„Daar is de man met de grijze bakkebaarden!” riep Tancred uit en vloog

weg.

Wagner stond juist op de laadplaat, toen hij achter zich hoorde:

„Halt of ik schiet!”

Met knikkende knieën keerde hij zich om.

Achter hem stonden twee mannen, waarin hij in het volgende oogenblik

twee van zijn collega’s herkende, die zich met geweldige vaart op den

vreemde wierpen, hen beetpakten en weer aan land trokken. Wagner

daarentegen werd door een matroos aan dek getrokken, die tegelijkertijd

de loopplank wegnam.

Nu begonnen ook reeds de machtige schroeven te arbeiden en bracht de

boot van het land af.

De scheepskapel begon te spelen:

„Liefje, adé,

Scheiden doet wee!”

De achterblijvenden wuifden met zakdoeken en hoeden, wierpen kushanden

op en droogden tranen.

En niemand lette op de worstelpartij tusschen Baxter, de

politieagenten, Pinkerton en Tancred.

„Hier is Raffles!” riep Harrison tot zijn chef.

„Idioot!” brulde Baxter en hij gaf den man een vuistslag.

„Jullie bent gek!” riep Pinkerton tot zijn mannen, „daar aan boord

staat Raffles! Laat dien man los!”

„Wie zijt ge?” vroeg Tancred nu aan Baxter.

„Politieinspecteur Baxter van Scotland Yard uit Londen. En wat voor een

kameel ben jij?”

„Commissaris Tancred uit Parijs!”

De detectives keken elkander eenige oogenblikken totaal verbluft aan,

tot ieder losbarstte in een vloed van scheldwoorden. En daartusschen

door klonk plotseling een hartelijk lachen. Dat was detective Marholm.

Die was op een ton gaan zitten en lachte, tot hij niet meer kon en met

de voeten tegen het leege vat trappelde.

Aan de borstwering van deze boot echter stonden drie personen.

Nummer een was Charly Brand of, zooals hij zich had laten inschrijven,

mr. Harry Smith uit Chicago.

Hij was bleek van zenuwachtigheid en een zee-officier naast hem zei:

„Wel, bij u doet de zeeziekte zich al gauw gevoelen! Ga mee en laat ons

een flink glas whisky drinken!”

En nog een tweede stond daar, die het dringend noodig had, om een

stevig glas whisky te drinken en dat was de ontvluchte detective

Wagner.

Nummer drie echter was John Raffles. Hij stond tegen de borstwering

geleund en keek door den kijker naar de worsteling tusschen de

detectives.

Hij begreep terstond den samenhang van de heele geschiedenis en om zijn

mond speelde een glimlach.

Hij ging het dek wat op en neer wandelen en stak z’n zooveelste sigaret

op. Op de passagierslijst stond hij ingeschreven als sennor Lobec uit

Cuba.

Raffles had zich uitstekend vermomd met een bruinen baard, zoodat zelfs

Charly Brand hem niet herkende.

Eerst op den vierden dag van de reis knoopte hij, met dezen, in het

bijzijn van een zeeofficier, een gesprek aan over het weer.

Niemand mocht ook maar vermoeden, dat dit tweetal bij elkaar behoorde.

Raffles was al heel gauw op zeer goeden voet met dezen officier, die

hem het heele schip liet zien, zoodat Raffles er al gauw den weg wist

en ook de bergplaats zag, waar de kist stond met den zilveren apostel,

die voor den paus bestemd was.

Toen de officier de ruimte afsloot, zei Raffles tot zich zelven:

„Een heel eenvoudig slot, dat doodmakkelijk te openen is.”

Na een tocht van twaalf, dagen doemden eindelijk de lichten van den

vuurtoren van Genua op: de passagiers hadden hun bagage bij elkaar

gezocht en wachtten vol ongeduld, dat de stoomboot zou aanleggen.

Langzaam stoomde deze de haven binnen.

Bij de laatste pier naderde een politieboot.

In het volgende oogenblik klauterde een half dozijn Italiaansche

detectives en even zooveel karabiniers aan boord en de hoofdman deelde

den kapitein mede, dat de veelgezochte Raffles op het schip was.

De kapitein dacht eenige seconden na.

Toen zei hij:

„Ik heb hier aan boord een passagier 2de klasse, die mij wel een beetje

verdacht voorkomt. Hij heeft hut nummer 48.”

