LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 15 DE ZILVEREN APOSTEL.
DE ZILVEREN APOSTEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN GOEDE VANGST.
In een kleine kamer van het havenhotel te Boulogne sur Mer zaten op een
kouden, regenachtigen Novemberavond lord Lister, alias Raffles, en zijn
assistent, Charly Brand.
Zij waren bezig, hun handkoffers in orde te brengen, daar Raffles van
plan was met de nachtboot van de Holland-Amerika-lijn, de „Amsterdam”,
naar New-York te stoomen.
„Die Amerikanen hebben genoeg bij elkaar gestolen,” zeide hij, tot
Charly Brand, „het wordt tijd, dat ik hun geweten, namelijk hun
geldzakken, eens wat verlicht.”
Om elf uur des avonds kwam de kellner de kamer binnen en meldde, dat de
stoomboot in zicht was.
„Hoe lang duurt het nog, voordat de boot aankomt?” vroeg de Groote
Onbekende.
„Nog ongeveer een uur; dan is ze de haven goed en wel binnengeloopen.
Hebt ge nog iets te bestellen, mr. Green?”
„Neen, dank je!”
De bediende verliet de kamer.
Lord Lister, alias Raffles, had zich in het vreemdelingenboek, onder
den naam van een zekeren mr. James Green uit Schotland ingeschreven en
wilde ook onder dezen naam naar Amerika reizen.
„Wat denk je in New-York uit te voeren?” vroeg Charly Brand in
gespannen aandacht.
„Dat zal de toekomst wel leeren,” antwoordde lord Lister, „het is zoo
mijn gewoonte om nooit vooruit plannen te maken, maar de dingen er
opaan te laten komen.”
„Heb je daarginds misschien kennissen?”
„O, ja,” lachte Raffles, „een uitstekenden kennis. Bij mijn laatste
bezoek in Windsor-club te Londen wisselde ik toevallig mijn pelsjas met
die van den hertog van Rochester. De ruil was aan den eenen kant
slecht, want mijn pels was veel kostbaarder dan de zijne, maar aan den
anderen kant werd ik weer schadeloos gesteld. Ik vond in den binnenzak
een brief van den Amerikaanschen milliardair Whitney, waarin deze den
hertog meedeelt, dat hij gaarne bereid is den ander toe te staan om te
gaan jagen op de velden van mr. Whitney. Uit den brief was te
begrijpen, dat de heeren elkander niet persoonlijk kenden. Voorts vond
ik in de zakken van de pels de kaart van lidmaatschap van den Hertog
van de Windsor-club en verscheiden andere visitekaartjes! Ik ga dus mr.
Whitney opzoeken om, als hertog van Rochester door hem in de voorname
kringen van Amerika te worden geïntroduceerd. Maar, ik zal mr. Whitney
vragen, of hij mijn incognito wil bewaren en mij door hem laten
voorstellen als mr. Green.”
„Een uitstekend idee,” meende Charly Brand, „daar kan wat van worden!”
„Voordat wij afreizen,” vervolgde lord Lister, „wil ik nog een grapje
hebben met de Amerikaansche kranten. Ik zal een stuk of wat
briefkaarten naar de redacties van verscheiden bladen sturen en daarop
meedeelen, dat ik in Amerika zal komen om daar mijn sport te beoefenen,
namelijk millioenen veroveren.”
„Dat lijkt mij gevaarlijk,” meende Charly Brand, „de Amerikanen zijn
slim en je brengt je maar onnoodig in moeilijkheden.”
„Hoe gevaarlijker, hoe beter,” lachte John Raffles,
„’t begon me al te vervelen, zoo zonder een greintje humor.”
Toen ging hij aan een tafel zitten, stak een sigaret op en schreef
verscheiden briefkaarten van den volgenden inhoud aan de redacties van
New-Yorker bladen:
„Zeer geachte Heer Redacteur!
Door dezen heb ik de eer u mee te deelen, dat het mij een groot
genoegen zal doen, eerstdaags een aanslag te ondernemen op de
gevulde geldzakken van de millionnairs in uw stad. Maak dit bericht
alstublieft door middel van uw krant aan uw lezers bekend. Ook zal
ik niet in gebreke blijven, u voortdurend nadere berichten te
zenden omtrent mijn doen en laten.
Hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.”
Daarna stond hij op, maakte zich reisvaardig en verliet het hotel.
Voordat Raffles echter naar de haven ging, liep hij naar het station en
gaf de briefkaarten af in den postwagen van den voor Parijs gereed
staanden sneltrein.
„Waarom geef je die kaarten voor Parijs af?” vroeg Charly Brand
verbaasd, „ik dacht, dat ze voor New-York bestemd waren.”
„Zeker, maar nu komen ze eerst in Parijs en worden daar gestempeld,
voordat ze uit een Fransche haven, waarschijnlijk Le Havre, naar
New-York verzonden worden. Dan is men het rechte spoor al kwijt. Op
dergelijke kleinigheden dient juist bijzonder gelet, want juist
daarover struikelen meestal de grootste mannen.”
Even later ging het tweetal met de overige passagiers aan boord.
Op den tweeden dag der zeereis, toen Raffles na het diner met Charly
Brand in een stil hoekje van den rooksalon zat, zei eerstgenoemde:
„Heb je gelet op dien heer, die ons voortdurend begluurt?”
„Meen je mr. Robinson?”
„Juist. Ik bedoel mr. Robinson die op de passagierslijst als
portretschilder staat ingeschreven en in hut no. 3 logeert. De man is
net zoo min portretschilder als de kapitein van dit schip een
gestudeerde professor is.
„Hij ziet er meer uit als een koopman of als—” Raffles zweeg eenige
seconden en keek nadenkend naar den rook van zijn sigaret.
Toen vervolgde hij op fluistertoon: „als iemand van Scotland Yard.”
Verschrikt keek Charly Brand zijn vriend aan.
„Van Scotland Yard? Een Londensch detective dus?”
„Ja zeker. En ik wil dadelijk de proef op de som nemen. Ga eens mee aan
dek!”
Het tweetal verliet de rookkamer en ging naar boven, waar lord Lister
op mr. Robinson toetrad.
„Wel, gentleman,” sprak hij hem aan, „mijn naam is James Green uit
Schotland. Ik las in de passagierslijst, dat ge een kunstenaar zijt,
een portretschilder. Ik zou het een alleraangenaamste tijdpasseering
vinden, als gij tijdens den overtocht een portretstudie van mij zoudt
willen maken. Ik wilde dat dan als geschenk geven aan een vriend, die
gauw jarig is en ik ben niet ongenegen om een goede som te betalen.”
Mr. Robinson, een klein persoon met vollen, zwarten baard, scheen nogal
zenuwachtig van aard. Hij trommelde met zijn vingers op de borstwering
en antwoordde:
„’t Spijt me, mr. Green, dat ik uw wensch niet kan vervullen, want mijn
schildersgereedschap is ingepakt en ligt beneden in het ruim.”
„Dat hindert niet,” antwoordde Raffles, „als ge den kapitein vertelt,
dat ge uw gereedschap graag zoudt willen hebben, laat hij het
natuurlijk dadelijk naar boven halen.”
