VII

16 November.--Bij het ontwaken lossen wij een schot, om den eigenaar

van de prauw te waarschuwen. Wij wachten een geruimen tijd; maar

aangezien niemand komt opdagen, vervolgen wij onzen tocht. Juist

toen wij ons hadden losgemaakt uit de saamgestrengelde takken en

planten, die den bodem der rivier nabij den oever bedekken en in

de ruimte kwamen, zagen wij twee Indianen in de prauw plaats nemen

en naar ons toekomen. In voorkomen en kleeding gelijken zij op al

hunne landgenooten, die wij reeds ontmoet hebben; zij verstaan een

weinig spaansch, waaruit blijkt dat zij somwijlen met blanken in

aanraking komen. Zij beweren noch San-Martino, noch San-Fernando

te kennen, hetgeen mij ongeloofelijk voorkomt; ik houd het er eer

voor, dat zij ons geene inlichtingen willen geven. Vermoedelijk

zullen zij van hunne ontmoetingen met de blanken minder aangename

herinneringen hebben overgehouden, en herhaaldelijk bedrogen en

mishandeld zijn geworden. Immers, bij de aanrakingen van den wilde

met de zoogenoemd beschaafden, is de eerste steeds de lijdende

partij. De blanken treden op als heeren en meesters en maken van

de onwetendheid van den wilde gebruik, om hem zooveel mogelijk te

bedriegen en te berooven. Een koopman beroemde er zich tegen ons op,

dat hij voor de stop van een karaf, waaraan hij groote tooverkracht

toeschreef, tien manden met couac (gebrand maniokmeel), ter waarde

van honderd francs, had gekregen. Het gezin van den inboorling wordt

al even weinig geëerbiedigd als zijn eigendom. Het is dus inderdaad

niet te verwonderen dat de Indiaan weinig sympathie voor de blanken

gevoelt. Zoodra hij een bijl, een hakmes, een handvol kralen voor

halssnoeren, en eenige stukken katoen bezit, houdt hij zich buiten

bereik van de gewetenlooze handelaars, die hij veracht en verfoeit. En

in de oogen der Indianen, met wie wij in aanraking komen, zijn wij

niet anders dan handelaars.

Onze twee roodhuiden zullen, tegen belooning van een mes, met ons gaan

tot het naaste dorp, dat niet ver verwijderd is. Sedert een half uur

varen wij naast elkander voort, toen wij nog eene andere prauw zagen

aankomen, waarin een Indiaan met zijn gezin is gezeten. Wij roepen hem

aan, en hij komt tot ons; zijn dorp ligt in de nabijheid, hij zal er

ons heen geleiden. Ons gesprek wordt in het spaansch gevoerd. Terwijl

wij met hem spreken, hebben de andere Indianen zich verwijderd,

onzen vischhengel medenemende.

Onze nieuwe vriend neemt ons op sleeptouw; zijne vrouw en hij pagaaien

met alle kracht. Het verwondert mij, dat hunne zeer smalle en zeer

onvaste prauw niet omkantelt. Eindelijk bereiken wij zonder ongeval

eene kreek aan den rechter oever der rivier. Aan den ingang liggen

twee reusachtige kaimans op de wacht, die in dit vischrijke water

overvloedig voedsel kunnen vinden; met hunne ziellooze onbewegelijke

oogen staren zij ons spookachtig aan. Bij de nadering van het vlot

zijn zij even onder gedoken, om langzamerhand op dezelfde plaats weer

te voorschijn te komen.

Wij maken ons vlot vast aan den rechter oever van de kreek, en bekijken

onze nieuwe makkers wat nauwkeuriger. De Indiaan is een jonkman

van omstreeks vijf-en-twintig jaren, met een innemend voorkomen en

welgemaakt van gestalte. Hij is daarbij zeer zindelijk. Zijne huid

is bruinachtig geel van kleur, niet donker. Hij draagt den gewonen

hoofdband en de kniebanden van palmbladeren; in zijne ooren heeft

hij stukjes riet gestoken, waarvan het eene einde met roode vederen

is versierd.

Zijne vrouw heeft regelmatige trekken, en moet indertijd schoon

zijn geweest, maar zij is reeds verwelkt, hoewel zij niet veel

ouder kan zijn dan haar man. Zij draagt het hemd of liever den zak,

waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, en dat hier en daar rood is

geworden. Ik koop dat hemd van haar voor een lap katoen. Zij toont

besef van kieschheid: niet dan met moeite kan haar man haar bewegen,

zich in onze tegenwoordigheid te ontkleeden.

De vrouw zal met de prauw de kreek opvaren, terwijl haar man Lejanne

en mij zal geleiden naar de plek, waar wij de kreek moeten oversteken,

om zijne woning te bereiken, welke niet ver verwijderd is en in eene

savane gelegen, waar een aantal Indianen zijn gevestigd. In blijde

stemming en hoog gespannen verwachting, gaan wij op weg naar het

dorp, waar zeker veel te zien en te leeren zal vallen. Geruimen

tijd volgen wij den oever van de kreek; onze weg voert ons onder

prachtige boomen, van wier stammen en takken weer krachtige wortels

uitschieten, die in den grond doordringen. De lianen vormen als het

ware een reusachtig netwerk, waardoor vooral Lejanne, uit hoofde van

zijn geweer, zich niet dan met moeite een weg kan banen. De grond, die

bij hoog water wordt overstroomd, is bedekt met eene laag vochtige klei

en draagt geen gras. Wij zien talrijke sporen van tapirs.--Nadat wij

ruim een kwartier geloopen hebben, staat de Indiaan eensklaps stil:

"el tigre!" roept hij. Hij heeft het dier zien wegvluchten en wijst

ons zijn spoor. Lejanne vuurt in die richting zijn geweer af, en wij

vervolgen onzen marsch.

Na verloop van drie kwartier komen wij aan het punt, waar wij de kreek

moeten oversteken. De Indiaan roept zijne vrouw, die geen antwoord

geeft. Wij wachten een kwartier: niemand verschijnt.

Wij beginnen ons zelven af te vragen, of men ons ook bij den neus

heeft gehad en of ons vlot in veiligheid is. Het schijnt ons vreemd,

dat wij zoo ver moeten loopen om eene hut te bereiken, die, naar men

zeide, vlak in de nabijheid lag. Ik besluit, naar onze makkers terug te

keeren, maar de Indiaan zal ons daarbij weer tot gids moeten zijn: want

tenzij wij de oevers van de kreek volgen, zullen wij onvermijdelijk

verdwalen, maar de tallooze kronkelingen der kreek zullen den weg veel

langer maken. Mitsdien geef ik hem last, ons naar het punt van uitgang

terug te brengen: hij schijnt mij niet te begrijpen. Lejanne pakt

hem bij de schouders en laat hem zoo onzacht rechts-om-keert maken,

dat hij aanstonds onze bedoeling vat. Eindelijk komen wij bij onze

kameraden, die in onze afwezigheid een heerlijk ragout van visch en

bananen hebben gereed gemaakt. Zij hebben die visschen gekocht van

een Indiaan, die in eene prauw voorbij voer. Onze gids is inmiddels

verdwenen zonder afscheid te nemen.

