VIII

11 December.--Onze Indianen, die nu geheel van hun roes bekomen zijn,

roeien flinker dan gisteren. Ieder hunner heeft een kleinen lederen

zak, waarin hij zijn tabak en andere kleinigheden bewaart. Toen ik

een dezer zakjes nakeek, vond ik daarin een wonderlijk beeldje van

klei, eene niet geheel onkenbare afbeelding van den kop van een aap

met een stuk van den romp.

"Maminaïmi!" zeide de Indiaan tot mij. Hij had dit beeldje gevonden

aan den oever ergens in de buurt, op een plek, die door de maminaïmis

bezocht wordt.

Volgens hen, zijn deze maminaïmis een soort van watergeesten of

duivels. Zij hebben de gestalte van een klein kind en het gelaat van

een neger. Overdag houden zij zich onder water op; maar des nachts

zwerven zij langs den oever en door de bosschen, daarbij een geluid

makende dat volkomen op het schreeuwen van een kind gelijkt. Onze

Indianen verzekeren ons, meermalen dat geluid gehoord te hebben,

waarop zij alles behalve gesteld zijn. Al de Piapoco-Indianen gelooven

vastelijk aan het bestaan van de maminaïmis.

Omstreeks half twaalf houden wij stil aan den oever, om den stand

der zon waar te nemen. Volgens mijne waarneming berekent Lejanne,

dat wij ons op 3° 40' 93° noorderbreedte bevinden.

Wij bespeuren even boven water de rugvin van een visch, die, naar het

ons voorkomt, vrij groot moet zijn; wij naderen hem met onze boot,

zonder dat hij eenige beweging maakt. Een der Indianen werpt zijn

harpoen uit, en haalt een wentelaar op, grooter dan ik er nog ooit een

gezien had. Hij is ongeveer zes palmen lang, waarvan ruim een derde

door den kop wordt ingenomen, die zeer breed is en waarin de hersenen

bijzonder sterk ontwikkeld zijn. Toen wij den visch gekookt hadden,

was het weinige vleesch bijna geheel weggesmolten.

Omstreeks vijf uren houden wij stil bij eene zandbank, waar wij ons

bivak zullen opslaan. Voor ons middagmaal hebben wij apenvleesch, een

eendebout en visch. Wij drinken een weinig koffie, hetgeen wij anders

gewoonlijk alleen des morgens, voor ons vertrek doen. Na dat weelderige

maal rollen wij eenige tabaksbladeren tot sigaren en keuvelen met

elkander, al rookende, rondom het vuur op het zand uitgestrekt. Wij

vernemen van de Indianen eenige bijzonderheden omtrent hunne zeden en

gebruiken. Zoo vertellen zij ons dat eene vrouw, die hare bevalling

wachtende is, zich naar eene daarvoor aangewezen hut begeeft, waar

zij gedurende zeven dagen na hare verlossing blijft. Gedurende dien

tijd blijft ook de man in zijne hangmat liggen; de beide echtgenooten

gebruiken geen ander voedsel dan cassave en water. Men heeft hieruit

ten onrechte opgemaakt, dat de man zich moet aanstellen als ware hij

in de kraam gekomen. Bij de Piapoco-Indianen is dit althans niet

het geval, en ik betwijfel zeer of zulk eene onzinnige vertooning

ergens plaats vindt. Zoo de man in zijn hangmat gaat liggen en zich

aan hetzelfde dieet als zijne vrouw onderwerpt, dan geschiedt dit om

daardoor zekere ziekten van zijn kind af te wenden, door zich zelven,

in zijne plaats, boete en onthouding op te leggen. Ik vermoed dat

wij hier te doen hebben met een overblijfsel uit overoude tijden,

eene flauwe herinnering aan de wet, die de jonggeboren kinderen aan

de godheid wijdde. Om zijn kind los te koopen, legde dan de vader

zich zelven zekere boete op.

14 December.--Ten zes uren zijn wij reeds op de been: wij zijn niet

ver meer van San-Fernando. Wij maken een weinig toilet, voor zoo ver

ons dat mogelijk is: maar ondanks onze inspanning, blijven wij er

als havelooze landloopers uitzien. Ik ben verzekerd, dat, althans in

Frankrijk, niemand ons gaarne op eene eenzame plek in het bosch zou

willen ontmoeten: men zou ons ongetwijfeld voor vagebonden houden;

die aan de zorg der policie moesten worden toevertrouwd.

