bracht mij een anderen stoet in de gedachte en wel dien in Mongolië,
op den weg naar Urga. Ik zag weer die woeste cavalcade van fiere
ruiters, met hun veelkleurige kleeren en met hun spitse hoeden, een
stoet, die ons deed denken dat de auto door alle woeste aziatische
barbaren gevolgd werd. Maar nu leken wij wel de barbaren, bestoven
en bemodderd als wij waren, in een onoogelijke vuile, beslijkte kar,
met verroeste spatborden en oud leeren touwwerk; terwijl achter
ons de blanke en geëmailleerde aristocratische auto's schitterden,
waarin dames in lichte zomertoiletjes zaten, wier veêren, bloemen,
voiles en linten in den wind fladderden.
Plotseling zagen wij Moskou aan den gezichteinder. Het is één
lichtschittering van al die vergulde koepels boven die onmetelijke
zee van witte gebouwen. Het was een imponeerend gezicht. Het leek
een droom.
Wij kwamen in de voorsteden, vol fabrieken, werkplaatsen, hooge
rookende schoorsteenen; nieuwe van het werk weerklinkende voorsteden,
die als een gordel de plechtige stilte van het oude heiligdom omgeven.
Maar wat is er eigenlijk te doen? De straat wordt door menschen
overstroomd en wel door de arbeiders, die de fabrieken bij honderden
en duizenden uitstormen, mannen, vrouwen, jongens en meisjes. De ramen
zijn dicht bezet. Uit de buurtspoor komen duizenden ons hollend te
gemoet. Wat is er toch te doen?
Maar toen wij naderbij kwamen, begrepen wij het. Een donderend geluid
hoorden wij, den welkomstgroet van het volk, ons gebracht met de stem
van de menigte. De groet herhaalde zich, breidde versterkt zich uit,
plantte zich voort overal waar wij kwamen, volgde ons; wij bevonden
ons er midden in; vóór ons, achter ons, links en rechts. En wij waren
volstrekt niet overtuigd, dat wij die geestdriftige ontvangst verdiend
hadden, maar zij maakte op ons toch een sympathieken indruk. Wij
hoorden roepen: _Evviva l'Italia_ (Leve Italië), oorverdoovend
handgeklap. Op de impériaals van de tram stonden de passagiers op,
en namen den hoed af, de koetsiers, de conducteurs en zelfs de
politieagenten groetten ons.
Wij konden links en rechts buigen, zooals een vorst in zijn rijtuig,
de menigte groet. Borghese mompelde verwonderd:
"Maar wat hebben wij toch ten slotte bereikt?"
Zoo kwamen wij door de voorstad Novaya Andronoyka en gingen door
Rogojskaja de eigenlijke stad in. Een speciale politiedienst hield
den weg vrij. Spoedig kwamen wij in het centrum van de stad, waar
zij haar gewoon, kalm aanzien had. Zwijgend groette men hier. Langs
grootsche boulevards kwamen wij eindelijk aan de eerbiedwaardige, oude
muren van het Kremlin, waar de menschen niets van ons af wisten en
vragend stil bleven staan om den stoet te zien voorbijtrekken en niet
konden begrijpen, dat zooveel prachtige automobielen zoo'n leelijke,
vuile auto, waarin nog smeriger lui zaten, volgden.
Toen wij in het hôtel afstapten, werd er dadelijk beslag op ons
gelegd door de commissie van den wedstrijd. Zij wilde ons een feest
aanbieden, dat minstens twee dagen zou duren, om het geheele programma
af te doen. Ofschoon wij vermoeid waren, namen wij de invitatie aan
en besloten tot een halt van twee dagen, maar met het vaste plan,
voortaan niet meer voor de verleiding te bezwijken. Wij zouden zonder
een dag rust van Moskou naar Parijs gaan. En Petersburg dan? Ook in
Petersburg werden wij gewacht. Wel is waar, stond de hoofdstad van
Rusland niet op ons programma, daar zij te ver af lag. Kozen wij den
weg van Perm en besloten wij tot het bezoek aan Petersburg, dan maakten
wij een omweg van minstens zeshonderd kilometer. Maar het Peterburgsche
comité, dat voor de verdeeling van onze benzine-depots gezorgd, ons
de wegen aangegeven en in de voornaamste steden sub-comités gevormd
had om ons te ontvangen en inlichtingen en hulp te verschaffen,
het comité, dat zich allerverdienstelijkst had gemaakt, dat konden
wij niet negeeren door zijn uitnoodiging van de hand te wijzen. Wij
moesten dus naar Petersburg gaan, maar wij zouden er niet langer dan
een paar uur blijven. Dan kwam Berlijn ook nog, van waar wij reeds
te Tomsk telegraphisch uitnoodigingen ontvangen hadden.
