Het meest verschrikkelijke, meest woeste gedeelte van de woestijn

is niet langer dan zestig K.M. De karavanen trachten dien afstand

in een enkelen, onafgebroken marsch af te leggen. Ze vullen leeren

zakken en tonnen bij de laatste putten met water en vertrekken bij

het licht der sterren. Verbleekte beenderen wijzen hun den weg, het

gebeente van kameelen, ossen, muilezels, paarden; over den geheelen

karavanenweg liggen die beenderen verspreid. In de woestijn vindt men

dit doodenspoor bijna overal. Dikwijls overvalt de storm de konvooien;

ze worden door de warrelende zandwolken van de omgeving afgesneden,

worden genoodzaakt stil te houden en moeten dan sterven. Alle

vermoeide, oude of kreupele beesten vallen onherroepelijk neer. Hier

wordt menige doodstrijd gestreden. Men voelt, dat de dood hier

altijd rondwaart; alles schijnt hier bestemd om ten onder te gaan;

het sombere uiterlijk van het landschap, het vreemddrukkende van zijn

naaktheid, de eeuwige gelijkheid van kleur, de benauwende stilte, alles

versterkt dat gevoel en doet een onbekend, dreigend gevaar vermoeden,

een onophoudelijke bedreiging, een hinderlaag, een valstrik, waarin

men wordt gelokt zonder het te kunnen verhinderen. Men heeft maar

één gedachte, of liever één wensch, een vaag, onuitgesproken, maar

hardnekkig verlangen, te vluchten om niet meer op dat aardelijk te

trappen, er van bevrijd te zijn. Men vestigt den verlangenden blik

op den horizon, als ware daar een toevluchtsoord; men ziet uit naar

elken kleinen heuvel met een onbestemde hoop; men vermoedt aan de

andere zijde van iedere hoogte iets onverwachts, iets goeds. Maar

de passen gaan voorbij; de heuvels gaan voorbij; de horizon, dien

we voor ons hadden, is thans achter ons; de verwoesting schijnt

oneindig. De denkkracht sterft.... de ziel gaat onder in een niet te

overwinnen melancholie. Ons vertrek van de laatste halte verliest

zich in de nevelen van het verleden; de versufte geest heeft het

onderscheidingsvermogen verloren; alles lijkt zoo ver weg en in

nevelen gehuld, het vertrek zoo lang geleden, de aankomst nog in

de verre toekomst. Alleen dit weet men, dat men eens moet aankomen,

en die gedachte schenkt de groote kracht, die men geduld noemt.

Geduld maar, en vooruit! Het weerstandsvermogen van geest en lichaam

beide zijn onderworpen aan de discipline van het geduld. We zwegen,

om onze energie niet te verspillen. En ook, aan ieder woord moet een

gedachte voorafgaan en in sommige omstandigheden kost het denken te

veel inspanning. Tegen tien uur bevonden wij ons in het meest woeste,

meest ellendige gedeelte van Gobi. De twee uiterste halteplaatsen van

de karavanen zijn door een enorme hoeveelheid "obo's" aangegeven. De

"obo" is het altaar van de mongoolsche nomaden; het is misschien het

eerste altaar, dat door de menschheid is opgericht. Het bestaat uit een

hoop steenen. Om de bescherming des hemels af te smeeken vóór de tocht

door de woestijn wordt aanvaard en om zijn dankbaarheid te toonen,

nadat die is volbracht, neemt de vrome karavaangeleider een steen,

en plaatst dien op de "obo", knielt neer en bidt. Al in het begin van

onzen tocht door Mongolië, toen we nog in de nabijheid van den grooten

muur waren, hadden we "obo's" aangetroffen op de heuveltoppen, maar ze

waren heel anders dan die van de woestijn. Misschien waren ze verlaten

en vervallen. De "obo's", die wij in de woestijn zagen, hadden soms

een menschelijke gedaante. De steenen waren heel kunstig opgestapeld

en boven aan prijkte de doodskop van een os of van een paard; ze leken

dus werkelijk aan den dood gewijd. In de verte zagen wij dikwijls

die altaren voor menschen aan, en de witte doodskoppen leken ons

gezichten; we zagen ontelbare "obo's" en hoe triest ook op zich zelf,

toch schonk hun aanwezigheid ons een groote vreugde; ze verbraken de

verschrikkelijke eenzaamheid en de troostelooze verlatenheid.

