VI

11 November.--Omstreeks elf uren varen wij langs de monding van eene

vrij aanzienlijke rivier, die zich aan den linkeroever in de Goyabero

uitstort. Ditmaal is het inderdaad de Areare, die van San-Juan de los

Llaños afdaalt en door het dorp San-Martino vloeit. Eenige kooplieden

van dit dorp zijn handel komen drijven met de Mitoeas-Indianen,

die aan de uitmonding van de Areare wonen. Andere kooplieden uit

San-Fernando de Atabapo hebben eens of tweemaal de Guaviare en de

Areare opgevaren tot aan San-Martino.

In zestien dagen hebben wij nu een afstand afgelegd van

honderd-vijf-en-twintig mijlen door een geheel onbewoond land, waar

nog nimmer, voor zoover bekend, een menschelijk wezen den voet had

gezet, en waar zeer waarschijnlijk ook niet spoedig iemand ons spoor

zal volgen.

Weldra bespeuren wij achter ons, naar den kant van de Areare, een

zwaren rook, die in koperkleurige wolken omhoog stijgt. Daar bevinden

zich Indianen, die het hooge gras eener savane of een gedeelte van

het woud in brand hebben gestoken, om ruimte te krijgen voor een dorp.

Omstreeks een uur zien wij acht palen, in twee rijen in den grond

gestoken, en die blijkbaar hebben gediend om hangmatten aan te

bevestigen. Dicht in de nabijheid staan nog andere palen. Even daarna

maakt de rivier eene kromming.

"Eene hut!" roept François.

Het is inderdaad zoo; wij naderen eene groote savane, waar de rivier

midden door loopt. Een weinig achterwaarts van den hoogen steilen

oever staat eene hut, die veel overeenkomst heeft met een breeden

lagen hooiberg. Eer wij aan dit hooge weiland komen, moeten wij nog

een kilometer ver langs het bosch varen.

"Roode kinderen!" roept François voor de tweede maal.

En ook nu is het waar. Op omgevallen of gestrande boomstammen zitten

eenige kinderen, in verschillende houdingen neergehurkt, het hoofd

een weinig voorover gebogen, en ons met vreesachtige en wantrouwende

blikken gadeslaande. Vlak daarbij zien wij twee Indianen, staande in

hunne prauw, met hun boog en pijlen in de hand. Wij binden een hemd aan

een stok en wuiven met die geïmproviseerde parlementaire vlag. Tevens

laat ik Apatoe, bij wijze van begroeting, eenige schoten met los kruit

doen. Dit schieten moest den Indianen aan het verstand brengen, dat

wij als vrienden in hun midden verschijnen: vijanden zouden immers niet

op deze wijze kennis geven van hunne komst. Tevens kunnen zij bemerken

dat wij goed gewapend zijn en dat het dus een roekeloos ondernemen zou

wezen, ons kwalijk te bejegenen. Ook deze wetenschap kan geen kwaad.

Dit gedaan zijnde, sturen wij naar hen toe. Naarmate wij dichter bij

komen, verlaten zij hunne stelling en klauteren tegen den vrij steilen

oever omhoog. Ik steek mijn revolver in mijn gordel en trek een vest

aan om het wapen te verbergen. Lejanne neemt zijn patroontasch en doet

twee patronen op zijn geweer. Eindelijk komen wij aan den oever. Ik

gelast François en Apatoe goed op het vlot te passen, terwijl wij

beiden, Lejanne en ik, op verkenning zullen uitgaan naar het dorp.

Wij weten nog niet hoe wij ontvangen zullen worden, maar toch zijn

wij zeer gelukkig eindelijk weer eens menschen te ontmoeten. Onze

Indianen staan op den oever, dien wij vlug beklimmen. Zij gelijken op

alle Indianen, die ik tot dusver gezien heb. Wij zien voor ons drie

mannen van vijf-en-twintig à dertig jaar, een jongeling van zeventien

of achttien jaar, en een meer bejaard man, die de vijftig achter den

rug schijnt te hebben. Er is hier een kleine open plek in het woud;

ter linkerhand staat een soort van afdak of hut van palmbladen;

voor ons begint het pad, dat naar de savane voert. Wij onderscheiden

daar eenige vrouwen, die manden vol visch dragen en zich haastig

verwijderen. Midden op de open ruimte staan eenige kinderen, die,

gedreven door nieuwsgierigheid en weerhouden door vrees, eerst zich

achter hun vaders schijnen te willen verschuilen, maar die eindelijk,

schuwe blikken achterwaarts werpende, zoo hard zij kunnen hunne

moeders naloopen.

