Ik geloof niet dat er ooit ter wereld zoo'n zeereis en met zoo'n slecht

toegeruste bemanning, aanvaard is. Zeker kozen we de ongunstigste zijde

van het eiland om vreemde schepen te ontmoeten, daar deze doorgang

of straat zeer weinig bevaren werd. Hoe het zij, wij staken in zee,

nadat we al ons hebben en houden, onze ammunitie en proviand in de

eerste plaats, aan boord hadden gebracht. Voor onze twee grootste

kano's hadden we masten en zeilen, de andere pagaaiden we voort, zoo

goed en zoo kwaad als 't ging; maar toen er een rukwind kwam opzetten,

namen we haar op sleeptouw.

HOOFDSTUK III.

RONDOM MADAGASKAR

Gedurende verscheiden dagen zeilden we vroolijk voorwaarts, zonder

iets hinderlijks op onzen weg te ontmoeten. Hier en daar zagen we

inboorlingen in kleine kano's op de vischvangst, maar als we hen

trachten te naderen, zochten ze--blijkbaar bang voor ons--zoo gauw

mogelijk de kust te bereiken.

Toen we dit tot onze teleurstelling een paar maal ondervonden hadden,

kwam een onzer timmerlui op den inval, om, bij wijze van vredesvlag,

een staak omhoog te steken, op de manier als zij gedaan hadden,

toen ze hun koning aan ons kwamen voorstellen, en deze maatregel

had de gewenschte uitwerking. Zoodra zij den volgenden ochtend den

paal opmerkten dien wij in onze kleinste kano hadden omhoog gezet,

wachtten ze ons af en pagaaiden ons zelfs een eindweegs te gemoet

om ons een paar groote visschen aan te bieden, die wij niet kenden,

maar die later bleken uitstekend te smaken.

Jammer was het, ook nu weer, dat wij geen voldoende ruilmiddelen

bezaten, doch onze fijnsmid bood hun twee ruitvormig gesneden en zeer

dun geslagen zilverstukjes aan, met een gaatje in een der hoeken, en

dit primitieve sieraad stemde hen zoo dankbaar, dat ze ons beduidden

te wachten tot ze opnieuw hun netten zouden hebben opgehaald, waarna

ze ons zooveel visch gaven als we slechts begeerden.

Al dien tijd hielden we 't oog gevestigd op hun bootjes, overwegende

of ze ons op onzen tocht van dienst zouden kunnen zijn, maar 't

waren armzalige vaartuigjes; de zeilen bestonden uit een groote mat;

behalve bij één kano, die een lap katoen aan haar mast had gebonden,

en we besloten dus hun in 't rustig bezit van hun eigendom te laten

en verder noordwaarts te stevenen.

Gedurende twaalf dagen bleven we voortdurend onder de kust, en daar

de wind O.Z.O. was, hielden we een flink vaartje.

We ontdekten geen enkele stad langs de kust, zelfs geen dorp; wel

telkens eenige hutten bij elkaar tusschen de rotsen en groepjes

menschen, blijkbaar toegeloopen om naar ons te kijken.

Onze kleine vloot van drie schepen, met een kleine dertig gewapenden

bemand, vormde zoo'n groot gevaar voor hen, dat ze ons stellig al wat

ze bijeen konden brengen hadden willen geven om ons weer veilig kwijt

te zijn. En aan den anderen kant voelden wij ons niet minder angstig

en bezorgd en onveilig dan zij, afgaande op een doel, dat nauwelijks

een doel kon genoemd worden.

Naarmate we noordelijker kwamen, nam de hitte toe, en al spoedig werd

ze ons--op het water en geheel onbeschut--bijna ondraaglijk. 't Was

October, en daar we ons op 't zuidelijk halfrond bevonden, kwamen

we als 't ware elken dag wat dichter bij de zon. Een dag of vijf,

zes geleden, waren we den keerkring gepasseerd, dus zou de zon nog

een paar dagen later in haar zenith, vlak boven onze hoofden staan.

