haalde hij een revolver voor den dag.
Doodelijk verschrikt leunde mrs. Hopson tegen Raffles aan.
Met starre oogen keek zij naar het struikgewas.
Plotseling week dit opnieuw, een donkere schaduw trad te voorschijn,
die als een tijger mrs. Hopson naar de keel vloog.
Zij viel bewusteloos neer.
Raffles intusschen boog zich voorover en fluisterde:
„Uitstekend gedaan, Charly. Ga nu onopgemerkt naar huis terug.”
Hij boog zich nu over mrs. Hopson, maakte den collier met smaragden
voorzichtig los en liet hem in zijn zak glijden.
Het duurde eenige oogenblikken voordat mrs. Hopson, die aan zijn hals
hing, weer bij kwam.
„Wees kalm,” fluisterde hij, „de dief is gevlucht.”
Hij bracht haar terug naar het terras van de villa.
Uitgeput zonk zij daar in een stoel neer onder het voortdurend
uitroepen van:
„Een dief, een dief!”
Raffles vertelde, wat er gebeurd was en hoe de dief was ontvlucht.
„Waar is uw ketting?” vroeg mrs. Whitney.
„Mijn ketting?”
Met bevende handen greep mrs. Hopson naar haar hals.
„De ketting is verdwenen—gestolen ongetwijfeld,” riep Raffles
verschrikt uit, „het is den dief gelukt, mrs. Hopson het kostbare stuk
te ontrukken.”
Met wijdopengesperde oogen beaamde mrs. Hopson alles wat Raffles
vertelde.
Mr. Whitney liet zijn gansche dienstpersoneel terstond het geheele park
doorzoeken.
Maar van den raadselachtigen onbekende was niets meer te ontdekken dan
een achtergelaten hoed. Dezen vonden de bedienden bij den uitgang van
het park en in den hoed was een naam geschreven:
Oskar Wagner.
Mr. Whitney nam den hoed en zei:
„Ik zal dadelijk morgen het hoofdbureau van politie in kennis stellen.
Die Oskar Wagner moet stellig worden gevonden.”
Raffles echter zat een uur later in zijn stoel voor den schoorsteen en
toonde Charly Brand den door hem veroverden ketting van mrs. Hopson.
Hij was volstrekt niet de meening toegedaan, dat iemand den ketting
weer aan de dame moest terugbrengen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE MAN ZONDER HOED.
Den volgenden morgen brachten de kranten als laatste sensatienieuws het
bericht over den roof der kostbare smaragden van mrs. Hopson.
De „New-York Herald” sprak zelfs als haar meening uit, dat de diefstal
van het kostbare sieraad op de rekening van Raffles kon worden
geschoven, die zich, naar alle waarschijnlijkheid, in Amerika bevond.
Dit krantenartikel bracht de politie te New-York in groote opschudding,
evenals inspecteur Baxter, alias Oxford.
Baxter was dadelijk van meening, dat het Raffles was, die de sieraden
had gestolen.
„Raffles gaat hier ook aan ’t werk,” zei hij tot „de vloo”. „Hij heeft
alweer een van zijn stukjes uitgehaald.”
„De vloo” dacht eens na en las nog eens het artikel.
Ook hij kwam tot de overtuiging dat het inderdaad Raffles moest zijn,
die bij mrs. Hopson de kostbare smaragden had gestolen.
Zij gingen nu dadelijk op weg naar de villa naar mr. Whitney en merkten
niet op, dat zij door de beide detectives werden gevolgd.
In denzelfden tijd was ook Pinkerton met mr. Tancred op weg getogen
naar de villa en kwam daar twee uur vroeger aan dan Baxter alias
Oxford.
Dienzelfden morgen waren mr. Whitney en mr. Green op jacht gegaan.
Lord Lister had zijn assistent Charly Brand de opdracht gegeven om met
het kleine handkoffertje naar New-York terug te keeren en daar in het
Cliftonhotel, onder den naam van Schulz intrek te nemen en te wachten
op zijn terugkeer.
In dezen koffer nam Charly Brand de smaragden van mrs. Hopson mee.
