XI

22 Januari.--Nog voor zonsopgang zijn wij op de been; François maakt

zich gereed om koffie te zetten. Er is een weinig wind; het water der

rivier is in golvende beweging en verontreinigt zich door de aanraking

met de weeke klei langs den oever. Om zich zooveel mogelijk schoon

water te verschaffen, moet François dus eenige schreden ver in de

rivier gaan. Honderdmaal hebben wij hem reeds gewaarschuwd, nooit

te water te gaan, zonder vooraf met een stok den bodem der rivier

te hebben onderzocht; maar ook nu, als reeds zoo dikwijls, slaat

hij geen acht op onze waarschuwing en stapt met zijne bloote voeten

in het water. Eensklaps springt hij op den oever terug, roepende:

"Wat is dat?"

Geen sekonde daarna gaat hij op den grond zitten; hij omvat zijne

voeten met de beide handen en kermt van pijn. Lejanne en Apatoe loopen

aanstonds op hem toe: onze ongelukkige makker is door eenen rog in

de beide voeten gestoken. Men ziet twee zwarte stippen: de eene aan

de binnenzijde van den rechter hiel; de andere aan den bovenkant van

den vierden teen aan den linkervoet. Uit dit laatste wondje vloeit

een weinig bloed.

Apatoe, die zeer goed weet welke gevaarlijke gevolgen dergelijke

schijnbaar onbeduidende verwondingen kunnen hebben, aarzelt geen

oogenblik en begint aanstonds de beide wondjes uit te zuigen. Lejanne

bevochtigt de beide gekwetste plaatsen met een weinig phenol en laat

mij onmiddellijk waarschuwen. Nog eer vijf minuten verloopen waren,

bevond ik mij bij onzen gewonde: op het vernemen der boodschap

had ik mij onmiddellijk tot hem gespoed. De ongelukkige François

kermt van pijn; hevige stuiptrekkingen doen zijn lichaam schudden

en trillen: de smart die hij tengevolge van deze verwonding lijdt,

is inderdaad ondragelijk. Maar dit is nog het ergste niet: de steek

van zulk een rog heeft dikwijls de noodlottigste gevolgen: daar kan

koudvuur bijkomen. Wij maken ons ernstig ongerust over onzen kranke,

wiens gestel sterk geleden heeft door koortsen en de malaria, en

wiens toestand van inzinking zorgwekkend is. Ik pel de beide wonden

los en wasch ze met citroensap. De pijn vermindert een weinig; de

stuiptrekkingen houden op. Wij laten den zieke over aan de verzorging

van Apatoe, en gelasten hem aanstonds te waarschuwen, zoodra zich eenig

ongunstig verschijnsel voordoet. Daarna keeren wij naar het dorp terug,

waar wij onze Caraïbo-Indianen nog aantreffen. Als de wind niet zoo

sterk was, zouden wij nog heden vertrekken, want wij moeten nu zoo

spoedig mogelijk te Bolivar aankomen; eerst daar toch kunnen wij onzen

patiënt behoorlijk verplegen en hem geven wat tot genezing noodig is.

23 Januari.--Wij varen reeds vroeg in den morgen af. François wordt

in de met palmbladen overdekte hut nedergelegd, waar wij het hem

zoo gemakkelijk mogelijk maken. Hij klaagt over hevige pijn in den

teen, die een weinig opgezwollen en ontstoken is. Eerst nadat ik eene

kleine insnijding gemaakt had, gevoelde hij eenige verlichting. In den

namiddag heeft hij pijn in de beide voeten, die zichtbaar gezwollen

zijn. Rondom de beide wondjes begint zich een zwarte kring te teekenen.

Wij bivakeeren op eene zandbank, aan den ingang van een smallen

rivierarm. De hangmat van François wordt aan palen opgehangen, die

wij in den grond geslagen hebben; wij leggen ons op het zand naast

hem neder. Hij heeft een weinig bouillon gebruikt en brengt een vrij

rustigen nacht door.

