steenachtig en rotsachtig; plotseling ontmoetten wij onze koelies,
zij hadden een klein dorp overvallen, en ons ziende, vluchtten zij in
wanorde den weg op. Ze stonden onder commando van een ouden chef, die
als teeken van zijn waardigheid een witte vlag droeg met het opschrift:
"Luister naar de vaderlijke stem", misschien om aan te duiden, dat
ze hem moesten gehoorzamen. En om de vaderlijke stem te versterken,
had hij aan een touw om zijn hals een klein metalen fluitje hangen.
Wij riepen die menschen toe, hun weg te vervolgen en lieten ze achter
ons. Wij wilden zoo ver mogelijk per auto gaan.
Wij zagen nu duidelijk den Nan-Kow-pas, een nauwe spleet tusschen
twee steile rotsen; op de onregelmatige bergtoppen verhieven zich de
torens van oude vestingwerken.
Andere bergen ontrolden hunne grillige lijnen en in de vale melancholie
van den regenachtigen dag had het panorama iets schrikwekkends. De
onbegaanbare berghellingen leken op steile forten ter verdediging
gereed.
Nan-Kow beteekent "Zuid-Poort".
Er zijn landschappen, als het ware geschapen om daarop den strijd
tusschen de menschen uit te strijden, terreinen voor den oorlog
aangewezen door de natuur zelf, sombere landstreken met nauwe passen
en hinderlagen, om aan te vallen en zich te verdedigen.
Nan-Kow heeft dit woeste uiterlijk.
De tijden der vijandelijke invallen zijn voorbij, de forten geraken in
verval op de toppen der bergen en brokkelen af, steen voor steen, en
om hen heen leeft het meest vredelievende volk; toch doet het sombere
dal alleen reeds door zijn uiterlijk denken aan overrompelingen en
bloedbaden; de bergen die het dal omsluiten, schijnen de muren van
een reusachtig, onneembaar fort.
Wij moesten op een afstand van zes kilometer van het dorp, gelegen aan
het einde van het dal, stilhouden. Van dat punt af is de bedding van
den stroom, die van den Nan-Kow-pas afkomt, de eenige weg. Steenen,
zand, rotsblokken, waterplassen. Wij wachtten op onze mannen; zij
kwamen aandraven, gelukkig dat zij zich meester konden maken van de
Chi-Cho. Zij waren misschien bang, dat de auto hun zou ontsnappen en
met haar hunne verdienste. Ze kwamen aan, schreeuwend als een bende
roovers. Wat een wonderlijke kostumes en kapsels! Zakken van grove wol
in den vorm van "ponchos" (regenmantels van karavaan-bestuurders),
blauwe, witte, grijze kielen, alle in even erge mate gescheurd,
lompen om het hoofd gewonden als een tulband, stroohoeden in den vorm
van lampekappen, lompen van allerlei soort, kleedingstukken, die aan
verschillende generaties hun diensten moeten hebben verleend. Een
verscheidenheid als in "la Cour des miracles" oude mannen, jongens
en kinderen--Chineezen en Tartaren--bedelaars en mandarijnen-typen,
armoede van vroegeren en lateren tijd. Een schaar van behoeftigen van
alle standen--bij elkaar gebracht men weet niet hoe, opgedoken uit
de diepte van den menschelijken mierenhoop van Peking, hier gekomen
om een auto voort te trekken en in vier dagen genoeg te verdienen om
een maand te kunnen leven, kalm, vroolijk, praatziek en tevreden.
De oude chef zwaaide de vlag heen en weer en blies met alle kracht
op het fluitje. Dat signaal beduidde: klaar!
Ettore bond de dikke touwen vast aan de voorstukken van het chassis
en de twee armen, die bij elke auto uitsteken om de veeren aan vast
te schroeven. Een minuut later trok een lange rij van gebogen mannen
in langzaam tempo de zware machine vooruit, terwijl andere mannen
achteraan opduwden.
Het regende maar steeds door.
Nu en dan bleef de auto voor groote steenen onverwacht staan;
ze steigerde als een koppig dier en de koelies, die dan bijna het
evenwicht verloren, gingen met vernieuwde kracht weer aan het trekken;
ze begonnen te zingen, om beter met elkaar in de maat te blijven.