De Indianen van deze streek schijnen niet te vertrouwen; op hun

gunstig uiterlijk valt blijkbaar niet te rekenen. Als zij in grooter

getale bijeen waren, zouden wij het misschien hard te verantwoorden

hebben. Trouwens wij zijn tegenover hen steeds op onze hoede en hebben

onze wapenen altijd bij de hand.

Na ontbeten te hebben verlaten wij de kreek en hervatten onze langzame

vaart op de Guaviare.

Omstreeks half vijf bespeuren wij op den rechteroever eene groote

savane, die tot aan de rivier reikt; eene soortgelijke als die,

waar wij de eerste Indianen hebben ontmoet. In de verte zien wij twee

hutten; maar de dag is te ver gevorderd, om er nog heen te gaan. Wij

slaan ons kamp op aan den hoek van het bosch, en verbergen ons vuur

en onze hangmatten tusschen het hoog geboomte, want wij zijn in het

minst niet gesteld op nachtelijke bezoeken. Wij hebben onzen laatsten

voorraad vleesch verbruikt. Moge Diana ons gunstig zijn!

17 November.--Om zes uur vuurt François een geweer af. Lejanne

en ik komen uit het bosch te voorschijn en betreden de savane. Er

hangt een dichte nevel, die ons verhindert tien pas voor ons uit te

zien. Wij bepalen zoo goed mogelijk de richting der hutten en midden

door het hooge gras voortstappende, vinden wij weldra een pad, dat

er ons heenbrengen zal. Maar naar het schijnt, buigt ons pad naar de

rivier af; wij verlaten het dus en betreden nu een terrein, waar men

het gras eerst onlangs heeft verbrand. De zon is inmiddels opgegaan

en kleurt den nevel met prachtige roode tinten. Half onzichtbaar,

spookachtig, vertoonen zich de schemerende gestalten van enkele

boomen, in de savane verspreid. Eindelijk, naarmate de zon hooger

rijst, trekt de nevel weg. Wij bespeuren nu aan onze linkerhand een

Indiaan, die met de pijlen over den schouder, langs de rivier gaat,

in de richting van ons kamp, op eenigen afstand gevolgd door zijne

vrouw en twee kleine kinderen. Wij roepen hem aan en zijn weldra aan

zijne zijde. Het is een stevige kerel, de grootste van alle Indianen,

die wij tot dusver ontmoet hebben; een krachtig gebouwd man, met

breede schouders en gespierde armen en beenen. Hij is aanstonds

bereid om ons naar de hutten te geleiden; maar toch is er iets, wat

mij niet bevalt en weinig goeds schijnt te voorspellen. Onze vriend

brengt ons naar de verst afgelegen hut, terwijl zijne vrouw zich zoo

snel mogelijk naar de naast bij gelegene begeeft. Blijkbaar wil zij

het een of ander verbergen voor dat de blanken komen, misschien wel

den aanwezigen mondvoorraad. Wij loopen haar na, maar zij is te ver

vooruit. Op onze beurt komen wij ook aan deze hut, die, even als in

de dorpen van de Andes, leemen wanden en een vooruitstekend dak heeft,

dat op palen rust. Deze zeer deftige hut wordt bewoond door een Indiaan

met een vrij goedig voorkomen, die een kleinen ronden hoed met smallen

rand bezit, waarmede hij zich bij onze verschijning aanstonds het

hoofd dekt. De man, die zich zulk een weelde kan veroorloven, heeft

ongetwijfeld onder de blanken verkeerd; hij zal in staat zijn ons

inlichtingen te geven, welke ons van groote dienst zullen zijn. Op

al onze vragen antwoordt hij: "Dat is er niet. Ik weet het niet." Wij

staan op het punt, ons boos te maken en gaan heen.

Wij begeven ons nu naar de andere hut, die zeer ruim is en geheel van

takken en bladeren vervaardigd. Zij wordt bewoond door drie Indianen

met hunne gezinnen, die ons met de uiterste koelheid ontvangen. Zij

hebben, volgens hun zeggen, noch vleesch, noch visch, noch bananen,

noch cassave. Daarentegen zijn zij in het bezit van een groot aantal

bogen, pijlen en lansen, die zij in de hand houden.

Wij keeren naar ons vlot terug, gansch niet gesticht over den

uitslag van onze lange en vermoeiende wandeling. Wij volgen een pad

dat langs de rivier loopt, en aan den oever op een aantal plaatsen

is afgebrokkeld; maar op onzen tocht door de prairie worden wij

geen enkel stuk wild gewaar. Wij hebben niets voor ons ontbijt:

wij moeten ons althans eenige visschen verschaffen voor ons diner,

en daartoe in de eerste plaats een vogel machtig worden om tot aas

te dienen. Bevallige zwaluwen vliegen om ons heen, over het hooge

gras heenstrijkende, onvermoeid op de insektenjacht. Wij hooren

de scherpe kreten van eenige jonge arenden, die geheel buiten ons

bereik zijn. Andere vogels zijn er niet, en reeds naderen wij ons

kamp. Lejanne schiet en treft een zwaluw, wier staart met twee lange

vederen is versierd. Toen onze makkers het schot hoorden, hebben zij

zich zeker met de hoop gevleid, dat wij een pecari, een patrijs of

eenig ander flink stuk wild zouden medebrengen: blijkbaar zijn zij dan

ook teleurgesteld, als zij onze povere vangst aanschouwen. Onze kok

stond al gereed, het wild te braden; nu kan hij niet anders doen dan

rijst koken en bananen klaar maken, die wij onderweg zullen oppeuzelen

en besproeien met water uit de Guaviare.

Dit is zeker een weinig voedzaam menu, maar het heeft althans een

voordeel: het jaagt u het bloed niet naar het hoofd, en is dus

zeer gepast voor menschen, die uren lang aan de brandende zon zijn

blootgesteld.

Intusschen drijft ons vlot langs de savane, waarvan de loodrechte oever

aan onze rechter hand een eindeloozen roodachtigen muur vormt van

omstreeks zes ellen hoog. Op de hoogte der hutten gekomen, zien wij

al de Indianen aan den rand der helling verzameld. Wij wenden zelfs

het hoofd niet naar hen om, maar houden hen toch in het oog, vast

besloten vuur te geven op het eerste blijk van vijandelijkheden, want

zij zijn allen gewapend en hebben twee prauwen tot hunne beschikking.