24 Januari.--Wij komen dezen dag flink vooruit. De smalle, door rotsen

ingesloten arm, waar een zeer sterke stroom gaat, is, althans in dezen

tijd des jaars, volstrekt niet zoo gevaarlijk als zijn naam zou doen

vermoeden: hij heet namelijk de _Infierno_, de Hel. De stroom is ons

gunstig en wij komen zonder eenig ongeval, zelfs zonder buitengewone

inspanning, aan het andere einde van de engte.

Tegen het vallen van den avond komen wij bij eene landpunt, die aan

den linker oever in de rivier uitsteekt; wij zijn nog een à twee

uren van Muitaco verwijderd, en besluiten hier te overnachten. Onze

schipper is niet goed meer op de hoogte; blijkbaar is hij althans

met dit gedeelte van den Orinoco zeer onvolledig bekend en weet hij

niet juist waar wij eigenlijk zijn. Wij wilden gaarne te Muitaco

stilhouden, met het oog op François, wiens toestand hand over hand

verslimmerd is en op wiens herstel wij niet meer durven hopen.

In den loop van den namiddag heeft het koudvuur zich uitgebreid. De

beide beenen zijn tot aan de kuiten verstorven. François is zich zijn

toestand niet bewust: hij ligt buiten kennis.

De ongelukkige moet, even als wij, den nacht op den blooten grond

doorbrengen, want er is geene gelegenheid om eene hangmat op te hangen.

25 Januari.--Bij het aanbreken van den dag zie ik dat het einde

nabij is: het is nog slechts eene kwestie van eenige uren. Wij moeten

alle krachten inspannen om Muitaco te bereiken, waar wij, naar men

ons verzekert, een priester kunnen vinden. Misschien kunnen wij daar

nog komen, eer onze beklagenswaardige makker den laatsten adem heeft

uitgeblazen.

Het is een donkere droevige morgen. De hemel is zwaarbewolkt; er

waait een zeer stijve koelte, die ons tegen is; de rivier is woelig

met sterken golfslag.

Wij leggen François zoo gemakkelijk mogelijk in de hut. Lejanne

zet zich aan den achtersteven, bij den schipper. Ik zelf help de

roeiers. Wij roeien uit al onze macht; Lejanne heeft de handen vol om

het water uit te scheppen, dat van alle kanten naar binnen slaat. Wij

hebben nog pas een derde van den afstand afgelegd; een blik op onzen

patiënt werpende, zie ik dat zijn oog gebroken is: François Burban is

dood. Hij stierf als een echte zeeman, op het water, bij het loeien

van den storm. Het is toch even eervol in eene prauw te bezwijken,

als aan boord van een linieschip, bij het donderen der kanonnen,

in het barnen van het gevecht. Maar--en deze gedachte is dubbel

pijnlijk--zijn dood is het gevolg van eene nietigheid; hij, die aan

zoovele dreigende en schijnbaar onoverkomelijke gevaren is ontsnapt,

hij sterft aan den beet van een visch; hij sterft bovendien als in het

gezicht van de haven, zonder dat het ons vergund was, hem de laatste

troostmiddelen der Kerk te doen toedienen. Door smart overweldigd,

staren wij op zijn lijk, terwijl onze oogen zich met tranen vullen. In

het midden van de rivier gekomen, wordt onze prauw door hooge golven,

die dicht op elkander volgen, van ter zijde opgetild en als een kurk

op en neer geworpen. Tien malen stonden wij op het punt van om te

kantelen. Enkele monsterachtige kaimans beuren hun geschubden rug

even boven het water op: hunne verschijning doet ons nog te meer

het akelige van onzen toestand gevoelen. Hunkeren zij misschien naar

het stoffelijk overschot van onzen vriend, dat daar roerloos in de

hut ligt? Wij maken ons bovenal over één ding ongerust, namelijk dat

onze Indianen van streek zullen raken en hunne tegenwoordigheid van

geest verliezen. Zij zijn blijkbaar zeer zenuwachtig, maar houden

zich toch goed.

