dit
oppervlakkig oordeel instemmen. De philosophie van Kant, Schelling,
Schopenhauer enz., de leer der erfelijkheid en der solidariteit, de
historische en sociologische studiën hebben aan het dogma der erfzonde
een onverwachten en belangrijken steun geboden. Toen de theologie het
verworpen had, nam de wijsbegeerte het weer op.
6. De leer van de erfzonde is een van de gewichtigste maar ook een
van de moeilijkste onderwerpen der dogmatiek. Peccato originali nihil
ad praedicandum notius, nihil ad intelligendum secretius, Augustinus,
de mor. eccl. cath. I 22. Chose étonnante, que le mystère le plus
éloigné de notre connaissance, qui est celui de la transmission du
péché, soit une chose sans laquelle nous ne pouvons avoir aucune
connaissance de nous-mêmes. Car il est sans doute, qu’il n’y a rien
qui choque plus notre raison que de dire que le péché du premier homme
ait rendu coupables ceux qui, étant si éloignés de cette source,
semblent incapables d’y participer.... et cependant, sans ce mystère,
le plus incompréhensible de tous, nous sommes incompréhensibles à
nous-mêmes. Le noeud de notre condition prend ses replis et ses tours
dans cet abîme, de sorte que l’homme est plus inconcevable sans ce
mystère que ce mystère n’est inconcevable à l’homme (Pascal). Le péché
originel explique tout et sans lui on n’explique rien (de Maistre),
en toch behoeft zij zelve meer dan iets verklaring. Van oudsher werd
zij in de theologie als peccatum originale aangeduid, niet als ware
zij den mensch van zijn oorsprong af krachtens schepping eigen, maar
wijl zij bij alle menschen de oorsprong en bron van alle andere zonden
is. Veel misverstand wordt voorkomen, indien deze erfzonde duidelijk
onderscheiden wordt in peccatum originans (imputatum, culpa) en
peccatum originatum (inhaerens, poena). Eigenlijk is onder erfzonde,
peccatum haereditarium, alleen te verstaan, die zedelijke verdorvenheid,
welke de mensch terstond bij zijne ontvangenis en geboorte uit zondige
ouders meebrengt. Maar deze zedelijke verdorvenheid, die allen menschen
van nature eigen is en niet eerst later door hunne eigene verkeerde
daden in hen ontstaat, moet toch eene oorzaak hebben. En deze oorzaak
is naar de H. Schrift en kan ook voor het christelijk denken geene
andere zijn, dan de eerste overtreding van den eersten mensch, waardoor
de zonde en de dood kwam in de wereld. Adams ongehoorzaamheid is het
peccatum originans; de Schrift zegt dat duidelijk, Rom. 5:12, 1 Cor.
15:22; en de ervaring bevestigt het ieder oogenblik, alle menschen
worden in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Dit is nu
niet anders denkbaar dan zoo, dat die overtreding van Adam ons allen
op de eene of andere wijze aangaat. Indien er volstrekt geen verband
bestond tusschen Adam en ons, ware het onmogelijk, dat wij in zonden
geboren worden, wijl hij Gods gebod overtrad. Schrift en geschiedenis
wijzen dus samen ons heen naar een oorspronkelijke, gemeenschappelijke
schuld van het menschelijk geslacht. De hypothese toch van Plato en
anderen, dat iedere ziel vóór hare komst in het menschelijk lichaam
reeds lang bestaan had en daar reeds gevallen was, is ons vroeger
om afdoende redenen geheel onhoudbaar gebleken, boven bl. 70; er
ligt alleen de onloochenbare waarheid aan ten grondslag, dat ieder
