IX

1881.--Het is heden de eerste Januari. Wij wenschen elkander een

gelukkig nieuwjaar, maar wij zijn niet feestelijk gestemd, want

onwillekeurig denken wij aan onze betrekkingen en vrienden daar ginds,

verre, verre weg, die sedert vele maanden niets van ons vernomen

hebben, evenmin als wij iets van hen.

Lejanne begint zijn dag met het portret te maken van een jong

meisje. De vader, wiens toestemming met een stuk van vier _reales_

is gekocht, slaat met geopenden mond aandachtig den arbeid gade. Hij

staat verstomd over de gelijkenis, die dan ook inderdaad treffend is.

Bij deze Indianen staan de oogen dikwijls min of meer schuin. Hun

romp is forsch en breed gebouwd; hunne beenen zijn mager en staan

krom; de wangbeenderen steken vooruit. Maar wanneer zij, naar

europeesche wijze gekleed, door onze straten wandelden, zou ieder

hen waarschijnlijk voor bewoners van oostelijk Azië aanzien. Zij

gelijken in niets op die fantastische Indianen, wier afbeeldingen

ik zoo vaak in geïllustreerde werken heb aangetroffen en die dan ook

nergens bestaan dan in de verbeelding van den teekenaar.

Bij de Guahibos bestaat de gewoonte, om bij zonsopgang uit hunne hutten

te voorschijn te treden, voorzien met eene soort van pansfluit, en dan,

op dat instrument blazende, een ommegang om het dorp te houden. Is

dit eene hulde aan de zon, en vereeren zij die als hunne godheid?

De kapitein brengt mij bij de gebeeldhouwde rotsen. Onder weg bemerk

ik dat hij om den hals een stuk rotskristal draagt, dat in de holle

tand van een kaaiman is geweest; zulk een halssieraad draagt den naam

van guanare. Met behulp van deze guanares trachten de Guahibos hunne

gehate naburen, de Piaroas, te betooveren en hun allerlei kwalen en

rampen op den hals te halen. Hoe vele geslachten hebben niet aan dit

stuk kristal gearbeid, om het aldus als een brillant te bewerken en

te slijpen! Welke is wel de waarde van dit voorwerp, dat alleen door

de wetenschap en de bekwaamheid van machtige toovenaars tot zoodanigen

staat van volkomenheid kan zijn gebracht?

De arme onwetende Indianen vermoeden zelfs niet, dat er voor

onze glaswerkers maar een arbeid van weinige uren noodig is om de

schoonste scheppingen der natuur op verwonderlijk getrouwe wijze na

te bootsen; en evenmin dat deze kristallen, welke in zoo hooge mate

hunne verbazing opwekken, op meer dan één punt in de ingewanden der

aarde worden aangetroffen. Elk stuk mineraal, dat in zijne gedaante en

zijne omtrekken zekere regelmatigheid vertoont, is in hunne schatting

het werk van geesten of van toovenaars.

Een uur na Lejanne kwam ik te Maypoures. Wij gebruiken het ontbijt

en gaan daarop aan boord van onze prauw om de watervallen te

passeeren. Bij twee van deze vallen of stroomversnellingen gaat dit

zonder bezwaar; bij den derden, den val van Sardinel, moet de bagage

worden ontscheept en over land vervoerd. Een uit Brazilië gevluchte

neger, Sylvester genaamd, heeft zich hier als veerman neergezet. Hij

voert de vaartuigen, die van boven of van beneden komen over den val,

en belast zich ook met het vervoer der bagage over land. Wij gaan naar

zijne hut om eene overeenkomst met hem te sluiten. Nadat wij het over

de voorwaarden eens waren geworden spreken wij hem bij toeval over

het curare.--"Mijne vrouw weet daar alles van", zegt hij. "Zij is de

dochter van een toovenaar uit den stam der Piaroas en heeft dikwerf

haar vader geholpen om dit vergif te bereiden."

Juist terwijl hij dit zeide trad de vrouw de hut binnen. Wij halen

uit onze prauw de kalebas met curare, die wij in den omtrek van

San-Fernando gekocht hebben. Volgens haar, is dit niet het "curare

fuerte" van de Piaroas. Zij kan daarvan het bewijs leveren, want op

den boschrijken heuvel in de nabijheid der hut is de echte curare

te vinden.

"Volg mij," zegt zij tot mij.

Weldra komen wij bij een braaknotenboom, waarvan de bladeren en

de jonge twijgen met roodachtige haren zijn bezet.--Dit is de

"curare fuerte". Professor Planchon, die de door ons medegebrachte

exemplaren heeft onderzocht, houdt de bladeren en twijgen voor die

van de _strygnos toxifera._--Men raspt de schors van deze liano en

laat die gedurende eenige uren in het water koken en vervolgens het

vocht door eene zeer fijne zeef loopen; het aldus gefiltreerde vocht

verdikt zich en wordt daarna uitgeperst. Het aldus verkregen vocht

wordt in kalebassen van tien duim in doorsnede bewaard. Men doopt de

punten der pijlen eens of meermalen in dit vocht, dat in de kalebassen

spoedig opdroogt en dan het voorkomen van drop aanneemt. Dit curare

is een zeer sterk vergift. Al de Piaroa-Indianen, wien wij later onze

twijgen lieten zien, erkenden daarin aanstonds het echte curare.

Sylvester weet ook dat in den omtrek Piaroa-Indianen begraven

liggen. Hij wil, natuurlijk tegen betaling, mij behulpzaam zijn om mij

hunne geraamten te bezorgen. Morgen, bij het aanbreken van den dag,

zullen wij op die expeditie uitgaan. Lejanne zal eene schets maken

van den waterval van Sardinel; Mirabal, meer gewoon met Indianen om

te gaan, zal voor het vervoer der bagage zorgen.

Dit eenmaal afgesproken zijnde, keeren wij naar den anderen oever

terug. Onderweg hebben wij met geweldige draaikolken en stroomingen

te worstelen. Somwijlen wordt onze kano, als die onweerstaanbare

stroomingen haar van ter zijde aanvallen, als eene veer op de

golven medegevoerd. De schipper heeft al zijne bekwaamheid en al

zijne tegenwoordigheid van geest noodig om te beletten dat het

broze vaartuig omkantelt of medegesleept wordt naar den bruisenden

waterval van Sardinel. Ter wederzijde liggen groote kaimans op de

loer, uitziende naar de visschen en andere dieren, die met den snel

voortschietenden stroom worden medegevoerd. Wij brengen onze bagage

aan den anderen oever aan land, en vinden daar een Spanjaard, don

Pedro genaamd, die na eerst in La Plata, vervolgens in Brazilië te

hebben gewoond, zich eindelijk te Atures heeft nedergezet. Hij is

op weg naar la Urbana, met een lading maniokmeel, dat hij van de

Indianen van de Vichada gekocht heeft. Het was deze don Pedro, die

bij de Guahibo-Indianen tien manden maniokmeel betaalde met de stop

van een karaf. Maar in onze positie kunnen wij niet kieskeurig zijn:

van iedereen kunnen wij nuttige inlichtingen inwinnen.

Wij deelen ons maal met dit heerschap, voor wien wij zeer weinig

sympathie gevoelen, en bieden hem koffie en sigaren aan. Dan leggen

wij ons rustig in onze hangmatten, die heen en weer worden geslingerd

door den sterken wind, wiens koude adem ons reeds voor den morgenstond

doet ontwaken.