Omstreeks tien uren komen wij aan de monding van de Ynirida, eene vrij

belangrijke rivier, die zich aan den rechter oever in de Guaviare

uitstort. Bij haar samenvloeiing met laatstgenoemde rivier heeft de

Ynirida eene breedte van omstreeks zeshonderd meters; de kleur van het

water is donkerbruin, het meest overeenkomende met die van koffiedik;

het water van de Ynirida onderscheidt zich dan ook zeer duidelijk van

het troebele geelachtig witte water van de Guaviare. Op de landpunt

tusschen de beide rivieren vertoonen zich groote granietrotsen. Wij

ontdekken twee hutten, eene op den linker en eene op den rechter oever,

beiden door blanken bewoond. De laatste hut ligt op onzen weg. Wij

bestijgen een soort van steile trap, in den weeken kleigrond van den

zeven tot acht el hoogen oever uitgehouwen.

Wij zijn bij Gregorio Garcia. Zijne vrouw, eene Indiaansche van den

stam der Pouinavés, ontvangt ons. Volgens het gebruik des lands begroet

ik haar met een _Ave Maria_, waarop zij _gratia plena_ antwoordt;

vervolgens noodigt zij ons uit, hare woning binnen te treden. Haar

echtgenoot is afwezig, maar zal zoo aanstonds terug keeren. Inmiddels

koop ik verschillende voorwerpen: aardewerk, zeven en andere dingen,

die zij zelve gemaakt heeft. Daarop vraag ik haar vergunning, om ons

middagmaal in hare hut gereed te mogen maken; zij bewilligt daarin

niet alleen, maar wil zich zelve met de zorg daarvoor belasten. Bij

ons gerookt vleesch voegt zij nog eene jonge kip, gebakken bananen,

pasteken en nog andere lekkernijen. Toen wij aan tafel zaten trad

Gregorio binnen.

Hij is een eenvoudig man, volstrekt ongeletterd, maar, zoo als wij

later te San-Fernando vernamen, een goed en ijverig werkman, hetgeen

trouwens ook bleek uit de groote hoeveelheid van allerlei produkten,

in en nabij de hut opgestapeld. Niet dan met groote moeite kunnen wij

hem bewegen, om in dank voor zijn vriendelijk en gastvrij onthaal, een

sabel en een bijl aan te nemen. Zijne vrouw daarentegen is zeer in haar

schik met eene halsketting van roode koralen, die wij haar aanbieden.

Tegen een uur in den namiddag gaan wij weer op weg naar

San-Fernando. Gregorio verzekert ons dat het eene "pueblo grande"

is. Maar hij heeft niet veel gezien, en het waarschijnlijkste is dat

wij een klein dorp zullen vinden.

Om vier uur krijgen wij eindelijk San-Fernando in het gezicht: van

verre gezien, herinnert het mij aan de dorpen langs de Amazone. Hutten

met palmbladen bedekt, met leemen wit gepleisterde wanden, staan langs

de helling van een lagen heuvel verspreid, en schijnen vrij talrijk,

juist omdat zij zoo door en boven elkander zijn geplaatst. Weldra

bereiken wij lage eilanden, door granietrotsen omzoomd, dan varen wij

de donkere wateren van de Atabapo op. De oever, waarop het dorp ligt,

is omzoomd door eene bank van graniet, die met zachte glooiing in

de rivier afdaalt. Deze rivier heeft bij hare samenvloeiing met de

Guaviare eene breedte van zes- tot achthonderd meters.

In een glas ziet haar water grauw, rookkleurig: maar in de rivier zelve

is het water, door de massa, volkomen zwart. Een wit voorwerp, in de

rivier gedompeld, neemt op eene diepte van dertig duim eene goudgele

tint aan; op negentig duim diepte is het oranjerood. Dit water is

echter drinkbaar; te San-Fernando gebruikt men geen ander. Het vermengt

zich zeer goed met zeep, en bezit twee voortreffelijke hoedanigheden:

het houdt de muskieten en de kaimans op een afstand. Het verdient wel

vermelding, dat men nooit een dezer laatste dieren in den omtrek van

San-Fernando heeft aangetroffen, terwijl toch de Guaviare, die niet

meer dan achthonderd meters van de plaats verwijderd is, van kaimans

wemelt. Ik houd het voor zeker, dat de zwarte kleur van het water van

de Atabapo door organische stoffen veroorzaakt wordt, waarvan de ware

aard nog niet bekend is; al de visschen van deze rivier zijn eveneens

zwart van kleur. In haar leeft eene bijzondere soort van schildpad,

veel kleiner dan die van de Guaviare. De rio Atabapo komt van het

zuiden; zij opent een veel korter weg dan de Cassiquiare om de rio

Negro te bereiken. Na acht dagen varens en een marsch van nog twee

dagen komt men aan de rio Guaïnia, die meer benedenwaarts den naam

aanneemt van rio Negro.

