Het was alsof de auto zich er over wilde wreken, dat zij tot nu toe

maar al voortgetrokken was; nu wilde ze zich voortbewegen door eigen

kracht en, van plan gebruik te maken van het eerste oogenblik van

onachtzaamheid der mannen, was ze gereed om weg te vliegen bij het

geringste verslappen van de touwen; men zou gezegd hebben, dat ze

het oogenblik afwachtte om in opstand te komen tegen de voortdurende

overheersching. De geringste mispas van een onzer zou de samenwerking

onzer krachten hebben verstoord; de krachtsinspanning behoefde slechts

één oogenblik te verslappen en het monster zou zich in den afgrond

hebben gestort, ons allen in haren val meesleepende. Een oogenblik

scheen het, of ze niet aan de remmen zou gehoorzamen; achterover

gebogen, de voeten stevig op den grond geplant, met gestrekte beenen

en armen, de tanden op elkaar geklemd, met ingehouden adem, worstelden

de Chineezen en wij samen als één man tegen de woeste neigingen van de

auto. Gelukkig duurde het maar kort. De pas gesmeerde remmen pakten

eerst niet, maar eindelijk gelukte het. Ettore kende zijn beestje en

verloor den moed niet; hij wist het bijtijds te temmen.

Als we even wilden uitblazen, legden we groote steenen voor de wielen,

met een haast als van soldaten, die vluchtende een barrikade opwerpen

om den vijand tegen te houden. Wij namen dan een oogenblik rust; de

auto helde schuin naar voren als een koppig dier, de touwen hingen

achter haar aan als twee groote staarten.

Gelukkig bereikten wij spoedig de vlakte en gingen vroolijk op marsch

langs den weg, die tusschen den berg en de rivier inloopt. Het pad

voerde naar het dorp Shao-huai-huen, half verscholen achter wilgen

en omringd door rijstvelden. De weg was modderig, de grond glibberig

en zwart door den regen. De wielen zakten er halverwege de spaken in

en de banden werden onzichtbaar door de modder; het was of de auto

op rollen van modder liep. En onze schoenen werden ook zwaar door

de klei, die er aan bleef kleven en die wij er nu en dan moesten

afstampen. Wij gleden telkens uit, en het loopen begon moeilijk te

vallen. De koelies moesten elk oogenblik stil houden om uit te rusten.

Wij ontmoetten een karavaan van muilezels, met mongoolsche pelterijen

beladen. Twee muilezels, die voor de auto schrikten, sprongen naast

het pad en zakten tot den buik in de modder.

In het dorp stond de straat onder water en zelfs de door hooge

dijken omringde rijstvelden waren overstroomd. Er was geen keus, wij

moesten passeeren. Onze mannen ontblootten de beenen en stapten in

den modderpoel; dat scheen te gaan en onze blikken vestigden zich

hoopvol op de droge plekken grond verderop en we berekenden den

afstand. Nog twee minuten, en we waren gered. Het water borrelde

onder onze voeten op.

Plotseling stond de auto stil.

"Avanti! Avanti!" schreeuwde Ettore.

"Stommeriken," riepen wij uit--"nu gaan ze rusten! juist op dit

kritieke oogenblik!"

Torza! Een oponthoud is juist nu uiterst gevaarlijk; men zinkt!

Maar de arme Chineezen hadden niet expres halt gehouden. Ze begrepen

het gevaar. Ze trokken zoo hard ze konden, en ze schreeuwden van

angst. De drie beesten strekten de pooten strak onder een hagelbui van

zweepslagen en rekten de lange magere halzen uit. De touwen waren tot

het uiterste gespannen, het chassis kraakte. Tevergeefs. De machine

leek vastgespijkerd aan den grond, men trachtte meerdere malen haar

in beweging te krijgen, het hielp niet, we moesten het op een andere

manier probeeren; we waren van plan kettingen om de boomen te slaan en

dan uit alle macht met behulp van takels te trekken. Op dat oogenblik

voelden de Chineezen met hun bloote voeten, dat de wielen iets hadden

aangeraakt en Pietro riep:

"Een groote steen!"

