Toen we den luipaard dood zagen liggen, bekroop mij de begeerte

naar zijn mooie huid en ik beduidde dus den prins het dier door zijn

mannen te laten stroopen. Nauwelijks had hij hun mijn wensch kenbaar

gemaakt, of verscheiden negers boden zich aan, waarvan hij er vier

aanwees, die onmiddellijk in de rivier sprongen en naar den overkant

zwommen. Met een mes, den aanvoerder vroeger door ons geschonken, had

hij, ongelooflijk handig, vier zeer bruikbare houten messen gemaakt,

en hiermee gewapend trokken de zwarten aan 't werk. In minder dan

een uur brachten ze me de huid, die van kop tot staart ongeveer

zeven voet lang was, over den rug gemeten nagenoeg vijf voet breed

en buitengewoon mooi gevlekt. Ik bewaarde de vacht dan ook zuinig en

nam hem jaren later mee naar Londen.

Nu ons vaartuig niet verder gebruikt kon worden en we allen ontscheept

waren, stonden we dus, wat het voortzetten der reis betrof, allemaal

gelijk. Geen wonder echter dat het in den steek laten van onze met

moeite veroverde sloep ons aan 't hart ging, en daar de rivier zijn

weg nog vele mijlen vervolgen zou, kwam een van ons op de gedachte om

ons schip uit elkaar te slaan en van het hout kleine bootjes te maken,

waarmee we den stroom zouden kunnen opvaren. Onze timmerlui voorzagen

evenwel, dat hier heel veel tijd mee zou gemoeid zijn en we, bij gebrek

aan spijkers, pek en teer, er niet in zouden slagen onze vaartuigjes

waterdicht te maken. Toen de prins onze bezwaren begreep, raadde hij

ons te wachten tot we een paar groote boomen aan den oever vonden. Zijn

mannen konden ons dan in een vierde van den tijd een paar kano's maken,

die ons dezelfde diensten zouden bewijzen als onze bootjes, en die ze,

kwamen we aan een waterval, op hun schouders konden nemen en dragen

tot de stroom opnieuw bevaarbaar zou zijn.

Het verstandige van dezen raad inziende, trokken we ons hart van de

sloep af, en sleepten we het scheepje in een nauwen inham, waar een

beek in de rivier mondde, en reizigers die na ons mochten komen,

er misschien nog iets aan hebben zouden.

Hoe ongelooflijk het klinken moge, gingen er toch nog twee dagen heen

met het verdeelen en opladen van al ons reisgoed.

Met onze munitie--misschien het kostbaarste, van wat we

bezaten--handelden we aldus: het kruit verdeelden we in kleine leeren

zakjes--d.w.z. zakjes van gedroogde huiden, het haar naar binnen,

om den inhoud goed droog te bewaren. Daarna stopten we die zakjes

in andere zakken van stierenhuiden, met het haar naar buiten om alle

vocht er uit te weren, en deze methode bleek zóó practisch, dat we er

zelfs bij de geweldigste en aanhoudendste regens in slaagden, ons kruit

volkomen droog te bewaren. Buiten deze zakjes die ons groote magazijn

vormden, deelden we nog aan ieder een kwart pond kruit en een half pond

kogels uit om altijd bij de hand te hebben. Meer dan het hoognoodige

besloten we, met het oog op de hitte, niet op ons te dragen.

Daar wij tot nu toe niet verder het land in waren gegaan, maar steeds

aan den oever waren gebleven, hadden we nog zeer weinig aanraking met

de bewoners van die streken gehad. Onze sloep had heel wat provisie

aan boord, dus behoefden we niet op jacht te gaan naar mondkost,

maar nu onze voetreizen weer aanvingen, moesten we natuurlijk naar

voedsel omzien.

De eerste plek dicht bij de rivier, waar we ons even ophielden was

een kleine negerkolonie van ongeveer vijftig hutten met naar schatting

een vierhonderdtal bewoners.