De vaart over de rivier valt ons lang. De zwarte kleur van het

water geeft aan het landschap een eigenaardig vreemd karakter: de

kleuren en tinten der naburige voorwerpen schijnen veel helderder

en levendiger. Op den oever tegenover ons bevinden zich enkele

vrouwen, wier gele of blauwe japonnen ons letterlijk in het oog

steken.--Eindelijk bereiken wij den oever. Het gerucht onzer komst is

spoedig verspreid, want de aankomst van eene prauw is voor dit dorp

eene gebeurtenis van zeker gewicht. Is de prauw met Indianen bemand,

dan komen de kooplieden zich spoedig vergewissen, welke koopwaren zij

medebrengen. Maar wie kunnen deze blanken zijn, die van de Guaviare

komen? Geen enkel van de inwoners van het dorp is dien kant uitgegaan

om handel te drijven.

Vier of vijf personen spreken ons zeer beleefd aan, blijkbaar brandende

van begeerte om hunne nieuwsgierigheid bevredigd te zien. Hun kostuum

perst François een glimlach af: zij dragen een pantalon en daarover

heen een wijd loshangend hemd. Deze mannen zijn bleek, vermagerd, zwak,

de koorts ziet hun de oogen uit. Een enkele, een mulat wiens haar

reeds grijs begint te worden, ziet er gezond en welvarend uit. Zoo

als ons later bleek, is hij iemand van een zeer vroolijk humeur,

een pretmaker, die zeer tevreden is met zijn lot.

De waarnemende gouverneur, don Manuel Fuentes, is een man van

omstreeks vijftig jaar, bleek, uitgeteerd, met reeds grijzenden

baard en haar, en groote zwarte schitterende oogen, door zware

grijze wenkbrauwen overschaduwd. Hij spreekt goed en vlug, is zeer

vriendelijk en voorkomend, maar gevoelt toch blijkbaar al het gewicht

van zijne betrekking. Hij ziet onze papieren in, en wij deelen hem

het een an ander nopens onze reis mede, waarnaar hij met groote

belangstelling luistert. Hij spreekt ons breedvoerig over Michelena,

een venezuelaansch reiziger, die een boek heeft uitgegeven over de reis

van Humboldt, waarin hij, met zeer veel warmte, tracht te betoogen,

dat deze beroemde reiziger niet tot de bronnen van den Orinoco is

doorgedrongen. Mag men den hartstochtelijken kritikus gelooven, dan

zou Humboldt niet verder zijn gegaan dan tot de Guapo, op een of twee

mijlen afstands van Esmeralda en driehonderd mijlen boven den waterval

van de Guaharibos. De Guaharibo-Indianen zijn, volgens de bewoners van

San-Fernando, zeer vreemde wezens met een blanke huid en rood haar:

zij schilderen hen af als zeer wild en bloeddorstig en beweren dat

zij steeds ieder belet hebben, tot de bronnen van den Orinoco door te

dringen. Eenige jaren geleden liet Michelena zich tot gouverneur van

San-Fernando benoemen, uitsluitend met het doel om het onderzoek van

die rivier ten einde te brengen. In een zijner tochten op de Atabapo

werd hij door den val van een boom gedood. Hij was tachtig jaren oud,

en men kan hem althans geen gebrek aan ijver en energie verwijten:

in dat opzicht maakte hij vele jongeren beschaamd.

Het dorp San-Fernando heeft geene herberg: gelukkig kunnen wij onzen

intrek nemen in eene bouwvallige hut, die aan de voorzijde gestut

wordt en waarvan wij hopen mogen dat zij, zonder onvoorziene toevallen,

gedurende den tijd van ons verblijf overeind zal blijven staan. Onze

naaste buurman is de heer Mirabal, koopman, die bijna alle Indianen

uit de omstreken kent en die ons met hen in aanraking zal brengen,

als zij voor ons vertrek te San-Fernando komen. Hij neemt op zich,

het noodige voor onze tafel te leveren.