De stoomboot had nog een half uur te stoomen en de detectives hadden

intusschen tijd genoeg om hun onderzoek in te stellen.

Toen mr. Wagner de detectives zijn hut zag binnenkomen, brak hem het

angstzweet uit.

„Kunt ge u legitimeeren?” vroeg de Italiaan.

„Neen,” antwoordde Wagner met bevende stem, „maar ik weet, waarvoor ge

komt. Ik zweer u echter, dat ik het sieraad niet gestolen heb.”

„Welk sieraad?” vroeg de ander.

Wagner deed een omslachtig verhaal.

De Italiaansche politieman verklaarde hem in voorloopige hechtenis te

zullen nemen totdat uit Amerika de noodige opheldering kwam.

De Italiaan zag echter ook terstond dat Wagner niet de veelgezochte

Raffles was.

Daar trad de eerste officier naar hem toe met een visitekaartje in de

hand.

„Zie eens hier, heer commissaris” zei hij, „ge hebt gelijk! Een steward

bracht mij zoo juist dit pakje. Wij hebben John Raffles aan boord. Hij

zond ons dit tot aandenken. Zijn baard en zijn kaartje. Lees maar

eens!”

De politieman las:

Den slimmen Amerikaanschen, Engelschen, Franschen en Italiaanschen

politie-beambten, bijzonder inspecteur Baxter, zijn trouwen

collega’s uit New-York en, den Parijschen commissaris Tancred zend

ik mijn besten dank voor de grappige scene voorgevallen bij mijn

vertrek uit New-York. Voorts groet ik de Italiaansche detectives en

ik betreur het, dat ik hun gelaatsuitdrukking niet kan zien, als

zij deze kaart lezen.

JOHN C. RAFFLES

alias LORD LISTER.

De Italiaan stiet een geduchten vloek uit en toen rende hij naar de

landingsplaats, waar alle passagiers langs moesten gaan. Hier kon

Raffles niet ontkomen.

Langzaam liepen de passagiers nu de loopplank af, scherp gadegeslagen

door de detectives. Nu was ook de laatste reeds voorbijgegaan, maar

Raffles was er niet langs gekomen.

„Haal de landingsbrug op!” beval de kapitein, „het schip zal net zoo

lang doorzocht worden, tot we hem hebben!”

De matrozen en stewards maakten zich ten jacht gereed. Geen plekje

bleef ondoorzocht. Maar niets was er van Raffles te ontdekken. Alles,

wat er van hem was overgebleven, was de zwarte baard. En dat was

bedroevend weinig.

„De kerel is over boord gesprongen”, meende de kapitein en met deze

boodschap konden de Italiaansche detectives van boord gaan. En dit

bericht werd ook naar Pinkerton en naar Baxter getelegrafeerd.

De passagiers hadden intusschen vol ongeduld in het douanegebouw op hun

bagage gewacht.

Eindelijk kwam het van boord.

„Aan Zijne Heiligheid Paus Pius X”, las een der tolbeambten op het

metalen schild, dat op een groote kist was bevestigd, waarin de firma

Tiffany het geschenk voor den paus had verpakt.

De beambte keek het begeleidende papier in en las op:

„Mr. Harry Smith!”

Deze kwam uit het gewoel te voorschijn.

„De kist is vrij van invoerrechten,” zei de beambte, „ge kunt die

bagage meenemen.”

Mr. Harry Smith riep eenige dienstmannen, liet de kist opladen en reed

er mee naar het station.

Voordat hij in den trein voor Rome stapte, gaf hij een telegram af voor

het Vaticaan waarin hij de komst van het geschenk aankondigde.

Toen hij tegen den morgen aan het Centraal Station te Rome aankwam,

werd hij door een ouderen geestelijke ontvangen.

Nadat de heeren over en weer de noodige beleefdheidszinnen hadden

gewisseld, werd de kist met den zilveren apostel in het Lateraan

gebracht, daar voorloopig uitgepakt en voor het hoogaltaar opgesteld.

Hier moest het geschenk eerst gewijd worden, voordat de paus het

aanvaardde en uitmaakte, wat hij er mede zou doen.

Mr. Harry Smith intusschen was afgestapt in „Hotel Continental”, zooals

Raffles met hem had afgesproken.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE DROOM VAN DEN PRIESTER.