2 Januari.--Terwijl de heer Mirabal onze bagage door Indianen laat

vervoeren, Lejanne den waterval van Sardinel uitteekent en eenden

schiet voor ons middagmaal, ga ik, met Sylvester als gids, eene lange

wandeling ondernemen. Eerst tegen vier uren kom ik terug, vermoeid

van onzen tocht over naakte rotsen, in de brandende zon. Maar ik acht

mijne moeite rijkelijk beloond, want wij brengen een ongeschonden

geraamte mede. Ik vond mijne makkers aan den oever beneden den val,

bij eene soort van natuurlijke grot, die eene veilige schuilplaats

aanbiedt. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich eene kleine

inham, waar de prauwen kunnen aanleggen. De kaimans zijn hier nog

zeer talrijk. Wee den reiziger, wiens prauw hier omkantelde: hij zou

onfeilbaar den dood in de golven vinden.

Wij strekken ons op den oever uit, want buiten het water hebben wij

van de kaimans niets te duchten. Maar de wind steekt op en waait ons

het zand in het gelaat; wij zijn nu wel gedwongen op de rotsen te

gaan slapen.

3 Januari.--Don Pedro vaart met zijne prauw voor ons uit. Deze zeer

lange en zeer smalle prauw komt ons tamelijk gevaarlijk voor: daar de

bagage slecht is verdeeld en slordig vastgemaakt, is er groote kans

dat het vaartuig kantelt. Don Pedro, zijn stuurman Agapito en de twee

Indianen in de prauw deelen onze beduchtheid volstrekt niet. Zij moeten

nog een kleinen val passeeren. Daar halen wij hen in. Zij hebben hunne

bagage ontladen om de prauw over den val heen te krijgen. Apatoe is

van meening dat dit voor ons niet noodig is, en in twee minuten heeft

onze geladen prauw den waterval doorsneden. Wij waren zelven aan wal

gegaan en konden nu weer in ons vaartuig stappen; maar wij wachten

tot ook don Pedro de reis kon hervatten--en dat was zijn geluk.

Wij vertrekken te zamen. Het water is zeer woelig: de rivier, bij

den waterval tusschen de rotsen saamgeperst, is nog niet tot hare

gewone kalmte teruggekeerd, maar klotst en golft en maakt allerlei

bewegingen. Onze prauw houdt het midden van den stroom en wordt door

de golven gedragen. De Spanjaard is niet geheel zeker van zijn zaak

en poogt den rechter oever te bereiken: zijn vaartuig wordt door de

branding in de flank gegrepen en slaat op tweehonderd meter van den

oever om. Wij hooren om hulp roepen, en zien de schipbreukelingen,

die zich aan de omgekeerde prauw vastklemmen en door het woelige water

op en neer worden geslingerd. Wij zetten aanstonds koers naar de plek

des ongeluks; onze Indianen roeien uit alle macht. Deze vaart tegen

stroom is gansch niet zonder gevaar: onze prauw wordt duchtig heen

en weer geschud en schept telkens water. Eindelijk komen wij bij de

schipbreukelingen. De manden met maniokmeel dansen om ons heen op

de golven. Wij nemen don Pedro bij ons aan boord. Apatoe grijpt de

omgekantelde kano, keert haar weer om, en laat, door ze heen en weer

te wiegelen, het achtergebleven water wegvloeien. Een der Indianen

klautert nu in de boot en ledigt haar verder met eene groote kalebas;

inmiddels visschen de andere Indianen de manden met meel op, die wij

aan land brengen. Kort daarop bereiken de schipbreukelingen behouden

den oever. De schipper Agapito is er het ergste aan toe: hij had een

kist met messen, bijlen, hakmessen enz. aan boord, die natuurlijk

als een steen gezonken is. Het maniokmeel, zorgvuldig in palmbladen

gewikkeld, heeft niet geleden.

De oever, waar wij aan land zijn gegaan, is zeer steil; het zand

is op verschillende plaatsen omgewoeld. De kaimans hebben er diepe

in kuilen gegraven; in een daarvan vinden wij vijf-en-veertig

eieren. Deze eieren zijn zeer langwerpig van gedaante en grooter

dan eendeneieren. Lejanne, met een roeispaan gewapend, slaat al die

eieren, waaruit vijf-en-veertig krokodillen te voorschijn moeten komen,

stuk; terwijl hij daarmede bezig is, bespeuren wij nabij den oever de

wijfjes-krokodil, die onbewegelijk deze slachting van haar aanstaand

kroost aanschouwt. Haar onbewegelijk starende oogen hebben eene

onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en jagen mij eene huivering

door de leden. Gelukkig zijn de schipbreukelingen in veiligheid!

We slaan tegen den avond ons kamp op op eene groote rots, die met

zachte glooiing in de rivier afdaalt. Langs de beide oevers van den

Orinoco vindt men van afstand tot afstand dergelijke reusachtige

rotsen, _lajas_ genoemd, waar de reizigers in den regel hun bivak

opslaan, bij gebrek aan zandbanken, die, zoo zij minder hard zijn,

in dezen tijd des jaars althans weer onder andere opzichten minder

geriefelijk zijn. Immers, ge hebt dan voortdurend last van het zand,

dat de vrij sterke nachtwind u onophoudelijk in het gezicht waait en

waaronder ge bijna bedolven wordt.

In den namiddag heeft Lejanne een zwarten ibis geschoten. Dat is een

schraal hapje, want als die vogel geplukt is, is hij niet veel grooter

dan een fiksche manshand. Daarom gaat Lejanne nu nog eens met Apatoe

op de jacht, om te trachten iets voor ons diner te vinden. Zij keeren

terug met eene eend en twee agoutis. Terwijl ons diner wordt gereed

gemaakt, wordt onze aandacht getrokken door een dof geluid, dat zich

met zeer korte tusschenpoozen herhaald, en dat nu eens van de rivier,

dan weer van onder de rots schijnt te komen. Onze Indianen meenen

dat dit geluid door een visch wordt veroorzaakt; ik zou het er eer

voor houden, dat het veroorzaakt wordt door het water, dat in eene

onzichtbare spleet van de rots doordringt.

4 Januari.--Wij gaan reeds vroegtijdig op weg: omstreeks elf uur

zijn we in de onmiddellijke nabijheid van Atures. De loodrechte

en zeer hooge linker oever vormt een lange geelachtige, bank, met

donkere strepen getijgerd. Midden in de rivier verheft zich een rond

eiland, dat aan een versterkt kasteel doet denken, en waarop weleer

het klooster der Jezuïeten van Atures stond. Om half twaalf loopen

we de dusgenoemde haven binnen, op korten afstand van den eersten val.

Terwijl ik eene meteorologische waarneming doe, bespeuren mijne

reisgezellen, die onder den lommer der naburige boomen op mij wachten,

eene prauw, waarin drie vrouwen gezeten zijn, wier jurken--wel

louter toevallig--de drie kleuren vertoonen van de nationale vlag

van Venezuela: geel, rood en blauw. Zij stappen in onze nabijheid

aan land. Wij reiken haar de hand en groeten haar naar indiaansche

wijze. Zij zijn nog jong en zien er niet onaardig uit; het prachtige

zwarte hair golft vrij langs nek en schouders. Zij slaan onmiddellijk

den weg naar het dorp in; eenige oogenblikken daarna begeven wij ons

ook derwaarts. Het pad loopt door eene savane, met granietblokken

bezaaid.