mensch onder schuld geboren wordt. Die schuld heeft niet ieder
persoonlijk, individueel, actueel zich op den hals gehaald; zij rust
op elk mensch van Adams wege; δια νης παρακοης του ἐνος ἀνθρωπον
ἁμαρτωλοι κατεσταθησαν oἱ πολλοι, Rom. 5:19. Afgedacht daarvan, of
wij het eenigermate begrijpelijk kunnen maken, dat God alle menschen
onmiddellijk door en om Adams ongehoorzaamheid tot zondaars stelt, het
feit zelf staat vast, op grond van Schrift en ervaring. Maar toch kan
er daarom wel iets gezegd worden, om deze handelwijze Gods indien niet
te verklaren, dan toch van den schijn der willekeur te ontdoen. In de
eerste plaats immers, is de menschheid geen aggregaat van individuen,
maar eene organische eenheid, één geslacht, ééne familie. De engelen
staan allen onafhankelijk naast elkander; zij werden allen tegelijk
geschapen en kwamen niet de een uit den ander voort; onder hen zou
een oordeel Gods, als in Adam uitgesproken werd over alle menschen,
niet mogelijk zijn geweest; ieder stond en viel voor zichzelf. Maar zoo
is het onder de menschen niet. God heeft hen allen uit éénen bloede
geschapen, Hd. 17:26; zij zijn geen hoop zielen op een stuk grond, maar
allen elkander in den bloede verwant, door allerlei banden aan elkander
verbonden, en daarom in alles elkander bepalende en door elkander
bepaald. En bepaaldelijk neemt de eerste mensch eene geheel eenige en
onvergelijkelijke plaats in. Gelijk rami in radice, massa in primitiis,
membra in capite, zoo waren alle menschen in Adams lendenen begrepen
en zijn zij allen voortgekomen uit zijne heup. Hij was geen privaat
persoon, geen los individu naast anderen, maar hij was radix, stirps,
principium seminale totius generis humani, ons aller caput naturale; in
zekeren zin kan gezegd, dat nos omnes ille unus homo fuimus, dat wat
hij deed door ons allen gedaan werd in hem; zijne wilskeuze en wilsdaad
was die van al zijne nakomelingen. Ongetwijfeld is deze physische eenheid
van de gansche menschheid in Adam voor de verklaring der erfzonde
reeds van groote beteekenis; zij is er de noodwendige onderstelling,
het praerequisitum van; indien Christus voor ons de zonde zou kunnen
dragen en zijne gerechtigheid ons deelachtig maken, moest hij allereerst
onze menschelijke natuur aannemen. Maar toch is het realisme zonder meer
tot verklaring van de erfzonde ongenoegzaam. Immers, in zekeren zin
kan wel gezegd worden, dat alle menschen in Adam begrepen waren, maar
dan ook alleen in zekeren bepaalden zin; het is repraesentative maar
niet physice waar. In het genadeverbond spreekt dan ook niemand zoo.
Wij kunnen en mogen wel zeggen, dat God de gerechtigheid van Christus
ons zoo toeeigent, als hadden wij al de gehoorzaamheid volbracht, die
Christus voor ons volbracht heeft, Heid. Cat. vr. 60, maar daarom zijn
wij persoonlijk en physice het nog niet, die aan Gods gerechtigheid
hebben voldaan; Christus voldeed voor ons en in onze plaats. En zoo
is het ook met Adam; virtualiter, potentialiter, seminaliter mogen wij
in hem begrepen zijn geweest, doch personaliter en actualiter heeft
hij het proefgebod overtreden en niet wij. Indien het realisme dit
onderscheid niet zou willen erkennen, en ten uiterste toe consequent
zou willen zijn, dan zou het èn bij Adam èn bij Christus alle toerekening
overbodig maken; in beide gevallen was het dan ieder mensch zelf, die