Om half tien bereiken wij eindelijk het dorp Muitaco. Wij begeven ons

onmiddellijk naar het dorpshoofd en verzoeken hem, een behoorlijk

bewijs van overlijden op te maken. Vervolgens maken wij met hem

de noodige schikkingen voor de begrafenis. Er is in het dorp geen

pastoor en evenmin een timmerman. Wij kunnen dus het lijk van onzen

ongelukkigen kameraad niet eens in eene doodkist leggen. Wij wikkelen

het ontzielde lichaam in een deken en de hangmat, en laten het uit

de prauw naar den wal brengen, naar eene ledigstaande hut. Een van

de dorpelingen is bereid, op het kerkhof een graf in gereedheid

te brengen.

Terwijl men hiermede bezig is, tracht Lejanne nog een portret te

maken van den doode, wiens gelaat reeds veranderd is. Daarop zet de

treurige stoet zich in beweging. De hangmat, aan een langen stok

vastgemaakt, wordt door onze Indianen, bijgestaan door Apatoe,

op de schouders gedragen. Lejanne en ik volgen. De hemel is weer

geheel helder geworden; de zon schijnt met volle pracht; de lucht is

warm. Wij volgen een smal steenachtig pad, door bloeiende heesters

omzoomd, die een sterken geur verspreiden. Prachtig gekleurde vlinders

fladderen boven onze hoofden; gonzende insekten omzweven ons: overal

het volle, weelderige, overvloeiende leven der tropische natuur. Die

feestelijke stemming hindert ons, als wij een blik slaan op de mannen

daar vóór ons, die de hangmat torschen, waarin het lijk van onzen

ongelukkigen reisgenoot rust. Maar wat deert der natuur onze smart;

en hoe zouden wij kunnen verlangen dat ook zij rouw droeg om ons

verlies? Schijnt zij niet de volstrekt onverschillige en ongevoelige,

in wier zielloozen boezem geen hart het onze tegenklopt? En toch is die

behoefte aan medelijden, aan deelneming in onze persoonlijke ervaringen

van vreugde en smart, zoo diep in de menschelijke ziel geworteld;

toch is het duister besef van eene levensgemeenschap tusschen ons en

de ons omringende natuur zoo machtig, dat de mensch, liever dan zich

van hare onaandoenlijkheid te troosten, haar zelve opnam binnen den

kring zijner eigene gewaarwordingen. In vroeger eeuwen kon hij dat

doen, met oprecht naïef geloof, zelf het eerste slachtoffer zijner

fantazie, der onuitputtelijke, vindingrijke, der troosteres aller

smarten, der zoete en liefelijke, die hem de heerlijkste beelden

voortooverde. Maar voor ons, in dezen tijd van exacte wetenschap, nu

alles meer en meer wordt herleid tot louter mechanische beweging, en

de abstracte begrippen van stof en kracht--die wij telkens gebruiken

zonder eigenlijk zelven te weten wat wij daaronder verstaan;--alle

vroegere fantastische voorstellingen van leven en bewustzijn en

persoonlijk handelen verdrongen hebben; wat kan voor ons de natuur te

beteekenen hebben? En toch, vergeten ook wij het niet telkens, dat

hetgeen wij de stem der natuur noemen metterdaad niet anders is dan

de echo van onze eigene stem? Zoo machtig, zoo onuitroeibaar is dat

duister besef, waarvan ik boven sprak en dat--wie weet het?--misschien

op eene nog omsluierde werkelijkheid wijst.

Wij zijn aan den grafkuil gekomen, waarin het stoffelijk overschot van

François Burban wordt neergelaten. Wij werpen een weinig aarde in den

kuil; roepen onzen vriend met gesmoorde stem een laatst vaarwel toe,

en gaan heen van de plek, waar wij hem, in het verre vreemde land,

ter ruste hebben gelegd.

Wij geven eenig geld aan eene oude vrouw, die op zich neemt voor

het graf te zorgen; wij verlangen, dat zij er bloemen op planten

zal. Alvorens onze gift aan te nemen en de verplichting om voor het

graf te zorgen te aanvaarden, vraagt zij of onze vriend katholiek

was. Ondanks ons bevestigend antwoord schijnt zij daar aan te

twijfelen, omdat wij verzuimd hebben, te zijner intentie negen

waskaarsen te doen ontsteken. Dit is hier de gewoonte, waarmede wij

evenwel volkomen onbekend waren. Wij haasten ons thans dat gebruik

te volgen.