Het landschap is wanhopend eentonig langs deze rivier, die eene

geheele reeks regelmatige krommingen maakt. Aan den eenen kant is de

loodrechte holle oever bedekt met groote boomen en tallooze palmen,

die zich boven een roodachtigen muur schijnen te verheffen; aan de

andere zijde is de holle oever begroeid met laag hout en omzoomd

door eene zandbank, waarop een menigte kaimans zich in de zon liggen

te bakeren. De stroom loopt altijd langs den hollen oever, omgord

met aangespoelde boomstammen en takken, waartusschen vreesachtige

schildpadden huizen. Het water heeft eene vuile zwartachtig grauwe

kleur. Op zeer stille plekken is het bedekt met eene dunne vetlaag,

die metaalachtige tinten toont en waarboven vieze vlokken schuim

drijven. Over dit alles giet de zon een geelachtig licht uit; vooral

tegen den avond is de weerspiegeling van het zonlicht in het water

bij uitstek hinderlijk. Gedurende tien uren per dag zijn wij aan de

brandende stralen blootgesteld, zonder andere bescherming dan onze

panamahoeden, waarom wij een doek gewonden hebben. Die verraderlijke

stralen maken gebruik van het minste scheurtje in onze kleederen,

om onze huid te verbranden. Van tijd tot tijd maken wij ons haar nat,

om ons althans even te verfrisschen.

Tegen den avond van dezen dag vangt Lejanne een mooien mapourito, die

ons uitnemend te pas zal komen voor ons diner. Dan verbreedt zich de

rivier en splitst zich in twee armen, waartusschen zich eene zandplaat

verheft. De stroom voert ons naar den linkeroever, die met laag hout

is begroeid. Een soort reiger heeft de onvoorzichtigheid, zijn langen

hals uit te rekken en zijn kop uit de bladeren te steken. Apatoe

schiet hem neder, en gaat met de prauw den vogel halen, die wel een

zeer sterken onaangenamen stank verspreidt, maar waarmede wij toch,

bij gebrek van beter, ons ontbijt zullen doen.

20 November.--Sedert drie dagen komen wij bijna niet vooruit. Wij

ontmoeten een aantal eenden, maar zij zijn uiterst moeilijk te naderen,

en het gelukt ons niet dan na veel inspanning er vier te dooden. Met

versche bananen gekookt, moeten zij ons gedurende twee dagen voeden.

In den namiddag van den twintigsten barstte eensklaps een vrij

hevig onweer, met storm en regen los, maar nog eer wij stilhielden

om ons kamp voor den nacht op te slaan, was het op nieuw goed weer

geworden. Wij sturen ons vlot naar den oever, maken het stevig vast,

en beginnen de noodige toebereidselen te maken voor ons middagmaal en

voor ons nachtverblijf. Terwijl ik het vuur aanmaak, brengt François

het noodige gereedschap aan wal. Lejanne en Apatoe, die nu reeds eenige

werkzaamheden verrichten kan, ruimen met hunne hakmessen de struiken en

heesters op, zoodat wij de noodige ruimte krijgen voor ons kamp. Weldra

staat de ketel te vuur, met een prachtigen eendvogel en eenige stukken

van bananen. Het eenvoudig maal wordt gekruid door onzen honger.

Een smalle strook van violetkleurige wolken, de laatste overblijfsels

van de onweersbui in den namiddag, omzoomde den westelijken

horizon. Daarboven heeft de hemel een groene tint, waardoor eenige

rooskleurige strepen loopen. Niets evenaart de zuiverheid en fijnheid

dezer kleuren, die ook door het meest geoefende penseel niet zijn weer

te geven. Weldra valt de duisternis in; zooals men weet, duurt in de

tropische landen de duisternis maar kort. Wij gebruiken haastig ons

maal, want met den nacht komen de muskieten, die ons beletten na den

maaltijd nog lang te blijven praten. Ieder zoekt zijne hangmat op en

zoekt een veilig plaatsje achter zijn muskietenscherm.

Wij vallen spoedig in slaap, maar worden gewekt door een hevigen

donderslag. Welhaast valt de regen in stroomen neder. Lejanne en

François verlaten hunne hangmatten, aan hooge boomen opgehangen,

die den bliksem zouden kunnen aantrekken. Geen enkele stof, hoe

waterdicht ook, is tegen zulke regens bestand. Wij zijn in een

oogenblik doornat en rillen van de koude. Niemand spreekt een woord:

in stompzinnige onverschilligheid laten wij ons door deze waterplassen

overstelpen. Deze regen duurt, met geringe afwisseling in hevigheid,

tot aan den morgen.

21 November.--Wij ontmoeten langs de oevers zoogenoemde morichépalmen,

waarvan Apatoe verzekert, dat zij alleen aan de mondingen der

groote rivieren groeien. Is dat zoo, dan zouden wij niet verre van

San-Fernando zijn. Maar de Angostura dan? De twee engten, die wij

zijn doorgeworsteld, zouden dan toch de Raudal en de Angostura zijn

geweest. Ik begin het inderdaad te gelooven, vooral toen, in den

namiddag, Apatoe mij een groot aantal vogels wijst, sasa genaamd,

die in een boschje aan den linkeroever een luid geschreeuw doen

hooren. Men is zoo licht geneigd, te gelooven wat men hoopt.

Lejanne is echter van eene andere meening. Wij hebben het groote eiland

Amanaveni, dat op de kaart van Codazzi voorkomt, nog niet bereikt,

en volgens hem staat de Angostura ons nog te wachten. Het gelukt mij

niet, hem van meening te doen veranderen, ofschoon ik hem onder het

oog breng, dat de italiaansche geograaf zijne kaart van de Goyabero

niet naar eigen waarneming, maar naar inlichtingen van derden heeft

vervaardigd.

In den morgen van den twee-en-twintigsten bemerken wij een prachtigen

jaguar, die rustig onder het kreupelhout langs den oever ligt. Ieder

weet, dat op het water de voorwerpen veel dichter bij schijnen dan

zij inderdaad zijn. Lejanne zendt op den jaguar een kogel af, die

hem niet treft. Hoogstens heeft het schot hem eenigszins verschrikt;

onbewegelijk blijft hij ons aanstaren. François schiet op zijn beurt,

eveneens zonder vrucht. Het dier staat nu langzaam op en trekt zich

in het hooge gras terug.

In ons kamp hooren wij tot tweemaal toe het gebrul van een

jaguar. François houdt niet van die muziek. Apatoe heeft er schik

in hem nog banger te maken door allerlei verhalen van hetgeen de

tijgers in zijn land al durven doen; hij vertelt van kinderen, die

uit het dorp werden weggesleept, van honden, die in het kamp onder de

hangmat van hun meester werden overvallen. Lejanne tracht hem gerust te

stellen door de verzekering, dat de zoogenaamde amerikaansche tijger

een volkomen onschadelijk dier is, vergeleken met zijn geduchten

naamgenoot uit Achter-Indië. Gelukkig stelt François een onbegrensd

vertrouwen in de koelbloedigheid en behendigheid van Lejanne; iederen

avond hangt hij zijne mat in de nabijheid van die van dezen geoefenden

schutter. Als voorzorgsmaatregel maken wij twee groote vuren aan,

die wij beurtelings gedurende den nacht zullen onderhouden.