Bij onze nadering kwamen allen te voorschijn, om ons verbaasd aan te

gapen, en toen ze onze gevangenen zagen, grepen de hutbewoners naar de

wapens, meenende dat een vijandelijke stam hen kwam bestrijden. Hoewel

onze negers hun taal niet kenden, wisten ze hun gauw te beduiden,

dat ze geen wapens droegen en zelfs twee aan twee aan elkaar waren

gebonden, waartoe de Zwarte Prins hen weer gedwongen had, en dat de

blanken hen allen naar willekeur konden dooden en weer levend maken,

maar dat ze met vreedzame bedoelingen kwamen.

Zoodra dit tot hen was doorgedrongen, legden ze hun lansen, pijlen

en bogen neer en haalden twaalf staken, die ze als een vredesteeken

in den grond plantten, zich diep en eerbiedig voor ons terneer

buigende. Nauwelijks echter kregen ze een paar van onze mannen, die

een baard of knevel droegen, in 't oog, of ze renden onder angstig

geschreeuw weg.

Van meening dat het verstandiger was niet te gauw vertrouwelijk met hen

te worden, hielden we ons op een afstand, en droegen onze gevangenen

op, hen te beduiden dat we voedsel verlangden.

Schijnbaar zeer bereidwillig kwamen ze daarop met een paar zwarte

runderen aan--dat gedeelte van Afrika scheen een overvloed van koeien,

buffels en ook veel herten op te leveren--en toen onze fijnsmid,

die nu een heelen voorraad sieradiën vervaardigd had, hun eenige

van die fraaiigheden aanbood, waren ze uitgelaten van vreugde. Uit

dankbaarheid brachten ze ons allerlei vruchten en wortels, die wij

tot nu toe niet kenden, maar die onze gevangenen zich voortreffelijk

lieten smaken, waarop wij ook veilig konden toetasten.

Nadat we ons op deze nederzetting flink van vleesch en plantenkost

voorzien hadden, verdeelden wij den last onder onze negers, ieder zoo

ongeveer dertig pond toewijzende, wat meer dan voldoende was in zoo'n

heet klimaat. De wilden voelden er zich blijkbaar volstrekt niet door

bezwaard, maar hielpen elkaar nog wanneer er eens een vermoeidheid

toonde, wat evenwel zeer zelden voorkwam. Buitendien werden hun

lasten--evenals Aesopus' broodmand--daar ze hoofdzakelijk uit mondkost

bestonden, met den dag lichter, tot we weer een gelegenheid vonden,

het verbruikte aan te vullen.--Ik moet hierbij opmerken dat we hun

handen, wanneer ze dragen moesten, losmaakten, doch hen dan twee aan

twee met een hunner voeten aan elkaar bonden.

Den derden dag na het opbreken van onze laatste rustplaats, verzocht

onze eerste timmerman ons halt te houden en onze hutten op te slaan,

daar hij een paar boomen in 't oog had gekregen, die hem buitengewoon

geschikt schenen, om er kano's van te maken. Naar zijn oordeel zouden

we nog lang genoeg op de been moeten zijn als we de rivier niet

meer onder ons bereik hadden, en hij voor zich had ten minste vast

besloten niet meer te loopen, dan strikt noodig was. Dit denkbeeld leek

verstandig, en nauwelijks hadden we het aan de negers vertolkt en hen

van hun lasten ontheven, of ze trokken aan 't werk. Met verwondering

zagen we, hoe ze, ondanks hun gebonden voeten, met groote vaardigheid

in zeer korten tijd een aantal hutten bouwden.

Onder waarborg van hun aanvoerder, lieten wij eenige van de zwartjes

hier geheel vrij om ze tot handlangers van de timmerlui aan te stellen,

't geen ze na enkele aanwijzingen zeer handig deden.

Eenige anderen zonden wij uit om te zien, of ze in de buurt ook

voedsel konden bemachtigen, maar in plaats daarvan kwamen er drie

van hen terug met bogen en pijlen en vijf lansen. Slechts met moeite

konden we uit hun verklaringen wijs worden, dat ze die wapens gevonden

hadden in een paar verlaten hutten, waaruit de vrouwen en kinderen

bij hun nadering schenen weggevlucht.