„Neen, neen,” wierp mr. Robinson tegen en hij trommelde nog steeds met
z’n vingers.
„Ik heb ergen last van zeeziekte en wil tijdens den overtocht liever
niet werken.”
„Dan spijt het mij, dat ik u ben lastig gevallen!”
Raffles boog en ging met Charly Brand terug naar den rooksalon.
„Hij is geen schilder,” fluisterde lord Lister tot zijn vriend, „dat
zijn allemaal uitvluchten. Maar ik wil vandaag nog weten, wie die
persoon is. Hij beloert ons vanaf het oogenblik, dat wij aan boord
zijn. Als het een detective is, dan is hij al heel ongeschikt voor zijn
baantje, want zijn systeem om iemand gade te slaan is veel te
doorzichtig. Nu zal ik de rollen eens omkeeren en hem eens nauwkeurig
nagaan.”
Hij ging weer aan dek en nam plaats in de buurt van mr. Robinson, die
nog altijd over de borstwering geleund stond. Van tijd tot tijd keek
hij eens naar hem met scherpen blik.
Raffles zag, dat de zoogenaamde schilder dit merkte en dat hij er
zenuwachtig en onrustig door werd.
Eenige minuten later verliet mr. Robinson zijn plaats en ging naar de
andere zijde van het schip.
Raffles stond eveneens op en volgde hem.
Oogenschijnlijk geheel toevallig ging hij weer in de buurt van den
ander zitten en nu bemerkte hij, dat mr. Robinson nog zenuwachtiger was
dan te voren.
Waarheen de ander echter ook zijn schreden richtte, Lord Lister volgde
hem als een schaduw en verloor hem geen seconde uit het oog.
De avond viel.
Raffles onderhield zich met Charly Brand in zijn hut, daar het
onstuimige weder thans geen verblijf aan dek toeliet.
Tegen 11 uur gingen beiden oogenschijnlijk slapen....
Het was een seconde na middernacht, toen Raffles de deur van zijn
kajuit zachtjes opende, en door de gang sloop.
Voorzichtig speurde hij rond, of hij geen der stewards bemerkte. Zonder
dat men hem had opgemerkt kwam hij aan dek, en kroop toen als een slang
voorwaarts, totdat hij bij hut no. 3 kwam, waarin mr. Robinson sliep,
voor wien dit nachtelijk bezoek bestemd was.
Lord Lister wilde namelijk probeeren, of hij niet eenige papieren kon
te pakken krijgen, waaruit zou blijken, wie die mr. Robinson feitelijk
was.
Hij opende met een eenvoudigen looper de deur van de hut, en trad de
donkere ruimte binnen.
Toen sloot hij voorzichtig de deur achter zich, en luisterde eenige
seconden naar de rustige ademhaling van den slapende.
In hetzelfde oogenblik werd het schip hoog opgeheven door een geweldige
golf, zoodat het op zijde werd geslingerd.
Mr. Robinson richtte zich op met een onderdrukten kreet, en toen zag
hij, dat een vreemde zijn hut was binnengeslopen.
Lord Lister zag dat slechts tegenwoordigheid van geest hem kon redden
en nog voordat de verraste man iets had kunnen zeggen, begon hij met
luider stem:
„Wel mr. Robinson, ge schijnt heel vast te slapen?”
Deze draaide dadelijk het electrische licht op en herkende toen John C.
Raffles.
De laatste zag, dat het gelaat van Robinson van angst en schrik geheel
verwrongen was.
„Kleed u aan,” sprak lord Lister, „ik ben van plan u met mij mee te
nemen.”
Raffles meende hier mede, dat hij hem mede wilde nemen naar den
speelsalon, om daar nog een spelletje te kaarten.
Maar mr. Robinson legde het heel anders uit.
Bleek van schrik leunde hij in de kussens en fluisterde:
„Dus toch!”
Toen zag lord Lister, die te vergeefs op een antwoord wachtte, hoe mr.
Robinson met bevende hand onder zijn hoofdkussen greep, en een revolver
te voorschijn haalde.
Reeds wilde Raffles als een tijger op hem springen, om hem het wapen te
ontrukken, toen hij tot zijn groote verbazing zag, dat mr. Robinson den
loop van de revolver tegen zichzelf richtte en wilde afdrukken.
Bliksemsnel sloeg Raffles hem het wapen uit de hand.
En nu begreep hij ook, dat zich achter den naam Robinson geen
detective, doch een nog onopgelost geheim verborg.
„Zijt gij gek geworden,” riep Raffles. „Het leven van een mensch is
veel te kostbaar om er zoo roekeloos mee om te springen.”
Met starenden blik keek Robinson hem aan, en met heesche stem sprak
hij:
„Wat geef ik nog om mijn leven, nu gij mij hebt gevangen genomen?”
Een zegevierend lachje flitste een oogenblik in de oogen van lord
Lister, toen hij begreep, dat Robinson hem voor een detective had
gehouden en hem ook als zoodanig vreesde.
„Kom aan,” sprak hij, nieuwsgierig naar den afloop der zaak, „ik ben
geen onbarmhartige kerel, en wel bereid met u te onderhandelen.”
Hij ging op de sofa zitten, en stak op z’n doode gemak een sigaret op.
„Steek ook een op”, sprak hij tot mr. Robinson. „Dat zal uw zenuwen wat
doen bedaren. Ge ziet er uit, alsof gij katterig zijt.”
Hij bood mr. Robinson zijn koker, en deze bediende zich met bevende
handen.
Nadat hij een paar trekjes gedaan had, sprak hij:
„Ik vermoedde al van het eerste oogenblik af, toen ik dit rampzalige
schip betrad, dat men mij hier zou arresteeren.”
Raffles lachte, en antwoordde:
„Je moet er verstand van hebben om er vandoor te gaan, beste kerel. Je
moet geen oogenblik denken, dat men je zou kunnen arresteeren. Dat
ontneemt iemand alle kalmte.”
„Ik kon onmogelijk kalm zijn,” antwoordde mr. Robinson, „ik heb geen
stalen zenuwen.”
„Dan hebt ge een verkeerd beroep gekozen.”
„De duivel lokte mij, toen ik de kas stal, en er mee vluchtte,” zuchtte
de andere.
„Hoeveel hebt ge reeds van het geld gebruikt?”
„Op zijn hoogst 500 gulden.”
„Begin nu eens met mij dat geld te geven, dan spaart ge me de moeite
van het zoeken. Waar is het verborgen?”
„Daar ginds in het kleine handkoffertje.”
Raffles nam het koffertje, liet zich een sleutel geven, en opende het.
Het zat vol bankpapier.
„Laat ons eens gaan tellen,” zei Lister, en hij begon de pakjes uit te
spreiden op het bed van mr. Robinson.
Tegelijkertijd las hij op de strookjes, die om de stapeltjes banknoten
zaten, dat het geld afkomstig was van een spaarkas; en dat het kapitaal
dus was bijeengebracht door kleine luyden.
