Onder den maaltijd kwam de gedachte bij mij op of er geen groote kans

bestond, dat juist het goud waaraan we zoo groote waarde hechtten,

ons ongeluk zou kunnen worden door onderlinge afgunst te wekken en

de goede verstandhouding te verstoren.

"Ik ben wel de jongste van ons heele gezelschap," begon ik, besloten

uit te spreken wat er in mij omging, "maar jullie hebt al dikwijls

naar mijn meening gevraagd en die ook soms opgevolgd, dus durf ik wel

een voorstel te doen, waaraan jullie, naar ik denk, je goedkeuring

zult hechten. We zijn hier nu in een streek aangeland waarheen de

heele wereld schepen zend om er goud te halen. Of we gelukkig zullen

zijn bij ons zoeken, is niet vooruit te zeggen. Daarom zou ik willen

voorstellen, al wat we vinden bij elkaar te voegen en later eerlijk

te verdeelen, om geen gevaar te loopen de vriendschap en eendracht

tusschen ons te verbreken, die in onze omstandigheid meer waard is

dan alle schatten ter wereld. Bij gelijke verdeeling van den buit

zal ieder van ons stellig ijverig werken en kan er geen nijd of twist

tusschen ons ontstaan."

Mijn voorslag vond algemeen instemming, en we gaven er elkaar

allemaal plechtig de hand op, niet het geringste korreltje achter

te houden. Mocht iemand toch nog op oneerlijkheid betrapt worden,

dan verspeelde hij zonder pardon zijn geheele aandeel.

Onze kanonnier voegde hieraan nog den verstandigen raad toe, ons

onderling te verplichten tot teruggeven van alle goud, wat we met

spelen of wedden aan elkaar mochten verliezen. Hiermee werd meteen een

eind gemaakt aan den zucht tot dobbelen, die sommige onzer kameraden

niet schenen te kunnen overwinnen.

Na het sluiten van deze heilzame overeenkomst trokken we allen met veel

lust aan den arbeid en wezen onzen negers hoe ze voor ons moesten

werken. Nauwkeurig doorzochten we beide oevers van den ondiepen

zijstroom, zoowel als den zachten bodem en brachten zoo drie weken

aan en in het water door. In dien tijd waren we niet veel meer dan

zes mijlen verder westwaarts gekomen, en hoe hooger we kwamen, hoe

meer goud we vonden, tot zich plotseling, aan den anderen kant van

een heuvel, geen korrel meer voordeed. Daar het metaal dus blijkbaar

van de helling door 't water werd meegevoerd, begonnen we hier het

terrein te onderzoeken. De grond was er los en geelachtig van kleur;

ook stootten we telkens op een harde witte steensoort, volgens

geleerden wie ik het later beschreef, waarschijnlijk het spaath,

dat het gouderts in de mijnen omvat.

Hoe dit zij, al was het ook zuiver goud geweest, bezaten we toch geen

werktuig om het los te hakken, dus lieten we het rustig zitten. Bij

het woelen in de losse aarde troffen we een plek waar het zand om zoo

te zeggen al uiteenviel als we er slechts aan raakten, en tot onze

groote verrassing bevatte het een massa goudkorrels. Den geheelen

voorraad, ongeveer twee schepel, voorzichtig naar het water dragende,

spoelden we de leemige, gele aarde er af en hielden het zuivere

goudstof over. Merkwaardig was het, dat we in de harde aardlagen om

die losse plek heen, geen greintje van het metaal meer vonden.

's Avonds kwamen we allen bij elkaar om te zien hoeveel we al vergaard

hadden, en het bleek dat die losse zandhoop alleen bijna vijftig pond

stof goud had opgeleverd, terwijl we aan ons zoeken in de rivier nog

vier-en-dertig pond te danken hadden.

