DE AVONTUREN VAN KAPITEIN BOB
DOOR DANIËL DEFOE
VERTAALD DOOR G.W. ELBERTS
GEÏLLUSTREERD DOOR FREDDY LANGELER
H. MEULENHOFF--AMSTERDAM--1920
HOOFDSTUK I.
EEN MOEILIJKE JEUGD.
Als ik de vrouw mag gelooven die mij geleerd had haar moeder te noemen,
ben ik omstreeks 1680, in een der voorsteden van Londen geboren. Toen
ik ongeveer twee jaar oud was, nam het kindermeisje mij op een mooien
zomeravond mee buiten de stad, onder voorwendsel mij eens in de
frissche lucht te brengen. Bij toeval, of volgens afspraak, ontmoette
ze al heel gauw een jongen, met wien ze een herberg binnenging, het
aan een buurkind van een jaar of twaalf, dat met ons was meegegaan,
overlatende op mij te passen.
Zonder aan eenig gevaar te denken, speelden wij eerst in den tuin der
herberg en toen op den weg, terwijl het jonge paar, onder 't genot
van bier en koek, ons blijkbaar geheel vergat.
Het ongeluk wilde, dat hier al heel gauw een van die misdadige
vrouwspersonen voorbijkwam, die er in die dagen hun helsch beroep van
maakten goed-gekleede jonge kinderen te stelen en te doen verdwijnen,
of oudere aan plantagehouders te verkwanselen.
Onder den schijn mij enkel maar te willen liefkoozen en wat met
me te spelen, nam het wijf mij in haar armen, voerde het argelooze
buurmeisje eerst een eind mee het veld in en zond haar daarop met een
gemaakte boodschap naar de herberg, haar verzekerende, dat ze vlak
in de buurt bleef. Toen mijn kindermeisje en haar vriend mij daarop
allicht verschrikt wilden terughalen, was ik nergens meer te vinden.
Na 't geen mijn laatste pleegmoeder mij vertelde, werd ik eerst
verkocht aan een beroepsbedelares, die een lief kindje noodig had
om mee op het gevoel van haar "klanten" te werken en daarna aan een
zigeunerin, bij wie ik tot mijn zesde jaar bleef. Hoewel ik bij die
vrouw een onrustig, zwervend leven leidde, had ik het toch niet slecht
in dien tijd. Ze liet het mij aan niets ontbreken en zich "moeder"
door mij noemen. Later openbaarde ze me dat ze mijn moeder niet was,
maar mij voor twaalf shilling van een andere vrouw gekocht had,
die haar het omstandige verhaal van mijn verdwijnen gedaan en haar
gezegd had, dat ik Bob Singleton heette.
Na verloop van nog eenigen tijd werd mijn zigeunermoeder, die nogal
wat op haar kerfstok scheen te hebben, opgehangen, en daar ik toen
nog te jong was om zelfstandig mijn zwervend beroep voort te zetten,
moest het armbestuur van het dorpje waar ik achterbleef, zich wel
over mij ontfermen. Ik herinner me nog heel goed--hoewel de naam van
het plaatsje mij ontschoten is--dat ik naar de dorpsschool ging en
dat de dominé mij dikwijls op het hart drukte, braaf mijn best te
doen, mijn catechismus te leeren en God te eerbiedigen; dan kon ik,
hoe arm ook, een goed mensch worden.
Ik geloof, dat ik nog een paar keer van woonplaats veranderde,
misschien doordat de verschillende gemeenten het niet eens waren over
het laatste domicilie der zigeunerin. Hoe het zij, het stadje waar
ik ten slotte onder dak werd gebracht, moet niet ver van zee hebben
gelegen, want een scheepseigenaar die genegenheid voor mij opvatte,
nam mij mee naar een plaatsje in de buurt van Southampton. Hier werd
ik leerjongen op een scheepstimmerwerf, waar een schip voor hem in
aanbouw was, en toen het van stapel liep, liet hij mij--nauwelijks
twaalf jaar oud--een reis meemaken naar Newfoundland.
Het leventje aan boord beviel me best, en ik voldeed mijn meester
zoo goed, dat hij me dikwijls "mijn jongen" noemde, en als hij 't
me niet geweigerd had, omdat hij eigen kinderen bezat, zou ik hem
ook graag vader genoemd hebben. Op die wijze maakte ik drie of vier
reizen met hem en was een forsche stevige knaap geworden, toen we,
weer van Newfoundland terugkomende, door Algerijnsche zeeroovers
werden aangevallen.
Om deze gebeurtenis bekommerde ik me niet bizonder veel, totdat
de Turken mijn meester, die gedurende het gevecht een hoofdwonde
had opgeloopen, barbaars begonnen te mishandelen. Toen werd mijn
verontwaardiging mij te machtig, 'tgeen me duur te staan kwam, want
de roovers grepen mij aan en sloegen mij zoo onbarmhartig met een
stok tegen de voetzolen, dat ik verscheiden dagen achtereen gaan noch
staan kon.
Doch het geluk diende mij. Toen de zeeroovers namelijk, met ons schip
op sleeptouw, naar de straat van Gibraltar koersten, werd hun kaper
aangevallen door twee Portugeesche oorlogsschepen en naar Lissabon
gevoerd.
Zoo min als ik mij van mijn gevangenschap veel had aangetrokken,
deed ik dit ook van mijn ongedachte bevrijding. Veel goeds bracht ze
me trouwens niet, daar mijn meester, de eenige vriend dien ik op de
gansche wereld bezat, te Lissabon aan zijn verwondingen stierf. Er
bleef mij dus niet veel anders over dan de hongerdood. Wat moest ik
beginnen, in een vreemd land, waar ik niemand kende en de taal niet
verstond? En toch ging het mij beter dan ik had durven hopen, want
toen onze heele bemanning werd vrijgelaten, bleef ik, niet wetende
waarheen, in het schip achter, tot een der Portugeesche officieren
mij na eenige dagen ontdekte en vroeg, wat "die jonge Engelsche hond"
daar uitvoerde en waarom ze hem niet aan wal zetten.
Ik begreep wel ongeveer wat hij zei, al verstond ik de woorden niet
en kreeg een ontzettenden angst, want ik wist niet hoe ik aan den
wal mijn kost zou moeten verdienen.
"Je moet hier vandaan," kwam de loods van het schip, een oude zeerob,
mij in gebroken Engelsch vertellen.
"Maar waar moet ik dan heen?" vroeg ik bezorgd.
"Dat kan me niet schelen," zei hij, "naar je eigen land terug als
je wilt."
"Hoe moet ik daar komen?" vroeg ik weer.
"Heb je dan geen vrienden?"
"Niets of niemand op de heele wereld dan dien hond," zei ik naar den
scheepshond wijzende, die een stuk vleesch gestolen had, waarvan ik
hem de helft voor mezelf had afgenomen.
"Dat ziet er treurig voor je uit, mijn jongen," zei hij goedhartig. "Je
moet toch eten. Wil je met mij meegaan?"