De oude man zette met de stem van een biddenden bonze (chineeschen
priester) een wijs in, en al de anderen vielen in bij het refrein:
"Laè, laè-la!" "Vooruit, vooruit!" en ze trokken. De chef improviseerde
zijn liederen, hij zong alles wat maar in zijn brein opkwam, het was om
de melodie te doen, niet om de woorden. Hij zong de komiekste dingen,
die zijn mannen opvroolijkten, wat wel noodig was, want in het refrein
"laè, laè-la" klonk zoowel moeheid als vroolijkheid. Wanneer de
auto over een kleine hindernis was heengetrokken, kreeg ze door het
opduwen plotseling een grootere vaart. Het was, alsof ze in verzet
kwam tegen die manier van reizen en alsof ze al die trekkende mannen
wilde vervolgen; de touwen werden losser, en de verheugde Chineezen
liepen en sprongen bedrijvig heen en weer, schreeuwend en lachend. Zij
amuseerden zich, als was het een spelletje. Ze liepen zoo een eind
door, tot de strakke touwen hen weer aan den arbeid zetten. Dat groepje
mannen interesseerde ons, het waren geen geregelde arbeiders, maar een
bijeengeraapt zoodje arme kerels; zij vertegenwoordigden geen bepaalde
klasse, maar een geheel volk. Het was het groote chineesche volk met
zijn armoede en zijn deugden, dat wij aan het werk zagen. Het gebrek,
de onbedachtzaamheid, de eenvoud, het geduld, de werkzaamheid, alle
deugden en ondeugden van een ras waren aan onze machine vastgekoppeld.
De oude man met zijn vlag liep statig aan het hoofd van de karavaan.
De steile bergen van Nan-Kow verhieven zich boven onze hoofden
bij den ingang van den bergpas. Het dorp leunt tegen den Nan-Shan,
den Zuid-Berg aan, die loodzwaar op de huizen schijnt te drukken;
het lijkt net, of hij onderzoekend ziet naar wat daar beneden in het
dal voorbij gaat. Tot op den top ziet men groote gekanteelde muren,
verdedigingswerken, overblijfselen van den grooten muur en nog in
goeden staat, omdat de menschen ze niet bereiken kunnen. De Tijd
alleen mag ze vernielen en de Tijd is veel minder hardvochtig dan de
mensch tegenover groote werken.
Het dorp van Nan-Kow ziet er uit als een steenhoop; de lage en
ruwgebouwde huizen zijn van steen en langs hun gevel loopen hooge
trottoirs van hardsteen, wat niet overbodig is, daar het midden
van de straat dikwijls geheel onder water staat. Een muur als van
een oude vesting omringt de bebouwde kom van het dorp. Wij rijden
door een lage poort de diepe, sombere en eenige straat van het dorp
in. Het regent niet meer, de zon breekt even door de wolken en doet
de natte steenen glinsteren. De dorpelingen staan voor hunne deuren
naar ons te kijken. Het schijnen menschen van een ander ras. Het zijn
de groote en sterke bergbewoners van China. Hun gelaat draagt den
stempel van den trotschen tartaarschen stam. Deze kleine bevolking,
in afzondering levende te midden van de onherbergzame woeste rotsen,
doet denken aan een garnizoen, daar geplaatst in vroegere tijden om
den pas te bewaken, en later vergeten.
Het is inderdaad niet onmogelijk, dat ze afstammen van tartaarsche
soldaten, die zich daar na de overwinning hebben gevestigd en die wel
gaandeweg de wapens hebben neergelegd, doch trouw aan het consigne
hun post niet hebben verlaten.
De eerste dagmarsch is volbracht. Om kwart voor drie komen wij aan in
het kleine chineesche hotel, dat Piëtro, de "Ma fu," voor ons heeft
uitgekozen. Wij hebben niet meer dan 60 K.M. gereden. Onze matrozen
komen ons in opgewekte stemming tegemoet, zij melden ons dat de bagage
behouden is aangekomen, dat een goed vuurtje ons in de mooiste kamer
van het hotel wacht, en dat men bezig is kippen voor ons te braden;
allemaal aanmoedigende, opwekkende berichten.
De Itala vindt een plaats tusschen de karren, muilezels, paarden
en vrachtlieden, die de binnenplaats van het hotel vullen, den
karakteristieken warboel van elk chineesch hotel.