23 November.--Bij het ontwaken worden wij gewaar, dat ons vuur sints

lang is uitgedoofd; wij hebben geslapen als volmaakt rechtvaardigen. In

den loop van den dag ontmoeten wij een onnoemelijk aantal schildpadden;

in rijen van tien of twintig te gelijk liggen zij op de lage zandige

oevers of op gestrande boomstammen. Deze schildpadden, bij de

Venezuelanen onder den naam van térékaï bekend, zijn zeer schuw; bij

onze nadering gaan zij in geregelde orde te water, en leggen daarbij

eene vlugheid aan den dag, die men niet van haar verwachten zou.

Die schildpadden smaken uitmuntend, maar om ze meester te worden,

zouden wij pijlen moeten hebben, die gemakkelijk haar schild kunnen

doorboren en waarvan de lange, boven het water uitstekende schacht

tegelijk het spoor van het getroffen dier aanwijst. Met onze

vuurwapenen kunnen wij ze zonder moeite dooden, maar als zij in

het water vallen zijn zij voor ons verloren. Onze patronen zijn te

kostbaar om ze te gebruiken voor eene jacht van zoo onzekeren uitslag.

27 November.--Wij hebben sedert verscheidene dagen geen Indianen

ontmoet. De vaart is wanhopend vervelend en eentonig; eerst heden

komt daarin eenige afwisseling door den aanblik van eenige heuvelen,

die zich in blauwe omtrekken tegen den hemel afteekenen. In den

namiddag varen wij tusschen die heuvelen door. De rivier versmalt

zich op dat punt en vormt meer benedenwaarts eenige draaikolken,

waarvan de passage bij hoog water zeer bezwaarlijk moet zijn. Wij zien

voor ons een heuvel van tweehonderd el hoog en vijf à zeshonderd el

lang; na dien heuvel omgevaren te zijn, komen wij aan eene tweede

versmalling der rivier, gevolgd door een sterker draaikolk dan de

eerste was. Wij meenen ditmaal inderdaad, de Angostura van Codazzi

te zijn gepasseerd. Dit was echter niet het geval.

Omstreeks half zes bereiken wij haar werkelijk; wij weten nu ook voor

goed waar wij ons bevinden. Wij varen wederom een nauw kanaal binnen,

geheel overeenkomende met de twee andere, die wij reeds achter den rug

hebben. Dit kanaal is even lang, maar breeder dan de vorigen. Aan

iedere zijde is de rivier omzoomd door een bank van zandsteen,

twee à drie ellen hoog en vijf à zes ellen breed, waarachter zich

een zeer steile heuvel verheft, die op sommige plaatsen letterlijk

een loodrechten wand vormt. Talrijke watervalletjes dalen van den

heuvel naar beneden en hebben zich in den zandsteen een bedding

uitgegraven. De plantengroei draagt het karakter van den rotsigen,

steenachtigen bodem: de boomen zijn knoestig, gekromd en niet

uitgegroeid. Vele dezer boomen staan in bloei en vormen met hunne

paarse, rooskleurige, witte en gele bloesems als het ware een

reusachtig bouquet ter wederzijde van de rivier.

Het was donker, toen wij den uitgang van de Angostura bereikten. Wij

bivakeeren op een groot rotsplateau, waarop geen enkele boom staat om

onze hangmatten aan te bevestigen. Wij slapen dan ook op den harden

grond. Het ontschepen van onze bagage vordert veel tijd en moet

bij kaarslicht geschieden. Gelukkig vinden wij nog eenig brandhout,

zoodat wij vuur kunnen aanleggen, waarop wij een eendvogel braden,

dien wij zonder eenige toespijs gebruiken, want onze voorraad mais is

opgeteerd. Na dien roofdierenmaaltijd wikkelen wij ons in onze dekens,

en strekken ons op de rots uit, met de voeten naar het vuur gekeerd.

28 November.--Ten zes ure gaan wij weder op weg. Het is ter nauwernood

dag, want de hemel is bewolkt. De tusschen hooge boorden ingesloten

rivier schijnt bijna zwart; groote vlokken geelachtig schuim drijven

op het water. Wij ontdekken langs den oever prachtige maripapalmen:

het komt mij voor, dat de kool van dien palm, gekookt, eene zeer

geschikte spijs zal zijn. Apatoe en François wapenen zich met een bijl,

gaan in de prauw en varen naar den oever om een dezer boomen van zijne

kool te berooven. Middelerwijl zetten Lejanne en ik den tocht met het

vlot voort: onze makkers zullen ons gemakkelijk kunnen inhalen. Na

verloop van een half uur, zien wij op korten afstand voor ons groote

ronde rotsen, die een dam in de rivier vormen, welke bijna de geheele

breedte beslaat. Schuimend en kokend stroomt het geperste water langs

beide zijden weg. Wij zijn ons onzer onbekwaamheid te goed bewust,

om zonder onze makkers den doortocht te beproeven, en sturen het vlot

naar den rechteroever, waar wij hunne komst afwachten.

Met hunne hulp komen wij ook dien hinderpaal te boven. Dan worden

wij door den stroom aangegrepen, en medegesleurd naar eene tweede

Angostura, nog gevaarlijker dan de eerste. Zij is smaller; de oevers

zijn hooger, en de snelheid van den stroom is grooter. Omstreeks

halverwege bevindt zich een zeer gevaarlijke draaikolk, dien wij

slechts met inspanning van alle krachten kunnen vermijden. Kwamen

wij met ons vlot binnen zijn bereik, dan zie ik niet hoe wij zouden

kunnen ontsnappen.

Wij vorderen niet dan zeer langzaam en bereiken niet dan met moeite

het uiteinde van het kanaal. Daar verbreedt de rivier zich weer. De

wind is ons tegen en er gaat eene sterke branding; wij komen bijna

niet vooruit. Om zes uren maken wij ons kampvuur aan onder den lommer

van een reusachtigen boom, waarvan de zware wortels hoog boven den

grond uitsteken en voor een deel tegen den stam zijn aangedrukt. Uit

het dichte gebladerte daalt een regen van kleine vijgen op ons neer,

losgewoeld door de rustelooze bewegingen van drommen van apen, aras

en parkieten. De eersten springen van tak tot tak en nemen de wijk in

het bosch, onder het uitstooten van snijdende, gillende kreten en het

ruischen der bladeren. Lejanne doodt een couicoui en een parkiet. Wij

doen ons maal met een gedroogden eendvogel en gekookte palmkool.