„Door het verlies van dit geld, zijn vele arme menschen ongelukkig
geworden,” sprak Raffles, „en ik geloof, dat het in het belang van de
benadeelden is, dat zij het geld terugkrijgen, en dat gij achter slot
en grendel gaat.”
„Ach waarde heer,” sprak de ander, „ik ben volkomen bereid, om al de
gestolen gelden terug te geven, als men mij maar mijn vrijheid laat
behouden. Ik zou dan trachten in Amerika een nieuw leven te beginnen.”
Raffles deed de banknoten, die een waarde van ongeveer honderdduizend
gulden vertegenwoordigden, weer in den koffer, en zei:
„Ik zal u eens wat zeggen. Hier hebt ge nog duizend gulden, het overige
geld zal ik in uw tegenwoordigheid door den kapitein van het schip naar
de bestolen Bank laten terugzenden.”
Een blos van genoegen kleurde het gelaat van mr. Robinson, en hij
stamelde:
„Gij—gij wilt dat doen?—en mij niet in hechtenis nemen?”
„Neen,” sprak Raffles, „daar zie ik vanaf, ik laat u loopen. Ga nu
slapen en beter uw leven.”
Hij nam het handkoffertje met het geld, en verliet de hut.
Toen hij de zijne weer binnen trad, wachtte Charly Brand hem daar op
met bezorgd gelaat.
„Nu?” vroeg hij hem.
Lord Lister lachte, opende den handkoffer en liet Charly Brand de
banknoten zien. Toen sprak hij tot den verbaasden jongen man:
„Dat is de inhoud van een koffer van den door mij zoo zeer gevreesden
detective: een voortvluchtig kassier! Merkwaardig met welke menschen
mijn beroep mij niet alzoo samenbrengt.”
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN WEDDENSCHAP OM TWEE MILLIOEN.
In het weelderig ingerichte clubgebouw van de Player Club in het
Gramercy-Park te New-York zat een groot aantal leden na afloop van het
diner in de bibliotheek bijeen, om daar bij een kopje koffie een sigaar
of sigaret te rooken.
De leden van deze Amerikaansche club waren allen personen uit den
eersten stand.
Vorsten konden zich niet beter laten bedienen dan deze mannen, die
hooggeplaatst waren in de maatschappij door de kolossale vermogens
waarover zij hadden te beschikken, of door den rang, dien zij innamen
op kunst- of wetenschappelijk gebied.
Op dezen avond waren de gesprekken bijzonder levendig, daar de
couranten gemeld hadden, dat de in Engeland zoo geroemd geworden lord
Lister, die onder den naam John C. Raffles het inbrekersvak als sport
beoefende, naar Amerika was overgestoken, en dit zelf den couranten had
meegedeeld!
Mr. George Bennet, de beroemde journalist, had thans het woord genomen,
en zei tot de om hem zittende clubgenooten:
„Deze man bezit een ongekende brutaliteit. Maar ik twijfel er toch aan,
mijne heeren, of deze vogelvrij verklaarde Engelsche lord het verder
brengen zal, in aanmerking genomen de voortreffelijke inrichting van
onzen Amerikaanschen speurdienst, dan dat hij zijn studies over de
kunst om in te breken zal kunnen voortzetten, gedurende meerdere jaren
in onze groote strafgevangenis voor inbrekers, de welbekende
Sing-Sing.”
De toehoorders schenen deze meening niet geheel te deelen. Men
redeneerde over en weer, en juist op het oogenblik toen op
echt-Amerikaansche wijze weddenschappen werden aangegaan over het al of
niet slagen van John C. Raffles, trad mr. Whitney, de beroemde
Amerikaansche renner en milliardair, de bibliotheek binnen, vergezeld
van een vreemdeling.
De heeren werden met groot gejuich begroet.
Mr. Whitney stelde zijn metgezel, die een zeer voornamen en
gedistingeerden indruk maakte, voor als zijn vriend, mr. Green uit
Schotland, die, daar hij een hartstochtelijk jager was, van plan was om
met Teddy Roosevelt samen op zwarte beren te gaan jagen.
De clubleden gaven den heer Green op vriendschappelijke wijze de hand
en niemand van hen was zoo onopgevoed om te vragen, wie deze mr. Green
was, waar hij woonde en of hij vermogen had.
De introductie door den bekenden milliardair maakte immers alle verdere
vragen overbodig.
Al heel spoedig wendde mr. Bennet zich tot mr. Whitney en vroeg hem:
„Hebt ge in de middagedities het opzienbarende bericht gelezen over het
te verwachten bezoek van den Engelschen gentlemandief, John C.
Raffles?”
„O yes,” antwoordde de gevraagde, „ik las het bericht en ik moet
eerlijk bekennen, dat het mij een groot genoegen zal zijn, kennis te
maken met dien genialen inbreker. Ik hou van zulke dingen.”
Mr. Villard, de uitgever van de „Evening Post” antwoordde hierop:
„Wij waren juist bezig, eenige weddenschappen aan te gaan over het al
of niet slagen van dezen Raffles. Ik beweerde, dat onze Amerikaansche
detectives wel geen haartje slimmer zullen zijn dan hun collega’s in
Londen. Ik geloof dat iemand, die zich met hart en ziel op de
inbrekerskunst toelegt, daarin kan bereiken wat hij maar verlangt.”
„Maar niet bij de alom bekende handigheid van onze detectives,”
antwoordde mr. Bennet.
Mr. Whitney lachte.
„Ge vergist u”, zei hij, „ge beoordeelt onze detectives veel te gunstig
en als ge eens goed de verschillende gevallen nagaat, dan zult ge tot
de conclusie komen, dat over het algemeen de inbrekers met veel meer
succes werken dan de detectives.”
Nadat allen eenige oogenblikken gezwegen hadden, vervolgde mr. Bennet:
„Ik zal mijn heelen staf verslaggevers er op uitsturen en het zou mij
al heel erg verbazen, als wij hem niet snapten, als de detectives
daartoe onbekwaam zouden blijken.”
„Voordat er aan het werk wordt getogen, moeten wij toch wel weten, hoe
hij er uitziet.”
„En voorts”, vervolgde Villard, „dat men weet, waar Raffles zich
ophoudt. Ik voor mij ben er ook nog niet van overtuigd, dat men hem zal
pakken.”
Mr. Bennet werd boos.
Hij was gewoon om alles door te zetten, waar hij zijn zinnen op had
gezet. En men kon het dezen kop op den breeden stierennek wel aanzien,
dat hij niets ongedaan zou laten om zijn doel te bereiken.
„Bovendien,” lachte mr. Whitney, „zou het inderdaad jammer zijn, als
een eind werd gemaakt aan het werk van Raffles, doordat op de een of
andere manier zijn daden uitlekten. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik
mij nog zelden zoo opgewonden en tegelijkertijd zoo vermaakt heb als
bij het lezen van zijn daden.”
„Mooie levensbeschouwingen”, mompelde Bennet en zenuwachtig kauwde hij
op de punt van zijn havanna.
„En hoe denkt men bij u over Raffles?” vroeg mr. Whitney nu aan mr.
Green, „ge komt immers, uit de Engelsche metropool en zijt lid van de
Windsor-club.”
