"Tien tegen één," verzekerde mijn vriend, "dat we wel van 't een of

ander Europeesch schip zullen hooren, dat ons wil opnemen. De kusten

van Kongo en Angola worden dikwijls door handelaars bezocht, en al

mocht dit nu eens niet het geval zijn, dan behoeven we in ieder geval

toch niet bang te zijn voor voedselgebrek en kunnen we evengoed langs

de kust als over de rivier varen tot we aan de Goudkust komen. Die ligt

niet meer dan een goede vier mijl ten noorden van den Kongo. Daar zijn

ook Engelsche, Hollandsche en Fransche nederzettingen en factorijen."

Ik moet bekennen dat ik, ondanks zijn heele betoog veel liever naar

't noorden was gegaan om ons op den Niger of Negro in te schepen en

zoo ten slotte Kaap Verde te bereiken, waar we stellig op verlossing

zouden kunnen rekenen. Tot aan de westkust hadden we nog een geweldig

eind voor den boeg, zoowel te land als te water en allicht geen ander

verschiet dan ons het noodigste voedsel met geweld en groote moeite

te moeten verzekeren. Voor 't oogenblik hield ik echter mijn mond,

uit ontzag voor de meening van mijn leermeester.

Maar toen we nu het meer voorbij waren en dus het punt bereikt hadden

waar we volgens zijn wensch, zuidwaarts zouden afslaan, begonnen al

onze mannen te mopperen en zich te verzetten, overtuigd dat we nu toch

zeker en gewis op den verkeerden weg waren en hoe langer hoe verder van

huis raakten. Na veel heen en weer gepraat kreeg de kanonnier echter

zijn zin, tot we twaalf dagen na 't begin van den tocht (acht hadden

we noodig gehad om om 't meer heen te komen en vier dagreizen waren we

nu al in zuidwestelijke richting getrokken) opnieuw gedwongen werden

halt te houden. Het land dat zich voor ons uitstrekte was namelijk

zoo woest en dor, dat we niet recht wisten of we ons verder mochten

wagen, ja, dan neen. Het leek ons één onafzienbare woestenij, zonder

bosch, struik of water en totaal onbewoond. Hoe zouden we ons hier van

mondkost kunnen voorzien, voldoende voor zulk een woestijntocht, zooals

we dat vroeger altijd hadden gedaan? En vier dagen terugmarcheeren

naar het groote meer lachte ons ook al heel weinig toe.

Toch ondernamen we het waagstuk. Menschen die zulke onherbergzame

streken waren doorgetrokken als wij, lieten zich ook door de

dreigendste moeilijkheden, niet meer afschrikken. Daarbij was het

feit dat we in westelijke richting, zij 't ook op grooten afstand,

bergtoppen zagen oprijzen wel van eenigen invloed op ons besluit,

overtuigd als we waren dat we in en bij 't gebergte bronnen en rivieren

zouden vinden. Waar rivieren zijn, groeien planten en boomen, waar

planten en boomen groeien, leeft vee, en waar vee leeft zullen allicht

ook menschelijke bewoners zijn, redeneerden we. Met opgewekt vertrouwen

in deze gunstige kansen aanvaardden we onzen nieuwen woestijntocht

met niet meer provisie dan een voorraad wortelen en planten, die ons,

de gewoonte der inboorlingen volgende, tot brood dienden; een klein

beetje vleesch en zout en ook heel weinig water.

Na twee dagen voortgezwoegd te zijn, schenen de bergen nog wel even ver

van ons af als toen we begonnen, maar na vijf volle dagreizen hadden we

ze gelukkig bereikt. Het tempo van onzen marsch was trouwens langzaam

geweest, daar het, zoo dicht bij den aequator, ondraaglijk heet was.