Niet ver van het hoogaltaar verwijderd, zat in een kerkstoel een jong

priester, die de nachtwaak in de kapel had.

Het was zijn taak om bij het geringste verdachte geluid de Zwitsersche

soldaten, die achter de breede gordijnen stonden opgesteld, te

waarschuwen en met hen na te zoeken of misschien een inbreker de kapel

was binnengeslopen.

Reeds meerdere malen hadden internationale dieven getracht, de in de

kapel aanwezige kostbaarheden, die met prachtige edelsteenen versierd

waren, te rooven.

De jonge priester las in een Latijnsch gebedenboek en prevelde halfluid

voor zich heen.

Plotseling hoorde hij een geluid, alsof een metaal op elkander werd

geslagen. Bij het heldere maanlicht, dat door de hooge boogvensters

viel, kon hij duidelijk alles zien, wat gebeurde.

Het geluid herhaalde zich en de jonge priester merkte op, dat het van

den zilveren apostel kwam. Hij zag nu zelfs, al was het maar voor een

oogenblik, dat een hoofd van uit den zilveren apostel wegkeek.

De jonge priester stond op en daar hij niet bang was, ging hij naar het

beeld toe en keek, of zich daarachter misschien een vreemdeling had

verborgen.

Maar hij ontdekte niets en in de meening, dat zijn fantasie hem parten

had gespeeld, ging hij naar zijn plaats terug en begon opnieuw bij het

matte schijnsel van een lampje te lezen.

Langzaam verstreken de nachtelijke uren.

De zoete wierookgeur drukte zwaar op de slapen van den jeugdigen waker,

die de grootste moeite had, om wakker te blijven.

Hij legde het brevier terzijde, rekte de armen eens uit en keek met

slaapdronken gelaat door de kapel.

En plotseling droomde hij, naar hij meende, een vreeselijken droom:

Hij zag, hoe het kleed van den zilveren apostel zich opende en een

zwarte gedaante daaruit te voorschijn trad. Als verlamd keek de

priester naar deze verschijning.

En de vreemde gestalte wendde zich tot hem en kwam met langzame

schreden al nader en nader.

De jonge priester wilde om hulp roepen, maar zijn stem stokte hem in de

keel. Hij liet de gedaante op zich afkomen en verzette zich niet, toen

deze hem een doek voor het gelaat bond, die gedrenkt was in een

vloeistof, welke naar amandelen riekte.

Slechts enkele seconden verliepen, toen viel de jonge priester

bewusteloos in zijn bidstoel neer.

De vreemde priester bekeek hem eenige oogenblikken en sprak toen tot

zichzelven:

„De vier-en-twintig uren in den zilveren apostel waren vreeselijk, maar

ik heb nu mijn weddenschap zoo goed als gewonnen, want nu zal ik mij

voor eenigen tijd de Murillo van den paus toeëigenen.”

Het was Raffles, die in den zilveren apostel had verborgen gezeten.

Tien uren voordat de stoomboot landde, was hij naar het ruim geslopen,

had het slot geopend en was, met behulp van Charly Brand, in het

zilveren beeld gekropen.

Op deze manier was Raffles aan boord van de stoomboot plotseling

verdwenen en noch de detectives, noch de zeeofficiers hadden hem kunnen

vinden.

Nu stond hij in de kapel en keek om zich heen.

Aan den linkermuur ontdekte hij al heel spoedig de gezochte Murillo.

Hij haalde uit een zijnis een ladder te voorschijn, klom daar doodstil

op, nam een scherp mes uit zijn zak en sneed de schilderij langs de

uiterste randen voorzichtig uit de lijst.

Bijna een uur had het werk geduurd, toen hij eindelijk de schilderij

opgerold in de hand droeg en de ladder weer op haar plaats zette.

De kerktorens van Rome sloegen vier uur, toen Raffles de sloten der

kerkdeuren hoorde knarsen, ten teeken, dat deze van buiten geopend

werden.

Hij hurkte neer in een nis en achter een pijler verborgen wachtte hij,

tot de dubbele deur geopend werd en de jonge priester zijn kameraad zou

komen aflossen.

Toen deze eindelijk kwam en den slapende ontdekte, stiet hij hem aan en

maakte hem wakker.

