Terwijl onze kleine karavaan regelmatig opgesteld verder marcheerde,

riepen plotseling de negers die in 't voorste gelid liepen, dat ze

een "witman" zagen. 't Eerste oogenblik waren we niet buitengewoon

verwonderd, overtuigd dat de zwartjes zich vergist moesten hebben,

maar toen ik, naar hen toegaande, vroeg, wat ze eigenlijk bedoelden,

wezen ze opgewonden naar een hut aan den anderen oever, waar ik

werkelijk een blanke onderscheidde. De man stond, geheel naakt,

bij den ingang der hut, diep voorovergebogen met iets in zijn hand,

een werktuig blijkbaar, waarmee hij bezig was, en met zijn rug naar

ons toegekeerd, zoodat hij ons niet zien kon.

Ik beduidde den negers geen lawaai te maken en wachtte tot de anderen

ons hadden ingehaald om hen te kunnen overtuigen dat hier geen sprake

was van een vergissing. Op dit oogenblik scheen de blanke onze nadering

te bespeuren; hij richtte zich als verschrikt op, en tuurde naar ons,

blijkbaar niet minder verrast dan wij zelve en naar 't mij voorkwam,

eerder angstig dan blij.

't Duurde niet lang of ook de overige bewoners kregen ons in 't oog

en allen liepen aan den anderen kant der breede beek te hoop, niet

wetende, zooals de blanke ons later vertelde, of ze zouden blijven

wachten of vluchten.

Als er blanken onder hen leven, dacht ik, moet het ons natuurlijk

veel gemakkelijker vallen ons met hen te verstaan dan met de overige

negerbevolking, en dus bond ik een witten lap aan een stok en zond

er twee negers mee tot aan den oever, hen bevelende dit vredesteeken

flink omhoog te houden. Het signaal werd onmiddellijk begrepen, en

de blanke trad met twee negers zoo dicht mogelijk aan den anderen zoom.

Daar de man echter geen Portugeesch sprak, konden ze elkaar slechts

door gebaren en teekens eenigszins verstaan, maar onze negers beduidden

hem dat er ook blanken bij ons gezelschap waren, waarop de "witman"

zooals ze mij vertelden, gelachen had. Na korten tijd kwamen onze

negers terug met het bericht dat het allemaal goede vrienden waren,

en na een poos begaven zich vier der onzen met twee inboorlingen

en den Zwarten Prins naar den oever om zich nader met den blanke in

verbinding te stellen.

Geen tien minuten zullen verloopen zijn geweest of een der negers kwam

naar mij toegerend met het bericht dat de "witman" een "Inglese" was

zooals hij hem noemde, waarop ik zoo gauw ik kon met hem naar de beek

terugliep om werkelijk in den naakten vreemdeling een landgenoot te

vinden. De man geraakte geheel van streek en drukte mij diep ontroerd

beide handen, terwijl de tranen hem langs het gezicht stroomden. Eer

wij hem bij de beek ontmoetten, was de eerste verbazing over onze

komst al voorbij, maar ieder kan er zich wel een voorstelling van

maken, die het verhaal hoort van zijn allerellendigste omstandigheden

en zijn wonderbaarlijke redding, zóó wonderbaarlijk als geen tweede

mensch ter wereld misschien beleefde, want het was duizend tegen één,

dat hij ooit uit dien vreeselijken toestand verlost zou zijn geworden,

wanneer wij niet na al onze ongehoorde lotgevallen als door een wonder

met hem in aanraking waren gekomen.

Uit allerlei kleinigheden: zijn houding, zijn wijze van spreken, zijn

geheele optreden, bleek mij dat hij een man van goede afkomst was,

zelfs in zijn barbaarsche omgeving had hij het stempel der beschaving

niet verloren.

Naar schatting moest hij een kleine veertig jaar oud zijn, hoewel

zijn lange baard en het slordige haar, dat voor een deel rug en borst

bedekte, hem ouder deden schijnen. Zijn teere huid was geheel verbrand

en hier en daar met blaren en schilfers bedekt door de felle hitte der

zon. Sedert ruim twee jaar had hij het al, zooals hij ons vertelde,

geheel zonder kleeren moeten stellen.