"Graag!" riep ik, blij met die oplossing.
Zoo kwam ik dan bij den ouden loods in de kost, waar ik twee jaar
lang een draaglijk leven leidde. Na verloop van dien tijd werd hij
stuurman onder Don Garcia de Pimentesia de Carravallas, Kapitein van
een Portugeesch galjoen, een grooten koopvaarder, uitgerust voor Goa,
aan de Westkust van Hindostan, en zoodra hij zijn aanstelling gekregen
had, bracht hij mij aan boord om de wacht te houden in zijn hut,
waarin hij brandewijn en allerlei lekkernijen voor onderweg verzamelde
en later nog een aanzienlijken voorraad Europeesche goederen: linnen,
kant, laken en andere wollen stoffen, verborg; alles onder voorwendsel
dat het zijn kleeren waren.
Ik was nog te jong en te weinig op de hoogte van mijn beroep om
een scheepsjournaal aan te leggen, hoewel mijn meester er mij toe
aanspoorde. Na eenigen tijd echter begon ik plezier te krijgen in
zijn kaarten en logboeken, en daar ik behoorlijk schrijven geleerd
had, wat Latijn kende en dagelijks meer Portugeesch opving, kon ik
mij langzamerhand wat scheepvaartkundige kennis eigen maken, al was
ze in de verste verte niet toereikend voor het avontuurlijke leven
dat mij te wachten stond.
Op deze reis zeilden we niet onmiddellijk naar Indië, doch deden langs
een omweg de kust van Brazilië aan, waar we--in de Allerheiligenbaai
was het--wel een honderd ton goederen losten en een grooten voorraad
goud, ettelijke kisten suiker en balen tabak innamen.
Op last van den stuurman moest ik hier aan wal overnachten en op de
goederen van den Kapitein passen, wat ik met veel toewijding deed,
hoewel ik tegelijkertijd kans zag me ongeveer twintig moidores (oude
Portugeesche munt ter waarde van f 16 ongeveer) van het goud toe te
eigenen, dat de kooplui aan boord moesten brengen.
Van hieraf hadden we een vrij voorspoedige reis naar Kaap de Goede
Hoop, en ik stond bij mijn meester aangeschreven als een ijverige
en eerlijke jongen. Nu, het eerste was ik wel, maar op het tweede
kon ik niet bogen, en de vele oneerlijke handelingen, die ik op mijn
reizen te zien kreeg, hadden mij ook niet bizonder fijngevoelig op
dat punt gemaakt. Ter belooning voor mijn dienstijver, stelde de
kapitein mij aan tot ondervictualiemeester. Ik had niet het toezicht
op alle voorraden aan boord, doch alleen over datgene, wat de Kapitein
zich voor zijn eigen gebruik uit die voorraden wenschte, een baantje
dat mij de schoonste gelegenheid bood, behalve mijns meesters maag,
ook mijn eigene uitstekend te verzorgen.
Ongeveer zeven maanden nadat we Lissabon verlaten hadden, kwamen we
te Goa aan, waar we acht maanden bleven. Ik had in dien tijd weinig
of niets te doen, daar mijn meester, de stuurman, meestal aan den wal
bleef, en ergerde mij, al was ik zelf lang geen heilig boontje, aan
de leugenachtigheid, het drinken, vloeken en tieren der Portugeesche
bemanning, die zich beroemden op hun dapperheid, doch--de goeden niet
te na gesproken--door en door lafhartig en wreed waren.
Maar wat kon ik beginnen? Ik zat eenmaal in 't schuitje en moest
dus wel meevaren en mij zoo goed mogelijk in de omstandigheden
schikken. Zooals ik reeds verteld heb, had mijn meester mij aan den
Kapitein afgestaan, om hem een gedeelte van den dag behulpzaam te
zijn. Later hoorde ik, dat de stuurman daar een halve moidore per
maand voor ontving en dat hij mijn naam op de scheepsrol gezet had,
zoodat ik niet anders verwachtte, dan dat mij bij de eerstvolgende
soldijbetaling ook iets voor mezelf zou worden afgestaan.
Maar ik had mijn rekening buiten den waard gemaakt. Wel had de stuurman
mij toen ik in nood zat, tot zich genomen, doch nu merkte ik, dat het
zijn bedoeling was geweest zooveel mogelijk van mij te profiteeren,
en toen ik nu in Goa, waar ons vier maanden soldij werd uitbetaald,
iemand op hem afstuurde om met hem over het loon te spreken, raakte
hij buiten zichzelf van drift, schold mij uit voor Engelschen hond,
jongen heiden en allerlei fraais en dreigde mij met de inquisitie.
Gelukkig echter kwam de priester, die ze op hun reis hadden
meegenomen--de scheepskapelaan, zooals we hem noemden--mij te
hulp. Zoodra hij zag dat ik niet het flauwste begrip van eenigen
godsdienst had en de matrozen mij alles konden laten zeggen, stelde
hij mij eenige vragen, die ik eenvoudig en onbevangen, beantwoordde,
waarop hij den stuurman verzekerde, dat hij voor mijn geloof kon
instaan. Feitelijk hoopte hij mijn ziel te redden en daardoor een
Godgevallig werk te doen, en dus trachtte hij me in den kortst
mogelijken tijd tot een geloovig katholiek te fatsoeneeren.
Nadat ik hem mijn oneenigheid met mijn meester had uitgelegd,
hem verteld had, dat ik den stuurman die zich te Lissabon over
mij ontfermd had, graag wilde dienen, doch meende eenige aanspraak
op loon te kunnen maken, deed de kapelaan zijn uiterste best hem
tot ander inzicht te brengen; alles te vergeefs! De geestelijke,
noch iemand anders kon hem overtuigen, dat ik wel zijn knecht,
doch volstrekt niet zijn slaaf was. Hij hield stijf en strak vol,
dat hij me in Algerië gevangen genomen had en ik een Turk was, die
slechts voorwendde een Engelsche jongen te zijn om zóó mijn vrijheid
te herkrijgen. Maar 't zou mij niet baten; hij scheen vast besloten
mij als een ongeloovigen hond aan de inquisitie uit te leveren.
In doodsangst bij dit dreigement, besloot ik zoo gauw ik de kans
schoon zag, bij hem weg te loopen. Aanvankelijk was daar echter niet
veel kijk op, daar er geen andere schepen in de haven lagen dan een
paar Perzische kustvaarders, en vluchtte ik aan land, dan zou hij
me gauw weer in den kraag gepakt en aan boord gesleept hebben. Geen
andere weg dus voorloopig dan geduld oefenen, en dat begon me hoe
langer hoe moeilijker te vallen, want na het gebeurde ging hij me
slecht behandelen. Niet alleen verminderde hij mijn rantsoen, maar
hij sloeg en mishandelde mij voor elk nietig vergrijp, zoodat mijn
leven bijna ondraaglijk werd.
