weg.
Wagner stond juist op de laadplaat, toen hij achter zich hoorde:
„Halt of ik schiet!”
Met knikkende knieën keerde hij zich om.
Achter hem stonden twee mannen, waarin hij in het volgende oogenblik
twee van zijn collega’s herkende, die zich met geweldige vaart op den
vreemde wierpen, hen beetpakten en weer aan land trokken. Wagner
daarentegen werd door een matroos aan dek getrokken, die tegelijkertijd
de loopplank wegnam.
Nu begonnen ook reeds de machtige schroeven te arbeiden en bracht de
boot van het land af.
De scheepskapel begon te spelen:
„Liefje, adé,
Scheiden doet wee!”
De achterblijvenden wuifden met zakdoeken en hoeden, wierpen kushanden
op en droogden tranen.
En niemand lette op de worstelpartij tusschen Baxter, de
politieagenten, Pinkerton en Tancred.
„Hier is Raffles!” riep Harrison tot zijn chef.
„Idioot!” brulde Baxter en hij gaf den man een vuistslag.
„Jullie bent gek!” riep Pinkerton tot zijn mannen, „daar aan boord
staat Raffles! Laat dien man los!”
„Wie zijt ge?” vroeg Tancred nu aan Baxter.
„Politieinspecteur Baxter van Scotland Yard uit Londen. En wat voor een
kameel ben jij?”
„Commissaris Tancred uit Parijs!”
De detectives keken elkander eenige oogenblikken totaal verbluft aan,
tot ieder losbarstte in een vloed van scheldwoorden. En daartusschen
door klonk plotseling een hartelijk lachen. Dat was detective Marholm.
Die was op een ton gaan zitten en lachte, tot hij niet meer kon en met
de voeten tegen het leege vat trappelde.
Aan de borstwering van deze boot echter stonden drie personen.
Nummer een was Charly Brand of, zooals hij zich had laten inschrijven,
mr. Harry Smith uit Chicago.
Hij was bleek van zenuwachtigheid en een zee-officier naast hem zei:
„Wel, bij u doet de zeeziekte zich al gauw gevoelen! Ga mee en laat ons
een flink glas whisky drinken!”
En nog een tweede stond daar, die het dringend noodig had, om een
stevig glas whisky te drinken en dat was de ontvluchte detective
Wagner.
Nummer drie echter was John Raffles. Hij stond tegen de borstwering
geleund en keek door den kijker naar de worsteling tusschen de
detectives.
Hij begreep terstond den samenhang van de heele geschiedenis en om zijn
mond speelde een glimlach.
Hij ging het dek wat op en neer wandelen en stak z’n zooveelste sigaret
op. Op de passagierslijst stond hij ingeschreven als sennor Lobec uit
Cuba.
Raffles had zich uitstekend vermomd met een bruinen baard, zoodat zelfs
Charly Brand hem niet herkende.
Eerst op den vierden dag van de reis knoopte hij, met dezen, in het
bijzijn van een zeeofficier, een gesprek aan over het weer.
Niemand mocht ook maar vermoeden, dat dit tweetal bij elkaar behoorde.
Raffles was al heel gauw op zeer goeden voet met dezen officier, die
hem het heele schip liet zien, zoodat Raffles er al gauw den weg wist
en ook de bergplaats zag, waar de kist stond met den zilveren apostel,
die voor den paus bestemd was.
Toen de officier de ruimte afsloot, zei Raffles tot zich zelven:
„Een heel eenvoudig slot, dat doodmakkelijk te openen is.”
Na een tocht van twaalf, dagen doemden eindelijk de lichten van den
vuurtoren van Genua op: de passagiers hadden hun bagage bij elkaar
gezocht en wachtten vol ongeduld, dat de stoomboot zou aanleggen.
Langzaam stoomde deze de haven binnen.
Bij de laatste pier naderde een politieboot.
In het volgende oogenblik klauterde een half dozijn Italiaansche
detectives en even zooveel karabiniers aan boord en de hoofdman deelde
den kapitein mede, dat de veelgezochte Raffles op het schip was.
De kapitein dacht eenige seconden na.
Toen zei hij:
„Ik heb hier aan boord een passagier 2de klasse, die mij wel een beetje
verdacht voorkomt. Hij heeft hut nummer 48.”