In de woestijn wordt ieder menschelijk wezen ons dierbaar, hetzij

door een gevoel van broederschap, hetzij door een verlangen om zich

te vereenigen tegen het gemeenschappelijk gevaar, misschien alleen

reeds door de vreugde van een levend wezen te ontmoeten. En we staarden

naar al die rechtopstaande menschen en wij verwonderden ons over hunne

onbeweeglijkheid; misschien, dachten we, hadden ze ook ons gezien en

waren van verbazing stokstijf blijven staan. En plotseling heerschte

dan de stilte weer rondom ons, een benauwende stilte, omdat we die

menschen als door een verschrikkelijke betoovering in steen zagen

veranderen, en de gezichten in doodskoppen. Aan den voet van elke obo

lagen stukken papier met in het Thibetaansch geschreven gebeden of ook

vlaggetjes, door den tijd verkleurd, eveneens met heilige opschriften.

De Mongool is bijgeloovig, maar zijn bijgeloof is vol poëzie. Hij

gelooft dat de wind, door dat papier en die vlaggen in beweging te

brengen, de gebeden uit de steenen doet opstijgen naar Boeddha; de

wind neemt de gebeden mee, zooals hij den geur der bloemen met zich

meevoert, wanneer hij aan hen voorbijgaat. Heeft de wierook in onze

godsdienstige plechtigheden daarmee geen overeenkomst?

Wij konden dankbaar zijn voor de aanwezigheid van de obo's, daardoor

toch was de weg volkomen vrij van steenen. En wie weet of de

herkomst van deze eigenaardige godsdienstige gewoonte niet gelegen

is in de noodzakelijkheid, om slechte, steenachtige passen en wegen

te verbeteren bij een volk, dat aan elke daad en aan elk feit een

mystieke beteekenis geeft.

We kwamen, helaas, tot de ontdekking, dat de radiator, de long van de

automobiel, niet goed kon ademhalen. Door de verschrikkelijke hitte kon

ondanks den luchtstroom, ontstaan door den snellen gang van de auto,

het water rondom de cylinders niet voldoende meer afkoelen en groote

wolken waterdamp sloegen uit de afsluiting van den radiator. Reeds

geruimen tijd (het leek ons tenminste lang) zochten wij naar putten,

om het water van den motor te vernieuwen. We wilden dat uit het

réservoir niet gebruiken dan in de uiterste noodzakelijkheid. Het

réservoir hield ternauwernood 50 liter in, en het was verstandig om

die te bewaren. Een mankement aan de machine kon ons in ongelegenheid

brengen en dan zou de watervoorraad onze redding zijn.

"Een put!" riep nu en dan een van ons uit.--"Daar, daarginds! een put,

ik zie een donkere plek op den grond; daar moet water zijn."

"Ja, ja," antwoordden dan de anderen. Illusies werken aanstekelijk. De

donkere plek bestond niet, of het was een schaduw; we werden dus

genoodzaakt, het water van het réservoir te gebruiken en wij stonden

stil om het over te gieten. De grond brandde onder onze voeten; een

heete lucht steeg naar ons hoofd, en het zand verblindde ons door de

schelle weerkaatsing van de zonnestralen. We werden door een bijna

ondragelijken dorst gekweld. Toen we het heldere water in de zon zagen

opspatten uit het réservoir, konden we de verzoeking niet weerstaan,

er naar hartelust van te drinken, de lippen aan de siphon, dezelfde

siphon, die diende om de benzine over te gieten. Het water was warm

en stonk naar benzine en vernis; in andere omstandigheden zouden wij

ervan hebben gewalgd; maar alles is betrekkelijk in de wereld. De

Prins gebruikte het minste en nauwelijks bevochtigde hij zijn lippen;

hij raadde ons aan zuinig te zijn met dien kostbaren voorraad.