Een groote steen? Gauw dan hier met de ijzeren hefboomen. Wij

zouden een berg hebben kunnen verzetten! Maar de koelies ontdekten

al spoedig dat het geen steen was, maar dat het boomwortels waren,

en Pietro riep weer:

"Het zijn groote wortels!"

Het waren inderdaad de groote wortels van een reusachtigen wilg,

die niet ver vandaar, onverstoorbaar, alsof hij niet de oorzaak was

van het oponthoud, zijn groene bladerenweelde ten toon spreidde. Er

zat niets anders op, dan de wortels af te kappen; een nieuw vreemd

werk voor automobilisten. Na langen tijd gekapt te hebben, gingen we

aan de wortels trekken; ze werden eindelijk uitgerukt om de wielen

geheel te bevrijden. Zoo kwamen we ten slotte uit den modderpoel en

konden eenige K.M. zonder ophouden doorgaan, en al was de weg ook nog

zoo slecht, we waren reeds danig in onzen schik dat zich geen nieuwe

hindernissen opdeden."

Eindelijk, na een lastige passage tusschen nauwe doorgangen tusschen

de rotsen, vertoonde zich de Mongoolsche vlakte als een onmetelijke,

rustelooze, blauwe zee. Na een daling langs de steile duinen

bereikten ze de zandvlakte van Hsin-wa-fu, welke naam ook die is van

de hoofdplaats van de provincie, in het bezit van een garnizoen, een

klein fort en een postkantoor. Het telegraafkantoor van Hsin-wa-fu

zal ik nooit vergeten.

Ten eerste omdat ik 4 K.M. moest loopen om er te komen en natuurlijk

4 K.M. terug. En wij hadden dien dag al 50 K.M. afgelegd!

De telegraafdraden loopen langs een eenzamen weg naar een klein huisje,

rustig en stil als een tempel.

In den tempel vond ik twee telegrafisten, druk aan het opiumschuiven,

hoewel dit sedert korten tijd door de chineesche wet streng verboden

was. Uitgestrekt op de kang, hun pijpen in de hand, waren ze omringd

door den vetten, scherpen, dikken rook van het heulsap.

"Kan ik een telegram verzenden?" vroeg ik beleefd, nadat ik op de

gebruikelijke wijze had gegroet.

Stilte.

Ik ging zitten. Na eenige minuten hernam ik:

"Ik zou gaarne een telegram willen verzenden.."

Een der rookers kwam naar mij toe en verrichtte eenige bezigheden aan

zijn bureau, ging daarna naar de deur en gaf order om thee te brengen.

"Wilt u een telegram verzenden?" riep ik opnieuw.

Eindelijk drong mijn vraag door tot de hersenen van den keizerlijken

functionaris en hij zei mij in betrekkelijk goed Engelsch:

"Wij zijn in directe verbinding met Kalgan en Peking. Drie uur per dag

met Kalgan, drie uur met Peking; van zeven tot elf met Kalgan en..."

"Uitstekend. Mijn telegram is voor Europa bestemd, neemt U telegrammen

voor Europa aan?"

Stilte. De thee werd binnen gebracht. Ik gebruikte een kopje, terwijl

ik mijn telegram opschreef. Daarna zei ik weer:

"Neemt U telegrammen voor Europa aan, ja of neen?"

De ambtenaar zag mij kalm aan, alsof hij me nu eerst opmerkte en

herhaalde langzaam:

"Europa? Wij zijn in directe verbinding met Kalgan en met...."

"Met Peking, dat weet ik ... maar..."

"Drie uur per dag met Kalgan en drie..."

"En drie uur met Peking, ik weet het al..."

"Van zeven tot elf met..."

"Met Kalgan, ik weet het al... genoeg! Dank U. Tot ziens!" En ik

liep woedend weg, terwijl ik mij eenige krachtige uitdrukkingen liet

ontvallen, die minder geschikt zijn om hier te worden weergegeven.