De ondergane wreedheden en de onmogelijkheid er aan te ontsnappen,
brachten mijn geest op allerlei boosaardige gedachten, en eindelijk,
nergens anders uitkomst ziende, besloot ik den stuurman te
vermoorden. Maar daar ik wapens noch vergift tot mijn beschikking
had, bleef het gelukkig bij het heillooze plan en moest ik me wel
onder zijn juk buigen, tot het schip, toen het geheel geladen was,
weer zee koos naar Portugal.
Van deze reis is mij zeer levendig bijgebleven, dat we op de
hoogte van Kaap de Goede Hoop door een geweldigen storm uit het
W. Z. W. werden verrast, die ons, zes dagen en zes nachten lang,
terugdreef in oostelijke richting, en dat we daarna verscheiden dagen
vóór den wind zeilende, ten langen leste het anker uitwierpen op de
kust van Madagaskar.
De storm was zóó hevig geweest, dat het galjoen veel schade had geleden
en eenigen tijd noodig had om gekalefaterd te worden. Tot dit doel had
mijn meester het schip op een goede reede gebracht, waar wij, ongeveer
een halve mijl uit de kust, in zes-en-twintig vadem diep water lagen.
Nauwelijks waren de handen aan 't werk geslagen, of de bemanning,
die niet op tijd was uitbetaald, sloeg aan 't muiten, en de twist
liep zóó hoog, dat ze den Kapitein dreigden, hem aan land te zullen
zetten en met den koopvaarder naar Goa terug te zeilen. Daar de
Kap'tein vermoedde, dat eenigen het op zijn leven gemunt hadden,
bracht hij, deels door dwang deels door omkooperij, twee der matrozen
tot bekentenis omtrent de aanstichters van den opstand. De belhamels
werden onmiddellijk in verzekerde bewaring genomen, en toen deze ook
verscheiden hunners makker aanklaagden, duurde het niet lang of zestien
leden van de bemanning, waaronder ook ik, zuchtten in de ijzers.
Het hoofd kwijt door 't hem bedreigende gevaar en besloten het schip
volkomen te zuiveren, onderwierp de Kapitein ons stuk voor stuk
aan een streng verhoor en veroordeelde ons ten slotte allemaal ter
dood. De kwartiermeester en een der kanoniers werden op staanden voet
opgehangen, terwijl ik en de anderen geen beter lot verwachtten. Tot
mijn groote verlichting stelde de gezagvoerder zich echter met de
executie dezer twee tevreden en werd aan de rest, op hun nederig
verzoek en hun belofte van goed gedrag in de toekomst, vergiffenis
verleend. Aan vijf echter, waaronder ik, werd gelast het schip te
verlaten en op het eiland achter te blijven.
Mijn meester, die mijn diensten niet graag missen wilde, wendde al
zijn invloed aan, om mijn vrijspraak uit te lokken, doch het mocht
hem niet gelukken. Ten onrechte meende de kapitein, dat ik het op
zijn leven gemunt had, en hij wilde dus van geen pardon weten.
"Je kunt hem aan boord houden voor mijn part," zei hij, "maar dan zal
hij hangen." Zoo zag ik dus met mijn lotgenooten, ons achtergelaten
worden op Madagaskar te gemoet! Wat mij persoonlijk betreft, zonder
veel angst of ongerustheid. Het vrije, onafhankelijke leven trok mij
sterk aan, hoewel ik er al heel slecht op was voorbereid. Opvoeding had
ik nooit genoten en mijn leerschool onder 't scheepsvolk had er niet
toe bijgedragen, mij een goed begrip van plicht en verantwoordelijkheid
in te prenten. Mijn leven was slechts een aaneenschakeling van gevaren
en ongunstige omstandigheden geweest en een ernstige gedachte,
of het streven naar iets goeds, had nog nooit in mijn ziel wortel
geschoten. Mijn jeugd--ik was omstreeks zeventien jaar--en mijn
zorgelooze, opgewekte natuur brachten echter het voordeel mee, dat
ze mij de naaste toekomst moedig onder de oogen deden zien en mij de
vertwijfeling bespaarden, die zich van mijn mede-veroordeelden meester
maakte bij 't vooruitzicht te verhongeren of door wilde dieren of
kannibalen te worden verscheurd.
Toen ik vernam dat mijn meester, de stuurman, een goed woordje voor
mij gedaan had, verzocht ik hem nog eenmaal te mogen spreken, en toen
hij werkelijk bij mij kwam, viel ik op de knieën en smeekte hem, mij
al het leed wat ik hem had aangedaan, te vergeven. De gedachte aan
den moordaanslag dien ik tegen hem in 't zin had gehad, vervulde mij
toen reeds met zoo'n sterk afgrijzen, dat het weinig scheelde, of ik
had een volledige bekentenis voor hem afgelegd. Hij verzekerde mij,
dat hij alles al in 't werk had gesteld om den kapitein tot andere
gedachten te brengen en hij mij niet anders kon raden dan mij geduldig
in mijn lot te schikken. Mochten ze aan de Kaap een Portugeesch schip
treffen, dan zou hij den gezagvoerder verzoeken zee te kiezen en ons
zoo mogelijk af te halen.
Daarna verzocht ik hem nog, mijn kleeren mee aan den wal te mogen
nemen, maar hij antwoordde mij:
"Ik vrees dat je weinig behoefte aan kleeren hebben zult. Lang zullen
jullie 't er niet uithouden, want naar ik hoor zijn de inwoners
menscheneters."
Vermoedende dat hij dit maar zei om me angstig te maken, pochte ik:
"Daar ben ik niet zoo bang voor, als voor 't gebrek aan
voedsel. Wanneer die inboorlingen kannibalen zijn, loopen ze meer
gevaar door ons te worden opgegeten dan wij door hen; als we ze
maar te pakken kunnen krijgen! Mijn allergrootste zorg is nog,
dat we geen wapens zullen hebben, om ons te verdedigen.--Geef mij
dan in Godsnaam een geweer en een sabel met wat kruit en kogels,"
smeekte ik ten slotte, toen hij onbewogen bleef.
"Dwaasheid! Wat zou je ermee kunnen beginnen tegenover zoo'n talrijke
en bloeddorstige bevolking," weerde hij me af.
"Maar dan kunnen we ons ten minste nog een tijdlang verweren," bleef
ik smeeken.
Eindelijk liet hij zich in zooverre verbidden, dat hij beloofde den
kapitein mijn verzoek over te brengen, en den volgenden dag ontving ik
werkelijk een geweer, met de boodschap, dat de kap'tein de ammunitie
niet eerder wilde verstrekken dan op het oogenblik, waarop wij aan land
zouden zijn gezet en het schip op het punt stond zee te kiezen. Ook
zond hij mij de weinige kleeren die ik nog op het schip had.
Twee dagen later werden we alle vijf naar wal geroeid: mijn lotgenooten
op hun verzoek, evenals ik, van geweren en kruit voorzien.