Geen enkele boom beschermt ons met zijn schaduw tegen de felle

zonnestralen op den twee kilometers langen weg, die ons van het

dorp scheidt. Dit dorp bestaat uit acht hutten, met inbegrip van

de kerk en van de dusgenoemde _casa real_. Het eenige wat de kerk

van de andere hutten onderscheidt, is de klok die aan een balk voor

de deur hangt. De casa real is ter beschikking van de reizigers en

gelijkt op alle andere hutten: wanden of muren van pisé en een dak

van palmbladeren. Het geheele ameublement bestaat uit krammen, die

in den muur geslagen zijn om de hangmatten daaraan vast te maken.

Even na onze aankomst krijgt François opnieuw een hevigen aanval van

koorts, waaraan hij in den laatsten tijd telkens lijdende is. Wij

maken het hem zoo gemakkelijk mogelijk, en begeven ons vervolgens

naar den kapitein of hoofdman van het dorp. Deze kapitein is een vrij

bejaard man van den stam der Atchagua-Indianen, terwijl de mannen,

waaruit zijn pueblo bestaat, Guahibos zijn. Ik weet niet, door welk

een samenloop van omstandigheden de Atchagua Agostino hun hoofdman

geworden is; zijne moeder behoorde tot den stam der Atchaguas en

zijn vader tot dien der Guahibos, maar het kind behoort altijd tot

den stam zijner moeder.--De bewoners van Atures zijn katholiek en

zoogenaamd beschaafd. Ongelukkig sterven zij langzamerhand uit, en

zullen weldra geen voldoend aantal manschappen meer kunnen leveren

voor het vervoer der bagage. "Al mijne mannen sterven", zegt de

kapitein op weemoedigen toon. Zijne vrouw is ziek: sedert drie dagen

heeft zij de _calentura_. Ik onderzoek haar en bevind dat zij aan

longaandoening lijdt; ik deel den kapitein mede dat ik geneesheer

ben en dat ik zijne vrouw zal behandelen. Hij antwoordt, dat hij mij

daarvoor zeer dankbaar zal zijn. Toch geloof ik, dat hij liever de

hulp zou inroepen van een of anderen indiaanschen toovenaar, want

deze arme lieden zijn wel in naam katholiek, maar hebben metterdaad

nog een goed deel van hunne vroegere bijgeloovigheid behouden.

Men had mij te San-Fernando verteld, dat zich te Atures eenige _cuevas_

of indiaansche knekelhuizen bevinden en dat de kapitein daarvan

weet. Ik vraag hem dus, of hij mij zou willen behulpzaam zijn om die

cuevas te zien: het is hem bekend, dat er zich op twee verschillende

plaatsen bevinden. Wij zouden nog heden de naast bijgelegenen kunnen

bezoeken. Vol vreugde neem ik dit voorstel aan, en beloof hem eene

goede belooning, als hij mij wil helpen om eenige schedels machtig te

worden; ik deel hem tevens mede met welke bedoeling ik dat verzoek doe,

waardoor zijne aanvankelijke bezwaren uit den weg worden geruimd.

Wij begeven ons aanstonds op weg, vergezeld door den zoon van

den kapitein en door Apatoe. Wij gaan door eene savane, steken

dan een arm van de rivier over en gaan aan land op een eilandje,

dat den naam draagt van Cucurital. Achter eene rij boomen en

hoog struikgewas verborgen, ligt een soort van natuurlijke grot,

door eene opeenstapeling van geweldige rotsblokken gevormd. Wij

klauteren naar den lagen ingang der grot en vinden daar een menigte

potten van verschillende vormen, die elk een schedel van een Indiaan

bevatten. Andere schedels en beenderen zijn eenvoudig in palmbladeren

gewikkeld: zij zijn van de Guahibos afkomstig. Ik leg een vijftiental

van de mooiste schedels ter zijde, en neem mij voor met Lejanne terug

te keeren om een nieuwen voorraad op te doen.

Wij keeren naar het dorp terug en nemen afscheid van elkander, na

vooraf de afspraak gemaakt te hebben, dat wij morgen de andere cuevas

zullen gaan zien.

5 Januari.--Ten zeven uren 's morgens gaan wij op weg. Wij hebben

eene zeer lange en zeer vermoeiende wandeling te doen, eer wij

den granietberg bereiken, waarin de cuevas zich bevinden. Daar

gekomen, stuiten wij op een schier onoverkomelijk bezwaar. Een

zeer steil pad, nauwelijks een el breed en zeer glibberig, voert

naar de grotten. Dit pad loopt op eene aanzienlijke hoogte langs

den loodrechten bergwand. De minste misstap zou ons in den afgrond

doen nederstorten. Met snellen stap loop ik zonder ongeval het pad

af en kom aan de eerste grot, waar ik dezelfde voorwerpen vind als

op het eiland Cucurital. Van een bezoek aan de tweede grot moet ik

afzien. Toen ik mij gereed maakte om terug te keeren, werd ik door eene

duizeling overvallen: ik moest gedurende eenige oogenblikken mijne

oogen sluiten, en kon eerst toen naar beneden dalen. De kapitein had

slechts eens in zijn leven, toen hij nog een kind was, deze grotten

bezocht. Den indruk, dien dit tweede bezoek op hem maakte, vatte hij

saam in de woorden: "Afschuwelijk! Ik kom hier nooit weer dan dood!"

In het dorp teruggekeerd, verneem ik dat de Indianen heden avond zullen

dansen. Natuurlijk zullen wij bij dat feest tegenwoordig zijn. Na

afloop van het middagmaal begeven wij ons met den heer Mirabal naar de

hut, waar het bal gegeven wordt. Het orkest bestaat uit eene mandoline,

een halter met holle ballen waarin harde zaadkorrels zijn en dien

men op de maat heen en weer beweegt, en eindelijk uit een jongen die

beurtelings zingt en fluit. De dames hebben haar mooiste en kleurigste

japonnen aangetrokken: maar deze sterk sprekende kleuren hinderen

niet bij de kaneelkleurige huid dezer dames, Zij dragen bottines en

versieren zich met reusachtige juweelen. De mannen zijn gekleed met

een strooien hoed, een linnen broek en een loshangend hemd; zij zijn

barrevoets. Daar de heeren in de minderheid zijn, dansen de dames

met elkander. Blijkbaar hebben allen buitengewoon veel schik.

De kapitein neemt geen deel aan deze wereldsche vermaken, die niet

meer aan zijn leeftijd passen. Als een echte patriarch overweegt

hij, terwijl zijne onderdanen zich vermaken, de belangen van den

kleinen staat, waarvoor hij te zorgen heeft. Het dorpje vormt een

vierkant, dat aan de eene zijde open ligt. Langs de hutten loopt

eene breede straat, maar het midden van het vierkant is met hoog

gras begroeid; welk gras nu is verdord. Het oogenblik is gekomen

om het te verbranden. De wind blaast juist naar de open zijde van

het vierkant. De daken zijn afgekoeld en door den dauw min of meer

bevochtigd: de omstandigheden zijn dus zoo gunstig mogelijk. Met een

harsachtigen fakkel gewapend, steekt de kapitein aan de windzijde

het gras in brand. De vlammen verspreiden zich met groote snelheid:

het is eene prachtige illuminatie, die ons het bal doet vergeten.