Te Moskou werden ons alle middagmalen, lunches en soupers aangeboden,
die wij onderweg overgeslagen hadden. Onze gehardheid, waardoor wij
alle vermoeienissen en ontberingen hadden kunnen verdragen, begon
te verminderen onder deze groote reactie, waaraan wij geen weerstand
konden bieden wegens de groote vriendelijkheid, waarmee zij gepaard
ging. Wij werden onthaald door de italiaansche kolonie, zij wilden
ons kostbare souvenirs aanbieden, die waarlijk niet noodig waren, daar
de herinnering aan deze oogenblikken blijvend voor ons is; wij werden
ontvangen door de automobilisten-club, door den italiaanschen consul,
door oude en nieuwe vrienden; wij toastten, bezochten concerten,
zoowel vocale als instrumentale, de prachtigste en meest geroemde
restaurants van Moskou, de _Metropol_, _l'Ermitage_ en _Mauritania_,
dat verscholen ligt tusschen het dichte loof van het Petrowskypark
en bekend is door den drom zijner cosmopolitische bezoekers--en het
elegante _Yard_, waar de concerten des nachts om twaalf uur beginnen
en met zonsopgang eindigen.
De automobielen uit Moskou stonden te onzer dispositie, om de stad en
de omstreken te gaan bezichtigen. Zoo gingen wij den zonsondergang op
den historischen _Vorobievy Gory_ of Musschenberg zien, waarop Napoleon
de Groote stil bleef staan om het tooverachtig schoone panorama van
Moskou in den avond van den 14den September 1812 te bewonderen. De
wegstervende zon kleurde de onmetelijke, trotsche stad als met bloed;
de vergulde koepels zonden stroomen van vlammen uit en hulden alles
in vuur en licht. Het was een heerlijk schouwspel.
Wij werden uitgenoodigd voor de harddraverijen in het wereldberoemde
hypodroom, het mooiste van de wereld. Op de monumentale tribune
konden wij de verschillende phasen van den voortdurenden wedstrijd
tusschen russische en amerikaansche paarden volgen, een wedstrijd,
die alle dagen plaats heeft, ook in den winter, wanneer de baan met
sneeuw bedekt is en de paarden voor lichte sleedjes gespannen zijn.
Hier heeft men ons alle genietingen doen smaken van het zonderlinge
en vreemde leven van deze "eenige" stad, van de echte hoofdstad van
Rusland zonder ministeries, die tegelijkertijd antiek en modern, een
heilige stad en toch vol nijverheid is, die zich amuseert ook onder den
tegenwoordigen staat van klein beleg, waardoor de rijke equipages door
met een geweer gewapende soldaten bewaakt worden en kozakkenpatrouilles
met een karabijn aan den bandelier achter de rijtuigen aandraven. Het
gebeurt niet zelden, dat er onverwachts in de groote straten door de
politie het bevel gegeven wordt, dat alle rijtuigen op zij moeten
gaan en het midden van de straat vrij moeten laten, en dat men dan
drie of vier rijtuigen ziet, die in galop voortrijden, voor, achter
en op zijde geëscorteerd door kozakken met geladen pistolen in de
hand; dit is een geldtransport van het rijk. Men ziet, het gevaar,
dat de roebel loopt, verschaft hem vorstelijke eer.
Ondertusschen had de automobiel haar reistoilet wat opgeknapt; zij was
goed afgewasschen en gepoetst. Anders had zij niets noodig gehad. Bij
het onderzoek van de machine waren automobilisten, _sportsmen_,
journalisten en chauffeurs tegenwoordig en het had in de _garage_
van het Hotel Metropool plaats. Tot onze eigen verwondering waren de
verschillende onderdeden, die aan sterke slijtage onderhevig zijn,
geheel in orde, bijv.; "de kleine afslaghamertjes van de vonk," kleine
excentrische schijfjes, die 1200 à 1400 maal per minuut ronddraaien en
de inlaatkleppen, die iedere minuut 2400 à 2800 slagen doen. Bepaald
als nieuw vonden wij de kamwielen van den versnellingsbak, de lagers
en de overbrengingsassen, die ook bekend zijn bij veel technici onder
den naam cardans en die door veel vaklui voor minder sterk dan de
kettingoverbrengers gehouden worden. Alleen het wiel, dat door een
_mujik_ tusschen Perm en Kazan gerepareerd was, werd door een ander
vervangen, omdat men ondervonden had, dat het slingerde en de banden
hinderde.