Slaapdronken opende de ander de oogen, mompelde eenige onverstaanbare

woorden en stond op.

Hij hoorde niet eens, dat de ander zei:

„Ik zal den kardinaal rapporteeren, wat gebeurd is!”

Met wankele schreden, nog altijd onder de inwerking der verdooving,

ging de jonge priester naar den uitgang van de kapel.

Toen hij voor de poort kwam, riepen de Zwitsersche soldaten een luid

„Halt!”

Verbaasd bleef de priester staan en vroeg:

„Wat? Wat wilt ge van mij?”

De wachthebbende officier kwam naar hem toe en sprak:

„Wie zijt ge?”

„Ik heb de wacht gehad,” antwoordde de jonge priester.

„Dat kan niet in orde zijn; de priester, die de wacht had, heeft even

voor u de kapel verlaten.”

„— —dat— —dat— —dat is onmogelijk! Ik was alleen in de kapel!”

„Neen,” zei de officier, „wij hebben onze oogen om te zien en niet om

te slapen; even vóór u verliet een priester de kapel, die zich naar het

Vaticaan begaf.”

In hetzelfde oogenblik werd uit de kapel luid om de wacht geroepen.

IJlings stormden de soldaten binnen.

Midden in de kapel stond de priester, die den ochtenddienst had en met

uitgestrekten arm wees hij naar de leege lijst van de schilderij aan

den muur.

„Wat is er?” vroeg de officier.

„Daar—de Murillo is gestolen.”

Een oogenblik heerschte het diepste stilzwijgen. Het was den mannen te

moede, alsof zij een spook zagen.

Zij gingen naar de leege lijst om zich nog eens te overtuigen en konden

niets ontdekken dan den leegen muur.

De Murillo was verdwenen.

De priester wendde zich tot den officier:

„Ga vlug naar kardinaal Mansini en meld hem het gebeurde. Alarmeer de

heele wacht en voorts de pauselijke politie. Alles moet in het werk

gesteld worden om de Murillo terug te krijgen.”

De officier vloog weg om het bevel uit te voeren.

De priester wendde zich thans tot zijn ambtsbroeder, die als verdoofd

tegen een pilaar stond:

„Ongelukkige, je plichtverzaking heeft ons groote schade berokkend!”

„Ik—ik weet niet, hoe het gebeurd is,” stamelde de priester, „ik moet

wel verdoofd zijn geweest!”

Hij herinnerde zich thans den droom en vertelde dien, zoo goed en zoo

kwaad als het ging.

Ook kardinaal Mansini, die intusschen was gekomen, herhaalde hij den

droom.

De kardinaal ging naar den zilveren apostel en onderzocht dezen en toen

ontdekte hij den geheimen ingang, waardoor een mensch gemakkelijk de

figuur kon binnentreden.

Terzelfdertijd vond hij een brief, die aan het secretariaat van den

paus gericht was.

De kardinaal opende dezen en las:

„Ik deel uw Hoogwelgeboren door dezen mede, dat ik helaas

genoodzaakt ben om voor den tijd van eenige weken uw Murillo te

leenen.

„Gij kunt onbezorgd zijn, daar de Murillo, als ze haar dienst heeft

gedaan, weer onbeschadigd op de oude plaats zal worden

teruggebracht.

„Mijn naam zal daarvoor wel waarborg zijn.”

„JOHN C. RAFFLES.”

De kardinaal las den brief twee keer, toen stak hij hem bij zich.

Zonder den omstanders eenige opheldering te geven, zei hij:

„De zaak is opgehelderd. Ik vertrouw volkomen op den inhoud van dezen

brief. Gij allen moet over wat hier is voorgevallen, het diepste

stilzwijgen bewaren en op de vragen van nieuwsgierigen naar het

verblijf van de Murillo antwoorden, dat deze gerestaureerd wordt. Bedek

de leege plek zoolang tot de schilderij weer in ons bezit is. Hang er

een fluweelen gordijn voor.”

Met een groetende handbeweging verliet de kardinaal de kapel en niemand

van hen, die waren achtergebleven waagde het, het bevel van den

geestelijke te overtreden.

Het was ongeveer acht uur in den morgen, toen mr. Harry Smith met een

priester samen het hotel Continental in een auto verliet om, zooals zij

beweerden, een tochtje te gaan maken in de omstreken van Rome.

