Een lichte auto zou op den weg wel is waar minder snelheid k

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Van Peking naar Parijs per auto.

Uit Barzini's reisverhaal.

Prins Scipio Borghese, die met zijn Itala-machine op 10 Augustus als

triomfator in Parijs is binnengekomen, nadat hij, de andere mededingers

ver vooruitstrevend, den rit van Peking naar Parijs had gedaan, heeft

het geluk gehad, tot reisgezel een journalist te krijgen, die het

verhaal van hun gezamenlijken moeilijken tocht op meesterlijke wijze

weet te schetsen, zoodat het boek van hun wedervaren alleraardigste

lectuur is geworden. Wat de Italiaan Barzini ons voorzet, en wat

thans in zoo goed als alle talen van Europa genoten wordt, is een

levendige weergave van de interessante ervaringen, opgedaan in de

meest onherbergzame streken, een trouw beeld van betoonden moed en

ongebroken energie in de hachelijkste omstandigheden.

Al dadelijk in den aanvang van het werk, ten onzent bij de uitgevers

Oosthoek en Honig verschijnend, die ons in de gelegenheid hebben

gesteld, er onze lezers mee te doen kennis maken, treft ons de cordate

wijze, waarop de journalist op zijn ver van gemakkelijke opdracht

ingaat. Hij doet daarbij aan Stanley denken, toen deze den tocht ter

opsporing van Livingstone ging wagen, gehoor gevend aan de roepstem

van den redacteur der New-York Herald.

Barzini dan vertelt: "Den 18den Maart 1907 om 12 uur, een voor mij

onvergetelijken datum, zat ik te Milaan aan mijn schrijftafel geheel

verdiept in de studie van de organisatie van de Noord-Amerikaansche

spoorwegen; ik schreef en hield er lezingen over, en bestudeerde de

binnen- en buitenlandsche dienstregelingen en reglementen.

Plotseling een aanhoudend gebel van de telefoon, die op mijn

schrijftafel vlak bij me is, waardoor ik eensklaps werd afgehaald

van mijn studie over de Amerikaansche spoorwegaangelegenheden.

"Hallo! met wie spreek ik?"

"Goeden morgen." Ik herkende onmiddellijk de stem van Luigi Albertini,

directeur van de _Corriere della sera_.

"Ik moet u noodzakelijk spreken, kom bij me."

"Dadelijk?"

"Onmiddellijk."

"Ik vlieg!"

"Heel goed."

Ik ren het huis uit, pak het eerste het beste rijtuig dat vrij is,

en gedurende den rit laat ik de gebeurtenissen der laatste 24 uren

de revue passeeren.

Zou de courant zijn bijzonderen verslaggever noodig hebben?

Was er ergens een oorlog uitgebroken? Neen, zelfs Venezuela was heel

rustig sedert de laatste week. Een revolutie? Ook niet; het was

tè koud, de revoluties beginnen met het milde seizoen; gewoonlijk

pas tegen einde April ontvangen de redacties het eerste teeken van

een ontwaken der Vrijheid te midden der Volkeren, n.l. het bekende

telegram: Een bende uit Bulgarije (of Griekenland) heeft de inwoners

van een Bulgaarsch (of Grieksch) dorp vermoord, enz.

Een onvoorziene ramp soms? De rampen hebben geen seizoen....

Ik deed verkeerd om, door ambtsijver gedreven, rampen te

voorzien! Nergens op den aardbol was iets van ernstigen aard

gebeurd. Toen ik het bureau van onze courant binnentrad, vond ik er

den Directeur, die daar zeer kalm en rustig aan zijn werk zat. Hij

overhandigde mij een exemplaar van de _Matin_, wees mij op eene met

vette letters gedrukte annonce en vroeg: "Wat dunkt U er van?" Ik

las deze zonderlinge uitnoodiging: _wie wil dezen zomer meedoen aan

een automobieltocht van Peking naar Parijs._

Ik dacht even na en was vol bewondering voor den onbekende, die een

dergelijk plan bedacht had. Hij moest minstens een groot romanschrijver

zijn.