X

6 Januari.--Francois heeft nog altijd koorts, hetgeen ons noopt ons

vertrek tot morgen uit te stellen. Wij maken van dezen dag oponthoud

gebruik om met ons drieën, Lejanne, Apatoe en ik, nog eens naar de

cueva van het eiland Cucurital te gaan, waar wij een nieuwen voorraad

van anthropologische dokumenten opdoen. Lejanne maakt eene schets van

de cueva en helpt mij de exemplaren te nummeren, terwijl Apatoe de

wacht houdt. Wij verstoppen onzen buit in de struiken langs den oever,

waar wij dien morgen, als wij daar langs varen, zullen wegnemen. Zoo

zal niemand in het dorp, met uitzondering van den kapitein, kunnen

bevroeden welke lading wij eigenlijk aan boord hebben. Men zal

gemakkelijk begrijpen dat wij er het hoogste belang bij hebben, dat

de zaak niet uitlekt. Wij zijn uiterst tevreden over het welslagen

van onze reis, en houden ons overtuigd, dat wat wij nu nog verder te

doen hebben geen bezwaar meer zal opleveren: over drie dagen zullen

wij te Santa-Barbara zijn en in de beschaafde wereld terugkeeren.

7 Januari.--De prauw zal te zwaar beladen zijn om de watervallen

te passeeren. Twee van ons willen zich over land naar het haventje

beneden den val begeven. De afstand van Atures naar dat haventje

bedraagt zes kilometers; de weg loopt door eene uitgestrekte savane,

welke door de rivier Cananeapo doorsneden wordt. Deze rivier heeft

eene breedte van vijf-en-dertig el: er bestaat plan om eene brug over

haar te bouwen. Nadat wij de noodige schikkingen hadden gemaakt, namen

wij afscheid van den heer Mirabal, die nog eenigen tijd hier blijven

moet om te wachten op Indianen, die hem koopwaren moeten leveren. Wij

danken hem voor zijne onveranderlijke en voorkomende vriendelijkheid

jegens ons, voor de vele kleine diensten, die hij ons bewezen heeft;

daarna gaat ieder zijns weegs.

Twee uren later bevinden wij ons aan het haventje beneden den val. Wij

moeten nu nog een val passeeren. Even boven dezen val leggen wij

tegen den linker oever aan, nadat wij ons gelukkig door zeer sterke en

zeer gevaarlijke kolken hadden heengeworsteld. Onze stuurman is zeer

bekwaam in zijn vak en volkomen bekend met dit lastige vaarwater. Wij

moeten nu de bagage ontladen en die, even als de prauw zelve, over

land vervoeren. Gedurende die operatie gebruiken wij ons ontbijt in

eene soort van grot of spelonk tusschen de rotsen. Groote zwermen

van vleermuizen hebben zich in de kloven en spleten genesteld; zij

schreeuwen en piepen als jonge ratten. Behalve de schaduw, hebben

wij in de grot ook nog een weinig koelte, dank zij een tochtje dat

door eene onzichtbare spleet dringt: het een zoowel als het ander

is eene onwaardeerbare weldaad te midden van deze zwarte rotsen,

waarvan de zonnestralen brandend terugkaatsen. De dag is reeds half

verstreken, eer wij den tocht hervatten kunnen. Wij kampeeren dien

avond op een rots.

9 Januari.--Wij begeven ons reeds vroegtijdig op weg; maar helaas! met

zonsopgang is ook de wind opgestoken, en naar mate wij de rivier

afzakken, neemt die wind al meer en meer in hevigheid toe. De rivier

is breed en woelig: het water golft als eene onrustige zee. Sedert

twee uren bespeuren wij de monding van de Meta, maar het is ons

niet mogelijk die te bereiken. Wij houden ons aan den rechter oever,

die door eene vrij breede zandbank is omzoomd, waarop wij aan land

stappen om te ontbijten.

Omstreeks een uur gaan wij weder scheep; eindelijk varen wij voorbij

den mond van de Meta; nu gaat het beter tot vijf uren. Nog voor het

vallen van den avond komen wij bij Caribeni; de bedding van de rivier

is bezaaid met eilandjes, rotsen en zandplaten; op een dezer laatsten

gaan wij aan land. Apatoe en de Indianen trachten te vergeefs met

hunne pijlen eenige visschen te vangen, terwijl Lejanne eene schets

maakt van het eiland, waar wij den nacht zullen doorbrengen en dat

vroeger door blanken werd bewoond. Thans zijn er echter geen sporen

meer van hun verblijf te vinden. Weldra bereiken wij dat eilandje,

hetwelk den naam draagt van Caribeni en dat uit zand, klei en graniet

is gevormd; het verheft zich twaalf el boven den tegenwoordigen

waterstand. Gedeeltelijk is het eiland met struiken en kreupelhout

begroeid; elders verheffen zich groote boomen, die hunne takken

over den kalen grond uitspreiden: deze plek is uitnemend geschikt

om er ons nachtleger op te slaan. Voor ons hebben wij de met rotsen

bezaaide rivier; verder, eene met boomen bedekte vlakte; nog verder,

eene keten van rotsachtige bergen, die door de stralen der ondergaande

zon met violette tinten worden gekleurd. De licht-grijze rook wolkjes

van drie vuren steken aardig af tegen den donkeren achtergrond van

het geboomte en de bergen.

Deze vuren wijzen het bivak aan van lieden, die zich bezig houden met

het opsporen van sarrapia of zoogenaamde tonkaboontjes, waarin een vrij

levendige handel gedreven wordt. De boomen waaraan deze bonen groeien,

staan in het wild door het woud verspreid; ik geloof niet, dat tot

dusverre iemand op de gedachte is gekomen, ze regelmatig aan te planten

en te kweeken. Toch zou zoodanige plantage waarschijnlijk genoeg

voordeel opleveren: in ieder geval ware de proef te nemen. Een enkele

boom kan vijf-en-twintig pond bonen opleveren; in den loop van dit jaar

werd een pond bonen te Bolivar voor tien francs verkocht. Telken jare

gaan een aantal menschen de bosschen in om deze bonen in te zamelen. De

eigenlijke vrucht is besloten in eene vleezige schil of peul, die in

de maanden Februari en Maart, vóór den regentijd, van zelf afvalt. De

sarrapia wordt met name naar Noord-Amerika verzonden, waar zij voor

parfumerie wordt gebruikt en ook als surrogaat voor kinine.

Na het middagmaal strekken wij ons in onze hangmatten uit; het is een

heldere maneschijn. Wij zien eene rosse rookwolk aan den voet der

bergen en twee hoog opvlammende vuren tegen hunne hellingen. Maar

de muskieten maken het ons zoo lastig, dat wij onze hangmatten

moeten verlaten; want wij hebben verzuimd, onze muskietenschermen

mede te nemen. Wij haasten ons dat verzuim te herstellen en zijn nu

veilig. Lejanne, die het touw van zijn scherm verloren heeft, moet

op den steenachtigen grond slapen.

10 Januari--Wij hadden eene vrij voorspoedige vaart tot omstreeks den

middag, maar hebben, uit hoofde van tegenwind een grooten omweg moeten

maken. Deze tijd des jaars is blijkbaar niet geschikt voor de reis

naar Bolivar. De beste tijd is in de maand Augustus; dan is het water

hoog, er gaat een fiksche stroom, en men heeft geen tegenwind. Wij

steken de rivier, die vrij onstuimig is, dwars over, en leggen stil

aan den voet van een kalen granietberg, die loodrecht aan den rechter

oever opstijgt. Even als alle dergelijke rotsen, welke wij tot dusver

ontmoet hebben, is ook deze doorboord met ronde, tamelijk ondiepe

gaten: men zou zeggen, de gaten van reusachtige kanonkogels. De

verschillende waterstanden der rivier hebben zich met lichtkleurige

strepen op den roodachtig bruinen rotswand afgeteekend: de hoogste

stand is ruim twaalf meter boven het tegenwoordige peil verheven. De

rivier is op deze plaats ter wederzijde omzoomd door granietrotsen;

hare breedte bedraagt niet veel meer dan een kilometer. Maar de massa

water, die zij afvoert, is zeer aanzienlijk.