De zenuwachtige blijdschap over onze ontmoeting wond hem zóó op,

dat hij nauwelijks in staat was den eersten dag rustig met ons te

praten, en toen we hem, een paar uur na ons korte gesprek, alleen

zagen rondloopen, maakte hij de dolste gebaren en bewegingen als om

zijn niet te beheerschen blijdschap lucht te geven. Ja, zelfs nog

dagen later sprongen hem telkens weer opnieuw de tranen in de oogen,

wanneer we het onderwerp van onze gelukkige ontmoeting--en altijd

kwamen we daarop terug--maar aanroerden.

Steeds meer leerden we hem als een beleefd, goedhartig en edel mensch

kennen. In al wat hij deed of zei de, trad zijn beschaafde aard aan

den dag, en onze mannen toonden zich bijzonder met hem ingenomen. Hij

had een hoogeschool bezocht, was een goed wiskunstenaar en kon, al had

hij dan geen Portugeesch geleerd, Latijn spreken met onzen chirurg,

Fransch met een onzer matrozen en Italiaansch met een ander.

Aanvankelijk bleek hij te onrustig van geest om ons te vragen waar we

vandaan kwamen, hoe we in zulk een eenzamen streek waren verzeild en

wat wel het doel van onzen tocht kon zijn; één ding scheen hém genoeg:

dat wij als door den hemel gezonden waren om hem te verlossen uit de

ellendigste positie waarin een mensch ooit kon gebracht worden.

HOOFDSTUK IX.

NAAR ENGELAND TERUG.

Terwijl onze mannen ons kamp aan den oever der beek begonnen op te

slaan, vroeg mijn landgenoot ons, of we voldoende proviand hadden

en hoe we dachten ons van levensmiddelen te voorzien, en toen hij

hoorde dat het daar vrij droevig mee gesteld was, beloofde hij ons

met de inboorlingen te spreken, die volgens hem de vriendelijkste

en goedhartigste van de geheele streek waren. Dit bleek trouwens wel

uit het feit dat hij veilig onder hen leven kon.

De ontmoeting met den blanke bezorgde ons allerlei voordeelen. Ten

eerste wist hij ons nauwkeurig te vertellen waar we ons bevonden en in

welke richting we het best verder konden trekken; ten tweede wees hij

ons de middelen aan om aan proviand te komen, en ten derde werd hij een

onmisbaar tolk en onderhandelaar tusschen ons en de verdere bevolking,

die zich, toen we later de kust naderden, veel sluwer, ontwikkelder

en strijdlustiger betoonde dan de bewoners langs de beek. Ze lieten

zich door onze vuurwapens volstrekt geen ontzag inboezemen en bleken

niet van zins hun voedsel voor de sieraden van onzen kunstsmid te

ruilen. Blijkbaar had de omgang met de Europeesche kusthandelaars of

met de negerstammen die met deze in aanraking kwamen, hen geleerd,

hun voedsel alleen af te staan voor dingen die evenveel waarde hadden.

Dit gold wel te verstaan voor de negers die we spoedig zouden

ontmoeten; de zwartjes, waaronder mijn landgenoot driehonderd mijlen

van de kust woonde, waren nog volkomen argeloos. Hun gansche verkeer

met de Europeanen bestond daarin, dat ze in 't gebergte in 't noorden

olifantstanden verzamelden, die ze zestig à zeventig mijlen zuidwaarts

vervoerden en daar bij handeldrijvende negers inwisselden voor kralen

kettingen, schelpen, spiegeltjes, vliegendooders en dergelijke prullen,

die de Engelschen, Hollanders en andere Europeanen als ruilmiddelen

bij hun Afrikaanschen handel gebruikten.