's Middags gaan wij meermalen de straat op, in de hoop de andere
automobielen te zien arriveeren. Wij klimmen op den gekanteelden
muur, van waar men ver in de vlakte kan zien. Maar zoo ver als wij
zien kunnen, is ze geheel verlaten. Om vier uur zien wij een groep
menschen van het station van Nan-Kow, twee kilometer van hier, naar
het dorp komen; ze trekken iets: de tricycle Contal. Pons en zijn
chauffeur, buiten adem, met bezweet gelaat, trekken dapper mee. Het
gezicht van Pons drukt pijnlijke bezorgdheid uit. Zoodra hij Peking had
verlaten, zag hij de onmogelijkheid in om met de tricycle den tocht
te vervolgen. Dat soort machines is misschien uitstekend op mooie
gladde wegen, maar op slechte heeft men er niets aan. De tricycle
heeft twee wielen om te sturen en een, waar de motor op werkt; op de
eerstgenoemde drukt dus het volle gewicht van den geheel en wagen; ze
moeten dus zeer sterk zijn om het stooten op slechte, oneffen wegen
te kunnen doorstaan. Bovendien wordt bij elke oneffenheid het wiel,
waar de motor op werkt, van den grond opgelicht en draait dan in dolle
vaart rond. Pons was genoodzaakt terug te keeren en zijn machine op den
trein te zetten, daar hij besloten was toch, het mocht kosten wat het
wou, Mongolië te bereiken, waar hij een beteren weg hoopte te vinden.
Kort na zonsondergang was Nan-Kow in diepen slaap gedompeld. In een
deken gewikkeld, lang uitgestrekt op den "kang", lag ik wakker en
zette in gedachten de groote reis voort en verkende den weg. In de
verte ruischte de rivier, die we zouden moeten oversteken tusschen de
steile afgronden. Later werd dit geluid overstemd door het kletteren
van den regen, die weer in stroomen neer begon te vallen.
En groote druppels, door den wind voortgejaagd, zwiepten tegen de
papieren luiken.
Het regende nog, toen Piëtro ons met het aanbreken van den dag, een
kleine papieren lantaarn in de hand, kwam wekken; het regende nog
toen we besloten te vertrekken na tevergeefs op mooi weer gewacht
te hebben. De koelies waren om drie uur 's ochtends al gereed. Om 7
uur 25 verlieten wij Nan-Kow. De Prinses was in het hotel gebleven,
om met den trein naar Peking terug te keeren. Don Livio zou ons tot
aan den grooten muur vergezellen.
De troep Chineezen was weer voor de auto gespannen, alsook drie
dieren. Het agentschap van de transportonderneming te Peking had ons
vier muilezels beloofd en wij vonden te Nan-Kow een muilezel, een oud
paard en een kleinen witten ezel. De Prins was hierover alles behalve
gesticht, maar een vertegenwoordiger van het agentschap verzekerde
hem, de goden aanroepend tot getuigen, dat de drie beesten in staat
waren om geheel alleen de Chi-Cho naar het andere eind van de wereld te
trekken, en aangezien de auto niet verder behoefde te worden getrokken
dan tot Kalgan, legde de Prins zich bij het gebeurde neer.
De brave bewoners van Nan-Kow schoten bij ons vertrek als
afscheidsgroet voetzoekers af; dat is zoo de gewoonte. Ook bij
feestelijkheden toont de Chinees zijn vreugde door het afsteken van
lawaaimakende vuurwerken, en als hij iemand eerbetoon wil bewijzen,
laat hij een paar kleine kanonnen bij zijn deur plaatsen en op een
gegeven oogenblik brandt hij los: "pang! pang!" Dat is het hoogste
eerbewijs.
Eenige minuten later was het dorp bij een bocht van den weg verdwenen."
Langs het groote dorp Ku-Yung-Kwan en door Pataling was het een
vermoeiende bergbestijging voor de reizigers, die nog dienzelfden
dag de profielen en kanteelen en de onafzienbare rij van torens
aanschouwden van den Grooten Muur. De tweede pleisterplaats was
Cha-tau-Chung, waar in een kleine chineesche herberg werd overnacht. De
regen had de wegen buitengewoon slecht gemaakt, maar welgemoed en
lachend en zingend trokken de koelies de auto door de modder. "Wij
zijn nu een zandvlakte binnengereden," schrijft Barzini. "Langs onzen
weg armoedige dorpen, omringd door groote vervallen bolwerken, dorpen
die eens rijke stadjes waren geweest, zooals: Paoshan, een groep
leemen hutten rondom een kleinen tempel, die wij door de scheuren
der muren konden zien: Shi-ga-li, beschaduwd door wilgen, Hulipa,
omringd door aarden bastions, Sha-hao, dat herinnert aan de dorpen
van Mandsjoerije, Pien-kia-pu, dat nergens aan herinnert.