Dat wij dit in den steek moesten laten, vonden wij vervelend, want
wij hadden aan dit ruw bewerkte wiel heel wat te danken.
Op den morgen van den 31sten Juli, precies om 4 uur, reed onze
automobiel, veel lichter geworden door de groote vermindering van
onze bagage, de _garage_ van het hôtel Metropool uit. Zij liet in
Moskou alle voorwerpen, die wij voor den onderzoekingstocht noodig
gehad hadden en die haar zoo'n vreemd aanzien hadden gegeven achter:
de touwen, den ketting, het windas, de schoppen en de houweelen.
Langzamerhand had zij op den rit alle onnutte en overtollige dingen
weggeworpen. Twee spatborden had zij te Kalgan achtergelaten en twee
in de mongoolsche vlakte; zij had blikken met _corned_-beaf en groente
gestrooid en als een luchtballon ballast uitgeworpen en dat alles
om de kracht van de veêren te verhoogen. Toen zij te Moskou aankwam,
had zij niet veel meer, dan dat, wat wij persoonlijk absoluut noodig
hadden en natuurlijk de reservebanden. En dat had zij vastberaden
gedaan, evenals een athleet, die zijn kleeren uittrekt, om vrijer in
zijn bewegingen te zijn.
Door vele auto's gevolgd, die ons uitgeleide deden, gingen wij snel
door de stad heen, die al druk was. De morgenstond is in Moskou een
drukke tijd door de velen, die uit de restaurants en van de concerten
huiswaarts keeren. Nu kregen wij bij ons vertrek den groet van hen die
zich amuseeren, zooals wij bij onze aankomst begroet waren door hen,
die met werken hun brood moeten verdienen. Menschen met zwarte rokken
en witte dassen groetten ons allerhartelijkst uit hunne rijtuigen,
en op de balcons, der sociëteiten werden ons vriendelijke ovaties
gebracht. Wij passeerden de elegante barrière Twerskaja, bij het
Smolensker station en sloegen de _St. Peterburgkoje Chaussée_, den
weg naar Petersburg in, waarop de wersten niet meer door genummerde
palen, maar door monumentale obelisken aangegeven worden. Aan onze
rechterhand lag het Petrowskj-park; in zijn tallooze paden reden nog
rijtuigen met lui, die uit verschillende café's kwamen.
Opzichtige toiletjes, die wat verfrommeld waren, gingen ons
voorbij, ook hooge hoeden, die verkeerd op het hoofd stonden en wat
waggelden; weer werden wij gegroet, wel heesch maar hartelijk. Men
had ons dadelijk aan den vreemden vorm van onze auto, die in alle
geïllustreerde bladen gestaan had, en ook aan de italiaansche vlag,
die vroolijk op onzen wagen wapperde, herkend.
Buiten de stad was het doodstil. Het mistte. De zon was bleek en kwam
in nevels op, die steeds dichter werden en wel zoo, dat wij niet meer
onderscheiden konden, wat er ter zijde van den weg was. Wij reden door
een grijze oneindigheid, waardoor wij niets zagen, zelfs niet eens de
op ons volgende auto's, die voortdurend hun signaalhorens gebruikten.
Tegen zes uur kwam de zon hier en daar door den mist heen. De horizon
scheen effen en scherp begrensd. Men zag er witte klokketorens boven
het nog niet goed zichtbare groen uitsteken; maar later werd alles
langzamerhand goed zichtbaar. Wij zagen weer hetzelfde eentonige
landschap, dat wij reeds weken lang gezien hadden. Wij kwamen door het
grootendeels van hout gebouwde stadje Klin, wij wisselden haastig
groeten met de automobielen, die ons tot hier begeleid hadden,
en vervolgden alleen onzen weg, luisterden naar het eentonige,
rhythmische geluid van den motor en ademden met volle teugen de
frissche morgenkoelte in.
Om acht uur kwamen wij in een andere stad met een oostersch aanzien,
met vergulde, blauwe en verschillend gekleurde koepels; het was Twer,
de stad met zijn veertig kerken en de stad, waar de scheepvaart op
de Wolga begint. De menschen stonden stil, om naar ons te zien en
groetten ons in het voorbijgaan warm. Voor den tweeden keer gingen
wij de Wolga over en wel over een spiksplinternieuwe, prachtige,
hangende brug; maar hier was zij zoo smal, dat wij den kolossalen
stroom van Nizjni-Novgorod en van Kazan, waar zij zoo breed als een
zeeboezem is, nauwelijks herkenden.
