Eer ik verder ga moet ik hier even vertellen, dat ik van dien dag af

mij wat ernstiger rekenschap begon te geven van de omstandigheden

waarin wij ons bevonden en mij meer om den gang van zaken begon te

bekommeren. Mijn makkers waren wel alle vrij wat ouder dan ik, maar ik

had bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat ze 't hoofd kwijt

raakten, of zooals ik het nu zou noemen "weinig tegenwoordigheid van

geest toonden", wanneer het tot handelen in ernstige omstandigheden

komen moest.

Bij hun twist met de inboorlingen werd mij dit voor 't eerst volkomen

duidelijk. Hoewel ze toen toch vast besloten waren hen aan te vallen,

zonk het hart hen al in de schoenen toen de zwarten, na het eerste

salvo, niet dadelijk het hazenpad kozen, en ik geloof zeker, dat de

onzen--had ons vaartuig dichter onder hun bereik gelegen--als één

man op de vlucht zouden zijn gegaan.

Verbaasd over hun lafheid en bang dat ze den toestand geheel voor

ons zouden bederven, begon ik hen krachtig aan te moedigen en riep

ik hen bevelend toe, onmiddellijk op nieuw te laden en te vuren.

"Als jullie goed keurt dat ik de leiding neem, kan ik je verzekeren,

dat we de negers allen op de vlucht zullen drijven!" verzekerde ik hen,

volkomen overtuigd van wat ik beweerde.

En zoo gebeurde het ook.

Toen er voor de tweede maal geladen was, commandeerde ik dat slechts

de grootste helft van ons zoude vuren. "En nu, kameraden," zei ik,

"in stormpas erop af!" Onder een luid hoera, snelde ik de mannen

vooruit die nog niet geschoten hadden, en nog eer ik bevel tot vuren

gaf, rende de heele zwarte bende voor ons weg, het bosch in.

Van dit oogenblik af noemden de Portugezen mij half spottend, half in

ernst Seignior Capitanio, maar toen ik hen zei dat ik geen "Seignior"

wenschte te heeten, stelde de kanonnier, die vrij goed Engelsch sprak

voor, mij "Kapitein Bob" te noemen, en dezen titel behield ik voortaan.

Een eigenaardigheid van de Portugeezen, die ik telkens gedurende

mijn leven onder hen opmerkte, is, dat ze--zoowel in massa als ieder

afzonderlijk--zich flink genoeg gedragen wanneer ze een opwekkend

voorbeeld hebben, krachtig worden aangespoord en gesteund; zijn ze

evenwel geheel op zichzelf aangewezen, dan laten ze gauw den moed

zinken en brengen het tot niets. Zoo zouden ze ook in ons geval

ongetwijfeld voor een troep wilden gevlucht zijn--al hadden ze op

die wijze toch hun leven niet kunnen redden--als ik hun niet had

toegeroepen stand te houden en de heele geschiedenis eerder als een

spel dan als een ernstig gevecht had voorgesteld.

Ook bij verschillende volgende gelegenheden, merkte ik deze

karakterzwakte op, en ik moet bekennen, dat ik me menigmaal later

afvroeg, hoe een troepje mannen--dat in critieke oogenblikken zoo

in geestkracht te kort schoot--het stoute besluit kon hebben gevat

om de roekelooste en slechtst uitvoerbaren tocht te beramen, welke

ooit ter wereld ondernomen werd.

Twee of drie flinke kerels vormden den kern van ons gezelschap en

hielden het door hun energie en werkkracht bijeen. Van den beginne af

hadden deze trouwens eenige leiding aan onze zwerftochten gegeven en

in moeilijke gevallen raad weten te schaffen; het waren in de eerste

plaats de kanonnier, ten tweede onze artiest, de fijnsmid, en ten

derde--hoewel niet met de twee vorigen te vergelijken--een van onze

timmerlieden. Dit drietal vormde de ziel van elke onderneming en aan

hun persoonlijken moed dankten de overigen de standvastigheid, die ze

nu en dan nog aan den dag legden. Toen zij zagen dat ik bereid was ook

een deel van de verantwoordelijkheid op me te nemen, drukten ze mij

de hand en bij volgende gelegenheden vroegen ze altijd mijn oordeel.