Den zes-en-twintigsten Januari gaan wij op weg naar Bolivar, waar

wij in den avond van den acht-en-twintigsten aankomen.

Wij hebben geen duit meer op zak. Toch nemen wij onzen intrek in

het voornaamste hotel der stad, hoewel wij er met onze havelooze

kleeding alles behalve als groote heeren uitzien. Onze ongekamde

haren en onze revolutionaire baarden zijn wel geschikt om rustigen

burgers een schrik op het lijf te jagen.

Morgen zullen wij eene herschepping ondergaan. Ik zou wel eens willen

weten wat de gastwaard van ons denkt, terwijl wij ons te goed doen

aan zijn besten bordeaux.

Den volgenden morgen ga ik een bezoek afleggen bij den franschen

consul, den heer Dallacosta, die mij met de meeste vriendelijkheid

ontvangt en mij in aanraking brengt met verschillende hier gevestigde

landgenooten, die allen met de grootste bereidwilligheid hunne beurs

te mijner beschikking stellen.

Ik laat mijn haar knippen en mijn baard in orde brengen; ik steek

mij in een geheel nieuw pak kleeren en vertoon mij aldus, geheel

gemetamorfoseerd en keurig netjes uitgedost, aan mijne verbaasde

reismakkers, die bijna hunne oogen niet gelooven kunnen. Maar ook

zij ondergaan op hunne beurt eene soortgelijke herschepping.

Daarop pakken wij onze collecties in de kisten en laten die aan

boord brengen van de _Heroe de Abril_, die den eersten Februari naar

Port-of-Spain vertrekt.

Wij brengen hier drie zeer aangename dagen door, in gezelschap

van zeer vriendelijke en voorkomende landgenooten, die in deze

venezuelaansche stad zoo wat de eerste viool spelen. Ciudad de Bolivar,

vroeger Angostura genoemd, is eene stad van achtduizend inwoners,

aan den rechter oever van den Orinoco: welke rivier, hoewel hier

aanmerkelijk versmald, nog altijd eene breedte heeft van omstreeks

een kilometer. De naam Angostura was aan de stad gegeven met het

oog op hare ligging; dienzelfden naam droeg ook een zeer gezochte

liqueur. De stad drijft een niet onaanzienlijken handel; vele van

hare inwoners houden zich bezig met de exploitatie der goudmijnen

van Venezuela. Caoutchouc en sarrapia, benevens koffie en cacao,

zijn de voornaamste handelsartikelen.

Bolivar is amphitheatersgewijze op en tegen een heuvel gebouwd,

die door den Orinoco wordt bespoeld en ook door eene lagune,

welke vroeger tot de rivier behoorde, maar nu het oostelijk deel

der stad vrij ongezond maakt ten gevolge van de daar veelvuldig

heerschende koortsen. De stad heeft--het behoeft eigenlijk niet

gezegd--geen monumenten: tenzij men als zoodanig zou willen noemen een

standbeeld--wel te verstaan, een amerikaansch standbeeld--van generaal

Bolivar, den zoogenoemden bevrijder; en eene kathedraal, welke vooral

de aandacht trekt door de afschuwelijke schreeuwende kleuren, waarmede

men haar van buiten heeft beklad. Van binnen heb ik haar maar niet

gezien. Verreweg de meeste huizen hebben platte daken en getraliede

vensters. Die zware tralies geven aan de huizen iets gevangenisachtigs;

maar zij hebben daarentegen ook dit groote voordeel, dat in het heete

jaargetijde, de vensters des nachts geopend kunnen blijven.

Eindelijk, op den eersten Februari, gaan wij aan boord van de _Heroe

de Abril_ en vangen den tocht aan naar Port-of-Spain.