Onze eerste indrukken van de eilandbewoners waren hoogst ongunstig. Wij
ontstelden van hun woest, wreed uiterlijk, doch 't lijkt me niet
onwaarschijnlijk dat we door het beeld dat ons van hen was opgehangen,
alles erger zagen dan het was. In ieder geval bleek al heel gauw,
dat ze geen kannibalen waren. Ze toonden zich ook niet bizonder schuw,
maar kwamen bij ons zitten, om onze kleeren te betasten en ons aan te
staren, terwijl ze door gebaren te kennen gaven ons voedsel te willen
verschaffen. Eerst brachten ze ons niets dan planten en wortels,
maar later kregen we ook vleesch en gevogelte in overvloed.
Zooals te begrijpen was deed deze ondervinding ons alle vijf nieuwen
moed vatten, en mijn makkers, eerst geheel aan den grond, monterden nu
plotseling op en trachtten de inboorlingen te beduiden dat we goede
vrienden wilden zijn en op hun eiland blijven, 't geen hun scheen
te verheugen. Natuurlijk hadden ze geen flauw idee, hoezeer we hen
noodig hadden en hen in ons hart vreesden.
Bij nadere overweging besloten we echter slechts zoo lang te wachten
tot het schip het anker gelicht had. Dan zouden we--de inwoners in den
waan latende dat we weggereisd waren--trachten een streek te vinden
die onbewoond was en daar het leven trachten te houden, uitziende
naar een vaartuig dat ons redden of misschien daar stranden zou.
Onze koopvaarder bleef nog een veertien dagen op de reede liggen,
daar de herstellingen niet zoo gauw waren aangebracht, als de kapitein
verwacht had, en gedurende dien tijd brachten verschillende leden van
de bemanning ons telkens voedsel, waardoor de inboorlingen zagen dat
wij tot het galjoen behoorden en ons beleefd behandelden. We woonden
in een soort van hut, die we van takken gemaakt hadden en verborgen
ons somtijds 's nachts in het bosch om hen te doen gelooven dat
we vertrokken waren. Intusschen kwam hun ware aard te voorschijn
en begrepen we dat ze alleen vriendelijk waren geweest uit vrees,
doch ons later niet zouden sparen.
Het zien van hun wreedheden maakte mijn kameraden haast waanzinnig van
angst voor het lot dat hen wachtte, en een van hen, een timmerman,
zwom op een nacht naar het schip, hoewel dit toen een mijl in zee
lag--en smeekte zóó dringend te worden opgenomen, dat de kapitein zich
eindelijk, na hem drie uur te hebben laten rondzwemmen, liet vermurwen.
Toen de man eenmaal aan boord was, hield hij niet op bij den
bevelvoerder en alle overige officieren onze voorspraak te zijn,
doch tot den allerlaatsten dag bleef de kap'tein onverbiddelijk, en
toen werkelijk het anker gelicht was en de booten aan dek geheschen
werden, kwam de geheele bemanning nog eenmaal bijeen op 't halfdek,
waar de gezaghebber toen met den eersten stuurman op en neer liep. Den
bootsman werd opgedragen voor ons te spreken. Hij viel voor den
kap'tein op de knieën en bad hem in de nederigste bewoordingen ons
vieren weer aan boord te nemen, voor onze trouw instaande, of ons
anders tot Lissabon gevangen te houden en ons daar aan 't gerecht over
te leveren; alles liever dan ons te laten vermoorden door barbaren
of verscheuren door wilde dieren. Langen tijd gaf de kap'tein geen
antwoord op het verzoek, doch ten slotte liet hij den bootsman vatten
en voor den kaapstander geeselen.
HOOFDSTUK II.
AAN WAL GEZET
Na dit strenge optreden, smeekte een der matrozen, wat stoutmoediger
dan de anderen, den kapitein, nòg eenige mannen aan wal te zetten
om hun kameraads te helpen in hun strijd tegen de wilden, maar 't
mocht niet baten. Geprikkeld door 't verzet dat hij overal om zich
heen voelde, trad de gezagvoerder aan de ballustrade van het halfdek
en sprak de bemanning kalm toe, wel overtuigd dat--had hij een ruwen
toon aangeslagen--zeker twee derde het schip zou hebben verlaten.
"'t Is zoowel in jullie eigen belang als in het mijne," zei hij, "dat
ik tot dezen ernstigen maatregel ben overgegaan. Muiterij aan boord
staat gelijk met verraad in een koninklijk paleis, en ik zou tegenover
de eigenaars van schip en lading niet verantwoord zijn, wanneer
ik menschen aan boord duldde, die er met de misdadigste gedachten
rondloopen. Zelf zou ik hartelijk wenschen, dat ik ze ergens anders
aan wal had kunnen zetten, waar ze een vreedzamer bevolking hadden
getroffen, of dat ik ze aan een rechtbank in een Christenmaatschappij
had kunnen uitleveren. Had ik bepaald hun ongeluk op 't oog gehad,
dan had ik ze, evengoed als de beide anderen, aan boord kunnen
terechtstellen. Jullie ziet, ik geef ze graag een kans, maar ik kan
onmogelijk mijn eigen leven en het behoud van het schip, waarvoor
ik de verantwoordelijkheid draag, in de waagschaal stellen. Mochten
er evenwel onder jullie zijn, die liever het schip verlaten dan hun
plicht te doen, dan geef ik hen hiertoe volle vrijheid, al meen ik dit
niet aan jullie verdiend te hebben. Maar álles liever--zelfs al zou
ik ook alleen aan boord moeten blijven--dan met een troep verraders
onder zeil te gaan, die 't op mijn leven gemunt hebben."
Deze toespraak werd met zooveel overtuiging tot de matrozen gericht
en was op zichzelf zoo redelijk, dat de meesten van hen zich voor
't oogenblik bij de weigering neerlegden. Anderen evenwel staken
de hoofden bijeen en schenen maar niet tot een besluit te kunnen
komen. Tegen den avond--de wind was gaan liggen en de kap'tein had
bevel gegeven pas tegen den morgen het anker te lichten, meldden
zich drie en twintig mannen, waaronder twee timmerlieden en de
chirurgijnsassistent bij den eersten stuurman. Ze verzochten hem den
kapitein mede te deelen, dat ze aan wal gezet wenschten te worden om
daar, zoo noodig met hun kameraads te sterven. Door versterking van hun
aantal vertrouwden ze echter groote kans te hebben zich tegenover de
wilden te handhaven tot zich eindelijk misschien eens een gelegenheid
voor zou doen op 't een of ander schip naar hun vaderland te ontkomen.
Maar de eerste stuurman had geen lust in het "akkevietje."
"Als jullie besloten zijn 't schip te verlaten, raad ik je aan,
morgenochtend heel vroeg de groote sloep te nemen en stiekem naar
land te roeien. Laat een briefje achter, dat jullie de sloep eerlijk
zult afleveren aan de mannen die hij er om zendt. Ik beloof je zoolang
mijn mond te zullen houden."
