2 November.--Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en
daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige
vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren,
welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene
onbekende verschijning is.
Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is
hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank,
waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend
afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot
staat, roept eensklaps François toe: "Geef acht! Pagaai uit al uw
macht!". Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons,
niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast
te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons,
een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen,
een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening
is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg
baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk,
met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver
waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen
wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel
van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.
Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op
te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons
toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun
dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om
den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze
blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.
Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de
vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt,
zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand
te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering,
aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij
gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in
den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat
heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.
Het is eene lange, smalle opening dwars door den rotsigen heuvel;
naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien,
vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden
samen: "Dat zeer slecht; kan misschien door komen."
Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is
genomen. In Gods naam, voorwaarts!
Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot
schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers
wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij
hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit
reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit
de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken
omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne
waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen
langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water
terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar
vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij
voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om
dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met
onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots,
die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is
gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd
of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een
oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid
verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke
inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in
den stroom terug. Wij zijn gered.
Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de
rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij
aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van
zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte
aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der
schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler
harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn;
en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht
te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met
onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet,
misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo
ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten,
naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft,
zeer verlangt.
Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne
ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout
verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen
inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger
sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd,
of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te
laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en
blijft achter.
Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging
maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige
kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een
geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra
bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij
varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich
in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt
naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is,
den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan
met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat
hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen
gewoon zijn, de krokodillen te lokken.
De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende
oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands
duikt hij.
"Let op!" roept Apatoe ons toe.
Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich
zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan
een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de
kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water:
vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag
zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan
liever van dergelijke grappen te onthouden.
Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen
de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen
neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten
het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats,
waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver
hoogte van een steilen oever.
De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij
vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen
bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een
zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds
vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met
zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes
hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben
de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed
weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.
3 November.--Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote
menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte
stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig
gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken
kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur
breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen
slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de
wind is gaan liggen; de rivier is glad en effen als een spiegel. De
weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen
met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht
weerkaatst en herhaald.
Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne
verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras
maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig
geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en
dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.
Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare
zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het
opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.
Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans
verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit
teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker
gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden
volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen
terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een
oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe
zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt
weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers
wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden,
want hij laat ons verder met vrede.
De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne
hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot
was raak, want wij zien hem niet weder.
Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij
ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De
plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke
lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit,
en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge,
eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een
beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.
V
4 November.--De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat
wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er
nu--vreemd genoeg--geen enkelen meer.
Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij
schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen
voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de
zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de
stroom ons naar die zandbanken voert, dan gaan de geduchte gasten
te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook
slechts een of twee.
Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons
ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings
zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op
den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke
nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen,
en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster
den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart
heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer
gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den
kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle
beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt,
slechts een weinig bloed achter latende.
6 November.--Gister viel niets voor, der vermelding waardig,
uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan
den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.
Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet
hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne
maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft
regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen
moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden
zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk
op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.
Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen
der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder
den invloed der zonnestralen verdampen.
Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons
door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer
mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat
wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos
van ontzetting, staren wij elkander aan.
Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane,
welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar
met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven
water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking
van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het
woord: Kaiman! Kaiman!--Geholpen door François, trek ik hem bij de
schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan
de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de
ongelukkige er uitzien?
Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook
het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en
te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij,
en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die
in het water gevallen was, inslokte.
Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij
heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het
rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken
dood ontsnapt, en heeft zijne redding slechts aan schijnbaar
onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water
viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het
vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven,
vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het
monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst
vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten,
zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene
menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is
de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.
Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij
gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene
soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons
tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om
ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte
mochten aannemen, ons aan te vallen.
Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te
pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien,
als François onze hulp mocht behoeven.
Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij
zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten
er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij
den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den
Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des
te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne
verwonding, half buiten gevecht is gesteld.
Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het
kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar
boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn
heeft.--Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste
gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen
oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn
hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende
en vermagerd.
9 November.--De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou
dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren
hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op
die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu
elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen
zullen wij den mond van de Areare vinden.
Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene
tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door
de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij
aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en
vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder
op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen,
maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien
wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte
levert geene bijzondere bezwaren op.
Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het
onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene
draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den
oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich
tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij
varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De
gemiddelde breedte van het kanaal is tusschen de veertig en vijftig
meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen
zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft
allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen
zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche
rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche
of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan,
een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering
en vergeten voor een oogenblik ons vlot, dat weer door een draaikolk
aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe,
die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de
leiding van ons vaartuig heeft op zich genomen, ons nogmaals redde,
door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in
zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.
Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan
den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor
ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven
om te overnachten.--Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij
zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen,
waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de
versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.
Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze
nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde
bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek
vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen
of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij
een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen
vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch
eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel
gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun
ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben
onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.
De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen,
maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten
gekweld te worden.
10 November.--Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan
en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op
weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantal
couicouis op een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer
vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp
op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig
schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner
zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien
zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep:
François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft
om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij
beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans
in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne
tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden;
ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles
heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft,
was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te
zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in
het menu is mij in het minst niet onaangenaam.--Wij maakten ons gereed,
het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak,
in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog
tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.