"Wat dunkt U er van?" hernam Albertini.

"Prachtig!"

"Uitvoerbaar?"

"Dat is een andere kwestie, maar al zou het plan ook mislukken,

in ieder geval is het de moeite waard de poging te wagen."

"En u zou den tocht mee willen maken?"

"Met heel veel genoegen."

Wij bladerden eenige achtereenvolgende nummers van de _Matin_ door,

om nog meer over dezen zonderlingen tocht te weten te komen, kolommen

vol. Het waren meestal brieven vol enthousiasme, te overdreven echter

om van langen duur te zijn. Eén brief trok bijzonder onze aandacht:

hij was van een Italiaan, kort en zonder omhaal als een kwitantie,

hij luidde als volgt:

"Ik schrijf in voor uw concours Peking-Parijs met een auto

_Itala_. Gaarne zou ik zoo spoedig mogelijk alle bijzonderheden

vernemen, ten einde mij te kunnen voorbereiden."

Principe Scipione Borghese.

De naam en de stijl deden mij onmiddellijk denken: Zie hier een man

die het ernstig meent!

Don Scipione Borghese was mij bekend door zijn grooten naam als

automobilist en reiziger.

In het jaar 1900 had hij met een karavaan Perzië doorkruist; hij had

ook de minst bekende gedeelten doorzocht en was doorgedrongen tot

Turkestan; verder door de steppen van Barabas tot Barnaul, en per

boot langs de Obi en de Tom had hij Tomsk bereikt en bij Tomsk den

transsiberischen spoorweg genomen, die hem naar den Stillen Oceaan

bracht. Hij had een boek geschreven over zijn reis, het boek van een

geleerde, droog, nauwkeurig als een scheepsjournaal, gedetailleerd

en technisch, dat den auteur deed kennen als een man van geest,

beredeneerd, die zich niet te spoedig zou laten meesleepen door

impulsies, emoties en bewondering; men proefde in den auteur meer

den wiskundige dan den poëet; het verstand beheerschte het hart,

de wil controleerde het gevoel.

Prins Borghese leek mij een van die mannen, die willen, die weten en

die handelen. Hij zou zich niet hebben laten inschrijven voor den

tocht Peking-Parijs, wanneer hij niet zeker was geweest te kunnen

"starten." En eenmaal vertrokken, zou hij al het mogelijke doen om

te overwinnen. Ik had onmiddellijk vertrouwen in hem.

Zijn lectuur van de _Matin_ stakend, zei de directeur plotseling

tegen me:

"U moet onverwijld naar China vertrekken."

"Heel goed."

"De rit Peking-Parijs begint den 10den Juni. U kunt eerst een reis

maken door Amerika en over den Stillen Oceaan. Op uw tocht bent u

in de gelegenheid allerlei interessante dingen bij te wonen.... het

einde van het proces Thaw te New-York."

"Goed."

"De wederopbouw van San Francisco.--De Japansch-Amerikaansche situatie

op Hawai.--Japan na den oorlog. En dan kunt u met Azië uw reis rondom

de wereld eindigen."

"Goed. En Peking--Parijs?"

"U zult onderweg orders ontvangen. Wij zullen den Principe

Borghese vragen of hij genegen is ons te laten deelnemen aan zijne

onderneming. Ik hoop van ja.... in ieder geval vindt u te Peking alles

in orde, al zouden wij een onzer auto's daar naartoe moeten zenden. De

eerste boot naar Amerika vertrekt.... laat zien, hier is een vaarplan

van de stoomboot-maatschappij. Overmorgen 20 Maart vertrekt de _Kaiser

Wilhelm der Grosse_ van den Norddeutschen Lloyd uit Cherbourg naar

New-York. U neemt vandaag den trein naar Parijs, hebt u tijd genoeg?"

Ik raadpleegde mijn horloge:

"Allen tijd."

"Goede reis dan!"

"Tot weerziens."

En na dezen korten groet omhelsden wij elkaar, toegevende aan een

plotselinge opwelling van vriendschap en sympathie, die in gewichtige

oogenblikken soms de menschen dichter bij elkaar brengt.