Terwijl men ons ontbijt in gereedheid brengt, neem ik den stand der zon

waar: middelerwijl raadpleegt Lejanne, die nog in de prauw gebleven is,

zijne instrumenten. Juist was hij met zijn thermometer bezig, toen

Apatoe hem toeriep: "Een kaiman!"--Hij springt haastig aan land en

jaagt daardoor het afschuwelijke dier weg, dat nauwelijks een el van

de prauw verwijderd zijn kop uit het water hief, maar nu in de diepte

verdwijnt. Lejanne en de kaiman hadden elkander wederkeerig een schrik

op het lijf gejaagd. Apatoe, met eene pijl gewapend, doorzocht de

gaten, eerst onlangs door iguanen in den zandigen oever gemaakt. Niet

zonder moeite haalt hij een dezer hagedissen levend te voorschijn;

de scherpe pijlpunt heeft de huid van haar buik opengereten, en eene

rits eieren hangt uit het lijf van het dier. Apatoe grijpt die eieren

en wil de hagedis dooden; maar de iguane ontsnapt, gaat te water en

kruipt op eene naburige rots, waar zij bleef, schijnbaar ongedeerd

door de haar toegebrachte wonde.

Omstreeks drie uren varen wij langs den Cerro Mogote, eene

opeenstapeling van granietrotsen, die bijna de bedding der rivier

versperren. Tusschen dien cerro en Santa-Barbara bevindt zich een

zandige oever, dien de schildpadden bij voorkeur schijnen te hebben

uitgekozen om er hare eieren te leggen. Men berekent dat niet minder

dan vijftienduizend van deze dieren jaarlijks op deze plek hun

eieren komen leggen. Verschillende personen hebben verzekerd, dat

wanneer men een dezer schildpadden in het water werpt, zij aanstonds

weer tegen den oever opklimt en haar arbeid hervat. De schildpad

begint in Februari haar eieren te leggen, waarvan het aantal soms

honderd-vier-en-veertig bedraagt. Eene menigte lieden van de oevers

van den Orinoco begeven zich dan naar den oever van Santa-Barbara,

om daar den noodigen voorraad eieren in te zamelen. Deze inzameling

geschiedt volgens zekere regels. Op een bepaalden dag wordt er te

Santa-Barbara eene klok geluid; zoodra die klok met luiden ophoudt,

moet ook de inzameling der eieren worden gestaakt.

De schildpad van den Orinoco (tortuga) komt in de Guaviare niet

voor. De térékaï, die in de Guaviare zeer veel gevonden wordt,

leeft ook wel in den Orinoco, maar is daar toch minder gewoon dan

de tortuga. De térékaï legt ten hoogste acht-en-veertig eieren. De

traan en het vleesch van deze schildpad zijn het meest gezocht. In

de Guaviare begint zij tegen het einde van December te leggen, en in

den Orinoco omstreeks den tiende Januari. In de zwarte wateren van

de Atabapo en andere rivieren vindt men haar niet. De tortuga wordt

somwijlen zoo groot en zoo zwaar, dat een volwassen man moeite heeft

om haar van den grond te tillen.

Tegen zes uren komen wij aan eene hut op een soort van voorgebergte

aan den rechter oever, bewoond door zoogenoemde _Racionales_, dat

zijn bekeerde en zoo als het heet beschaafde Indianen. De man is veel

jonger dan zijne vrouw, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid

is. Het schijnen brave, goedhartige lieden. Ik zou dit niet durven

zeggen van een buurman, die, van onze komst vernomen hebbende, ons

komt bezoeken en ons zeer verveelt met zijne eindeloos gebabbel en

zijne meer dan onbescheiden vragen.

11 Januari.--Met het aanbreken van den dag begeven wij ons op weg naar

Santa-Barbara. Volgens de mededeelingen van den praatzieken buurman

zullen wij daar dertien hutten vinden, benevens klein geld--wij hebben

niets meer dan goudstukken--panela en misschien ook rhum. Blijft

de wind zwak, dan zullen wij er om twaalf uren zijn; steekt de wind

op, dan kan het wel vier uren worden; hij had er bij kunnen voegen,

waait het al te hard, dan komt gij er nooit.

Om half twaalf zijn wij reeds te Santa-Barbara. Wij voorzien ons hier

van den noodigen voorraad, en daar het dorp verder hoegenaamd niets

heeft dat onze belangstelling zou kunnen wekken, vervolgen wij al

spoedig onze reis, ten einde zoo mogelijk nog vóór den avond eene plek

te bereiken, die eenige kilometers verder ligt en waar wij een kamp

zullen vinden van Yarouro-Indianen, wier dorp vier dagreizen verder

in het gebergte ligt. Wij komen daar tegen vijf uren. De Yarouros, ten

getale van omstreeks veertig, hebben op den wijden vlakken oever eenige

kleine hutten opgeslagen. Boven ons welft zich een afrikaansche hemel;

voor ons zien wij eene ruime zandvlakte, en een kamp van bronskleurige

inlanders; er ontbreken slechts eenige kameelen, en wij zouden ons

kunnen voorstellen in de Sahara te zijn. Toen wij aankwamen, keerden

de mannen van de vischvangst terug. Zij hebben niet veel gevangen,

ter nauwernood genoeg voor hun eigen avondmaaltijd. De verdeeling

van den buit is spoedig afgeloopen; weldra zien wij, bij iedere hut,

eene kleine groep rondom het vuur geschaard, waarop het maal wordt

gekookt. Wij wandelen langs de groepen, en knoopen met ieder kennis

aan. De Yarouros zijn zeer donker van kleur; zij wonen in groote

savanen: het is dus niet vreemd dat hunne huid zwarter is dan die

van de Indianen, welke in de bosschen verblijf houden en minder aan

de zonnestralen zijn blootgesteld.

Het haar der mannen is rondom het hoofd afgeknipt; dat der vrouwen

hangt los over de schouders. De mannen dragen geene andere kleeding

dan het dubbele, van voren en van achteren afhangende schort, dat

door een dunnen gordel van hair wordt opgehouden; de vrouwen zijn

gekleed met katoenen hemden zonder mouwen. Zij zijn niet beschilderd

en dragen ook geen versiersels. Sommige oude vrouwen dragen vijf

spelden in haar onderlip: een wonderlijk ornament, dat ik bij jonge

vrouwen niet opmerkte. Moet men hieruit afleiden, dat wij hier met

eene verouderde mode te doen hebben, die in onbruik zou zijn geraakt:

iets wat overigens bij de Indianen niet voorkomt? De dames weigerden

halstarrig mij de beteekenis en het doel van dezen zonderlingen tooi

te verklaren.

Een blanke, die met zijne vrouw en zijn zoon in de onmiddellijke

nabijheid kampeert, treedt op ons toe. Hij drijft handel met de

Indianen uit den omtrek; hij koopt in de dorpen cassave en verkoopt

die weder langs de oevers van den Orinoco; hij heeft bovendien tabak

en visch en allerlei andere snuisterijen, zoo als messen, bijlen,

katoen en nog meer te koop.