Wij vlogen voorbij steden en dorpen, rijke, eenzaam gelegen kloosters,
door pijnbosschen, over op steppen gelijkende vlakten, en langs
akkers, wij hadden een grooten afstand af te leggen en hielden er
goed den gang in. Wij wilden te Novgorod, 485 kilometer van Moskou
overnachten. Eenige boeren die aan het hooien waren, kwamen in den
looppas het het land af naar den weg toe, met de zeis over de schouder,
aanhollen om ons te zien.
Een hunner, een jonge, blonde man, riep ons toe:
"Komt jelui van Peking?"
"Ja!"
Toen zwaaiden allen met de muts en schreeuwden:
"Hoezee!"
Wij lachten.
Het voorrecht ook de vermakelijke zijde van iedere zaak te zien
en dit niet te verbergen, wat misschien somtijds wel onbeleefd is,
een trek van het latijnsche karakter, kwam bij ons, in plaats van
aandoening, boven.
Om tien uur kwamen wij te Torshok aan, waar een benzine-depôt was. De
benoodigdheden, die wij op den tocht noodig hadden, waren tot Moskou
geregeld geworden, verder niet, daar de Prins, toen hij den te volgen
weg vaststelde, nog niet wist, hoe hij van Moskou naar de grenzen zou
gaan, en in de meening verkeerde, dat hij in Rusland overal benzine
zou vinden. Op een telegrafische aanvrage, belastte Nobel zich weer
met het aanleggen van depôts tot aan de grenzen.
Aan den ingang van de stad, op den straatweg, stonden eenige mannen
met vaten benzine en olie op ons te wachten. In weinige oogenblikken
waren onze réservoirs gevuld en voort ging het weer.
Nooit hebben wij zooveel kilometers afgelegd; het waren er
vijftig. Het gevoel heeft ons bezield ons te moeten haasten,
en dit gevoel werd steeds sterker. Werst aan werst werd snel
afgereden. Wij raadpleegden de kaart, maakten onze berekeningen,
maar schonken aan de streek, die mooier en schilderachtiger werd,
weinig aandacht. De landelijke woningen werden meer karakteristiek,
waren met houten snij- en beeldhouwwerk versierd, boven de ramen
hadden zij veelkleurige ornamenten, met motieven, die aan de oude
slavische kunst ontleend waren en nog van de weelde en den rijkdom
der middeleeuwen getuigden. Maar daarvoor hadden wij geen oog meer;
wij keken slechts naar den weg, alsof wij hem nog voor de machine in
vliegende vaart wilden afleggen.
Maar toen wij de grenzen van het gouvernement Twer over waren, werd de
weg, helaas, slechter. Wij verminderden onzen gang tot op 25 kilometer
per uur ten gevolge van een plotselinge hevige donderbui, die den
geheelen dag aanhield. De gedachte, dat er tijdens ons feestvieren
te Moskou geen druppel regen gevallen was, maakte onze stemming nu
juist niet opgewekter.
Vaarwel wegen, velden en middeleeuwsche huizen! En die regen begeleidde
ons, zooals wij den geheelen morgen mist gehad hadden, tot Novgorod,
dat op de oevers van de Volkhof in de nabijheid van het kalme en groote
meer Ilmen ligt. Geen stad had op ons dien somberen indruk; gemaakt,
dien wij van Novgorod kregen; het was of zij om haar macht en haar
roem treurde. Er bestaat in het Russisch een spreekwoord, dat luidt:
"Wie kan tegen God en tegen Novgorod op!" Dit bewijst, dat de taal, dat
de beteekenis der woorden langer kan blijven bestaan dan de zaak zelf.
Wij hadden spijt, dat wij zoo'n grooten omweg maakten, waardoor wij
geen kilometer nader bij het doel kwamen. Wij gingen in noordelijke
richting. Het uitstapje naar Petersburg was een onderbreking eigenlijk
van den tocht. Wij hadden den rechten weg verlaten.
Wij vonden te Novgorod den lichten noorderlichtnacht terug; maar
het licht was niet helderder dan dat van de volle maan. Dit licht
scheen den geheelen nacht door de ramen van ons hôtel. Wij hoorden
het plassen van den regen op de slapende stad.
Het regende nog, toen wij Novgorod des morgens om zes uur verlieten;
het was een fijne, aanhoudende regen, die onbarmhartig uit den
winterachtigen hemel op ons neer kwam en den weg glibberig maakte.
Wij gingen het Kremlin voorbij, waarbij de stille en bijna ontvolkte
stad zoo dicht mogelijk gebouwd is, alsof zij angstig nog bescherming
van de massieve muren met schietgaten verwachtte en gingen langs
den _Bolschaja Peterburgskaja_ den straatweg naar Petersburg de stad
uit. Dadelijk reden wij door het open veld.