Voor onze hut staan twee breedgetakte ceibos, waaronder banken zijn

geplaatst: hier komen de aanzienlijken van het dorp des avond bijeen

om te praten. Van daar overziet men de Atabapo en de Guaviare;

zelfs kan men het punt onderscheiden waar de Guaviare zich met

den Orinoco vereenigt. Van welken kant ook prauwen of vaartuigen

mogen komen, steeds vallen ze hier aanstonds in het oog. Men praat

en keuvelt hier over alles, zelfs, o goden, over politiek! en dat

bij helderen maneschijn, en terwijl in den stillen plechtigen nacht,

daar beneden langs de oevers, de fakkels flikkeren der visschers die

op buit uitgaan.

Het dorp San-Fernando was vroeger van meer beteekenis dan

tegenwoordig. De ligging van het vlek is uitmuntend: juist op een punt

waar de Orinoco, de Guaviare, de Atabapo en de Ynirada om zoo te zeggen

elkander ontmoeten, en aan de twee wegen die naar de Amazone voeren,

hetzij langs de Cassiquiare, hetzij langs de Atabapo.

De bewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de exploitatie van

caoutchouc, gutta-pertja, en copahu. Het was een Franschman, de heer

Truchon, die eenige jaren geleden, den inboorlingen de exploitatie

van de caoutchouc leerde. In December gaan de Baniva-Indianen van

de Atabapo en de bewoners van San-Fernando naar de bosschen van

den Orinoco, boven de Vichada, om de "gomma" in te zamelen, die zij

vervolgens aan de voornaamste handelaren van het dorp verkoopen. Dezen

verkoopen op hunne beurt de caoutchouc te Bolivar. De vrachtprijs naar

deze stad is zeer hoog en bedraagt vijf-en-twintig percent van de

waarde der koopwaren bij vaartuigen met een inhoud van driehonderd

aroben, en vijftig percent bij kleinere vaartuigen.--Een arobe

staat gelijk met vijf-en-twintig pond.--Van de Cassiquiare zou men

gemakkelijker Manaos dan Bolivar kunnen bereiken; de vaart op den

Orinoco gaat met meer gevaren gepaard dan die op de rio Negro; maar

men zou dan met braziliaansch papier worden betaald en de handelaars

zouden bij de inwisseling belangrijk daarop verliezen. De hooge

vrachtprijs is niet alleen een gevolg van het lange traject, maar

ook van de gevaren der reis van wege de watervallen van Maypoures en

Atoure, die tusschen San-Fernando en de uitmonding van de Meta liggen.

Volgens de waarnemingen van Lejanne ligt San-Fernando

honderd-een-en-vijftig meter boven de zee. De wind waait uit alle

hoeken van den horizon en gaat dikwijls tot storm over. Eigenlijk

gezegde saizoenen heeft men hier niet. Het dorp is ongezond;

bijna voortdurend heerschen er koortsen. Muskieten vindt men er

weinig, maar des te meer vampyrs. De landbouw is hoogst gebrekkig en

onvolkomen. Sommige bijzonder bevoorrechten bezitten in den omtrek

plantages, die hun bananen opleveren; men rekent op de Indianen, om

zich van cassave en maniokmeel te voorzien. Het dorp bezit niet meer

dan vijf of zes koeien, die vrij in den omtrek loopen te grazen, voor

zoo ver er gras te vinden is. Aan alle zijden wordt San-Fernando door

het woud omgeven, dat zich van de Atabapo tot den Orinoco uitstrekt,

en slechts hier en daar enkele, open plekken heeft, die met hoog gras

en struiken zijn begroeid.

De bewoners die thans in het dorp achtergebleven zijn brengen, naar

het schijnt, hun tijd in volstrekte ledigheid door: hunne siësta duurt

den ganschen namiddag. Veel tijd wordt aan het bad besteed. Uit onze

hut kannen wij de baders gadeslaan, die hun hart ophalen in de zwarte

wateren van de Atabapo. Op den tweeden dag na onze aankomst maakten

wij eene interessante wandeling in den omtrek van het dorp, waarbij

onze aandacht vooral getrokken werd door beeldwerk op granietrotsen

tusschen San-Fernando en de Guaviare, blijkbaar het werk van Indianen.