Wij waren van plan om den geheelen weg van Hsin-wa-fu naar Kalgan

per auto af te leggen--ongeveer 40 K.M.--behalve door den pas

bij Yu-pao-tung, een pas tusschen twee heuvelen, kort maar zeer

steil. Eenige van onze mannen waren al naar Yu-pao-Tung vertrokken;

te middernacht hadden ze het hotel verlaten.

De weg bleek echter zóó slecht, zóó modderig, zóó steenachtig en

zanderig, dat we toch genoodzaakt zijn geweest de auto een 15 K.M. op

de oude manier te laten trekken."

Den 15den Juni was Kalgan bereikt, waar de heer Dorliac, directeur

van de Russisch-Chineesche Bank hun gastvrijheid aanbood.

Na Kalgan lag het centrum van Azië vóór hen.

"Wij werden tusschen Kalgan en Oerga bij den put van Pong-Kiong

verwacht. De kleine telegrafist, aan wien dat telegraafstation is

toevertrouwd, kwam ons met groot vreugdebetoon tegemoet.

Het spijt me dat ik mij den naam niet meer kan herinneren van dien

held, die in de woestijn leeft om een telegraphische verbinding van

het westen met het oosten mogelijk te maken. Tusschen dat station en

Kalgan, de stad die het dichtstbij gelegen is, ligt een afstand van

300 K.M.; tot Oerga bedraagt de afstand 800 K.M. En die man kan niet

vluchten, wat hem ook overkomt. Daardoor wordt die wijde uitgestrekte

vlakte voor hem een gevangenis.

Om andere menschen te ontmoeten, moet hij acht dagen reizen van

den eenen put naar den anderen. Niemand kan hem ter hulp komen. De

afzondering van een gevangene, eenzaam opgesloten in een fort, is

niet zoo volstrekt en niet zoo verschrikkelijk; de gevangene houdt

nog op zekere hoogte voeling met de wereld; hij hoort klanken, hij

ziet dingen die aan zijn gedachten afleiding kunnen geven.

Het meest verschrikkelijke in de woestijn is de stilte.

Toch zijn er nog twee oorzaken tot vreugde voor den kleinen Chinees

van Pong-Kiong en tot troost in zijn eenzaamheid, n.l. een klein

meisje en het telegraaf-toestel. Dat zijn de twee genegenheden die

zijn leven vervullen. Het kleine meisje is zijn dochter, en het

telegraaf-toestel is zijn vriend. Uren lang zit hij in het getik van

de toestellen en hoort daarin stemmen van verre landen: Petersburg

seint, dan Londen, dan Tokio. Hij geeft aansluiting; berichten gaan

voorbij, orders, geheimzinnige diplomatieke communicaties, woorden van

hartstocht. Wanneer het gesprek tusschen de werelddeelen is afgeloopen,

beginnen de meer eenvoudige gesprekken. De kantoren van de woestijn

zeggen elkaar goeden dag, vertellen elkaar de kleine dagelijksche

gebeurtenissen, hunne zorgen, hun hoop. Die gesprekken zijn voor die

eenzamen, wat de courant is voor ons.

Het telegraafstation van Pong-Kiong lijkt op een chineesche

boerenwoning; drie kleine lage gebouwen van vastgestampte leem,

van binnen door breede, met papier overtrokken getraliede vensters

verlicht, die den geheelen wand beslaan. Ze vormen de drie zijden van

een kwadraat, omringd door een muur, die slechts een uitgang heeft

aan den zuidkant, waarboven een kroon van telegraaf-isolatoren staat,

vreemdsoortige versiering, die veel weg heeft van een lange rij witte

tanden in een doodshoofd.

Aan den westkant heeft de wind het zand tegen den muur opgehoopt. Als

het waait, dringt het zand overal door de luiken, komt in alle kamers;

de hemel verduistert, het wordt donker, buiten is het onmogelijk op

twee passen afstands voor zich uit te zien, de telegraafdraden brommen

en huilen, en het is zóó donker, dat men het licht moet aansteken. Vier

dagen voor onze komst had nog een vreeselijke storm gewoed.