Dit overwegende en tevens gedrongen door proviandgebrek, besloten we

een geschikt plekje te zoeken om aan wal te gaan en onze tenten op te

slaan, tot de hitte wat zou verminderen. Naar onze berekening hadden we

half de lengte van het eiland langs gevaren en het punt bereikt, dat,

naar het noordwesten uitstekende, het dichtst het vasteland van Afrika

nadert. Toch vreesden we dat de afstand nog wel een honderdtwintig

zeemijlen zou bedragen.

Vroeg in den morgen voeren we dus naar de kust, 't geen we alle drie

of vier dagen deden om drinkwater te halen, en overlegden of we hier

eenigen tijd zouden kampeeren; om allerlei redenen echter, kwam de

plek ons niet geschikt voor en besloten we de reis nog maar eenigen

tijd voort te zetten.

Nadat we nog een week met een frisch briesje uit het Zuid-Oosten in

noordwestelijke richting hadden voortgezeild, bereikten we een kaap of

voorgebergte, dat ver in zee uitstak, en daar we brandend nieuwsgierig

waren om te ontdekken wat er aan den anderen kant der kaap zou zijn,

kwamen we overeen er om heen te zeilen, voor en aleer we een haven

opzochten. We koersten dus maar weer verder, doch hoewel de wind

aanhield, duurde het toch nog vier dagen eer we den uitstekende rots

bereikten. En toen wachtte ons helaas een bittere teleurstelling! De

kust week n.l. aan den anderen kant plotseling terug, blijkbaar nog

veel meer dan aan de zuidzijde het geval was. Wilden we dus naar

Afrika oversteken, dan moest het van dit punt zijn; verderop werd de

zee steeds breeder--hoe breed wel, viel moeilijk te berekenen.

Nog geheel onder den indruk van dezen tegenslag, werden we overvallen

door zulke geweldige regen- en donderbuien als we nog zelden hadden

bijgewoond. Haast-je, rep-je trachtten we dus de kust te bereiken en

pagaaiden, door de kaap beschut, een kleine kreek in, die geheel door

takken over-groeid was.

Uitgeput van vermoeienis en door en door nat zag onze zaak er vrij

wanhopig uit, en onze "duivelskunstenaar", zooals een onzer den smid

gedoopt had, plaatste een groot houten kruis op een rots, ongeveer

een mijl van de kaap, en schreef er op, in 't Portugeesch natuurlijk:

"Kaap Wanhoop--God helpe ons!"

Zoodra we wat bekomen waren, begonnen we een vuurtje te stoken om

onze kleeren te drogen en daarna hout voor onze hutten bijeen te garen.

Ons kamp werd ingericht aan de zuidzijde van de kreek en onder de

beschutting van een steilen heuvel ten N.W., die gelukkig een groot

deel van den dag de zonnestralen onderschepte. Een zoetwater beekje

mondde in de kreek uit, en we zagen in een laagvlakte, oostelijk van

ons, vee grazen en in zuidelijke richting een weg.

Op deze gunstig gelegen plek bouwden we twaalf hutten van boomtakken,

die we in den grond staken en van boven met dunne twijgjes en

dergelijke bij elkaar bonden. De kreek vormde onze natuurlijke

bescherming aan de noordzijde, de beek ten westen, en den zuid-

en oostkant versterkten we met een wal die onze hutten geheel

verborg. Achter dezen wal stonden onze woonhutten, en op behoorlijken

afstand drie andere, kleinere hutten, één veiligheidshalve uitsluitend

voor ons kruit bestemd, de tweede voor onze gereedschappen en proviand

en de derde en grootste tot eet-, gezelschaps- en vergaderlokaal

ingericht.

Met behulp van de ruitvormige zilveren hangers, die onze smid weer

dadelijk ging fabriceeren, viel het ons niet moeilijk ook hier met

de inboorlingen handel te drijven, en onze koksmaat had al gauw de

handen vol met het drogen en zouten van vijftig stuks zwart vee en

geiten, terwijl de omtrek ons meer dan genoeg vruchten en eetbare

wortelen opleverde.