En onze eentonige tocht ving weer aan. Om twaalf uur zagen wij weer wat

gras in kuilen, waar zeker af en toe wat water was blijven staan. Nog

wat later werden wij verrast door de vlucht van eenige witte vogels,

en wij ontdekten weldra een kleinen vijver. Op den oever liepen heel

statig eenige steltloopers.

Wij gingen naar den vijver om water te scheppen. Het water was

ondrinkbaar, stinkend, geelachtig van kleur en ziltig; wij gebruikten

het voor den motor, die geen smaak heeft. Toch was de aanwezigheid

van dat water voor ons van de grootste beteekenis, immers wij konden

er uit opmaken, dat hier het rijk van de verschrikkelijke, uiterste

droogte was geëindigd.

En inderdaad het duurde niet lang, of we troffen weer putten aan,

omringd door karavanenkampen.

Naast een van die putten lagen, eenzaam, twee Chineezen te

slapen. Waarschijnlijk twee rampzaligen, die te voet naar hun land

terugkeerden. Ze hadden zelfs geen tent om zich tegen de zonnestralen

te beschutten. Hun eenige bagage bestond uit een paar lompen in een

zak. Half naakt op het gloeiende zand uitgestrekt, het hoofd ontbloot,

sliepen ze. Naast hen smeulden de overblijfselen van een vuur en

op het vuur stond de theepot, die nooit ontbreekt in de bagage van

zelfs den armsten Chinees, zoo min als de samovar bij den armsten

Rus. Wij konden niet begrijpen, dat menschen de marteling van zoo'n

ontzettende hitte konden doorstaan. Toen ze leven hoorden werden ze

wakker en zagen ons verstomd aan. Ze moesten dood moe zijn en geheel

versuft. Wat was onze reis met de hunne vergeleken?

Het water was helder en ijskoud. Na onzen dorst te hebben gelescht,

schepten wij een emmer vol voor onze verdere reis. Een goed gevolg

van de warmte was het weinige benzine-verbruik. In het benzine-gas,

de vermenging van benzine en lucht, waarin de electrische vonk de

explosie veroorzaakt, door welke explosie de beweegkracht van den

motor ontstaat, kwamen weinig benzine-deelen voor. Dat konden wij

opmaken uit de werking van den carburator, die de lucht automatisch

in de vermenging brengt. Lucht kwam in enorme hoeveelheid in den

carburator; Borghese maakte er ons opmerkzaam op, dat we meer met

behulp van lucht reden dan met behulp van benzine.

De warmte werd hoe langer hoe grooter. De zon, die rechts van ons

was opgekomen, stond nu achter ons en verbrandde ons den rug. Bij het

vertrek uit Peking had ik verzuimd, mij een kurkhoed, zooals de Prins

en Ettore hadden, aan te schaffen en nu moest ik me tegen de hitte

beschermen met een Panamahoed; door de snelle vaart ging de voorrand

in de hoogte, zoodat mijn gezicht geheel onbeschut was. Al spoedig

maakte de zon afschuwelijke maskers van ons gelaat, dat opzwol en

opdroogde, zoodat de huid op sommige plaatsen barstte. Wij konden zelfs

niet verdragen, dat we er met den zakdoek aan raakten. Het frissche

water, dat eerst zoo weldadig was, veroorzaakte ons nu ondragelijke

pijnen. Onze oogen waren rood en branderig. De lippen waren dor en

sprongen. Vooral Ettore had veel te lijden; zijn handen waren in een

deerniswekkenden toestand en bloedden, wanneer hij iets aanraakte. Wij

zullen nooit ten volle de groote opoffering kunnen waardeeren, die

Ettore zich heeft getroost. Hij vergat alle pijnen in oogenblikken

van nood en dwong zijn handen, om toch te werken. Als hij klaar was,

bekeek hij zijn wonden en zei, met zijn goedigen glimlach van grooten

jongen: "Ik vrees dat wij niet opschieten!"