29 November.--De rivier heeft, ter plaatse van ons bivak, eene breedte

van zeshonderd-zeventig el, waarvan niet minder dan vijfhonderd el

wordt ingenomen door eene zandbank, die bij hoog water onderduikt. Bij

ons vertrek regent het een weinig. Omstreeks acht uur maakt Apatoe

ons opmerkzaam op een plaats, waar boomen geveld zijn. Inderdaad

strekt zich een open plek tot aan de rivier uit; naar het schijnt,

wordt die plek ingenomen door bananen. Met kloppend hart zetten wij

koers naar deze plek. Als wij eens teleurgesteld werden in onze

verwachting, menschen te zullen ontmoeten? Ons vlot gaat veel te

langzaam naar onzen zin: wij zouden het vleugelen willen aanbinden,

en het beweegt zich ter nauwernood. Ik neem mijn kijker en bemerk

een half verkoolden boomstronk, die deels over den oever hangt, en

vervolgens een tros bananen. Hoezee! Daar is het beloofde land! Maar

hoe zullen de bewoners des lands ons ontvangen? De ontberingen van

de laatste dagen hebben ons zoozeer opgewonden, dat wij niet zouden

aarzelen, ons met geweld het noodige te verschaffen, ingeval men

mocht weigeren ons levensmiddelen te verkoopen. Gebrek is een slechte

raadgever. Eendvogels walgen ons: de bedorven mais, die wij gedurende

de laatste dagen gegeten hebben, heeft ons ziek gemaakt. Daar vóór ons

is een bananenplantage.... Wij zullen betalen wat men ons wil vragen:

maar tot iederen prijs moeten wij van die vruchten hebben.

Wij varen langs eene zandbank, die aan de landzijde door kreupelhout

is begrensd. Wij bespeuren op den grond eene mat van palmbladen, die

over hoepels is gespannen en waarschijnlijk als bedekking moet dienen

voor eene groote prauw; vervolgens eene hut, waarvan het overhangende

dak te midden van het groen ons aan een chalet denken doet.

Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, terwijl Apatoe met mij in de

prauw stapt en mij haastig naar de hut roeit. Wij volgen gedurende

eenigen tijd eene kreek, die zich hier in de rivier uitstort. De

Indianen zijn in het eerst verschrikt weggevlucht, maar zij keeren

toch weldra terug; ik zend twee hunner met eene prauw, om ons vlot

op sleeptouw te nemen, dat anders de kreek niet zou kunnen opvaren,

hoe zwak de stroom ook moge zijn. Ik wacht mijne reisgenooten aan de

aanlegplaats af.

Weldra bereiken wij het dorp, dat Mapiripan heet, even als de kreek

waaraan het gelegen is. Het bestaat uit drie hutten, waarvan slechts

eene van de rivier zichtbaar is, en die door vier Indianen met hunne

gezinnen worden bewoond. De oudste is een forsch gebouwd man met

eene breede borst en een goedig voorkomen; zijne huid ziet geheel

blauwachtig ten gevolge van eene in deze streken inheemsche huidziekte,

carathes genoemd. Een ander, omstreeks vijf-en-twintig jaar oud,

lijdt aan anderendaagsche koorts: ik win zijn vertrouwen, door hem

wat kinine te geven. Een derde, klein van gestalte en met gekromden

rug, schijnt mij toe zeer beperkt van geestvermogens te zijn. Hij

draagt den zeer onpassenden naam van Narcissus. Met uitzondering van

dezen laatste, dragen de mannen pantalons en hemden. De ongelukkige

Narcissus heeft niets anders dan een ellendigen poncho van het bekende

inlandsche fabrikaat.

De handelaars van San-Fernando verschijnen hier telken jare eens of

tweemaal. Zij worden nu elken dag verwacht, en onze Indianen hebben

den noodigen voorraad van cassave en couac (gebrand maniokmeel)

gereed gemaakt, dien zij aan hunne bezoekers moeten verkoopen.

Zij staan ons eene mand met cassave en eene mand met couac af, benevens

bananen, pompoenen, twee schildpadden en tabak: een en ander in ruil

voor eenige hakmessen, scharen, messen, naalden en vischhaken. Wij

koopen bovendien nog schildpadvet en suikerstroop: deze laatste zal

ons uitstekend te pas komen, want wij hebben eene zekere hoeveelheid

ongemalen koffie, die wij nu zullen kunnen gebruiken.

Weldra smullen wij aan eene schildpad met in de asch gestoofde

bananen. Onze Indianen geven ons cachiri van bananen te drinken. En wij

kunnen ons de weelde veroorloven, gedroogde tabaksbladeren te rooken!

30 November.--Met het aanbreken van den morgen zijn wij allen weder

bijeen. Ik koop eene prauw, die groot genoeg is om ons op te nemen,

zoodat wij ons vlot kunnen verlaten. Bovendien koopen wij nog eene

hangmat, een boog, pijlen en vaatwerk, dat de Indianen van klei

vervaardigen, die zij met de asch van zekere boomschors vermengen.

Allen zijn op eene of andere wijze bezig. De eigenaar van de hut,

waarin wij vertoeven, houdt zich onledig met het maken van een steel

voor een bijl, die wij hem in ruil gegeven hebben. Hij werkt daaraan

op zijn uiterste gemak, en wrijft en polijst het hout met al de

behagelijke kalmte van iemand, voor wien de tijd hoegenaamd geene

waarde heeft.

De vrouwen zijn met huishoudelijken arbeid bezig. De eene, met een

hakmes gewapend, maakt maniokwortels schoon, en weet daarbij het

gevaarlijke instrument zeer behendig te hanteeren. Eene andere vrouw

maakt de ontbolsterde bananen fijn. Op den grond zittende, neemt

zij een banaan in elke hand en wrijft ze met groote snelheid over

eene soort van rasp, die zij tusschen hare knieën houdt. Deze rasp

bestaat uit een eenigszins hol plankje, waarop met een soort van lijm,

scherpe stukjes kwartz zijn bevestigd, die als tanden dienst doen. Is

deze arbeid afgeloopen, dan doet men de brei in eene lange buis of

darm van fijn gevlochten riempjes, die in het spaansch den naam van

_Couleuvra_ draagt. Het bovenste gedeelte van deze couleuvra wordt

met een houten stop gesloten, en vervolgens wordt de worst--om ze zoo

eens te noemen--aan een balk opgehangen. Aan het benedeneinde van de

couleuvra is een ring bevestigd, waarin een hefboom gestoken wordt,

die met het andere einde aan een naburigen pijler is vastgemaakt. Door

den hefboom te bezwaren, wordt de couleuvra saamgeperst en daardoor

het vergiftige sap uit de brei verwijderd. Vervolgens laat men de

gelei gedurende vier-en-twintig uren gisten.

Om cassave te maken, spreidt men de brei in lagen in eene schaal,

die op een soort van oven wordt geplaatst, waarin een goed vuur wordt

onderhouden, dat echter niet te heet mag zijn. Op deze wijze verkrijgt

men koeken, die, om goed te blijven, in de zon moeten worden gedroogd

en vervolgens op eene droge plaats bewaard.

Onze Indianen geven ons een drank, gemaakt van zoete pataten en maniok,

welke met water vermengd en tot gisting gebracht worden. Deze drank,

couria genoemd, wordt niet gefiltreerd, is geelachtig, klonterig en

zeer dik; hij ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt inderdaad

zeer goed.

Wij kunnen hier gelukkig inlichtingen bekomen, die ons ten zeerste

van dienst zijn: San-Fernando ligt op veertien dagreizen afstands van

Mapiripan. De Indianen, waarmede wij vroeger in aanraking zijn geweest,

de Mitouas, staan hier niet hoog aangeschreven en worden als wilden

(bravos) beschouwd. Onze vrienden deelen ons zonder aarzeling mede, dat

zij zelven den naam dragen van Piapocos, hetgeen toucan beteekent. Het

is eene zeldzaamheid, dat een Indiaan een vreemdeling den naam van zijn

stam bekend maakt; doorgaans verneemt men dien naam eerst van de buren.

