't Groote vraagpunt was nu, welke richting we zouden kiezen, en nooit

in mijn leven heb ik mannen zoo weifelachtig gezien. Sommige waren

voor de oostelijke richting en waren liefst onmiddellijk in zee

gestoken naar de kust van Malabar; maar andere, wat bedachtzamer,

beschouwden de lengte van die reis een onoverkomelijk bezwaar en

schudden afkeurend het hoofd, overtuigd dat noch onze leeftocht noch

onze watervoorraad ons veroorloofden een reis van bijna tweeduizend

mijlen te ondernemen, zonder eenig vast punt om onderweg aan te doen.

Zij zelf hadden sinds lang hun zinnen gezet op een tocht naar het

vasteland van Afrika, waar we volgens hen, goed in ons onderhoud

zouden kunnen voorzien, ja zelfs rijk worden.

Feitelijk viel er niet veel te kiezen; want hadden we tot het oosten

besloten, dan zouden we hebben moeten wachten tot April of Mei.

Eindelijk--daar de wind voortdurend Z.O., of O.Z.O. en het weer

uitstekend bleef, werden we het er toch over eens te trachten de kust

van Afrika te bereiken.

Daar we ons voor die reis aan den verkeerden kant van het eiland

bevonden, zeilden we eerst weer naar het noorden en zetten toen, om

de kaap heendraaiende, koers naar het zuiden, steeds onder de kust

houdende en hopende de naar 't westen vooruitstekende punt van het

eiland te bereiken, van waar onze overtocht naar 't vasteland wel

met een honderd mijlen zou verkort worden.

Toen we evenwel een dertig mijlen hadden afgelegd, ondervonden we dat

de wind onder de kust veranderde en we hem pal tegenkregen, waarom

wij wel moesten besluiten in volle zee te steken, waar we den wind

mee hadden. Ons vaartuig was weinig geschikt om hoog bij den wind

te zeilen.

Nadat we dus nog eens voor 't laatst aan wal waren gegaan om ons van

water en levensmiddelen te voorzien, staken we ten langen leste tegen

het einde van Maart--met meer moed dan beleid, meer zelfvertrouwen

dan verstandig overleg--naar het vasteland van Afrika over.

Wat mij persoonlijk betrof, gevoelde ik niet den minsten angst of

ongerustheid. Als we maar in 't een of ander land terecht kwamen,

liet het mij volkomen onverschillig, of dat ten oosten of ten westen

van ons lag. Ik bekommerde mij in die dagen bitter weinig om mijn

toekomst en hechtte, met de onnadenkendheid aan mijn leeftijd eigen,

mijn goedkeuring aan al wat mij werd voorgesteld, hoe hachelijker,

hoe liever.

De reis, tamelijk wel in onwetendheid en radeloosheid begonnen, werd

met al heel weinig oordeel voortgezet, want we wisten niets meer van

den te volgen koers, dan dat we naar het westen moesten sturen met een

paar streken N. of Z., en daar we geen andere streekwijzer bezaten

dan een klein koperen zakkompas dat een der matrozen toevallig bij

zich had gehad, toen we van 't galjoen werden gezet, zeilden we vrij

wel op goed geluk.

Daar het God evenwel behaagde den wind in den O. en Z.O. hoek te

houden, begrepen we dat we, N.W. bij W. sturende, vlak voor 't lapje

moesten gaan, en zoo kwamen we dan ook met een flink vaartje vooruit.

Toch duurde de reis met ons schip dat maar heel weinig zeil voerde,

veel langer dan we ons hadden voorgesteld.

Iets vermeldenswaards deed zich op dezen tocht niet voor; er was niets

wat ons eenige afleiding bezorgde of de eentonigheid onderbrak. Geen

vaartuig, groot of klein, kwam in zicht. Blijkbaar lag de zee waarop

we ons bevonden geheel buiten het gebied van den handel, terwijl de

bevolking van Madagaskar niets meer wist omtrent het kustland van

Afrika dan wij.