Den volgenden morgen bevinden wij ons in de delta van den Orinoco. De

tallooze armen en vertakkingen van den machtigen stroom vormen een net

van wateren, die in het vlakke, met den weelderigsten plantengroei

overdekte terrein, elkander in alle richtingen kruisen. Wij varen

langs een zeer bevolkt dorp van Guaraouno-Indianen. Talrijke prauwen en

kanos steken van den oever af en komen naar de stoomboot toe. Vrouwen

en kinderen staan langs den oever geschaard, of zitten en liggen op

boomstronken, welke langs den waterkant verspreid liggen, deels zelfs

in de rivier gedompeld. Wij bespeuren aan deze Indianen niets wat

aan de beschaafde wereld herinnert: de vrouwen dragen geene andere

kleeding dan een lapje katoen zoo groot als eene hand. Het bevreemdt

ons, aan deze plaats Indianen aan te treffen, die nog zoo volkomen in

den natuurstaat leven en zoo weinig bekend zijn. Een weinig verder

ontmoeten wij een jaguar, die de rivier overzwemt; de stoomboot

vaart hem bijna rakelings voorbij. Wij hebben aan boord eenige

miliciens van Venezuela, die het goud moeten eskorteeren, dat door

de mijnmaatschappijen naar Port-of-Spain wordt gezonden om van daar

naar Europa te worden vervoerd. Deze voortreffelijke schutters lossen

zoo ongeveer een twintigtal schoten op het dier, dat met gestreken

ooren, dol van angst, zoo snel mogelijk naar den linker oever zwemt,

waar het aan land stapt en in het hooge gras verdwijnt. Natuurlijk

had geen enkele kogel dezer geduchte helden den jaguar getroffen.

Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, waren wij in zee. De

hemel is een weinig betrokken; over de eindelooze watervlakte

hangt een lichte nevel. Met jubelende geestdrift begroeten wij den

Atlantischen-oceaan, na een reis van honderd-een-en-zestig dagen dwars

door het binnenland. De zee is kalm: hare nauw merkbare golfjes,

zachtkens kabbelend, mogen ons eene gelukkige en voorspoedige reis

voorspellen. In de verte zien wij enkele schepen, die met uitgespannen

zeilen in den zilverachtigen nevel schijnen te drijven.

Eindelijk komen wij op de reede. Een aantal bootjes en vaartuigen,

door negers bemand, steken van den wal af en varen naar het stoomschip,

waarlangs zij zich scharen.

Die negers schreeuwen en gillen, dat hooren en zien vergaat: wij

onderscheiden eenige spaansche en engelsche woorden en verder een

aantal woorden aan het creolen-fransch ontleend. Wij nemen plaats

in een dezer kanos en roeien naar den wal. Op de kaai aangekomen,

maken minstens tien negers, ondanks ons tegenstribbelen en verzet,

zich meester van onze bagage en brengen die naar het tolkantoor;

dat geen tien stappen verwijderd is. Een rijtuig brengt ons naar het

hôtel de France, waar al onze onbeschaamde negers fooien komen eischen,

die niet minder dan een shilling moeten bedragen. Wij geven minstens

een pond uit, en nog is niemand tevreden. De brutale onbeschaamdheid

der negers gaat hier alle perken te buiten; en het is wel zonderling

dat de policie zoo weinig of liever niets doet om de vreemdelingen,

die hier aan wal stappen, tegen deze kerels te beschermen.

Het hôtel de France wordt gehouden door voormalige bewoners van den

Elzas, die na 1870 zijn uitgeweken. Met groote vreugde hervinden wij

hier landgenooten, de fransche keuken en de fransche vriendelijkheid.

Men deelt mij de namen en woonplaatsen mede van de alhier gevestigde

photografen; weldra heb ik de noodige schikkingen getroffen met een

hunner, den heer Félix Morin, een landgenoot, die zeer bekwaam is in

zijn vak. Hij zal mij vergezellen bij mijn bezoek aan de Guaraounos.

Den zevenden Februari vertrekt Lejanne naar Frankrijk; wij waren

sedert lang met elkander bekend, maar nu zijn wij vrienden geworden.

Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 9 / 9 题