Waar bergen zijn, zullen ook wel bronnen en rivieren ontspringen,

hadden we vertrouwd, en dit bleek ook het geval; maar tot onze

verbazing en schrik kwamen we tot de ontdekking dat het water der

eerste bron dat er kristalhelder en aanlokkelijk uitzag, bremzout

was. Een ontzettende teleurstelling, die ons het eerste oogenblik met

angstige voorgevoelens vervulde. Onze kanonnier evenwel, nooit gauw

uit het veld geslagen, zei dat we ons hierdoor volstrekt niet behoefden

te laten ontmoedigen, maar eerder dankbaar moesten zijn, daar we zout

juist zoo hoog noodig hadden. Ongetwijfeld zouden we ook nog wel zoet

water vinden. En onze heelmeester die dit laatste met hem eens was,

stelde ons nog verder gerust door ons te verzekeren dat hij een manier

wist om zout water in zoet te veranderen. Al begrepen we in de verste

verte niet hoe hij dit zou klaarspelen, vertrouwden we toch dat hij ons

niet voor den gek hield en zagen onzen toestand dus weer hoopvoller in.

Inmiddels waren eenige van onze mannen al aan 't zoeken gegaan naar

andere bronnen. Zonder groote moeite vonden ze er verscheidene,

maar helaas geen enkele met zoet water. Hierdoor kwamen we tot

de gevolgtrekking, dat er steenzoutlagen in het gebergte moesten

voorkomen en we dus geen kans hadden zoet water te vinden. Des te

nieuwsgieriger werden we hierdoor naar het toovermiddel waardoor onze

chirurgijn dit zoute water in bruikbaar drinkwater zou veranderen. 't

Bleek een wonderlijke methode te zijn, maar hij trok aan 't werk

met een zelfvertrouwen en een beslistheid, alsof hij het zaakje al

herhaaldelijk op dezelfde plaats bij de hand had gehad.

Twee van onze groote matten nemende, naaide hij die zoo aan

elkaar, dat ze een soort van zak vormden die vier voet lang en

drie-en-een-halven voet breed was en gevuld, ongeveer anderhalven

voet dik zou zijn. Dezen zak moesten we met droog zand vol scheppen en

het zoo vast met onze voeten aanstampen als slechts, zonder de matten

te scheuren, mogelijk was. Toen we den zak op die manier tot op een

voet na van boven gevuld hadden, schepte hij een andere aardsoort

waarmee hij de overige ruimte liet aanstampen. Daarop maakte hij in

de bovenste laag een opening, ongeveer zoo groot als een hoedebol,

maar wat minder diep. Deze opening moest een neger met water vullen en

er telkens wanneer het was weggezakt, wat bijgieten, zoodat de holte

steeds vol bleef staan. Vooraf had hij zelf den zak op twee stukken

hout, ongeveer een voet boven den grond gezet en er een paar van onze

waterdichte huiden onder uitgespreid. Na een uur ongeveer--zeker niet

eerder--begon het water druppelsgewijze onder uit den zak te lekken,

en tot onze groote blijdschap proefden we dat het volkomen frisch en

zoutloos was. Nadat we het eenige uren lang gretig hadden opgevangen,

begon het weer eenigszins brak te smaken en moesten we de zakken met

nieuw zand vullen.

Den volgenden dag beklommen we met groote inspanning, daar de felle

hitte ons alle lichaamsbewegingen tot een last maakte, den hoogsten

bergtop om ons te kunnen oriënteeren, en alsof we nog niet genoeg

tegenspoed ondervonden hadden, strekte zich, zoover onze oogen reikten,

naar 't zuiden, westen en noordwesten, een afschuwelijke woestenij

voor ons uit. Geen boom of beek, ja geen enkel sprietje groen gaf,

voor zoover wij ontdekken konden, eenige afwisseling. Evenals het

gedeelte dat we achter ons hadden, was de bodem slechts bedekt met

een soort van mos, zoo grauw en doodsch van tint, dat het blijkbaar

mensch noch dier tot voedsel zou kunnen dienen.