Langzamerhand geraakten we met onzen nieuwen bekende op vertrouwelijker

voet en hoewel we zelf, wat onze kleeding betrof, maar een zeer

armzaligen indruk maakten, daar we kousen, schoenen noch hoeden, en

maar heel weinig hemden meer bezaten, kleedden we hem toch nog zoo

goed en zoo kwaad als 't ging. Onze heelmeester die een schaar en

een scheermes bezat, ontlaste hem van zijn overtolligen haargroei,

en in plaats van een hoed, maakte hij zich, heel handig, een muts

van een luipaardenhuid, zoodat hij er weer als een mensch begon uit

te zien. 't Gemis van kousen en schoenen die hij zoolang ontbeerd

had, hinderde hem zoo weinig, dat hij volstrekt niet op een paar

"voethandschoenen", zooals wij ze noemden, gesteld bleek.

Even nieuwsgierig als hij was om het verslag van onze wederwaardigheden

aan te hooren, even nieuwsgierig waren wij om te weten te komen hoe

hij zoo geheel alleen in dit afgelegen oord gestrand was. Zijn verhaal

was belangwekkend genoeg om er een boekdeeltje als dit mee te vullen,

en met groote belangstelling luisterden we naar zijn avonturen,

maar ik moet mij beperken tot een korte samenvatting.

Onze nieuwe vriend was zaakwaarnemer geweest voor de Engelsche

Guinea-compagnie te Sierra Leone, tot de factorij in handen der

Franschen viel, bij welke gelegenheid hij zoowel van zijn eigen

bezittingen als van het aanwezige kapitaal der maatschappij beroofd

werd. Toen de compagnie in gebreke bleef hem het verlorene te vergoeden

en een nieuwe positie aan te bieden, verliet hij haar dienst en

nam opdrachten aan van afzonderlijk handeldrijvende kooplieden,

om ten slotte geheel voor eigen rekening zaken te doen. Eens, toen

hij zich onvoorzichtigerwijze in een der nederzettingen van zijn

oude compagnie vertoond had, was hij, ten gevolge van verraad, of

bij een toevallige overval der negers, in hun handen gevallen. Daar

ze hem niet doodden, had hij na verloop van tijd zijn kans schoon

gezien naar een anderen negerstam te vluchten, die hem, omdat ze

op oorlogsvoet met den eersten leefde, vriendelijk ontving en hem

rustig onder hen deed leven. Ook hier beviel het hem natuurlijk

niet op den duur en hij vluchtte opnieuw. Na zoo verscheidene malen

van omgeving en gezelschap veranderd te zijn, was hij eindelijk, na

allerlei wonderlijke lotsverwisselingen, ongewapend en zonder nog

eenige hoop op uitkomst te hebben behouden, verzeild waar wij hem

vonden en waar het opperhoofd van den kleinen stam hem vriendelijk

ontvangen had. Tot dank voor de ondervonden gastvrijheid leerde hij

hun hoe ze sommige gewassen konden teelen, nuttige gereedschappen

maken en voordeeliger voorwaarden bedingen bij de onderhandelingen

met de negers die olifantstanden met hen kwamen ruilen.

Even berooid als hij was van kleeren, bleek hij dit ook wat bewapening

betrof. Hij bezat geweer, mes, zwaard, noch pijl en boog om zich tegen

de wilde dieren die veel in de streek voorkwamen, te verdedigen. Toen

we hem vroegen hoe het kwam, dat hij niet beter op zijn veiligheid

bedacht was, antwoordde hij: "Na al wat ik heb geleden, is het

leven mij ongeveer niets meer waard. Ik had me sinds maanden bij

het denkbeeld neergelegd, geen uitkomst meer te vinden, en in dat

wanhopige bewustzijn, zou 't mij niet hebben kunnen schelen, wanneer

er op de een of andere manier een einde aan mijn bestaan was gemaakt;

ja, ik zou er zelfs dankbaar voor zijn geweest. Daarbij leef ik hier

geheel afhankelijk van de genade van de negers, en die vertrouwen me

juist omdat ik geen wapens draag. Om wilde dieren behoef ik me niet

veel te bekommeren, ik verlaat mijn hut alleen in gezelschap van het

opperhoofd en zijn mannen, die altijd hun lansen en bogen bij zich

hebben. 't Gebeurt trouwens vrij zelden dat leeuwen of tijgers ons

overdag naderen, en blijven de negers 's nachts van huis, dan slaan

ze even een hut op en stoken een vuur om de beesten op een afstand

te houden."