Wanneer wij nog onze prachtige baldakijn boven onze hoofden hadden

gehad, zouden wij de zon kunnen uitlachen!

Wij moesten ons troosten met te zeggen: Ook dit zal wel eens eindigen!

"Een yurta!" riep de Prins uit.

Het was twee uur 's middags.

Die woorden troffen ons, alsof ons een wonderverschijning was

aangekondigd.

"Waar? Waar?"

"Daar ginds, links onder die rotsen."

Komt de wereld terug? Het zijn zeker nomaden op reis, er zijn hier

geen weilanden, wie kan hier leven?

Lang bekeken we de hut, waaraan een paard was vastgebonden. Kort daarna

zagen wij een beladen kameel, door een Mongool begeleid, die stil was

blijven staan en gebaren tegen ons maakte. Wij wachtten hem af, en

de Mongool kwam diep buigend naar ons toe. Hij haalde vervolgens uit

zijn jas een pak met doeken, die hij langzaam begon uit te pakken. In

het eerste was een ander pak, in het tweede een derde. Eindelijk uit

het laatste kwam een telegram, dat de man ons plechtig overhandigde.

Het telegram was aan du Taillis gericht en we gaven het den man

terug en beduidden, dat hij door moest gaan naar het zuiden. Hij

pakte het telegram weer netjes in--wat een zeer goede manier is,

om een kostbaar papier niet te verliezen, maar niet is aan te raden

voor drukke zakenmenschen. Wij merkten, dat de kameel was beladen

met twee kannen benzine, en we begrepen hoe de zaak in elkaar zat;

de Spijker kwam denkelijk benzine te kort en had getelegrafeerd van

Pong-Kiong naar Udde, om twee kannen van het depôt over te zenden,

en dat waren dan zeker die kannen.

Te Pong-Kiong hadden wij eenige liters van onze benzine gegeven,

en zoo hadden ook de Dion-Bouton's gedaan.

Om vier uur bevonden wij ons in een vlakte, waarin zich hier en daar

lage rotsen verhieven als klippen in de zee. Den vorigen dag hadden wij

als wanhopigen gezocht naar Pong-Kiong, en nu zagen wij in elke rots

een Udde. We werden natuurlijk teleurgesteld. Om de telegraafdraden

niet uit het oog te verliezen trachten wij ze overal te volgen, over

heuveltoppen, tusschen steenen en rotsen. Het voortgaan werd daardoor

zeer bemoeilijkt. Tegen vijf uur zagen wij een hoogte, bestaande uit

een groep ronde rotsen en aan den voet, bijna niet van de steenen en

rotsblokken te onderscheiden, een klein chineesch huisje: dat was Udde.

Eenige minuten daarna traden wij dat paradijs binnen, in alles gelijk

aan de andere plaatsen, die wij 's ochtends verlaten hadden.

In Oerga was de Itala al veel vóór de andere auto's, maar gelukkig

bleef zij door de telegraaf op de hoogte van de vorderingen

der tochtgenooten. Het zou aardig zijn, meer mee te deelen over

de ervaringen van den vroolijken, kloekmoedigen Borghese, den

kinderlijken, volijverigen Ettore en den waakzamen, opmerkzamen

Barzini, maar wij kunnen niet verzuimen, in de ons gestelde ruimte

ook onzen lezers iets te laten hooren van de latere gebeurtenissen,

vooral, van de indrukken, die de reizigers bestormden, toen zij uit

de woestenij in de beschaafde wereld terugkeerden.

Na Nischni-Nowgorod werd de straatweg eenzaam. "Wij rekenden er weer

op", schrijft Barzini, "weldra op onze gewone, ellendige landwegen te

zijn, zooals iederen dag ons lot was geweest. Dit maal kwam de landweg

niet; de weg was hard. En dat bleef hij. Den weg, den eigenlijken

straatweg, hadden wij eindelijk bereikt.