persoonlijk met de daad gezondigd en door zijn lijden en sterven voldaan
had. Voorts indien Adams overtreding in dezen realistischen zin de
onze is geweest, dan staat de mensch ook schuldig aan alle andere
zonden van Adam, aan alle zonden van Eva, ja aan al de zonden van
zijne voorgeslachten, waaruit hij geboren werd, want hij was in dezen
begrepen evengoed als in Adam, toen hij het proefgebod overtrad; het
is dan ook niet in te zien, hoe Christus, die physice, d. i. zooveel
het vleesch aangaat, uit de vaderen en uit Adam en Eva is, dan van
de erfzonde vrij kon zijn; de physische eenheid brengt toch op dit
standpunt de moreele noodzakelijk mede. Verder komt het realisme bij het
genadeverbond in niet geringe verlegenheid; want indien er geen foedus
operum is, dan ook geen foedus gratiae; het een staat en valt met het
andere. Indien nu de gerechtigheid van Christus niet in den weg des
verbonds verworven en toegepast wordt, maar op realistische wijze, dan
bestaat deze bij Christus daarin, dat Hij onze natuur aannam, en in dat
geval is de voldoening en de zaligheid het deel van alle menschen,
want Christus nam hun aller natuur aan; of ze bestaat daarin, dat
ieder deze physische, realistische eenheid met Christus eerst verkrijgt
door de wedergeboorte of het geloof, en dan is niet in te zien, hoe
Christus van te voren kon voldoen, voor hen met wie Hij eerst één wordt
door het geloof, dan loopen wedergeboorte en geloof gevaar, haar
ethisch karakter te verliezen, wordt het zwaartepunt uit den Christus
in den Christen verlegd, en komen de weldaden des verbonds eerst tot
stand na en door het geloof. Eindelijk, het realisme verdedigt wel een
uitnemend belang, n.l. de eenheid van het menschelijk geslacht, maar
het verliest daarbij een ander belang uit het oog, dat van niet minder
gewicht is, n.l. de zelfstandigheid der persoonlijkheid. Een mensch is
lid van het geheel, zeer zeker, maar hij bekleedt in dat geheel toch ook
eene eigene plaats; hij is meer dan een golf in den oceaan, meer dan
een voorbijgaande verschijningsvorm der algemeene menschelijke natuur.
Vroeger, deel II 551v., is daarom reeds opgemerkt, dat de relatiën,
waarin de menschen tot elkander staan, onderscheiden zijn van die, welke
onder de engelen en onder de dieren worden gevonden; want aan beide
verwant, is hij toch ook van beide verschillend; hij is een schepsel met
een eigen aard. En daarom is physische eenheid bij hem niet voldoende;
er komt nog eene andere, eene ethische, foederale bij. Cf. tegen Shedd,
die een sterk voorstander van het realisme is, Dogm. Theol. II p. 6
etc., ook Arch. Alex. Hodge, The atonement, Philad. Presb. Board of
Publication z.j. p. 99 etc.
Zoodra men in de christelijke kerk over het verband van Adams en onze
zonde ernstig begon na te denken, had men aan de physische eenheid
niet genoeg. Shedd beweert wel, dat Augustinus, de scholastici, de
oudste Geref. theologen allen realist waren, t. a. p. II 37. Maar
dit is onjuist; de leer van het verbond was niet uitgewerkt, maar
de gedachte komt al bij de kerkvaders en de Middeleeuwsche theologen
voor, cf. deel II 549, boven bl. 124 en voorts Schwane, D. G. III
393 f. IV 166 f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 711. Oswald, Relig.
Urgesch. d. Menschheit 165. 167. Scheeben, Dogm. I 500. Pesch, Prael.