Bij den naam Windsor-club keken allen met levendig gebaar naar mr.
Green, die zich totnogtoe wat op den achtergrond had gehouden.
De Windsor-club was naar Engelsche opvattingen de voornaamste der
wereld, waartoe leden van het Koninklijk huis en personen uit de
hoogste aristocratie behoorden. De club telde slechts zestig leden en
toen men hier hoorde, dat mr. Green daarvan lid was, begrepen alle
aanwezigen, dat zich achter dezen naam een voornaam personage verborg.
Eerbiedig zwijgen heerschte, toen mr. Green wat nader trad, zijn
monocle uit het oog liet vallen en tot mr. Whitney zei:
„Wij denken er in Windsor-club net zoo over als gij, mr. Whitney. Wij
interesseeren ons bijzonder voor de eigenaardige sport van dezen man en
wij hebben zelfs eens het genoegen gehad, hem op een avond plotseling
in ons midden te zien.”
Groote verbazing volgde.
„En hebt ge hem niet vastgehouden?” vroeg Bennet.
Mr. Green lachte.
„Dat was niet mogelijk, mr. Bennet, want wij hoorden pas, wie onze gast
was, toen hij ons verlaten had.”
„Een mooie gast,” riep Bennet uit, „hoeveel horloges en portefeuilles
had hij meegenomen?”
„Pardon. Er werd dien avond gecollecteerd voor de weduwen en weezen van
verdronken zeelieden en slechts daarvoor verscheen mr. Raffles in onze
club.”
„Kolossaal”, lachte mr. Bennet, „hij is er dus met de ingezamelde
gelden vandoor gegaan? Hoeveel duizend pond was er?”
De slanke, gespierde gestalte van den Engelschman rekte zich elastisch.
Hij klemde het monocle weer in het oog en keek mr. Bennet eenige
oogenblikken scherp aan. Toen antwoordde hij:
„Ge vergist u, mr. Bennet. De verschillende clubleden teekenden voor
duizend pond en John C. Raffles overhandigde ons toen nog daarbij
hetzelfde bedrag. Hij maakte ons gewoonweg beschaamd...”
„Allemachtig!” stiet Bennet uit.
„En hoe werdt ge gewaar, dat het John C. Raffles was?” vroeg mr.
Villard.
„Heel eenvoudig”, antwoordde mr. Green, „iedere gast schrijft zijn naam
in een boek als hij onze club verlaat en als het u belang inboezemt,
kunt ge dus de handteekening van dezen gentleman in Windsor-club
vinden.”
„Wel,” beweerde mr. Bennet, „de Engelsche bodem moet hem dan toch wel
onder de voeten zijn gaan branden. Laat ons hopen, dat zijn bezoek ons
niet al te veel kost. En laat ons nu eens een ander onderwerp
aanroeren. Stel u eens voor, mr. Whitney, dat ik voor de door mij in
Spanje ontdekte Murillo 40,000 dollar invoerrechten moest betalen. De
waarde van de schilderij is op meer dan anderhalf millioen dollar
getaxeerd.
„Behalve ik bezit alleen nog de paus zoo’n schilderij van dezen
beroemden schilder.”
„Als die Murillo maar inderdaad echt is,” zei mr. Whitney, „bij de vele
vervalschingen, die in den laatsten tijd zijn voorgekomen — —”
„Neen, neen”, viel mr. Bennet in, „ik heb de schilderij door de beste
kunstkenners der wereld laten beoordeelen en zij zijn het er alle over
eens, dat de door mij gekochte schilderij een echte Murillo is. Behalve
de paus ben ik de eenige, die in het bezit is van zoo’n kostbare
Murillo.”
„Pardon”, viel thans mr. Green in, terwijl een spotlach langs zijn
gelaat vloog, „het spijt me, mr. Bennet, u te moeten meedeelen, dat ik
ook in het bezit van een Murillo ben en wel van een schilderij die
zeker waardevoller is dan de uwe.”
Mr. Bennet keek den gast eenige oogenblikken geheel verbluft aan. Toen
lachte hij vroolijk en zei:
„Neem me niet kwalijk, mr. Green, als ik lach om hetgeen ge zegt, maar
dat klinkt zoo ongeloofelijk, zoo absoluut ongeloofelijk, dat ik, hoe
zeer het mij ook spijt, minstens aan de echtheid van uw schilderij
twijfel.”
Mr. Green stak een sigaret op, deed een paar trekjes en zei:
„Ge vergist u, mr. Bennet, de echtheid van mijn Murillo is zelfs door
den paus niet in twijfel getrokken.”
Zwijgend luisterden de aanwezigen en daar het hier een Murillo gold,
was aller belangstelling groot.
„Dat is onmogelijk!” riep mr. Bennet opnieuw uit, „gewoonweg onmogelijk
en ik wed om een millioen dollars, dat gij niet in het bezit zijt van
een echte Murillo, die meer waarde heeft dan de mijne; de uwe kan
slechts vervalscht zijn.”
Allen keken mr. Green vol spanning aan.
Wat zou hij doen?
Doodkalm knipte deze nu de asch van zijn sigaret en zei:
„Allright! Ik neem de weddenschap aan! Al de aanwezige heeren roep ik
tot getuige. Wij hebben nu 24 November. Tot den 24sten November van het
volgende jaar ben ik bereid in dit clublokaal mijn Murillo ten toon te
stellen. Ge houdt uw weddenschap, mr. Bennet?”
„Yes”, antwoordde deze, „ik houd de weddenschap. Natuurlijk moet de
verliezer dadelijk de som betalen.”
„Met genoegen!” antwoordde mr. Green en toen tot mr. Whitney:
„Laat ons nu op de jacht gaan, beste Whitney, dat is de aangenaamste
tijdkorting totdat ik weer naar Europa moet teruggaan om mijn Murillo
te halen.”
„Ik ken,” zei mr. Bennet, „alle Engelsche en Schotsche kasteelen en ik
weet, dat daar nergens een Murillo is te vinden, die ook maar het
vierde gedeelte van de waarde heeft van mijn schilderij. Er zijn
slechts een paar mindere werken van Murillo in omloop. Ik ben er
inderdaad nieuwsgierig naar, hoe mr. Green zich hieruit zal redden.
Alleen de paus bezit een waardevoller schilderij dan ik.”
„Laat ons den uitslag aan de toekomst overlaten, mr. Bennet”,
antwoordde mr. Green, „ik meen u stellig te kunnen verzekeren, en nog
wel vandaag, dat ge de gewedde som aan mij moet uitbetalen.”
„Dat is onmogelijk”, riep mr. Bennet uit, die nu alle kalmte had
verloren, „dat is zoozeer onmogelijk dat ik zelfs twee millioen in
plaats van één wil verwedden!”
En mr. Green nam de verhoogde weddenschap aan.
Om twee millioen!
DERDE HOOFDSTUK.
BIJ DE DETECTIVES.
Mr. Green was, vergezeld van mr. Whitney in diens automobiel naar het
Waldorf Astoria hotel gereden, waar hij verscheidene kamers gehuurd
had.