Maar tevergeefs wachtte des avonds de portier op de terugkomst van den

gast en toen deze ook den volgenden dag nog niet was teruggekomen, werd

de kamer van mr. Harry Smith weer verhuurd.

Mr. Harry Smith was weer Charly Brand geworden, en de priester was

veranderd in John C. Raffles. Zij waren met de auto naar het station

gereden en hadden kaartjes genomen naar Brindisi. In Brindisi maakten

zij van hun tijd gebruik om het uiterlijk te veranderen, door valsche

baarden aan te doen. Zoo gingen zij den volgenden dag aan boord van een

stoomboot met bestemming naar New-York.

Raffles noemde zich gezantschapssecretaris en Charly Brand stond op de

passagierslijst ingeschreven als zijn bediende.

In een gewone rol papier lag in de hut van Raffles de gestolen Murillo.

Op den 22sten Januari liep de stoomboot New-York binnen.

Zij namen hun intrek in een klein boardinghouse van de 54ste straat. —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

In Player-club zaten dien avond als gewoonlijk de leden bij elkaar en

het onderwerp van gesprek was als gewoonlijk de streken van Raffles.

Mr. Bennet moest heel wat steken slikken en hij was maar blij, dat hij

persoonlijk van Raffles nog niet de nadeelen had ondervonden.

Mr. Bennet had zoo juist voor den twaalfden keer verklaard, dat hij in

mr. Whitney’s plaats dadelijk John Raffles herkend zou hebben, toen de

lakei van de club, vergezeld van een vreemdeling, die een rol droeg, op

mr. Bennet toetrad.

„Deze heer wenscht u te spreken”, zei de lakei.

Mr. Bennet kon zich niet herinneren, den vreemdeling ooit te hebben

gezien en vroeg op hoogen toon, wat er van hem verlangd werd. De

vreemdeling nam met een ruk zijn valschen baard af, kleefde glimlachend

zijn monocle in het oog en mr. Bennet keek in het gladgeschoren,

geestige gelaat van John C. Raffles.

Diepe stilte heerschte onder de aanwezigen. Raffles had slechts

behoeven te roepen „handen hoog” en zonder eenigen tegenstand zouden

hem alle portefeuilles, chèqueboeken, briljanten en horloges worden

gegeven.

„Gentlemen”, zei Raffles en hij maakte een hoffelijke buiging, „ik kom

naar aanleiding van mijn weddenschap met mr. Bennet en wil hem het

bewijs leveren, dat ik de weddenschap gewonnen heb.”

Glimlachend maakte hij de rol los, die hij in de linkerhand droeg en

spreidde toen op het tapijt voor den haard de Murillo uit.

Een luide kreet van bewondering ging op.

„Kunt ge de echtheid bewijzen?” vroeg mr. Bennet.

Zonder een woord te spreken keerde Raffles de schilderij om en nu kon

ieder op de achterzijde het pauselijke wapen herkennen.

De clubleden bleven zwijgend staren,

„Hoe komt ge aan deze schilderij?” vroeg mr. Bennet.

Raffles maakte een komische beweging, toen hij zich voorstelde:

„John C. Raffles”.

Toen sprak hij:

„Ge ziet, mr. Bennet, dat ik dus wel degelijk in het bezit ben van een

echte, een kostbare Murillo en dat ik dus mijn weddenschap, die hier in

de club zoo groot opzien baarde, glansrijk heb gewonnen. Ge verbaast u

er over? Maar dat moet ge niet doen, mr. Bennet, dat moet ge absoluut

niet doen. Ge kunt uit het gebeurde wel eenig voordeel trekken en als

ik u, voor zoo korte kennismaking, een goeden raad mag geven, dan zou

ik u willen zeggen: Wees in ’t vervolg een beetje voorzichtiger met uw

weddenschappen, mr. Bennet! En thans verzoek ik u zeer beleefd om de

chèque, waarop ik recht heb.”

De clubleden barstten uit in vroolijk lachen.

En mr. Bennet?

Hij was zoo verstandig om mee te lachen, al klonk die lach dan ook wel

een heel klein beetje gedwongen.

Toen zei hij:

„Ge hebt gelijk. Ik heb mijn weddenschap verloren.”