Toen Pinkerton en detective Tancred tegen elf uur in de villa kwamen,
waren mr. Whitney en mr. Green afwezig.
Mrs. Hopson ontving de beide heeren en vertelde hen, hoe een man uit
het struikgewas op haar en mr. Green was toegesprongen. Den laatste had
hij met een vuistslag neergeveld. Haar had hij bijna geworgd en toen de
smaragden ontroofd.
Pinkerton verzocht haar, hem het struikgewas te wijzen om nog sporen
van de vechtpartij te kunnen ontdekken. Zij was dadelijk bereid en
vertelde ook nog, dat de aanrander tijdens de worsteling zijn hoed
verloren had.
„Dat is van groot belang,” beweerde Pinkerton, „waar is de hoed?”
„Dien heeft mr. Whitney meegenomen.”
„Dan zullen we hem opzoeken.”
„Ik zal hem dadelijk laten roepen,” antwoordde mrs. Hopson.
Op haar schellen verscheen een bediende, die vertelde, dat mr. Whitney
des morgens vroeg al met verscheiden heeren op jacht was gegaan.
„Kunt gij ons misschien ook helpen?” vroeg Pinkerton, „weet ge ook,
waar de hoed is, dien de dief heeft verloren?”
„Dien heeft mr. Whitney in zijn brandkast gesloten!”
„Allemachtig! Dan is hij voor ons dus onbereikbaar! Kunt ge ons ook
zeggen, hoe we mr. Whitney kunnen bereiken?”
„Onmogelijk! Mr. Whitney gaat steeds in afgelegen streken ter jacht en
niemand van ons weet, waar hij heengaat.”
„Heeft mr. Whitney gezegd, wanneer hij terugkomt?”
„Ook daarvan kan ik u niets zeggen!”
„Goed!” zeide Pinkerton.
Toen wendde hij zich tot mrs. Hopson.
„Wilt ge zoo goed zijn, ons naar het park te vergezellen?”
De dame ging met de beide heeren naar buiten.
Bij het struikgewas lieten de heeren zich toen nog eens de toedracht
van het gebeurde vertellen en wederom fantaseerde mrs. Hopson hevig.
Het tweetal ging toen de sporen na van den vluchteling, die duidelijk
zichtbaar waren in den weeken bodem.
„Dat is niet de afdruk van den laars van een gentleman,” zei detective
Tancred en wees op een spoor op den grond. „Dat is een heel gewone
Amerikaansche schoenafdruk.”
Mr. Pinkerton bekeek ook het spoor en volgde het eenige meters ver; ook
hij kwam tot de overtuiging, dat hier een heel gewoon man aan het werk
was geweest.
„De vluchteling moet volgens mijn idée een vreemdeling zijn,” beweerde
Tancred.
„Hoezoo?”
„Omdat de zolen van den vluchteling met spijkers beslagen zijn, juist
als de militaire schoen van een Duitsch of Engelsch soldaat.”
„Maar de Engelsche soldatenschoen heeft een heel anderen vorm! Deze
hier moet een Duitscher zijn en wel een Duitscher, die nog niet lang in
het land is, want hij draagt nog de meegebrachte schoenen. Willen we
het spoor verder volgen?”
„Zeker!” antwoordde Pinkerton, „en wij willen van mrs. Hopson afscheid
nemen.”
De heeren deden aldus en verdwenen toen in het park.
In een grooten kring leidden de sporen om een landhuis naar een
rotsachtige plek en slechts met groote moeite konden zij op den harden
bodem verdere sporen herkennen. Eindelijk voerden de sporen weer naar
het landgoed van mr. Whitney terug.
Toen de detectives dit zagen, besloten zij nog eens de villa te
doorzoeken.
Bijna vijf uur waren zij aan het werk geweest. In dien tijd waren ook
Baxter en „de vloo” op de villa aangekomen en hadden zich bij mrs.
Hopson laten aandienen.
Deze dame was door het gebeurde zeer ontdaan en vermoeid en liet mr.
Oxford weten, dat zij geen bezoek meer kon ontvangen.