Waren we slechts--zooals bij 't aanvaarden van onzen eersten

woestijntocht--voor een dag of tien, twintig van voedsel en drinkwater

voorzien geweest, we waren, zelfs op gevaar af weer terug te

moeten trekken, met frisschen moed op marsch gegaan, te meer daar

we, in noordelijke richting, hoogstwaarschijnlijk voor dezelfde

bodemgesteldheid zouden komen te staan. Maar het totaal gebrek aan

levensmiddelen en de onmogelijkheid ze ons te verschaffen, maakten

de onderneming geheel onuitvoerbaar.

Wel doodden we aan den voet van 't gebergte nog eenige wilde dieren,

maar behalve een paar die we nooit eerder hadden geschoten, waren ze

oneetbaar. Die ons onbekende beesten hielden het midden tusschen een

buffel en een hert; ze hadden geen horens, maar de pooten van een koe

en den mooien kop en hals van een hert. Een paar maal doodden we ook

een tijger en twee jonge leeuwen en een wolf, maar gelukkig waren

we nog niet zóó ten einde raad, dat we dit sterk smakende vleesch

behoefden te eten.

Bij dit dreigende voedselgebrek kwam ik opnieuw met mijn voorstel

aan, om liever noordwaarts te trekken naar den Niger of Rio Grande,

dan in westelijke richting naar de Engelsche nederzettingen aan

de goudkust; en allen vielen mij bij, met uitzondering van onzen

kanonnier die--ofschoon hij zich nu blijkbaar vergist had--toch onze

beste gids was. Hij drong ons liever noordwestelijk aan te houden om

op die wijze den een of anderen zijtak van den Niger te bereiken, of

mogelijk een rivier die aan de Goudkust uitmondde. In beide gevallen

konden we ons dan den stroom laten afzakken en met weinig moeite ons

doel bereiken. "Buitendien," besloot hij, "is in de buurt van een

rivier het eerst vruchtbaar en bewoond land te verwachten en dus ook

de kans ons weer behoorlijk van proviand te voorzien."

De raad scheen te verstandig om in den wind te slaan; maar vóór

alles moesten we beproeven van de verschrikkelijke plaats waar we

ons bevonden weg te komen.

Achter ons lag een woestijn die ons al vijf dagreizen gekost had,

terwijl we bij gebrek aan vijf dagen leeftocht niet langs denzelfden

weg terug konden gaan; en vóór ons strekte zich een nog verlatener

landstreek uit. Na lang wikken en wegen besloten we eindelijk langs

de oostelijke helling van 't gebergte, die nog eenige sporen van

plantengroei vertoonde, zoover mogelijk naar 't noorden te trekken

en inmiddels vlijtig naar voedsel rond te zien.

Daar we geen tijd te verliezen hadden, zetten we ons den volgenden

morgen reeds vroeg in beweging, en tot onze groote verlichting

vonden we den middag van dienzelfden dag nog een paar heerlijke

zoetwaterbronnen, waaruit we, na onze dorst ruimschoots gelescht

te hebben, onze leeren waterflesschen vulden. Ik verzuimde nog te

vertellen, dat onze heelmeester die ons zoetwater bezorgd had, ook

een paar flinke zakken zout uit die zilte bronnen gewonnen had.

Den derden dag vonden we--geheel onverwachts--levensmiddelen

genoeg. Het gebergte wemelde hier namelijk van hazen, die uiterlijk

nogal van de Europeesche verschilden, grooter en niet zoo vlug, maar

zeer goed van smaak waren. We schoten er verscheiden, en de kleine

tamme luipaard, die we uit het verlaten negerdorp hadden meegenomen,

bewees ons bij deze jacht goede diensten. Bijna elken dag hielp hij

ons er een paar vangen door ze als een goed-gedresseerde hond op te

jagen, zonder ze ooit zelf te eten. We zoutten de hazen even, droogden

ze in de zon en verzamelden zoo een flinken reisvoorraad--misschien

wel een driehonderd stuks--er op rekenend dat we waarschijnlijk in

langen tijd niets eetbaars meer zouden vinden.