De heeren namen op de meest vriendschappelijke wijze afscheid van
elkander en mr. Green ging in de lift naar zijn kamers op de tweede
verdieping.
Daar wachtte hem een jongeman, die voor den schoorsteen zat te lezen en
te rooken.
Toen mr. Green binnentrad, sprong hij op. Nadat de binnengekomene zijn
pels had uitgetrokken, ging hij naar de kamerdeur, onderzocht deze en
grendelde haar daarna. Toen ging hij naar de aangrenzende slaapkamer,
draaide het electrische licht op en doorzocht de kamer met de
handigheid van een detective of van een inbreker.
Nadat hij zich ervan overtuigd had, dat niemand was binnengeslopen,
luisterde hij aan de muren en zei toen tegen den ander, die voor den
schoorsteen zat:
„Ga daar weg, Charly. Die schoorsteenen hebben de fatale eigenschap,
dat ze ieder woord als een telefoondraad verder brengen. Laat ons in de
slaapkamer gaan!”
Charly Brand stond op en volgde den ander naar de aangrenzende kamer.
Nauwelijks waren zij binnengekomen of hij vroeg:
„Ben je geslaagd?”
„Meer dan dat,” antwoordde mr. Green op gedempten toon. „Het bewijs van
lidmaatschap van de Windsor-club, dat ik in de pels van den hertog
vond, heeft al schitterende resultaten afgeworpen.—Mr. Whitney, wien
ik, zooals je weet, geschreven heb, haalde mij zelf per auto af en
bracht mij naar de Player-club.—Hij en zijn vrienden houden mij, John
C. Raffles, alias mr. Green, voor een echten Engelschen hertog.—Mijn
verhaal over de berenjacht met Teddy Roosevelt versterkte hen nog
daarin.—O, Charly, ik verzeker je, dat deze Amerikaansche geldkoningen
een slaafschen eerbied koesteren voor alles, wat aristocratisch is of
wat zij aristocratisch vinden.—Om kort te gaan, ik maakte in
Player-club kennis met de zwaarste geldbuidels van Amerika en ik hoop
dat het mij zal gelukken die buidels een beetje lichter te
maken.—Voorloopig heb ik vanavond al twee millioen dollar verdiend.—Een
heel fatsoenlijk begin, vind je ook niet, Charly?”
„Twee millioen dollar?” herhaalde Charly Brand, „hoe is dat mogelijk?”
„Ik maakte van de gelegenheid gebruik.—Mr. Bennet, de beroemde Bennet,
heeft een weddenschap aan mij verloren.—Hij beweerde namelijk de eenige
bezitter te zijn van een Murillo ter waarde van anderhalf millioen
dollar en ik beweerde, dat ik een Murillo bezit, die dezelfde waarde
vertegenwoordigt.”
Raffles lachte en blies rookkringetjes, terwijl Charly Brand hem ten
hoogste verbaasd aankeek.
„Ik begrijp er niets van,” sprak hij eindelijk. „Sinds wanneer bezit
jij een Murillo?—Ik heb in je villa in Regentpark te Londen nooit zoo’n
schilderij gezien.”
„Dat wil ik wel gelooven”, antwoordde Raffles doodkalm, „en als ik nu
geen Murillo bezit, dan zal ik over korten tijd wel een hebben. Ik ben
van plan naar Rome te gaan en de Murillo, die in het bezit van den paus
is, voor eenigen tijd te leenen, om zoodoende mijn weddenschap tegen
mr. Bennet te winnen.”
„Maar wat een plan! De uitvoering daarvan is immers totaal onmogelijk!”
Raffles lachte.
„’t Is gewoonweg kinderspel. ’t Is feitelijk beneden mijn waardigheid
en om het zaakje nu een beetje aantrekkelijker voor mij te maken, zal
ik inspecteur Baxter in Londen van mijn plan in kennis stellen. Dan
heeft die tenminste ook nog wat te doen.”
„’t Is volmaakt onmogelijk,” herhaalde Charly Brand. „De Zwitsersche
garde van den paus bewaakt het Vaticaan met Argusblik. Hoe zou je zoo’n
groot schilderij dan wegbrengen?”
„Laat dat maar aan mij over! En luister nu eens heel nauwkeurig naar
mijn plan van arbeiden:
„Ik zal morgen bij Tiffany, den beroemden goudsmid van New-York, een
cadeau voor den paus laten maken, waarvan ik nog dezen nacht de
teekening zal ontwerpen.”
„Met welk doel laat je dat geschenk maken?”
„Ook dat is mijn zaak. En laat mij nu een half uur met rust, opdat ik
dadelijk mijn ontwerp-teekening zal kunnen maken”.
Hij nam een blad papier uit de schrijfmap en begon lijnen te trekken.
Charly Brand zag al heel gauw, dat de teekening een apostel moest
voorstellen, op een voetstuk geplaatst, waarop zich in relief vorm
verschillende Christelijke symbolen vertoonden.
„Wonderlijk”, zei hij hoofdschuddend.
„Schitterend”, beweerde Raffles en klapte de map dicht, „en nu gaan we
slapen.”—
Den volgenden morgen gingen zij naar Tiffany en bestelden daar den
apostel naar het ontwerp, dat dien nacht gemaakt was. Het beeld zou van
zilver worden vervaardigd, van binnen hol zijn en zonder voetstuk twee
meter hoog zijn.
Volgens de teekening had het beeld een wonderlijk model. De mantel van
den apostel was ruim geplooid en op den rug van een sluiting voorzien.
Raffles deelde Tiffany mede, dat deze sluiting moest worden
aangebracht, opdat men het beeld van binnen met aarde van den olijfberg
zou kunnen vullen.
Tiffany was wel gewend, allerlei zonderlinge bestellingen te krijgen en
hij beloofde, den apostel voor 8000 dollar binnen acht weken te
vervaardigen.
Nog denzelfden morgen verliet mr. Green alias Raffles het Waldorf
Astoria Hotel en vertrok naar het landgoed van mr. Whitney.
Hem volgde op den voet een individu wiens aanhankelijkheid Raffles
eerst verontrustte, maar later toch ook weer vervroolijkte, daar hij in
dezen een detective meende te herkennen.
Tenslotte kwam hij tot de ontdekking, dat hij van dezen persoon niets
te vreezen had.
Dat zat namelijk zóó:
Toen het alarmeerende bericht van de komst van Raffles bekend geworden
was, had de hoofdcommissaris van politie te New-York eens nagedacht
over wat hem wel in dezen te doen stond.
Daarna had hij de detectives Fred Gordon en Oskar Wagner bij zich
ontboden en met hen beraadslaagd hoe men wel het allerspoedigst Raffles
op het spoor kon komen als deze in Amerika voet aan wal had gezet.
Fred Gordon, een vijftiger, had rustig geluisterd naar alles, wat zijn
chef hem mededeelde en doodbedaard had hij daarbij zijn neuswarmertje
uitgerookt.
Toen James Pinkerton dan eindelijk klaar was met zijn verhaal, nam
Gordon het pijpje uit den mond, schraapte zich eens de keel en zei
toen:
„Toen ik het bericht las, maakte ik zoo voor mezelf een plannetje.