De inspecteur had zich bij den bediende als reporter voorgedaan, maar
het gelukte hem niet den bediende uit te hooren, die bevel had gekregen
om niemand eenige inlichtingen omtrent mr. Green te geven.
Onverrichterzake moesten zij naar New-York terugkeeren en wederom
volgden hen de detectives zonder te vermoeden, dat hun chef zelf op de
villa aanwezig was.
Op hetzelfde oogenblik dat zij in den trein naar New-York wilden
stappen kwam een man zonder hoed uit het station en stapte in
denzelfden coupé als waarin de beide detectives hadden plaats genomen.
De man was klaarblijkelijk zeer opgewonden en den beiden detectives
viel het op, dat hij een valschen baard droeg.
De linkerhelft van zijn aangekleefden baard was losgeraakt en hing naar
beneden.
Dadelijk vermoedden de detectives, een misdadiger voor zich te hebben
en begonnen zij een gesprek met hem.
Een der detective zei:
„Zeg eens, neem je valschen baard af en plak hem wat beter vast!”
Verschrikt keek de aangesprokene den detective aan.
Toen lachte hij met breeden grijns en hij antwoordde:
„Kent ge mij niet? Is mijn vermomming met die grauwe bakkebaardjes zoo
goed?”
De beide politie-agenten. lachten nu ook hartelijk. Zij herkenden hun
collega Wagner en gaven hem de hand.
Wagner was er trotsch op, niet door hen herkend te zijn.
„Waar kom jij vandaan?” vroegen ze hem beide tegelijk.
„Ik was hier met een speciale opdracht en ga nu naar New-York terug.”
„Zonder hoed?”
„Ja. Ik heb hem verloren. Maar wat doen jullie hier?”
De detectives wissel den een blik van verstandhouding. Hun collega
mocht niet weten dat zij jacht maakten op Raffles. Zij waren niet van
plan, de belooning met Wagner te deelen en bovendien kon deze onhandige
man hun de heele zaak bederven.
„Ik heb hier in de buurt een hoenderpark bezocht, wat ik koopen. wil,”
zei een der detectives en toen begon hij uit te weiden over de
voordeelen van een hoenderpark.
Aan het station te New-York verlieten zij Wagner en volgden opnieuw mr.
Oxford en diens geleider, die naar hun boardinghouse terugkeerden.
Intusschen hadden Pinkerton en Tancred de villa van boven tot beneden
tevergeefs doorzocht.
Eindelijk hoorden ze van een arbeider, dat eenige uren geleden een man
zonder hoed in volle vaart naar het station was geloopen.
„Dat is hij!” riep Pinkerton, „alle duivels, nu is hij ons toch
ontsnapt. Maar we zijn hem op het spoor.”
Vlug ging hij naar het station en vernam daar aan het loket, dat een
man zonder hoed een kaartje naar New-York had genomen en met den trein
was vertrokken.
„Kunt ge ons dien man beschrijven?” vroeg Pinkerton, nadat de heeren
zich hadden voorgesteld.
„Zeker,” zei de beambte, „hij had een vol gelaat en had, voor zoover ik
mij herinneren kan, eenigszins grijzende bakkebaardjes.
„Dan hebben we hem,” zei Tancred, „dat is toch signalement, dat ik van
hem gaf?”
„Zeker!”
Noch hij noch Tancred konden vermoeden, dat Wagner zich aldus had
vermomd.
Zij moesten nog een half uur wachten, voordat de trein vertrok.
Intusschen telefoneerde de chef naar zijn bureau en liet vragen bij de
detectives, die het station bewaakten, of deze een man zonder hoed met
grijze bakkebaarden en snor hadden gezien.
Men telefoneerde hem een bevestigend antwoord en voegden erbij, dat
twee agenten hem achtervolgden.
Pinkerton lachte tevreden.
„Het toeval is ons gunstig, mr. Tancred”, zei hij tot dezen, „twee van
mijn beste agenten volgen den gezochte reeds. Dank zij uw signalement
hebben wij den dief herkend. Ontkomen is dus voor hem onmogelijk.”