Zoo hielden we omstreeks vier maanden het leven, en toen de zon

naar de evenaarslijn was teruggedraaid begonnen we onze volgende

reis te beramen, om n.l. de straat van Zanquebar (Zanzibar), zooals

de Portugezen haar noemen, over te steken en zoo mogelijk het vaste

land van Afrika te bereiken.

Voor zoover we elkaar verstaan konden, bespraken we het plan met

verschillende inboorlingen, maar al wat we van hen te weten kwamen

was, dat er aan den anderen kant van de zee een groot land lag,

vol tijgers en leeuwen. Van den afstand hadden ze geen flauw begrip,

terwijl onze mannen dien schatten op honderd à honderdvijftig mijlen,

hoewel een van hen, die een wereldkaart bezat, hun duidelijk maakte

dat het traject volgens de schaal niet meer dan tachtig zeemijlen kon

zijn. Ook waren ze 't er niet over eens of er onderweg eilanden lagen

die we konden aandoen, en een oude, blinde, door een klein jongetje

geleiden man ried ons tot einde Augustus op Madagaskar te blijven,

daar we dan op een gunstigen wind en een kalme zee konden rekenen.

In zekeren zin een zeer verheugende mededeeling, maar het langer

blijven lachte onze mannen heel weinig toe, te minder omdat de zon

in dien tijd dan weer naar het zuiden zou draaien.

Ten slotte werd er weer raad belegd, en na veel en vervelend heen

en weer praten zagen ze in, dat we, indien ons eenige verlangen was

voldoende te eten en te drinken, gerust konden blijven waar we waren,

doch dat we, als we ooit ons eigen land weer wenschten te bereiken,

nu scheep dienden te gaan.

Ik voor mij was met plezier op het eiland gebleven en had een

eigenaardig voorgevoel, dat ik er nog eens zou terugkomen.

"Als ik maar een schip met twintig kanonnen en een sloep bezat,

allebei behoorlijk bemand," zei ik, "zou ik geen plaats ter wereld

weten waar ik liever woonde."

Met meerderheid van stemmen werd besloten de reis niet langer uit te

stellen en den overtocht te wagen. Nu, een waagstuk was het zeker! Want

terwijl de wind in die streek van September tot Maart uit het oosten

blaast, zoo komt hij het overige gedeelte van 't jaar als regel uit

het westen. Nadat we dus, geholpen door een soort van land-bries,

ongeveer vijftien of twintig mijlen hadden afgelegd--juist voldoende

om ons geheel overgeleverd te gevoelen--blies de wind ons regelmatig

en krachtig, afwisselend van uit het W.Z.W. of Z.W. vlak in 't gezicht,

zoodat we er niets geen profijt van konden trekken.

Daarbij kwam nog dat vaartuigen als de onze niet hoog bij den wind

kunnen zeilen. Was dit wél het geval geweest, dan zouden we, in

N.N.W. richting uithalende, verscheiden eilanden op onzen weg ontmoet

hebben, zooals wij later ontdekten. Maar dit bleek onmogelijk. Een

kleine proefneming in die richting had ons bijna het leven gekost. Naar

het noorden koersende, zoo dicht onder den wind als wij durfden wagen,

vergaten wij rekening te houden met den vorm en ligging van het eiland

zelf. We hadden Madagaskar bij een ver-uitstekend voorgebergte verlaten

en bevonden ons dus nu--een mijl of veertig noordelijker, waar het

eiland meer dan tweehonderd mijlen oostwaards terugwijkt--midden in

zee tusschen Madagaskar en Afrika; van beide kusten bijna honderd

mijlen verwijderd.

Daar er flink wat wind stond, evenals de vorige dagen, uit het westen,

hielden we, met de kleinste kano op sleeptouw, met volle zeilen op

de kust aan.

