mijlen van de kust bevinden, en met mannenmoed begonnen we den berg
vóór ons te bestijgen. Toen we na een ontzaglijke inspanning den
top bereikten en het land voor ons over een groote uitgestrektheid
konden overzien, zonk het hart den meesten van ons echter in de
schoenen. Geen boom, geen beek, geen struik, zoover het oog reikte;
niets dan dor, gloeiend zand, dat, wanneer de wind even opstak, in
dichte wolken werd opgejaagd en mensch en dier dreigde te verstikken
en te bedelven. Nergens was een einde, een begrenzing der zandzee
te zien. Geen wonder dat het onze mannen beklemd te moede werd en
ze van terugkeeren begonnen te reppen. Wij vroegen ons af, of we ons
wel over zulk een afschrikwekkend terrein mochten begeven, waar niets
dan een wisse dood ons scheen te wachten.
Hoewel ik, wat mezelf betreft, niet minder ontsteld was bij 't
vooruitzicht dan mijn kameraden, kon ik de gedachte onverrichterzake
terug te keeren toch niet verdragen. "De zevenhonderd mijlen die wij
achter ons hebben, zouden dan te vergeefs zijn afgelegd," zei ik,
"en de terugtocht lijkt mij erger dan de dood. Ik stel voor ons plan
door te zetten, en blijkt het onmogelijk de woestijn over te steken,
welnu dan kunnen we immers nog naar Kaap de Goede Hoop trachten te
komen of in noordelijke richting in het Nijlgebied. Misschien vinden
we ook hier of daar nog een weg naar het westen; heel Afrika zal toch
wel geen woestijn zijn!"
Onze kanonnier, bij 't kiezen van een richting altijd onze autoriteit,
zette, toen we zijn meening vroegen, een ernstig gezicht en antwoordde
ten slotte: "Ik durf niet aan te raden naar de Kaap te trekken,
omdat de afstand zoo ontzettend groot is; zeker niet minder dan
vijftienhonderd mijlen. Naar mijn berekening bevinden we ons nu
op een derde van den afstand naar de kust van Angola. Als je de
kaart raadpleegt, kun je zien dat we, naar mate we noordelijker
komen, oneindig grooter afstand tot aan de westkust zouden moeten
afleggen, door een streek die waarschijnlijk niet beter is dan deze
woestijn. Daarom zou ik zeggen: laten we in westelijke richting
voortgaan tot we de helft van ons water en onze proviand verbruikt
hebben. Zien we dan geen uitkomst, dan kunnen we altijd nog, zonder
gebrek te lijden, terugkeeren."
Die raad leek ons zoo verstandig, dat we met algemeene stemmen besloten
hem te volgen. We berekenden dat we omstreeks twee-en-veertig dagen
voedsel zouden kunnen meenemen, doch voor niet meer dan twintig
dagen water, 't geen buitendien reeds voor dien tijd onbruikbaar zou
zijn, waarop we besloten terug te keeren, wanneer we na een dag of
tien geen beek of riviertje hadden aangetroffen. Vonden we evenwel
drinkwater, dan zouden we een-en-twintig dagen kunnen doorreizen
en eerst daarna--wanneer we ten minste geen einde aan de woestijn
zagen--den terugtocht overwegen.
Na deze afspraak daalden we van den bergrug af naar de laagvlakte die
we pas den tweeden dag bereikten, maar waarin we een heldere, breede
beek, overvloed van groot wild en een soort van haas vonden, niet zoo
vlug, maar even goed van smaak als de ons uit Europa bekende. Een
teleurstelling was echter dat we geen bewoners ontmoetten en dus
geen gevangenen konden maken om onze bepakking te helpen dragen of
als wegwijzers dienst te doen.