Geheel gerust gesteld ging hij nu naar New-York terug en vond daar
Wagner op zijn bureau.
Deze had zijn valschen baard reeds afgedaan en vertelde nu zijn chef,
dat mr. Whitney en mr. Green op jacht waren en hij daarom naar New-York
was teruggekeerd.
Dat hij zich onhandig had gedragen tijdens de opdracht om mr. Green te
beschermen, vertelde hij niet, evenmin, dat hij daarom naar New-York
was gevlucht. Van den smaragdendiefstal had hij nog niets gehoord.
Toen Pinkerton hem over deze zaak sprak, trok Wagner eerst een heel
verbluft gelaat. Om echter zijn onwetendheid niet te laten blijken,
deed hij, alsof hij volkomen op de hoogte was en bevestigde hij alles,
wat mrs. Hopson van den aanval had meegedeeld.
Toen hij alleen was, brak hem het angstzweet uit.
Nu eerst zag hij in, dat hij op zich zelf den schijn had geladen als
aanrander.
In hetzelfde oogenblik dat mr. Whitney den verloren hoed aan mr.
Pinkerton zou overhandigen, zou ieder hem voor den dief houden.
Zijn knieën knikten als hij er aan dacht in welk een netelige positie
hij zich had gebracht. En hij kwam tot de overtuiging, dat het voor hem
maar geraden was, Amerika zoo gauw mogelijk te verlaten.
Als die hoed, waarin zijn naam bovendien nog stond er niet was, zou hij
er niet zoo slecht aan toe zijn. Nu echter zou hij door iederen rechter
veroordeeld worden. Hij verwenschte zijn besluit detective te zijn
geworden en zijn land te hebben verlaten.
Pinkerton kwam nogmaals bij hem en vroeg:
„Hebt ge op de villa bij mr. Whitney geen man met grijze bakkebaarden
gezien?”
„Neen,” loog Wagner, „ik heb zoo’n persoon niet gezien.”
„Dat doet er ook niet toe. Wij zijn hem toch al op het spoor.”
Wagner dacht er bij zichzelve over, wie wel die ander met bakkebaarden
kon zijn en hij kwam tot de overtuiging, dat hij een dubbelganger moest
hebben.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT.
Drie maanden waren verstreken, toen Raffles met mr. Whitney van de
jacht naar New-York terugkeerde.
Hij zocht dadelijk zijn vriend Charly Brand op en verbaasde zich ten
zeerste over diens ziekelijk uiterlijk.
„De New-Yorker lucht schijnt je niet al te goed te bekomen, m’n
jongen!”
„Dat stem ik toe,” antwoordde Charly Brand, „en ik ben blij, dat je
weer bij me bent. Ik ben erg zenuwachtig geweest en durfde feitelijk
dit huis niet te verlaten.”
„Ben je dan al dien tijd niet uit geweest?”
„Neen.”
„Je bent een groote dwaas. Begrijp je dan niet, dat je de aandacht
trekt, door voortdurend thuis te blijven? Ik kom juist van Tiffany en
kan je meedeelen dat we morgen vroeg per stoomboot New-York verlaten en
naar Napels gaan. De zilveren apostel, dien ik voor den paus heb laten
maken, wordt vandaag naar onze stoomboot gebracht. Dat wordt een
interessant werkje, beste kerel.”
„Ik begrijp niet, wat je voor hebt”, antwoordde Charly Brand. „Hoe kom
je er toch bij om den paus een zilveren apostel cadeau te geven?”
Raffles lachte en stak een sigaret op.
Toen zei hij:
„Is er ook iets bijzonders gebeurd? Ik heb namelijk in een heele week
geen krant gelezen. Schrijven de bladen nog altijd over mij?”
„Ik heb alle artikels uitgeknipt. Elken morgen, middag en avond spreken
ze over jou.”
Raffles lachte weer en sprak:
„De krantenartikels over mij zullen op den duur een omvangrijke
bibliotheek uitmaken en als ik dan als oud man in het hoekje van den
haard zit en dat alles lees, zal ik mij op mijn ouden dag nog daarmee
vermaken. De kranten moesten mij feitelijk een groot honorarium geven,
daar ik de beste copy voor hen lever. Is de prijsvraag, waar ik mij
ophoud al opgelost?”
