Zoodra ons kampement was opgeslagen, gingen we weer aan onze oude

bezigheid: goud visschen in de kleine riviertjes, en onze Engelsche

vriend wist ons hierbij zoo juist te leiden dat we hoogst zelden

onverrichterzake thuiskwamen.

Toen we zoo geregeld aan den arbeid waren verzocht hij op een avond

verlof met vier of vijf negers voor een veertien dagen uit te mogen

trekken. Hij wilde een excursie maken en onderzoeken wat het land

in noordelijke richting zou opleveren. Natuurlijk zou het gevondene

eerlijk aan den gezamenlijken voorraad worden toegevoegd.

Niemand had eenig bezwaar tegen het plan, en zelfs bekroop twee van ons

de lust met hem mee te gaan, waarop ze, behoorlijk gewapend, van zes

negers en twee onzer buffels vergezeld en voor twee weken van proviand

voorzien, de reis aanvaardden, die om te beginnen naar den bergrug

voerde, vanwaar de tallooze riviertjes tot ons kwamen. Zooals ik later

van onze mannen hoorde, overzagen ze van den top dezelfde woestijn,

die ons vroeger zoo met afschrik had vervuld en die naar hun berekening

wel een driehonderd mijlen breed en zeshonderd mijlen lang moest zijn.

In plaats van veertien, bleven ze twee-en-vijftig dagen uit, waarna

ze ons ongeveer zeventien pond stofgoud meebrachten, sommige korrels

veel grooter dan we ze nog gezien hadden. Verder bestond de buit

uit een vracht olifantstanden, die hij--gedeeltelijk goedschiks,

gedeeltelijk kwaadschiks door de bewoners van den woestijnrand had

laten bijeenzamelen en naar ons kamp dragen. Toen we hen in de verte

met een twee-honderdtal negers zagen naderen, wisten we niet wat we

er van denken moesten, maar de zaak werd ons duidelijk toen ze bij

ons kamp gekomen, hun last aan den ingang neerlegden.

Behalve al die olifantstanden brachten ze ons nog twee mooie leeuwen-

en vijf luipaardshuiden mee, allen van prachtige kwaliteit. Ondanks

dit alles was onze Engelschman toch niet voldaan over zijn buit en

verzocht hij ons er nog eens op uit te mogen trekken, overtuigd dan

betere zaken te zullen maken.

Nadat hij de negers die het ivoor getorst hadden, verblijd had met

een belooning in den vorm van eenige gouden sieraden en een paar

dagen rust had genomen, ondernam hij zijn tweede reis.

Bij deze gelegenheid wenschten nog meer onzer kameraads zich bij

hem aan te sluiten, en met hun twintigen--tien blanken en tien

zwarten--benevens de twee buffels om hun eetbare waar en ammunitie

te dragen, ondernamen ze een nieuwen ontdekkingstocht in dezelfde

richting, zij 't dan ook niet langs dezelfde paden.

Dezen keer bleven ze maar twee-en-dertig dagen uit, in welken tijd ze

niet minder dan vijftien luipaarden, drie leeuwen en verscheiden andere

wilde dieren doodden en ruim vier-en-twintig pond stofgoud vergaarden.

Onze nieuwe vriend kon er nu terecht op wijzen, dat onze tijd goed

besteed was geweest, want in de vijf maanden van ons oponthoud

hadden we vijf en een kwart pond goud per hoofd bijeengebracht,

't geen, gevoegd bij wat we reeds bezaten en bij wat onze fijnsmid

verwerkt had, een aanzienlijke hoeveelheid mocht genoemd worden.

Maar nu hadden we dan ook meer dan genoeg van ons zwervend bestaan,

en met algemeene stemmen werd tot de reis naar de kust besloten,

toen mijn landsman glimlachend opmerkte, dat dit nu onmogelijk was,

omdat het regenseizoen binnenkort zou beginnen.

Na heel wat gemopper onderwierpen we ons aan het onveranderlijke en

begonnen we, van den nood een deugd makende, zooveel mogelijk proviand

bijeen te garen, om--gedurende de twee gedwongen rustmaanden waarin

we bijna voortdurend op ons kamp zouden zijn aangewezen--tenminste

geen gebrek te lijden.

Gedurende dien natten mousson zwollen de kleine stroompjes zóó,

dat ze haast niet te onderscheiden waren van groote rivieren. Het

zou een prachtige gelegenheid zijn geweest om onze olifantstanden op

een vlot te vervoeren, want de voorraad ivoor was langzamerhand zoo

aangegroeid--de negers en negerinnen uit den omtrek kwamen ze ons

graag voor een sieraad aanbieden--dat ik vreesde ze nooit mee naar

de kust te zullen krijgen.