In den namiddag komen drie prauwen, door Baniva-Indianen bemand, te

San-Fernando; zij komen van het dorp Samutsida aan de Atabapo en gaan

den Orinoco opvaren om caoutchouc in te zamelen. Deze Indianen hebben

hunne gezinnen medegebracht. Waarschijnlijk brengt de caoutchouc

hun eene aardige winst op: althans zij dragen zeer nette en bijna

nieuwe kleederen. De mannen dragen hun hemd los boven hun broek. De

vrouwen zijn gedost in japonnen met schreeuwende kleuren; zij dragen

gekleurde kousen en stoffen laarsjes met verlakte punten, waarop

zij zeer trotsch zijn. In haar ooren prijken ringen van bijzonder

groote afmeting. Weldra worden de nieuw aangekomenen door de kooplui

in beslag genomen en rijkelijk op rhum onthaald: twee uren na hunne

komst zijn de mannen stomdronken.

Den trek der mannen naar alkohol en dien der vrouwen naar sieraden

kennende, kostte het ons hoegenaamd geene moeite de Indianen tot

ons te lokken. Lejanne maakte bijna aller portret. Wij onthalen de

mannen op een weinig rhum en verblijden de vrouwen met roodkoralen

halskettingen. Allen waren nu even begeerig om hun portret te

laten maken; men zag ons algemeen voor groote heeren aan, die

over schatten hadden te beschikken. Na de Baniva-Indianen kwam

de beurt aan de inwoners van San-Fernando, die zich mede wilden

laten conterfeiten. Wij kunnen onze verzameling nog vermeerderen

met afbeeldingen van Pouynavé-Indianen, zoowel mannen als vrouwen,

die langs de oevers van de rio Uaupés gevestigd zijn.

Den 23sten December hebben wij eindelijk eene equipage gevonden,

bestaande uit een schipper en twee roeiers, die, geholpen door Apatoe

en François Burban, in staat zullen zijn om de overdekte prauw te

besturen en te roeien, welke de heer Mirabal tot onze beschikking

heeft gesteld. Deze prauw heeft geene kiel; zij is gemaakt van een

hollen boomstam, dien men van een boord of borstwering en van een dak

van palmbladen heeft voorzien. De prauw, waarmede wij van Recifal

naar San-Fernando gekomen zijn, is niet geschikt voor de vaart op

den Orinoco in dit jaargetijde, want voorbij Santa-Barbara zullen wij

voortdurend met den wind en eene sterke strooming te worstelen hebben.

De heer Mirabal kan eerst den 27sten vertrekken: wij brengen dus

de Kerstdagen te San-Fernando door. De Kerstnacht wordt door een

eigenaardig voorval gekenmerkt. De te San-Fernando vertoevende Indianen

komen voor onze hut zingen en dansen, onder de telkens herhaalde kreten

van: "_Vivan los retratistos!_" Leven de portretschilders!--Wij geven

hun een flesch rhum.

Onder meer dan een opzicht biedt San-Fernando de Atabapo de gelegenheid

tot belangrijke waarnemingen en studiën, vooral ook op anthropologisch

gebied. Bovendien zou men hier eene rijke verzameling kunnen bijeen

brengen van visschen uit de Guaviare, den Orinoco, en de zwarte wateren

van de Ynirida en de Atabapo. Voor den botanicus zou de oogst hier

niet minder overvloedig zijn.

Den 27sten December, des avonds tegen half zes, verscheen Lejanne,

vergezeld van den heer Mirabal en van onze geheele equipage. Wij zijn

nu ruim voorzien van cassave, suiker, koffie en ook van rhum.

28 December.--Om zeven uur hebben wij onze koffie gebruikt, en zijn

wij op weg gegaan. De morgen is donker en mistig. Het bed der rivier

is bezaaid met groote rotsblokken in den vorm van bijenkorven, waarop

de hooge waterstanden een spoor van slib hebben achtergelaten, die

sedert verdroogd en verhard is. Een dier rotsen draagt den naam van

Castillo, uit hoofde van hare gelijkenis met een fort; wij gaan op

een naburig rotsblok aan wal, ten einde Lejanne gelegenheid te geven,

van dit Castillo eene schets te maken. Omstreeks vijf uren bereiken

wij den mond van de Mataveni, welke rivier wij opvaren. Wij zullen

langs hare oevers de Piaroa-Indianen ontmoeten, die nog geheel in

wilden toestand leven, en die ons zeer vermoedelijk beter zullen

bevallen dan de half beschaafde en netjes gekleede Indianen, die wij

te San-Fernando hebben leeren kennen.

De Mataveni maakt op tweehonderd meters van hare uitmonding plotseling

een scherpe bocht, veroorzaakt door groote vooruitspringende rotsen,

waarop wij den nacht willen doorbrengen. Juist toen wij bij de rotsen

kwamen, zagen wij twee prauwen naderen, met rotting geladen. Deze

prauwen worden bestuurd door Indianen, die in het dorp eenige inkoopen

hebben gedaan; wij roepen hen toe en noodigen hen uit, bij ons op de

rotsen te komen, maar zij houden zich als hoorden zij ons niet. Te

San-Fernando heeft men ons reeds gezegd, dat deze Piaroa-Indianen

alle aanraking met blanken vermijden.