„Tot vanmiddag niet,” antwoordde Charly Brand, „en de bladen schrijven,
dat de beste detectives van Amerika naar je zoeken; dat ook Baxter en
zijn mannetjes uit Londen zijn gekomen en dat een rechercheur uit
Parijs hier aan wal is gestapt!”
„Dan mankeert nog maar alleen iemand uit Berlijn. Misschien ga ik daar
zelf nog voor spelen. Maar maak je nu klaar, dan kan ik je een en ander
van New-York wijzen.”
De heeren verlieten het boardinghouse, nadat Raffles de rekening
betaald had.
„Wij zullen vannacht in een hotel in Hoboken slapen, zoodat we dicht
bij onze boot zijn.”
Charly Brand zorgde voor een cab, waarmee zij naar een groot restaurant
reden.
De vrienden gaven hun bagage aan den portier en gingen dineeren. Toen
zij daarna door de straten van New-York wandelden om een paar entrée’s
voor den schouwburg te koopen, waar zij des avonds heen wilden gaan,
trok Raffles eensklaps Charly Brand bij den arm en nam hem mee in een
naastbijgelegen winkel. Het was een winkel voor dameshoeden. Charly
Brand begreep niet, wat Raffles hier te koopen had. Deze liet zich door
een winkeljuffrouw de nieuwste modellen toonen en nadat hij een half
uur lang gezocht had, zei hij, dat er geen keus voor hem was.
Op straat riep hij weer een cab aan.
„Wat wou je eigenlijk in dien winkel?”
„Ons beiden beschermen tegen politie-inspecteur Baxter. Hij stond vlak
bij ons en naast hem stond de eenige detective van Scotland Yard, die
iets beteekent, namelijk Marholm of „de vloo”. Ze keken gelukkig
allebei den anderen kant op.”
„Zie je wel, dat het van mij maar goed was, dat ik al die weken thuis
ben gebleven?”
„Onzin. Dat was daarstraks louter toeval, jongen!”
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Zoodra Pinkerton hoorde, dat mr. Whitney van de jacht was teruggekomen,
stelde hij Tancred en Wagner daarvan in kennis.
Deze beiden zouden met hem meegaan naar de villa, opdat men dan, met
den hoed van den dief als aanwijzing, verder op onderzoek zou kunnen
uitgaan naar den man, die de smaragden van mrs. Hopson had gestolen.
De Parijsche detective verklaarde zich daartoe terstond bereid, terwijl
Wagner plotseling hoofdpijn voorwendde en zich zóó ziek meldde, dat hij
naar den dokter moest gaan en zijn chef niet kon vergezellen.
Hij haalde verruimd adem, toen de chef alleen met Tancred naar de villa
afreisde.
Zoodra Pinkerton vertrokken was, pakte hij zijn boeltje en keek de
lijst van de vertrekkende booten na. Hij besloot onverwijld New-York te
verlaten en daar den volgenden morgen een boot naar Napels vertrok,
ging hij naar het passagebureau en nam een billet tweede klasse naar
Napels. Toen ging hij naar een klein hotel in Hoboken en huurde er voor
den nacht een kamer.
Hij had niet het geringste vermoeden, dat in de aangrenzende kamer John
C. Raffles en Charly Brand logeerden.
Pinkerton had in de villa van mr. Whitney den hoed gekregen en met
verbazing gemerkt, dat daarin de naam van zijn beschermeling Oskar
Wagner was geschreven.
De zaak kwam hem zonderling en raadselachtig voor. Verscheiden minuten
dacht hij na. Toen zei hij tot den Parijschen detective:
„Kom mee, wij hebben geen minuut tijd te verliezen. Wij hebben een
valsch spoor gevolgd—het spoor van mijn eigen detective. Hij zal ons
wel opheldering kunnen geven. In elk geval is hij niet de dief geweest
van mrs. Hopsons smaragden. Dat kan slechts de geleider van deze dame
geweest zijn. En wie was die geleider?”