Ik zie dat eenige Yarouros cassave van hem koopen, die zij hem

waarschijnlijk, eenige dagen geleden, zelven geleverd hebben. Ik

durf zelfs niet gissen, welke winst hem deze handel oplevert: dat

die winst zeer aanzienlijk is staat boven allen twijfel.

Wij koopen van hem eenige stukken visch, althans van iets wat hij

beweert visch te zijn, maar dat zoo sterk naar olie smaakt, dat

wij er niets van kunnen gebruiken. Waarschijnlijk is het vleesch

van den dolfijn, die in den Orinoco en in de Guaviare veelvuldig

voorkomt. Wij doen, zoo goed en zoo kwaad als het kan, ons middagmaal

met een weinig cassave in koffie geweekt, en strekken ons daarna in

onze hangmatten uit, in afwachting dat de Indianen zullen gaan dansen,

gelijk zij ons beloofd hebben.

Een met Yarouros bemande prauw komt de rivier opvaren; de nieuw

aangekomenen zijn zeer vroolijk, want reeds lang voor zij aan land

stappen, hooren wij hen zingen en lachen. Na hunne verschijning

heerscht er gedurende zekeren tijd leven en beweging in het kamp: dan

wordt het weer stil. Dit is niet overeenkomstig de afspraak, en wij

nemen daar geen genoegen mede. De koopman gaat uit onzen naam aan de

Indianen mededeelen, dat, indien zij willen dansen, wij koffie, suiker

en cassave te hunner beschikking zullen stellen. De onderhandelingen

duren vrij lang; eindelijk verklaren een half dozijn mannen zich

bereid, aan ons verlangen te voldoen. Met een lapje katoen hebben zij

zich drie lange arasvederen op het hoofd gebonden: een dezer vederen

verheft zich boven het voorhoofd, de twee anderen steken van achteren

uit. Weldra zijn zij op gang; hun gezang, eerst wat dof en mat, wordt

allengs levendiger. Verscheidene vrouwen treden naderbij, kijken een

poosje toe en doen dan ook mede. Haar luidruchtig, eenigszins gillend

gezang brengt al spoedig het geheele kamp op de been. Zelfs de kinderen

beginnen mede te dansen. De bejaarde lieden, in verschillende houdingen

neergehurkt, zien met belangstelling het schouwspel aan, waaraan zij

geen deel meer kunnen nemen. Tusschen iederen dans drinken mannen en

vrouwen koffie, en eten suiker en cassave, zoo veel zij maar kunnen.

De lucht is eenigszins bewolkt; als door een lichten sluier werpt

de maan haar schijnsel op het fantastisch tooneel. De schorten

en hoofdbanden, wit van kleur, komen scherp uit tegen die donkere

gestalten, waarboven de lange vuurroode arasvederen wiegelen, die als

bajonnetten omhoog steken. De neergehurkte vrouwen schijnen heksen,

die haar beurt afwachten, om aan den sabbath deel te nemen. Voeg

daarbij den rossen gloed der vuren, waaromheen rood gekleurde gestalten

zijn gegroept, die tooverdranken schijnen te bereiden.... Het geheel

herinnert onwillekeurig aan eene of andere geheimzinnige fantasmagorie.

De dans duurt zeer lang; de Indianen zijn onvermoeid, maar wij

hebben behoefte om te gaan slapen. Wij wenschen hun goeden nacht

en bedanken hen voor hunne vriendelijkheid, waarna zij zich in hun

kamp terugtrekken.

11 Januari.--Den volgenden morgen kochten wij van de Yarouros eenige

voorwerpen, welke uit een ethnografisch oogpunt niet zonder belang

waren. Lejanne maakt enkele schetsen, en wij tijgen weer op weg. De

vaart, gaat van wege den sterken wind met groote moeilijkheden

gepaard; wij houden ons aan den oever en moeten onze prauw met boomen

voortduwen. Wij slaan tegen den avond ons kamp op eene zandbank op,

en brengen daar een vrij rustigen nacht door, zonder te veel overlast

te hebben van muskieten en andere insekten.

13 Januari.--Eerst tegen negen uren des avonds komen wij aan La

Urbana, dat gedurende het wintersaizoen slechts een dag reizens

van Santa-Barbara is verwijderd. Wij wenschen hier niet langer

te vertoeven dan volstrekt noodig is. Wij hebben te San-Fernando

brieven mede genomen voor verschillende inwoners van het stadje,

en laten ons nu den weg wijzen door den schipper van onze prauw,

die de rivier reeds zeven- of achtmaal is afgevaren en de voornaamste

inwoners van de dorpen langs den oever persoonlijk kent.

La Urbana is eene arme, doodsche stad. Haar rechtlijnige straten

loopen deels parallel met den oever en vormen daarmede deels een

rechten hoek. Het aantal huizen is vrij groot, maar de meesten zijn

onbewoond. De stad dagteekent eerst uit het jaar 1872; zij werd

gebouwd voor lieden, die hier, bij de eindelooze omwentelingen en

burger-oorlogen in deze rampzalige republieken, een rustig en veilig

toevluchtsoord wenschten te vinden. Nadat de vrede, althans voor

een poos, weer hersteld was, werd la Urbana door het meerendeel der

bewoners verlaten. De eenige handel, welke hier gedreven wordt, is die

in sarrapia. Wij worden te La Urbana zeer hartelijk ontvangen door

den heer Fuentes, den broeder van den gouverneur van San-Fernando,

die een zeer geschikt huis tot onze beschikking stelt. Maar ons

besluit staat vast, om hier niet langer dan een nacht te blijven.

15 Januari.--Het is van morgen betrekkelijk kalm. Omstreeks half twaalf

komen wij aan de rio Cabullero, die zich aan den rechter oever in den

Orinoco uitstort. Wij houden stil bij de landpunt door de samenvloeiing

der beide rivieren gevormd. Lejanne doorkruist den omtrek en ontdekt

eenige exemplaren van eene soort van strychnos; bloesems of vruchten

van die plant kunnen wij evenwel niet ontdekken. Wij gebruiken in

der haast een ontbijt en gaan aanstonds weer in de prauw: wij mogen,

nu de wind zich vooralsnog stil houdt, deze gunstige gelegenheid niet

laten ontsnappen.

16 Januari.--Wij moeten weer met tegenwind worstelen. Wij varen

langs eene zandbank, die geen einde schijnt te nemen. Twee van onze

manschappen trekken langs den oever de prauw voort; de schipper en

nog een andere Indiaan, met een langen stok gewapend, houden haar in

de goede richting.

Lejanne en ik geven er de voorkeur aan te wandelen: onze beenen worden

stijf van het eindelooze zitten in die niet al te ruime schuit. Wij

volgen den naasten weg en vinden het hooger gedeelte van den zandigen

oever ingenomen door eene ontelbare menigte meeuwennesten; overal zien

wij eieren en jonge vogels half overdekt door het zand, dat de wind

opjaagt. Sommigen dezer jonge meeuwen zijn nog maar ter nauwernood met

een grijsachtig dons bekleed; anderen, reeds wat ouder, hebben in hunne

onmiddellijke nabijheid een kleinen visch, door de moeder zoo gelegd

dat de jonge vogel zijne prooi bereiken kan. Ge kunt u voorstellen,

welke eene opschudding onze onverwachte verschijning veroorzaakt! De

oude vogels komen woedend op ons aanstormen; zij vliegen rakelings

boven onze hoofden, bijten soms in onze hoeden, en verheffen zich dan,

onder luid en snerpend geschreeuw, hoog in de lucht. Een oogenblik

maken zij het ons zoo lastig, dat wij met een stok boven onze hoofden

moeten zwaaien, om de verbitterde vogels op een afstand te houden.