Nadat we ons ruimschoots van allerlei leeftocht voorzien hadden,
aanvaardden we, gezond als we allen gelukkig waren, met vertrouwen
de groote reis; maar onmiddellijk bij 't betreden der eigenlijke
woestijn, begon onze moed al te zinken, want het zand was zoo diep en
door de hitte zoo pijnlijk aan de voeten, dat we ons na een marsch,
of liever na een doorwaden van een mijl of acht, al totaal uitgeput
gevoelden. Zelfs de negers vielen hijgend neer als dieren die zich
boven hun krachten hebben ingespannen.
Weldra maakten we kennis met nog meer moeilijkheden aan een verblijf
in de woestijn verbonden. Tot nu toe hadden we ons 's nachts altijd
hutten gebouwd om ons tegen de nadeelige nachtlucht in de tropen te
beschutten, maar hier vonden we na dien afmattenden tocht nergens
eenig onderkomen. Er was geen boom, geen struikje zelfs te zien,
en toen we tegen den nacht van alle kanten het gehuil van wolven
en hyena's, het gebrul van leeuwen en het balken van tallooze wilde
ezels hoorden, kwam er van rusten zoo goed als niets.
Geërgerd over onze domheid, verweten we onszelf dat we geen palen en
stokken hadden meegenomen om, hoe gebrekkig misschien ook, toch een
soort van palissadenhut te kunnen bouwen. Eindelijk kwamen we op het
denkbeeld onze lansen en bogen in den grond te planten, de boveneinden
zoo dicht mogelijk naar elkaar toe te buigen, deze met onze jassen
te behangen en eenige huiden op het zand uit te spreiden. Op deze
wijze richtten we ons een soort van tent in, waarin we uitstekend
sliepen. Natuurlijk zorgden we voor een goed gewapende wacht,--waarbij
we elkaar twee aan twee aflosten--een zeker niet overbodige voorzorg,
daar de woestijn vol wilde dieren van allerlei soort bleek te zijn
die soms tot vlak bij onze legerplaats kwamen.
Onze schildwachts hadden bevel gekregen ons niet met schieten te
wekken, maar het kruit op de pan af te branden, wat de dieren evengoed
op de vlucht joeg.
Hoewel we afwisselend geslapen hadden, voelden we ons 's morgens
niet veel minder vermoeid van den nacht dan den vorigen avond van
den inspannenden dagmarsch, en onze Zwarte Prins waarschuwde ons,
dat we zonder behoorlijk nachtlogies allen zouden omkomen. Op zijn
aanraden (hij begon zich al eenigszins in onze taal uit te drukken),
trokken we weer terug naar de groote beek die ons van water voor de
woestijnreis voorzien had, om ons daar een aantal biezen matten te
vlechten zooals we de inlanders hadden zien doen.
Op dezen terugtocht, waarover eenigen van ons twee dagen werkten,
deden de achterblijvers een eigenaardige ervaring op, die hen voor
't vervolg wel wat angstiger maakte zich af te scheiden.
's Morgens van den tweeden dag namelijk, toen ze nog geen mijl hadden
afgelegd, zagen ze achter zich een geweldige zandwolk opstijgen,
ongeveer zooals wij 's zomers wel eens op een stoffigen landweg zien,
wanneer er een kudde koeien wordt voortgedreven. Doch deze wolk was
oneindig grooter en dichter, en ze konden duidelijk waarnemen, dat
het opgejaagde zand hen naderde, en wel veel sneller dan zij uit de
voeten konden komen.