Hij keek den Parijschen detective aan en greep hem in de grootste
opgewondenheid bij den arm. — — —— — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
„Mr. Green, uit Schotland,” beantwoordde Pinkerton zich zelf de vraag,
„die raadselachtige mr. Green. En wie is mr. Green, deze man met de
voorname manieren—deze persoon, die zich als hertog van Rochester bij
mr. Whitney heeft ingedrongen? — — —
„Raffles is het. Ik laat mij hangen als het Raffles niet is. O! Ik kan
razend worden, als ik bedenk, hoe ik mij bij den neus heb laten nemen.
Maar gij zijt daaraan voor een groot deel schuld.”
De Parijsche detective haalde de schouders op:
„Ge doet mij daar een zeer onrechtvaardig verwijt en wat gij daar
veronderstelt, is heel gewaagd. Ik beweer, dat ge u vergist en dat
Raffles wel degelijk de man is met de grijze bakkebaardjes, dien ge
door uw detectives laat nagaan.”
„Ik zal u het tegendeel bewijzen op mijn bureau. Ga maar dadelijk mee
naar New-York.”
Pinkerton was zenuwachtig en onrustig. Hij haastte zich zoodra mogelijk
naar New-York terug en stuurde een dringend telegram naar den
hofmaarschalk te Londen om dezen te vragen, waar zich op dit oogenblik
de hertog van Rochester bevond. Tegelijkertijd telegrapheerde hij om
het signalement van den hertog, daar de politie te New-York naar alle
waarschijnlijkheid op een verschrikkelijke manier bij den neus werd
genomen door een oplichter, die zich uitgaf voor den hertog van
Rochester. Toen gaf hij order, dat de beide agenten Harrison en Smith
moesten worden opgespoord, opdat mr. Oxford dadelijk kon worden
gearresteerd. Daarna liet hij naar Wagner informeeren en toen hoorde
hij, dat deze detective zijn boeltje gepakt en zijn kamer verlaten had.
De chef was verbluft.
Hij begreep maar niet, waarom Wagner zoo plotseling er vandoor was
gegaan. Harrison en Smith intusschen waren niet te vinden, maar den
volgenden morgen om tien uur kwam het zoozeer verlangde antwoord per
kabeltelegram. Het luidde:
„Hoofdbureau van politie, New-York. Hertog van Rochester vertoeft
te Londen. Heb hem zoo juist telephonisch gesproken. Signalement
van den hertog: grootte 1.74 meter, figuur: ietwat zwaarlijvig,
gelaat: blozend, haar: blond, ouderdom: 45 jaar.
Bijzonder kenteeken: hinkt op het linker been.”
Met een zegevierend lachje overhandigde Pinkerton dit telegram aan mr.
Tancred. En hij vroeg op langgerekten toon:
„Nu — — —?”
„Ge hebt gelijk,” antwoordde de Parijsche rechercheur, „het signalement
van mr. Green en van den hertog van Rochester komt al heel weinig met
elkander overeen!”
„Het is Raffles!—Raffles is het! De beruchte lord Lister!”
„Verdoemd! De kerel glipt als een aal tusschen de vingers door! Dat
wordt een zwarte bladzijde in mijn loopbaan!”
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Om elf uur des avonds verlieten Raffles en Charly Brand het
Lyceumtheater.
Voordat zij in een cab plaats namen, hoorden zij de jongens schreeuwen:
„Raffles gepakt!”
„Raffles, de dief van de Indische smaragden!”
Een oogenblik bleef lord Lister staan, toen kleefde hij zijn monocle in
het oog en kocht doodkalm een krant.
Charly Brand stond te trillen op zijn beenen. Het tweetal nam nu plaats
in het rijtuig en Raffles beval naar de booten te rijden in de 23ste
straat te Hoboken.
„Jij moet altijd een fleschje cognac bij je hebben, Charly”, zei
Raffles, „je trilt als een juffershondje en bent zoo bang als een
bakvisch.”
„Ik wou, dat wij Amerika nooit gezien hadden”, antwoordde Charly.