Eenige minuten daarna ontmoette ik op de trap een collega, met den

langzamen pas van iemand die zich naar zijn dagelijksche bezigheden

begeeft, de trap opklimmend.

"Waar ga je met zoo'n vaart naar toe?" vroeg hij mij.

"Ik ga de reis om de wereld maken," antwoordde ik ernstig, terwijl

ik even bleef staan.

"Gekheid," riep hij en hij lachte luidkeels, "ik weet wel waar je

naar toe gaat."

"Waarheen dan?"

"Koffie drinken! het is al laat en je hebt honger. Eet smakelijk!"

Mijn verstandige vriend geloofde mij niet, en hij had gelijk; toen

begreep ik hoe vreemd, hoe wonderlijk, hoe onwaarschijnlijk mijn

toestand was, en ik bleef even in gedachten, voor dat ik "dankje"

tot hem zei en mijn weg vervolgde.

De ouderwetsche roman vol avonturen, waarin van de eerste tot de

laatste bladzijden de helden alle landen bezoeken en op alle zeeën

varen, wordt niet meer geschreven, omdat zelfs de jongens het al te

onnatuurlijk vinden. Toch is er nog iemand die het werkelijk beleeft,

n.l. de journalist.

Ik vertrok dienzelfden dag naar Parijs met den sneltrein van den

Simplon. Te Parijs, op de bureaux van de _Matin_, waren heel wat lui

gekomen, om over den tocht te praten! Behalve de mededingers waren

er ook reizigers gekomen, diplomaten die in China waren geweest;

geleerden die in de kleinste bijzonderheden alle wetenswaardigheden

konden meedeelen over alle werelddeelen, zonder ze te hebben gezien. De

bijeenkomsten waren druk bezocht en de debatten geanimeerd. De

stenographen hadden eigenaardige samenspraken moeten opteekenen, meer

vragen dan antwoorden; er bleken nl. meer onbekende factoren te zijn,

dan men vindt op een bladzijde van een stelkundeboek. Bij slot van

rekening hadden deze bijeenkomsten toch een groot nut gehad; men had

n.l. zooveel mogelijk alle bezwaren uit den weg weten te ruimen en

zoodoende de beste route gevonden.

De wijze en voorzichtige Wai-woe-poe (Groote Raad van het Hemelsche

rijk) had de vraag beantwoord met de wedervraag, door de fransche

legatie overgeseind: "Hoeveel auto's zullen van Peking naar Parijs

vertrekken?"

Van welk belang het voor het Hemelsche Rijk was, nu juist het aantal

der mededingende auto's te weten, is moeilijk te begrijpen. Misschien

vreesde de Wai-woe-poe een vijandelijken inval!

De Russisch-Chineesche Bank had geantwoord: "De bergpassen van Nan-kow

en Koe-pei-koe zijn breed genoeg voor de auto's, maar ze zijn steil

en rotsachtig."

Breed genoeg! Dat leek heel gunstig in vergelijking met de rapporten,

die men omtrent de andere wegen ontvangen had. De weg van Turkestan

door Samarkand en de berg weg van den Altai waren als onbegaanbaar

opgegeven.

Maar met al die passen, die zoogenaamd breed genoeg waren, bleef er

slechts die van Mongolië door Kalgan en Kiachta over!

De indruk van al die rapporten was niet erg bemoedigend. Op een laatste

bijeenkomst lieten de personen, die zich hadden laten inschrijven

voor den tocht, zich nogal pessimistisch uit:

"De moeilijkheden, aan deze wonderlijke proefneming verbonden,

blijven, ook na nauwkeurig onderzoek van eenige weken, even groot

als op den eersten dag. De tocht Peking-Parijs zal waarschijnlijk

onmogelijk blijken.

"Het is een gelegenheid voor de wegbereiders van het automobilisme om

aan de mechanische trekkracht de oplossing te vragen van het geheim

om woestijnen, bergen en steppen, de halve wereld, te doorkruisen."