De stoomboot had nog een half uur te stoomen en de detectives hadden
intusschen tijd genoeg om hun onderzoek in te stellen.
Toen mr. Wagner de detectives zijn hut zag binnenkomen, brak hem het
angstzweet uit.
„Kunt ge u legitimeeren?” vroeg de Italiaan.
„Neen,” antwoordde Wagner met bevende stem, „maar ik weet, waarvoor ge
komt. Ik zweer u echter, dat ik het sieraad niet gestolen heb.”
„Welk sieraad?” vroeg de ander.
Wagner deed een omslachtig verhaal.
De Italiaansche politieman verklaarde hem in voorloopige hechtenis te
zullen nemen totdat uit Amerika de noodige opheldering kwam.
De Italiaan zag echter ook terstond dat Wagner niet de veelgezochte
Raffles was.
Daar trad de eerste officier naar hem toe met een visitekaartje in de
hand.
„Zie eens hier, heer commissaris” zei hij, „ge hebt gelijk! Een steward
bracht mij zoo juist dit pakje. Wij hebben John Raffles aan boord. Hij
zond ons dit tot aandenken. Zijn baard en zijn kaartje. Lees maar
eens!”
De politieman las:
Den slimmen Amerikaanschen, Engelschen, Franschen en Italiaanschen
politie-beambten, bijzonder inspecteur Baxter, zijn trouwen
collega’s uit New-York en, den Parijschen commissaris Tancred zend
ik mijn besten dank voor de grappige scene voorgevallen bij mijn
vertrek uit New-York. Voorts groet ik de Italiaansche detectives en
ik betreur het, dat ik hun gelaatsuitdrukking niet kan zien, als
zij deze kaart lezen.
JOHN C. RAFFLES
alias LORD LISTER.
De Italiaan stiet een geduchten vloek uit en toen rende hij naar de
landingsplaats, waar alle passagiers langs moesten gaan. Hier kon
Raffles niet ontkomen.
Langzaam liepen de passagiers nu de loopplank af, scherp gadegeslagen
door de detectives. Nu was ook de laatste reeds voorbijgegaan, maar
Raffles was er niet langs gekomen.
„Haal de landingsbrug op!” beval de kapitein, „het schip zal net zoo
lang doorzocht worden, tot we hem hebben!”
De matrozen en stewards maakten zich ten jacht gereed. Geen plekje
bleef ondoorzocht. Maar niets was er van Raffles te ontdekken. Alles,
wat er van hem was overgebleven, was de zwarte baard. En dat was
bedroevend weinig.
„De kerel is over boord gesprongen”, meende de kapitein en met deze
boodschap konden de Italiaansche detectives van boord gaan. En dit
bericht werd ook naar Pinkerton en naar Baxter getelegrafeerd.
De passagiers hadden intusschen vol ongeduld in het douanegebouw op hun
bagage gewacht.
Eindelijk kwam het van boord.
„Aan Zijne Heiligheid Paus Pius X”, las een der tolbeambten op het
metalen schild, dat op een groote kist was bevestigd, waarin de firma
Tiffany het geschenk voor den paus had verpakt.
De beambte keek het begeleidende papier in en las op:
„Mr. Harry Smith!”
Deze kwam uit het gewoel te voorschijn.
„De kist is vrij van invoerrechten,” zei de beambte, „ge kunt die
bagage meenemen.”
Mr. Harry Smith riep eenige dienstmannen, liet de kist opladen en reed
er mee naar het station.
Voordat hij in den trein voor Rome stapte, gaf hij een telegram af voor
het Vaticaan waarin hij de komst van het geschenk aankondigde.
Toen hij tegen den morgen aan het Centraal Station te Rome aankwam,
werd hij door een ouderen geestelijke ontvangen.
Nadat de heeren over en weer de noodige beleefdheidszinnen hadden
gewisseld, werd de kist met den zilveren apostel in het Lateraan
gebracht, daar voorloopig uitgepakt en voor het hoogaltaar opgesteld.
Hier moest het geschenk eerst gewijd worden, voordat de paus het
aanvaardde en uitmaakte, wat hij er mede zou doen.
Mr. Harry Smith intusschen was afgestapt in „Hotel Continental”, zooals
Raffles met hem had afgesproken.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE DROOM VAN DEN PRIESTER.