Feitelijk was het een gelukkige tegenvaller voor ons dat hiermee

ongeveer een eind kwam aan ons goudzoeken, want ik geloof niet dat we

het zouden hebben opgegeven als onze hernieuwde pogingen in en langs

de rivier met beteren uitslag bekroond waren geworden. Nu vonden we

ten slotte nog maar zóó weinig, dat we overeenkwamen den arbeid te

staken om ons en onze negers niet door oververmoeienis ongeschikt

te maken voor onze verdere reis. Volgens de weegschaal die onze

smid gemaakt had, kreeg ieder van ons nagenoeg drie-en-een-half pond

goud. Dit gewicht was uit den aard der zaak ruw geschat, doch volgens

den smid zou het eerder meer dan minder bedragen, en later bleek dat

hij gelijk had. Het overschot van zeven of acht pond vertrouwden we

hem toe om er sieraden van te maken, die ons nog verder goed te pas

zouden kunnen komen om er ons levensmiddelen of misschien vriendschap

mee te koopen. Ook onze Zwarte Prins kreeg een pond, en nadat hij

van den smid een paar werktuigen geleend had, hamerde hij zijn schat

eigenhandig tot kleine ronde kogeltjes, boorde er gaatjes in en hing

deze goudkralen aan een touwtje om zijn zwarten hals. De arbeid kostte

hem een paar maanden tijd, en hij was dan ook niet weinig trotsch op

zijn met zooveel moeite veroverde versiering.

Zoo eindigde dus ons eerste goudavontuur. We begonnen nu echter

te begrijpen dat we niet ernstig genoeg over onze toekomst

hadden nagedacht en dat we onzen tocht geruimen tijd zouden

dienen te onderbreken. Sedert vijf maanden onderweg, naderde de

seizoenverwisseling, m.a.w. het natte jaargetijde, waarin we door

de geweldige tropische regens en de vele overstroomingen niet

goed zouden kunnen reizen. Wel hadden we den regentijd al eens op

Madagaskar meegemaakt, maar toch hadden we er, tamelijk zorgeloos,

geen rekening mee gehouden bij 't opmaken van ons Afrikaansche plan,

toen de zon op den grootsten noordelijken afstand van ons stond en

de omstandigheden dus mèt ons waren geweest.

Terwijl we deze aanstaande moeilijkheden overwogen, barstte de regen

al los, en ijlings raad beleggende, besloten we met algemeene stemmen

te blijven waar we waren; tot ons geluk, zooals later blijken zou.

Onze eerste maatregel was dus, de negers aan 't werk te zetten om ons

hutten te bouwen, en wel op veiligen afstand van de rivier, met het

oog op een mogelijke overstrooming. Toen alles gereed was, zag ons

kampement er uit als een kleine stad. Onze hutten stonden in 't midden

van het terrein en hadden tot centrum een groote tent, waarin al onze

slaapplaatsen uitkwamen en waar wij onze maaltijden, vergaderingen

en gezellige bijeenkomsten hielden. Voor dit vertrek maakten onze

timmerlieden ons zooveel banken en tafels als we maar begeerden.

Schoorsteenen hadden we niet noodig; 't was zonder vuur meer dan

heet genoeg, doch tenslotte zagen we ons toch verplicht elken nacht

een vuur aan te leggen om de wilde dieren--die ons hier niet minder

dan in de woestijn lastig vielen--op een afstand te houden. Daar

antilopen en ander onschuldig wild de begroeide omgeving van meer en

rivieren opzochten om zich te voeden en te verschuilen, kon het niet

uitblijven of de leeuwen en tijgers volgden hier hun prooi.

De schrik over deze ontdekking deed ons aanvankelijk besluiten onze

matten weer op te rollen, maar na lang beraad kwamen we overeen ons

kamp liever zoo te omheinen, dat we geen gevaar van ongewenschte

gasten te duchten hadden.