Terwijl we ons zeer boos hielden, lieten we hen door den Zwarten Prins

vragen of ze die vrouwen en kinderen niet vermoord hadden. Mocht

dit de ware toedracht der zaak zijn, dan zouden wij hen tot straf

ook laten dooden. Ze betuigden echter zóó nadrukkelijk hun onschuld,

dat we hen vergaven.

De lansen, bogen en pijlen leverden ze ons onmiddellijk uit, maar op

voorstel van hun vorst gaven we hun de pijlen en bogen terug om te

zien of ze wat vogels of wild voor ons konden schieten.

Tegelijkertijd schreven we hun de wapenwet voor, hierin bestaande,

dat wanneer iemand hen ooit mocht aanvallen of op hen schieten of

op eenige wijze geweld aandoen, zij hem mochten dooden, maar dat

ze niemand leed mochten toebrengen, die met vreedzame bedoelingen

tot hen kwam en de wapens neerlegde. Ook was het onder geen beding

geoorloofd tegen vrouwen of kinderen de wapens te hanteeren. Aan deze

voorschriften zou streng de hand worden gehouden.

De beide negers zullen zoo ongeveer drie of vier uur weg zijn geweest,

toen een van hen zonder zijn pijl en boog in draf terugkwam, al maar

roepende "Okoamo! Okoamo!" 't geen "Help! Help!" scheen te beteekenen.

De andere gevangenen vlogen dan ook haastig op en liepen naar hen toe,

zoo snel als hun koppelbanden het veroorloofden, terwijl de Zwarte

Prins keek, alsof er iets ongelukkigs gebeurd was en eenige onzer

mannen al naar de wapens grepen om op alle mogelijkheden bedacht te

zijn. Maar de zaak werd ons al heel gauw duidelijk, toen vier onzer

gevangenen na korten tijd terugkeerden met een flinken last vleesch

op hun schouders. De twee zwarten die verlof hadden gekregen er met

pijl en boog op uit te gaan, hadden in de vlakte een groote kudde

herten aangetroffen en zich zóó goed van hun wapens bediend, dat ze

er drie schoten. Een der jagers was daarop teruggekomen om hulp te

halen voor het wegdragen der zware dieren.

Daar dit het eerste wild was, dat we tot nu toe op onze voetreis

ontmoet hadden, smulden we er terdege aan en zelfs onze Prins liet zich

overhalen om zijn vleesch gebraden te eten zooals wij, een voorbeeld,

dat bij de overige inboorlingen, die het tot nu toe nooit anders dan

rauw gegeten hadden, navolging vond.

Feitelijk speet het ons nu, niet meer pijlen en bogen bij ons te

hebben, want we begonnen onze negers meer en meer te vertrouwen en

lieten ze voor een groot deel zonder banden rondloopen.

Alleen al, omdat ze zonder ons den weg niet wisten te vinden, waren

we overtuigd, dat ze terug zouden komen. Onze geweren vertrouwden we

hun evenwel niet toe, en we lieten ze graag in den waan dat er een

bovennatuurlijke kracht in die wapens stak, die vuur, rook en donder

te voorschijn riep en wanneer men het hen slechts beval, op groote

afstanden doodde.

Na verloop van acht dagen waren er drie kano's klaar, waarin wij

onze blanke manschappen, onze bagage, den Prins en eenige gevangenen

inscheepten. Een paar der onzen moesten altijd aan den oever blijven,

niet alleen om de negers te bewaken, doch ook om hen te verdedigen

tegen mogelijke aanvallen van wilde dieren.

Op dezen tocht zagen we voor 't eerst eenige olifanten en leeuwen

en merkten op, dat de inboorlingen veel meer angst voor deze dieren

hadden dan wij--waarschijnlijk omdat hun de wapenen ontbraken waarmee

ze gewend waren om te gaan en zich te verdedigen.

Door steeds met onze geweren gereed te zijn, genazen we hen echter

al heel gauw van dien overdreven angst.