Niet ver van het hoogaltaar verwijderd, zat in een kerkstoel een jong
priester, die de nachtwaak in de kapel had.
Het was zijn taak om bij het geringste verdachte geluid de Zwitsersche
soldaten, die achter de breede gordijnen stonden opgesteld, te
waarschuwen en met hen na te zoeken of misschien een inbreker de kapel
was binnengeslopen.
Reeds meerdere malen hadden internationale dieven getracht, de in de
kapel aanwezige kostbaarheden, die met prachtige edelsteenen versierd
waren, te rooven.
De jonge priester las in een Latijnsch gebedenboek en prevelde halfluid
voor zich heen.
Plotseling hoorde hij een geluid, alsof een metaal op elkander werd
geslagen. Bij het heldere maanlicht, dat door de hooge boogvensters
viel, kon hij duidelijk alles zien, wat gebeurde.
Het geluid herhaalde zich en de jonge priester merkte op, dat het van
den zilveren apostel kwam. Hij zag nu zelfs, al was het maar voor een
oogenblik, dat een hoofd van uit den zilveren apostel wegkeek.
De jonge priester stond op en daar hij niet bang was, ging hij naar het
beeld toe en keek, of zich daarachter misschien een vreemdeling had
verborgen.
Maar hij ontdekte niets en in de meening, dat zijn fantasie hem parten
had gespeeld, ging hij naar zijn plaats terug en begon opnieuw bij het
matte schijnsel van een lampje te lezen.
Langzaam verstreken de nachtelijke uren.
De zoete wierookgeur drukte zwaar op de slapen van den jeugdigen waker,
die de grootste moeite had, om wakker te blijven.
Hij legde het brevier terzijde, rekte de armen eens uit en keek met
slaapdronken gelaat door de kapel.
En plotseling droomde hij, naar hij meende, een vreeselijken droom:
Hij zag, hoe het kleed van den zilveren apostel zich opende en een
zwarte gedaante daaruit te voorschijn trad. Als verlamd keek de
priester naar deze verschijning.
En de vreemde gestalte wendde zich tot hem en kwam met langzame
schreden al nader en nader.
De jonge priester wilde om hulp roepen, maar zijn stem stokte hem in de
keel. Hij liet de gedaante op zich afkomen en verzette zich niet, toen
deze hem een doek voor het gelaat bond, die gedrenkt was in een
vloeistof, welke naar amandelen riekte.
Slechts enkele seconden verliepen, toen viel de jonge priester
bewusteloos in zijn bidstoel neer.
De vreemde priester bekeek hem eenige oogenblikken en sprak toen tot
zichzelven:
„De vier-en-twintig uren in den zilveren apostel waren vreeselijk, maar
ik heb nu mijn weddenschap zoo goed als gewonnen, want nu zal ik mij
voor eenigen tijd de Murillo van den paus toeëigenen.”
Het was Raffles, die in den zilveren apostel had verborgen gezeten.
Tien uren voordat de stoomboot landde, was hij naar het ruim geslopen,
had het slot geopend en was, met behulp van Charly Brand, in het
zilveren beeld gekropen.
Op deze manier was Raffles aan boord van de stoomboot plotseling
verdwenen en noch de detectives, noch de zeeofficiers hadden hem kunnen
vinden.
Nu stond hij in de kapel en keek om zich heen.
Aan den linkermuur ontdekte hij al heel spoedig de gezochte Murillo.
Hij haalde uit een zijnis een ladder te voorschijn, klom daar doodstil
op, nam een scherp mes uit zijn zak en sneed de schilderij langs de
uiterste randen voorzichtig uit de lijst.
Bijna een uur had het werk geduurd, toen hij eindelijk de schilderij
opgerold in de hand droeg en de ladder weer op haar plaats zette.
De kerktorens van Rome sloegen vier uur, toen Raffles de sloten der
kerkdeuren hoorde knarsen, ten teeken, dat deze van buiten geopend
werden.
Hij hurkte neer in een nis en achter een pijler verborgen wachtte hij,
tot de dubbele deur geopend werd en de jonge priester zijn kameraad zou
komen aflossen.
Toen deze eindelijk kwam en den slapende ontdekte, stiet hij hem aan en
maakte hem wakker.