Nadat we onzen tocht nog een dag of acht zonder buitengewone inspanning

hadden voortgezet, merkten we met vreugde op, dat het land om ons heen

er minder troosteloos begon uit te zien. Toen een paar van onze mannen

met eenige negers de berghelling beklommen om te kijken of het terrein

ten westen ook sporen van meer vruchtbaarheid begon te vertoonen,

keerden ze echter teleurgesteld terug. Er was nog geen eind aan de

woestenij te zien die zich ook noordwaards bleef uitstrekken. Toen

we dus den tienden dag een punt bereikten, waar de bergrug een bocht

maakte en als 't ware in de woestijn uitliep, lieten we 't gebergte

in den steek en vervolgden onzen weg naar 't noorden. Gelukkig kwam

hier langzamerhand eenige afwisseling in het landschap. We troffen

verschillende boschrijke gedeelten aan, onderbroken door korte stukjes

woestijn, tot we ons den negentienden dag, volgens verklaring van

onzen kanonnier, op een noorderbreedte van 8° 5' bevonden.

Ook in deze streek ontmoetten we geen menschelijke ziel; wel

een overvloed van wilde dieren, die ons echter--men gewend aan

alles--weinig vrees meer inboezemden. Elken morgen en avond zagen we

leeuwen en tijgers of luipaarden, maar daar ze zelden vlak bij ons

kwamen, lieten we hen ook met rust. Naderden ze ons te dicht naar

onzen zin, dan behoefden we maar even wat kruit op een geweerpan te

branden en ze gingen verschrikt aan den haal.

Wat levensmiddelen betreft, hadden we ons hier niet te beklagen. Soms

schoten we hazen, een anderen keer vogels, maar wat voor soorten

het waren zou ik met geen mogelijkheid kunnen zeggen, behalve dat

er een soort van patrijs onder voorkwam en een vogel die op een

tortel leek. Nu en dan ontmoetten we ook weer kudden olifanten, een

dierenreus, die bij voorkeur de boomrijke gedeelten van Afrika opzoekt.

De lang voortgezette tocht vermoeide ons ontzaglijk; twee onzer mannen

werden zóó ziek dat we vreesden hen te moeten verliezen, terwijl een

sterke neger plotseling stierf. Volgens onzen heelmeester moest hij

een beroerte gehad hebben. Een tweede neger was er ook naar aan toe,

doch toen hij zich, op aanraden, of feitelijk meer op bevel van onzen

dokter had doen aderlaten, genas hij weer.

Terwille van onze zieken maakten we nu twaalf dagen halt en in dien

rusttijd overreedde de heelmeester mij en nog drie of vier kameraads,

ons ook te doen aderlaten 't geen, gevoegd bij verschillende andere

middelen, er stellig veel toe bijdroeg ons gedurende zoo'n langgerekten

tocht in een heet klimaat gezond te houden.

Ook gedurende dezen marsch sloegen we iederen nacht onze matten-tenten

op, waarin we ons behaaglijker gevoelden dan onder het bladerdak,

dat ons anders op de meeste plaatsen wel zou beschut hebben.

Allervreemdst bleven we het vinden, dat we in deze geheele landstreek

geen enkelen inwoner aantroffen. Eerst later vonden we hiervoor

een verklaring. We waren namelijk, aanvankelijk naar 't westen en

daarna naar 't noorden trekkende, te lang in 't midden van 't land,

in 't onvruchtbaarste gedeelte gebleven, terwijl de inwoners zich

natuurlijk alleen aan de rivieren, meren en in de groene laaglanden in

't hooge noorden en 't zuidwesten ophouden.