Wij bereiken eindelijk het andere uiteinde van deze zandbank en nemen

een bad in eene kleine heldere kom, die met de rivier in verbinding

staat. Na eenigen tijd wachtens verschijnt ook onze prauw. Allen

gaan nu aan land om te ontbijten. Wij eten het koude vleesch van

eene schildpad, die wij in de heete asch hebben laten braden, en die

uitmuntend smaakt. Vervolgens varen wij langs de uitmonding van de

Apoure, eene vrij belangrijke rivier, die zich ter linkerhand in den

Orinoco uitstort.

Het is avond geworden. Voor ons bespeuren wij den kleinen berg, aan

welks voet Caïcara ligt: zijne donkere massa teekent zich af tegen den

hemel, die rood gekleurd is door den gloed der vuren, welke in het

hooge gras der savane ontstoken zijn. Ten zeven uren vertoont zich

de oranjekleurige rand van de maanschijf boven den top des bergs:

zij rijst snel omhoog in de heldere lucht en giet een stroom van

zilverlicht op de breede rivier uit. De avond is zoo schoon en zoo

helder, dat wij zonder eenig bezwaar onzen tocht kunnen vervolgen.

Omstreeks acht uren komen wij te Caïcara. Wij gaan aan land nabij

rotsen, waarachter zich een zandige, vrij hooge oever verheft. Het

dorp ligt een weinig meer achterwaarts; van het punt waar wij aan land

zijn gestapt, kunnen wij niet anders zien dan twee of drie daken met

roode pannen belegd, die helder door de maan worden verlicht.

Ik laat mij de hut of de woning wijzen van den vertegenwoordiger der

regeering. Caïcara heeft het voorrecht, een commissaris van policie te

bezitten; ongelukkig is de man een lomperd. Ik meld mij bij hem aan;

ik zeg hem wie ik ben en wat ik verlang: hij verwaardigt zich zelfs

niet, mij een stoel aan te bieden, maar verzoekt mij, hem morgen mijne

papieren te laten zien. Weinig gesticht over deze ontvangst, antwoord

ik hem kortaf, dat de vaart op den Orinoco vrij is; dat ik dus mijn

verzoek om door zijne bemiddeling een ander vaartuig te verkrijgen,

intrek; en dat, zoo hij mijne papieren wenscht te onderzoeken, hij

zorgen moet morgen ochtend, met het krieken van den dag, bij mij aan

boord te zijn. Ik keer naar den oever terug, en wandel daarop met

Lejanne weer naar het dorp om eenige inkoopen te doen. Wij vermaken

ons kostelijk met de onhandigheid van twee winkelbedienden, die tot

drie malen toe het bedrag optellen en telkens eene andere uitkomst

krijgen. De meester van den winkel moet hun eindelijk te hulp

komen. Wij gaan naar den oever terug, beladen met onzen voorraad,

en vleien ons op het zand tusschen de rotsen neder om te slapen.

17 Januari.--Met het aanbreken van den dag varen wij af en vorderen

goed tot omstreeks acht uren. Toen stak de wind weer met kracht op,

en wordt de rivier opnieuw woelig en onstuimig. Onze jammerlijke prauw

zonder kiel zal ongetwijfeld omslaan: wij sturen daarom op den oever

aan en bergen ons in een kleinen inham. De oever is zeer hoog en door

het water van de rivier bij wijze vin een trap ingeschaard. Tegen de

helling liggen een aantal stammen van ontwortelde boomen.

Ik laat aanstonds het ontbijt gereed maken, ten einde van de

eerstvolgende windstilte te kunnen profiteeren. Inmiddels gaat

Apatoe het bosch in, om te zien of hij eenig wild machtig kan

worden. Hij keert zonder wild terug, maar hij heeft ook hier denzelfden

strychnos gevonden, dien Lejanne aan de oevers van de Cabullero heeft

aangetroffen; doch ook nu gelukt het ons niet, bloesems of vruchten

van die plant op te sporen, hoewel wij er twee uren lang naar zoeken.

Eerst tegen een uur kunnen wij onzen tocht hervatten. Omstreeks

zonsondergang ontmoeten wij een zeilschip van ongeveer twintig ton,

dat eenige booten op sleeptouw heeft. Onze prauw is niet meer dan een

notendop in vergelijking met dit gevaarte, dat vlak langs ons heen

vaart. Een der mannen aan boord van het schip, die Lejanne en mij niet

gezien had--wij zaten in de overdekte hut--en die vermoedelijk onze

Indianen eens bang wilde maken, riep hun op zoo gebiedenden toon toe,

uit te wijken, dat wij hun verboden te antwoorden. Hij herhaalde zijn

bevelen voegde er eenige bedreigingen bij. Nu sta ik op en breng hem

aan het verstand dat wij voor zijne dreigementen niet bang zijn, en

dat hij rustig zijn weg heeft te vervolgen, indien hij geene kennis

wil maken met onze geweren. Wij zijn beiden uit de hut getreden en

houden het geweer in de hand. De kerel kroop aanstonds achter de

verschansing weg.

Eerst tegen acht uur, bij helderen maneschijn, komen wij te Plagia

Blanca, waar wij den nacht zullen doorbrengen.

18 Januari.--Om vijf uur in den morgen gaan wij reeds op weg. Wij

moeten van den morgen en van den avond gebruik maken om te varen,

want op het midden van den dag is de wind te sterk.

Tegen tien uren komen wij aan een dorp, Bonita--dat wil zeggen de

Schoone--geheeten: een naam, waarop dit ellendig gehucht al zeer

weinig aanspraak heeft. Dit zoogenoemde dorp bestaat uit een twintigtal

smerige, bouwvallige, verwaarloosde hutten, die noch in haar voorkomen,

noch in haar schikking iets schilderachtigs hebben. Zij zijn van den

Orinoco gescheiden door een soort van grasperk, waarvan de opgedroogde

modderige grond overal de sporen van voetstappen vertoont. Op dit

ongelijke terrein bloeit en tiert alle mogelijke soort van onkruid;

daartusschen groeit eenig schraal gras, dat gretig afgeschoren wordt

door twee of drie ezels, wier luid gebalk door het dorp weergalmt.

Het verbaast mij telkens, dat de bewoners van de oevers van den Orinoco

zoo arm zijn, daar toch de grond zoo buitengewoon rijk en vruchtbaar

is. Maar ook de vruchtbaarste en rijkste grond eischt althans eenige

bebouwing, eenigen arbeid: en waar deze achterwege blijft, baten de

gaven der natuur weinig of niets. De armoede dezer lieden is een

natuurlijk gevolg van hunne onverwinlijke luiheid; en deze vindt

op hare beurt, indien al niet hare verschooning, dan toch zeker hare

verklaring in hunne zeer geringe behoeften. Gewoonlijk bezit ieder hier

eene eigen hut, eene mandoline, een hangmat, een geweer en eene vrouw:

daarmede is men tevreden en bekommert zich verder om niets. Daarbij

komt dat de bijna altijd heerschende koortsen de krachten sloopen en

de weinige energie dooven. Zoo droomt en soest men het leven door,

zonder eenig begrip of vermoeden van een te vervullen plicht, van

eene taak, die den mensch gesteld zou zijn. Voor hetgeen zij noodig

hebben om te leven, zorgt de al te milddadige natuur haast van zelve;

naar iets meer verlangen zij niet: waartoe zouden zij dan arbeiden en

zich vermoeien? Lejanne vermoedt dat het enkel uit luiheid is, dat de

mannen hun hemd los over hun broek laten hangen: voor het artistieke

van deze eigenaardige gewoonte heeft mijn reismakker, helaas! geen oog.