Slaapdronken opende de ander de oogen, mompelde eenige onverstaanbare
woorden en stond op.
Hij hoorde niet eens, dat de ander zei:
„Ik zal den kardinaal rapporteeren, wat gebeurd is!”
Met wankele schreden, nog altijd onder de inwerking der verdooving,
ging de jonge priester naar den uitgang van de kapel.
Toen hij voor de poort kwam, riepen de Zwitsersche soldaten een luid
„Halt!”
Verbaasd bleef de priester staan en vroeg:
„Wat? Wat wilt ge van mij?”
De wachthebbende officier kwam naar hem toe en sprak:
„Wie zijt ge?”
„Ik heb de wacht gehad,” antwoordde de jonge priester.
„Dat kan niet in orde zijn; de priester, die de wacht had, heeft even
voor u de kapel verlaten.”
„— —dat— —dat— —dat is onmogelijk! Ik was alleen in de kapel!”
„Neen,” zei de officier, „wij hebben onze oogen om te zien en niet om
te slapen; even vóór u verliet een priester de kapel, die zich naar het
Vaticaan begaf.”
In hetzelfde oogenblik werd uit de kapel luid om de wacht geroepen.
IJlings stormden de soldaten binnen.
Midden in de kapel stond de priester, die den ochtenddienst had en met
uitgestrekten arm wees hij naar de leege lijst van de schilderij aan
den muur.
„Wat is er?” vroeg de officier.
„Daar—de Murillo is gestolen.”
Een oogenblik heerschte het diepste stilzwijgen. Het was den mannen te
moede, alsof zij een spook zagen.
Zij gingen naar de leege lijst om zich nog eens te overtuigen en konden
niets ontdekken dan den leegen muur.
De Murillo was verdwenen.
De priester wendde zich tot den officier:
„Ga vlug naar kardinaal Mansini en meld hem het gebeurde. Alarmeer de
heele wacht en voorts de pauselijke politie. Alles moet in het werk
gesteld worden om de Murillo terug te krijgen.”
De officier vloog weg om het bevel uit te voeren.
De priester wendde zich thans tot zijn ambtsbroeder, die als verdoofd
tegen een pilaar stond:
„Ongelukkige, je plichtverzaking heeft ons groote schade berokkend!”
„Ik—ik weet niet, hoe het gebeurd is,” stamelde de priester, „ik moet
wel verdoofd zijn geweest!”
Hij herinnerde zich thans den droom en vertelde dien, zoo goed en zoo
kwaad als het ging.
Ook kardinaal Mansini, die intusschen was gekomen, herhaalde hij den
droom.
De kardinaal ging naar den zilveren apostel en onderzocht dezen en toen
ontdekte hij den geheimen ingang, waardoor een mensch gemakkelijk de
figuur kon binnentreden.
Terzelfdertijd vond hij een brief, die aan het secretariaat van den
paus gericht was.
De kardinaal opende dezen en las:
„Ik deel uw Hoogwelgeboren door dezen mede, dat ik helaas
genoodzaakt ben om voor den tijd van eenige weken uw Murillo te
leenen.
„Gij kunt onbezorgd zijn, daar de Murillo, als ze haar dienst heeft
gedaan, weer onbeschadigd op de oude plaats zal worden
teruggebracht.
„Mijn naam zal daarvoor wel waarborg zijn.”
„JOHN C. RAFFLES.”
De kardinaal las den brief twee keer, toen stak hij hem bij zich.
Zonder den omstanders eenige opheldering te geven, zei hij:
„De zaak is opgehelderd. Ik vertrouw volkomen op den inhoud van dezen
brief. Gij allen moet over wat hier is voorgevallen, het diepste
stilzwijgen bewaren en op de vragen van nieuwsgierigen naar het
verblijf van de Murillo antwoorden, dat deze gerestaureerd wordt. Bedek
de leege plek zoolang tot de schilderij weer in ons bezit is. Hang er
een fluweelen gordijn voor.”
Met een groetende handbeweging verliet de kardinaal de kapel en niemand
van hen, die waren achtergebleven waagde het, het bevel van den
geestelijke te overtreden.
Het was ongeveer acht uur in den morgen, toen mr. Harry Smith met een
priester samen het hotel Continental in een auto verliet om, zooals zij
beweerden, een tochtje te gaan maken in de omstreken van Rome.