Tot ons groote geluk bleef de zee kalm; was er ook maar even een

rukwind opgestoken, dan zouden we ons leven verspeeld hebben, want onze

kano's waren ondiep en allerminst geschikt om een hooge zee te bevaren.

Het hachlijke avontuur had ons elf dagen in spanning gehouden, en toen

we eindelijk, op omstreeks tien mijlen afstands, land in zicht kregen

was onze proviand bijna geheel verbruikt en tot het laatste druppeltje

het water dat we meegenomen hadden. Uitgeput als we al waren, duurde

het echter nog twee volle dagen eer we den vasten wal bereikten,

daar een heete landwind onze afmattende pogingen nog bemoeilijkte.

Deze onderneming gaf ons een voorproefje van wat ons te beurt zou

zijn gevallen, wanneer we bij ongunstigen wind waren overgestoken

en genas ons voor 't oogenblik van den lust in 't groote plan, ten

minste tot we betere vaartuigen zouden veroverd hebben.

Eindelijk aan wal gekomen, begonnen we maar weer getroost een

nieuw kamp op te richten, ons, evenals tevoren, zoo goed mogelijk

tegen overvallen wapenend. De inboorlingen bleken hier evenwel veel

toeschietelijker en goedhartiger dan op de zuidelijke helft van het

eiland, en al konden we elkaars taal weer niet verstaan, toch wisten

we hun aan 't verstand te brengen dat we vreemde zeelieden waren en

gebrek aan voedsel hadden.

Het eerste bewijs dat we van hun welwillendheid ondervonden, was,

dat een hunner hoofden, zoodra hij ons met den bouw onzer hutten

zag beginnen, met een stuk of zes mannen en vrouwen naar ons toe

kwam en ons twee vette stieren en vijf geiten bracht, die hij ons

voor niets afstond. Hij verbood de vrouwen zelfs de sieraden aan te

raken, die wij hun aanboden. Ongeveer twee uur later verscheen er een

tweede opperhoofd met een stoet van een vijftig negers, waarop wij

voor alle veiligheid naar onze wapens grepen. Zoodra hij dit echter

bemerkte, zond hij twee mannen met lange staken vooruit, die ze als

een vredesteeken omhoog droegen en daarop dicht bij ons in den grond

plantten. Toen de koning en de overige zwarten tot bij die staken

genaderd waren, zetten ze al hun lansen in den grond en kwamen geheel

ongewapend--ook hun bogen en pijlen lieten ze achter--naar ons toe.

De plechtigheid moest ons duidelijk maken dat ze vrienden wenschten

te zijn, iets wat ons blij verraste. Toen het opperhoofd van het

tweede gezantschap onze mannen vrij onhandig hun hutten zag bouwen,

wenkte hij eenige van zijn volgelingen, ons te komen helpen, en in

een oogwenk hadden we vijftien of zestien negers tusschen ons aan

't werk. Ze betoonden zich vrij wat handiger bouwers dan wij, en

hadden in verwonderlijk korten tijd vier hutten--veel mooier dan de

onze--in elkaar getooverd.

Hierna zonden ze ons melk, pisangs, pompoenen en een overvloed van

wortels en eetbare planten, waarop zij verdwenen, zonder iets van ons

te willen aannemen. Een onzer mannen presenteerde den aanvoerder een

borrel, dien hij met veel smaak leegdronk. En van dit oogenblik af

kwam hij ons geregeld twee of driemaal 's weeks bezoeken, altijd iets

voor ons meebrengende. Eens zelfs zond hij ons zeven zwarte koeien,

die wij op onze gewone manier droogden en bewaarden.