Met uitgestoken hand treed ik op den oudsten der Indianen toe. Hij

draagt een koord om den hals, waaraan vier hoektanden van een

jaguar zijn bevestigd. Daar alleen de aanzienlijken--althans bij de

mannen--de gewoonte hebben, halssnoeren te dragen, maak ik daaruit op,

dat ik een dorpshoofd voor mij heb. Hij is iemand van ter nauwernood

middelbare gestalte, met een zeer breede borst, een vooruitstekenden

buik en magere beenen. Zijn aangezicht is rond en met rocou besmeerd;

zijne ietwat rossige, zeer levendige oogen staan een weinig schuin;

de wangbeenderen steken vooruit.

Onderstellende dat deze Mitoeas-Indianen misschien de Areare zijn

opgevaren tot San-Martino, en dat zij wellicht eenige woorden

spaansch verstaan, spreek ik den hoofdman toe met een "Buenas dies,

señor capitan"; daarbij, volgens gebruik, luidkeels lachende. Hij

drukt mij de hand en lacht op zijne beurt. Lejanne geeft hem ook

de hand, terwijl ik met de andere mannen, onder luid geschater,

handdrukken wissel. Een hunner verstaat enkele woorden spaansch en

zal ons bij zijne makkers tot tolk dienen. Wij geven hem te kennen,

dat wij hunne hutten wenschen te bezoeken en bij hen een poosje willen

uitrusten. Wij begeven ons op weg en slaan, voorafgegaan door onze

Indianen, het pad in, dat dwars door een stuk bosch, naar de savane

voert. Het pad is vrij breed, effen en ter wederzijde door laag hout

en heesters omzoomd, waarachter zich het hoog geboomte verheft. Op de

vlakte gekomen, zien wij drie hutten op onderlingen afstand van vijf-

tot omstreeks achthonderd el geplaatst.

Wij richten onze schreden naar de naaste hut. In het gras langs het

pad liggen een aantal verkalkte schilden van schildpadden. Groote

honden, gestreept als tijgers, met rechtopstaande ooren en lange

snuit, beginnen bij onze nadering uit alle macht te blaffen. Zij

schijnen stellig van plan, een aanval op onze beenen te doen;

maar zij ontvangen van hunne meesters eene kastijding, die hen doet

besluiten--zij het ook onwillig--eene meer vreedzame houding aan te

nemen. Een haan en een paar kippen loopen te pikken in de nabijheid

der hut, die, uit de verte gezien, heel veel weg heeft van een groote

bijenkorf. Naderbij gekomen, zie ik dat zij bestaat uit latwerk,

met palmbladen gedekt. Twee rijen houten palen, in de hut geplaatst,

zijn onderling met lianen verbonden. Aan elke zijde is in den wand eene

opening, die met een deur van palmbladen kan worden gesloten. Ook in

het dak is eene opening gelaten, waardoor het licht binnendringt en

de rook een uitweg vindt.

Bij het binnentreden der hut kunnen wij, door de heerschende

duisternis, eerst niets onderscheiden. Als wij eenigszins aan de

schemering gewend zijn, bespeuren wij vier vrouwen, die op den grond

zijn neergehurkt. Op nieuw worden, onder luid gelach, handdrukken

gewisseld. De kinderen huilen van schrik; wij tikken hun vriendelijk

op den wang, hetgeen ze een weinig tot bedaren brengt.

Met behulp van onzen tolk geef ik aan de Indianen te kennen, dat ik

gaarne mondbehoeften van hen koopen wil: bananen, cassave, visch,

alles, in een woord, wat zij ons leveren kunnen. Bovendien zou ik

gaarne eene prauw koopen en twee mannen huren om met ons te gaan tot

het naaste dorp, nadat wij eerst een weinig bij hen gerust hebben.