Raffles lachte:
„Mij daarentegen bevalt dit land uitstekend. De pers houdt je zoo goed
van alles op de hoogte, ’t Is hier veel makkelijker werken dan in
Europa. Maar luister nu: De kist naar den paus is op de stoomboot
geladen. Als afzender staat er op: mr. Harry Smith uit Chicago. Jij
bent die mr. Smith. Je moet dien naam ook in de passagierslijst zetten.
Mij ken je absoluut niet. Zeg den kellner, dat hij je morgen om acht
uur wekt. Om negen uur vertrekt de trein. En hou je taai, Charly. Tot
weerziens.”
Hij gaf Charly een hand, en verdween in de duisternis van de 23ste
straat.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN WEDREN OM RAFFLES.
Den volgenden morgen schelde Baxter het hoofdbureau op en vroeg den
chef te spreken.
„Als ge den chef wilt spreken”, luidde het antwoord, „moet ge dadelijk
naar Hoboken gaan naar de stoomvaartlijn op Italië. Daar wordt Raffles
gearresteerd.”
„Wat?” riep Baxter terug, „vergist ge u niet?”
„Neen. Wij kregen vanmorgen bericht, dat Raffles door een van de
beambten der stoomvaartmaatschappij herkend is, toen hij een
passagebillet kocht.”
Baxter hing den hoorn weer aan den haak.
„Kom mee,” zei hij tegen Marholm, „we hebben geen seconde tijd te
verliezen. Wij moeten naar Hoboken om Raffles te arresteeren!”
Marholm glimlachtte heel even, maar heel ironisch. Hij geloofde niet
veel van die arrestatie.
Maar hij volgde toch zijn chef, nam met dezen in de auto plaats en reed
naar Hoboken.
In hetzelfde oogenblik gingen ook twee politieagenten naar een auto om
eveneens haar Hoboken te rijden.
Maar daar kwam ook reeds een collega hun tegemoet, die uitriep:
„Mr. Harrison! Mr. Smith! Ik zoek u al sinds gistermiddag in opdracht
van den chef!
„Ge moet terstond mr. Oxford, den man met de grijze bakkebaardjes en
zijn geleider arresteeren!”
„Uitstekend!” zei mr. Harrison, „Houd ons niet op!”
Haastig sprong hij met zijn collega in de auto en moedigde den
chauffeur aan de andere auto in te halen.
De chauffeur reed in het vlugste tempo, maar hij kwam toch nog één
oogenblik te laat aan de boot, die zich juist in beweging zette.
Verscheiden kostbare minuten verstreken.
Zij moesten tien minuten wachten, tot zij met de volgende boot de
vermeende vluchtelingen Baxter en Marholm naar Hoboken konden volgen.
Toevallig kwam een havenstoomboot de pier voorbij.
Mr. Harrison riep den kapitein en legitimeerde zich, waarop deze zich
bereid verklaarde, het tweetal aan boord te nemen en de Ferryboot na te
stoomen.
Door den kijker van den kapitein zag mr. Harrison duidelijk den
vervolgde op de boegspriet staan.
Een half uur later kwamen de beide agenten op de pier aan.
Vlug sprongen zij aan land en zagen, dat de vervolgden zich haastten
naar de boot, die om negen uur zou vertrekken.
Het laatste signaal weerklonk en Baxter maakte beenen.
Maar ook de beide agenten haastten zich en voor Baxter liepen twee
mannen, Pinkerton en Tancred, die eveneens met de boot mee moesten.
Voor dit tweetal snelde Wagner zoo gauw als zijn beenen hem konden
dragen.
Pinkerton herkende zijn detective en riep:
„Blijf staan, mr. Wagner!”
Maar deze woorden verdubbelden Wagner’s haast om de gereed liggende
boot te bereiken. Hij was de stellige meening toegedaan, dat zijn chef
hem kwam arresteeren.
Pinkerton en Tancred waren geen van beiden hardloopers en zoo kwam het,
dat eerst Baxter en Marholm en daarna Harrison en Smith hen voorkwamen.