Voordeel van het schieten dezer dieren hadden wij volstrekt niet;

het vleesch was ongenietbaar en hun huiden meenemen zou ons slechts

last hebben veroorzaakt; dus besloten wij, om onze kostbare munitie

te sparen, bij eenige onzer geweren enkel wat los kruit op de pan te

doen, want de vuurstraal en de slag van het kruit alleen deed hen al

zoo geweldig schrikken, dat ze--zelfs de leeuwen--onmiddellijk aan

den haal gingen.

Naarmate wij den bovenloop der rivier verder volgden, werd de streek

dichter bewoond; ook vee scheen hier in overvloed te leven, vooral

in de nabijheid der rivier.

Den achtsten dag, nadat we onze kanovaart hadden aangevangen kwamen

we aan een negerdorp, waar omheen een korenachtig gewas, dat aan

rijst deed denken, verbouwd werd, 't geen uitstekend smaakte. Na

wat loven en bieden stonden de inwoners ons wat van dit product af,

en toen we er een soort van brooden of koeken van gekneed hadden,

bakten we ze op den grond. Eerst stookten we n.l. een vuurtje,

veegden de asch weg en roosterden de koeken op de heete aarde. Zoo

ontbrak het ons dus tot nu toe aan niets.

Daar de negers afwisselend aan de lijn liepen, schoten onze kano's

vrij snel door 't water; naar onze berekening moesten wij stellig ruim

twintig mijlen per dag vorderen. De diepe stroom behield gedurende

dit traject overal ongeveer dezelfde breedte, tot we den tweeden dag

aan een tweeden waterval kwamen.

Een hooge bergketen doorkruiste hier de bedding, en het water stortte

op zoo'n eigenaardige, schilderachtige manier van rots op rots, dat

zich een lange reeks watervallen vormde die onderling wel eens een

kwart mijl van elkaar verwijderd lagen. Het geraas was oorverdoovend.

Aanvankelijk vreesden we dat het nu voor goed met het varen gedaan

zou zijn, maar toen drie van ons met een paar negers een hoogen heuvel

beklommen hadden, om den loop der rivier te overzien, brachten ze het

blijde nieuws, dat er op ongeveer een kwartier afstands weer een glad

vaarwater begon, dat oogenschijnlijk niet gauw onderbroken zou worden.

Met frisschen moed sloegen we dus allen de handen aan 't werk om onze

kano's aan wal te sleepen en te beproeven of we ze konden dragen.

Dat viel lang niet mee, maar gelukkig konden onze timmerlui ze in

ongeveer een dag veel lichter maken door er al het overtollige hout

van buiten af te hakken en te steken. Toen dat karwei volbracht was,

namen tien negers een der kano's op lange dikke stokken en droegen

het vaartuigje zonder eenige zichtbare inspanning weg, na welke

proefneming we voor elke kano twintig man aanwezen, opdat ze elkaar

zouden kunnen aflossen.

Op deze wijze vervoerden we onze kleine vloot, en toen ze hoogerop

weer te water was gelaten, keerden we terug om onze bagage te halen en

in te laden, waarna wij den volgenden morgen vroeg de reis hervatten.

Toen we zoo weer een dag of vier verder getrokken waren, merkte onze

kanonnier, ook tot loods aangesteld, op, dat we eenigszins van de

richting afweken die we ons hadden voorgenomen te volgen. De stroom

begon namelijk naar 't noorden te buigen.

Maar we wilden het groote voordeel van een vervoer te water niet

gaarne opgeven en besloten dus nog een tweehonderd mijlen verder te

varen. Hier werd de bedding echter zeer nauw en ondiep en merkten

we buitengewoon veel beken en stroompjes op, die zich in de rivier

ontlastten, tot deze zelf niet meer dan een groote beek werd.

Zoover onze kano's varen konden, lieten we ons nog trekken, wat alleen

mogelijk bleek door alle bagage er uit te halen, maar eindelijk en

ten laatste, na twaalf dagen reizens langs den bovenstroom, moesten

we van alle verdere transport te water afzien.