Zoodra het weer opklaarde, zei onze Engelsche vriend op een ochtend:

"Ik wil er nu niet weer op aandringen nóg langer hier te kampeeren,

al blijf ik het vreemd vinden dat jullie zoo weinig waarde aan het

goud hecht en om zoo te zeggen niet eens bukken wilt om het op te

rapen. Toch acht ik me verplicht jullie er opmerkzaam op te maken

dat nu, na den grooten vloed, het meeste goud gevonden wordt. Als we

nog een maand hier blijven, zullen jullie zien hoe duizenden negers

zich over deze heele streek verspreiden om goud te wasschen voor de

Europeesche schepen aan de kust van Guinea. Het geweld waarmee het

water van de bergen stroomt, voert er altijd heel wat goud uit mee,

en als we nu zorgen de inboorlingen vóór te zijn, zult ge eens zien

hoe'n schat hier te vinden is."

Voor den zooveelsten keer uitstel dus! 't Ging ons aan 't hart, maar

toch--het vooruitzicht op zooveel voordeel, met een kleine opoffering

van tijd te behalen, deed ons nog eens besluiten gebruik te maken

van de ons geboden gelegenheid.

En het bleek al gauw dat hij niet te veel beloofd had. Zoodra het

water begon te zakken en de riviertjes tot binnen hun beddingen

terugkeerden, vonden we langs de oevers zooveel aangespoeld goud,

dat we na verloop van één maand niet minder dan zestig pond bijeen

hadden. Niet zelden troffen we ook opmerkelijk groote korrels aan,

en een onzer negers waschte zelfs eens een stuk goud uit het zand

ter groote van een kleine noot.

Na die eerste vier, vijf weken werd het resultaat van onzen arbeid

echter steeds geringer, daar de negers, mannen, vrouwen en kinderen

van alle kanten kwamen opzetten om de rivieren niet alleen, maar ook

de heuvels af te zoeken.

Onze fijnsmid, al zoo menigmaal onze redder, wist ons ook nu weer een

grooten dienst te bewijzen. Met den Engelschman als tolk, knoopte hij

onderhandelingen aan met verschillende van die negers, 't geen ten

gevolge had, dat ze telkens belangrijke hoeveelheden goud brachten

om er zilveren of gouden sieraadjes voor in ruil te ontvangen, en de

vraag naar die prullen werd zóó groot, dat onze kunstenaar niet hard

genoeg kon werken om iedereen tevreden te stellen.

Toen we na drie maanden oponthoud, onzen totalen voorraad verdeelden,

bleek dat ieder van ons ongeveer vier pond goud het zijne kon

noemen. Dankbaar en voldaan zetten we ons dan nu toch eindelijk naar

de Goudkust in beweging, om te zien hoe we vandaar Europa zouden

kunnen bereiken.

Van dezen laatsten tocht wil ik in 't kort alleen nog vertellen,

dat we nu eens vriendschappelijk, dan weer vijandig ontvangen werden

door de verschillende negerstammen die we op onze reis ontmoetten. Een

zeker negerkoning, die onzen Engelschen vriend vroeger had bijgestaan

en nu door zijn vijanden gevangen was genomen, konden we, tot onze

blijdschap, bevrijden en weer op den troon zetten in zijn rijk,

dat ongeveer driehonderd onderdanen telde. Tot dank onthaalde hij

ons op zijn manier vorstelijk en gaf hij onzen Engelschman al zijn

onderdanen mee om de olifantstanden te gaan halen, die wij hadden

moeten achterlaten. Ze droegen ze alle naar een rivier (waarvan ik

den naam vergeten ben) en hielpen ons vlotten maken waarmee we in elf

dagen een der Hollandsche nederzettingen aan de Goudkust bereikten

en overgelukkig voet aan wal zetten. Onze voorraad tanden verkochten

we aan de Hollandsche factorij en schaften ons voor het verkregen

geld de noodige kleeren en andere benoodigdheden aan, niet alleen

voor ons zelf, maar ook voor een paar van onze negers die met ons mee

wilden gaan. Onzen Zwarten Prins hergaven wij de volledige vrijheid,

kleedden hem uit onze gemeenschappelijke kas, schonken hem anderhalf

pond goud, dat hij heel goed wist te gebruiken en namen ten slotte

van al onze Afrikaansche reisgenooten zeer hartelijk afscheid.

Onze Engelsche vriend bleef nog eenigen tijd in de Hollandsche

factorij werkzaam en keerde toen met zijn rijkdom over Holland naar

Engeland terug.

Mijn overige kameraden scheepten zich op een kleine bark in naar de

Portugeesche factorijen in de buurt van Gambia, terwijl ik met twee

negers die ik bij me wilde houden naar Kaap Coast Castle trok. Hier

nam ik passage naar Engeland, en in September betrad ik eindelijk, met

een hart overvloeiende van dankbaarheid, weer den vaderlandschen bodem.

INHOUD.

Bladz.

I. Een moeilijke jeugd 5

II. Aan wal gezet 22

III. Rondom Madagaskar 44

IV. Het vasteland 67

V. Stroomopwaarts 91

VI. De woestijntocht 115

VII. Aan de Goudrivier 133

VIII. Ontmoeting met een blanke 152

IX. Naar Engeland terug 177

AANTEEKENINGEN

[1] Zie titelplaat.

[2] Vroeger 1/2 ons.

End of Project Gutenberg's De avonturen van kapitein Bob, by Daniel Defoe

De avonturen van kapitein Bob · 第 10 / 10 段