Met hem overleggende wat wij nu in de eerste plaats moesten doen om zoo

gauw mogelijk de kust te bereiken, vertelde hij ons dat we ongeveer

honderd-en-twintig uur gaans verwijderd waren van dat gedeelte, waar

zich de meeste Europeesche nederzettingen en factorijen bevonden,

de zoogenaamde Goudkust. Op den weg daarheen zouden we evenwel

zooveel vijandige negerstammen te bestrijden hebben, dat de kans aan

provisie te komen of het leven er af te brengen, naar zijn meening

heel gering was.

"Maar er bestaan nog twee andere wegen," liet hij er op volgen "en als

ik gezelschap gehad had, zou ik stellig langs allebei getracht hebben

te ontkomen. De eene loopt vlak naar het westen en is wel langer,

maar niet zoo dicht- en niet zoo vijandig bevolkt. De andere komt

aan den Niger uit, dien we dan met kano's zouden kunnen afvaren."

"Precies wat ons eerste plan was!" riep ik verheugd. Maar hij temperde

mijn blijdschap door er ons op te wijzen, dat we om de rivier te

bereiken een groot stuk woestijn en een uitgestrekt oerwoud moesten

doortrekken, wat wij stellig, ook bij de grootste volharding, op

twintig dagreizen moesten schatten.

"Levert het land hier geen paarden, ezels of buffels op, om bij zoo'n

tocht gebruik van te maken?" vroeg onze kanonnier, op onze trouwe

lastdieren wijzende, waarvan er ons nog maar drie waren overgebleven.

"Neen," zei hij, "die komen in dit gedeelte van Afrika in 't geheel

niet voor. In het woud houden zich groote kudden olifanten op en in

het stuk woestijn veel tijgers, leeuwen, luipaarden, lynxen enz. De

negers trekken er altijd goed gewapend heen, om olifantstanden te

verzamelen en meestal komen ze met een mooien buit terug."

"Maar op dien weg naar de Goudkust?" vroeg ik, hartelijk verlangend

in een door Europeanen bewoonde streek te komen, "loopen daar geen

rivieren, die onzen tocht kunnen vergemakkelijken? Voor die gevechten

met de negers zijn we niet bang. We weten langzamerhand wel hoe met

dat volkje om te gaan, en als zij voedsel hebben, zullen we wel kans

zien ons deel daarvan te bemachtigen. Wijs ons den weg maar, dan

zullen wij dien met goed vertrouwen inslaan, en 't spreekt vanzelf

dat we elkaar onder alle omstandigheden blijven bijstaan."

Hij verzekerde ons dat hij niets liever wilde dan zijn lot aan het onze

verbinden en nam op zich, ons den weg te wijzen en wel zoo, dat we nog

hier en daar een vriendschappelijken negerstam zouden ontmoeten, die

ons niet alleen goed behandelen maar er misschien voor te vinden zoude

zijn ons tegen de vijandige horden bij te staan. En zoo besloten we

dus allen met elkaar de zuidelijke reis naar de Goudkust te aanvaarden.

Terwijl we den volgenden morgen allen bij-een-zaten om het verdere

plan voor den tocht te beramen, voegde hij zich bij ons en begon ons

zeer ernstig toe te spreken.

"Den ganschen nacht," zei hij, "heb ik er over nagedacht, hoe wij ons

allen eenigszins schadeloos zouden kunnen stellen voor de moeilijkheden

en ontberingen die wij zoo langen tijd hebben doorstaan. Dit kan

ik jullie wel verzekeren, dat dit land, hoe woest en onherbergzaam

het er ook moge uitzien, tot een der rijkste gebieden der heele

aarde behoort. Er is hier geen beek die geen goud, geen woestijn

die niet een schat aan ivoor oplevert. Niemand kan benaderen, hoe

rijk de mijnen zijn en welke onschatbare massa's goud de gebergten

bevatten. Te oordeelen naar al de schepen, die de Europeanen hier

heen zenden en naar het goudstof dat de rivieren en beken meevoeren,

moet de voorraad wel heel belangrijk zijn."