In den namiddag brengt François onze bagage in de prauw over. Ons

nieuw gekocht vaartuig heeft eene lengte van tien el zes palm,

eene breedte van een el tien duim, en is van een enkelen boomstam

gemaakt. De voor- en achtersteven, die een weinig oploopen, zijn

met plankjes afgesloten. In het midden zijn, even boven den bodem,

dwarsbalkjes aangebracht, waarop een bamboezen vloer of dek rust:

onze bagage zal daar geen hinder hebben van het water, dat altijd

in zulk eene prauw doordringt. Een gedeelte van dit dek blijft vrij:

Lejanne en ik zullen daar, onder het dak van palmbladen, dat ongeveer

een derde van ons vaartuig overdekt, eene schuilplaats kunnen vinden

tegen de brandende zonnestralen. Deze prauw is wel wat zwaar voor

twee roeiers; gaarne zouden wij een onzer kloeke Piapocos overhalen

om met ons te gaan, maar zij zijn daartoe niet te bewegen.

Even als den vorigen dag, begeven zich de Indianen des avonds naar

het strand en laten de hutten tot onze beschikking.

1 December.--Het regent den ganschen nacht; tegen het aanbreken van

den dag houdt de regen wat op, en tot onze verbazing keeren onze

Indianen terug met geheel droge kleederen.

De ongelukkige Narcissus doet wat hij kan om zich aangenaam te maken;

hij brengt ons zoete pataten en vervolgens zoete maniok. Wij beloonen

zijn ijver en goeden wil door hem een hemd ten geschenke te geven, dat

hij aanstonds aantrekt. Blijkbaar hebben wij hem gelukkig gemaakt: zijn

onnoozel gelaat straalt van eene blijdschap, die ons zelven goed doet.

Omstreeks tien uren nemen wij afscheid van onze vrienden, en werpen

een laatsten blik op ons vlot, dat nu, ledig en onttakeld, een vrij

treurige figuur maakt. Wij zullen het niet gauw vergeten, want het

heeft ons onschatbare diensten bewezen en meer dan eens ons leven

gered.

Wij zijn nu op weg naar San-Fernando; wij vorderen goed en hebben

levensmiddelen voor vele dagen.

Tegen den avond komen wij aan de monding eener rivier, die zich aan

den linkeroever in de Guaviare uitstort. Op den hoek tusschen de beide

rivieren verrijst een heuvel, op welks top eene hut is gebouwd. Wij

varen een eind weegs de rivier op, om ons van hare beteekenis

rekenschap te kunnen geven. Hare breedte bedraagt honderd-vijftig el;

de strooming is zeer sterk, en naar het schijnt, is de rivier buiten

hare bedding getreden, want de struiken en heesters langs de oevers

staan halverwege in het water. De aanlegplaats schijnt verlaten,

want de grond is met hoog gras en struiken begroeid.

Ongetwijfeld is de hut onbewoond, want ons roepen en onze geweerschoten

blijven onbeantwoord. Zij is te ver van den oever verwijderd, om haar

als nachtverblijf te kunnen gebruiken. Daar de diefachtige neiging der

Indianen ons bij ondervinding bekend is, zou het zeer onvoorzichtig

zijn, ons te ver van de prauw te verwijderen. Wij zakken de rivier weer

af, en slaan ons kamp een weinig lager op, aan den linkeroever van

de Guaviare. Ik heb de koorts; Lejanne is geheel uitgeput; François

lijdt aan hevige buikpijnen; Apatoe alleen is in goeden welstand:

zijne wond geneest.

2 December.--Wij drinken koffie met suikerstroop, en vinden dat

heerlijk: alles is betrekkelijk in deze wereld.

Tegen half twee bespeuren wij op den zandigen oever een van takken

gemaakt afdak. Wij gaan aan land, vermoedende dat de eigenaars van deze

soort van hut niet verre zullen zijn; in dat vermoeden worden wij nog

meer bevestigd bij het zien van eene kip en twee aarden kruiken. De

Indianen nemen hunne hoenders op reis mede: zij eten die vogels niet,

maar houden ze enkel voor hun vermaak, zooals men elders papegaaien

en kanarievogels houdt. In de groote aarden kruiken bewaren zij

het vet der schildpadden of de gom, die uit verschillende boomen

in hunne bosschen vloeit. Ons roepen en schreeuwen blijft evenwel

onbeantwoord; wij begeven ons weder op weg, na den kip eenig voedsel

te hebben toegeworpen

Kort daarop ruiken wij een sterke muskuslucht: Apatoe luistert: op

den linkeroever bevindt zich eene kudde pecaris. Wij gaan aan land;

Lejanne en Apatoe nemen hun geweer. Nauwelijks zijn zij een twintig pas

in het woud doorgedrongen, of zij zien een dertigtal dezer dieren voor

zich, die met groot gerucht hunne tanden op elkander slaan. Lejanne

gaat voorop. De pecaris hebben hem in het oog gekregen, en scharen

zich op eene rij tegenover hem. Apatoe, die met de gewoonten dezer

dieren bekend is, weet dat zij somwijlen den jager aanvallen, wien

in dat geval geene andere toevlucht overblijft, dan op een boom te

klimmen, waar hij dan letterlijk belegerd wordt. "Geef acht!" roept

hij eensklaps met luider stem; de verschrikte pecaris nemen de vlucht.

Ten vijf uren kiezen wij eene plaats voor ons bivak. Het heeft hier

geregend; de grond is doorweekt, en wij waden door de modder. Ik heb

nog altijd koorts.

3 December.--Er hangt een dichte nevel, die alle waarnemingen

onmogelijk maakt. Wij vervolgen onze vaart op de eentonigste en

vervelendste rivier der wereld. Het zijn altijd dezelfde regelmatige

krommingen; dezelfde reigers en ooievaars; dezelfde zwarte ibissen,

met deftige afgemeten stappen langs den zandigen oevers op en neer

wandelende. Vlak langs den waterkant zitten zwermen van groote

meeuwen op eene rij naast elkander, in de nabijheid van krokodillen,

die in de zon liggen te slapen. Nu en dan vliegen zij eensklaps op en

beschrijven in de lucht sierlijke kringen, het scherpziend oog en den

puntigen snavel steeds naar het water gekeerd. Hun scherp onaangenaam

geschreeuw is vaak het eenige geluid, dat de stilte breekt.

4 December.--Bij het aanbreken van den dag maakt onze kok zich

gereed om een eierstruif voor ons te bakken. Wij hebben een kleinen

voorraad schildpadvet, dat voor deze gelegenheid als boter dienst

moet doen. Helaas! deze eierstruif, die een monumentale, reusachtige

eierstruif zou moeten zijn, slinkt haast tot niets weg: al onze

meeuweneieren, met uitzondering van een half dozijn, blijken bedorven

te zijn.