Toen wij omstreeks acht of negen dagen onder zeil waren geweest,

voortdurend met gunstigen wind, riep plotseling een onzer mannen:

"Land!" een vreugdekreet die bij ons allen weerklank vond. Geen

ontdekking kon ons op dat oogenblik gelukkiger hebben gestemd, want

we hadden--ook bij een zeer klein rantsoen--nog maar voor twee dagen

drinkwater aan boord. Tot onze teleurstelling duurde het nog den

ganschen dag eer we het land bereikten; 't was 's morgens vroeg toen

we het in 't oog kregen, en pas tegen den nacht konden we voet aan wal

zetten. De wind ging ongelukkigerwijze bijna geheel liggen, zoodat ons

vaartuig--dat toch al zoo weinig zeil voerde--nauwelijks vooruit kwam.

Maar hoe bitter was onze teleurstelling, toen we tot de ontdekking

kwamen dat we, niet zooals we ons hadden voorgesteld, het vasteland

van Afrika betreden hadden, doch slechts een nietig eilandje zonder

bewoners (wij troffen er ten minste geen mensch aan) en geen ander

vee dan een paar geiten, waarvan we er drie doodden. Zoo konden

we dus weer eens aan versch vleesch smullen, en daar we heel goed

drinkwater vonden, zetten we ons gauw over den tegenvaller heen,

vertrouwende dat het vasteland toch niet meer veraf kon zijn.

Met onze berekeningen kwamen we nog al eens meer verkeerd uit! Zelfs

nu duurde het nog vijftien dagen eer we het vasteland bereikten--maar

juist bijtijds, daar onze voorraad water en voedsel totaal was

uitgeput. Gedurende de laatste twee dagen had aan ieder van ons maar

een pint water kunnen verstrekt worden, wat bij de groote hitte, zeker

niet voldoende was. Toen we de Afrikaansche kust dan ook eindelijk en

ten laatste ontdekten--al was het ook nog op grooten afstand--schepten

we allen nieuwen moed om nog wat dorst en honger te doorstaan, en tot

ons geluk bracht een briesje, dat 's nachts uit het oosten opstak,

ons tegen den morgen binnen twee mijlen van de kust.

In ons groot verlangen vasten grond onder de voeten te krijgen,

landden we zoodra we gelegenheid zagen--wel wat voorbarig, zooals

later bleek. Hadden we nog een beetje geduld geoefend, dan zouden we

iets noordelijker een mooie rivier gevonden hebben.

Met behulp van twee boomen, die we als meerpalen in den grond

plantten, hielden we ons fregat vlot, waarbij onze, van een soort

biezen gevlochten touwen, als kabels dienst moesten doen.

Zoodra wij het land, vlak onder ons bereik wat in oogenschouw genomen,

ons van versch water voorzien en wat voedsel verschaft hadden, gingen

we weer met onzen voorraad aan boord.

Veel hadden we niet veroverd; de levensmiddelen bleken schaarsch in

die streek, doch we konden in ieder geval een stuk of wat vogels en

een soort van wilden buffel schieten die klein van stuk was, maar

smakelijk vleesch opleverde.

Toen we een en ander hadden ingeladen, besloten we N.N.O. langs de

kust te varen tot we een kreek of rivier zouden ontmoeten, die ons

verder landwaarts in zou brengen naar een dorp of stad; want we hadden

gegronde reden voor onze overtuiging, dat de kuststrook vrij dicht

bewoond moest zijn, daar we 's nachts herhaaldelijk op verschillende

punten vuren en overdag op korten afstand rook hadden gezien.

HOOFDSTUK IV.