III 136 enz. Reeds het eene feit, dat zij bijna allen het creatianisme
huldigden, spreekt genoeg, want een creatianist kan geen realist
zijn. Het foederalisme sluit daarom de waarheid niet uit, die in het
realisme verborgen ligt; integendeel het aanvaardt die ten volle; het
gaat ervan uit maar het blijft er niet bij staan; het erkent eene unitas
naturae, cui unitas foederalis est innixa. In de menschheid treffen
wij allerlei vormen van gemeenschap aan, die volstrekt niet alleen en
zelfs niet hoofdzakelijk op physische afstamming, maar op eene andere,
hoogere, zedelijke eenheid berusten. Er zijn „zedelijke lichamen”,
gezin, familie, maatschappij, volk, staat, kerk, en vereenigingen en
genootschappen van allerlei aard en voor allerlei doel, die een eigen
leven leiden, aan bijzondere wetten onderworpen zijn, in het bijzonder
ook aan de wet, welke Paulus formuleert, als hij zegt: και εἰτε πασχει
ἑν μελος, συμπασχει παντα τα μελη, εἰτε δοξαζεται μελος, συγχαιρει
παντα τα μελη, I Cor. 12:26. Al de leden van zulk een lichaam kunnen
voor elkander ten zegen zijn of ten vloek, en dat te meer, naarmate
zij zelve uitnemender zijn en eene gewichtiger plaats in het organisme
bekleeden. Een vader, moeder, voogd, verzorger, onderwijzer, leeraar,
patroon, gids, vorst, koning enz. hebben den grootsten invloed op
degenen, over wie zij gesteld zijn. Hun leven en handelen beslist over
het lot hunner onderhoorigen, heft hen op en brengt hen tot eere of
stort hen neer en sleept hen mede ten verderve. Het gezin van een
dronkaard wordt verwoest en met schande beladen om de zonde van den
vader. De familie van een misdadiger wordt in wijden kring en gedurende
langen tijd met dezen gerekend en veroordeeld. Eene gemeente kwijnt onder
de trouweloosheid van haar leeraar. Een volk gaat te gronde om de
dwaasheid van zijn vorst. Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi.
Er is tusschen de menschen eene solidariteit in het goede en in het
kwade; eene gemeenschap aan zegeningen en aan oordeelen. Wij staan op
de schouders der voorgeslachten en erven hetgeen zij aan stoffelijk en
geestelijk kapitaal hebben saamgegaard; wij gaan tot hunnen arbeid in,
rusten op hunne lauweren, genieten van hetgeen zij menigmaal door
strijd en lijden hebben verkregen. Dat alles ontvangen wij onverdiend,
zonder erom gevraagd te hebben, het ligt alles bij onze geboorte gereed,
het wordt ons geschonken uit genade. Niemand, die daartegen bezwaar
heeft en tegen deze wet in verzet komt. Maar als diezelfde wet nu ook
in het kwade gaat heerschen en ons deelgenooten maakt aan de zonde
en het lijden van anderen, dan komt het gemoed in opstand en wordt de
wet van onrecht aangeklaagd. De zoon, die de erfenis van zijn vader
aanvaardt, weigert de schuld van zijn vader te betalen. Zoo klaagden de
Israelieten ook in de dagen van Ezechiel. Er gold in het O. T. eene
wet der solidariteit, Gen. 9:25, Ex. 20:5, Num. 14:33, 16:32, Jos.
7:24, 25, 1 Sam. 15:2, 3, 2 Sam. 12:10, 21:1v., 1 Kon. 21:21, 23,
Jes. 6:5, Jer. 32:18, Klaagl. 3:40v., 5:7 Ezr. 9:6, Mt. 23:35, 27:25.
Maar als Israel in zijne vermeende gerechtigheid daarover klaagt, laat
de Heere door den profeet verkondigen, niet wat Hij rechtvaardig kan
doen, maar wat Hij zal doen, als Israel zich bekeert en den weg der
vaderen niet bewandelt. Er is eene solidariteit van zonde en lijden,
maar God laat het toe en schenkt de kracht menigmaal, om die zedelijke
gemeenschap te breken en zelf de aanvang te worden van een geslacht,
dat wandelt in de vreeze des Heeren en zijne gunst geniet. Maar daardoor
wordt de solidariteit zelve zoo weinig opgeheven, dat zij er veeleer
door bevestigd wordt. Christus heeft nog op andere en betere wijze de
waarheid der solidariteit van het menschelijk geslacht bewezen dan Adam.