Voordat ik hierheen kwam, ben ik eens naar de bureaux gegaan van de
Bremer Lloyd en van andere stoomvaartmaatschappijen en daar heb ik de
passagierslijsten nagezien en gelet op het signalement van een of ander
persoon, dat overeenkwam met dat, wat wij van John C. Raffles hebben.
Toen viel mij op, dat met de boot van de Holland-Amerika lijn voor vier
dagen een passagier is gekomen, zekere mr. Green.”
„En welke verdenking koestert ge tegen hem?”
„Geen enkele. Mijn instinct van detective zei me alleen, dat wij dien
heer in het oog moesten houden. Ik heb geïnformeerd en ben te weten
gekomen, dat hij zijn intrek heeft genomen in het Waldorf Astoria Hotel
en daar eenige van de voornaamste kamers heeft gehuurd.
„Ik ging naar het hotel, liet mij aandienen als bediende van een
juweliersfirma en vroeg mr. Green te spreken.
„Maar juist toen ik bij hem zou worden toegelaten, werd mijn plan
verhinderd door mr. Whitney.”
„Mr. Whitney?”
Pinkerton vroeg het in de grootste verbazing.
„ja, mr. Whitney. De milliardair schijnt met mr. Green op heel intiemen
voet te staan, want ik zag het tweetal al heel spoedig samen het hotel
verlaten en in een auto stappen.”
„En dacht je nou misschien, dat mr. Whitney op familiaren voet zou
staan met Raffles? Ben je dol?”
„Ik heb mr. Green voorloopig onder de strengste bewaking gesteld en
hoop morgen al te weten of ik mij al dan niet vergist heb.”
„Je hebt je natuurlijk vergist”, lachte Pinkerton.
„’t Is mogelijk,” zei Fred Gordon op min of meer gekrenkten toon. „Geen
mensch is onfeilbaar.”
De telefoon ging over en Pinkerton nam den hoorn op.
Zijn gelaat toonde de grootste verrassing bij de woorden die hij hoorde
en toen het gesprek was afgeloopen, wendde hij zich tot Fred Gordon:
„Ik krijg daar juist bericht, mr. Gordon, dat ge u inderdaad vergist
hebt. Onze agent in Player-club deelt mij mede dat naar alle
waarschijnlijkheid een der leden van het koninklijk huis onder het
pseudoniem van mr. Green in New-York vertoeft en vergezeld van mr.
Whitney de Player-club heeft bezocht. De vreemdeling is in Londen lid
van de Windsor-club en zal met mr. Whitney en den ex-president op jacht
gaan. De agent deelde verder nog mede, dat het geraden is, dezen mr.
Green te beschermen tegen mogelijke, aan-slagen van anarchisten of
misdadigers.”
Fred Gordon draaide zijn duimen eens over elkander en bromde:
„Well, dan heb ik mij vergist. In ieder geval had ik het toch niet zoo
ver mis, toen ik achter dien mr. Green iets bijzonders vermoeden. De
man kon één van beiden maar zijn: een hooggeplaatst aristocraat of een
inbreker.”
Op dit oogenblik werd gescheld.
Pinkerton wendde zich tot detective Wagner.
„Ga eens kijken, wie mij wenscht te spreken.”
De detective stond op en opende de deur.
Een politie-agent trad binnen en deelde mede, dat in de wachtkamer een
detective van de Parijsche politie, Alfred Tancred, wachtte, die den
chef dringend wenschte te spreken.
„Laat binnen komen”, zei Pinkerton en eenige seconden later trad de
Parijsche detective binnen.
Van weerskanten keken de heeren elkander aan met onderzoekenden blik.
De Franzoos haalde uit zijn zak een document te voorschijn en reikte
dit aan Pinkerton.
Deze opende de enveloppe, haalde een papier te voorschijn, afkomstig
van het hoofdbureau der Parijsche recherche, waarin vermeld stond, dat
detective Tancred speciaal belast was met de opsporing van John C.
Raffles in New-York.
Pinkerton las.
Daarna gaf hij het stuk terug en bood den bezoeker een stoel.
„Wij zijn juist bijeen in conferentie over hetzelfde geval”, begon de
chef, „en vóór alles moeten wij weten, of Raffles al hier of nog op weg
hierheen is. Wij moeten tot elken prijs verhoeden, dat hij met ons
hetzelfde spelletje speelt als met onze collega’s van Scotland Yard.”
„Wij hebben met een gewiekst persoon te doen”, antwoordde de Parijsche
detective, „en ik hoop voor u, dat ge inderdaad meer succes zult hebben
dan Scotland Yard.”
„Ik voor mij”, beweerde Fred Gordon, „heb het gevoel, dat wij ons net
zoo onsterfelijk zullen blameeren als zij. Want mijn eerste poging om
Raffles hier uit te vinden, is op niets uitgeloopen. En als een zaak in
den beginne al verkeerd gaat, dan weet ik uit ondervinding, dat er
hoegenaamd niets van terecht komt.”
„Bemoei je dan maar niet verder met deze zaak, Gordon, en besteed jij
je krachten aan die bankroof in Chicago, dan zal ik mij met detective
Wagner wijden aan de zaak-Raffles.”
Fred Gordon lachte eens even spottend. Die Wagner, die onbeduidende
persoon, was de beschermeling van zijn chef. Hij had tot nog toe niet
het minste bewijs gegeven van eenige handigheid en iedere misdadiger
was hem ontsnapt.
Gordon hield hem voor een grooten stommeling, maar Pinkerton scheen van
meening, dat Wagner voor groote dingen in de wieg was gelegd.
Nooit beweerde Wagner iets, nooit hield hij er een eigen meening op na
en alles, wat hij praatte, was het naklappen als een ekster van
Pinkerton’s woorden.
Gordon stond op, nam zijn hoed en zei:
„Goeden nacht! Het beste met de jacht op Raffles. Ik vertrek vandaag
nog naar Chicago.”
„Goede reis!” riep Pinkerton hem na.
Zoodra Fred Gordon de kamer had verlaten, was het, alsof een zwaar
gewicht van Wagner’s hart was gewenteld.
Zijn gelaat begon te stralen, hij wreef zich de handen en zei:
„Wel, wij zullen dien Raffles wel pakken!”
„Dat zou ik ook meenen!” antwoordde Pinkerton, „ik zelf zal mij
speciaal met zijn opsporing belasten. Gij, Wagner, kunt intusschen naar
het Waldorf Astoria Hotel gaan en daar in den particulieren dienst van
mr. Green treden.
„Let er vooral op, dat het incognito van dien heer streng gehandhaafd
wordt.”
Wagner stond op en antwoordde:
„Ik zal tot uw volkomen tevredenheid werken.”
Hij gaf zijn chef een hand, boog voor den vreemden detective, en
verliet het bureau.
Pinkerton vroeg nu den Franschman:
„Volgt ge misschien al eenig spoor?”