Hun eerste vermoeden was, dat er een vijandelijk leger in aantocht
moest zijn, maar bij eenig nadenken zagen ze de onwaarschijnlijkheid
hiervan in. Hoe zou de een of andere volksstam van onze voorgenomen
tocht iets kunnen afweten en nog wel uit de onbewoonbare woestijn
achter hen? Mocht het dus een leger zijn--paarden waren er in die
streek niet--dan moest het toevallig in dezelfde richting trekken. Maar
misschien waren het wel wilde beesten! Inmiddels naderde de zandwolk
met dreigende snelheid, en in doodsangst, verscheurd of onder den voet
te worden geloopen, besloten ze te probeeren om door verandering van
richting aan dit gevaar te ontkomen. Toen ze ongeveer een minuut of
vijf naar het noorden waren afgeslagen, hielden ze halt om te zien
wat het verschijnsel veroorzaakt had. Hiertoe werd een der lichtste
en lenigste negers er op afgestuurd, en gauwer dan ze gedacht hadden
kwam hij door 't mulle zand teruggeloopen, door teekens en geluiden
te kennen gevende dat het een groote kudde olifanten was.
Nieuwsgierig zoo'n ongewoon schouwspel te zien, wilden onze mannen
er op afgaan en bekroop onzen kanonnier, die bij dit troepje was
achtergebleven, de lust eens te beproeven of de dikhuiden werkelijk
voor kogels ondoordringbaar waren; maar ze trachtten hem allen van
dit voornemen af te brengen, uit vrees dat de dieren, verschrikt
door het ongewone geluid, op ons zouden afstormen, daar zij zich,
hoe log ook in hun bewegingen, verwonderlijk gauw door het mulle zand
kunnen voortbewegen.
Het waren ontzaglijk groote beesten, twintig à dertig in aantal, en
ofschoon ze bewijzen gaven onze mannen heel goed te zien, weken ze toch
niet uit de richting. Wij die de voorhoede vormden, merkten de stofwolk
ook wel op, zij het ook op zeer grooten afstand, maar meenden dat het
onze eigen karavaan was en namen er dus verder geen notitie van. Eerst
's avonds deden onze makkers ons 't verhaal van hun ervaring, waaruit
we leering putten voor ons verdere gedrag tijdens den woestijntocht.
Zoo gauw mogelijk vingen we onzen arbeid aan, waarbij onze Zwarte
Prins, die het handwerk uitstekend verstond, de leiding op zich
nam. Al zijn onderhoorigen konden trouwens matten vlechten, zoodat
we er in korten tijd een honderdtal klaar hadden, waarvan iedere
neger er zonder moeite een bij zijn gewone vracht droeg. Meer bezwaar
leverden eerst de palen en stokken op, tot een der inboorlingen op het
denkbeeld kwam, ze tusschen hen in op de schouders te dragen, een aan
't vóór en een aan 't achtereinde en er allerlei bagage aan te hangen.
Zoodra wij dit zagen trokken wij er nog het voordeel van om elk paar
lattendragers bovendien met een waterzak te belasten, waardoor we
voor meer dan een dagreis extra water konden meenemen.
Na een onderbreking van acht dagen, zetten we ons weer in beweging. Tot
onze groote blijdschap viel er den nacht voor ons vertrek geweldig
veel regen, waarvan we de uitwerking dadelijk aan het zand konden
waarnemen. Wel was de oppervlakte weer gauw even droog als te voren,
maar de ondergrond bleek steviger, vaster geworden en onze voeten
werden niet zoo brandend heet, zoodat we dien dag zonder inspanning
ongeveer veertien, in plaats van zeven mijlen aflegden.
Toen het tot kampeeren kwam, hadden we ons nachtverblijf ook spoedig in
orde, dank zij een vooroefening, aan de beek gehouden. In minder dan
een uur was de uit twee ruimten bestaande tent kant en klaar. In de
binnenste lagen wij, in de buitenste onze negers, allen op matten en
met hetzelfde materiaal toegedekt. Ook hadden we een kleine omheinde
ruimte afgepaald voor onze buffels die ons zulke uitstekende diensten
bewezen en ons niets geen last bezorgden, daar ze een soort van
witte peen of pastinak aten, die we overal--behalve natuurlijk in
die verschrikkelijke woestijn--overvloedig aantroffen.
Den volgenden morgen braken onze negers de tent weer af, en in minder
tijd dan het opstellen gekost had, stonden we allen weer marschvaardig.