Behalve de telegrafist wonen dan nog drie mannen op dat plekje, twee

Chineezen en een Mongool, die belast zijn met de werkzaamheden op de

telegraaflijn; ze herstellen de door den wind gebroken draden en zetten

de palen, die omgevallen zijn overeind. Ze hebben drie kameelen in hun

dienst, die in de omgeving grazen. Wij hadden de drie beesten gezien,

toen we aankwamen; ze hadden een komiek, kalm en tevreden uiterlijk.

De mooiste kamer was voor ons in gereedheid gebracht. Op de "Kang's"

lagen kleeden en schitterend roode kussens en op een tafel (heerlijk

gezicht!) lag een prachtige, geurige ananas van Singapore, juist uit

zijn kist gehaald. Wij wierpen ons eerst op de ananas en daarna op

de kussens, en toen ik daar lag, schreef ik vluchtig de indrukken van

dien dag op. Toen gaf ik onzen gastheer het telegram om over te seinen

en ik ging naast hem voor de toestellen zitten. Hij scheen met de

zaak verlegen, raadpleegde chineesche reglementen, keek lijsten in,

telde en telde nog eens de woorden van het telegram na en schreef

daarna zorgvuldig op het formulier boven aan: nº. 1.

"Is dit het eerste telegram vandaag?"

"Neen mijnheer," antwoordde hij, "het is het eerste van het bureau."

"Wat bedoelt u?"

"Ik zeg, dat uw telegram het eerste is, dat uit het kantoor van

Pong-Kiong wordt verzonden."

"Dit jaar?"

"Neen mijnheer, zoo lang het kantoor bestaat. Zes jaar."

"In den tijd van zes jaar niet één telegram?" vroeg ik verwonderd na

een oogenblik zwijgens.

"Geen een."

"Maar waarom is er dan een telegraafkantoor?"

"Omdat de afstanden te groot zijn, zoodat er tusschenstations moeten

zijn."

Ons gesprek werd door het getik van het toestel onderbroken; Kalgan,

dat was opgeroepen, gaf antwoord. Mijn telegram aanvaardde de

reis. Kalgan nam het aan, om het naar Peking over te seinen. Peking

zou het naar Shang-hai zenden. Shang-hai naar Hong-kong, Hong-kong naar

Singapore, Singapore naar Aden, Aden naar Malta, Malta naar Gibraltar,

Gibraltar naar Londen.

Het zou acht à tien uur onderweg blijven, voordat het op de plaats van

zijn bestemming zou zijn aangekomen. Maar de tijd van Pong-Kiong is

acht uur vóór bij den midden-europeeschen tijd, en het telegram zou dus

eigenlijk twee uur na het vertrek arriveeren. Het was 4.15; tusschen

zes en zeven 's avonds zou mijn verslag op de redactiebureaux van de

_Daily Telegraph_ en van de _Corriere della Sera_ zijn aangekomen,

en reeds den volgenden morgen zouden de engelsche en italiaansche

lezers weten, wat aan de automobilisten den dag te voren was overkomen

in de woestijn van Mongolië.

Er is zoo iets grootsch in de overwinning, door draden en vonken

behaald op tijd en afstand, dat zelfs de ziel van een journalist,

die het meest gewend is aan de wonderen der snelheid, op sommige

oogenblikken met bewondering en trots is vervuld.

Tegen zes uur zagen wij de andere auto's aankomen. In de verte

leken het kleine stipjes op de uitgestrekte vlakte, onbewegelijk als

booten op den Oceaan. De Spijker kwam het eerst aan in de omheining

van het telegraaf kantoor, waar Ettore onze auto in orde maakte en

ik volhardend bezig was, een stuk van een schaap, harder dan een

gummiband, gaar te koken.

Du Taillis sprong van de auto, en een grijze tasch in de hoogte

houdend, riep hij luid:

"Van wie is dit?"

Het was de bagage van Borghese! Dat was het toppunt van geluk, eerst

Pong-Kiong gevonden en daarna het valies! En dan zijn er nog menschen,

die in de woestijn verloren gaan!

"Hebt U het lang geleden gevonden?" vroeg ik.

"O ja, vele uren geleden. We waren nog in de grasvlakten."

"Was het op straat blijven liggen?"