De beken die we in dit terrein aantroffen, stonden zoo droog dat

er, behalve in een poel of kuil hier en daar, nauwelijks van water

sprake was. Feitelijk vormden ze niet meer dan kleine afwateringen

gedurende den regentijd; stroomend water vonden we nergens. Naar

menschelijke berekening zouden we dus waarschijnlijk nog een grooten

afstand hebben af te leggen, eer we het Nigerdal konden bereiken. Deze

omstandigheid ontmoedigde ons echter volstrekt niet zoolang het ons

niet aan levensmiddelen ontbrak en aan een behoorlijke beschutting

tegen de hitte, die mij nu nog ondraaglijker voorkwam dan toen de

zon recht boven onze hoofden stond.

Zoodra onze zieken hersteld waren, zetten we ons--voldoende van voedsel

en water voorzien--weer in beweging. We liepen in noordwestelijke

richting, altijd nog hopende een rivier te vinden, die met kano's

bevaarbaar zou zijn, 't geen ons eerst na twintig dagen gelukte. Van

dien tijd hadden we echter zeker een derde deel rustende doorgebracht

omdat onze mannen uitgeput raakten. Terwijl de zwakkeren zich zoo

goed mogelijk weer herstelden, trokken de sterksten van ons dan met

onze negers ter jacht om onzen snel afnemenden mondvoorraad weer wat

aan te vullen.

In die twintig dagen kwamen we vier graden verder noordwaarts en

ongeveer de breedte van een meridiaan verder naar het westen. Vooral in

de houtrijke gedeelten troffen we op deze reis een massa olifantstanden

aan, waaronder buitengewoon groote. Hoe kostbaar ook, waren ze geen

buit voor ons. We zouden ons noodeloos vermoeid hebben met ze mee te

sleepen en moesten er slechts op bedacht zijn proviand te veroveren

en onzen weg naar de zee te vinden. Een mooie vette antilope was

onder onze omstandigheden vrij wat meer waard geweest dan een

scheepslading olifantstanden, maar toch zouden we later, toen we

weer bevaarbaar water vonden, graag een groote kano gemaakt hebben,

enkel om die met ivoor te beladen. Toen we de tanden zoo in overvloed

vonden, wisten we evenwel ook niets van den toestand der rivieren en

hadden we natuurlijk geen flauwe voorstelling van de moeilijkheden:

de watervallen, stroomversnellingen enz. die we gedurende dat traject

zouden hebben te overwinnen, eer we ons zwaar, lastig te vervoeren

materiaal naar de plaats zouden hebben gebracht waar wij ons ten

slotte konden inschepen.

Aan 't einde van dien tocht van twintig dagen zagen we op eenigen

afstand voor ons een dal, waardoor een rivier stroomde, blijkbaar

in noord-noordwestelijke richting, juist dus zooals we wenschten,

en daar we sinds lang op de mogelijkheid van een tochtje te water

gehoopt hadden, waren we 't er allen over eens het hier te gaan

probeeren en marcheerden we met versnelden pas op het dal toe.

Tusschen het punt waar we ons bevonden en de rivier, lag een van

die kleine boschjes die we al meer in deze streek ontmoet hadden,

en toen we er zonder een zweem van argwaan of onrust langs trokken,

werd een onzer negers plotseling gevaarlijk door een pijl gewond,

juist tusschen de schouderbladen. We hielden natuurlijk onmiddellijk

halt, wezen drie onzer mannen en twee negers aan om het struikgewas

te doorzoeken en wachtten in spanning den uitslag af, terwijl onze

heelmeester den gewonde hielp. Het duurde niet lang of onze mannen

kwamen met het bericht terug dat ze een neger met een boog, zonder

pijl ontdekt hadden, die getracht had zich haastig uit de voeten te

maken. Een onzer matrozen schoot hem echter neer, waardoor ons de

gelegenheid ontging hem gevangen te nemen en misschien waardevolle

dingen van hem te weten te komen.