Eindelijk dus! Na een tocht van 7500 kilometer, van zes-en-veertig

lange dagen van vermoeienis, lijden en ontbering. Wij hadden er

naar gezocht en er naar verlangd, al toen wij uit de Mongoolsche

woestijn kwamen; te Kiachta en te Irkutsk meenden wij er reeds op te

zijn, op ieder station van onzen tocht had de hoop, hem te vinden

ons getroost. Toen ik den tocht beschreef, heb ik het woord "weg"

gebruikt om aan de niet te beschrijven plaatsen, waarover wij gingen,

een naam te geven. In werkelijkheid waren wij over den maagdelijken

grond gegaan, dan weer eens goed en dan weer eens slecht, over zand,

slijk, kiezels en over opslag van boomen en struiken. Hier begon de

weg. Te Kazan hadden wij reeds een voorproefje ervan gehad. Hij begon

te Nizjni-Novgorod, bij de voor ons onvergetelijke stad, die voor ons

het keerpunt was, het begin van onzen terugkeer in beschaafde streken.

De grenzen van Europa loopen niet, zooals de aardrijkskundigen aannemen

en zooals ook wij meenden, door de bosschen langs den Oeral, neen

zij beginnen te Nizjni-Novgorod met die witte, gemakkelijke lijn,

waarlangs wij gingen, een lijn, die met allerlei kronkelingen al de

volkeren met elkaar verbindt. Toen scheen het ons toe, dat wij alle

moeilijkheden overwonnen hadden. Maar schijn bedriegt! Wij zouden niet

meer over rotsen behoeven te gaan, niet meer over boomstronken behoeven

te schokken en te hobbelen; wij zouden niet meer in verraderlijke

moerassen blijven steken en niet meer door moerasplanten en bosschen

onze richting moeten zoeken. Den straatweg hadden wij maar te volgen,

hij was onze vriend, onze gids, onze hulp. Hij bracht ons aan het doel.

Wij uitten een kreet van vreugde, toen wij, op een heuvel staande,

hem tot aan den gezichteinder konden volgen. En toch bleef er

een twijfel, een gevoel van angst ons bij; wij waren te dikwijls

teleurgesteld geworden om te gelooven, dat de weg niet spoedig

zou eindigen. Wij konden ons nog niet aan zoo'n geheele en snelle

verandering gewennen. Het was te mooi.

In het begin was de verandering niet zoo radicaal, ten minste niet

wat de bruggen betrof, welke oud en zwak waren en waarvan de planken

onder de wielen verschrikkelijk kraakten. Terwijl wij snel reden,

bezweek een der bruggetjes onder het gewicht van de machine; een

plank brak. Borghese riep Ettore, die aan het stuur zat, toe:

Met alle kracht!

De motor zuchtte luide, en de auto, die bijna stil was gaan staan,

vloog vooruit op de hellende planken, en was gered. Achter ons hoorden

wij een vreeselijk lawaai van vallende planken. Ongeveer vijftig werst

verder kwamen wij aan de grens van het gouvernement Nizjni-Novgorod

en toen vonden wij uitmuntende wegen en nieuwe sterke bruggen.

Op het wandeluur reden wij de zindelijke, heerlijke, met groote

loofboomen beplante stad Wladimir binnen, waar men reeds een vaag

gevoel van de nabijheid van de heilige stad des rijks krijgt,

wat men bemerkt aan de vele kerken, graftomben en heilige nissen,

(welke laatste men ook hier en daar buiten de stad vindt), waarin des

avonds enkele lichtjes flikkeren, waarvoor de voorbijgangers even in

het voor bij gaan knielen.

Wij namen onzen intrek in een klein hôtel. Voor den eersten keer gaf de

vermoeidheid ons den slaap niet. Moskou lag maar een paar uur verder.

Om zeven uur des morgens reden wij onder de poort met zijn torentjes

door en gingen met volle snelheid naar Moskou.