En zoo gebeurde het.
Een uur voor het aanbreken van den dag, werd de groote sloep gestreken
en scheepten de drie-en-twintig mannen zich in, ruimschoots voorzien
van snaphanen, hartsvangers, pistolen, hellebaarden en pieken, en
met een flinken voorraad kruit en kogels. Veel proviand hadden ze
niet kunnen bemachtigen--enkel een kleine vijftig brooden--maar hun
kisten met kleeren, instrumenten, gereedschappen en boeken werden
alle mee ingeladen, en alles ging zóó stil in zijn werk, dat ze reeds
halverwege de kust waren, eer de kap'tein er iets van bemerkte.
Zoodra hij de vluchtelingen zag verdwijnen, gaf hij den
kanonniersmaat--de kanonnier zelf lag ziek ter kooi--bevel op hen te
schieten, maar tot zijn groote ergernis moest hij hooren, dat de maat
tot de deserteurs behoorde en ze door zijn toedoen allerlei wapens
en ammunitie hadden kunnen meenemen.
Toen, begrijpende dat er niets aan te doen was, nam de kap'tein den
schijn aan alsof 't gebeurde hem onverschillig liet en sprak hij de
overige manschappen wijselijk zeer vriendschappelijk toe.
"Ik verheug me," zei hij, "over den trouw en de bekwaamheid van mijn
overgebleven bemanning en heb besloten, het loon dat de deserteurs
toekwam, onder jullie te verdeelen. Ons schip is nu gelukkig geheel
gezuiverd van dat onbetrouwbare muiterspak, dat naar mijn vaste
overtuiging niet de minste reden had tot ontevredenheid."
Na deze tweede toespraak werd den kapitein de brief overhandigd waarin
de vluchtingen verklaarden niets te hebben meegenomen wat hun eigendom
niet was, behalve eenige wapens en ammunitie, die ze beslist noodig
hadden, zoowel tot zelfverweer als om vogels en andere dieren te dooden
voor hun levensonderhoud. Daar ze evenwel een vrij groote som te goed
hadden aan soldij, meenden ze de meegenomen artikelen daarmee dubbel
en dwars betaald te hebben. De sloep zouden ze uitleveren aan wie hij
wenschte te zenden, zonder eenige poging van hun kant hun vroegere
kameraads tot medeplichtigheid over te halen. Onder aan den brief
verzochten ze den kapitein alleen nog dringend, hun nóg een vaatje
kruit en andere ammunitie te zenden en hun toe te staan den mast en
het zeil van de sloep te houden, om, als ze eens zelf kans mochten
zien een boot te maken, zee te kunnen kiezen, vertrouwende dat hun
gesternte hen in behouden haven zou voeren.
Na lezing van het eerbiedig gestelde geschrift riep de kap'tein de
mannen nog eens op het halfdek bijeen, las den brief voor en sprak:
"Hoewel de deserteurs alle aanspraak op mijn welwillendheid verbeurd
hebben, wensch ik hun lot toch niet noodeloos te verzwaren. Ik ben
dus besloten hun wat meer ammunitie te verstrekken. In plaats van
het eene vat kruit waarom ze verzoeken, zal ik hun er twee zenden,
en verder kogels, lood en kogelvormen naar verhouding. En om jullie
te toonen dat ik geen kwaad met kwaad wensch te vergelden, zal ik
nog een vaatje rum en een zak brood voor hen doen meegeven om hen in
't leven te houden, tot ze zich zelf van voedsel kunnen voorzien."
De bemanning juichte den kap'tein voor zijn edelmoedigheid toe en ieder
van hen zonderde iets van zijn bezittingen voor ons af. Omstreeks drie
uur in den middag kwam de pinas met zijn zoo welkomen inhoud voor
den wal en leverden wij de groote sloep uit. Voorzichtigheidshalve
had de kap'tein wel zorg gedragen enkel zeer beproefde matrozen naar
ons toe te zenden, uit vrees dat anderen zich misschien nog door ons
zouden laten overreden bij ons te blijven, of ons mee terug te nemen,
wat hij ten strengste verboden had.
Met ons zeven-en-twintigen--allen behoorlijk van wapenen
voorzien--vormden we nu een flinken troep, waaronder, tot ons groote
geluk, twee timmerlui, een kanonnier en, wat meer waard was dan al
het andere, een chirurgijn of dokter, dat wil zeggen een assistent
van een geneesheer te Goa, daar door ons aangemonsterd.
De timmerlieden hadden een welvoorziene kist met gereedschappen en
de dokter al zijn instrumenten en medicijnen meegebracht; alles bij
elkaar gerekend, bedroeg onze bagage heel wat, ofschoon enkelen van
ons, waaronder ikzelf, weinig meer bezaten dan de kleeren die ze aan
hun lijf droegen.
Maar ik had toch iets van groote waarde, waarop zij geen van allen
aanspraak konden maken, n.l. de twee-en-twintig gouden moidores, die ik
in Brazilië gestolen had en nog een paar kleinere goudstukken. Alleen
de kleinere goudstukken liet ik zien en één moidore, en geen van mijn
lotgenooten had ook maar het geringste vermoeden van mijn rijkdom,
daar ze mij allen kenden als een arme jongen, die door mijn vroegeren
wreeden meester uit medelijden opgenomen en als een slaaf behandeld
was.
't Is te begrijpen dat wij vieren, die het eerst op het eiland waren
afgezet, meer dan gelukkig waren over de komst der overigen, ofschoon
we eerst vreesden dat ze gezonden zouden zijn om ons terug te halen
en op te hangen.
Het eerste groote nieuws dat ze ons vertelden, nadat ze ons in
't kort het verhaal hadden gedaan van hun goed geslaagde vlucht,
was--dat onze vroegere makker de timmerman veilig en wel aan boord
was aangeland. Toen hij in zijn angst van ons wegliep, hadden we nooit
gedacht dat hij werkelijk het schip zwemmende zou kunnen bereiken. We
geloofden eerder dat hij in de bosschen verdwaald geraakt en nu in
de handen der inboorlingen was gevallen of wel door wilde beesten
verscheurd, beide voorstellingen buitengewoon geschikt om ons met de
grootste zorg voor onze eigen naaste toekomst te vervullen.
Daar we nu, mits we elkaar trouw ter zijde stonden, met onze
bewapening een vrij aanzienlijke macht vormden tegenover de barbaren,
gaven we elkaar plechtig de hand, dat geen van ons zich ooit zou
afscheiden, doch dat we samen zouden leven en sterven; dat we het
wild dat we mochten dooden, eerlijk zouden verdeelen en ons in alle
meeningsverschillen bij het oordeel der meerderheid zouden neerleggen;
dat we een kapitein zouden benoemen, dien we, op straffe des doods,
hadden te gehoorzamen; dat we dit ambt beurtelings zouden vervullen,
maar dat onze aanvoerder het oordeel der anderen moest inroepen en
niet tegen den wensch der meerderheid mocht handelen.