Daar het ons gelukkig niet aan hout ontbrak, togen onze timmerlieden

dadelijk aan den arbeid om ons kamp met hooge palen te omringen;

niet naast elkaar, zooals bij een gewone omheining, maar onregelmatig

geplant, nu eens hooger, dan eens lager en allen van scherpe punten

voorzien. Op vele plaatsen vormde deze beschutting een wel twee el

diepen gordel, zoodat een dier al een geweldigen sprong moest nemen,

wilde het er over heen komen en niet met zijn buik op de punten

blijven hangen.

Bij den ingang van onze vesting stonden dikkere palen, zóó voor

elkaar gezet, dat ze drie of vier korte bochten maakten, waardoor

geen wild dier, grooter dan een hond, zou kunnen binnendringen. Ten

overvloede stookten we elken nacht een flink vuur voor den ingang van

onze palissade, waar we een hut hadden neergezet om onze schildwachts

tegen den regen te beschutten. Om dit vuur te onderhouden, velden

we verscheiden boomen die we in stukken zaagden en opstapelden om te

laten drogen, terwijl we de groene takken gebruikten om onze hutten

nog beter af te dekken en te beschutten tegen den regen.

Nauwelijks hadden we al dit werk volbracht, of het begon zoo geweldig

te regenen, dat we onmogelijk op jacht konden gaan om onzen mondkost

aan vullen. Gelukkig scheen al dat hemelwater onze negers met hun

naakte lichamen veel minder dan ons Europeanen te deren.

Van half Juni tot half October bleven we in dit kampement, want

hoewel het hevigste van den regenmousson tegen den tijd van den

equinox bedaarde, stond de zon nu vlak boven ons hoofd, waarom we

besloten nog rustig te blijven waar we waren tot zij wat meer naar

het zuiden zou gedraaid zijn.

Gedurende dit oponthoud beleefden we nog verscheiden avonturen met de

roofdieren uit deze streek, en hadden we ons vuur niet altijd brandende

gehouden, dan betwijfel ik zeer, of onze omheining ons voldoende

zou beveiligd hebben, hoewel we haar nog met veertien rijen palen

versterkten. 't Was of de beesten 't er op zetten, ons juist altijd

's nachts te komen verontrusten, soms bij zulke troepen te gelijk,

dat het scheen alsof de leeuwen, tijgers, luipaarden en hyena's van

heel Afrika ons kwamen aanvallen, en we door 't gebrul en geschreeuw

geen oog konden dicht doen.

Op zekeren stormachtigen regennacht werden we allen door onze wacht

gewekt, die een overval van de wilde dieren vreesde. Aan de vuurzijde

vertoonden ze zich nooit, doch hun aantal was zoo groot dat we,

ofschoon vertrouwende op onze palissade, toch het zekere voor 't

onzekere namen en naar onze wapens grepen. 't Was bijna volle maan

en de lucht vol jagende wolken. Toen ik naar onze hutten omkeek,

meende ik een tijger binnenin onze fortificatie te onderscheiden,

en dit bleek ook bijna het geval. Blijkbaar was het ondier met een

geweldigen sprong over onze omheining gekomen en toen op een ver boven

de andere uitstekende paal, blijven hangen. Door zijn eigen zwaarte

was de punt hem in de dij gedrongen en zoo hing de panter daar nu,

want dat bleek het te zijn, huilende en in 't hout bijtende van woede.

Een neger die naast mij stond zijn lans afgrijpende, snelde ik op

het beest toe en maakte het met een steek of drie, vier af. Ik wilde

namelijk niet schieten, omdat ik van plan was de overige verscheurende

dieren, die zoo dicht op elkaar schenen te staan als de ossen op

een veemarkt, met een salvo te begroeten. Mijn kameraads bijeen

roepende, schoten we nu allen tegelijk onze geweren af op de plek

waar ze het dichtst bijeen stonden. De uitwerking was schitterend;

alle namen overhaast de vlucht, behalve de dooden en gewonden die

achterbleven--de laatste afschuwelijk brullend--maar waarnaar we

nog geen onderzoek durfden gaan instellen. Het kolossale aantal was

misschien te wijten aan de ingewanden van een geslachte antilope en

van drie of vier geiten, die we over de palissaden hadden weggegooid.