Omstreeks acht uren houden wij stil aan de punt van een eiland,

waar een breede vlakke oever is. Lejanne en Apatoe zenden een paar

kogels af op eenige krokodillen, die op enkele meters afstands van

ons eiland hunne koppen uit het water steken. Een hunner laat een

luid geknor hooren, eenige overeenkomst hebbende met het brullen van

een tijger. Dit is voor de eerste maal, dat wij deze dieren geluid

hooren geven.

Tegen den middag bespeuren wij eene prauw, die tegen den zandigen

oever ligt. Eene indiaansche familie, bestaande uit vader, moeder en

een zeven- of achtjarig kind, zit rustig onder de schaduw van het

lage hout, dat verder landwaarts den oever bedekt. Wij gaan dicht

bij hunne prauw aan land en zijn weldra bij hen. Zij hebben vuur

aangelegd. Om dit te doen, beginnen zij met drie steenen, in den vorm

van een driehoek, op den grond te leggen, waartusschen zij dan het

brandhout schikken. Deze steenen dienen tevens om er hunne potten op

te zetten. Wij koopen van hen eene met meeuweneieren gevulde kalebas.

Toen wij in den namiddag ter plaatse waren aangekomen, waar wij zouden

kampeeren, maakte Apatoe den eigenaardigen vischtoestel gereed, waarvan

de Roucouyenne-Indianen zich bedienen. Deze toestel bestaat uit een

stevigen zeer buigzamen rietstok, die in den grond gestoken wordt en

waaraan eene korte lijn met eene vischhaak is bevestigd. Even voor dit

riet slaat men een paal in den grond, aan welks boveneinde met een touw

eene soort van losse kruk is vastgemaakt. Men buigt nu den rietstok

en houdt dien met de kruk naar beneden, zoodat de haak met het aas

in het water hangt. Bijt nu een visch aan dat aas, dan trekt hij het

riet een weinig meer naar onder; de kruk valt en de rietstok springt

omhoog, den onvoorzichtige, die zich aldus heeft laten verlokken,

in de lucht slingerende. Nauwelijks is de toestel in orde, of een

piraï of piranha komt in het aas bijten en wordt gevangen gemaakt.

7 December.--Gisteren niets bijzonders. Wij ontmoeten nog

geen Indianen, hoewel wij overal de sporen hunner aanwezigheid

vinden. Doorgaans overnachten zij op den oever, en steken dan een

palmblad of een boomtak in den grond, om zich tegen den dauw te

beveiligen.

Omstreeks vier uren in den namiddag van heden bespeuren wij mannen aan

den oever. Wij gaan aan land en bevinden ons in tegenwoordigheid van

bewoners van de lagune van Sapoara, die zich naar den oever begeven

hebben om daar, beveiligd voor muskieten, den nacht door te brengen.

De Indianen zijn gekleed met helder witte hemden en broeken. De vrouwen

dragen japonnen, die den hals en een gedeelte van de schouders bloot

laten; haar haar is verdeeld in twee zware, zorgvuldig gevlochten

tressen. Met ons vuil linnengoed, onze gescheurde en gehavende

kleederen, onze ongeschoren baarden en verwarde hairen, zou men ons

veeleer voor wilden aanzien.

Eenige andere inboorlingen zijn nog in het dorp. Wij laten ons

daarheen brengen; het dorp ligt op ongeveer twee mijlen afstands,

aan den linkeroever van de lagune van Sapoara. Wij ontmoeten daar

twee grijsaards, waarvan de een, Juan de la Cruz genaamd, ons

bovenal verbaast door zijne zwaarlijvigheid; hij lijkt sprekend

op een Chinees en staat bij zijne stamgenooten als een piay of

toovenaar bekend. Zijne oogen staan schuin; zijne wangbeenderen

steken vooruit; zijn neus is plat; zijn dunne stijve knevel doet

zijne gelijkenis met den chineeschen type nog sterker uitkomen. Wij

vinden hier ook twee jonge mannen van omstreeks vijf-en-twintig jaren,

door wier aderen blijkbaar gemengd indiaansch en europeaansch bloed

stroomt. Hunne vrouwen zijn ouder dan hare echtgenooten; eene van

haar heeft vroeger bij de blanken gediend. Hunne kinderen zijn zeer

aardig en bevallig; hunne hutten zijn zindelijk en bevatten de meest

heterogene voorwerpen. Nevens het gewone huisraad van de wilden,

zoo als de lage holle bankjes, de uitgeholde boomstam, waarin de

cachiri of couria bewaard wordt, de bogen, pijlen en andere dingen,

zien wij porseleinen borden en kommen, en zelfs zakspiegeltjes.

Wij vernemen van deze lieden, dat wij nog zeven dagreizen van

San-Fernando verwijderd zijn.

Wij hebben dringend behoefte aan twee roeiers, maar vergeefs bieden

wij aan elk der beide jonge mannen tien piasters, indien zij met

ons willen gaan. Zij staan te San-Fernando in schuld, en willen

daar niet verschijnen, zoo lang zij de noodige koopwaren niet hebben

bijeengebracht, die zij op zich hebben genomen te leveren. Uit hetgeen

wij van hen vernemen, komen wij tot het besluit, dat deze arme lieden

hunne schuld nooit zullen kunnen afbetalen. De gewetenlooze kooplieden

leveren hun kleederen, werktuigen, gereedschappen, die zij bij hun

arbeid noodig hebben, in ruil voor maniokmeel, schildpaddenvet en

andere produkten, welke zij binnen een bepaalden tijd moeten leveren;

maar de berekening wordt steeds zoo gemaakt, dat de inboorlingen altijd

in schuld zijn en hun leven lang ten behoeve van hunne oneerlijke,

woekerende schuldeischers moeten werken.

8 December.--Des morgens komen de twee oudere mannen tot het besluit

om met ons mede te gaan tot aan de lagune van Recifal, die wij binnen

een dag kunnen bereiken.

De avond brengt ons een weinig koelte. De hemel is onbewolkt; het

is een prachtige maneschijn. Op den zandigen grond uitgestrekt,

praten wij met onze Indianen, onder het rooken van tabaksbladeren,

die wij als sigaretten oprollen. Wij verhalen hun wat ons al op reis

gebeurd is, sedert wij op de Goyabero scheep zijn gegaan. Zij toonen

niet de minste verwondering als wij uitweiden over den last, dien

de kaimans ons hebben veroorzaakt. Zij deelen ons mede, dat nu vier

jaar geleden, bij den mond van de rio Oua, een hunner makkers, die

eene prauw bestuurde, door een krokodil werd aangegrepen en uit zijn

vaartuig gesleept. Zijne metgezellen hoorden niets dan het geklapper

der geduchte kaken van het monster, gevolgd door eene heftige beweging

in het water. Kort daarop werd de oppervlakte der rivier hier en daar

rood gekleurd--en alles was voorbij. Zij verhalen ons ook, dat de

Mitoua-Indianen onlangs blanken hebben aangevallen, waarvan een met

een pijl in het been werd verwond. Voor den verwonde was het een geluk,

dat de Mitouas niet de gewoonte hebben hunne pijlen te vergiftigen.