Indien deze solidariteit ook verbroken kon worden, zou niet alleen alle
mede-lijden, maar ook alle liefde, vriendschap, voorbede enz. ophouden
te bestaan; de menschheid viel in levenlooze atomen uiteen; er ware
geen mysterie, geen mystiek, geen menschelijk leven meer. Toch is het
waar, wat Shedd beweert, Dogm. Theol. II 187, dat deze solidariteit des
lijdens nog niet de toerekening van Adams zonde aan al zijne nakomelingen
verklaart; om de zonde van een ander te lijden is niet hetzelfde als om
de zonde van een ander gestraft en dus ook zelf als dader van die zonde
beschouwd te worden; er is lijden zonder persoonlijke overtreding, Luk.
13:1-5, Joh. 9:3. Maar deze solidariteit, die wij dagelijks zien, slaat
ons toch het argument uit de hand, om God van onrecht aan te klagen,
als Hij in Adams straf de gansche menschheid deelen doet. Zoo handelt
Hij toch ieder oogenblik, beide in zegeningen en in gerichten. Indien
zulk eene handelwijze met zijne gerechtigheid bestaanbaar is, dan is dit
en moet dit ook het geval zijn bij Adams overtreding. Maar daar komt
nog bij, dat er eene bijzondere reden is, waarom de bovengenoemde wet
der solidariteit in het geval van Adam niet geheel en al opgaat noch
ook zelfs op kan gaan. De wet der solidariteit verklaart het werk- en
het genadeverbond niet, maar is er op gebouwd en wijst er henen terug.
Zij heerscht altijd binnen engere kringen dan door de menschheid zelve
gevormd wordt. Hoe groot de zegen of vloek van ouders en voogden,
van wijsgeeren en kunstenaars, van godsdienststichters en hervormers,
van vorsten en veroveraars enz. ook moge geweest zijn; er waren toch
altijd „omstandigheden” van plaats, tijd, land, volk, taal enz., die er
perk en paal aan stelden; de kring, waarin hun invloed heerschte, was
altijd door andere en grootere omsloten. Slechts twee menschen zijn er
geweest, wier leven en werken zich uitgestrekt heeft tot de grenzen
der menschheid zelve, wier invloed en heerschappij doorwerkt tot aan de
einden der aarde en tot in eeuwigheid toe. Het zijn Adam en Christus;
de eerste bracht de zonde en den dood, de tweede de gerechtigheid en
het leven in de wereld. Uit deze gansch exceptioneele plaats, door Adam
en Christus ingenomen, volgt, dat zij alleen met elkander te vergelijken
zijn, en dat alle andere verhoudingen, aan kringen binnen de menschheid
ontleend, wel tot opheldering kunnen dienen en van groote waarde zijn,
maar toch slechts analogie bieden en geen identiteit. Dat wil zeggen,
dat Adam en Christus beiden onder eene gansch bijzondere ordinantie
Gods zijn gesteld, juist met het oog op de bijzondere plaats, die zij in
de menschheid innemen. Als een vader zijn gezin, een vorst zijn volk,
een wijsgeer zijne leerlingen, een patroon zijne arbeiders met zich in de
ellende stort, dan kunnen wij achter hunne personen teruggaan en in de
solidariteit, die binnen de menschheid en hare verschillende kringen
heerscht, tot op zekere hoogte eene verklaring en bevrediging vinden.
Maar alzoo kunnen wij bij Adam en Christus niet doen. Zij hebben de
menschheid niet achter maar vóór zich; zij komen er niet uit voort maar
brengen haar tot stand; zij worden niet door haar gedragen maar dragen
haar zelven; zij zijn geen product maar, ieder op zijne wijze, aanvang en
wortel der menschheid, caput totius generis humani; zij worden niet
door de wet der solidariteit verklaard maar verklaren deze alleen
door zichzelven; zij onderstellen niet, zij constitueeren het organisme
der menschheid. Indien de menschheid werkelijk beide in physischen en
in ethischen zin eene eenheid zou blijven, gelijk ze bestemd was te zijn;
indien er dus werkelijk in die menschheid niet alleen gemeenschap des
bloeds, gelijk bij de dieren, maar op dien grondslag ook gemeenschap van
alle stoffelijke, zedelijke, geestelijke goederen zou bestaan; dan was
dat niet anders tot stand te brengen en in stand te houden, dan door
in éénen allen te oordeelen. Zooals het met hen ging, zou het gaan met
heel het menschelijk geslacht. Indien Adam viel, viel de menschheid;
indien Christus staande bleef, werd in hem de menschheid opgericht.