"Hoe ver zou zich dat rijke terrein wel uitstrekken?" vroeg ik. "De

scheepvaart bepaalt zich toch maar tot een zeker gedeelte van de kust."

"De negers doorzoeken de rivieren van de kust af tot op een

honderdvijftig of twee honderd mijlen," antwoordde hij. "Dikwijls

blijven ze twee of drie maanden uit en brengen altijd een rijken

buit mee terug. Tot waar wij nu zijn komen ze nooit, en toch is hier

zeker zooveel te vinden als dichter bij de kust. Als ik me de moeite

had willen getroosten er naar rond te zien en het bijeen te garen,

zou ik, sedert mijne komst hier, wel een honderd pond goud hebben

kunnen verzamelen. Maar ik zou niet geweten hebben wat er mee te

doen, nu ik alle hoop had opgegeven hier ooit vandaan te komen. Wat

zou 't mij geholpen hebben, al had ik me in 't goudzand kunnen

rondwentelen! De grootste schat kon mijn ellendig bestaan geen zier

lichter of vroolijker maken. Ik had er zelfs geen stuk kleeren voor

kunnen koopen, geen teug water om mij voor versmachten te bewaren! 't

Goud heeft hier niet de geringste waarde," eindigde hij, "en er zijn

menschen genoeg in die hutten daarginds, die een handvol stofgoud

zouden verkwanselen voor een paar glazen kralen of wat schelpen."

Om ons te bewijzen dat hij niet overdreef, haalde hij een ruwen aarden

pot, die in de zon gebakken was, en zette dien voor ons neer.

"Kijk," zei hij, "dit is nu wat slijk uit deze streek; als ik gewild

had, zou ik er heel wat van hebben kunnen vergaren."

De pot bevatte naar onze schatting twee of drie pond stofgoud van

dezelfde kleur als wij het vroeger hadden gevonden.

Toen we het bekeken hadden zei hij glimlachend:

"Nu ik al het mijne, zelfs mijn leven, als het eigendom van mijn

bevrijders beschouw, verzoek ik jullie mij het genoegen te doen, dit

van mij aan te nemen. In ons eigen land zal het zijn waarde opbrengen,

en op dit oogenblik voel ik voor 't eerst hevigen spijt er niet meer

van te hebben verzameld."

Toen hij weg was bleek, dat onze mannen, wien ik altijd vertaalde

wat de Engelschman zeide, buitengewoon getroffen waren door zijn mild

aanbod, en we kwamen overeen dit goud bij onzen gemeenschappelijken

schat te voegen en later stipt eerlijk te verdeelen. Hij van zijn

kant moest dan echter ook--nu zijn lot zoo nauw met het onze verbonden

was--plechtig beloven, geen korreltje van 't goud dat hij nog vinden

zou voor ons verborgen te houden.

Hadden we zijn raad opgevolgd, dan zouden we, alvorens den tocht naar

de Goudkust te aanvaarden, eerst een uitstapje naar de noordelijke

woestijn en het groote woud hebben gemaakt om onze negers en nog eenige

zwarten die hij mee zou sturen, elk een olifantstand te doen halen

en dragen, tot we ze verder in onze kano's zouden kunnen meenemen om

ze aan de kust met groot profijt te verkoopen.

Op mijn verzoek evenwel zagen we van dit plan af. 't Leek mij vrij

wat voordeeliger onze negers goud te laten zoeken dan hun die geweldig

zware tanden te laten meesleepen, en mijn landsman gaf zich gewonnen,

hoewel hij ons graag de ontzaglijke tanden had laten zien, die daar

volgens zijn zeggen verspreid lagen.