Ik deel hun tevens mede, dat Apatoe door een kaiman gewond is, en

dat het wenschelijk ware, indien een hunner hem helpen wilde om

naar het dorp te komen. Een ander kan François behulpzaam zijn,

om onze bagage, die van het water te lijden heeft gehad, op den

oever te brengen, ten einde ze te laten drogen. Inmiddels deel ik

eenige kleine geschenken onder hen uit: vischhaken, scharen, messen,

naalden, als belooning voor deze kleine diensten. Zij schijnen zeer

in hun schik en behandelen ons vriendelijk.

Lejanne merkt op, dat hij eene vrij sterke gelijkenis vindt tusschen

deze Indianen en de inwoners van Indo-China; hunne oogen staan minder

schuin en hun neus steekt meer vooruit. Maar overigens, hebben

zij dezelfde gestalte, dezelfde bruingele kleur als de Annamiet,

die met ontbloot bovenlijf op de rijstvelden arbeidt. Beiden hebben

zwaar, zacht, zwart hair met een rosachtigen weerschijn; uitstekende

wangbeenderen, eene breede borst, magere en ietwat gekromde beenen;

de groote teen staat geheel afgezonderd van de andere, die kort en

rond zijn. Doorgaans hebben deze Indianen donker rosachtige oogen. De

mannen knippen hun hair op het voorhoofd af, tot omstreeks een vinger

boven de wenkbrauwen; ter zijde en van achteren laten zij het langer

groeien. Hunne kleeding bestaat uit de _calimbé_, een lap katoen,

eertijds wit van kleur, die aan een om de heupen geknoopt koord is

vastgemaakt en tusschen de beenen doorgaat, om vervolgens, van voren

en van achteren, tot even over de knieën af te hangen. Verder dragen

zij boven de kuiten en aan de enkels een soort van banden of ringen

van palmbladen. Een dergelijk blad wordt ook als krans om het hoofd

gewonden. Om den hals dragen zij snoeren van zwarte zaadkorrels,

afgewisseld door blauwe en roode glaskoralen.

De mannen hebben iets fiers en statigs in houding en gang; maar

de vrouwen hebben zulk een voorkomen van bestialiteit en een

zoo onbevalligen, waggelenden, slependen gang, dat zij inderdaad

afschuwelijk mogen genoemd worden. Misschien is dit een gevolg van

den zwaren arbeid, waartoe zij sinds hare jeugd veroordeeld zijn. Drie

der hier aanwezige vrouwen, hoewel nog jong, zijn geheel verwelkt en

afgeleefd. Haar hair is langer dan dat der mannen; zij maken eene soort

van scheiding, maar gebruiken nimmer een kam. Hare kleeding bestaat

uit een hemd, of liever een soort van zak, waarin gaten zijn gelaten

om het hoofd en de armen door te steken. Dit kleedingstuk wordt door

haar zelven gemaakt; het is vervaardigd van plantenvezels, die fijn

gestampt en tot een soort van stijve watten gemaakt worden. Het spreekt

van zelf, dat deze stof al zeer weinig plooibaar is en zich niet voegt

naar de vormen van het lichaam. Zij dragen halssnoeren van glaskoralen.

Al de bewoners van het dorp vereenigen zich in onze hut: wij hebben

dus al spoedig met iedereen kennis gemaakt. Bij ons binnentreden was de

bodem der hut bezaaid met allerlei soorten van visch, waarvan enkelen

een meter lang waren. Ik koop er eenigen, die Lejanne uitteekent,

eer zij gekookt worden. Onze makkers zijn inmiddels ook aangekomen, en

weldra smullen wij aan gekookte en gebakken visschen, welke de vrouwen

voor ons hebben klaargemaakt. De Indianen, op den grond neergehurkt

of op kleine, uitgeholde, zeer lage bankjes gezeten, vormen een kring

rondom groote aarden potten, waaruit zij met de rechterhand stukken

visch halen, die zij vervolgens met de linker naar den mond brengen.

Dan komt de beurt aan den gebakken visch. Van tijd tot tijd vullen zij

een kalebas met water uit een aarden pot met een lange rechte tuit,

niet onbevallig van vorm. Daar komt geen einde aan het maal. Hoopen

visch verdwijnen in de magen der gasten en men gaat nog maar altijd

met bakken voort.