Hij haalde zijn chèque-boek uit den zak, ging aan een der

schrijftafeltjes zitten en vulde een der blaadjes in, dat hij daarna

uit het boekje scheurde en den winner overhandigde.

„Hier is de chèque!”

Raffles nam het blaadje, bekeek het eens met alle aandacht en zei:

„Ik zal u morgen, zoodra de chèque door mij geïnd is, deze schilderij

zenden. Gij, op uw beurt, kunt haar dan hoogst zorgvuldig laten

inpakken en, liefst onder uitstekend en vertrouwd geleide, naar Rome

terugzenden. Als ge dit doet, mr. Bennet, zult ge het Vaticaan voor

eeuwig aan u verplichten, dat kan ik u ten stelligste verzekeren. Dan

wilde ik nog dit zeggen. Ik hoop vooral, dat ge mij bij het innen van

deze chèque op geenerlei wijze zult bemoeilijken en dat ge, indien ge

daartoe wellicht het plan mocht hebben opgevat, de recherche niet vóór

twaalf uur morgenmiddag van mijn afwezigheid zult in kennis stellen. Ge

zult u zeker wel aan dit billijke verzoek mijnerzijds willen houden,

want anders zoudt ge inderdaad handelen tegen de gewoonten van een

gentleman en, mr. Bennet, ik verzeker u, dat ik mij op schitterende

wijze zou weten te wreken.”

Na deze woorden, die met aangename, diepe en klankrijke stem werden

geuit, rolde hij met kalm gebaar de schilderij weer op, stak de zoo pas

ontvangen chèque in zijn borstzak en wilde heengaan, nadat hij voor de

aanwezige heeren een onberispelijke buiging had gemaakt.

Maar toen trad een der clubleden hem in den weg, die hem een lijvig

boek voorhield, gebonden in marrokijnleder, waarin alle gasten der club

hun naam plachten te zetten. En met een hoffelijke beweging vroeg hij

den bezoeker:

„Zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn, ons register te verrijken met uw

handteekening, zooals ge dat ook eens in Windsor-club te Londen hebt

gedaan?”

Verrast keek Raffles op.

„Ge doet ons daarmede inderdaad een groot genoegen,” voegde het

club-lid er nog aan toe, „ik spreek uit naam van alle aanwezigen!”

Nu haalde Raffles uit zijn binnenzak een vulpenhouder voor den dag en

met groote, forsche, vaste letters schreef hij zijn naam in het boek.

Raffles boog—de clubleden bogen—toen verdween de vreemdeling.

Den achterblijvenden heeren kwam de heele geschiedenis als een dolle

droom, een verschijning uit bovenaardsche streken voor. En als niet in

het lijvig register de sprekende handteekening van John C. Raffles had

gestaan; als niet mr. Bennet, juist niet tot zijn allergrootst genoegen

twee millioen armer was geworden, dan hadden de heeren zeker alles, wat

zich in het laatste half uur had afgespeeld, voor een spookverschijning

gehouden.

En Raffles?

Die inde den volgenden dag de chèque, bij de uitbetaling waarvan hij

niet de geringste moeite ondervond.

Toen zond hij de kostbare Murillo uit het Vaticaan, naar mr. Bennet,

die, zooals den vorigen avond was afgesproken, voor de verdere

verzending naar Rome zorgde. En om twee uur in den middag vermeldden de

middagbladen, die in extra-oplaag waren verschenen, het laatste

sensatiebericht over Raffles.

Gretig kocht het publiek de kranten; de krantenjongens hadden geen

handen genoeg om hun klanten te bedienen en de geschiedenis van de

weddenschap en van den ongehoord brutalen schilderijendiefstal werd

door het op sensatie beluste publiek verslonden.

Omstreeks denzelfden tijd waren in Londen aangekomen politie-inspecteur

Baxter van Scotland Yard, vergezeld van den New-Yorker chef Pinkerton.

Een bom die aan hun voeten was ontploft, had geen schrikkelijker

uitwerking kunnen hebben op de beide politie-mannen dan het

ontstellende bericht dat Raffles, de Groote Onbekende, die naar hun

meening over boord was gesprongen en verdronken, zich goed en wel in

New-York bevond en daar zijn weddenschap van twee millioen van mr.

Bennet had gewonnen.

Lord Lister No. 0015: De zilveren apostel · 第 3 / 3 段