"Wel neen! Eenige Mongolen gaven ons seinen, toen we voorbij reden. Wij

bleven stilstaan. Toen hebben ze ons deze bagage ter hand gesteld en

beduidden ons, dat U het verloren moest hebben."

Mongolen? Barbaren, die eerlijk zijn? Barbaren, die in armoede leven en

die zich de weelde gunnen, van terug te geven wat ze gevonden hebben?

En zonder een belooning te vragen!

Waar zijn dan, mijn waarde vriend, de roovers der prairieën, die ons

zouden overvallen?

Misschien wel in Europa.

De reisavonturen verliezen dus geheel en al hunne

aantrekkelijkheid! Daarvoor behoefde men toch niet naar dit ver

verwijderd land te komen, om zich melk te laten presenteeren en

verloren valiezen terug te krijgen!

"Oui, c'est triste."

Wij wachtten te vergeefs de aankomst van de tricycle. Onze reisgenooten

gaven als hun vaste meening te kennen, dat Pons was teruggekeerd. Wij

verkeerden omtrent het lot van Pons en zijn metgezel niet in de

minste ongerustheid. Ze bevonden zich nog in bewoonde streken en

zouden gemakkelijk een gastvrij dak en hulp vinden.

Na eenige uren was het schaap even hard om te bijten, als het hard

was geweest om te koken. De telegrafist, die het ons bezorgd had,

was er verlegen over; wij troostten hem door hem te laten zien,

hoe een verhongerd Europeaan zelfs niet voor een schotel perkament

terugdeinst, en daarna strekten wij ons op de "kang's" uit.

19 Juni 's ochtends. Bij het opgaan der zon waren wij al onderweg. Wij

haalden de Spijker in, die kort van te voren vertrokken was, en wij

renden voort naar het noorden. De nieuwe samenkomst zou 's avonds

te Udde zijn, het naastbijgelegen telegraafstation, dicht bij een

anderen put, volgens onze berekening 250 KM. van Pong-Kiong.

De lucht was koel, en de eerste zonnestralen gaven bijna geen

warmte. De automobiel wierp een lange, zonderlinge schaduw op den weg

en slingerde heen en weer, alsof het de schaduw was van een grooten

vogel die voorbijvloog.

De weg was goed, en de motor liet nu en dan, tot de grootste snelheid

opgevoerd, in de kalmte rondom haar hijgend gebrom hooren. Eenige

kilometers van Pong-Kiong vonden wij de groene, zacht hellende

weide terug.

"Wat vlucht daar? daar, daar!" riep onverwachts Ettore, met zijn

uitgestrekte hand rechts van ons wijzend.

Het was een antiloop. Een honderd meter van ons af vluchtte ze in

sierlijken, karakteristieken draf, vlugger dan elk ander dier.

Willen wij haar vervolgen? riep ik uit. Het denkbeeld om per auto op

antilopen te jagen met een snelheid van 90 KM. per uur leek ons zeer

aanlokkelijk, maar de Prins maakte ons opmerkzaam, dat de jachtpartij

ons te ver zou kunnen af brengen van onze route en we hadden nog een

heelen afstand af te leggen. Er was trouwens nog een alles afdoende

reden, waardoor de vrijheid van het wild gewaarborgd was, we bezaten

n.l. geen geweer.

Een oogenblik later troffen wij een kleine kudde gazellen aan met

grijzen rug en witte pooten, vlug als veulens, zeer gracieus in

hun bewegingen. Ze vluchtten de een na de andere verschrikt weg;

ze bleven in de verte stilstaan en draaiden op den lenigen hals

hun fijnen kop naar dat nieuwe vreemde wezen, dat den vrede van

hun weiland verstoorde. Wat ze zagen scheen hen niet erg gerust te

stellen. Tenminste ze namen onmiddellijk weer de vlucht.

Hoogst zelden ontmoetten wij menschen.

Vijf of zes Mongolen te paard trachtten ons bij te houden; ze waren

een halven KM. op zij van ons en maakten heftige gebaren.

Onverwachts zagen wij op de geheel verlaten prairie iets wits, dat

we uit de verte voor een paleis aanzagen, omringd door kleine witte

gebouwen. We reden in die richting en werden verrast door een visioen

uit ver verwijderde tijden.