Nadat wij deze regels hadden vastgesteld, besloten wij maatregelen
te treffen voor onze voedselvoorziening en hiertoe verbinding te
zoeken met de inboorlingen. Hoewel ze ons wel van nut waren en
eetbare artikelen wisten te verschaffen, bemoeiden we ons toch niet
meer met hen dan strikt noodzakelijk was, daar we hen als een dom,
ruw, gulzig en wreed menschensoort leerden kennen, erger nog dan
eenig ander onbeschaafd volk, dat we tot nu toe hadden ontmoet. Voor
ons levensonderhoud zouden we wel in hoofdzaak aangewezen zijn op
onze geweren; herten, gevogelte en allerlei wilde dieren waren er
in overvloed.
We ondervonden dat de inboorlingen zich weinig aan ons gelegen lieten
liggen en zich er blijkbaar niet om bekommerden of wij op het eiland
dachten te blijven of niet. Blijkbaar verkeerden ze in het denkbeeld
dat ons schip nog op de reede lag, terwijl het kort nadat de groote
sloep aan boord was geheschen, zee gekozen had en voor goed uit ons
gezicht verdwenen was.
Den volgenden morgen trokken twee van ons in de eene richting, twee in
de andere er op uit om te zien welk soort van terrein we om ons heen
hadden, en al heel gauw kwamen we tot de geruststellende ontdekking,
dat het eiland buitengewoon vruchtbaar was en uitstekend geschikt om
te bewonen. Jammer alleen, dat de wezens die we overal aantroffen,
nauwelijks menschelijk konden genoemd worden.
Op verschillende plaatsen zagen we vee en eetbare waren, maar hoe
goed een en ander ons ook te pas zou zijn gekomen, waagden we het
toch niet er de hand op te leggen, vreezende ons heel de barbaarsche
bevolking tot vijand te maken. Liever gingen wij op het voorstel, van
twee onzer in om te trachten door gebarentaal met de zwarten te spreken
en zoo uit te vorschen, hoe hun gevoelens ten opzichte van ons waren.
Behoorlijk gewapend, togen elf van onze mannen er met dit doel op uit
en kwamen terug met het bericht, dat ze eenige inboorlingen ontmoet
hadden, die zich niet onwillig betoonden, maar schuw en angstig
voor hun geweren waren geweest. Blijkbaar wisten ze dus waarvoor die
vuurwapens dienden.
Toen de onzen door teekenen beduid hadden, dat ze voedsel verlangden,
kwamen ze met kruiden, vruchten, wortels en wat melk aandragen,
die ze evenwel niet van zins waren weg te geven, doch slechts te
verruilen voor iets dat wij hen mochten aanbieden.
Onze mannen stonden een oogenblik verlegen, daar ze niets hadden
meegebracht, maar gelukkig kwam een van hen op den inval hun een mes
voor te houden, en dit wekte zóó sterk hun begeerte, dat ze er hevige
ruzie over kregen. Toen de matroos merkte hoeveel het hun waard was,
besloot hij het ook niet voor een kleinigheid af te staan, liet ze
tegen elkaar opbieden en gaf het ten slotte in ruil voor een geit.
Daarop toonde een der andere matrozen hun ook een mes, en toen ze niets
meer bij zich hadden, goed genoeg om er voor in de plaats te geven,
maakte een der wilden teekenen dat ze iets moois zouden gaan halen,
en na drie uren wachtens, kwamen de zwarten terug met een kleine,
korte, dikke koe, die ze voor het mes inwisselden.
Schijnbaar hadden we dus goede zaken gemaakt, maar ons ongeluk was,
dat we geen kramerijen of andere koopwaar bezaten, want onze messen
waren van even groote waarde voor ons zelf als voor hen, en we zouden
er ook zeker nooit twee hebben weggegeven, als we niet zoo verlegen
waren geweest om voedsel.
Maar na verloop van eenige dagen ondervonden we dat de bosschen
wemelden van wild, 't geen we, zonder hun aanstoot te geven, konden
dooden, zoodat een paar van ons geregeld ter jacht trokken en nooit
met leege handen thuis kwamen.
Verder beraadslaagden we over ons geld, en besloten we al wat we
hadden bijeen te brengen om het zoolang mogelijk te doen strekken. En
toen mijn beurt kwam, haalde ik een moidore te voorschijn en de twee
losse dollars die ik nog rijk was.
Met het goudstuk wilde ik een gunstigen indruk op hen maken en
tegelijk voorkomen dat ze mijn kleeren doorzochten. Mijn toeleg
gelukte volkomen; ze prezen me dat ik zoo eerlijk al wat ik bezat in
de gemeenschappelijke kas stortte.
Ons geld bewees ons echter niet zulke goede diensten als we verwacht
hadden, daar de menschen er gebruik noch waarde van kenden en geen
flauw begrip toonden te bezitten van de meerdere koopkracht van goud
boven zilver. Onze voorraad geld--toch al niet groot--zou dus niet
lang strekken om ons van provisie te voorzien.
Bij een volgende beraadslaging bleken we 't er allen over eens, dat
we moesten trachten zoo spoedig mogelijk van dit verwenschte eiland
weg te komen. Ik had, wat mij betreft, het maken van een plan graag
aan hen overgelaten en was liever de bosschen ingegaan om te jagen,
maar ze wilden mij niet toestaan er alleen op uit te trekken, uit
vrees voor de wilde dieren die het eiland onveilig maakten, zooals
we later tot onze schade zouden ondervinden.
Met een plan tot ontkoming raakten we niet verder dan dat we, onder
leiding van onze twee timmerlieden, zouden trachten een boot te bouwen
en daarmee in zee te gaan, hopende den terugweg naar Goa te vinden,
of ergens anders te landen, vanwaar we Portugal weer zouden kunnen
bereiken.
Al heel spoedig hierna werd met het bouwen van een boot begonnen,
maar het bleek dat onze mannen de moeilijkheden verre hadden
onderschat. Gebrek aan zagen, aan spijkers, pennen en bouten, werk,
pik en teer om de naden te dichten, maakte de onderneming zoo goed
als hopeloos, en na lang en vruchteloos denken en tobben stelde een
der matrozen voor, in plaats van een sloep, liever een kano te maken,
wat veel eenvoudiger zou zijn.
"Maar," merkte een der anderen op "we zouden immers nooit in een kano
den Oceaan kunnen oversteken naar de kust van Malabar! En niet alleen
zouden we er ons niet mee in zee kunnen wagen, maar 't vaartuigje zou
ons ook niet kunnen houden, zeven en twintig man met al onze bagage
en proviand!"
Tegen dit bezwaar viel niet veel in te brengen, en toen ik nu zag dat
ze voor 't oogenblik ten einde raad waren, nam ik de vrijheid--wat
anders mijn gewoonte niet was--met een voorstel voor den dag te komen.