De zon stond hoog aan den hemel, verbrandde onze nekken en benevelde
onze gedachten. De uren sleepten zich in drukkende eentonigheid
voort. En wij liepen maar door; de ezeltjes waren te Nan-Kow
teruggekeerd.
Onze gedachten en verborgen verlangens gingen uit naar een bewoond
plekje, dat we weldra zouden moeten bereiken; we hadden een groot
vertrouwen in dat dorp, dat zeker dichtbij was; wij zochten het met
verlangenden blik en wij haastten ons om er te komen, alsof daar geen
hitte en geen treurigheid was en niet dat schelle verblindende licht,
waarin wij ons voelden oplossen, wegsmelten, als het ware.
De vroolijkheid van de koelies was verdwenen; men hoorde slechts het
geluid der voetstappen, het hijgen der ademhalingen, het knarsen van
het zand onder de banden der auto, den regelmatigen tred van de drie
beesten. Nu en dan een geroep van Ettore, een onverwacht getoeter
van den hoorn: Halt! hier is een moeilijk punt.
Wij verlangden haast naar moeilijkheden, het was een afleiding, die
rumoerige bedrijvigheid schudde ons wakker. "Hier de schop en het
houweel, want het rechter wiel moet worden uitgegraven; kom, alle
krachten ingespannen, die steenklomp moet op zij. Vlug de hefboomen
hier! opgelet, een, twee, drie...!"
En te midden van het woeste en verlaten landschap was ons troepje met
koortsachtigen ijver aan het werk. Dan grepen de koelies opnieuw de
touwen en ging het weer vooruit: "laè laè-la."
"Deutscher Feldtelegraph" lazen we op de deur van een alleenstaande
hut. Dat herinnert nog aan de bekende internationale expeditie, en
wordt geëerbiedigd door de bevolking, die misschien die woorden houden
voor een geheimzinnig, heilig teeken van het Westen. Dat is alles
wat hier is overgebleven van den rumoerigen inval der Mogendheden.
Wij waren nu onder de muren van een stad, Huai-lai, zuidelijk begrensd
door een alleenstaanden heuvel, waarop een tempel zich verheft;
die tempel is gedurende eenige weken tot kazerne voor de europeesche
soldaten ingericht geweest. Wij hielden hier halt om de koelies een
uurtje rust te verschaffen; zij gingen de stad in om zich te amuseeren
en aan de bevolking onze komst aan te kondigen.
De bewoners van Huai-lai willen ons dadelijk zien; groote drukte
en lawaai bij de deur van de hut, eerst arriveeren de jongens,
altijd bij oploopjes vooraan. Na eenige minuten zijn wij door een
paar honderd menschen omringd, die zich glimlachend, eerbiedig om
de auto verdringen. Ze bekijken de machine, raken haar even aan,
verlegen, stoutmoediger, spreken ons aan, groeten ons, bewonderen
ons. Velen hebben kooien met zangvogels bij zich. Als het mooi weer
is, loopt elk fatsoenlijk Chinees met zijn kooi te wandelen--dat is
zijn belangrijkste bezigheid, een aangenaam, onschuldig, traditioneel
tijdverdrijf.
Ondertusschen gebruiken wij het ontbijt: een stukje kaas en wat "corned
beef". Ons te zien eten schijnt een amusement te zijn voor de bevolking
van Huai-lai. Ze houden beschouwingen over ons maal. Een oude man geeft
ons te kennen, dat hij het eten wil proeven; hij spuwt de kaas uit,
verslindt het vleesch en deelt aan de anderen zijn oordeel mee. De
oude man wil ook weten, wat wij drinken en wij reiken hem de wijnflesch
over, die hij aan zijn lippen zet; een glas heeft hij niet noodig.
Hij drinkt een slokje, proeft, drinkt weer een slokje en doet zoo zijn
best, dat de geheele inhoud verdwijnt in zijn eerwaardig keelgat. Hij
toont zich nu zeer vroolijk met zijn glinsterende oogjes, spreekt druk
en gaat in de auto zitten onder luide bijvalsbetuigingen van zijn
stadgenooten, hij speelt met den hoorn en is volmaakt gelukkig. Wij
hadden heel wat moeite, om hem uit de auto te krijgen, toen de koelies
terug kwamen. Daarna vervolgden wij onzen weg.