Onze schipper zegt hun dat de heer Mirabal in eene tweede prauw

achter ons volgt. Deze naam werkt als een tooverspreuk, en de

beide vaartuituigen zetten onmiddellijk koers naar de rotsen. De

twee Piaroas, die zich in de eerste prauw bevinden, komen naar

ons toe, drukken ons de hand en vragen zelfs naar den staat onzer

gezondheid. Beide mannen zijn slank en rijzig van gestalte en dragen

niet zonder zekeren zwier hun hoogst eenvoudig kostuum, bestaande uit

eene menigte zwarte koordjes, van haar gevlochten, twaalf tot vijftien

duim breed en bij wijze van gordel om de lendenen geknoopt. Een schort

van wit katoen, door dien gordel omvat, hangt van voren tot op de

knieën, van achteren tot de kuiten. Zoowel van voren als van achteren

is dit schort met drie kwasten versierd. Om hunne polsen en beneden

hunne knieën dragen zij een koordje; in hunne ooren prijkt een schijfje

hout, ongeveer vijftien duim lang en zoo dik als een ganzeveder; aan

de achterste punt van dit schijfje of stokje hangt een kwastje van wit

katoen, waaraan drie lange tressen van blauw katoen zijn bevestigd,

die ieder weder met een wit kwastje versierd zijn. De haren zijn op

het voorhoofd kort afgeknipt, maar hangen van achteren langer. Zij

zijn behoorlijk gekamd. Een dezer Piaroas heeft op het voorhoofd en

op de wangen een streep van zigzaglijnen, gevat tusschen twee rechte

strepen, met _chica_ geschilderd. Deze barbaarsche versiering doet

echter geen afbreuk aan de zachte uitdrukking zijner groote zwarte

oogen; zijn geheele voorkomen teekent veeleer bescheidenheid en

schroom dan boosaardigheid.

Wij zijn niet enkel hier gekomen om Indianen te zien. Wij hebben

te San-Fernando vernomen, dat vlak bij den mond van de rio Mataveni

een aantal Indianen begraven liggen, en zeer gaarne zouden wij hunne

schedels en beenderen bezitten. Maar waar zijn ze te vinden? Een toeval

brengt ons op het rechte spoor. Een der Piaroas geleidt ons, Mirabal en

mij, naar het naburige dorp, terwijl Lejanne den anderen beschilderden

Indiaan uitteekent. De Piaroas zijn bezig met het braden van eene boa,

waarmede zij hun maal zullen doen. Men ontvangt mij aanvankelijk met

groote vriendelijkheid; maar het toeval wilde dat ik moest niezen,

en eensklaps weken allen die mij omringden terug. De vreesachtigsten

trokken zich tot een grooten afstand terug; de moedigsten houden

zich den neus dicht. Ik weet dat deze Indianen, die aan tering en

borstziekten onderhevig zijn, de blanken beschuldigen--en zeker niet

zonder grond--dat zij hun deze ziekten op den hals halen. Men verhaalt

mij van kooplieden, die eensklaps door hunne equipage verlaten werden,

omdat zij het ongeluk hadden te niezen en te hoesten. Ik vertrouw

deze Indianen maar half.--Wij keeren met onzen gids naar ons kamp

terug. Onderweg maakt onze Indiaan, die geen woord spaansch verstaat,

een gebaar, dat wij zeker allen meermalen door doofstommen hebben zien

maken, als zij den dood of den slaap willen aanduiden: hij buigt het

hoofd naar rechts, legt het op de vlakke rechterhand, en wijst met

de andere naar eene rotsgroep op den berg. Ik begrijp aanstonds dat

deze heuvel eene begraafplaats is. Ik spreek met Lejanne af, dat ik

morgen, vergezeld van Apatoe, voorgevende op de tapirjacht te gaan, de

graven zal gaan opsporen, terwijl hij de dorpsbewoners zal ontvangen,

die ons een bezoek zullen komen brengen.