Ieder kent, door de wederopbouwingen onder wetenschappelijke

leiding van de archeologen, den bouwstijl van de aziatische

beschavingen. Wanneer men denkt aan het uiterlijk dat Babylon en

Ninivé moeten hebben gehad, stelt men zich plompe vierkante gebouwen

voor met lichthellende zijmuren in den trant van de pyramiden, met

deuren en vensters, van onder breeder dan van boven als deuren en

vensters van praalgraven; op het dak een terras, eenvoudig en grootsch

als graftomben.

Eenige ruïnen uit de egyptische oudheid geven een voorbeeld van de

pyramidale lijn, die aan de muren een soliditeit geeft die eeuwen

kon trotseeren en de illusie opwekt van iets reusachtigs. Door den

grooten omvang der basis en den spits toeloopenden top ontstaat

een prachtig perspectief, dat de gebouwen oneindig veel hooger doet

schijnen. Ook te Lhassa, dat we thans kennen door de photographie,

blijken de gebouwen volgens denzelfden stijl te zijn opgetrokken. We

hebben verbaasd gestaan over de buitengewone, bijbelsche strengheid

van deze stad, waarin nog nooit een vreemdeling een voet had gezet;

ze openbaarde ons de levende vormen, van verre beschavingen, die niet

met den godsdienst uit Indië tot haar waren gekomen, noch uit China

door oorzaken van politiek, maar die haar hebben moeten bereiken uit

het aziatische westen 20 of 30 eeuwen terug.

De afzondering, de stilstand op ieder gebied, de kalmte en het

Boeddhisme hebben van Thibet een heilige plaats gemaakt, die niemand

mag betreden en waar de traditie van en het gevoel voor een oude

kunst is bewaard gebleven.

En thans bevonden wij ons voor gebouwen, opgetrokken in dien

stijl. Maar ze waren niet te vergelijken met de indrukwekkende

akropolis van Lhassa. De woestijn verschaft geen bouwmaterialen,

en wie weet waar ze die steenen, op de ruggen van kameelen, vandaan

hadden gehaald. Het was de vorm, niet de grootschheid, die hun een

indrukwekkende strengheid van uiterlijk verleende. Misschien ook,

dat onze verbeelding de gebouwen mooier maakte, dan ze inderdaad waren.

Het voornaamste gebouw was een Lamatempel, kalkwit, bovenaan

geornamenteerd met een rooden rand van terra-cotta, sierlijk en

eenvoudig. Een dergelijke rand was rondom de deur en de driehoekige

vensters, elk door een afdakje beschut. Lange bronzen pijpen staken

van boven uit, om het regenwater van de terrassen te doen afloopen. De

gebouwen om den tempel heen waren veel kleiner, doch hadden denzelfden

vorm. Wij dachten, dat het de woningen der monniken waren. We lieten

de automobiel buiten staan en liepen de heilige plaats rond. Er was

niemand--de huisjes bleken verlaten te zijn--we hoorden geen stem,

niet het minste geluid.

We zouden weer "aan boord" gaan, toen een oude man met kleine pasjes

uit een deur kwam. Hij zag ons en bleef stilstaan. Hij was lang,

mager, had een vreemd kostuum aan, dat de armen bloot liet; zijn

gelaat was vol rimpels. Wij naderden en groetten hem eerbiedig, we

fotografeerden hem, spraken hem aan; hij verroerde zich niet, gaf geen

antwoord. Hij toonde noch verwondering noch vrees; hij scheen in diep

gepeins verzonken over het geheimzinnige van onze tegenwoordigheid op

die plaats. Hij keek ons aan en kon maar niet begrijpen wie wij waren;

men zag in z'n oogen de inspanning, die hij zich getroostte om het

onverklaarbare op te helderen. Het was onmogelijk, zijn leeftijd te

raden; hij leek sterk en vervallen tegelijkertijd. De tijd had zijn

gelaat met diepe rimpels doorgroefd.