Maar tevergeefs wachtte des avonds de portier op de terugkomst van den
gast en toen deze ook den volgenden dag nog niet was teruggekomen, werd
de kamer van mr. Harry Smith weer verhuurd.
Mr. Harry Smith was weer Charly Brand geworden, en de priester was
veranderd in John C. Raffles. Zij waren met de auto naar het station
gereden en hadden kaartjes genomen naar Brindisi. In Brindisi maakten
zij van hun tijd gebruik om het uiterlijk te veranderen, door valsche
baarden aan te doen. Zoo gingen zij den volgenden dag aan boord van een
stoomboot met bestemming naar New-York.
Raffles noemde zich gezantschapssecretaris en Charly Brand stond op de
passagierslijst ingeschreven als zijn bediende.
In een gewone rol papier lag in de hut van Raffles de gestolen Murillo.
Op den 22sten Januari liep de stoomboot New-York binnen.
Zij namen hun intrek in een klein boardinghouse van de 54ste straat. —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
In Player-club zaten dien avond als gewoonlijk de leden bij elkaar en
het onderwerp van gesprek was als gewoonlijk de streken van Raffles.
Mr. Bennet moest heel wat steken slikken en hij was maar blij, dat hij
persoonlijk van Raffles nog niet de nadeelen had ondervonden.
Mr. Bennet had zoo juist voor den twaalfden keer verklaard, dat hij in
mr. Whitney’s plaats dadelijk John Raffles herkend zou hebben, toen de
lakei van de club, vergezeld van een vreemdeling, die een rol droeg, op
mr. Bennet toetrad.
„Deze heer wenscht u te spreken”, zei de lakei.
Mr. Bennet kon zich niet herinneren, den vreemdeling ooit te hebben
gezien en vroeg op hoogen toon, wat er van hem verlangd werd. De
vreemdeling nam met een ruk zijn valschen baard af, kleefde glimlachend
zijn monocle in het oog en mr. Bennet keek in het gladgeschoren,
geestige gelaat van John C. Raffles.
Diepe stilte heerschte onder de aanwezigen. Raffles had slechts
behoeven te roepen „handen hoog” en zonder eenigen tegenstand zouden
hem alle portefeuilles, chèqueboeken, briljanten en horloges worden
gegeven.
„Gentlemen”, zei Raffles en hij maakte een hoffelijke buiging, „ik kom
naar aanleiding van mijn weddenschap met mr. Bennet en wil hem het
bewijs leveren, dat ik de weddenschap gewonnen heb.”
Glimlachend maakte hij de rol los, die hij in de linkerhand droeg en
spreidde toen op het tapijt voor den haard de Murillo uit.
Een luide kreet van bewondering ging op.
„Kunt ge de echtheid bewijzen?” vroeg mr. Bennet.
Zonder een woord te spreken keerde Raffles de schilderij om en nu kon
ieder op de achterzijde het pauselijke wapen herkennen.
De clubleden bleven zwijgend staren,
„Hoe komt ge aan deze schilderij?” vroeg mr. Bennet.
Raffles maakte een komische beweging, toen hij zich voorstelde:
„John C. Raffles”.
Toen sprak hij:
„Ge ziet, mr. Bennet, dat ik dus wel degelijk in het bezit ben van een
echte, een kostbare Murillo en dat ik dus mijn weddenschap, die hier in
de club zoo groot opzien baarde, glansrijk heb gewonnen. Ge verbaast u
er over? Maar dat moet ge niet doen, mr. Bennet, dat moet ge absoluut
niet doen. Ge kunt uit het gebeurde wel eenig voordeel trekken en als
ik u, voor zoo korte kennismaking, een goeden raad mag geven, dan zou
ik u willen zeggen: Wees in ’t vervolg een beetje voorzichtiger met uw
weddenschappen, mr. Bennet! En thans verzoek ik u zeer beleefd om de
chèque, waarop ik recht heb.”
De clubleden barstten uit in vroolijk lachen.
En mr. Bennet?
Hij was zoo verstandig om mee te lachen, al klonk die lach dan ook wel
een heel klein beetje gedwongen.
Toen zei hij:
„Ge hebt gelijk. Ik heb mijn weddenschap verloren.”