Zoo trokken we acht dagen verder, zonder iets te zien wat op het einde
der woestijn wees; alles bleef even woest en kaal als in 't begin,
alleen was het zand niet meer zoo mul en diep als de drie eerste
dagen. Naar ons idee vond dit zijn oorzaak in de omstandigheid, dat
de wind, die hier zes maanden van 't jaar uit het westen blaast, het
zand voortdurend naar dat gedeelte der woestijn had opgestuwd waar
wij onze reis aanvingen, terwijl de oostmoesson in de andere helft
van 't jaar door de hooge bergen in 't oosten verhinderd werd het
zand met dezelfde kracht terug te drijven. En deze veronderstelling
werd bevestigd toen we aan de uiterste westgrens der woestijn weer
dezelfde dikke zandlaag te doorwaden kregen.
Op den negenden dag van onzen woestijntocht kwamen we aan een
uitgestrekt meer, een gezicht dat ons allen met de grootste vreugde
vervulde, want we hadden nog maar voor drie dagen water, behalve dan
het allernoodzakelijkste voor een mogelijken terugkeer. Toch had het
twee dagen langer gestrekt dan we hadden durven hopen, doordat onze
buffels de laatste dagen een soort van doornloozen distel ontdekt
hadden, die hun zoowel tot eten als tot drinken diende.
Den volgenden dag bereikten we den oever van dit meer, en gelukkig
den zuidelijken, want in noordelijke richting was er geen einde aan te
zien. Gedurende drie dagen marcheerden we langs den rand en behoefden
we dus--een groote verlichting--geen water mee te sleepen. Vreemd
genoeg verloor de woestijn ondanks die groote uitgestrektheid water,
niets van zijn dor, onvruchtbaar karakter.
Op voorstel van den kanonnier besloten we hier aan het meer een
behoorlijke rust te nemen, wat ons na een veertiendaagsche onafgebroken
reis ook wel toekwam, en te trachten wat eetbare visch te vangen. Met
behulp van eenige vischhaken, die onze smid weer wist te fabriceeren,
lukte ons dit uitstekend. Niet alleen vingen we er meer dan genoeg
voor onze onmiddellijke behoefte, maar we droogden er ook een massa,
die we voor onze verdere reis bestemden.
Ongeveer vijf dagen rustten we aan deze koeltebrengende watervlakte
uit, in welken tijd we ontelbare interessante avonturen met allerlei
wilde dieren beleefden, o.a. een wedloop tusschen een leeuwin en een
soort van groot hert of antilope. Met een voorsprong van ongeveer
driehonderd meter, vloog de antilope ons als de wind voorbij, maar
we merkten al heel gauw op dat de leeuwin, dank zij haar geweldige
spierkracht en sterke longen, het snelvoetige dier begon in te
halen. Op ongeveer drie minuten afstands renden ze langs ons heen,
en het duurde geruimen tijd eer ze uit ons gezicht verdwenen. Tot
onze groote verbazing kwamen ze evenwel, na een uur ongeveer,
van den anderen kant op ons afgestormd; de leeuwin nu slechts
een twintig à dertig meter van de antilope verwijderd. Ademloos
volgden we de opwindende jacht, waarbij beide dieren een geweldige
krachtsinspanning aan den dag legden. Bij het meer gekomen, deed het
hert in zijn wanhoop een sprong in het water en begon voor zijn leven
te zwemmen zooals het er tot nu toe voor geloopen had.
De leeuwin sprong het na, maar keerde al heel gauw terug en hief, weer
aan land gekomen, in haar teleurstelling zoo'n vervaarlijk gebrul aan,
dat het sommigen van ons deed beven.
's Morgens maakten we kleine tochtjes, vischten of gingen ter jacht,
maar op 't heetst van den dag kropen we in onze tenten.