HET VASTELAND

Ons geduld werd nog langer op de proef gesteld dan we gedacht hadden,

maar ten slotte kwamen we toch aan een groote baai, waarin zich

verscheiden kreken of riviertjes uitstortten. Den eersten den besten

van deze kleine stroomen invarende, zagen we al spoedig eenige hutten

met groepjes inboorlingen er omheen, en in een inham aan de noordzijde

der kreek landende, staken we onmiddellijk onze vredesvlag op--een

staak met een witte lap er aan gebonden--welk signaal ze gelukkig

bleken te begrijpen.

Mannen, vrouwen, kinderen--allen geheel naakt--kwamen, aanvankelijk

aarzelend, doch al heel gauw wat stoutmoediger, op ons vaartuig

af. Nadat ze ons een tijdlang verwonderd, sommige angstig, hadden

aangegaapt, begonnen ze teekenen van toenadering te vertoonen. Onze

eerste proefneming was: onze hand aan onzen mond te brengen om hen

te beduiden dat we water begeerden. Tot onze blijdschap begrepen

ze ons dadelijk, en drie vrouwen en een paar jongens stoven weg om

heel gauw, na een minuut of tien ongeveer, terug te komen met aarden

potten--waarschijnlijk in de zon gebakken--gevuld met water. Nadat ze

deze potten, die werkelijk goed van vorm waren, enkele vrij sierlijk

zelfs, op veiligen afstand van ons hadden neergezet, trokken ze zich

terug, het aan ons overlatende ze weg te halen, wat wij natuurlijk

met gretigen spoed deden.

Eenige uren later brachten ze ons wortels en kruiden en een soort

van vruchten die we nooit een van allen gezien hadden, maar daar

we hun niets in ruil konden aanbieden, staakten ze al spoedig hun

vriendelijkheden en begrepen we wel, niet zooveel van hen te kunnen

verwachten als van de negers op Madagaskar.

Gelukkig wist onze duivelskunstenaar, de fijnsmid, weer in de

moeilijkheid te voorzien door zoo spoedig mogelijk aan 't werk te

gaan. Van stukken plaatijzer die hij van het wrak had overgehouden

en meegenomen, smeedde hij allerlei snuisterijen: vogels, hondjes,

kruisen, haken, vierkanten, ringen enz.:--die wij allen hielpen

afvijlen en blinkend schuren.

Ook nu weer bleken deze waardelooze prullen de inboorlingen kinderlijk

gelukkig te maken, en zonder eenige moeite kregen we er overvloed

van provisie voor in de plaats: geiten, wilde zwijnen, koeien, fruit

en gevogelte.

Dit waren dus onze eerste ervaringen op het vasteland van Afrika;

om te beginnen niet zoo slecht, als we bedachten dat er misschien

geen verlatener, ongastvrijer en onbekender land op de gansche aarde

bestond--Groenland en Nova Zembla niet uitgezonderd. Bij nadere

kennismaking bleek ons evenwel dat ook de minst bewoonbare streken

toch nog door menschelijke wezens bezocht werden, hoewel het voor

ons--hun aard en gewoonten in aanmerking genomen--beter zou geweest

zijn, wanneer we ze maar niet hadden aangetroffen.

Nadat we ons hier eenige dagen hadden opgehouden, namen wij, na

ernstige overleggingen, het stoutmoedigste, wanhopigste besluit, dat

misschien ooit door een troep je mannen is genomen: om n.l. dwars door

het land te reizen, van de kust van Mozambique aan den oostelijken

of Indischen Oceaan, naar de kust van Angola of Guinea aan den

westelijken of Atlantischen, een uitgestrektheid van minstens

achttienhonderd mijlen. Op dien tocht zouden we ondraaglijke hitte

hebben te doorstaan, eindelooze woestijnen moeten overtrekken--zonder

voertuigen of lastdieren om onze bagage te dragen,--en ons tegen

tallooze verscheurende dieren, zooals leeuwen, tijgers, luipaarden

en olifanten moeten verdedigen. De zon zou--terwijl we voortdurend

dichtbij den evenaar voorttrokken--verzengend op ons neerschijnen;

we zouden hoogstwaarschijnlijk aan woeste en wreede negerstammen

het hoofd moeten bieden, honger en dorst moeten verduren--in één

woord verschrikkingen en ontberingen moeten dulden, die ook den

heldhaftigsten mensch met angst moesten vervullen.