Ik tracht van de aanwezige mannen eenige inlichtingen te bekomen. Voor

zoo ver ik uit hunne verklaringen wijs kan worden, kennen zij

San-Martino, maar niet San-Fernando. Benedenwaarts langs de rivier

zullen wij eenige indiaansche pueblos vinden; om het naaste dorp te

bereiken, hebben wij een dag varens noodig. Twee mannen zijn bereid

ons tot daar te vergezellen, en zullen daarvoor ieder als belooning

een hakmes ontvangen. De hoofdman zal ons eene prauw afstaan, in ruil

voor een bijl en een lap katoen.

Geld is hier niet in zwang en wordt niet aangenomen; toch is het niet

geheel onbekend, want om den hals van een jong meisje zie ik twee

stukjes van vijftig centimes, een met het portret van Louis-Philippe

en een met dat van Napoleon III. Hoe mogen die fransche geldstukjes

hier verzeild zijn geraakt? Op die vraag is het niet mogelijk een

antwoord te geven; maar zeker had ik niet verwacht, de beeltenissen

van deze twee vorsten naast elkander te zien prijken op de borst van

een indiaansch meisje in het hart der wouden van Zuid-Amerika.

Het meubilair van onze Indianen bestaat uit hangmatten, eenig

aardewerk, eenige kleine, lage, holle bankjes, schilden van

schildpadden, die als zetels dienen, drie bijlen en een hakmes;

als wapenen hebben zij pijl en boog; zij gebruiken geen sarbacanen

(blaaspijp) en bedienen zich ook niet van gif.

De avond is gedaald. De maan schijnt met volle pracht en helderen

glans aan den wolkeloozen hemel. Er waait een zacht koeltje; de lucht

is frisch en verkwikkend.

Het dorpshoofd en zijn zoon zijn naar hunne woning teruggekeerd. Wij

verzoeken den drie mannen, die achtergebleven zijn, ons een proefje

te willen geven van hun nationale zangen en dansen. Aanvankelijk

maken zij daartegen eenige bedenkingen, maar ik had opgemerkt dat

zij geen tabak hadden en gretig onze weggeworpen eindjes sigaar

oprookten. Ik haal drie sigaren uit mijn zak en bied hun die aan: nu

veranderen zij van toon en verklaren zich bereid, aan ons verlangen te

voldoen. Hun gezang is, hoewel zeer weemoedig, toch vrij welluidend,

maar bij uitstek eentonig, want het bestaat slechts uit eene enkele

frase, die eindeloos wordt herhaald. Een hunner geeft de maat aan,

met behulp van een kalebas, waarin zaadkorrels verborgen zijn en

die hij heen en weer beweegt; die kalebas is met figuren versierd

even als het vaatwerk. De vrouwen hebben het te druk om aan den dans

deel te nemen. De kinderen scharen zich, twee aan twee, op eene rij

achter de mannen en bewegen zich, als zij, langzaam, met afgemeten

schreden voort, daarbij met hun rechter voet de maat slaande. Iedereen

schijnt zeer tevreden en gelukkig: trouwens, de behoeften dezer arme

lieden zijn al zeer weinige en dus spoedig voldaan.--Omstreeks tien

uren strekken wij ons uit in onze hangmatten; voor het eerst sedert

zeventien dagen slapen wij rustig, met een dak boven ons hoofd.

12 November.--Wij brengen den dag door met teekenen en photografeeren,

met het doen van sterrekundige en meteorologische waarnemingen. Morgen

zal onze bagage droog zijn; in den morgen van den veertienden zullen

wij vertrekken.

Na het middagmaal zijn alle bewoners van het dorp, mannen en vrouwen,

grooten en kleinen, bij onze hut vereenigd. De mannen hervatten hun

eentonig gezang en hun niet minder eentonigen dans, die ons niet kunnen

boeien. De muskieten zijn zeer talrijk en hinderlijk; wij begeven

ons dus spoedig ter ruste, na onze geweren onder onze hangmatten op

den grond te hebben gelegd. Het duurt niet lang, of Apatoe bemerkt

zekere beweging die hem verdacht voorkomt. Terwijl het gezang buiten

wordt voortgezet, ruimen de vrouwen al het huisraad en de wapenen in

de hut op. Hij maakt mij wakker en deelt mij zijne waarneming mede; ik

denk dat de Indianen zich naar de andere hutten zullen begeven om deze

geheel tot onze beschikking te laten. Zonder mij in het minst ongerust

te maken, slaap ik weer in; maar even daarna wekt Apatoe mij op nieuw:

hij vertrouwt de zaak niet. Het zingen heeft opgehouden. Wij springen

uit onze hangmatten en treden naar buiten, met onze geweren in de hand.