Dat we den tocht nu op zoo'n veel meer inspannende wijze zouden dienen

voort te zetten was nog het ergste niet; maar met groote zorg dachten

we aan onze zoetwaterprovisie. We beklommen dan ook elken bergtop

die onder ons bereik kwam, om te zien welken weg we het best zouden

kunnen volgen om altijd water bij de hand te hebben.

Gedurende dertig dagen marcheerden we door een vruchtbare, vrij

dichtbevolkte streek, rijk aan boomen en water en maakten we het ons

zoo aangenaam mogelijk door te rusten of te loopen, al naarmate we

lust gevoelden en de lichamelijke toestand van onszelf en onze negers

dit vereischte.

Omstreeks het midden van dien tocht, kwamen we aan een kleine

laagvlakte, waar zich een opmerkelijk dichte bevolking gevestigd had,

een onaangename ontdekking, daar het woeste, ruwe, onbetrouwbare

menschen bleken te zijn, die ons als roovers beschouwden en

onmiddellijk bijeenscholen om ons aan te vallen.

Met angst namen onze negers de vijandelijke houding waar, en zelfs onze

Zwarte Prins legde een ongewone vrees aan den dag, maar ik hield hem

een onzer geweren voor en vroeg hem glimlachend, of hij niet vertrouwde

dat het wapen, dat de gevlekte kat op zoo'n grooten afstand doodde,

in staat zou zijn een heele bende van die naakte wezens met één schot

te doen sterven, waarop hij lachte en bevestigend knikte.

"Goed," zei ik, "vertel uw mannen dan, dat ze geen angst behoeven

te hebben. Als dit vreemde volk ons te na komt, zullen we ze laten

gevoelen wat onze geweren kunnen uitrichten."

Ondanks deze grootspraak voelden we ons evenwel zelf ook niet geheel

op ons gemak. We bevonden ons in een uitgestrekt land en wisten

natuurlijk in de verste verte niet, hoe talrijk en gevaarlijk de

omwonende volksstammen konden zijn. Best mogelijk dat we de hulp

van onze naaste omgeving nog eens noodig zouden hebben, en dus leek

het ons 't verstandigst onze gevangenen aan te sporen, als 't kon,

vriendschap te sluiten met de achterdochtige vreemdelingen.

We zonden dus de twee mannen die pijlen en bogen hadden en twee die

we de mooie lansen van den Zwarten Prins toevertrouwden, op het dorp

af, met nog vijf onzer gevangenen die lange staken droegen. Op korten

afstand van hen volgden tien der onzen, terwijl wij ons allen bereid

hielden om te hulp te snellen, zoodra dit noodig mocht blijken.

Toen ze de hutten naderden, begonnen onze negers, op de bij

hen gebruikelijke manier, te roepen en te schreeuwen, waarop de

mannen antwoordden door een tegenroep die onmiddellijk de geheele

bevolking--mannen, vrouwen en kinderen--op de been bracht. Daarop

traden onze negers nog wat verder naar voren, om hun staken in

den grond te planten, ten teeken van vredelievendheid, doch de

vreemde volksstam scheen dit symbool niet te verstaan. Ten slotte

legden de boogdragers dit wapen neer en begonnen ze verschillende

vredesteekenen te maken, die de dorpelingen eindelijk schenen

te begrijpen. Twee van hen ten minste legden ook hun bogen af en

kwamen nader. Op alle denkbare manieren trachten de onzen nu hun

vriendschappelijke gezindheid te uiten, en ten slotte brachten ze

ook de handen aan den mond om hen te beduiden dat we voedsel noodig

hadden, waarop de onderhandelaars met vriendelijke gebaren naar hun

makkers terugkeerden. Na eenig druk heen en weer gepraat kwamen ze

terug om ons kenbaar te maken, dat ze ons nog voor zonsondergang

mondkost zouden bezorgen.

Een uur voor zonsondergang stelden de onzen zich weer in dezelfde

volgorde op om de beloofde eetwaren: wild, wortelen en de reeds

besproken rijstsoort in ontvangst te nemen. Uit erkentelijkheid boden

we hun eenige van onze ijzeren snuisterijen aan, waarover ze niet

minder verheugd schenen dan de zwarten van andere stammen.