Wij kwamen nog meer dorpen, bestaande uit armoedige leemen woningen,
voorbij, we passeerden ruïnen van tempels, eenzame hutjes, armoedige
huizen langs den weg, alsof een reizende stad ze verloren had. Een
roode lap als uithangbord wees die huizen aan als halten voor vermoeide
reizigers. Het waren kleine kroegjes voor geleiders van muilezels;
onze mannen gingen naar binnen om een kopje thee te gebruiken en
kochten voor een paar "sapeka" (Chineesch muntstuk) wat stukjes suiker,
voor zoover de vliegen nog wat over hadden gelaten.
Vele streken schenen onbewoond; men zag geen sterveling en hoorde
geen geluid. Het was, alsof de menschen zich voor ons schuil hielden,
om ons te beduiden op een afstand te blijven! Ta-tu-mu, een stad met
hooge, niet versterkte muren, had het uiterlijk van sedert eeuwen
verlaten te zijn. De weg werd smaller en we liepen dikwijls door
een stroombedding of door diepe geulen, die het water in het zand en
tusschen de steenen had uitgegraven.
Om ons heen verhieven zich, als reuzen, de kale, helgeel gekleurde
bergen, die wij 's ochtends gezien hadden.
We waren nu op de tweede trede van de trap, die van Peking naar de
Mongoolsche hoogvlakte voert en die in 't geheel bestaat uit drie
treden. Men stijgt naar het midden van Azië, alsof men den drempel
van een tempel opgaat.
Af en toe was er nauwelijks ruimte voor de automobiel om te passeeren
en moesten wij heel voorzichtig doorgaan.
Hier en daar moest het houweel gebruikt worden, met het oog de afstand
worden geschat; het was dikwijls een waagstuk door te rijden, den blik
op de wielen gevestigd, de bestuurder altijd klaar om de machine te
remmen. Bij het dorp Tu-mu-Gru, op 45 K.M. afstand van Cha-tau-Chung,
eindigde plotseling de bergweg; we stonden voor een groen dal, dat ons
tot binnenrijden uitnoodigde, en wij namen de uitnoodiging gaarne aan.
"Halt!"
De vermoeidheid is als bij tooverslag verdwenen, de koelies worden
onder kommando van Pietro gesteld en de drie trekdieren afgespannen. We
wikkelen haastig de touwen om de lantaarndragers, we ontplooien de
vlag, we zetten den motor aan, die lustig gaat brommen, springen op
de machine en vooruit gaat het! Wij vliegen langs den kronkelenden
en onregelmatigen weg, zonder op het horten en stooten te letten, als
het maar hard gaat. De auto loopt nog maar op de tweede versnelling en
toch is het, of we vliegen. Wij komen bij groote plassen. Vooruit! wij
vliegen er door, een fontein van water en modder spuit op! Het water
spat tegen het chassis en ook wij worden kletsnat. Wij lachen, spreken
met luide stemmen, aangegrepen door een overweldigende vreugde. Het
is de reactie na het lange stilzwijgen en het vernederende langzaam
rijden van de vorige dagen. Wij genieten ook met onuitsprekelijke
genoegdoening van het feit, dat we weer actief mogen en kunnen optreden
en dat we iets volbrengen, wat vóór ons nog niemand heeft gedaan. Het
is de wellust van de overwinning, de roes van den triumf en tegelijk
een verrassende droom over de fantastische ongewoonte van zulk een
rit in dit wondervolle land.
Tusschen de boomen zien wij de daken van pagoden. Het is net, of wij
een duizendjarige rust komen verstoren, of wij de eersten zijn die,
voorbij vliegend met groote snelheid, een signaal doen weerklinken
om de inwoners te wekken uit den langen slaap.
Wij gevoelen in ons den trots van een ras van hooge beschaving; we
gevoelen ons meer dan louter individuen, we zijn de vertegenwoordigers
van een gansch werelddeel--het is Europa, dat hier voorbijgaat. En
onze snelheid is het zinnebeeld van onze beschaving. Want het machtige
streven van den geest van het Westen, en tevens zijn kracht, het
geheim van zijn groote ontwikkeling, ligt opgesloten in twee woorden
"più presto": steeds sneller. Ons leven wordt voortgezweept door
dit dringende verlangen, door deze pijnigende onverzadelijkheid,
door deze machtige obsessie: "Sneller, nog sneller!" En zeker zullen
wij onze hevige koorts overstorten in het langzaam stroomende, bijna
stilstaande chineesche bloed."