Uren lang reden wij zwijgend en vervelend door den regen, alleen de
nabijheid van Petersburg troostte ons. Spoedig kwamen wij voorbij
villatjes, tuinen en parken, de voorboden van een groote stad. Toen
zagen wij aan den horizon een dichten, laag neerhangenden, zwarten
rook van de fabrieken. Een mijlpaal gaf ons aan, dat wij nog 20 werst
van Zarkoje-Selo af waren. Het was acht uur en wij hadden dus in vier
uur 120 kilometer afgelegd.
Onverwachts zagen wij een stilstaande automobiel, die op ons stond
te wachten, die ons den weg zou wijzen, en waarop te lezen stond
met groote letters, "Parijs-Petersburg". Het was een licht wagentje
van 12 paardenkracht, dat door den eigenaar, den heer Efron, een der
actiefste leden van de petersburgsche automobilisten-club, zelf uit
Parijs hier gebracht was, en die expres het opschrift er op geplaatst
had, omdat hij graag had, dat men dit wist.
Spoedig en snel werden er groeten en handdrukken gewisseld en wij
reden achter onzen loods door de ruime straten, die naar de residentie
leiden. Het regende niet meer.
Wij gingen over de vlakte, waar de parades gehouden worden, waar zoo
dikwijls de hoefslagen van de paarden der kozakken weerklonken hadden
en het donderend "Hoezee!" der troepen, die voor hun oppermachtigen
Meester defileerden. Nu was er geen sterveling te zien, het was
er doodstil en somber. Wij zwommen letterlijk in het groen, vlogen
langs vijvers, door bloeiende parken, wier kleuren door den regen weer
opgefrischt waren. En tusschen dit alles door zagen wij de prachtige,
door militairen rondom bewaakte Keizerlijke residentie.
Het zand maakte onzen gang onhoorbaar; de automobielen gleden en
vlogen achter elkaar aan. Wij ontmoetten een troep kozakken te paard;
de officieren groetten ons, toen zij onzen wagen herkenden.
Toen wij de parken door waren en op Petersburg aanreden, werden
wij plotseling door een geestdriftig "Hoezee!" tot staan gebracht;
een file automobielen stond ons op te wachten. Wij stapten uit en
werden dadelijk door een feestelijke menigte omringd. Wij werden door
den militairen attaché van Italië, die den Prins in naam van den
italiaanschen ambassadeur kwam complimenteeren, begroet. Wij zagen
ook den italiaanschen consul, een groot aantal leden der russische
automobilisten-club, den secretaris Boekel, Perelman, den president
van de Peking-Parijs-Commissie, en een massa dames, die onzen wagen
met bloemen bestrooiden.
Nog veel automobielen kwamen zoo gaandeweg aan, om ons te
begroeten. Het scheen, dat men ons zoo vroeg niet had verwacht, want
wij waren hier op de afgesproken vereenigingsplaats, van waar men het
plan had gehad, ons tegemoet te rijden. En wij waren bijna de eersten
op de _meeting_. Men had ons om één uur verwacht, en het was nog geen
twaalf. Evenals te Moskou had Borghese, wien telegraphisch gevraagd
was, hoe laat wij dachten aan te komen, den tijd op zijn Siberisch
wat ruim genomen, en daardoor waren wij zoo vroeg gekomen, dat men
met het oog op het programma der festiviteiten, ons verzoeken moest,
een eindje terug te keeren.
Dus in plaats van onzen weg naar Petersburg voort te zetten, gingen
wij, gevolgd door alle andere automobielen, de donkere allées van het
Keizerlijke park weer in. Een der auto's van den president reed nu als
loods voor ons uit, met een vlag, vreemd genoeg, een witte vlag met een
roode schijf in het midden, de nationale vlag der Japaneezen. De drukke
stoet ging tot aan het station van den spoorweg Zarkoje-Selo, waar men
op de gedachte kwam, dat men met eten het best den tijd kon verdrijven.
De restauratiezaal werd bestormd; de champagne stroomde en de toasten
vlogen heen en weer. De secretaris van de russische automobielenclub
biedt Borghese een herinnerings-medaille van goud, met zilver
geëmailleerd, aan, en liet op onze machine een élegante zilveren
plaat met gouden letters en de initialen der club: Peking-Parijs,
Petersburg, 19 Juli 1907, hechten.
Om twee uur werd de tocht naar Petersburg ondernomen. Toen ging de
triomftocht voort, met een halte te Berlijn en den grooten jubel,
waarmee in Parijs op 11 Augustus de winnaar in den wedstrijd werd
begroet.