Onze kanonnier was een uitstekend wiskunstenaar, die veel gelezen en

op zijn manier gestudeerd had. Door veel met hem te praten, leerde

ik ook de gronden van de verschillende wetenschappen kennen, die met

de scheepvaart verband houden, en voornamelijk over aardrijkskundige

aangelegenheden vertelde hij gaarne.

Toen hij bemerkte, dat ik gretig verlangde te weten en te begrijpen,

bracht hij me op velerlei gebied zijn algemeene kennis bij, gaf

mij een juist begrip van den vorm der aarde, de ligging der landen

ten opzichte van elkaar, den loop der rivieren en deelde hij me

mede wat hij wist van de leerstellingen omtrent de sferen en de

beweging der sterren. Deze laatste wetenschap vooral wekte sterk mijn

belangstelling, en in mijn later leven heb ik er steeds naar getracht

voor mezelf een aannemelijk astronomisch stelsel op te bouwen.

De omgang met dezen eenvoudigen, ontwikkelden man deed den vurigen

wensch bij mij ontwaken, om ál wat onder mijn bereik kwam te leeren

en overtuigde mij, dat ik het nooit tot iets flinks in de wereld zou

kunnen brengen, wanneer ik niet een grootere mate van kennis vergaarde

dan waarover zeelieden gewoonlijk beschikken. Hij wees er mij op, dat

onwetendheid den mensch altijd tot een onderschikten rang veroordeelt

en prees mij om mijn begeerte en vatbaarheid om te leeren.

Door zijn lof gevleid en niet vrij van eerzucht, besloot ik later--als

we weer in Europa terug mochten komen en ik ooit wat geld bezitten

zou, alles in 't werk te stellen, om datgene te bestudeeren wat iemand

tot een knap zeevaarder kan maken.

Maar ik moet tot mijn verhaal terugkeeren.

Toen de kanonnier mij, na mijn ingrijpen in 't gevecht, hoorde

voorstellen een deel onzer gevangenen als lastdragers mee te voeren,

keerde hij zich naar mij toe en zei op luiden toon:

"Kap'tein Bob, ik ben van oordeel dat jij voortaan onze leider moet

zijn, want we danken den goeden afloop van dit ernstige avontuur

enkel en alleen aan jou."

"Neen," weerde ik af. "Je moet niet overdrijven wat ik gedaan

heb. Laten we jou liever tot Capitano kiezen. Ik ben veel te jong."

Zoo werd toen besloten dat hij onze aanvoerder zou wezen; maar daar hij

niet alleen de verantwoordelijkheid wilde dragen, verzocht hij mij hem

te willen ter zijde staan, en toen allen zijn verzoek ondersteunden,

moest ik hier wel in toestemmen.

De eerste opdracht die ik in mijn nieuwe waardigheid kreeg was al

buitengewoon moeilijk, n.l. om de leiding van de gevangenen op mij

te nemen, 't geen ik echter met goed vertrouwen ondernam. Lastiger

dan dit "karweitje" bleken evenwel nog de vraagstukken waarover wij

raad belegden: welken weg we zouden inslaan en hoe we ons van den

noodigen proviand konden voorzien.

Onder de gevangenen bevond zich een lange, knappe, welgemaakte neger,

wien de overigen veel eerbied bewezen en die, zooals we later hoorden,

de zoon van een hunner koningen was. Naar 't scheen werd zijn vader

bij ons eerste salvo gedood, terwijl hij een schot in den arm en in de

heup gekregen had. Daar het laatste schot in het vleezige gedeelte was

aangekomen, voelde hij zich doodzwak door al het bloedverlies. Beide

wonden hadden hem geheel buiten gevecht gesteld en we zouden hem

misschien rustig hebben laten sterven, indien het niet bij me was

opgekomen, dat hij ons van grooten dienst zou kunnen zijn, als een

soort van bevelvoerder over onze lastdragers. Ik verzocht dus onzen

chirurgijnsleerling hem onder handen te nemen en beduidde den armen

drommel zoo goed ik kon, dat we hem weer zouden genezen.