Er is niemand te zien. Ik zal met Lejanne mij gaan overtuigen, of de

andere hutten ook verlaten zijn; François en Apatoe zullen inmiddels

hier de wacht houden. Niet zonder een zeer onaangename gewaarwording,

bemerken wij dat inderdaad de inwoners zijn verdwenen. Waarom hebben

de Indianen zich verwijderd? Willen zij onze bagage stelen? Er

valt geen oogenblik meer te verliezen: wij moeten trachten hen zoo

spoedig mogelijk in te halen. Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af,

ten teeken dat wij hunne vlucht bemerkt hebben; in de hoop dat zij

zich dan zoo spoedig mogelijk uit de voeten zullen maken, zonder zich

den tijd te gunnen onze bagage mede te nemen, die onder het afdak

nabij den oever geborgen is. Wij gaan het bosch in en loopen zoo snel

als de donkerheid toelaat; tevens zooveel mogelijk links en rechts

uitkijkende, want niets zou gemakkelijker zijn, dan _à bout portant_

eenige pijlen op ons af te zenden, en hebben de Indianen inderdaad het

voornemen om ons te bestelen, dan zullen zij er ook wel geen been in

vinden ons dood te schieten. Eindelijk komen wij aan den oever. De

maan werpt haar helder licht op de open plek in het woud en op den

kant der rivier. Daar staat onze bagage ongeschonden; daar ligt ons

vlot rustig aan den oever. Daarentegen zijn alle prauwen verdwenen,

ook die welke wij gekocht hebben. Wij halen ruimer adem, en Lejanne

laat nogmaals twee schoten weerknallen, die de vluchtelingen in den

waan zullen brengen, dat wij bij de bagage zijn en hen verhinderen,

terug te komen.

Weldra zijn wij weder bij onze makkers terug, wien wij de goede

tijding mededeelen. Wij houden niettemin onze geweren gereed, ten

einde op alles voorbereid te zijn, en blijven onder het rooken van

eenige sigaren met elkander praten. Daarop begeven wij ons weer ter

ruste en ontwaken eerst vrij laat in den morgen.

13 November.--Wij vinden in een hoek de hakmessen, welke wij ten

geschenke hadden gegeven aan de mannen die met ons mede zouden gaan,

en ons linnengoed, dat wij aan de vrouwen gegeven hadden om te

wasschen. Deze nauwgezette eerlijkheid verwondert ons. De hoofdman

alleen is minder kiesch geweest: hij heeft de bijl en de lap katoen

medegenomen, waarmede wij de prauw betaald hebben, die nu ook

verdwenen is.

Onze Indianen hebben hun haan en hunne kip vergeten: met hunne honden,

vormden deze twee vogels hun geheelen rijkdom aan huisdieren. Wij

vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, de beide vogels mede te nemen,

als vergoeding voor onze prauw.

Ons vlot is een weinig gedroogd; het zinkt minder diep in het water

en wij zullen ons nogmaals aan dat broze vaartuig toevertrouwen,

dat ons toch reeds meer dan eens het leven heeft gered. Inderdaad,

als ik denk aan de nog veel brozer prauwen van uitgeholde boomstammen,

aan de gevaren, waarmede de vaart op de rivier gepaard gaat, aan de

vermetele stoutmoedigheid der kaimans, dan zou ik mij bijna kunnen

verheugen over de vlucht onzer Indianen. Alles wat ons tot dusverre

aanvankelijk een ramp scheen, is naderhand gebleken een geluk te zijn.

Tegen den middag wordt onze bagage, die nu weer geheel droog is, op

het vlot geschikt, en wij hervatten onzen tocht. Aanvankelijk varen wij

langs de savane, dan komen wij weder in de bosschen. Hier en daar wijst

een verbrande boom de plaats aan van een verlaten kamp der Indianen.

Groote zeemeeuwen vliegen schreeuwend boven onze hoofden heen en

weer, zoodra wij eene zandbank naderen, waarop zij haar eieren

hebben gelegd. Talrijke bruinvisschen duiken, snuivend en blazend,

uit het water op en springen en dartelen overal rondom het vlot. Wij

overnachten in het woud.