En toch, ondanks al die dreigende vooruitzichten, besloten we

het avontuur te wagen en al de toebereidselen te treffen, die

de omstandigheden en onze onbekendheid met hetgeen vóór ons lag,

mogelijk maakten.

Sedert lang waren we gewend geraakt aan het barrevoets loopen op

rotsigen bodem, op kiezel en op gras en strand, doch nu ondervonden

we dat dit alles niet haalde bij het loopen op het brandend heete

zand van Afrika's woestijnen.

We voorzagen ons dus van een soort schoenen, gemaakt uit dierenhuiden,

die we in de zon lieten drogen en daardoor hard en taai werden. Met

het haar naar binnen gekeerd, zaten ze zoo zacht als handschoenen,

en in 't gebruik bleken ze haast onverslijtbaar.

Van een paar inboorlingen bij wie we ons het best verstaanbaar konden

maken, hoorden we, dat er in het ons onbekende land veel rivieren, veel

leeuwen en tijgers en ook een soort van wilde katten waren--civetkatten

zooals wij later zagen.

Toen wij hen, naar 't westen wijzende, vroegen, of er wel eens ooit

iemand dien kant was uitgegaan, knikten ze bevestigend, maar ze

konden ons niets omtrent die reizigers vertellen. Behalve dat ze ons

aan proviand hielpen, was er weinig hulp van hen te verwachten, en

toen we hun verzochten ons een van allen tot gids te willen strekken,

haalden ze de schouders op, zooals een Franschman doet wanneer hij bang

is iets te ondernemen. Op onze vragen betreffende de wilde dieren,

lachten ze en beduidden ons dat we daar geen gevaar van hadden te

duchten. Met veel inspanning van weerskanten begrepen we dat ze alle

bang waren voor vuur en we ze dus door er een te stoken 's nachts op

een afstand konden houden, 't geen onze ervaring later bevestigde.

Op dit punt dus gerustgesteld aanvaardden we de reis, die, hoe

hachlijk en onuitvoerbaar ook, gerechtvaardigd werd door verschillende

overwegingen.

In de eerste plaats stond ons geen andere weg open om tot bevrijding

te geraken; we bevonden ons aan een kust waar nooit eenig Europeesch

schip landde. De kans dat we hier ooit zouden worden gevonden en naar

beschaafdere streken meegenomen, was dus zoo goed als uitgesloten.

Hadden we 't gewaagd langs de verlaten kust van Mozambique en Afrika

naar het noorden te zeilen tot we de Roode Zee bereikten, dan liepen

we groot gevaar in handen van de Arabieren te vallen en als slaven aan

de Turken verkocht te worden, wat, naar 't geen onze oudste timmerman

van de Mohammedanen wist te vertellen, erger zou zijn dan de dood.

Ook konden we geen schip bouwen dat ons over de Arabische zee naar

Indië zou brengen of, met eenig uitzicht haar te bereiken, naar

Kaap de Goede Hoop, daar de wind zeer veranderlijk en de zee op die

breedte buitengewoon onstuimig was. We wisten echter allen dat we--als

het ons slechts gelukken mocht dit uitgestrekte vasteland over te

steken--we een of meer van de groote rivieren zouden kunnen bereiken,

die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. Hadden we eenmaal zulk een

rivier gevonden, dan konden we ons kano's bouwen en hiermee, desnoods

duizenden mijlen ver, den stroom afvaren. De voedselmoeilijkheid

was altijd door middel van onze geweren op te lossen; water hadden

we nog overal aangetroffen en--wat eenigen onder ons sterk tot dit

plan deed overhellen--er bestond volgens hen een groote kans, dat we

in West-Afrika goud zouden kunnen bemachtigen, dat ons misschien nog

schadeloos zou stellen voor alle doorgestane ellende en vermoeienis.