De weg baadde zich in zonneschijn, een heerlijke en prachtige weg,

zoo recht alsof hij door kanonschoten in de steppen, door bosschen,

velden, over stroomen en plassen geschoten was. In die strenge rechte

lijn is iets grootsch en iets verhevens. Zoo'n wondere weg kan ons

alleen leiden naar het verheven Sanctuarium des Rijks.

Wij verlangen vurig er spoedig te komen. Wij vliegen. Het is, of

de machine ons begrijpt en met ons meevoelt; regelmatig en zwijgend

gehoorzaamt zij aan de geringste beweging van de versnelling, vliegt

vooruit en houdt zich stipt aan het stuur, dat Borghese in de hand

heeft, veert zachtjes op de banden met lichte schommelingetjes,

die ons in een zoeten slaap schijnen te willen wiegen. Om acht uur

kwamen wij door een stadje.

De menschen vlogen uit hun winkels, kwamen uit de zijstraten aanhollen

en groetten ons hartelijk. Zelfs een dikke gendarm, met vriendelijken

lach om den mond, sloeg voor ons aan. Toen wij hem voorbij gingen,

vroegen wij hem:

"Hoe heet deze stad?"

"Pokrow."

Daar waren wij verbaasd over. Pokrow ligt ongeveer 80 werst van

Wladimir en wij zouden dus, als wij met deze snelheid voortgingen,

vóór tienen in Moskou zijn. Maar dat mocht niet; wij mochten voor

twee uur in den middag niet te Moskou aankomen. Waarom niet? Wel,

uit beleefdheid. Den vorigen avond had men ons telegrafisch gevraagd,

hoe laat wij daar dachten aan te komen en de Prins, denkende aan alle

eventualiteiten, had ruim gerekend en geantwoord: Denkelijk om twee

uur. Wij waren dus genoodzaakt, vrijwillig onderweg halt te houden,

en wij besloten dus eens op ons gemak "ons twaalf uurtje" te gebruiken.

Een half uur later stonden wij te Bogorodsk voor het voornaamste

hotel. Wij gingen aan tafel zitten met de ernst en deftigheid, die

wij onwillekeurig in acht namen bij den eersten keer, dat wij weer

in een beschaafde omgeving fatsoenlijk koffiedronken. Wij bestelden

een flesch champagne; dat was de tweede, die wij op reis zelf besteed

hadden, de eerste was in Tankoy geweest. Van Peking af tot hier toe

hadden wij nooit in een hotel of restauratie een tweede ontbijt aan

tafel gebruikt; wij hadden het óf op de auto verorberd óf het geheel

vergeten.

Wij waren blij, bijna kinderlijk blij. Het weêr werd ongunstig,

het begon te regenen, maar het weer kon ons nu niets meer schelen,

wij lachten er wat over; de regen zou ons nu niet meer ophouden. Deze

vijandelijkheden kwamen nu te laat en waren geheel doelloos. Onze oude,

taaie, onvermoeide vijand, het weêr, was nu overwonnen.

In een ommezien verspreidde het bericht van onze aankomst zich door

de stad. Het publiek vulde spoedig de plaats achter het hôtel, om

onze automobiel te bekijken; andere lui stonden voor het hôtel door

de glazen te loeren om ons te zien. Wij werden door autoriteiten,

door ambtenaren en notabelen bezocht. Van alle kanten kregen wij

uitnoodigingen, waarvoor wij wel moesten bedanken, als wij ten minste

van daag en niet morgen om twee uur in Moskou zouden aankomen. Maar

van één uitnoodiging konden wij niet af; wij moesten een glas champagne

gaan drinken bij een dame, die eenige van de grootste katoenfabrieken

van heel de streek bezit en die met een chiek rijtuig gekomen was om

ons zoo beleefd mogelijk uit te noodigen, zoodat wij _nolens volens_

aannamen. De fabrieksarbeiders stelden zich op, om ons te begroeten

toen wij voorbij kwamen en het aardige houten villaatje van de

eigenares betraden.