Den volgenden dag verschenen ze opnieuw, doch nu in veel sterker

aantal. We bekommerden ons hier echter niet veel om, daar tien man

met geladen geweer gereed stonden, en onze heele troep hen naar wij

meenden eerbied zou inboezemen; maar ons vertrouwen bleek te groot

te zijn geweest. Nauwelijks zagen ze onze gevangenen naderen tot aan

de plek waarop ze den vorigen dag onderhandeld hadden, of ze grepen

pijl en boog en stormden als ware furien op hen aan. Op bevel onzer

schutters zochten onze zwartjes beveiliging achter de gewapende

macht. Terwijl zij vluchtten, schoten de vijanden wel een honderd

pijlen op hen af, waardoor twee onzer negers gewond werden en een

voor dood bleef liggen. Bij de staken gekomen, die onze gezanten in

den grond hadden geplant, bleven ze staan, bekeken en betastten de

voorwerpen en schenen maar niet te begrijpen wat ze beteekenden. Nu

zonden we uit onze achterhoede bericht naar de tien voorste gewapenden

met bevel te schieten en de gewone lading nog met een partijtje

schroot te versterken, waarna wij ons zoo snel mogelijk bij hen zouden

voegen. Op dit oogenblik zette zich het zwarte leger in beweging. Toen

de aanvallers evenwel achter de nu veilig opgestelde negers nog een

troep gewapende blanken ontdekten, aarzelden ze, niet wetende wat ze

van ons maken moesten, en stellig nam hun verwondering niet weinig toe,

toen ze onze mannen op een dichten drom der hunnen zagen aanleggen en

ons salvo op een afstand van ongeveer honderd twintig meter losbrandde.

't Is onmogelijk den schrik en het afschuwelijke geschreeuw te

beschrijven, dat op ons schieten volgde. Zes onzer aanvallers stortten

dood neer, terwijl wij een dozijn gewonden telden. De niet-gewonden

stonden verbaasd over de uitwerking van onze geheimzinnige wapens

en konden maar niet begrijpen waardoor ze gedood waren, terwijl

de vuurstraal en het knallen hun vrouwen en kinderen zóó buiten

bezinning hadden gebracht, dat deze als een troep krankzinnigen weg

liepen. Doch met dat al hadden we ons doel: de mannen op de vlucht te

jagen, niet bereikt. Zij schenen ook geen van allen door den schrik

gestorven te zijn zooals we onder andere negers hadden waargenomen,

en dus besloten we een tweede salvo af te vuren en daarna op hen los te

trekken. Inmiddels hadden we ook onze reserve laten naderen en spraken

we af, slechts drie aan drie te schieten en in peletons vooruit

te rukken. Allen op één linie staande, vuurden we nu beurtelings

drie van rechts en drie van links, waarbij we telkens eenige onzer

vijanden doodden, zonder hen echter tot vluchten te dwingen, hoewel

ze zoo verschrikt waren, dat ze vergaten van hun eigen wapens gebruik

te maken. Hun aantal scheen wel voortdurend aan te groeien, en dus

riep ik onze mannen toe halt te houden, nog eens een salvo te lossen,

daarna, evenals bij ons eerste gevecht, onder woest krijgsgeschreeuw

op hen los te stormen en ze desnoods met onze geweerkolven af te maken.

Maar ze waren te slim om het zoover te laten komen. Zoodra wij gevuurd

hadden en onze krijgskreten aanhieven, nam de gansche bende overijld

de vlucht. In minder dan geen tijd was er geen enkele vijand meer te

zien, behalve dan de enkele gewonden, die zich kermend trachtten op

te richten en hun makkers maar al te graag gevolgd waren.

HOOFDSTUK VI.

DE WOESTIJNTOCHT.

Toen we het gevechtsterrein inspecteerden, zagen we dat we

zeven-en-dertig zwarten gedood hadden, waaronder drie vrouwen, en

omstreeks vier-en-zestig zoo zwaar gewond, dat ze zich niet van de

plaats konden verroeren. Met onmenschelijke koelbloedigheid maakten

onze negers hen achter onzen rug af; een lafhartige daad, waarover

we zoo verontwaardigd waren, dat we hen met hetzelfde lot dreigden

indien wij er hen ooit weer op mochten betrappen.