Zoodra de dag begon aan te breken verlieten we onze legerplaats om

het slagveld in oogenschouw te nemen, waarop we drie doode tijgers en

twee hyena's vonden. Bovendien troffen we ook nog levend een prachtigen

ouden leeuw aan. Het arme dier waren beide voorpooten kapot geschoten,

zoodat hij zich niet van de plaats bewegen kon, hoe ontzaglijk hij

zich hiervoor ook had ingespannen. Hij was dus de gewonde held geweest,

wiens woedend gebrul ons den ganschen nacht verontrust had.

"Als ik overtuigd was," zei onze chirurgijn, den leeuw met medelijden

beschouwend, "dat het dier mij even dankbaar zou zijn als een van

Zijn Majesteits voorvaderen het Androkles, den Romeinschen slaaf,

was, dan zou ik stellig zijn beide pooten zetten."

"Ja, dat is niet vooruit te zeggen," zei ik, "je moest maar met

de behandeling beginnen en dan vertrouwen op het eergevoel van den

woestijn-koning."

Maar de onderneming leek onzen heelmeester toch wat te gewaagd,

en om een einde te maken aan het lijden van het afgemartelde beest,

schoot hij het door den kop, wat hem voor 't vervolg den naam van

"koningsmoordenaar" bezorgde.

Later vonden onze negers nog vijf verwonde dieren, die in de omgeving

van ons kamp bezweken waren: een hyena, een mooi-gevlekten luipaard

en nog drie andere beesten, die we niet eerder gezien hadden.

't Bleef wel niet bij deze eerste nachtelijke bezoeken, maar

in zoo groote getale kwamen ze toch nooit meer opzetten. 't

Grootste bezwaar er van was nog, dat ze het onschadelijk wild

uit onze buurt verjoegen, wier nabijheid zoo noodig was voor ons

levensonderhoud. Gelukkig waagden zich onze negers toch dagelijks

op de jacht en keerden ze zelden zonder eenigen buit terug. Tegen

het einde van den regentijd vonden we in dit gedeelte van 't land

ook overvloed van eetbaar watergevogelte, zooals eenden, talingen,

smienten, ganzen enz. Verder vingen we heel wat visch, zoo dat het

ons nooit aan voedsel ontbrak. Het eenige wat we zeer begonnen te

missen was zout, waarvan we nog maar een kleinen voorraad bezaten,

die we natuurlijk uitsluitend voor onszelve hielden; de negers aten

hun vleesch trouwens liever geheel ontoebereid.

Het weer begon nu langzamerhand op te klaren; de regens bedaarden,

het water trok zich in zijn beddingen terug, en daar de zon door

haar zenith en naar het zuiden was gedraaid besloten we onze reis

te hervatten.

Den 12den October zetten we ons weer in beweging. Moeilijk was de

tocht in dit gedeelte van het land volstrekt niet. We vonden overal

voedsel en water, legden ongeveer vijf-en-twintig mijlen per dag af en

hielden gedurende de eerste elf dagen maar één dag rust, om een vlot

te maken dat ons over een nog sterk gezwollen riviertje moest helpen.

Toen wij dit riviertje, dat ook naar 't noorden stroomde, achter

ons hadden, stootten we al gauw op een heuvelrij, aan weerszijden

waarvan zich een mooie laagvlakte uitstrekte. Niet van plan evenwel,

onze westelijke richting ter wille van een bergketen te wijzigen,

trokken we dus moedig verder. Men stelle zich onze blijde verrassing

voor, toen een onzer timmerlui, die met een paar negers het eerst

den bergrug bereikte, ons opgewonden toeriep: "De zee! De zee!" en

van pure uitgelatenheid begon te springen en te dansen.