Wij doen ons maal met gekookte en gebakken visch en met bananen in

schildpad vet gebakken: het een en ander besproeid met water uit

de Mataveni; vervolgens verkwikken wij ons met een kop koffie en een

glaasje rhum. Na den maaltijd legeren wij ons rondom het vuur en rooken

sigaren, waarvan wij de gaten met onze vingers moeten dichtstoppen. De

drie Indianen hebben zich bij ons gevoegd en deelen ons het een en

ander omtrent hun stam en hunne taal mede.

Den volgenden morgen, met het opgaan der zon, begeef ik mij op weg,

vergezeld van Apatoe; wij marcheeren uren achtereen zonder iets te

vinden; wij verwonden onze bloote voeten bij het beklimmen van den

rotsigen heuvel, dien wij op het nauwkeurigst onderzoeken. Op den top

zien wij eindelijk een soort van hangenden steen, die ons op het hoofd

dreigt te vallen: Apatoe zegt tot mij: "Daar moeten wij de lijken

vinden." Eenige minuten later ontdekken wij onder de overhangende

rots drie in boomschors gewikkelde voorwerpen: wij snijden de koorden

door en zien nu drie fraaie mummies met halskettingen, sieraden en

een hangmat. Naast elke mummie staat een aarden pot of kruik, die,

zoo als ik later vernam, couria bevatte, opdat de doode zijn dorst

zou kunnen lesschen. Apatoe wikkelt onzen schat in een korf of mand,

die hij van palmbladeren vervaardigt, en wij keeren naar boord terug.

Meer dan twintig Indianen hebben zich gedurende onze afwezigheid

op den oever verzameld en koopen van den heer Mirabal verschillende

dingen; bijna al die Indianen lijden aan huidziekten. Lejanne heeft

er twee uitgeteekend. Maar eensklaps wordt hunne aandacht getrokken

door de zonderlinge lading, die wij aan boord hebben, en die zij

met achterdochtige blikken beschouwen. Het wordt hoog tijd om te

vertrekken, hetgeen wij dan ook aanstonds doen.

Omstreeks vijf uur bereiken wij eene granietrots aan den linker oever,

waarop wij den nacht doorbrengen.

30 December.--Mieren hebben het garneersel van mijn hoed weggevreten,

en ook den hoed zelven niet ongeschonden gelaten. Zal hij het tot

Bolivar uithouden? Ik hoop het: hij is een oude kameraad, op wien ik

gesteld ben. Hij is de Andes overgetrokken, heeft de raudals van de

Goyabero getrotseerd, en altijd trouw zijn plicht gedaan door mij

voor zonnesteken te behoeden. Hij is niet mooi meer: maar een goed

hart is meer waard dan een mooi gezicht.

Tegen twee uren in den namiddag ontmoetten wij, dicht bij den mond

van de rio Sipapo, eene prauw met Piaroa-Indianen, van wie wij eene

levende iguane-hagedis koopen en een flesch met curare--het vergif

waarmede zij hunne pijlen vergiftigen--die Apatoe te midden van

hunne bagage ontdekt. Wij beginnen de heuvelreeks te onderscheiden,

die den waterval of de stroomversnelling van Maypoures veroorzaakt,

en waar wij omstreeks vijf uren aankomen. Wij bevinden ons in

een doolhof van rotsige eilandjes; een daarvan is geheel uit zand

gevormd, dat door verspreide granietblokken wordt opgehouden. Daar

woont een onzer Indianen; zijne hut bestaat uit eenige palmbladen

op stokken rustende. Wij laten een eend braden; Lejanne en Apatoe

geven de voorkeur aan de iguane, die zij met zout en spaansche peper

toebereiden. In het lichaam van de hagedis vinden zij, tot hunne groote

blijdschap, niet minder dan drie-en-veertig eieren. Deze eieren zijn

langwerpig en zoo groot als duiveneieren; de schaal is minder hard dan

die van kippen- of schildpadeieren en laat zich met de hand eenigszins

kneden. Gekookt, smaken deze eieren zeer lekker.

31 December.--In den morgen laat ik mij met eene prauw naar eene

naburige rots roeien, die omstreeks honderd el boven het water

uitsteekt. Niet zonder moeite bereik ik den top, van waar ik de

geheele stroomversnelling van Maypoures kan overzien. De rivier, door

eene granietbank tegengehouden, heeft zich verschillende doorgangen

geopend. Schuimend en kokend stroomt zij, in onstuimige vaart, over

reusachtige trappen van graniet, waartusschen geweldige steenblokken

oprijzen. Ik sta hier op een uitmuntenden observatiepost: geene

enkele bijzonderheid ontgaat mijn blik. Na de plek goed bestudeerd en

mijne waarnemingen gedaan te hebben, keer ik naar Lejanne terug, die

inmiddels eene schets gemaakt heeft van de rivier boven den val. Wij

spreken af dat wij in den namiddag een bezoek zullen gaan afleggen

bij de Guahibo-Indianen aan den linker oever.