Op zekeren morgen waren we getuige van een andere vervolging, die
ons meer van nabij raakte dan de eerste. Onze Zwarte Prins namelijk
werd, rustig langs het meer loopende, plotseling aangevallen door een
krokodil, en hoe vlug ook in zijn bewegingen, wist onze vriend maar
nauwelijks te ontkomen en hulp bij ons te zoeken. Goede raad was duur;
de negers hadden ons meer dan eens verzekerd dat een kogel niet door
een krokodillenhuid heendrong, en dit scheen ook werkelijk het geval
te wezen, want hoewel drie onzer mannen op het monster vuurden, trok
dit er zich niets van aan. Onze kanonnier evenwel, een dappere kerel,
altijd bereid tot een kloeke daad, trad nu zóó dicht op den vijand toe,
dat hij hem den mond van 't geweer in den muil kon steken en vuurde
toen, waarna hij echter zijn vuurroer in den steek liet en aan den haal
ging. Het ondier ging geweldig te keer en koelde zijn woede aan het
wapen, den loop met zijn tanden plat bijtende. Na eenigen tijd zagen we
hem echter zwakker en rustiger worden, tot hij eindelijk den geest gaf.
Gedurende ons oponthoud aan het meer zwierven onze negers in den
omtrek rond om wild te bemachtigen en brachten ze ons ten slotte drie
antilopen aan, een van de drie buitengewoon groot, de beide andere
heel klein.
Het eenige pluimvee dat we op onzen woestijntocht ontmoetten waren
verschillende, watervogels die we op het meer zagen, maar ze kwamen
nooit genoeg in onze nabijheid om ze onder schot te kunnen krijgen.
Wel doodden we een paar civetkatten, doch hun vleesch was oneetbaar,
door den sterken muskussmaak. Olifanten zagen we bij massa's op een
afstand, en het trof ons dat die geweldige dieren altijd in groote
troepen voorttrekken, alles wat hun in den weg komt, onder den voet
loopende of met hun snuit in de lucht slingerend. Hoe log gebouwd
ook, weet deze sterke planteneter toch zoo behendig met zijn slurf
om te gaan, dat hij er een leeuw of ander wild dier mee opneemt,
op den grond smakt en dan met zijn zware pooten dood trapt.
Dat deze reusachtige viervoeters in groote getale in Afrika moesten
voorkomen, bleek wel uit het ongelooflijk groote aantal olifantstanden
dat wij in de woestijn aantroffen.
Op zekeren avond--de meesten van ons lagen al op hun matten te
slapen--kwamen onze schildwachts aangerend, verschrikt door het
gebrul van eenige leeuwen, die blijkbaar al vlak in hun nabijheid
waren, hoewel ze de dieren in de duisternis niet gezien hadden. Bij
nader onderzoek bleek het een volledige leeuwenfamilie te zijn: een
oude leeuw, een leeuwin en drie al tamelijk groote jongen. Een dezer
jongen was onverhoeds op een der op post staande negers aangevallen,
die doodelijk ontsteld naar onze hutten snelde. De tweede schildwacht,
met een geweer gewapend, had geen tegenwoordigheid van geest genoeg om
het dier dood te schieten, maar bracht het met den kolf een slag toe
die het jong eerst deed huilen en toen dreigend grommen. Drie der onzen
grepen hun geweren en vlogen naar de tentdeur, waar we onmiddellijk
den grooten leeuwenkoning onderscheidden door het vuur dat uit zijn
oogen straalde. Ze schoten, maar troffen het dier niet--tenminste niet
doodelijk, want alle vijf draafden weg, onder een gebrul dat--alsof
ze om hulp hadden geroepen--van alle kanten beantwoord werd. Deze
huilende, jankende, schreeuwende woestijnmuziek gaf ons een gevoel
alsof de verscheurende dieren van heel Afrika op onze legerplaats
losstormden om ons te verslinden.