't Meest verrast waren misschien wel de kanonnier en ik, want we

hadden juist 's morgens nog uitgerekend, dat we nog meer dan duizend

mijl van de kust verwijderd moesten zijn en dus nóg wel een regentijd

op het Afrikaansche vasteland zouden moeten doorbrengen.

Toen onze timmerman nu zoo uitbundig zijn vreugde uitte, werd de

kanonnier kwaad en riep hem toe: "Je bent gek!" Maar boven gekomen

moest hij die woorden wel herroepen, want wáár we ook keken, 't zij

naar 't westen, 't zuiden of 't noorden, we zagen niets dan water en

nog eens water, een uitgestrektheid alleen door den horizon begrensd.

Verrast en verward daalden we in de vlakte af, niet in staat te

verklaren waar we ons bevonden, daar we volgens onze kaarten nog zoo

ver van den Atlantischen Oceaan waren en deze zee op geen drie mijlen

af stands voor ons lag. Nog grooter werd onze verwondering toen we

ontdekten dat het water heel goed drinkbaar bleek.

Welken koers nu verder te nemen? De zee, of wat het dan mocht wezen,

maakte verder trekken in westelijke richting onmogelijk. Na kort beraad

besloten we noordwaards te marcheeren, de richting die ons in ieder

geval dichter naar ons vurig begeerde doel, het vaderland zou voeren.

Gedurende drie-en-twintig dagen trokken we zoo langs den oever van deze

ontzaglijke watervlakte, zonder feitelijk te weten wat het was. Aan

het einde van dien termijn werden we verblijd door den juichkreet

"Land!" door een onzer matrozen 's morgens in de vroegte aangeheven,

en gelukkig bleek het geen valsch alarm. Duidelijk onderscheidden

we op grooten afstand in westelijke richting eenige bergtoppen. Nu

wisten we meteen dat we niet langs de kust van een eigenlijke zee,

maar van een reusachtig meer of binnenzee gereisd hadden. Toen we

eindelijk, na nog acht dagen zwoegens, den noordelijken rand bereikt

hadden, zagen we dat het meer zich in een groote rivier ontlastte,

die in noordelijke of noordoostelijke richting liep.

Bij nauwkeuriger overweging kwam mijn vriend de kanonnier nu tot

het inzicht dat hij zich vroeger vergist had en dit nu de Nijl moest

wezen, maar hij bleef bij zijn opinie dat een reis naar Egypte niet

was aan te bevelen. Dus kwamen we overeen de rivier over te steken,

wat met groote moeilijkheden gepaard bleek te gaan, daar de strooming

buitengewoon sterk en de bedding breed was.

Er ging nog wel een week mee heen, eer we onszelf en ons vee aan

den anderen kant hadden, want al groeiden er boomen in overvloed, we

konden er geen enkele vinden, groot genoeg om er een kano van te maken.

Dit gedeelte van onzen tocht werd buitengewoon vermoeiend. Telkens

belemmerd door de ontelbare kleine riviertjes, die van de oostelijk

gelegen heuvels naar de binnenzee vloeiden, konden we elken dag

slechts een korten afstand afleggen.

De laatste drie dagen van onze reis zagen we af en toe eenige inwoners,

die evenwel niet aan het water doch in 't gebergte woonden. Wat onze

voedselvoorziening betrof, geraakten we wat in 't nauw, daar we geen

wild onder schot kregen en de zee weinig vischrijk scheen te zijn.

Tegenover deze bezwaren stond echter, dat we gedurende den geheelen

tocht langs de binnenzee geen last van wilde dieren hadden gehad. De

eenige onaangename ervaringen van dien aard waren de ontmoetingen

met de giftige slangen, die op dit vochtige terrein tierden en ons

een paar maal aanvielen. Trachtten we ze dood te slaan, dan richtten

ze zich op en sisten zoo doordringend, dat we het op vrij grooten

afstand hooren konden.