9 December.--Wij gaan reeds vroegtijdig aan boord. Even na ons vertrek

hooren wij, op den linkeroever, het geluid van een hocco. Apatoe

stapt in de kleine prauw, die wij op sleeptouw hebben, en vaart naar

de plaats, waar wij het geluid hooren. Hij maakt zijn schuitje aan

den kant vast en klimt tegen den steilen oever naar boven. Weldra

hooren wij een schot, en zien Apatoe terugkeeren met een prachtigen

hocco, die er eenigszins anders uitziet dan zijn naamgenoot van de

Andes. De hocco van de Guaviare heeft bruinachtig roode vederen,

waar de hocco der Andes witte vederen heeft; ook is zijn geschreeuw

of geluid eenigszins anders. Het doet eenigermate denken aan het

brullen van een jaguar.

Omstreeks elf uur ontmoeten wij inboorlingen van de lagune van Recifal,

die goede bekenden en vrienden zijn van onze Indianen en ons zeer

hartelijk ontvangen. Wij praten eenige oogenblikken met hen, want zij

zijn het spaansch volkomen meester, en begeven ons met de prauw naar

de monding van de lagune, welke niet ver verwijderd is. Wij varen

een smal kanaal binnen en komen weldra in het meer.

Het opperhoofd van het dorp ontvangt ons voor zijne woning. Het is

een nog jong man, die in den beginne vrij onvriendelijk is. Hij heeft

grove, ruwe gelaatstrekken en schijnt vrij dom. Als teeken zijner

waardigheid heeft hij een staf in de hand. Wij moeten trachten,

door een geschenk zijne gunst te winnen, want hij zou mij de roeiers

kunnen weigeren, die wij dringend noodig hebben. Ik bied hem een

veelkleurigen gordel aan; een glans van genoegen straalt van zijn

gelaat, en onverwijld tooit hij zich met het prachtstuk. Deze personage

houdt er drie vrouwen op na. Hij laat de mooiste van de drie komen, om

haar aan ons voor te stellen. Zij is nog zeer jong, heeft regelmatige

gelaatstrekken, prachtig haar en zeer mooie zwarte oogen; zij draagt

een japon van rood katoen. Blijkbaar is zij eenigszins verlegen en

houdt zich dicht bij haar gemaal. Ik bied haar een halssnoer van roode

koralen aan, dat haar echtgenoot haar aanstonds om den hals hangt.

Na deze ceremonie begin ik hem het doel van onze komst mede te

deelen. Wij zouden gaarne tot morgen in het dorp blijven om wat te

rusten, en dan twee roeiers mede nemen, die tot San-Fernando bij ons

zouden blijven. De kapitein geleidt ons naar de hut, waar de mannen

bijeen zijn om couria te drinken. Wij vinden daar vijf flinke kerels,

stomdronken, in hunne hangmatten uitgestrekt en ons met wezenlooze

oogen aanstarende. Sedert den vroegen morgen drinken zij couria. De

oudste, een zwaarlijvig man van gevorderden leeftijd, maar met een nog

zeer krachtig voorkomen, waggelt van tijd tot tijd naar een uitgeholden

boomstronk en schept daaruit met een kalebas den bedwelmenden drank,

dien hij vervolgens een voor een zijn makkers aanbiedt. Dezen drinken,

al hikkende, en spuwen de laatste droppels uit van het vocht, dat

zij hebben ingezwolgen. Ook ons biedt men de kalebas aan. Willen

wij niet onbeleefd zijn en deze mannen, wier hulp wij noodig hebben,

niet ontstemmen, dan moeten wij onzen afkeer overwinnen en althans

iets nemen van dezen drank, die met mate gebruikt, volstrekt niet

schadelijk voor de gezondheid is.

Wij begeven ons met den hoofdman of kapitein naar de aanlegplaats,

om hem onze prauw te laten zien. Gaarne zouden wij haar ruilen voor

eene andere, lichtere, die wij bij onze aankomst hebben ontdekt. Hij

verlangt nog iets daarbij; wij laten hem sabels, bijlen, messen zien,

maar niets van dat alles is van zijne gading. Geld wil hij niet

aannemen. Ik begin de hoop op te geven, met hem den koop te sluiten,

toen ik bij toeval uit een kist een lap rood katoen te voorschijn

haal. Nu is de zaak in orde. De hoofdman is zoo belust op dat stuk

katoen, dat hij, naar ik geloof, zijne hut met al wat daarin is,

zou afstaan om in het bezit van dien lap te komen.

De indiaansche vrouwen zijn natuurlijk nieuwsgierig: trouwens,

anders zouden zij geene vrouwen zijn. Al de dames uit het dorp,

de echtgenooten van den hoofdman uitgezonderd, zijn spoedig bijeen

vergaderd in de hut waar wij onzen intrek hebben genomen. Het trekt

onze aandacht, dat de vruchtbaarheid in dit dorp niets te wenschen

schijnt over te laten. Twee vrouwen houden haar zuigelingen aan de

borst; men roept ons om een der jonggeborenen van nabij te zien,

een zwak, ziekelijk schepseltje. Daar ik verneem, dat er in het dorp

wat rhum te krijgen is, geef ik den raad, het kind daarmede in te

wrijven. Men verzoekt ons daarop, aan het andere jonggeboren kind een

naam te willen geven. Apatoe heeft gedurende zijn verblijf te Parijs

een van die onzinnige liedjes geleerd, die hij nu en dan zingt, als hij

goed gehumeurd is, en waarin telkens den naam van Nicolas voorkomt. Die

naam wordt nu aan den jeugdigen Indiaan gegeven, waarmede de ouders

zeer in hun schik zijn. Uit vrees van het te vergeten, herhalen zij

onophoudelijk dat woord, hetwelk zij zeer goed kunnen uitspreken.

Lejanne gaat in den omtrek uit jagen. Hij ontmoet een inboorling,

die met eene lange sabarcane (blaaspijp) gewapend is, waarmede hij

een kleine pijl wegblaast, waarvan de punt vergiftigd is. Het vergif,

waarvan hij zich bedient, is in een soort van matten flesch geborgen,

en wordt door de Piaroa-Indianen geleverd: de Piapocas zijn met de

bereiding daarvan onbekend.

10 December.--Wij brengen den morgen door met het maken van schetsen en

teekeningen, met photografeeren en andere bezigheden van verschillenden

aard.

Wij slagen er in, twee mannen over te halen om met ons naar

San-Fernando te gaan. Zij zijn nog niet bekomen van hunne slemppartij

van gisteren, en hoewel jonger, zijn zij minder vlug en spoediger

vermoeid dan onze veel oudere roeiers van Sapoara. Maar onze prauw

is niet zoo zwaar, en hoewel wij tweemaal ophouden om een hocco en

een eend te schieten, leggen wij van elf uur tot half zes niet minder

dan zes-en-veertig mijlen af.

Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 6 / 9 题