Ik doe eenige kleine inkoopen in het dorp en betaal ongetwijfeld

tien maal de waarde. Wij zijn vreemdelingen: en naar de overoude,

ongeschreven wet, die ook in andere meer beschaafde landen nog

niet geheel vergeten is, meent dus ieder het recht te hebben ons

te bestelen. De lieden hier schijnen te gelooven, dat onze zakken

met goud gevuld zijn; een blik op onze havelooze kleeding moest,

dunkt mij, voldoende zijn om elk vermoeden van rijkdom te onderdrukken.

Voor ons ontbijt hebben wij een sancocho, door François voor ons

klaar gemaakt, met eene kip en vruchten. De zandige oever strekt ons

tot keuken en tot eetzaal. Wij maken onze hangmatten aan de takken

der boomen vast, en zoo tegen de zonnestralen beveiligd, houden wij

onze siësta tot vier uren. Dan gaan wij weer aan boord en roeien

tot vijf uren. De hemel voor ons overdekt zich met donkere wolken:

daar broeit een geweldig onweder, en wij haasten ons den rechter

oever te bereiken. Even daarna barst de bui los: de regen valt bij

stroomen neder; maar het plassen van het water wordt overstemd door

de geweldige donderslagen. Evenwel de bui duurt niet lang; wij hebben

gelukkig eene goede schuilplaats gevonden en worden dus niet al te

nat. De ongelukkige François heeft op nieuw de koorts, als zoo vaak

in den laatsten tijd. En hij is nu onze eenige zieke niet: Lejanne

krijgt ook iederen morgen een aanval van koorts, gelukkig in minder

hevige mate dan Burban.

19 Januari.--Wij gaan tegen zes uren op weg en komen weldra nabij

Altagracia. Hoewel dit dorp nog steeds op de kaarten voorkomt, is er

in de werkelijkheid geen spoor meer van te vinden. De Orinoco, dien

wij nu reeds sedert ons vertrek van San-Fernando bevaren, is hier

buitengewoon breed, en bezaaid met grootere en kleinere eilanden,

door zandbanken omgeven. Verscheidene armen van de geweldige rivier

zijn nu droog of bijna droog, maar vullen zich in den winter met

water: dan vormt de stroom eene bijna onoverzienbare watervlakte,

waarboven de talrijke eilanden uitsteken. De plantengroei langs de

oevers mist alle karakter: het is laag kreupelhout; nergens ziet men

de trotsche reusachtige boomen die de oevers van de Guaviare sieren:

de weinige boomen zijn klein en verschrompeld. Een dicht net van

woekerplanten omvangt hen en schijnt hun groei te belemmeren. Palmen

zijn hier niet meer te zien.

Wij varen voort tot zeven uur in den avond; de maan is nog niet boven

de kim en het kost ons eenige moeite om den vlakken zandigen oever te

herkennen, waar wij aan land zijn gegaan. Langzamerhand gewennen wij

aan dit schemerdonker en bespeuren nu eenig droog hout, waarmede wij

vuur kunnen aanmaken. Apatoe neemt een fakkel en een pijl en volgt

aandachtig den zoom van het water. Naar hij ons verzekert, bewegen

de visschen zich gedurende den nacht zeer langzaam en schijnen zij

te slapen. Wat hiervan wezen moge, zooveel is zeker dat hij weldra

terugkeert met twee mooie visschen, die meer dan voldoende zijn voor

ons diner. Wij wikkelen ons vervolgens in onze dekens en slapen rustig

op het grove zand.

20 Januari.--Omstreeks tien uren beklimmen wij den heuvel, waarop het

dorp Mapire ligt. Wij hebben eenige inkoopen te doen en wenden ons

tot den heer Donati, een eerlijk en nauwgezet koopman, bij wien wij

een allervriendelijkst onthaal vinden en die ons van al het noodige

voorziet. Hij begint met zijn huis tot onze beschikking te stellen:

ons middagmaal zal in zijne keuken worden klaar gemaakt. Hij deelt

ons mede, dat op den eersten Februari eene stoomboot van Bolivar naar

Trinidad vertrekt. Twee dagen lang genieten wij zijne onbekrompen

gastvrijheid, en worden zoowel door hem als door zijne huisgenooten

met de meeste voorkomendheid behandeld.

Bij onze aankomst troffen wij bij hem eene familie van Caraïbo-Indianen

aan, die uit het binnenland waren gekomen om eenige inkoopen te

doen. De man is kapitein en heeft niet minder dan drie vrouwen bij

zich. De eene is reeds vrij bejaard, klein en zeer dik; de tweede

is veel jonger en verkeert in gezegende omstandigheden; de derde

eindelijk is een meisje van veertien à vijftien jaar. Lejanne maakt

eene schets van deze interessante familie.

Het dorp Mapire bestaat uit veertig à vijftig huizen, die allen

naar hetzelfde model zijn gebouwd; de muren zijn van pisé en van

binnen, soms ook van buiten, beschilderd met aangelengd leem van

verschillende kleur, rood, geel, blauw, dat men in groote hoeveelheid

in den omtrek vindt. Deze kleuren ontstaan door ijzeroxyde. Het van

palmbladen gemaakte dak steekt een weinig vooruit. Achter ieder huis

vindt men eene door paalwerk omsloten ruimte, die ook de keuken en

dergelijke bijgebouwtjes bevat. Het ameublement bestaat uitsluitend

uit hangmatten, die zoowel voor stoel als voor bed dienen.

De ligging van het dorp op den top van een vijftig el hoogen heuvel,

langs welks voet de reusachtige Orinoco stroomt, is bewonderenswaardig

schoon. Er waait altijd eene verkwikkende koelte. Tusschen de

huizen staan eenige vruchtboomen verspreid: mango's, sarrapia's,

oranjeboomen. Aan den eenen kant heeft men een uitgestrekt gezicht

over den breeden Orinoco; aan de andere zijde strekt zich, zoo ver

de blik reikt, eene zacht golvende savane uit. In dezen tijd des

jaars teekent zich iederen avond de omtrek van het dorp helder af

tegen den hemel, die door de talrijke vuren in de savane vlammend

rood is gekleurd. Men volgt hier namelijk nog altijd de gewoonte,

om het hooge verdorde gras te verbranden.

Dezen avond, den laatsten dien wij in hare woning zullen doorbrengen,

heeft Mevrouw Donati een galadiner laten gereed maken, bestaande uit

het beste wat te Mapire te vinden is. De heer Donati bezit voor zijn

persoonlijk gebruik eene zekere hoeveelheid rooden franschen wijn,

waarvan hij ons eenige flesschen wil afstaan. Ik noodig François

Burban en Apatoe uit, aan het feestmaal deel te nemen. Burban, die

vandaag geen aanval van koorts heeft gehad, is buitengewoon opgewekt

en vroolijk. Wij verkeeren allen in de beste stemming, vooral ook omdat

wij ons met de hoop mogen vleien, dat het einde van al onze inspanning

en van al onze ontberingen nabij is. Na eene reis van vijf maanden,

zoo als wij achter ons hadden, is het verlangen naar het einde zeker

niet onverklaarbaar. Wij brachten met elkander een zeer aangenamen

en gezelligen avond door.

Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 8 / 9 题