Niet te verwonderen dat het verzorgen en verbinden van hun vorst den

eerbied der negers voor ons nog verhoogde! Blijkbaar meenden ze dat we

op een even geheimzinnige manier konden dooden als weer levend maken,

en nadat de Zwarte Prins, zooals we hem gemakshalve noemden, een zes

of zevental negers bij zich geroepen en hun iets bevolen had, kwamen

ze alle zeven naar mij toe, vielen op de knieën en maakten--telkens

naar de plek wijzende, waar hun koning gevallen was--aandoenlijk

smeekende gebaren.

Eerst begreep ik niet wat ze wilden, maar toen een van hen den doode

oprichtte, op zijn hoofdwond en toen naar den chirurgijn wees, werd

het ons duidelijk, dat ze ons in staat achtten ook de gesneuvelden

tot het leven terug te brengen.

Ons onvermogen wijselijk verbergende, deelden we hen mee dat de

gedooden de personen waren, die ons het eerst hadden aangevallen en

dat we ze daarom in geen geval weer levend wilden maken, maar dat we

den jongen vorst, mits hij ons gehoorzaam bleef, niet zouden laten

sterven en zijn pols en been genezen.

Hierna liet hij een der mannen een langen pijl halen en voor hem op den

grond leggen. Den pijl met zijn linkerhand aanvattende--de rechterpols

was gebroken--wees hij naar de zon, brak den schicht toen in tweeën,

richtte de punt op zijn borst en reikte mij die toen aan. Uit een

en ander maakten wij op, dat hij de zon tot getuige riep van zijn

onveranderlijke vriendschap voor mij. En geen Christen had zich ooit

nauwgezetter aan een eed kunnen houden dan deze wilde koningszoon, die

zich gedurende vele moeilijke maanden een verknocht dienaar betoonde.

Toen ik hem bij den chirurgijn had gebracht, begon deze de wonden

onmiddellijk te verzorgen. Wat de heup betreft--de kogel was er

gelukkig niet in doorgedrongen, maar had slechts een oppervlakkige

vleeschwonde veroorzaakt, die, behoorlijk gereinigd en verbonden,

spoedig weer genas; maar met den pols was het ernstiger gesteld; een

der beenderen van den onderarm bleek gebroken. Nadat onze dokter het

lichaamsdeel gezet en gespalkt had, bond hij het in een draagband of

lichter, die hij om den nek van den patiënt vastmaakte, hem beduidende

dat hij den arm niet mocht bewegen. Dit voorschrift volgde de wilde

zoo stipt op, dat hij ging zitten en zich niet verroerde, tenzij de

chirurgijn hem permissie gaf.

Ik getroostte mij veel moeite om dezen neger verstaanbaar te maken

wat ons plan was en welke diensten we van zijn mannen wilden vergen;

in de eerste plaats leerde ik hem de beteekenis van verschillende

veelgebruikte woorden, en daar hij zeer vlug van begrip bleek,

bereikte ik veel meer met mijn onderricht dan ik me had voorgesteld.

Toen hij uit onze toebereidselen opmaakte dat we ook voor 't begin

van de reis proviand vergaarden, deelde hij ons mee, dat dit geheel

overbodig was, daar we nog gedurende veertig dagreizen voedsel zouden

vinden. Aanvankelijk kon hij ons het getal veertig niet begrijpelijk

maken, tot eindelijk een der negers, op zijn bevel, veertig steentjes

op een rij legde, ons met gebaren beduidende, dat we zooveel dagen

voedsel zouden vinden als hij steentjes neerlegde.