Hoogst merkwaardig kwam het ons voor, dat we over een uitgestrektheid

van duizend mijlen geen menschen aantroffen. Wij hadden een marsch door

het hart van Afrika gemaakt, en het scheen wel alsof geen sterfelijk

wezen hier een voet gezet had sedert Noachs zonen zich over den

aardbodem verspreid hadden. Toen onze kanonnier met behulp van zijn

meetinstrument de hoogte van onze verblijfplaats had vastgesteld,

bleek het dat we ons, na een reis van drie-en-twintig dagen in

noordelijke richting, op 6° 22' zuiderbreedte bevonden.

Met groote inspanning over bovengenoemde rivier gekomen, zagen we

een woeste, onherbergzame streek voor ons, die ons met angst deed

verder trekken. Het terrein was bergachtig, onvruchtbaar en moeilijk

begaanbaar, terwijl het er van verscheurende dieren wemelde. Van

bewoners geen spoor. Bij dit alles kwam nog dat onze mondkost ten

einde raakte en we geen kans zagen dien aan te vullen.

Bij zeer zuinig overleg zouden we 't met onze gedroogde visschen

ongeveer vijf dagen kunnen uithouden, en na eenige aarzeling besloten

we 't er op te wagen, vertrouwende inmiddels wel weer eetbare dieren

of planten te zullen aantreffen. Dat viel echter niet mee; den zesden

dag moesten we vasten. Met bezwaarde harten legden we ons 's avonds

te ruste en den achtsten zagen we ons genoodzaakt een van onze trouwe

stieren te slachten, die zoo geduldig onze lasten gedragen had. Zijn

vleesch smaakte uitstekend, en we wisten er zoo zuinig mee om te

gaan, dat het ons drie en een halven dag voor honger bewaarde. Al op

't punt een tweeden buffel te dooden, daagde er gelukkig in de verte

een vruchtbaarder streek op met boomen en een rivier.

Met nieuwen moed bezield, verhaastten we, ondanks onze leege magen

en groote vermoeidheid, ons marschtempo om zoo gauw mogelijk den

oever te bereiken, en tot ons geluk kwamen ons, nog eer we zoover

waren, een paar jonge antilopen onder schot, een lekkernij waarnaar

we reeds dikwijls verlangd hadden en die we dan ook als hongerige

wolven verslonden.

HOOFDSTUK VIII.

ONTMOETING MET EEN BLANKE.

Aan den oever van deze rivier ontdekten we reeds den eersten dag sporen

van bewoners, hoewel we er nog geen enkel mensch ontmoetten. Den

tweeden dag kwamen we eerst in een bewoonde streek, waar alle

inboorlingen, de vrouwen zoowel als de mannen, geheel naakt liepen.

Nadat we hen met vriendschapsteekenen tegemoet waren getreden, leerden

we ze al gauw als een onbevangen, goedmoedig en betrouwbaar soort

van menschen kennen. Zonder de geringste schuwheid kwamen ze naar

onze negers toe en gaven ons geen enkele reden om hen van slinksche

streken te verdenken, zooals dit bij andere volksstammen wel eens

't geval was geweest.

Zoodra we hun door gebaren te kennen gaven dat we honger hadden,

liepen eenige vrouwen hard weg om met een grooten voorraad wortelen

en kalabassen terug te komen, die wij dadelijk in goed vertrouwen

opaten. Daarop liet onze fijnsmid hun een paar van zijn ijzeren en

zilveren sieraden zien, waarbij ze wel zooveel begrip toonden te

bezitten dat ze gretiger de zilveren dan de ijzeren aannamen. Toen

we hen daarna de gouden fraaiigheden toonden, bemerkten we, dat ze

die echter van minder waarde achtten dan de eerste.

In ruil voor eenige van die prullen, brachten ze ons nog meer

levensmiddelen, onder andere drie dieren ongeveer zoo groot als

kalveren, die we nooit eerder gezien hadden, maar die heerlijk

smaakten. Later kwamen ze nog met twaalf stuks van datzelfde vee aan en

met een half dozijn kleinere dieren, die aan hazen deden denken. Een

en ander was ons bij den voedselnood waarin we ons bevonden, meer

dan welkom.