"'t Lijkt me niet onmogelijk," zei ik, "een kano te bouwen, groot en
sterk genoeg voor ons allen, maar Goa of de kust van Malabar zouden we
nooit bereiken, al was 't alleen maar omdat we geen drinkwater genoeg
kunnen meenemen voor zoo'n lange reis. Het avontuur zou stellig op
onzen ondergang uitloopen; 't zou gelijk staan met zelfmoord. Maar
toch ben ik er vóór, een kano te maken."
Hierop vielen er mij een paar in de rede en riepen schamper uit:
"Als je ons niets nieuws hebt te vertellen, had je je mond wel kunnen
houden! Jij vindt de onderneming dus even gevaarlijk als wij. Wat
praat je dan van tòch een kano te willen maken? Dan kunnen we ons de
moeite wel besparen."
"Maar mijn idee is niet," verdedigde ik mij, "om in een kano
te ontsnappen, maar om langs de kust van ons eiland te kruisen,
in afwachting van een grooter vaartuig dat we misschien konden
bemachtigen. Elk volk, hoe barbaarsch ook overigens, bevaart op de
een of andere wijze de zee; als we een ruimere boot veroverd hadden,
konden we ons daar weer verder mee wagen en mogelijk ten slotte een
klein schip overrompelen, dat ons zou brengen waar we maar wilden."
"Een mooi plan!" riep de een spottend, de ander in ernst.
"Ja, ja!" vond een derde (onze kanonnier) "de Engelsche hond heeft
ons een prachtigen raad gegeven, maar hij vergeet één ding, dat hij
ons op die manier allemaal aan de galg brengt. Eerst een boot, daarna
een schip stelen--want daar komt het toch feitelijk op neer--maakt
ons allemaal tot zeeroovers, en het eind van 't lied zal zijn, dat
we alle zeven-en-twintig moeten hangen."
"Goed!" riep een der timmerlui. "Dan maar als zeeroovers! Ik wil
liever de kans loopen als zeeroover gehangen te worden dan hier van
honger om te komen.
"Ja!" vielen de anderen hem bij, "de raad lijkt nog zoo gek niet. Laten
we in ieder geval maar een kano bouwen."
En zoo moest de kanonnier voor de overmacht zwichten. Maar toe we
de vergadering ophieven, kwam hij naar me toe, bestudeerde met de
grootste aandacht mijn handpalmen en toen mijn gezicht, en zei:
"Mijn jongen, neem je in acht; je bent geboren om kwaad te doen en
hebt al heel jong slechte zeerooverspraktijken geleerd. Houd je voor
gewaarschuwd, of je zult een gemeene dief worden!"
"Waar ik nog eenmaal toe komen zal," antwoordde ik lachend, "kan ik
nu nog moeilijk zeggen. Maar in den nood waarin wij nu verkeerden,
zou ik zonder eenig gewetensbezwaar het eerste het beste vaartuig
overmeesteren, dat we mochten ontmoeten. Mijn vurigste wensch is,
dat dit oogenblik niet ver meer af mag zijn en we onze vrijheid
spoedig zullen herkrijgen."
Nauwelijks had ik uitgesproken, of een der mannen die aan den ingang
van onze hut had gestaan, kwam naar ons toe, roepende dat de timmerman,
op een heuvel op den uitkijk, een zeil zag.
In minder dan geen tijd waren we allen den heuvel opgestormd, van
waar de timmerman ons onder heftig armgezwaai bleef toeschreeuwen:
"Een zeil! Een zeil!" Maar al konden we ook allen duidelijk een
schip zien, de afstand was te groot om door eenig signaal zijn
aandacht te trekken. Toch sleepten we een berg hout aan en stookten
een vuur, om zooveel mogelijk rook te maken, doch te vergeefs. Door
een perspectief-kijker, die de kanonnier bij zich droeg, kon hij
waarnemen dat het schip, onbewust van onze aanwezigheid op het eiland,
met volle zeilen--de wind was O.N.O.--naar Kaap de Goede Hoop stevende.
Onze blijdschap was dus al heel gauw in droefheid verkeerd, en om onze
zinnen te verzetten, begonnen we maar onmiddellijk aan onze kano. Hard
werkende en van drie bijlen voorzien, hadden we vier dagen noodig
om een grooten boom, dien we voor ons vaartuig op 't oog hadden,
om te hakken en uit te hollen, en toen we onze eenvoudige boot in
't water hadden gesleept en ze behoorlijk zeeklaar bleek, waren we
even trotsch en gelukkig als we vroeger geweest zouden zijn, wanneer
we een groot oorlogschip tot onze beschikking hadden gehad.
De ruimte van ons vaartuig viel erg mee; behalve dat het ons allen
met gemak herbergde, bleef er voldoende plaats voor heel wat proviand
enz. over, zoodat bij eenigen van ons opnieuw den wensch opkwam,
er den tocht naar Goa mee te ondernemen.
Na ernstige overweging, bleken de bezwaren der watervoorziening,
het gemis van een kompas, het onbeschut blootgesteld zijn aan zon
en regen en aan de overslaande golven echter zóó onoverkomelijk, dat
mijn voorstel ten slotte werd opgevolgd om langs de kust te blijven
kruisen en uit te zien of zich iets voordeed.
Bij de eerste proefvaart, waaraan we allen deelnamen, hadden we
al bijna een nat pak gehaald en er, voor een deel althans, haast
het hachje bij in geschoten. Er stond een vrij hooge zee en ons
vaartuig schommelde zoo en werd zóó heen en en weer geslingerd, dat
we een oogenblik vreesden allen kopje onder te gaan; maar met groote
inspanning gelukte het ons wat meer gang in de kano te brengen,
zoodat ze wat vaster kwam te liggen, en ten slotte kregen we haar
gelukkig weer onder de kust.
Inmiddels geraakten we in steeds grooter moeilijkheden wat onze
voedselvoorziening betrof.
De inboorlingen bleken ons vriendschappelijk genoeg gezind en kwamen
zelfs eens naar ons toe met hun koning of opperhoofd, bij welke
gelegenheid ze een lange, met allerlei versierselen behangen stok of
paal tusschen ons en hen in den grond plantten, 't geen, zooals we
later begrepen, een teeken van vredelievendheid en goeden wil was;
ook sleepten ze vee, gevogelte, vruchten, wortels en allerlei eetbare
waar aan; maar wat hielp ons dat alles, nu wij aan onzen kant niets
bezaten om het mee te koopen of voor iets te ruilen. Hadden we maar
wat kramerijen en versierselen bij ons gehad! Wat vergulde kettingen,
glazen kralen, spiegeltjes of dergelijke prullen, dan zouden we vee
en ander voedsel genoeg hebben kunnen koopen voor een heel leger
of voor de bemanning van een oorlogsvloot, maar voor ons goede geld
konden we geen stuk bemachtigen.