Daarop toonde ik hem onze bagage, een heele vracht, dank zij

onze munitie, onze timmermans- en smidsgereedschappen, onze

zeemans-instrumenten, kisten met flesschen enz. Nadat hij eenige

artikelen ter hand had genomen, om het gewicht te keuren, schudde hij

het hoofd, waarop ik onze mannen verzocht al hun hebben en houden zoo

beknopt mogelijk te verpakken en wat niet strikt noodig was achter te

laten. Met leedwezen offerden we dus onze elf kisten op, die ons bij

't kampeeren zulke goede diensten hadden bewezen.

Daarop beloofde hij ons eenige jonge buffels om de pakken te dragen,

te kennen gevende, dat ze ons als we moe werden, ook een tijdlang

op hun rug konden nemen, een denkbeeld dat we met verontwaardiging

afwezen. Wel overlegden we, dat de buffels, als we ze niet langer

als pakdieren noodig hadden, zeer eetbaar voedsel zouden opleveren.

Toen dit alles vastgesteld was, bracht ik hem naar onze sloep,

waarover hij de grootste verbazing uitte. Nog nooit had hij iets

dergelijks gezien.

Hun booten waren maar armzalige vaartuigjes, zonder stuur of steven,

gemaakt uit geitenvellen, die ze met gedroogde darmen aaneennaaiden

en met een mengsel van hars en olie bestreken, dat een afschuwelijke

lucht van zich gaf. De kano's van de inboorlingen op Madagaskar konden

meesterstukken van scheepsbouw genoemd worden bij deze ongelukkige

dingen vergeleken.

Toen we onzen vorst aan boord geholpen hadden, want zijn been hinderde

hem nog, lieten we hem den inhoud zien en beduidden hem dat zijn

mannen dat alles voor ons dragen moesten. "Ce Seignior", en "Yes Sir"

antwoordde hij lachend, en een pak optillende, gaf hij te kennen,

dat hij zelf ook zou helpen dragen, zoo gauw zijn arm genezen was,

wat echter niet in onze bedoeling lag, daar hij boven de andere negers

moest staan.

Onze gevangenen hadden we inmiddels binnen een ruw paalwerk of

palissade opgesloten en hen met touwen van gevlochten plantenvezels

gebonden. Nadat we hun vorst weer aan wal hadden gedragen, namen we

hem mee naar de gevangenen en lieten hun vragen of ze met ons wilden

reizen naar het land van de leeuwen. Uit zijn druk gepraat begrepen

we alleen maar dat ze "Ce Seignior" moesten zeggen als ze mee wilden,

en tot onze verwondering riepen ze allen "Ce Seignior! Ce Seignior!" in

hun handen klappende en naar de zon opkijkende, 't geen, volgens hun

hoofdman, een gelofte van trouw beteekende.

Onmiddellijk na het afleggen van dezen eed evenwel, begon een van

hen een lange rede tegen den vorst te houden, waarin hij telkens met

de dwaaste gebaren op ons wees en iets van ons scheen te wenschen,

dat hun allen na aan 't harte ging. Toen ik den jongen koningszoon

vroeg wat ze begeerden, zei hij: de zekerheid dat we hen niet zouden

dooden maar hen chiaruck (voedsel) zouden geven en niet door de

wilde dieren laten verscheuren. Deze gelofte legde ik gaarne af,

waarop hij naar de zon wees en in de handen klapte, een voorbeeld,

dat ik begreep te moeten volgen, en nadat ik mijn verklaring dus

onder eede bevestigd had, vielen al de gevangenen plat op den grond

en uitten, weer opgestaan, de vreemdste, schrilste kreten die ik ooit

van menschelijke wezens gehoord heb.