Dien avond werd halt gehouden bij het schilderachtige, zeer oude dorp
Shin-Pao-Wan. Kort vóór Kalgan was weer het manoeuvreeren met de auto
moeilijk en vermoeiend. "Wij hielpen de Chineezen, nu eens bij de
wielen, ze met den schouder voortduwend, en dan weer bij de touwen,
om zooveel mogelijk kracht te kunnen bijzetten.
De koelies verrichtten wonderen, iets van onzen angst en ons
enthousiasme was op hen overgegaan; ze spanden al hun krachten in
en al hun verstand. Hun eigenliefde was er mee gemoeid. Zij hadden
de manier geleerd, om sommige hindernissen te overwinnen en zij
deden het zonder kommando af te wachten. Ze letten nauwkeurig op
onze gebaren en trachtten onze bedoelingen te raden. Ze hadden het
mechanisme van de auto heel goed begrepen en wanneer de voorwielen
niet verder konden, vlogen ze toe om ze uit de steenen en scheuren te
bevrijden, en zoodoende kwamen ze met hun handigheid tegemoet aan de
bedoelingen van Ettore, die met vaste hand het stuur hanteerde. Sommige
italiaansche woorden, als "forza" "avanti" "fermi" "piano" "attenti"
(kracht, vooruit, halt, zachtjes, opgelet) waren geen geheim meer voor
hen. En onder alle omstandigheden toonden ze een onverstoorbaar goed
humeur en waren vroolijk onder alle tegenspoeden. Na elken moeilijken
pas, na elke hevige krachtsinspanning klonk hun vroolijk gejuich en
begonnen ze met schorre stemmen te zingen. Ze vonden voortdurend een
aanleiding om te lachen en te babbelen, totdat het geroep "attenti"
hen deed zwijgen en het werk deed hervatten. Zij waren er trotsch op,
te zien dat wij, wanneer dat noodig was, onze krachten vereenigden met
de hunne. Ons mede te zien werken met bloote armen, half ontkleed,
aan de touwen trekkend, vuurde hun ijver nog meer aan. Ze wisten
nooit, hoe laat het was, ze wilden het niet weten en daarin hadden
ze gelijk. Bij sommige reizen zou het veel beter zijn, het horloge
thuis te laten. Te zien, dat dan de tijd zoo langzaam gaat, werkt zoo
ontmoedigend. Onze levenswijze van thans hield geen rekening met den
tijd; de dag scheen oneindig, en het was of wij al sedert langen tijd
door de bergen liepen.
De zon was gloeiend heet en blakerde de rotsen; wanneer wij de steenen
aanraakten, was het, of wij onze handen brandden. Er was volkomen
windstilte, de heette lucht trilde, men zou gezegd hebben dat de
berg adem haalde als een slapende reus. Eenige koelies hadden zich
het gebronsde bovenlijf ontbloot; het touw groefde diepe moeten in
de schouders, het vel bolde rimpelend op, maar het waren dragers van
beroep en hun vleesch was verhard door het dragen van palankijnen
en jukken. Ze schenen ongevoelig te zijn voor de schrijnende pijn,
veroorzaakt door de wrijving van de touwen; ze verwisselden zelden
van schouder, het scheen voldoende het touw een eindje te verschuiven.
We waren nu op het hoogste punt gekomen en moesten weer neerdalen. De
weg naar beneden was nog steiler dan die naar boven en stortte zich als
het ware in de diepte. We spanden de beesten uit en maakten de touwen
los en bonden die aan de voorste veeren vast, want alle krachten
moesten ingespannen worden om de auto tegen te houden op de steile
helling. De mannen werden op twee rijen gezet, als voor een "tug
of war". Ettore zette den hefboom op de eerste versnelling, zoodat,
mochten de touwen breken en de remmen weigeren, de val van de auto niet
zoo vreeselijk zou zijn en men haar in ieder geval zou kunnen besturen.
Toen alles klaar was, werd het sein gegeven: "Avanti"! En het grijze
monster daalde in den afgrond neer.