Dienzelfden dag kwamen we bij vijf negerhutten, geheel anders gebouwd

dan de soorten die we vroeger gezien hadden. Aan de deur van een dier

hutten lagen zeven olifant standen tegen den wand der hut gestapeld,

alsof ze bestemd waren om ter markt gebracht te worden. Mannen zagen

we niet bij de woningen, enkel een zevental vrouwen en ongeveer

twintig kinderen. Besloten hun vriendelijk te behandelen, gaven we

elk der vrouwen een dun stukje geslagen zilver in den vorm van een

kruis of een vogeltje, waarop ze ons in hun kinderlijke blijdschap,

allerlei levensmiddelen aanbrachten, die ons tot nu toe onbekend

waren, o.a. een soort van koeken die uit wortelmeel bereid, en in de

zon gebakken waren en lang niet kwaad smaakten.

Een eindje verder sloegen we ons nachtkwartier op, vertrouwende dat

onze vriendelijkheid tegenover de vrouwen niet zou nalaten de mannen

bij hun thuiskomst gunstig voor ons te stemmen.

En werkelijk, den volgenden morgen kwam een gezelschap, bestaande uit

de zeven vrouwen, elf mannen, vijf jongens en twee groote meisjes op

ons kamp af.

Op korten afstand van onze hutten halt houdende, hieven de vrouwen

een eigenaardig gekrijsch aan als om ons naar buiten te roepen,

en toen we hieraan gevolg gaven, hielden twee der negerinnen de

sieraden omhoog die we hun geschonken hadden, wezen daarna op het

troepje achter hen en begonnen allerlei teekenen te maken, die

onmiskenbaar hun vriendelijke gezindheid moesten vertolken. Daarna

kwamen de mannen naar ons toe, legden pijl en boog op den grond,

bogen zich diep ter aarde, bestrooiden hun hoofden met zand en

draaiden--de handen op het hoofd houdende--driemaal in de rondte, 't

geen een plechtige betuiging van vriendschap scheen te zijn. Toen we

hen wenkten naderbij te treden, zonden ze eerst de jongens en meisjes

op ons af, met nog meer koeken en eetbare kruiden. Nadat we de goede

gaven in ontvangst hadden genomen, tilden we een paar der kinderen

omhoog om hen te kussen, waarop de mannen eindelijk het oogenblik

gekomen schenen ons geheel te vertrouwen, naar ons toe te komen en

op den grond bij ons neer te hurken, ons beduidende hun voorbeeld te

volgen. Hierop volgde een levendig gesprek tusschen de inboorlingen,

waarvan we geen enkelen klank begrepen, terwijl onze woorden hun

natuurlijk even onverstaanbaar waren. Van 't verkrijgen van eenige

inlichting omtrent den te volgen weg, was dus geen sprake. 't Eenige

wat hen duidelijk scheen, was dat we voedsel noodig hadden. Even nadat

we hun dit aan 't verstand hadden gebracht, zag ik een der negers een

oogenblik onafgewend naar een heuvelhelling turen, die wel ongeveer

een kwartier gaans van ons verwijderd moest zijn. Opeens sprong hij

overeind, liep naar de plek waar ze hun wapens hadden neergelegd,

greep een boog met twee pijlen en joeg als een renpaard naar den

heuvel. Daar aangekomen schoot hij zijn beide pijlen af en vloog met

dezelfde haast weer naar ons toe. Daar we zagen dat hij met den boog

alleen, zonder pijlen, terugkwam, werden we nog nieuwsgieriger, doch

hij sprak geen woord, wenkte alleen een van onze negers hem te volgen,

wat deze op ons bevel deed en voerde hem mee naar de berghelling,

waar een door zijn pijlen geraakte antilope stervend op den grond

lag. Met vereende krachten brachten ze ons toen het dier, dat ons

buitengewoon welkom was, daar onze proviand sterk verminderde.