Werk- en genadeverbond zijn de vormen, waardoor het organisme der
menschheid ook in religieusen en ethischen zin gehandhaafd wordt. Omdat
het Gode niet om enkele individuen maar om de menschheid te doen is
als zijn beeld en gelijkenis, daarom moest zij vallen in éénen en ook in
éénen worden opgericht. Zoo is de ordinantie, zoo het oordeel Gods.
Hij verklaart in éénen allen schuldig en daarom wordt de menschheid
onrein en stervende uit Adam geboren; Hij verklaart in éénen allen
rechtvaardig, en daarom wordt diezelfde menschheid uit Christus
herboren en ten eeuwigen leven geheiligd. God heeft hen allen onder
de gehoorzaamheid besloten opdat Hij hun allen zoude barmhartig zijn.
Turretinus, Theol. El. IX 9. A. A. Hodge, The atonement p. 78-121. Ch.
Hodge, Syst. Theol. II 192. Princeton Theol. Essays 1846 p. 128-194.
Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 704 f. Thomasius, Christi Person u.
Werk I³ 211. E. Bersier, La solidarité. Paris 1870. Vercueil, Etude sur
la solidarité dans le Christianisme d’après St. Paul, Montauban 1894.
7. Gevolg van het peccatum originans is het peccatum originatum.
Omdat allen in Adam als zondaren gerekend worden, worden zij ook
allen uit hem in zondigen toestand geboren. De erfsmet is eene straf
voor de erfschuld. Onder dit gezichtspunt is de erfzonde het eerst
beschouwd door Augustinus, wat een krachtig protest uitlokte van de
zijde der Pelagianen, cf. August., c. Jul. V 3, evenals later van de
Remonstanten, Apol. Conf. VII 4. Maar de Schrift spreekt menigmaal in
dien geest en ziet in volgende zonden eene straf voor de vorige, 2 Sam.
12:11, 12, 1 Kon. 11:11-31, 22:30, Jes. 6:9, 10, 7:17, 10:5-7, 14:3,
Jer 50:6-8, Rom. 1:24-28, 2 Thess. 2:11, 12 enz. Ook de zonden staan
onder Gods bestuur; de wetten en ordinantiën, die voor het leven der
zonde gelden, zijn door God vastgesteld en worden door hem gehandhaafd.
En onder die wetten is ook deze: Das eben ist der Fluch der bösen That,
dass sie fortwährend Böses muss gebähren. De zonde heeft die natuur,
dat zij den zondaar hoe langer hoe meer verdwaast en verhardt, steeds
vaster in haar strikken verwart en steeds sneller langs een hellend
vlak in den afgrond vallen doet. Het is waar, dat zonde op zichzelve
beschouwd nooit straf der zonde kan zijn, want beide verschillen
wezenlijk en staan tegenover elkaar; zonde komt op uit den wil en
straf ondergaat iemand tegen zijn wil; zonde is overtreding, straf
is handhaving der wet; straf heeft God tot auteur maar zonde niet.
Maar toch mag volgende zonde eene straf der vorige heeten, wijl zij den
zondaar nog verder van God verwijdert, ellendiger maakt en aan allerlei
begeerlijkheid en hartstocht, angst en wroeging overgeeft, Lombardus,
Sent. II dist. 36. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87 art. 2, qu. 75 art. 4.
qu. 84 art. 1-4. Gerhard, Loc. VI c. 10 n. 140. Turretinus, Theol. El.
IX 15. Spanheim, Op. III 1268-1270. Moor III 332-335. Schleiermacher,
Chr. Gl. § 71, 2. Müller, Sünde II 589 f. Frank, Chr. Wahrh. I 489.