De Guahibo-Indianen zijn zeer talrijk en worden daarom door hunne

naburen ontzien en gevreesd. Hunne huid is donkerder van kleur dan bij

de andere indiaansche stammen in het gebied van den Orinoco. Zij wonen

langs de oevers van de Vichada en de Meta. Vooral de Guahibos langs de

Meta zijn zeer woest en roofzuchtig; in 1878 hebben zij een blanke, die

bij de monding van de Meta kampeerde, met zijn geheele gezin vermoord,

en dat uitsluitend met het doel om hem te bestelen. Zij maakten zich

meester van zijn geweer, dat hij in zijne prauw had achtergelaten,

en sloegen hem met de kolf dood. De kooplieden vereenigen zich dan

ook altijd tot eene kleine karavaan, wanneer zij bij hen handel

komen drijven.

Wij weten dat wij op den linker oever, omstreeks tien kilometers van de

rivier verwijderd, een dorp van Guahibo-Indianen zullen aantreffen. In

de nabijheid van dit dorp bevinden zich granietachtige heuvelen,

samenhangende met de keten welke den waterval van Maypoures vormt,

wier kale hellingen versierd zijn met beeldwerk, door de oude Indianen

daarin gegriffeld en de maan voorstellende; van daar de naam van

Cerro de la Luna, dien men aan deze heuvelen gegeven heeft.

Tegen een uur in den namiddag ga ik met Lejanne op weg. Een onzer

Indianen van gisteren zal ons tot gids dienen; nog een tweede gaat

met ons mede om onze hangmatten te dragen.

Na een zeer vermoeienden en bezwarenden tocht naderen wij het

dorp. Even voor wij het bereiken, zien wij eensklaps twee Indianen,

in hunne hangmatten gezeten, welke aan de boomen langs het pad zijn

opgehangen. Uit hunne wijde neusgaten vloeien onophoudelijk twee

zwarte walgelijk vieze beekjes. Zij komen naar ons toe en spreken

tot ons, maar dit spreken gaat zoo ongeloofelijk snel, dat wij in de

meening verkeeren dat zij slechts onzamenhangende woorden uitstooten,

zonder eigenlijk iets te zeggen. Een kind dat van het dorp komt keert

op zijne schreden terug, ongetwijfeld om kennis te geven van onze

nadering. Wij laten ons naar de hut van den hoofdman of kapitein

brengen. Deze kapitein, een mager man ondanks zijn vooruitstekenden

buik, lijdt aan huidziekte; hij ziet er overigens vrij zachtzinnig

uit. Hij ontvangt ons zeer vriendelijk, en biedt ons, bij gebrek van

cachiri of couria, met water vermengde cassave aan.

De bevolking van dit dorp, waarmede wij spoedig kennis maken, bestaat

uit ruim een half dozijn mannen, evenveel vrouwen, en zeven of acht

kinderen beneden de zestien jaren. De kleeding der mannen is dezelfde

als die der Piaroas. De vrouwen dragen eene soort van hemd zonder

mouwen; drie meisjes van veertien tot vijftien jaar hebben niets

anders aan dan een lapje katoen, zoo groot als een hand.

Naar het schijnt zijn deze lieden pas versch beschilderd. De mannen

zijn over het geheele lichaam met allerlei figuren in roode kleur

beschilderd; bij de vrouwen is alleen het gelaat op die wijze

uitgemonsterd. Ik zie dat bij alle mannen datzelfde vuile zwarte

vocht uit den neus vloeit. Elk oogenblik stoppen zij hunne neusgaten

vol met een zeker donkerbruin poeder, in kleur en reuk zeer veel

overeenkomende met zeer fijne snuif, en dat zij yopo noemen. Om dit

poeder te verkrijgen roosteren zij de groene bladeren van eene zekere

plant en maken die vervolgens met behulp van harde schelpen fijn.--De

avond valt; de Indianen zijn in het bezit van versche cassave en

van gedroogd vleesch: zij staan ons daarvan, in ruil tegen eenige

snuisterijen, zooveel af als wij voor ons maal noodig hebben. Na

gegeten te hebben, laten wij onze hangmatten aan de boomen ophangen

in de nabijheid van de hut van den kapitein.

Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 7 / 9 题