„Zeker! Gisteren zijn met de Cunard-lijn twee verdachte personen
aangekomen, die valsche baarden droegen. Het zijn mr. Oxford en een
bediende. Deze mr. Oxford reisde eerste klasse en schijnt over heel wat
geld te beschikken te hebben. Hij speelde aan boord heel hoog en
verloor, voor zoover ik kan nagaan, aanzienlijke bedragen. Ik sloeg hem
nauwkeurig gade en het gelukte mij op zekeren dag zijn hut binnen te
dringen en daar een boekje voor visitekaartjes te vinden, waarop een
gouden kroontje boven een „L.” was aangebracht Deze „L.” bewees mij,
dat het boekje behoorde aan lord Lister, alias John C. Raffles.”
„Lister!” riep Pinkerton uit, „wij hebben hem, Lord Lister, alias John
C. Raffles—en—en—hebt ge dat spoor gevolgd?”
„Daarvoor kom ik nu bij u”, antwoordde de Franschman. „Na de landing
ben ik, helaas, zijn spoor kwijt geraakt. Maar zijn signalement heb ik
nog.”
„En dat luidt?”
Pinkerton nam een blad papier en een vulpenhouder, terwijl de detective
dicteerde:
„Grootte 1.70–1.74 meter,
grijze snor,
korte, grijze bakkebaarden,
staalblauwe oogen.”
„Dat klopt niet met het signalement uit Londen!” beweerde Pinkerton.
„Dat kan wel zijn. Geen van onze collega’s heeft Raffles ooit van zoo
nabij gezien, dat de kleur van zijn oogen duidelijk kon worden
vastgesteld. Dat signalement uit Londen is dus niets waard.”
„Ge kunt wel gelijk hebben, mr. Tancred. En laat ons nu eens
beraadslagen, hoe wij dien mr. Oxford kunnen uitvinden.”
De heeren bleven tot laat in den nacht in conferentie bijeen en het
resultaat was, dat Pinkerton twintig van zijn beste detectives des
morgens vroeg reeds uitstuurde om op de Raffles-jacht te gaan. En elk
van die detectives droeg in den zak het signalement, zooals het de
Parijsche detective had gegeven.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE DIEFSTAL VAN DE INDISCHE SMARAGDEN.
Den volgenden morgen bracht de New-York Herald een belangrijk
sensatiebericht onder het opschrift:
„Een weddenschap om twee millioen dollar.”
In een kleine hotelkamer van een boardinghouse, een pension, las dit
bericht mr. Oxford, de man, die op de boot zoo bijzonder was
gadegeslagen door mr. Tancred.
Een jongeman was nog in de kamer, die oogenschijnlijk de werkzaamheden
van een bediende verrichtte.
Toen mr. Oxford het bericht over de weddenschap had gelezen, riep hij
den jongeman bij zich:
„Kijk eens, mr. Marholm, wat denkt ge van die weddenschap? Zou dat
misschien een truc van Raffles zijn?”
Marholm of wel „de vloo”, zooals hij onder de Londensche detectives
genoemd werd, nam de krant en las het bericht
Toen zei hij:
„Yes, inspecteur Baxter, ge hebt gelijk. De heele zaak riekt naar
Raffles.”
„Noem dien naam niet zoo luid,” fluisterde Baxter, want deze was het,
die onder den naam van Oxford zijn intrek in het hotel had genomen.
„Laat ons er dadelijk werk van maken, Marholm, om de identiteit van
dien mr. Green vast te stellen.”
„Laat ons dan eerst eens per telegraaf informeeren of er op Scotland
Yard ook iets nieuws omtrent Raffles bekend is.”
Hij ging onderwijl naar den spiegel en probeerde of zijn valsche baard
nog goed bevestigd zat.
„Ge zijt absoluut niet te herkennen, mr. Baxter,” zei „de vloo”, „en ik
geloof dat men mij als roodharige Ier ook niet aanziet voor wien ik
ben.”
„Ik zelf heb je in het eerste oogenblik niet herkend”, zei Baxter,
„toen ge op de boot naar mij toekwaamt. Hoe kwam het, dat je mij zoo
spoedig herkende?”
„Heel eenvoudig. Als men geen al te groote stommerik is, herkent men
zijn chef overal!”
Lachend namen beiden hun hoeden en jassen en verlieten het pension.
Toen zij op straat kwamen en een cab namen om naar het telegraafkantoor
te rijden, bemerkten zij niet, dat uit een portiek aan de overzijde
twee mannen kwamen, die ook een cab namen en hen volgden.
Het waren twee beambten van de New-Yorker politie.
Het was hun gelukt, aan de hand van het signalement, dat mr. Tancred
van mr. Oxford had gegeven, diens verblijfplaats uit te vinden.
Zij volgden de beide Londenaars als een jachthond een stuk wild en
kwamen een paar minuten na deze voor het telegraafbureau.
Geheel onopgemerkt naderde een hunner den lessenaar, waar Baxter stond
met „de vloo” en het telegram naar Londen schreef.
Dit telegram was van den volgenden inhoud:
Mr. ROBINSON, LONDEN, Strand 16.
(deze was de plaatsvervanger van politie-inspecteur Baxter tijdens
diens afwezigheid uit Londen en zijn particulier adres)
Telegrapheer mij per ommegaande naar New-York, boardinghouse Lemke,
Grand Street 4, of er iets nieuws bekend is omtrent Raffles.
Gegroet. Oxford.
Het gelukte den politieman met eenige inspanning den inhoud van dit
telegram te lezen.
De groote, krachtige letters van Baxter maakten hem dit gemakkelijk en
duidelijk las hij den naam Raffles.
Haastig ging hij naar zijn collega, die voor de deur wachtte en deelde
dezen in fluistertoon mede, wat hij zooeven had ontdekt.
„Wij vergissen ons niet,” zei hij, „wij hebben den man; het is Raffles,
en ik zal dadelijk naar den directeur van het telegraafkantoor gaan en
een afschrift van het telegram vragen.
„Blijf jij intusschen hier wachten om te zien naar welken kant de beide
mannen gaan, als zij intusschen het gebouw mochten verlaten en
telefoneer het naar het hoofdbureau.”
De man verdween en haastte zich naar den directeur van het
telegraafkantoor.
Baxter had onderwijl zijn telegram afgegeven. Toen hij uit het gebouw
kwam, om verder het spoor van mr. Green te volgen, had de
Pinkerton-detective al een afschrift van het telegram in handen en
verliet eenige minuten later eveneens het gebouw.
Hij ging naar het hoofdbureau om daar van zijn collega nadere
bijzonderheden te hooren.
In gedachten deelde hij met den ander reeds de groote som, die op de
inhechtenisneming van Raffles gezet was door de Engelsche politie en
eenige particulieren.
Hij dacht er over na, wat hij met het geld zou beginnen en dat het
bezit van een hoenderpark zijn ideaal was. — — —
Intusschen was zijn collega achter mr. Oxford en diens geleider
aangesneld en had tegelijk met hen het Waldorf Astoria Hotel bereikt.
Dit was, naar de kranten meldden, de verblijfplaats van mr. Green, die
de weddenschap met Bennet had aangegaan.
Toen mr. Oxford door een flinke fooi den portier van het hotel aan het
spreken had gebracht, deelde deze hem mede, dat mr. Green twee uur
geleden het hotel verlaten had.