Zooals ik al eens eerder verteld heb, bekommerde ik mij over 't

algemeen heel weinig om de besluiten die mijn makkers namen. Ik had

eenmaal mijn opinie geuit en bleef er bij, dat we moesten trachten

in de Arabische Golf te komen of bij de monding van de Roode Zee om

daar een der talrijke in- en uitgaande schepen af te wachten, er ons

zoo mogelijk van meester te maken en dan te koersen waarheen we maar

wilden. Toen ze me nu begonnen te praten van een voetreis van twee

of drieduizend mijlen, voor een deel door een woestijn, te midden

van allerlei verscheurende dieren, dreigde het bloed mij in de aderen

te stollen--ik schaam mij niet dit te bekennen--en spande ik al mijn

overredingskracht in, hen voor mijn oorspronkelijk denkbeeld te winnen.

Maar ze waren allen zeer beslist in hun overtuiging, en ik kon

evengoed mijn mond hebben gehouden. Ons twistgesprek eindigde dan

ook met mijn belofte dat ik mij bij de meerderheid zou neerleggen,

en het besluit tot de gevaarlijke onderneming werd genomen.

Ons eerste werk was nu door waarnemingen betreffende den zonnestand

vast te stellen waar we ons ten naastenbij bevonden; op 12 graden

en 35 minuten ten zuiden van den evenaar zooals ons bleek. Daarna

bestudeerden we zorgvuldig de zeekaarten en zagen we dat de kust van

Angola tusschen 8 en 11 graden zuiderbreedte lag en de kust van Guinea

tusschen 12 en 19 graden noorderbreedte.

Het doel dat we ons ten slotte voor oogen stelden was de kust van

Angola. Dit leek ons het best uitvoerbaar, daar we ons nagenoeg

op dezelfde breedte bevonden en we deze streek dus, in rechte lijn

westwaards reizende, moesten bereiken. Daarbij twijfelde geen van ons

er aan, of we zouden wel een of meer rivieren ontmoeten, die onzen

tocht konden vergemakkelijken, terwijl we het groote meer, door de

inboorlingen Coalmucoa genoemd--een binnenzee waaruit men zegt dat

de Nijl ontspringt--per kano hoopten te kunnen oversteken. Maar we

hadden de bezwaren onderschat, zooals uit het vervolg van mijn verhaal

blijken zal.

De tweede overweging was, hoe we onze bagage zouden vervoeren, die we

onder geen voorwaarde in den steek mochten laten. En wat hadden we

moeten beginnen zonder onze munitie, waarmee we ons voedsel moesten

veroveren en ons verdedigen tegen wilde dieren en volksstammen

misschien? Toch was onze munitie alleen al een te zware vracht voor

ons, in een land, waar de hitte ons het eigen lichaam reeds tot last

deed zijn.

De negers ondervragende, kwamen we tot het resultaat dat er geen enkel

pakdier onder hen in gebruik was--geen paarden, ezels, muilen, kameelen

of dromedarissen. Het eenige tamme beest dat ze er op nahielden was

een soort van buffel, zooals wij er een geschoten hadden. Sommige van

die dieren luisterden naar hun stem en bevelen. Ook lieten ze hen wel

eens lasten dragen, en heel dikwijls gebruikten ze de buffels om,

op hun rug gezeten, rivieren of meertjes over te steken, daar ze

kolossale zwemmers waren.

Totaal onbedreven in den omgang met die dieren en niet wetende hoe

ze te beladen, bleef dit vraagstuk ons echter groote zorg geven.

Tenslotte stelde ik voor: "Laat ons ruzie zoeken met eenige van de

inboorlingen, er een stuk of tien, twaalf gevangen nemen en ze als

slaven meevoeren. We houden hen dan de geheele reis bij ons, laten

ze onze bagage dragen, den weg wijzen en met andere negerstammen voor

ons onderhandelen."