Toen we weer op de machine waren gestapt, zagen we even om; de eenzame

stond daar nog onbewegelijk, ons nastarend in diep gepeins van niet

begrijpen.

De weg helde sterk naar beneden. Tegen acht uur kwamen wij bij een

jagerspad; er was geen weide, doch hier en daar eenig dor, schraal

gras en daartusschen groote kale plekken; wij waren op den rand van

de woestijn.

"Gobi" is het Mongoolsche woord voor "holte". De woestijn is een

wijduitgestrekte laag vlakte in het centrum van Mongolië; het is de

holte, de "gobi", die vroeger een zee bevatte. Wij bevonden ons op

het strand van een verdwenen zee. Het was een steil strand, waarin

de golven ruwe treden hadden uitgehouwen. Wij zouden weldra een lager

gelegen vlakte betreden, den bodem van de vroegere zee. Dat strand had

zijn inhammen, zijn kapen en zijn schiereilandjes. Voor ons strekte

zich de onvruchtbare, kale, golvende vlakte uit tot in het oneindige,

en die aan den horizon hooger leek dan aan den rand, evenals de zee.

Een steile helling van twintig of dertig meter bracht ons op den

harden, vlakken zandbodem, die de stormen had gekend, en we begonnen

een wilden ren, die tegelijk een inval en een vlucht was.

Hoe verder we gingen, hoe kaler, woester en somberder de bodem werd, nu

vlak en gelijk, dan weer oneffen, nu bestaande uit fijne zandkorrels,

die in de zon schitterden, dan weer uit klei en modder. Geen levend

wezen behalve eenige kleine korte hagedissen van de zelfde kleur als

de grond, zoodat ze daarvan bijna niet waren te onderscheiden.

Eentonig kropen de uren voorbij. Hoe later het werd, hoe meer de

warmte in hevigheid toenam. Het was bladstil; met wellust ademden wij

den koelen luchtstroom in, veroorzaakt door den snellen gang van de

auto. De overgang van de ochtendkoelte tot een tropische hitte was

plotseling. We namen een eigenaardig verschijnsel waar; terwijl het

in de zon gloeiend heet was, was het in de schaduw koud.

De hemel was buitengewoon helder, zoo helder, dat wij ons vergisten

in de afstanden; het leek ons of alles dicht bij ons was. De horizon

scheen slechts enkele kilometers van ons verwijderd, en toch reden

we uren om sommige verhevenheden van den weg te bereiken, die we

heel duidelijk vlak bij ons zagen. Deze bedriegelijke doorzichtigheid

moet toegeschreven worden aan de totale afwezigheid van waterdeeltjes

in de atmospheer. De droogte van de lucht veroorzaakte ondragelijke

pijnen. Onze huid gloeide als van de koorts, en we konden zelfs niet

transpireeren, wat ons zeer zou hebben verlicht. Het branden van de

zon op ons gezicht en onze handen was zoo geweldig, dat het scheen

of we onder een kolossaal brandglas zaten. Den vorigen dag hadden

wij hetzelfde opgemerkt op weg naar Pong-Kiong, maar toen dachten

we niet, dat de hitte zoozeer zou toenemen. We begrepen nu, waarom

de karavanen niet bij dag reizen--maar konden en wilden ook niet

stilhouden, want onze redding lag in onze snelheid.

Wij troffen slechts een enkelen put aan. Tegen tien uur daalden wij

nog een trede, een gedeelte van het strand der vroegere zee, zeker

een halte op den weg van haar langzamen terugtocht, die eeuwen heeft

geduurd, tot de algemeene verdwijning is gekomen. De grond had de

witachtige kleur van pekel. Ik werd er door herinnerd aan de omgeving

van de Doode Zee in de buurt van Jericho, zonder het groen van den

Jordaan. De grond, waarop wij reden, was ook dood; misschien had het

land te snel geleefd; wie zal het zeggen? Wij hadden misschien om

ons heen het beeld van onze aarde, zooals die over millioenen jaren

zal zijn, verdord, dood, in onverstoorbaren vrede daar liggend,

in uiterlijk aan de maan gelijk.

Van Peking naar Parijs per auto De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 3 / 5 段