Zoodra deze plechtigheid was afgeloopen, wijdden we al onze aandacht

aan het vraagstuk van de proviand, die wij toch, zoowel voor

onze gevangenen, als voor onszelf zouden noodig hebben, en in mijn

gebarengesprek hieromtrent met den vorst, gaf hij mij te verstaan, dat

als ik een der gevangenen wilde loslaten, deze naar hun dorp zou gaan,

om lastdieren en voedsel te halen. Blijkbaar zette ik een gezicht alsof

ik de zaak niet vertrouwde, hij begon tenminste betuigingen van trouw

te uiten en bond o.a. een stuk touw om zijn hals, waarvan hij mij het

eene einde toehield, te kennen gevende, dat ik hem mocht ophangen

als de neger niet terugkwam. Ik stemde dus toe en liet den slaaf

vrij, die daarop uitvoerige instructies van zijn meester ontving,

ook betreffende den tijd van zijn terugkomst, 't geen viel af te

leiden uit hun zorgvuldig waarnemen van den zonnestand.

De neger rende alsof hij bezeten was en hield dit vol tot hij geheel

uit het gezicht verdween, waaruit ik opmaakte, dat hij een langen

weg had af te leggen.

Den volgenden morgen, omstreeks twee uur na zonsopgang, wenkte

"de Zwarte Prins" mij dringend, bij hem te komen, een verzoek,

dat hij met een eigenaardig geroep ondersteunde. Toen ik naast hem

stond, wees hij naar een heuvel op ongeveer twee mijlen afstands en

scherp turende, onderscheidde ik duidelijk een kleine drift vee en

verscheiden inboorlingen.

Dit waren, zooals hij me beduidde, de mannen die hij had uitgezonden

en eenige stamgenooten.

Nog voor den afgesproken tijd kwam hij dan ook bij onze hutten aan met

verscheiden runderen, ongeveer zestien geiten en vier jonge buffels,

geoefend in het dragen van lasten.

HOOFDSTUK V.

STROOMOPWAARTS.

Voorloopig dus vleeschvoorraad genoeg. Wat brood betreft moesten we

ons tevreden stellen met een niet zeer smakelijk gebak van gemalen

wortelen. Daarna overlegden we, hoe we aan groote knapzakken zouden

komen om den mondkost in te vervoeren, en daar de geiten gedood waren,

gaf ik bevel de huiden in de zon uit te spreiden, waarna ze binnen

twee dagen zoo droog waren als we maar konden wenschen. Toen de Zwarte

Prins begreep waarvoor ze bestemd waren en hoe gemakkelijk een last

hierdoor te dragen viel, glimlachte hij en zond een paar mannen weg,

die, geholpen door twee andere negers, met een grooten voorraad huiden

terugkwam. Deze huiden bleken veel beter gedroogd en behandeld dan

de onze en van diersoorten, ons tot nu toe onbekend.

Verder brachten de zwarten hun vorst nog twee lansen mee, ongeveer

zooals ze die in hun gevechten gebruikten, doch veel mooier. Ze

waren van een donkere houtsoort vervaardigd, die aan ebbenhout deed

denken en aan 't uiteinde voorzien van een scherpe punt, bestaande

uit een langen tand van 't een of ander wild dier. Met verbazing en

bewondering voelden we hoe scherp de spits was en hoe stevig de tand,

niet langer dan mijn duim, er in bevestigd zat.

De vorst wilde de wapens niet aannemen voor ik hem verlof gaf en

wenkte de inboorlingen, ze mij aan te bieden, doch ik stond hem

gaarne toe ze zelf te gebruiken, daar ik hem als een man van nobele

en rechtvaardige beginselen meende te mogen beschouwen.

Toen we marschvaardig stonden, kwam de Prins naar mij toe, om mij,

achtereenvolgens naar de vier windstreken wijzende, te vragen,

welken kant we dachten uit te trekken, en toen ik naar het westen

wees, beduidde hij ons, dat er, iets noordelijker, een stroom liep

die onze sloep verscheiden mijlen ver landwaarts in zou kunnen brengen.