Nog twaalf dagen bleven we aan de beek, gedurende welken tijd de

inboorlingen zich buitengewoon gedienstig betoonden en ons vruchten,

pompoenen en een soort van wortels brachten, die er als onze peenen

uitzagen maar anders smaakten. Ook voorzagen ze ons van verschillende

eetbare vogels, die we niet kenden. In 't kort, ze deelden, zeer

goedhartig, alles met ons wat zij hadden, zoodat we een onbezorgd

en gemakkelijk leventje leidden waarvoor we hun uit dankbaarheid

gelukkig maakten met de sieraden die onze fijnsmid weer ruimschoots

gefabriceerd had.

Den dertienden dag zetten we ons met onzen nieuwen vriend in

beweging. Bij ons vertrek zond de negerkoning nog twee zwarten

naar hem toe met een afscheidsgeschenk in den vorm van een voorraad

gedroogd vleesch en deed de Engelschman hem als contra-beleefdheid

drie zilveren vogeltjes cadeau uit de werkplaats van onzen smid;

wat de vorst blijkbaar als een hem waardig huldebewijs beschouwde.

Eindelijk dan sloegen we de zuid-zuidwestelijke richting in en vonden

wij weldra, na een marsch van meer dan tweeduizend mijlen, de eerste

rivier die naar 't zuiden liep. Dit riviertje--aanvankelijk was het

niet meer dan een flinke beek--volgden we tot het wat meer water

begon te bevatten. Om de paar uur liep onze Engelschman eens naar den

oever toe om het zand van de bedding te onderzoeken, doch pas na een

vollen dag loopens bracht hij een handvol mee en zei: "Kijk!" waarop

wij werkelijk verscheiden goudkorrels tusschen het zand ontdekten.

"Nu moeten we aan 't werk gaan," meende hij, en onze negers twee

aan twee verdeelende, zette hij ze aan den arbeid, na ze gewezen

te hebben hoe ze het zand op de ondiepe plaatsen moesten opscheppen

en uitspoelen.

Den eersten anderhalven dag brachten onze mannen ongeveer zes-en-dertig

lood [2] goud bijeen, en daar we bemerkten dat de hoeveelheid toenam

naarmate wij verder kwamen, volgden we het stroompje drie dagen,

totaan de plek waar een andere beek in ons riviertje uitmondde. In

dezen zijtak vonden we stroomopwaarts ook goud, zoodat we besloten

onze hutten hier op te slaan en onzen tijd te verdeelen tusschen

goudwasschen en voor mondkost zorgen.

Dertien dagen bleven we hier aan 't werk, en onze knappe smid,

door de lange oefening zoo handig geworden dat hij er letterlijk

alles van fatsoeneeren kon, hamerde er maar lustig op los in dien

tijd. Uit dungeslagen goud, want ons zilver en ijzer was op, maakte hij

olifanten, tijgers, civetkatten, struisvogels, adelaars, kraanvogels

en allerlei visschen die ons als altijd uitstekende diensten bewezen.

In een der neger-nederzettingen nam de aanvoerder ons zeer gastvrij

op, en daar hij buitengewoon was ingenomen met de smeedproducten van

onzen kunstenaar, verkocht deze hem een gouden olifantje voor een

ongehoorden prijs. Zijn Zwarte Majesteit rustte in zijn opgetogenheid

niet, eer hij onzen smid een handvol stofgoud in ruil had gegeven. Naar

schatting woog dit ruwe goud wel vier-en-twintig lood, terwijl aan

het dun geslagen olifantje hoogstens voor een gulden of tien goud zat.

Onze smid was zoo onbaatzuchtig dit goud eerlijk bij den

gemeenschappelijken voorraad te voegen, hoewel hij voor zijn

inspanning en kunstvaardigheid zeker wel een extra belooning verdiend

had. Er bestond trouwens niet de minste reden gierig of hebzuchtig te

zijn. Zooals onze nieuwe gids terecht opmerkte, konden wij--behoorlijk

in staat om ons te verdedigen en met de vrije beschikking over onzen

tijd--zooveel goud verzamelen als we slechts begeerden; wel honderd

pond per man als we geduld genoeg hadden.