Hier moet ik even een schijnbare nietigheid vertellen, die ons later

evenwel groot voordeel bracht, dat n.l. het vleesch van hun geiten

en koeien, maar voornamelijk van hun geiten, in gedroogden staat

rood werd en buitengewoon hard en vast van vezel, zooals ik wel eens

gerookt rundvleesch uit Holland gegeten had. Het smaakte hun zoo goed,

ja was zoo'n groote lekkernij voor hen, dat ze, toen ze er eenmaal

mee hadden kennis gemaakt, het altijd met ons trachtten te ruilen,

waarbij wij wel zorgden aan 't langste eind te trekken. Blijkbaar

hadden ze er geen flauw begrip van wat het eigenlijk was, en ze boden

ons met het grootste genoegen een heelen stier of een koe of iets

anders wat we begeerden, voor tien of twaalf pond van ons gerookt of

gedroogd vleesch.

Reeds een dag na onze aankomst op dit noordelijk deel van het eiland

merkten we twee voor ons zeer belangrijke dingen op. Ten eerste

zagen we dat de negers aardewerk bezaten, waarvan ze op dezelfde

wijze als wij gebruik maakten. Vooral werd onze aandacht getrokken

door hun diepe aarden potten, die ze in den grond lieten zinken om

hun drinkwater koel te houden. De tweede gewichtige ontdekking was:

het betere en grootere soort van kano's waarin ze hier voeren.

Dit bracht ons op het denkbeeld eens te onderzoeken, of ze ook nóg

grooter vaartuigen bouwden, of mogelijk andere stammen die het eiland

bewoonden. Met veel moeite kwamen we door teekens en gebaren te

weten--sommige van hun klanken waren ons nu ook niet geheel vreemd

meer--dat zij geen grooter booten maakten dan die ze ons getoond

hadden, maar dat aan de andere zijde van het eiland een stam leefde,

die mooier vaartuigen bezat, met dekken en groote zeilen.

Toen eenige van ons met dit blijde nieuws terugkwamen, besloten we

eenparig het eiland te omvaren tot we ze zouden ontdekken, en met

nieuwen moed trokken we aan 't werk om onze kano's na te zien en den

noodigen leeftocht voor onze derde zeereis bijeen te pakken.

Steeds onder de kust blijvende, duurde deze excursie een week of vijf,

in welken tijd we verscheiden keer aan land gingen om water en provisie

te halen. Bij al die gelegenheden vonden wij de inboorlingen bijzonder

vrijmoedig en welwillend; 't scheen wel dat ze "menschelijker" werden,

naarmate wij noordelijker kwamen, en op zekeren morgen vroeg, toen

we het allernoordelijkste puntje van 't eiland bereikt hadden, riep

een van onze mannen óvergelukkig: "Een zeil! Een zeil!"

Werkelijk namen wij allen, doch een heel eind in zee, een schip waar;

maar toen we het door onzen perspectief-kijker nader beschouwden, bleek

het een vaartuig dat ons geheel onbekend was. Hoe wij ook tuurden en

ons best deden de kenteekenen te onderscheiden, we konden het zooals

men wel zegt, "niet thuis brengen". 't Was geen kaag, geen galjoen,

geen kaper of van eenig ander ons bekend soort. Al wat we er van

maken konden was, dat het zeewaarts stevende en dus steeds verder

van ons verdween. Al gauw geraakte het dan ook uit ons gezicht en we

verkeerden niet in een toestand het achterna te durven gaan. Eenigen

van ons hoopten nog dat het terug zou komen, maar wij zagen het niet

weer tijdens ons verblijf aan de noordkust en hielden het later--toen

we meer dergelijke vaartuigen ontmoetten--voor een Arabisch schip,

dat handel had gedreven op de kust van Mozambique of Zanzibar, een

streek die wij later ook bezochten, zooals uit mijn verdere verhaal

zal blijken.

Voor zoover ik me herinner onderscheidden de inboorlingen zich op

die verschillende kustgedeelten al heel weinig van elkaar; noch in

kleur of gedaante, noch in manieren, gewoonten, bewapening of iets

anders. Toch maakten wij bij verschillende gelegenheden uit allerlei

gegevens op, dat ze geen contact met elkaar hadden. Hoe dit zij,

tegenover ons toonden ze zich allen uiterst vriendelijk en hulpvaardig,

't geen voor ons van het grootste belang was.