Christ, Die sittl. Weltordnung S. 59. Naar deze wet is bij Adam en al
zijne nakomelingen op de zondige daad een zondige toestand gevolgd. De
Pelagianen stellen het zoo voor, dat eene of andere wilsdaad hoegenaamd
geen gevolgen nalaat; de wil, die het eene oogenblik het kwade deed,
kan terstond daarop, indien het hem lust, weer het goede doen; de
wil heeft en krijgt bij hen nooit eene zekere natuur, een bepaald
karakter, hij is en blijft neutraal, indifferent, zonder innerlijke
neiging, altijd tusschen tegengestelde dingen in geplaatst en met
onberekenbare willekeur nu eens naar den eenen, dan naar den anderen
kant zich richtende. Maar zulk eene voorstelling vindt weerspraak van
alle zijden. Er had bij Adam en Eva, toen zij Gods gebod overtraden,
eene groote zedelijke verandering plaats; schaamte en vreeze voor God
maakte zich van hen meester; de rust, de vrede, de onschuld was weg,
zij verbergden zich voor God in het geboomte des hofs; zij wierpen de
schuld op elkaar; Kain maakte zich schuldig aan broedermoord; en
straks zag de Heere, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op
de aarde, dat al het gedichtsel der gedachten zijns harten boos was van
der jeugd aan. Bij Adams overtreding neemt eene ontzettende degeneratie
van het menschelijk geslacht haar aanvang. Wij staan hier voor eene
schrikkelijke werkelijkheid, waarvan de verklaring ons ontgaat. Hoe is
het mogelijk, dat ééne enkele zondige daad zulke ontzettende gevolgen
had en een radikalen omkeer bracht in heel de menschelijke natuur? In
het algemeen kan opgemerkt, dat de verhouding tusschen eene daad en
hare gevolgen ons telkens in het leven zeer onevenredig voorkomt. Eén
uur van onbedachtzaamheid kan maken dat men jaren schreit. Eéne kleine
vergissing, een enkele misstap geeft aan het leven van vele menschen
eene geheel andere richting; kleine onbeteekenende voorvallen werken
tot in geslachten door; van een zoogenaamd toeval hangt menigmaal
ons geluk of ongeluk af. De ééne overtreding van Adam bracht een
algeheele verandering in de overleggingen, gezindheden en neigingen
zijner natuur. Immers, de ervaring leert, dat alwat een mensch doet,
in meerder of minder mate op hemzelf terugwerkt en een spoor in zijn
karakter achterlaat. In den grond der zaak is niets onverschillig en
niets gaat spoorloos aan ons voorbij. Elke wilsdaad, opkomende uit
voorafgaande neigingen en begeerten, werkt op deze terug en versterkt
ze. Iedere zonde kan op die wijze tot eene hebbelijkheid, eene neiging,
een hartstocht worden, die over den mensch heerscht als een tiran.
Een mensch is zoo veranderlijk, zoo vormen plooibaar; hij schikt zich
naar alle gelegenheden, hij past zich aan bij elk milieu, hij went aan
alles en gaat overal naar staan. Wie de zonde doet, wordt terstond een
dienstknecht der zonde. Eene misdaad, een leugen, een diefstal, een
moord is nooit voorbij met het oogenblik, waarin zij gepleegd worden. De
ongehoorzaamheid van Adam heeft heel zijne natuur veranderd. Bovendien,
zijne overtreding had niet alleen eene uit- maar ook eene inwendige
zijde. Het is niet zoo, dat de zondige daad van Adam, bestaande in
het eten der verboden vrucht, eensklaps geschiedde zonder eenige
voorbereiding en eerst daarna allerlei zedelijke veranderingen in zijne
natuur ten gevolge had. Op die wijze staan bij Adam schuld en smet niet
tot elkaar in verband. De daad van het eten was zelve reeds openbaring
van eene geheele zedelijke verandering, die er in het binnenste had
plaats gehad. Strikt genomen was zij niet de eerste zonde maar de
eerste voldragen zonde in den zin van Jak. 1:15. Aan de zondige daad
gingen zondige overleggingen des verstands (twijfel, ongeloof) en
zondige neigingen des harten (begeerlijkheid, hoogmoed) vooraf, welke
haar aanleiding hadden in de verzoeking der slang en gekweekt werden
door den wil van den mensch. Zoowel vóór als onder en na het eten van
den verboden boom werd ’s menschen verhouding tot God en zijne wet
veranderd. Hij werd, niet eerst het eene en daarna het andere, maar
tegelijkertijd en in verband met elkaar beide schuldig en onrein voor
het aangezicht van zijn Maker. Schuld en smet zijn beide gelijktijdige
gevolgen der ééne en zelfde zonde, twee zijden van dezelfde zaak.
