IV

2 November.--Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en

daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige

vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren,

welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene

onbekende verschijning is.

Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is

hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank,

waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend

afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot

staat, roept eensklaps François toe: "Geef acht! Pagaai uit al uw

macht!". Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons,

niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast

te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons,

een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen,

een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening

is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg

baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk,

met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver

waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen

wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel

van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.

Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op

te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons

toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun

dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om

den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze

blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.

Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de

vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt,

zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand

te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering,

aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij

gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in

den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat

heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.

Het is eene lange, smalle opening dwars door den rotsigen heuvel;

naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien,

vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden

samen: "Dat zeer slecht; kan misschien door komen."

Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is

genomen. In Gods naam, voorwaarts!

Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot

schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers

wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij

hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit

reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit

de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken

omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne

waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen

langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water

terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar

vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij

voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om

dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met

onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots,

die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is

gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd

of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een

oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid

verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke

inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in

den stroom terug. Wij zijn gered.

Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de

rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij

aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van

zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte

aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der

schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler

harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn;

en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht

te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met

onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet,

misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo

ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten,

naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft,

zeer verlangt.

Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne

ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout

verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen

inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger

sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd,

of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te

laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en

blijft achter.

Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging

maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige

kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een

geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra

bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij

varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich

in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt

naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is,

den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan

met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat

hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen

gewoon zijn, de krokodillen te lokken.

De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende

oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands

duikt hij.

"Let op!" roept Apatoe ons toe.

Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich

zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan

een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de

kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water:

vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag

zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan

liever van dergelijke grappen te onthouden.

Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen

de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen

neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten

het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats,

waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver

hoogte van een steilen oever.

De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij

vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen

bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een

zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds

vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met

zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes

hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben

de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed

weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.

3 November.--Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote

menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte

stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig

gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken

kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur

breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen

slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de

wind is gaan liggen; de rivier is glad en effen als een spiegel. De

weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen

met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht

weerkaatst en herhaald.

Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne

verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras

maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig

geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en

dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.

Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare

zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het

opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.

Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans

verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit

teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker

gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden

volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen

terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een

oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe

zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt

weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers

wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden,

want hij laat ons verder met vrede.

De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne

hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot

was raak, want wij zien hem niet weder.

Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij

ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De

plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke

lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit,

en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge,

eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een

beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.

V

4 November.--De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat

wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er

nu--vreemd genoeg--geen enkelen meer.

Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij

schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen

voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de

zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de

stroom ons naar die zandbanken voert, dan gaan de geduchte gasten

te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook

slechts een of twee.

Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons

ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings

zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op

den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke

nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen,

en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster

den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart

heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer

gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den

kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle

beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt,

slechts een weinig bloed achter latende.

6 November.--Gister viel niets voor, der vermelding waardig,

uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan

den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.

Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet

hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne

maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft

regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen

moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden

zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk

op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.

Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen

der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder

den invloed der zonnestralen verdampen.

Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons

door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer

mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat

wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos

van ontzetting, staren wij elkander aan.

Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane,

welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar

met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven

water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking

van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het

woord: Kaiman! Kaiman!--Geholpen door François, trek ik hem bij de

schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan

de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de

ongelukkige er uitzien?

Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook

het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en

te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij,

en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die

in het water gevallen was, inslokte.

Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij

heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het

rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken

dood ontsnapt, en heeft zijne redding slechts aan schijnbaar

onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water

viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het

vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven,

vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het

monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst

vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten,

zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene

menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is

de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.

Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij

gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene

soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons

tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om

ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte

mochten aannemen, ons aan te vallen.

Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te

pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien,

als François onze hulp mocht behoeven.

Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij

zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten

er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij

den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den

Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des

te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne

verwonding, half buiten gevecht is gesteld.

Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het

kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar

boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn

heeft.--Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste

gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen

oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn

hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende

en vermagerd.

9 November.--De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou

dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren

hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op

die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu

elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen

zullen wij den mond van de Areare vinden.

Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene

tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door

de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij

aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en

vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder

op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen,

maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien

wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte

levert geene bijzondere bezwaren op.

Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het

onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene

draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den

oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich

tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij

varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De

gemiddelde breedte van het kanaal is tusschen de veertig en vijftig

meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen

zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft

allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen

zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche

rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche

of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan,

een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering

en vergeten voor een oogenblik ons vlot, dat weer door een draaikolk

aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe,

die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de

leiding van ons vaartuig heeft op zich genomen, ons nogmaals redde,

door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in

zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.

Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan

den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor

ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven

om te overnachten.--Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij

zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen,

waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de

versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.

Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze

nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde

bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek

vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen

of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij

een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen

vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch

eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel

gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun

ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben

onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.

De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen,

maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten

gekweld te worden.

10 November.--Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan

en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op

weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantal

couicouis op een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer

vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp

op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig

schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner

zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien

zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep:

François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft

om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij

beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans

in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne

tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden;

ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles

heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft,

was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te

zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in

het menu is mij in het minst niet onaangenaam.--Wij maakten ons gereed,

het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak,

in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog

tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.

Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 4 / 9 题