Den volgenden dag kwamen er wel een honderd mannen en vrouwen naar

ons toe, die ons op allerlei vreemdsoortige manieren hun vriendschap

betuigden. Ze dansten voor ons, grijnsden ons vriendelijk aan en

gaven ons al wat ze maar hadden. 't Bleef ons onverklaarbaar hoe de

neger in 't bosch op den vijandigen inval gekomen was, zonder eenige

aanleiding op een onzer zwarten te schieten, daar deze inboorlingen

zich overigens van zoo'n gunstigen, welwillenden kant lieten kennen.

Van hier trokken we naar den oever der kleine rivier, die we sinds

lang in 't oog hadden, en nu bleek al heel gauw dat we in een steeds

dichter bevolkte streek geraakten, door groote negerstammen bewoond,

omtrent wier houding ten opzichte van ons we natuurlijk geheel in

't onzekere verkeerden.

Voorloopig konden we ons plan de rivier te bevaren, helaas nog niet ten

uitvoer brengen, en we waren zeker vijf dagen langs den oever verder

getrokken, eer onze timmerman, meenende dat het water langzamerhand

genoeg diepte had gekregen, ons voorstelde nu onze tenten op te

slaan en kano's te gaan maken. We trokken met ijver aan den arbeid en

hadden al een dag of vier aan 't omhouwen van eenige geschikte boomen

besteed, toen een paar onzer matrozen van een excursie stroomafwaarts

terugkeerden met de ongelukstijding dat de rivier eerder ondieper dan

dieper werd en wel geheel in 't zand scheen te verloopen of door de

hitte te verdampen.

Tot onze bittere teleurstelling moesten we dus opnieuw van 't

aanlokkelijke kanoplan afzien en te voet verder trekken.

Van nu af aan reisden we drie dagen lang in zuiver westelijke richting,

daar het land in 't noorden buitengewoon bergachtig bleek en de grond

zoo dor en vol spleten als we 't nog niet gezien hadden. Daarentegen

vonden we naar 't westen toe, een vriendelijk dal dat tusschen twee

hooge bergruggen lag ingesloten. De bergen aan weerskanten zagen

er afschrikwekkend kaal uit, er was geen sprietje of struikje op

te bekennen, maar in de vallei groeide overvloed van gras en lage

boomen en troffen we eetbare dieren en zelfs eenige menschelijke

bewoners aan. Nu en dan kwamen we een paar hutten dier inboorlingen

voorbij, maar zoodra de zwarten ons zagen naderen, vluchtten ze in de

bergen. Aan het einde van het dal geraakten we in een dicht bevolkte

streek, 't geen ons even in tweestrijd bracht of we er midden doorheen

zouden trekken, dan wel ons aan de bergen houden, die meer noordelijk

liepen; en daar ons doel bleef zoo mogelijk den Niger te bereiken,

besloten wij tot het laatste en sloegen we, na 't compas te hebben

geraadpleegd, de noordwestelijke richting in.

Op deze wijze trokken we, zonder onderbreking, zeven dagen verder,

na welk tijdsverloop we tot de ontdekking van een toestand kwamen,

die nog veel troosteloozer en moeilijker was dan de omstandigheden

waarin wij ons hadden bevonden.

Behalve wanneer we hen voor de aanvulling onzer provisie of om

ons te orienteeren noodig hadden, zochten we geen aanraking met de

bevolking die vooral naar het zuiden toe, dus links van ons, tamelijk

dicht bleek.

Hoewel we over 't geheel voldoende voedsel konden vergaren, kwam

het toch menigmaal zeer krap aan, en met blijdschap begroetten we

eindelijk een frisch stroomend water, dat wel nauwelijks groot genoeg

was om rivier te noemen, doch in noord-noordwestelijke richting liep,

dus ons uitstekend te pas kwam.

Aan den anderen kant van dit water zagen we een paar negerhutten en

in een klein dal een veldje mais of Indiaansch koren, 't geen ons

dadelijk op de gedachte bracht, dat hier een meer ontwikkelde stam

moest wonen dan we over 't geheel hadden aangetroffen.

De avonturen van kapitein Bob · 第 8 / 10 段