In onzen angst vroegen we onzen Zwarten Prins wat wij toch beginnen
moesten. "Mij gaan en allemaal bang maak," zei hij in zijn gebroken
taaltje, en meteen greep hij twee van onze slechtste matten van den
grond. Daarop beval hij een paar negers vuur te slaan, hing een der
matten aan een staak en stak dien, toen de mat flink vlamde, omhoog,
waarop de gansche bende ondieren de vlucht nam.
"Als dat helpen kan," zei toen onze kanonnier, "behoeven we onze matten
niet te verbranden; die kunnen ons betere diensten bewijzen. Wacht,
maats!" En nadat hij een heelen tijd in onze tent bezig was geweest,
kwam hij te voorschijn met een paar eenvoudige stukken vuurwerk,
waarvan de schildwachts er elk een kregen om zoo noodig dadelijk te
kunnen gebruiken. Daarna maakte hij een vuurrad vast aan denzelfden
staak, waaraan eerst de mat was vastgebonden geweest en liet dit
zoolang branden tot er van de lastige bezoekers niets meer te hooren
of te zien was.
De groote kans op hun terugkomst deed ons evenwel besluiten twee
dagen eerder op te breken dan we aanvankelijk van plan waren geweest,
en verder trekkende vonden we--al was het einde der woestijn ook nog
steeds niet te zien--voldoende groen voor ons vee. Ook ontmoetten we
verschillende riviertjes, die blijkbaar allen in het meer uitmondden,
zoodat het ons in de lagere gedeelten nergens aan water ontbrak. Na
nog zestien dagen reizens begon het terrein wat te stijgen en vulden
we voorzichtigheidshalve onze waterzakken. Het stijgen hield drie
dagen onafgebroken aan, waarna we plotseling tot de ontdekking kwamen,
dat we, bijna onmerkbaar, den top van een bergketen beklommen hadden.
HOOFDSTUK VII.
AAN DE GOUDRIVIER.
Tot onze groote vreugde bewees het ruime uitzicht boven van den top,
dat we het einde der woestijn hadden bereikt. De geheele streek
vóór ons was bedekt met frisch groen, een overvloed van boomen en
een breede rivier, en we twijfelden er niet aan of we zouden er ook
wel menschen en vee vinden. Onze kanonnier rekende uit dat we in de
vier-en-dertig dagen die we in dit vreeselijk oord hadden doorgebracht,
omstreeks vier honderd mijlen moesten hebben afgelegd, terwijl onze
geheele tocht te land ongeveer elf honderd mijlen had bedragen.
Hoe graag zouden we nog dienzelfden avond in het dal zijn afgedaald,
maar het was te laat. Den volgenden morgen zagen we alles duidelijker
en strekten we ons heerlijk uit in de schaduw van een paar
boomen. Nadat we ons een maand lang hadden moeten laten verzengen,
was zoo'n koel bladerdak een weldadige verkwikking. Ook vonden we
hier allerlei wild, onder anderen een soort van geit en een overvloed
van vogels, die aan patrijzen deden denken, maar niet zoo groot noch
zoo schoon waren. 't Bleek hier dus een waar paradijs na al 't geen
we achter ons hadden. Bewoners troffen we tot onze verwondering
niet aan, en als om onze blijde stemming eenigszins te kalmeeren,
hoorden we bijna elken nacht het brullen en huilen van leeuwen en
tijgers. Olifanten schenen hier niet meer voor te komen.
Na een marsch van nog drie dagen bereikten we een rivier, die we
van de berghoogte al gezien hadden en Goudrivier doopten. Ze had een
buitengewoon sterk verval en liep in noordelijke richting, en onze
kanonnier die onmiddellijk zijn kaart te voorschijn haalde, verzekerde
mij, dat het óf de Nijl moest wezen, óf een der rivieren die in het
groote meer uitloopt waarin naar men zegt de Nijl ontspringt.