Hij wist niet, waar mr. Green was heengegaan.
„Wij zijn bij onze voorname gasten niet zoo nieuwsgierig om hen naar
hun reisplannen te vragen.”
Ontevreden met het resultaat van zijn navorschingen ging Baxter met
Marholm naar het boardinghouse terug om daar op eenig bericht uit
Londen te wachten.
Nabij het huis stonden wederom in een deurportiek de beide detectives,
en zij kortten den tijd, doordat de een den ander de groote voordeelen
van een hoenderpark voorspiegelde.
Zij verdeelden de huid van den beer, die nog niet gevangen was.
Om samen het geld te krijgen, hadden zij geen hunner collega’s
meegedeeld, waar mr. Oxford alias lord Lister verblijf hield. Zij
wilden heel alleen het terrein bewerken.
Des avonds ontving mr. Oxford een telegram uit Londen, waarin hem werd
meegedeeld, dat men daar geen bericht omtrent Raffles had gekregen,
maar dat deze zich ongetwijfeld in New-York moest ophouden.
Raffles, die van alle kanten dus gezocht werd, zat intusschen als mr.
Green veilig en wel in de fraaie villa van mr. Whitney. Na eenige uren
reeds was hij de verklaarde lieveling der dames.
Vooral viel hij bijzonder in den smaak van mrs. Hopson, de oude
schatrijke weduwe van een groothandelaar in Chicago.
Deze vrouw, bekend om haar verregaande ijdelheid, droeg een kostbaar
sieraad van smaragden, dat eens in het bezit was geweest van een
Indisch vorst.
Het waren steenen van fabelachtige grootte en schoonheid en Charly
Brand, die zag, dat Raffles in druk gesprek was met de dame, doorzag
terstond de bedoelingen van zijn meester en begreep, dat diens grootste
oplettendheid niet het valsche haar of het gepoeierde gelaat, maar het
kostbare sieraad van mrs. Hopson gold.
Raffles had vernomen, dat de gestorven echtgenoot der dame in Chicago
een groote conservenfabriek had gehad.
Terstond herinnerde Raffles zich, dat in het Engelsche leger
verscheiden soldaten destijds op vreemde wijze waren gestorven.
Later bleek, dat zij vergiftigd waren, door het gebruik van bedorven
Amerikaansch geconserveerd vleesch.
Raffles vroeg nu miss Hopson of haar overleden man niet aan het
Engelsche leger had geleverd.
Met opgeblazen trots verklaarde mrs. Hopson:
„Zeker, mr. Green, mijn man heeft destijds veel onderscheidingen
gekregen als leverancier van het leger en ook ontving hij een
medaille.”
„Hm,” antwoordde Raffles en hij taxeerde de smaragden, die de dame
droeg.
Toen vroeg hij plotseling:
„Zijn die smaragden, die ge daar draagt, wel eens getaxeerd?”
Mrs. Hopson blaasde zich nog meer op en antwoordde:
„Die zijn onbetaalbaar. Mr. Elkins, de juwelier van de koningin van
Engeland, heeft ze op vier millioen dollar getaxeerd.”
„Een prachtig sieraad,” bewonderde Raffles en bij zichzelven berekende
hij, hoeveel bussen bedorven vleesch er niet aan den man moesten zijn
gebracht om zoo’n kostbaar stuk te kunnen koopen.
Met het goud, dat die steenen vertegenwoordigden, kon men de zorgen van
veel weduwen en weezen verlichten.
O, zoo veel!
Met een charmanten glimlach boog Raffles zich naar mrs. Hopson:
„Hoe komt het mevrouw,” vroeg hij, „dat ge nog steeds den weduwensluier
draagt? Zijt ge heelemaal ontroostbaar?”
„Och, wat zal ik u zeggen! Mijn man verdiende 800,000 dollar per jaar.
De mannen, die tot nog toe naar mijn hand dongen, konden mij dat niet
aanbieden.”
„Zóó!” zei Raffles en hij lachte in stilte om de kokette vijftigjarige.
„Hoeveel bedraagt uw jaarlijksch inkomen, mr. Green?” vroeg mrs. Hopson
met vleienden oogopslag.
Raffles klemde zijn monocle in het oog en zei:
„In het laatste jaar bedroeg mijn inkomen veertien millioen dollar.”
Mrs. Hopson keek hem verstomd aan. Zij moest, als een visch op het
droge, naar lucht happen.
Eerst na eenige seconden was zij in staat te antwoorden:
„Ge—ge maakt toch geen grapje?”
„Volstrekt niet!”
„O, maar ge zijt een verrukkelijk iemand,” lispelde mrs. Hopson.
„Hoe dat zoo, mrs. Hopson!”
„O, een verrukkelijk iemand! Ik heb er altijd naar verlangd, zóó iemand
te leeren kennen. Mijn vermogen bedraagt ongeveer tachtig millioen
dollar en ik heb bovendien nog uitgestrekte bezittingen.
„Ik kan weliswaar niet concurreeren met Whitney en Vanderbilt, maar als
ik een man van kapitaal trouw, zouden wij Rockefeller nog voorbij
kunnen streven!”
„Als ik u daarbij soms kan helpen, mrs. Hopson, het zou mijn ideaal
zijn om uw eerzuchtige plannen te helpen verwezenlijken.”
Wederom lonkte zij koket en fluisterde:
„Ge kunt mij gelukkig maken, mr. Green.”
Op zekeren avond ging Raffles met Charly Brand wandelen op een
afgelegen zijpad van het groote park en vertelde hem, dat hij van plan
was, de kostbare smaragden van mrs. Hopson te stelen en het geld, dat
zij zouden opbrengen, te besteden voor de nagelaten betrekkingen van
hen, die destijds na het gebruik van het bedorven vleesch waren
gestorven.
Een allerdolst plan rijpte in zijn brein.
Hij ijlde naar de groote veranda der villa, waar de gasten aan de
theetafel zaten.
Met een buiging naderde hij mrs. Hopson:
„Het is zoo’n wondermooie avond, mrs. Hopson, gevoelt ge geen lust om
wat mee te gaan wandelen in het park?”
„O ja,” antwoordde de weduwe en zij stond al op.
Raffles had een plan.
Toen hij met mrs. Hopson in het park ging, legde hij het zoo aan, dat
de dame langs het struikgewas moest gaan, waarin de detective verborgen
zat, die hem overal bewaakte.
Mrs. Hopson begon te spreken over verscheidene dames kennissen, waarvan
zij allerlei schandaalgeschiedenissen wist te vertellen.
Speciaal weidde zij uit over de dochter van den koperkoning Blatt, die
er een paar weken geleden met haar pikeur vandoor was gegaan.
Geen dame bleef gespaard; mrs. Hopson wist van ieder wat te vertellen.
Intusschen was het tweetal het struikgewas genaderd en terwijl mr.
Raffles de dame bij den arm greep, riep hij, schijnbaar geheel
verschrikt:
„Is daar iemand?”
Het kraken van takken en twijgen volgde en in het volgende oogenblik
kwam een man te voorschijn, die wegholde.