Na onze reis langs de noordkust, zeilden we nu even vele weken

zuidwaarts, ook nu natuurlijk af en toe den tocht onderbrekende om

voedsel en water in te nemen; en eindelijk een uitstekende landpunt

omvarende, die ongeveer een mijl in zee vooruitsprong, zagen we

plotseling tot onze verrassing iets vóór ons, dat ons een kreet van

vreugde deed uiten, hoewel het voor de betrokken personen een zeer

treurige gebeurtenis moest geweest zijn, die nu tot onze blijdschap

aanleiding gaf. Tusschen de in zee vooruitspringende rotsen stak de

romp van een Europeesch schip.

Daar het nu, bij vloed, zelfs niet geheel onder water lag, begrepen

we dat het schip bij eb voor een groot deel droog moest loopen. 't

Sprak van zelf, dat onze nieuwsgierigheid ons dreef--en gelukkig

lieten wind en weer het ook toe--onmiddellijk naar het wrak te varen,

wat ons niet veel moeite kostte. Bij nadere beschouwing zagen we dat

het een Hollandsch schip was, dat nog niet heel lang in dien toestand

kon hebben verkeerd, daar een groot deel van zijn achtersteven nog

flink in elkaar zat met de bezaansmast nog overeind. Blijkbaar was

haar achtersteven tusschen twee rotsen bekneld geraakt en zoo behouden

gebleven, terwijl de voorplecht slechts voor een deel uit elkaar lag.

Ofschoon we niets aan het wrak ontdekten, wat ons op dat oogenblik

van dienst zou kunnen zijn, besloten we toch hier aan wal te gaan en

een tijdlang in de buurt te blijven, op hoop eenig licht omtrent de

scheepsramp te verkrijgen of, wat wij allen vurig zouden gewenscht

hebben--iets omtrent de opvarenden te weten te komen. Wie weet,

misschien hielden er zich nog wel eenigen aan den wal op, die ongeveer

in dezelfde omstandigheden als wij verkeerden en ons aantal zouden

willen versterken.

Geland zijnde, wachtte ons een tweede verrassing: we vonden er

namenlijk een volledige kleine scheepstimmerwerf; een helling met

een windas, stellingen, planken, stukken hout, in 't kort al wat er

overblijft, wanneer men een schip heeft gebouwd en dat ons onmiddellijk

op het denkbeeld bracht, het voorbeeld der schipbreukelingen te volgen.

Hoogstwaarschijnlijk had de ongelukkige bemanning zich met een boot

aan den wal kunnen redden, en daar een flinke sloep of bark gebouwd om

er mee in zee te steken. Toen wij de inboorlingen vroegen welken kant

ze waren uitgegaan, wezen ze naar 't zuiden en zuidwesten, waaruit wij

de gevolgtrekking maakten dat ze naar Kaap de Goede Hoop waren gezeild.

Door hun voorbeeld aangestoken, besloten we, in ieder geval te trachten

een zeeklare boot te timmeren en dan, op ons lot vertrouwende, het

ruime sop te kiezen.

We begonnen dus met onze timmerlui op te dragen te onderzoeken,

wat de Hollanders aan materialen hadden achtergelaten, die ons van

dienst konden zijn. Onder zeer veel bruikbaars, vonden ze o.a. ook

een pik-ketel waar nog wat pik in zat.

Ondanks alle goede vondsten, viel het werk ons toch lang niet mee. We

hadden geen voldoende gereedschappen, geen ijzerwerk, geen touw, geen

zeilen, zoodat we bij elk onderdeel wat we noodig hadden, onze eigen

smeden, touwslagers en zeilmakers moesten zijn, ja allerlei beroepen

uitoefenen, die wij nooit een van allen geleerd hadden. Maar nood

leert niet alleen "bidden", zooals het spreekwoord zegt, maar ook

"uitvinden", en we brachten allerlei dingen tot stand, die ons van

te voren onuitvoerbaar hadden toegeschenen.