Dit niet zeer edele voorstel--maar de nood waarin we ons bevonden

moge als verontschuldiging gelden--vond eerst heftigen tegenstand,

om ten slotte met algemeene instemming te worden aangenomen. Al te

kieskeurig konden we in onze omstandigheden niet zijn en buitendien

gaven de inboorlingen ons spoedig zelf aanleiding een straf op hen

toe te passen.

Nadat we tot nu toe steeds in goed vertrouwen met de negers gehandeld

hadden, werden we op een keer leelijk door hen bedrogen.

Zooals reeds herhaaldelijk gebeurd was, hadden we eenige koeien van

hen gekocht in ruil voor de snuisterijen die onze smid zoo kunstig

wist te maken, doch toen er eens een klein meeningsverschil rees,

nadat de negers de versierselen reeds in ontvangst hadden genomen,

begonnen ze onze onderhandelaars plotseling uit te schelden en als

dollen te schreeuwen, eenige van hun kameraden met woeste gebaren en

kreten beduidende het vee weg te drijven, en luidkeels lachende om de

teleurstelling der onzen. Toen op het getier een paar van onze mannen,

die in de nabijheid vertoefden, kwamen aangesneld, wierp de neger

die den koop gesloten had zijn lans naar onzen smid, en het wapen was

zoo juist gericht, dat hij stellig gedood zou zijn als hij niet juist

bijtijds ter zijde was gesprongen. Nu kreeg hij alleen een vleeschwond

in den linkerarm, 't geen hem echter zoo driftig maakte, dat hij zijn

geweer aanlegde en den zwarten bedrieger door het hart schoot.

De overige negers die bij het voorval tegenwoordig waren geweest en

eenige die het op korten afstand hadden gadegeslagen, waren niet weinig

onthutst en beangst: eerst door den vuurstraal, toen door den knal en

eindelijk door het neerstorten van hun stamgenoot. Als verstijfd bleven

ze staan. Toen ze evenwel wat van den schrik bekomen waren, stiet een

van hen op flinken afstand van ons een doordringenden schreeuw uit,

een soort van oorlogskreet, zooals ons weldra bleek, waarop al de

anderen, hem onmiddellijk begrijpende, met denzelfden woesten schreeuw

antwoordden en kwamen aangerend, terwijl wij, aanvankelijk zelfs niet

vermoedende, wat er aan de hand was, in zoutpilaren schenen veranderd

en elkaar als een troep dwazen aanstaarden.

Doch al heel gauw werd de toestand ons maar al te duidelijk. In den

tijd van twee of drie minuten plantte de eigenaardige rauwe schreeuw

zich voort van de eene bewoonde plek naar de andere, door al hun dorpen

of nederzettingen, zelfs tot over de kreek; en tot onze ontzetting

zagen we even later een naakte menigte pijlsnel aanrennen naar de

plek waar de twist ontstaan was. In minder dan een uur waren er een

vijfhonderd wilden bijeen, sommige met pijl en boog, de meeste met

lansen gewapend, die ze zoo verwonderlijk behendig wisten te hanteeren,

dat ik hen menigmaal een vogel in zijn vlucht zag raken.

Er bleef ons slechts zeer weinig tijd tot overleg over, daar de

menigte ieder oogenblik toenam, en ik geloof stellig dat ze--waren we

aan wal gebleven--in korten tijd tot tienduizend personen zou zijn

aangegroeid. Het beste wat wij dus doen konden was naar onze sloep

te vluchten, vanwaar we ons behoorlijk hadden kunnen verdedigen, of

onze vijanden wat dichter te naderen en te zien wat een paar salvo's

zouden uitwerken.