"Ik verlang minstens even hard naar 't vaderland terug als een van ons

allen," zei hij, "maar wenschen jullie hier nog wat te blijven, dan

ben ik gaarne bereid. Ik zou dan evenwel voorstellen ons hoofdkwartier

wat meer naar 't zuidoosten te verleggen. Daar vinden we voedsel

in overvloed en kunnen we ons langs de verschillende riviertjes

verspreiden en de streek afzoeken. In twee of drie jaar zullen we

dan stellig een kapitaal bijeengebracht hebben."

Hoe verleidelijk dit plan ook klinken mocht, lachte het toch geen van

ons bizonder toe. 't Was er ons in den grond der zaak toch meer om

te doen naar huis te komen dan rijk te worden, want het langer dan

een jaar rondzwerven door woestijnen en tusschen wilde volksstammen

en verscheurende dieren had ontzaglijk veel van onze krachten gevergd.

Toch wist mijn landgenoot, die in hooge mate de gave des woords bezat,

ons te overreden nog een half jaar in het goudland te vertoeven. Hij

wees er ons op, hoe belachelijk het eigenlijk zou zijn de vruchten

van al onze ontberingen niet te plukken nu de oogsttijd eindelijk was

aangebroken; hoe de Europeanen met groote kosten schepen uitrustten en

expedities het land in zonden om, met opoffering van veel moeite en

geld, kleine voorraden goud te bemachtigen, terwijl wij, die ons als

't ware aan de bron bevonden, met leege handen zouden wegtrekken. We

waren sterk genoeg het zoo noodig tegen de negerstammen op te nemen

en zouden 't onszelf nooit vergeven, wanneer we, in ons eigen land

teruggekeerd, slechts een honderdste van het goud meebrachten van

't geen we zonder moeite hadden hunnen vergaren.

"Ik ben niet hebzuchtig van aard," eindigde hij, "maar nu het in onze

macht staat ons voor de geleden tegenspoeden schadeloos te stellen en

ons een onbezorgde toekomst te verzekeren, acht ik me uit dankbaarheid

voor al 't geen jullie voor mij doet, verplicht, jullie op dit groote

voordeel te wijzen. Als we de zaak goed aanpakken en de negers ons

flink helpen, kunnen we per hoofd misschien wel een honderd pond

stofgoud en twee-honderd olifantstanden verzamelen, terwijl we,

onmiddellijk naar de kust koersende, de eenige kans die ons in ons

leven geboden wordt laten voorbijgaan."

Onze heelmeester bezweek het eerst voor de verleiding van al

die schatten, en na hem de kanonnier. Wat mij betreft, ik voelde

niets geen lust nog langer in dat verwenschte heete land te blijven,

doordat ik de waarde van het geld nauwelijks kende en wanneer het goud

verdeeld was meer dan genoeg zou hebben naar mijn zin. Ik dacht het

in Engeland uit te geven aan de noodige kleeren en wat pretmakerij,

en dan weer dienst te nemen en op nieuwe avonturen uit te gaan.

Daar de Engelschman, de heelmeester en de kanonnier echter grooten

invloed op de anderen hadden, lieten deze zich overtuigen en werd

er besloten nog hoogstens een half jaar in de goudstreek te blijven,

maar dan ook onherroepelijk--tenzij we allen van gedachte veranderd

waren--naar onze geboortelanden terug te keeren.

Zoo trokken we dus nu nog eens weer vijftig mijlen naar 't zuidoosten,

waar we verscheiden stroompjes vonden, die allen van een bergrug in

't noordoosten schenen te komen. De landstreek was hier desondanks

dor genoeg, doch door de bemiddeling van onzen nieuwen vriend en

ons nooit falend ruilmiddel: de eigengemaakte sieraden, verkregen we

overvloedig voedsel.

Op aanwijzing van onzen raadgever plantten onze negers hier ook maïs,

en het zorgvuldig gietende, konden we de kolven na drie maanden

al oogsten.

De avonturen van kapitein Bob · 第 9 / 10 段