Dankbaar van den wenk gebruik makende, stelde ik mijn makkers voor,

onze reis op deze wijze te vergemakkelijken.

Volgens den Prins was de riviermonding omstreeks een dagreis van ons

verwijderd, en onze kaarten raadplegende, moest het de rivier zijn,

die op het meest noordelijke gedeelte van de kust van Mozambique

staat aangegeven en daar Quilloa genoemd wordt.

Na rijp beraad, besloten we den prins en zooveel van de gevangenen

als we bergen konden in ons schip te nemen en den stroom bij de baai

binnen te varen, terwijl acht der onzen met de overige gevangenen

over land naar de rivier zouden trekken en hen daar ontmoeten. Dit was

gemakkelijk te doen, daar de afstand tot aan een zuidelijke bocht--van

een heuvel af duidelijk te zien--naar onze schatting niet meer dan

zeven mijlen kon bedragen.

Mij viel het lot te beurt den tocht te voet te maken en als aanvoerder

van de kleine karavaan op te treden. Behalve zevenendertig gevangenen

kreeg ik acht van onze gewapende mannen mee, terwijl we alle bagage

aan boord lieten. Eigenaardig, zoo tam als de jonge stieren waren, die

we voor ons uitdreven! De negers lieten zich, soms bij vier tegelijk,

door de goedige dieren dragen; ze aten uit onze hand, likten ons de

voeten en waren zoo volgzaam als huishonden.

Behalve de stieren hadden we ook zes of zeven koeien voor onze

voeding, en tot groote verbazing van de negers zagen ze later hoe we

het rundvleesch zoutten en droogden, een manier die ze buitengewoon

lekker schenen te vinden en gretig navolgden.

Voor ons, die de reis over land maakten, bleek het al een heel

gemakkelijke tocht, maar het duurde ongeveer vijf dagen eer de

anderen ons daar troffen. De wind was in de baai geheel gaan liggen

en de afstand langs de rivier, door een niet verwachte kromming in

haar loop, ongeveer vijftig Engelsche mijlen.

Gelukkig konden we den wachttijd nuttig besteden, daar de inboorlingen

die den Prins de mooie lansen gebracht hadden, ons leerden een soort

van flesschen van geitenvellen te maken om daar zoet water in te

bewaren; en de zwartjes deden dit zoo handig, dat--nog eer ons schip

in zicht kwam--ieder voorzien was van een buidel of blaasvormigen zak,

dien ze door middel van een riem, uit smalle reepjes van een andere

huid gesneden, over hun schouder hingen.

Ten einde ons van den trouw der mannen te verzekeren, had de Prins

bevolen, hen twee aan twee met de polsen aan elkaar te binden, zooals

we bij 't vervoer van Engelsche gevangenen doen, en hij wist hen zoo

te overtuigen van het redelijke van dezen eisch, dat hij er hen toe

bracht zichzelf te koppelen, waarvoor hij er vier van hen aanwees. Wij

vonden hen echter zoo betrouwbaar en vooral zoo absoluut gehoorzaam aan

hun aanvoerder, dat we hen, toen we wat verder weg waren van de streek

waar ze gewoond hadden, de volledige vrijheid van beweging hergaven.

De oevers der rivier waren zoover wij zien konden, vrij hoog; nergens

moerassig land; het groen zag er malsch en frisch uit en waar we ook

keken, ontdekten we dan ook kleine kudden vee, die hier blijkbaar

naar hartelust voedsel vonden. In onze onmiddellijke nabijheid lag

geen bosch, doch verderop onderscheidden we ceders, eiken en sparren,

sommige kolossaal hoog.