Na een haastige woordenwisseling besloten we tot het laatste,

vertrouwende dat ons geweervuur hen van schrik op de vlucht zou

drijven. In aaneengesloten linie trokken we moedig op hen aan, terwijl

zij ons afwachtten, niet anders denkende, naar ik veronderstel, dan dat

ze ons allen met hun lansen zouden dooden. Vrij dicht bij hen gekomen

hielden we halt, en onze linie uitbreidende door den afstand tusschen

elke twee mannen te vergrooten, gaven we vuur. Behalve verschillende

gewonden die wisten te ontkomen, bleven er zestien zwarten op de

plaats dood, terwijl er nog drie zóó gevoelig geraakt waren, dat ze

omstreeks twintig of dertig meter verder neervielen.

Onmiddellijk na ons salvo barstten ze in een afgrijselijk geschreeuw

of gehuil los, deels aangeheven door de gewonden, deels door de mannen

die de lijken beweenden van hen die roerloos terneer lagen. Nooit in

mijn leven heb ik akeliger gejammer gehoord.

Nadat we gevuurd hadden, bleven we staan om onze geweren opnieuw te

laden, en toen de wilden geen teekenen gaven de vlucht te willen nemen,

legden we weer op hen aan en doodden er nu omstreeks negen. Daar ze

nu echter niet meer zoo dicht opeengedrongen stonden als in 't begin,

vuurden we niet allen tegelijk, doch werd aan zeven van ons bevolen hun

munitie te sparen en voorwaarts te treden, zoodra de anderen geschoten

hadden, terwijl deze voor de derde maal gelegenheid kregen te laden.

Zoodra wij het tweede salvo hadden afgevuurd, hieven we een luid

gejuich aan, waaronder de zeven overigen ongeveer twintig meter

naderden en vuur gaven en de achtersten, die ook weer haastig geladen

hadden, losbrandden. Eer het zoover gekomen was, gingen ze echter

aan den haal, alsof de duivel hen op de hielen zat.

Toen we op het slagveld kwamen, zagen we veel meer dooden op den

grond liggen dan we meenden te hebben getroffen, ja, zelfs meer dan we

kogels hadden afgeschoten. Voor dit wonderlijke verschijnsel konden

we eerst geen verklaring vinden, maar na eenig nadenken kwamen we

tot de gevolgtrekking, dat de zwarten eenvoudig door den schrik hun

bewustzijn hadden verloren, en nadat wij de gevallenen zorgvuldig

onderzocht hadden, bleek dit ook werkelijk het geval. Toch moeten er

naar mijn vaste overtuiging echter ook verscheiden onder geweest zijn

die enkel door den schrik stierven.

Nadat deze doodelijk ontstelden langzamerhand weer tot zichzelf gekomen

waren, schenen ze ons zoo ongeveer als bovennatuurlijke wezens te

beschouwen, als goden of duivels, wàt was ons niet recht duidelijk

en liet ons ook onverschillig. De hoofdzaak was, dat ze ons met den

grootst mogelijken eerbied behandelden. Sommigen knielden voor ons

neer, anderen lieten zich plat op den grond vallen [1] en maakten de

vreemdste gebaren, meer dan dwaas in ons oog, maar duidelijk genoeg

om ons te doen zien, dat ze zich onvoorwaardelijk onderwierpen.

Geen schooner gelegenheid om gevangenen te maken en ze als lastdragers

op onze reis mee te voeren, dacht ik, en gelukkig waren mijn kameraads

het allen met mij eens. We kozen dus een zestig flinke, sterke

jonge mannen uit en beduidden hen dat ze met ons mee moesten trekken,

waartoe ze zich onmiddellijk bereid toonden. De transport-moeilijkheid

scheen hiermee dus opgelost, maar het bleef de vraag, of we de negers

konden vertrouwen, daar we de bevolking, in tegenstelling met die

op Madagaskar, als woest, wraakgierig en verraderlijk hadden leeren

kennen. Andere dan echte slavendiensten zouden we dus niet van hen

mogen verwachten; alleen zoolang ze ons vreesden, zouden ze zich

onderworpen betoonen en slechts onder dwang voor ons werken.

De avonturen van kapitein Bob · 第 3 / 10 段