"Als het werkelijk de Nijl is," meende mijn vriend verder, "wat
verhindert ons dan om zooveel kano's te maken als we noodig hebben en
ons den stroom te laten afzakken. 't Lijkt mij toch in ieder geval
veel beter dan om ons weer aan zoo'n verschroeiende hitte bloot te
stellen, en ten slotte een kust te bereiken vanwaar we misschien even
weinig kans hebben ons land te bereiken als van Madagaskar."
Dit leek nu wel heel waar en mooi, maar er kwamen toch bezwaren bij
sommigen van ons op, die niemand goed wist te weerleggen. Vooral onze
chirurgijn beschouwde het plan als onuitvoerbaar. Hij verstond wel
niet veel van de zeevaart, maar had veel en met oordeel gelezen.
"Voor zoover ik me herinner," zei hij, "moet de afstand door
al de krommingen van de rivier wel ongeveer vier duizend mijlen
bedragen. Verder vrees ik dat we al heel weinig kans hebben aan
de krokodillen te ontkomen en moeten we rekening houden met het
naderende regenseizoen. Door het zwellen van de rivier overstroomt de
omliggende streek dan over zoo'n grooten afstand, dat we niet zullen
weten of we in de bedding van de Nijl zijn of niet. Onze kano's zouden
wis en zeker afdrijven, omkantelen of telkens aan den grond raken,
't lijkt mij dus een hachelijke onderneming zoo'n rivier te bevaren."
Van dit laatste bezwaar wist hij ons zoo te overtuigen, dat we besloten
het plan op te geven en naar 't westen verder te koersen. Maar eerst
wilden we nog twee dagen voor ons genoegen aan de rivier blijven.
Gedurende dit oponthoud dwaalde onze Zwarte Prins dikwijls in zijn
eentje rond, en den tweeden avond bracht hij verscheiden stukjes
van een mineraal mee, dat hem onbekend was, zwaar woog en er in zijn
oogen zoo mooi uitzag, dat hij 't mij als een rariteit liet zien.
Ik deed alsof ik niets geen bizondere waarde aan zijn vondst hechtte,
maar liet de stukjes even later aan den kanonnier zien om hem te vragen
of hij het mineraal niet voor goud hield. Daar hij het geheel met mij
eens was, spraken we af, den volgenden dag den Prins mee te nemen en
ons de plaats te laten wijzen waar hij het ontdekt had. Mocht er véél
te vinden zijn, dan zouden we de anderen in het buitenkansje laten
deelen, maar bleef het bij een paar kleine stukjes, dan waren we van
plan er niet van te reppen en het voordeeltje voor ons zelf te houden.
Dom genoeg, vergaten we evenwel den Prins in ons vertrouwen te
nemen, en in zijn onschuld praatte hij zooveel tegen de anderen over
het gevondene, dat ze allen gisten wat het wezen moest en kwamen
kijken. Geheel open kaart spelen was dus verder 't beste, en toen ook
onze fijnsmid het gevonden metaal voor goud verklaarde, stelde ik voor,
allen met onzen Prins naar de vindplaats te gaan en te oordeelen of het
de moeite zou loonen ons nog eenige dagen aan de rivier op te houden.
Zooals wel van zelf sprak wilde iedereen van de partij zijn, en vol
verwachting volgden we allen den Prins naar een plek aan den westoever
der rivier, waar een zijtak in den hoofdstroom uitmondde. Nadat we
een oogenblik het rivierzand omgewoeld en elk een paar handenvol
schoongespoeld hadden, hielden de meesten van ons eenige korrels
goud over, meestal niet grooter dan speldeknoppen, maar soms ook
wel eens als druivenpitten. Na op deze wijze een uur of drie bezig
te zijn geweest, had ieder van ons een klein hoopje bijeengebracht,
waarop wij besloten het er voor 't oogenblik bij te laten en eerst
te gaan middageten.