De rivier was ongeveer zoo breed als de Theems bij Gravesend en

vrij diep. Gebruik makende van den vloed en van de windrichting,

die nog steeds Oost en O. N. O. bleef, zeilden we vroolijk de rivier

op en vorderden zelfs nog behoorlijk, toen de eb intrad, maar zoodra

we den invloed van 't getij niet meer ondergingen en de stroom in

volle kracht tegen kregen, werd het ons te machtig en begonnen we

er ernstig over te denken ons schip te verlaten. Onze Prins wilde

hier evenwel niet van hooren, en daar hij gezien had, dat we een vrij

grooten voorraad gevlochten vezeltouw aan boord hadden, beval hij al

de gevangenen aan wal, die touwen beet te pakken en ons te trekken,

en daar we ons zeil hadden opgezet om het hun wat gemakkelijker te

maken, kwamen we nog met een behoorlijk vaartje vooruit.

Naar onze berekening maakten we op die wijze nog over een afstand

van tweehonderd mijlen gebruik van de rivier. Toen werd deze echter

steeds smaller, en na nog een dag reizens, kwamen we aan een geweldigen

waterval, die ons plotseling verhinderde verder te varen. 't Was alsof

de heele watermassa opeens loodrecht van een hoogte van omstreeks

zestig voet naar beneden stortte met een donderend geraas, waarbij ons

hooren en zien verging en dat we al op tien mijlen afstands gehoord

hadden, zonder te weten wat het veroorzaakte.

Hadden we kano's of andere bootjes bezeten die gepagaaid of geroeid

konden worden, dan zouden we de rivier nog wel een tweehonderd mijlen

bevaren hebben, maar nu lieten we de gevangenen die elkaar aan de lijn

hadden afgewisseld, het eerst van boord gaan en allen met elkaar een

welverdiende rust genieten.

Gedurende dit heele traject hadden we mooie vruchtbare groene oevers

gezien met veel vee en hier en daar een paar menschen. 't Bleek

evenwel dat onze negers zich niet met hen verstaanbaar konden maken

daar ze een andere taal spraken en tot een anderen stam behoorden.

Wilde beesten hadden we nauwelijks ontmoet. Slechts eenmaal, twee

dagen voor we den waterval bereikten, zagen we aan den noordelijken

oever--onze gevangenen waren alle aan de zuidzijde van den stroom--drie

prachtexemplaren van luipaarden die roerloos op den hoogen oever

stonden te kijken.

Onze kanonnier kreeg ze het eerst in 't oog, vloog weg om zijn

geweer te halen, stopte er een extra kogel in en riep me toe: "Zeg,

Kap'tein Bob, waar zit je prins ergens?" en toen ik hem gehaald had,

verzocht hij hem: "Waarschuw je mannen dat ze niet bang moeten zijn,

maar eens goed kijken hoe dit vuurding in mijn hand op grooten afstand

de wilde dieren kan dooden."

Hoewel hun aanvoerder onmiddellijk het verzoek opvolgde, keken

de arme negers elkaar toch aan alsof ze ieder oogenblik hun eigen

dood verwachtten. Angstig staarden ze daarop naar den kanonnier die,

uitstekend schutter als hij was, aanlegde en een der dieren met twee

kogels in den kop trof. Het luipaard sprong op, stond een oogenblik op

de achterpooten, zwaaide met zijn voorpooten heen en weer, viel op zijn

rug, lag nog even huilend en grommend te stuiptrekken en bleef dood,

terwijl de andere twee, verschrikt door het schot waren weggevlucht

en in minder dan geen tijd uit het gezicht verdwenen.

Maar de ontsteltenis der luipaarden haalde niet bij die van onze

negers! Vier of vijf van hen stortten neer alsof ze getroffen waren,

verscheiden andere vielen op de knieën en hieven hun handen tot ons

op; of dit was uit vereering of om den dood af te weren, weet ik

niet, en het kostte hun aanvoerder wien wij verzochten hen gerust te

stellen, heel wat moeite hen weer tot rede te brengen. Ja de prins

zelf--ofschoon geheel door ons voorbereid en op de hoogte van wat er

gebeuren zou--sprong, toen het schot afging, omhoog zoodat we vreesden

hem in de rivier te zien terecht komen.

De avonturen van kapitein Bob · 第 4 / 10 段