Binnen korten tijd stonden we met deze negerstam op zeer

vriendschappelijken voet. Nog nooit hadden we zulke vriendelijke,

gedienstige inwoners aangetroffen. Ze deden al wat we maar verlangden

met de grootste bereidwilligheid en, wat een buitengewoon aangename

ervaring was, we konden ons oneindig gemakkelijker verstaanbaar maken

dan dit tot nu toe ooit bij een der Afrikaansche negerstammen het

geval was geweest.

Toen wij na verloop van een week ongeveer, onze reis wilden hervatten

en hen, naar het westen wijzende, om inlichtingen vroegen, beduidden

ze ons dat die richting niet te volgen was maar we noordwestelijk

moesten aanhouden. Uit hun gebaren maakten we op dat ons een meer in

den weg moest liggen, en dit bleek ook werkelijk het geval. Na een

tocht van twee dagen kregen we het in 't oog en we zagen het steeds

links van ons liggen tot we den evenaar gepasseerd waren.

Onzen kanonnier beviel dat voorttrekken in noordelijke richting

volstrekt niet, en met een bezorgd gezicht wees hij me op de kaart

aan, dat het vasteland zich, van 6° noorderbreedte af, zoo ver naar

't westen begon uit te strekken, dat we ruim vijftienhonderd mijlen

meer zouden moeten afleggen, dan wanneer we op een zuidelijker punt

de zee konden bereiken.

"Is er geen kans dat we hier eens een bevaarbare rivier ontmoeten,

die ons naar den westelijken oceaan brengt?" vroeg ik hem. "Dan zouden

we ons den stroom kunnen laten afzakken en kwam het er niet op aan,

al was 't tweemaal vijftienhonderd mijlen, wanneer we maar mondkost

konden vinden langs de oevers."

Daarop legde hij me opnieuw de kaart voor en wees mij dat er geen

rivier scheen te bestaan, lang genoeg om ons van eenigen dienst te

kunnen zijn; ze werden allemaal pas op omstreeks twee of driehonderd

mijlen van de kust bevaarbaar, de Niger, of "Rio Grande" zooals de

Portugeezen haar noemden uitgezonderd.

"Die ligt ook stellig nog wel een zevenhonderd mijl noordelijker van

ons dan waar we nu zijn," verklaarde hij, "en 't is op geen stukken

na te bepalen hoe we ons door dien afstand zullen heenslaan. De hitte

ten noorden van den evenaar is al even ondragelijk als ten zuiden

daarvan, en het land waarschijnlijk veel woester, onvruchtbaarder en

onherbergzamer. Daarbij loopen we groot gevaar, wanneer we tusschen

de negers aan de noordkust verzeilen, vijandig ontvangen te worden,

uit wraak over de slechte behandeling die zij zich over 't geheel

van de Europeanen met wie ze handel drijven, moeten laten welgevallen."

Dit alles overwegende, ried hij ons aan, zoo gauw we het meer voorbij

waren, naar het Z.W. af te buigen en te trachten de Kongorivier te

bereiken, waarnaar de kust genoemd is, die even ten N. van Angola,

ons oorspronkelijke doel was geweest.

"Ben je ooit aan de Kongo-kust geweest?" vroeg ik hem.

"Jawel, dat is te zeggen, ik heb er voor anker gelegen," antwoordde

onze kanonnier. "Aan wal ben ik er nooit geweest."

"Maar hoe kunnen we vandaar een landingsplaats voor Europeesche

schepen bereiken?" vroeg ik weer. "Als het vasteland van Afrika zoowat

vijftienhonderd mijlen naar het westen vooruitspringt, moeten we toch

langs die heele kust trekken om de westelijke punt te bereiken.

De avonturen van kapitein Bob · 第 7 / 10 段