Buit viel er bij de gevallenen niet veel te halen; sommige hadden

veeren in 't haar en andere droegen een soort van halsband als sieraad,

dat was alles; maar toch vonden onze negers hier wel iets van hun

gading, waarmee ook wij heel blij waren, n.l. de pijlen en bogen

der gesneuvelden en gewonden, waarvan ze er zooveel bijeenbrachten,

dat we niet wisten wat er mee aan te vangen. Evenwel lieten we hen

alles bewaren, van oordeel, dat ze ons later te pas konden komen.

Na het gevecht zonden we er onze, nu gewapende gevangenen in troepjes

op uit om te zien of ze iets eetbaars schieten konden, maar ze brachten

ons iets beters mee, namelijk nog vier jonge stieren of buffels,

gedresseerd om lasten te dragen. Blijkbaar hadden ze de dieren aan

het eelt op hun ruggen herkend, want iets wat naar een zadel geleek,

was in de streek niet gebruikelijk.

De buffels verschaften onze gevangenen niet alleen groote verlichting

maar stelden ons ook in de gelegenheid meer proviand mee te nemen. Onze

negers belaadden ze dan ook zwaar met vleesch en wortels, waaraan we

later misschien gebrek zouden kunnen krijgen.

In dit negerdorp vonden we een aardig klein luipaardje, nog geen halve

meter hoog, dat buitengewoon tam bleek en als een kat spon wanneer

we het streelden. Blijkbaar hadden de negers het geheel als huisdier

behandeld. Bij het doorzoeken der verlaten hutten vond onze Prins het

beestje, en nadat hij het telkens had aangehaald en toegesproken en

een paar stukjes vleesch gevoerd, volgde het hem als een hond.

Onder de negers die in 't gevecht gedood werden, was er ook een die

een goudstukje ter groote van een halven gulden aan een gedraaiden

darm om den hals droeg, waaruit wij afleidden dat hij een hoogen rang

bekleed moest hebben. Ook bracht het sieraad ons op het denkbeeld te

gaan zoeken of ze soms nog meer goud bezaten, maar we vonden nergens

iets meer van dat edele metaal.

Van hier trokken we omstreeks vijftien dagen lang verder het land in,

tot we op een ontzaglijk hoogen bergketen stuitten, en daar we geen

anderen wegwijzer bezaten dan ons kleine zakkompas, hadden we geen

flauw idee wat de beste richting voor ons zou wezen en moesten we

maar hopen dat het geluk ons zou dienen.

Eer we die bergen bereikten, ontmoetten we nog verscheiden wilde

stammen, welke ons allen vrij wat zachter en vriendschappelijker

tegemoet kwamen dan die waartegen we ons pas hadden moeten

verdedigen. Met moeite werden we uit hun mededeelingen in zooverre

wijs, dat zich achter den bergketen een groote woestijn moest

uitstrekken, "met veel leeuw en veel gevlekte kat" (luipaarden),

zooals onze negers het uitdrukten. Ook beduidden ze ons vooral water

mee te nemen.

Bij de laatste nederzetting gekomen, voorzagen we ons van zooveel

proviand als de negers en buffels maar eenigszins torsen konden,

en stelde ik voor, om ons ten minste eenige zekerheid omtrent den te

volgen weg te verschaffen, uit de laatste hutten die we aantroffen

eenige bewoners gevangen te nemen om hen tot gidsen in de woestijn

en tot het helpen dragen van den mondkost te gebruiken. Deze raad

was te aannemelijk om in den wind te worden geslagen, en toen we van

de vreemde neger stam begrepen, dat er aan de andere zijde van 't

gebergte, eer we aan de eigenlijke woestijn kwamen, ook nog menschen

woonden, besloten we ons daar goedschiks of kwaadschiks van gidsen

te voorzien.

De avonturen van kapitein Bob · 第 5 / 10 段