Eindelijk, de verandering, die bij Adam intrad, bestond niet daarin, dat
er eenig zondig beginsel in hem ingeplant of eenig bestanddeel van
zijn wezen, van zijn ziel of lichaam, van zijne vermogens of krachten
hem ontnomen werd. Maar zij bestond hierin, dat de mensch door zijn
twijfel en ongeloof, door zijn hoogmoed en begeerlijkheid en eindelijk
door de zondige daad zelve steeds meer van God en van zijne wet zich
losmaakte, zich buiten zijne gunst en gemeenschap stelde en al zijne
gaven en krachten juist tegen God en zijn gebod gebruiken ging. En dan
als dit geschiedt, als de mensch buiten Gods gemeenschap en buiten
Gods wet zich stelt, dan treedt de zondige toestand vanzelf in, zooals
de duisternis intreedt wanneer het licht verdwijnt. Fieri nequit quin
maxime sese amet creatura, quam non absorpserit amor Dei (Melanchton).
De mensch, zich onttrekkende aan de gemeenschap Gods, in welke hij
geschapen werd, is niet anders denkbaar dan als een zondaar, schuldig
en verdorven voor zijn aangezicht.
Diezelfde religieuse en ethische verandering, welke bij Adam plaatsgreep
onder en bij zijn val, is ook het deel van al zijne nakomelingen.
Dezen worden allen in dienzelfden zedelijken toestand geboren als
waarin Adam viel door zijne overtreding. Dit feit is haast voor geen
ontkenning vatbaar. De Schrift leert het niet alleen maar ervaring en
geschiedenis bewijzen het dag aan dag. Indien iets zeker is, dan is
het wel dit, dat menschen niet als rechtvaardigen en heiligen maar
als zondaren ontvangen en geboren worden. Dat wijst erop, dat zij ééne
schuld met Adam gemeen hebben, want schuld en smet gaan in de zonde
altijd samen. Gelijk het bij Adam niet alzoo is toegegaan, dat hij eerst
de zondige daad bedreef, daardoor schuld op zich laadde en ten gevolge
daarvan nu ook zedelijk onrein en verdorven werd, zoo komen ook zijne
nakomelingen niet als het ware met eene dubbele schuld ter wereld,
eerst met die van Adams overtreding en daarna nog met die van hunne
zedelijke verdorvenheid. Want deze zedelijke verdorvenheid is niet een
later bijkomend, uitwendig toevoegsel en niet een toevallig gevolg van
de eerste overtreding, maar in deze een wezenlijk element en daarvan
niet te scheiden. Gelijk Adam door zijne overtreding tegelijkertijd en in
dezelfde mate zich schuldig maakte en onrein werd, zoo zijn ook bij zijne
nakomelingen het schuldig staan in hem en het onrein uit hem geboren
worden twee zijden van dezelfde zaak, Edwards, Works II 482. Shedd,
Dogm. Theol. II 170. Onjuist is het, daaruit met Edwards af te leiden,
dat de smet aan de schuld voorafgaat. Er is hier geen vóór en geen na.
De onreinheid, waarin alle menschen geboren worden is de keerzijde van
de schuld dier overtreding, die door Adam als caput foederale begaan
werd. Schuld, smet, dood staan bij Adams nakomelingen in dezelfde
verhouding als bij hemzelven en zijn zoo, in dat onderling verband, tot
allen doorgegaan.