14 November.--Lejanne en ik zijn telkens verplicht de plaats in

te nemen van Apatoe, die nog altijd zijne rust moet houden, en ter

vermijding van ongevallen, de pagaaien ter hand te nemen. Daar wij

dit werk niet gewoon zijn, wordt de vaart voor ons vrij vermoeiend.

In den namiddag zien wij een pas gevormd eilandje voor ons, waarvan

het teedere frissche groen helder uitkomt tegen de donkere tinten der

bosschen. Eene prauw steekt van den oever af. Met behulp van onzen

kijker, onderscheiden wij een gezin van Indianen. Wij roepen hen uit de

verte aan, maar zij spoeden zich naar den linker oever en verdwijnen

in het woud, hunne prauw aan den oever achter latende. Weldra zijn

wij in de nabijheid van dat vaartuig, hetwelk ons uitstekend te stade

zou komen. Ik gevoel grooten lust, mij van de prauw meester te maken,

en als betaling, op den oever een onzer fraaie amerikaansche bijlen

achter te laten. Door de prauw, met behulp van vuur, wijder te maken en

van eene verschansing te voorzien, zouden wij met onze bagage daarin

plaats kunnen vinden, en zouden wij veel spoediger te San-Fernando

kunnen zijn. En ook zoo als zij nu is, zou de prauw ons de grootste

diensten kunnen bewijzen voor de jacht: op het stuk van vleeschspijzen,

hebben wij niets meer dan een bus _corned beef_ en een doosje sardines.

Maar Lejanne blijft bedenkingen opperen tegen dien gedwongen verkoop,

die mij zoo sterk aantrok. Hij is van oordeel, dat wij ons verdiend

loon zouden krijgen, indien de vertoornde eigenaar ons een of andere

poets zou spelen, en, bij voorbeeld, 's nachts ons vlot wegnemen of

vernielen. De prauw blijft alzoo waar zij is.

15 November.--Met het krieken van den dag zijn wij weer op weg. Elken

morgen, omstreeks vijf uren, wek ik François, die koffie voor ons zet

en de rijst kookt, waaruit ons ontbijt bestaat en waarop wij tot den

avond moeten teren. Omstreeks acht uur krijgen wij een Indiaan in het

oog, die in zijne prauw zit te visschen, aan de uitmonding eener kreek,

aan den linkeroever. Hij is de eerste om ons aan te roepen. Wij zetten

koers naar den oever, en het gelukt ons te landen. De man heeft een

knaap bij zich van omstreeks dertien jaren en een kind van zeven of

acht jaar. Hij is van het hoofd tot de voeten met rocou besmeerd,

maar spreekt vlot spaansch. Blijkbaar heeft hij eenigen tijd in

de beschaafde wereld verkeerd. Hij heeft bereids eenige visschen

gevangen; zijn dorp is niet verre en hij is bereid ons levensmiddelen

te verkoopen. Wij komen bijna in verzoeking, den man te omhelzen,

hoewel die rood geverfde Indiaan, die zoo zuiver spaansch spreekt,

ons eigenlijk eenige achterdocht inboezemt. Lejanne neemt zijn geweer;

ik steek mijn revolver in mijn gordel, en na onzen makkers te hebben

aanbevolen, in onze afwezigheid goed de wacht te houden, vertrekken

wij in gezelschap van onzen roodhuid. Zijne prauw is zeer lang, zeer

smal en bij uitnemendheid onzeewaardig. Wij zitten op den bodem, met

opgetrokken beenen, in eene zeer vermoeiende houding. Wij varen de

kreek in; wij gaan snel voort, maar wij stooten elk oogenblik tegen

verdronken stammen en overhangende takken; en het is inderdaad een

wonder, dat wij op deze vaart van een kwartier niet zijn omgeslagen.

Bij de aanlegplaats gekomen, ontmoeten wij een anderen Indiaan, die van

het dorp komt, zijn boog en pijlen over den schouder; hij keert op zijn

schreden terug om ons te vergezellen. Wij volgen midden door het woud

een ter nauwernood gebaand pad, gaan over eene zeer primitieve brug,

uit twee dunne stammen van palmboomen bestaande, met een dunne liane

bij wijze van leuning; en komen eindelijk aan eene savane. Wij vinden

daar slechts eene enkele hut, bestaande uit een op palen rustend dak,

zonder muren. Wij gaan daarheen en ontmoeten er een derden Indiaan

met twee vrouwen en eenige kinderen.