Precies om twaalf uur zaten wij weer in de auto en reden met de

grootste versnelling om tijd te winnen, want wij waren bang, dat wij

ons te lang in Bogorodsk opgehouden hadden. Wij waren ongeveer op 30

werst afstand van Moskou, toen wij twee kranige soldaten zagen, die

wij voor kozakken uit Kuban hielden, met schilderachtige circassische

uniformen, met hun rijken patroongordel over de borst, hun langen

dolk op zijde en den hoogen kolbak op het hoofd. Zij staan tegenover

elkaar, ieder aan een kant van den weg, en zoodra wij gepasseerd

zijn, volgen zij ons in galop. Op afstanden van honderd meter staan

weer kozakken om den weg te bewaken, die zich hij den stoet voegen,

welken wij achter ons hebben. Wij bemerken al heel spoedig, dat die

veiligheidsdienst voor ons georganiseerd is, om te zorgen, dat de weg

vrij is en dat alle wagens, zoolang naar den kant van den weg gaan,

totdat wij gepasseerd zijn. Deze soldaten behooren tot een nieuw

korps gendarmerie, dat na de ontlusten te Moskou georganiseerd is.

Het verwonderde ons, dat karrijders niet woedend waren, ons niet

beleedigden, maar ons zelfs levendig en hartelijk groetten. Maar de

verrassingen waren nog niet uit. Toen wij omstreeks kwart over éénen

in Kordenky, een voorstadje van Moskou kwamen, zagen wij een groote

file prachtige automobielen staan, en andere, die luid toeterend

aankwamen. Dat waren de eerste groote auto's, die wij zagen. Zij waren

ons tegemoet gekomen. Een luid "Hoezee!" weerklonk. Men verdrong zich

om ons en schudde ons wel honderdmaal de hand.

Het was een onbeschrijfelijk oogenblik.

Op het strakke, deftige gezicht van Borghese zag ik nu toch een trek

van aandoening trillen. Nog vier duizend kilometer waren wij van Parijs

verwijderd, maar het leek ons nu, of wij daar reeds waren. Wij waren

weer te midden der "onzen" en gevoelden ons weer thuis. De tijd van

de eenzaamheid was nu voor goed achter den rug.

Met bewogen hart en met een oog, niet enkel vochtig door den wind en

den regen, stapten wij uit de auto, om door onze begroeters ontvangen

te worden. De president van de Automobilistenclub van Moskou, op

wiens initiatief deze ontvangst op touw gezet was, deelde ons mede,

dat wij tot eereleden van de club benoemd waren en overhandigde ons een

kostbaar geëmailleerd gouden insigne, dat wij direct op onze bemodderde

mutsen bevestigden. Nu volgde de voorstelling van den consul-generaal

van Frankrijk Lebrun, van den belgischen consul Zenker, van den

italiaanschen consul Fumasoni, dien wij reeds uit Nizjni-Novgorod

kenden, van alle leden der club en der wielrijdersvereeniging der

italiaansche kolonie. Ik bevond mij in gezelschap van vele mijner

collega's: den correspondent van _Le Matin_, die den Prins voor zijn

courant, die het plan Peking-Parijs opgevat had, welkom heette; ik

vond er mijn collega van de _Daily-Mail_, die ons met den spoorweg

van plaats tot plaats gevolgd was, terug en nog vele buitenlandsche

journalisten. Er waren ook dames. Een van haar had het fijn gevoelde

idee gehad een bos rozen op onze auto te leggen, zeker om deze,

waaraan wij eigenlijk het gelukken van onzen tocht voor een groot deel

te danken hadden, niet te doen vergeten. Een verfrissching werd ons

door den voorzitter der automobilistenclub aangeboden in een naburige

isba--een huisje van ruw hout gemaakt, waarvan de inwoners verbaasd

opkeken, dat er zooveel voorname lui bij hen kwamen.

Naar Moskou, naar Moskou! werd er geroepen.

Van Peking naar Parijs per auto De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 4 / 5 段