"Laten we ze aanvallen met onze vuurwapens en hun al het vee afnemen,"
stelde ik voor. "Die zwarte kerels zullen hier beter aan den kost
kunnen komen dan wij, en ik ben niet van plan me kalm te laten
doodhongeren."
"Om dan morgen of overmorgen door een leger van tienduizend van die
duivels te worden aangevallen?" vroeg een der matrozen.
Ik moest erkennen dat ik aan dit gevaarlijk gevolg niet gedacht had
en peinsde te vergeefs hoe toch een oplossing te vinden.
"Heb je misschien een vijl onder je rommel?" vroeg opeens een der
matrozen, die vroeger bij een fijn-smid gewerkt had.
"Jawel," antwoordde de timmerman, "maar 't is maar een kleintje."
"Des te beter," zei de smid, en hij liep met hem mee om verschillende
gereedschappen bij elkaar te zoeken.
't Duurde niet lang of onze smid had een vuurtje aangelegd en was
druk aan 't werk om, met behulp van de vijl en een gebroken beitel,
dien hij in 't vuur gloeiend maakte, verschillende geheimzinnige
werktuigjes te fabriceeren. Toen hij met zijn toebereidselen klaar
was, nam hij een paar muntstukjes, sloeg ze met een hamer op een steen
plat tot ze zoo dun waren als papier, ging er toen vogels en andere
dieren van snijden en bevestigde al die figuren ten slotte aan elkaar,
zoodat ze als armbanden en halskettingen dienst konden doen.
Nadat hij in een dag of veertien verscheiden van die kunstige
versierselen had gemaakt, besloten we het resultaat van zijn vernuft
op de proef te stellen; en 't was verrassend de dolle vreugde der
inboorlingen waar te nemen. Voor een dun stukje zilver, in den vorm van
een vogel, kregen we twee koeien, en voor een der onbeholpen koperen
armbanden allerlei eetbare produkten, ter waarde van een paar honderd
gulden. Wat dus in muntvorm niet de geringste waarde voor ons had,
kocht ons, in groote sieraden omgezet, meer dan het honderdvoudige van
't geen we er in een beschaafd land voor zouden hebben gekregen.
Op deze wijze leefden we langer dan een jaar, waarin de gedachte aan
een mogelijkheid ter ontkoming ons nooit losliet. Inmiddels hadden
we ons van drie flinke kano's voorzien, en daar de wind bijna overal
op het eiland zes maanden in de eene en de overige zes maanden in de
tegenovergestelde richting blies, leek het ons niet onmogelijk met
onze lichte vaartuigen een langen tocht te ondernemen. Hoe dikwijls
het avontuurlijke plan echter ook gewikt en gewogen werd, steeds
stuitte het af op de moeilijkheid, het zoo'n ontzaglijk langen tijd
als waarschijnlijk noodig zou blijken, zonder drinkwater uit te houden.
Eindelijk overtuigd dat dit groote plan onuitvoerbaar was, zetten we
het ons uit het hoofd en begonnen twee andere kansen te overwegen;
de een was, in de andere richting, dus naar 't westen, te varen en
te trachten Kaap de Goede Hoop te bereiken, waar we wel spoedig een
Portugeesch schip zouden treffen, of te trachten naar 't vasteland
van Afrika over te steken en dan te land of te water naar de Roode
Zee te reizen, waar een schip van de een of andere natie ons stellig
wel gauw zou oppikken. Misschien ook, konden wij hén inpikken, een
denkbeeld dat mij steeds door den geest bleef spoken.
Onze knappe "zilversmid," zooals we hem voortaan noemden, kwam met
het Roode Zee-plan voor den dag, maar de kanonnier zei: "Ik ben
eens van mijn leven met een sloep in de Roode Zee geweest en kan er
dus een beetje over meepraten. Als jullie daarheen koerst, kun je
je testament wel maken, want je wordt er vast en zeker óf door de
Arabieren vermoord, óf tot slaven gemaakt door de Turken."
"Wat 'hoeven we te denken," bracht ik hierop in 't midden, "aan
vermoord worden of aan slavernij? Zijn we dan niet in staat om bijna
elk vaartuig dat we in die zeeën mochten ontmoeten, aan boord te
klampen? In plaats dat zij ons nemen, nemen wij hen!"
"Flink zoo, zeeroover," zei lachend de kanonnier, die mijn toekomst zoo
donker had ingezien. "Dát moet ik je ten minste tot je eer nageven,
dat je voet bij stuk houdt. En wat mijn bezwaren betreft, ik moet
erkennen dat ons geen andere weg overblijft."
Na nog wat heen en weer gepraat, besloten ze mijn raad op te volgen:
kruisen en op den uitkijk blijven.
"In de allereerste plaats," zei ik, "is te onderzoeken of onze
eilandbewoners betere vaartuigen bezitten dan wij, en zoo ja, er hun
een afnemen. Misschien lukt het ons wel er een met een behoorlijk
zeil en een dek te bemachtigen."
Tot ons geluk bevond zich onder ons troepje ook een koksmaat, die een
heel eenvoudige manier bedacht om vleesch te conserveeren, zonder vat
of pekel. Hij behandelde het in de zon met salpeter, dat in overvloed
op het eiland te vinden was. Eer we nog een middel ter ontkoming
hadden uitgedacht, was onze vleeschvoorraad al gestegen tot zes of
zeven koeien en tien of twaalf geiten, en dit geprepareerde vleesch
was zóó smakelijk, dat we meestal niet eens de moeite namen het voor
't gebruik te koken, maar het even roosterden, of maar eenvoudig zoo
droog aten. Onze allergrootste moeilijkheid bleef het drinkwater,
vooral omdat we geen vat hadden om het in te bewaren en op zee mee
te nemen.
Daar onze eerste reis zich evenwel niet verder dan langs de kust van
't eiland zou uitstrekken, besloten we den tocht te ondernemen, wat
de gevolgen ook mochten zijn; en om ons zooveel mogelijk voor dorst
te vrijwaren, had de timmerman middenin een der kano's een soort
van bak gemaakt en dit middenstuk afgedekt, zoodat we er overheen
konden loopen. De zorgvuldig dicht gemaakt ruimte was zoo groot, dat
ze ongeveer een okshoofd water kon bevatten. Ik kan deze vergaarbak
niet beter vergelijken dan bij de bun waarin de visscherspinken hun
visschen bewaren, behalve natuurlijk dat ons reservoir geen gaten
in den bodem had om het zeewater binnen te laten, doch integendeel
geheel waterdicht gemaakt was.
Na al de voorafgaande besprekingen, kon de reis gauw genoeg ondernomen
worden. Daar ons doel was langs de kust te varen, in de hoop een
geschikt vaartuig machtig te worden, om er de zee mee over te steken,
leek het ons 't verstandigste aan de westkust van het eiland te
blijven, tot aan het punt waar dit zich in noordwestelijke richting,
tot vrij dicht naar de kust van Afrika, uitstrekt.