Nadat onze timmerlui de afmetingen van onze boot bepaald hadden,

zetten ze ons allen aan 't werk. Om te beginnen moesten we het wrak

uit elkaar slaan en in onze kano's alles meebrengen, wat slechts

bruikbaar scheen. Aan den mast vooral was hen zeer veel gelegen,

en met ontzaglijk veel inspanning gelukte het ons na twintig dagen

hard werken hem behouden aan de kust te brengen.

Intusschen hadden we ook heel wat ijzerwerk uit het wrak gehaald,

zooals bouten, nagels, spijkers, krammen, waarvan onze smid, met

bewonderenswaardige handigheid, roerpennen, oogen, spillen enz. maakte.

Van het gebruik van een anker zagen we af, bij gebrek aan een

behoorlijken kabel, en we slaagden er gelukkig in, om, geholpen door

de negers, een soort van touw te maken van de vezels, die zij voor hun

matten gebruikten, 't geen ons een kabel verschafte om ons vaartuig aan

de kust te meren, waarmee we ons voor 't oogenblik tevreden stelden.

Vier volle maanden brachten wij bij het wrak door, flink werkende

en bezield door de hoop op uitkomst. Toen we eindelijk, na verloop

van dien tijd, ons schip van stapel lieten loopen, had het wel vele

gebreken, maar was het toch--alles bij elkaar genomen--beter dan we

hadden mogen verwachten.

Onze sloep, want daar leek het vaartuig het meest op, mat achttien

à twintig ton, en wanneer we slechts masten en zeilen en voldoende

takelage hadden gehad, zou het scheepje ons overal waar we maar

wenschten, gebracht hebben. Wat echter de heele onderneming nog zou

doen mislukken en al onzen arbeid vruchteloos dreigde te maken was ons

gebrek aan teer en pek. De kleine voorraad van het laatste artikel

dien we in de pot gevonden hadden, was natuurlijk bij lange na niet

toereikend om de naden mee te dichten, en hoewel we ál deden wat we

konden met een mengsel van talk en olie, twee artikelen die wij in

het wrak gevonden hadden, toch beantwoordde dit op verre na niet aan

het doel. Toen we onze sloep dus na veel moeite in 't water hadden,

bleek zij zoo lek als een mandje en moesten we, bij gemis van een pomp,

met alle macht hoozen om haar boven water te houden.

Diep terneergeslagen over deze bittere teleurstelling, zochten wij

hulp bij de inboorlingen, en een van hen, een oude neger, wees ons

een boom aan, waarvan het hout, als men het kookt, een lijmachtige

vloeistof afscheidt, bijna zoo bruikbaar als teer. Den raad dankbaar

opvolgende, verkregen wij werkelijk een stof, die uitstekend het pik

vervangen kon en ons schip geheel waterdicht maakte. Bij verschillende

gelegenheden kwam mij deze ontdekking later te pas.

Toen ons schip dus zoover klaar was, maakten we een mooien mast uit

den bezaansmast van het wrak, waaraan we onze zeilen zoo goed mogelijk

bevestigden, voorzagen het nog van een roer, een helmstok en andere

noodzakelijke onderdeelen, brachten onze victualiën en zooveel zoet

water aan boord als wij konden bergen--want we hadden nog altijd geen

vaten--en staken met een gunstigen wind in zee.

Met onze onderzoekingstochten en het bouwen der sloep was nu bijna een

jaar verstreken. Het moest nu omstreeks begin Februari zijn volgens

onze mannen; de zon draaide gelukkig naar het noordelijk halfrond,

wat ons allen dankbaar stemde, want de hitte was bijna ondraaglijk

geweest. Zooals ik reeds zeide, hadden we den wind mee, die, naar

ik later herhaaldelijk opmerkte, meestal uit den oosthoek waait,

als de zon naar het noorden loopt.

De avonturen van kapitein Bob · 第 2 / 10 段