De mannen zijn krachtig gebouwd, klein, maar welgevormd. De vrouwen

zijn afschuwelijk leelijk. Eenige hangmatten, wat aardewerk, pijlen

en bogen vormen het geheele ameublement van de hut. De vrouwen hebben

zoo juist cassave klaar gemaakt: zij is nog een weinig week en moet,

om goed te blijven, in de zon worden gedroogd. Wij koopen eenige

cassavekoeken, alsmede een tros bananen, welke de mannen voor ons

gaan plukken. Wij gebruiken wat gekookte visch met piment en bananen:

deze schotel is voor ons bijna eene lekkernij. Maar het is tijd,

naar onze makkers terug te keeren, die ons wachten met het ontbijt.

Sedert eenige oogenblikken spreken de Indianen zeer luid onder

elkander. Als wij gereed staan om te vertrekken, weigeren zij eenvoudig

de gekochte levensmiddelen naar het vlot te brengen, en lachen ons in

het gezicht uit. Zouden wij met schurken te doen hebben? Wij beginnen

nu op onze beurt een ernstig woordje te spreken. Lejanne maakt zijn

geweer gereed en ik haal mijn revolver voor den dag: wij bevelen hun

aanstonds te doen wat wij verlangen. Dit helpt; zij nemen de manden

met vruchten en koeken op en gaan op weg naar de aanlegplaats. Lejanne

vestigt er mijne aandacht op, dat zij ons op de vaart naar het vlot

zouden kunnen doen omkantelen. De opmerking is juist: wij zullen dus

te voet naar den oever gaan, waar het vlot ligt.

Wij noodzaken de Indianen voor ons uit te gaan, hetgeen blijkbaar

niet naar hun zin is, want elk oogenblik staat een hunner onder

een of ander voorwendsel stil; maar wij houden hem in het oog,

en wachten tot hij weer voortgaat. Wij keeren naar de savane terug,

gaan een eind ver langs het bosch, en treden het eindelijk binnen. Een

pad is er niet; wij dwingen dus onze Indianen langzamer te loopen en

volgen hen op de hielen. Eindelijk, na een zeer vermoeienden marsch,

waarbij wij de kreek--ditmaal zonder brug--hebben moeten doorwaden,

bereiken wij het vlot.

De vrouwen en kinderen van het dorp hebben zich reeds aan den oever

verzameld. In de nabijheid liggen drie prauwen, onder de overhangende

takken verborgen; ik koop eene daarvan, in ruil voor een bijl. Wij

maken de prauw aan het vlot vast en varen af, niet zonder zekere

genoegdoening den spijt en de teleurstelling gadeslaande van de

Indianen, die eerst een zoo hoogen toon hadden aangenomen.

In den namiddag ontmoeten wij achtervolgens drie prauwen. De eerste

maakt zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten. In de tweede bevinden

zich een man, een vrouw en een kind; ondanks onze verzekeringen

van vriendschappelijke gezindheid, houden deze lieden zich op een

afstand, en deelen ons alleen mede dat zij naar San-Martino gaan. In

de laatste prauw bevindt zich mede een gezin; de man en de vrouw maken

een gunstigen indruk. Zij komen vol vertrouwen tot ons, maar verstaan

geen spaansch, zoodat wij niets van hen vernemen kunnen. Wij koopen

eenige vruchten van hen, en drukken elkander de hand ten afscheid.

Tegen den avond bespeuren wij eene ledige prauw, die aan den oever

vastgebonden ligt. Zou er hier in de nabijheid eene hut staan? Morgen

ochtend zullen wij onze geweren afschieten om de inlanders te

waarschuwen en tot ons te roepen, want wij wenschen met zooveel

Indianen als mogelijk is kennis te maken.

Wij beginnen aan onze laatste bus met _corned beef_. Hoe heerlijk

smaakt ons de versche cassave na onze eeuwige rijst. Wij brengen hier

een uitmuntenden nacht door, bijna zonder muskieten.

Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 5 / 9 题