Hij haalde zijn chèque-boek uit den zak, ging aan een der
schrijftafeltjes zitten en vulde een der blaadjes in, dat hij daarna
uit het boekje scheurde en den winner overhandigde.
„Hier is de chèque!”
Raffles nam het blaadje, bekeek het eens met alle aandacht en zei:
„Ik zal u morgen, zoodra de chèque door mij geïnd is, deze schilderij
zenden. Gij, op uw beurt, kunt haar dan hoogst zorgvuldig laten
inpakken en, liefst onder uitstekend en vertrouwd geleide, naar Rome
terugzenden. Als ge dit doet, mr. Bennet, zult ge het Vaticaan voor
eeuwig aan u verplichten, dat kan ik u ten stelligste verzekeren. Dan
wilde ik nog dit zeggen. Ik hoop vooral, dat ge mij bij het innen van
deze chèque op geenerlei wijze zult bemoeilijken en dat ge, indien ge
daartoe wellicht het plan mocht hebben opgevat, de recherche niet vóór
twaalf uur morgenmiddag van mijn afwezigheid zult in kennis stellen. Ge
zult u zeker wel aan dit billijke verzoek mijnerzijds willen houden,
want anders zoudt ge inderdaad handelen tegen de gewoonten van een
gentleman en, mr. Bennet, ik verzeker u, dat ik mij op schitterende
wijze zou weten te wreken.”
Na deze woorden, die met aangename, diepe en klankrijke stem werden
geuit, rolde hij met kalm gebaar de schilderij weer op, stak de zoo pas
ontvangen chèque in zijn borstzak en wilde heengaan, nadat hij voor de
aanwezige heeren een onberispelijke buiging had gemaakt.
Maar toen trad een der clubleden hem in den weg, die hem een lijvig
boek voorhield, gebonden in marrokijnleder, waarin alle gasten der club
hun naam plachten te zetten. En met een hoffelijke beweging vroeg hij
den bezoeker:
„Zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn, ons register te verrijken met uw
handteekening, zooals ge dat ook eens in Windsor-club te Londen hebt
gedaan?”
Verrast keek Raffles op.
„Ge doet ons daarmede inderdaad een groot genoegen,” voegde het
club-lid er nog aan toe, „ik spreek uit naam van alle aanwezigen!”
Nu haalde Raffles uit zijn binnenzak een vulpenhouder voor den dag en
met groote, forsche, vaste letters schreef hij zijn naam in het boek.
Raffles boog—de clubleden bogen—toen verdween de vreemdeling.
Den achterblijvenden heeren kwam de heele geschiedenis als een dolle
droom, een verschijning uit bovenaardsche streken voor. En als niet in
het lijvig register de sprekende handteekening van John C. Raffles had
gestaan; als niet mr. Bennet, juist niet tot zijn allergrootst genoegen
twee millioen armer was geworden, dan hadden de heeren zeker alles, wat
zich in het laatste half uur had afgespeeld, voor een spookverschijning
gehouden.
En Raffles?
Die inde den volgenden dag de chèque, bij de uitbetaling waarvan hij
niet de geringste moeite ondervond.
Toen zond hij de kostbare Murillo uit het Vaticaan, naar mr. Bennet,
die, zooals den vorigen avond was afgesproken, voor de verdere
verzending naar Rome zorgde. En om twee uur in den middag vermeldden de
middagbladen, die in extra-oplaag waren verschenen, het laatste
sensatiebericht over Raffles.
Gretig kocht het publiek de kranten; de krantenjongens hadden geen
handen genoeg om hun klanten te bedienen en de geschiedenis van de
weddenschap en van den ongehoord brutalen schilderijendiefstal werd
door het op sensatie beluste publiek verslonden.
Omstreeks denzelfden tijd waren in Londen aangekomen politie-inspecteur
Baxter van Scotland Yard, vergezeld van den New-Yorker chef Pinkerton.
Een bom die aan hun voeten was ontploft, had geen schrikkelijker
uitwerking kunnen hebben op de beide politie-mannen dan het
ontstellende bericht dat Raffles, de Groote Onbekende, die naar hun
meening over boord was gesprongen en verdronken, zich goed en wel in
New-York bevond en daar zijn weddenschap van twee millioen van mr.
Bennet had gewonnen.