De _Matin_ vergeleek de reis met een poging om de Poolstreken te

bereiken. Het publiek had nog een beslister opinie en zei kort en goed:

"De tocht Peking-Parijs is onuitvoerbaar".

Ik moet bekennen dat ik, toen ik in den ochtend van den 20sten Maart

Parijs verliet, om mij 's avonds te Cherbourg in te schepen, nog al

sceptisch dacht over de waarschijnlijkheid om per auto diezelfde stad

binnen te komen, terugkeerende uit de chineesche hoofdstad. En in mijn

binnenste dankte ik den hemel en Nicolaas II--voor het bestaan van een

transsiberischen spoorweg, die in geval van nood mij in betrekkelijk

korten tijd thuis zou kunnen brengen.

Eens aan boord vergat ik bijna den automobieltocht.

De rit Peking--Parijs leek mij niet meer het werkelijke doel van

mijn zwerftocht over den aardbol, maar slechts een laatste episode,

het einde van een _looping the loop_ rondom onze planeet.

Bovendien zwegen de couranten verder erover; de zaak scheen verzonken

in den afgrond van vergetelheid, waarin alle dwaze plannen, alle

utopieën noodzakelijk moeten verdwijnen; maar neen, toch niet. Er

was nog iemand, die er over dacht, zich voorbereidde, werkte en

regelingen trof.

Dit maakte ik op uit een kort telegram, dat mij overhandigd werd

tegelijk met den sleutel van mijn kamer in het hôtel te New-York. Ik

maakte het open, terwijl de lift mij naar boven bracht. Ik las het,

las het nog eens, en was zóó in gedachten verdiept, dat ik zonder het

te merken op de 4de étage aankwam, waar de man van de lift mij vroeg,

of ik van plan was naar het dak van het hotel te gaan.

De laconieke telegraphische mededeeling luidde: "Ge moet te Peking

zijn den 1sten Juni." Meer niet.

Ik was den 1sten Juni, 6 uur 's avonds, present op het station van

Peking, een doodgewoon gebouw dat tegen de oude en prachtige muren

van de tartaarsche stad aanleunt, onder de indrukwekkende bastions

van Chien-men, alsof het zijn armzaligheid trachtte te verbergen in de

schaduw van zooveel grootheid. Dienzelfden avond kwam een italiaansche

gendarme aan het hôtel der wagons-lits mij afhalen en overhandigde

mij twee brieven, die voor mij waren bezorgd aan de italiaansche

legatie. De eene was van de directie van de _Corriere della sera_

en bevatte een aanvulling van het twee maanden geleden te New-York

ontvangen telegram.

Ik moest deelnemen aan den tocht met de Itala van Principe

S. Borghese. Ik was met deze mededeeling zeer in mijn schik, maar de

brief hield nog een heugelijke tijding in.

Als gevolg van een overeenkomst tusschen de _Corriere della sera_ en

de _Daily-Telegraph_ werd ik uitgenoodigd geregeld ook aan de groote

_Londensche courant_ een telegraphisch verslag uit te brengen over

den tocht Peking--Parijs.

Ik vergeet nooit, dat ik te Londen eerst recht journalist ben

geworden. Ik heb daar aanschouwd de overweldigende bedrijvigheid van

een wereldstad, en een groote bewondering voor Engeland en hoogachting

voor de engelsche journalistiek is mij altijd bijgebleven. Ik

beschouwde dus het voorstel om te werken voor de _Daily-Telegraph_

als een groot bewijs van vertrouwen en ik nam het met dankbaarheid aan.

Het andere briefje, mij door den gendarme overhandigd, was van Principe

Borghese; het was al een week geleden aangekomen. Hij heette mij welkom

en verzocht mij om een bijeenkomst op 6 Juni. Wij hadden elkaar nooit

ontmoet, en nu was door het lot beschikt, dat wij maanden te zamen

zouden doorbrengen, brood en vermoeienissen deelend in de intimiteit

van een lange en wondervolle reis. Wij gevoelden beiden behoefte

om kennis met elkaar te maken. Ik zou hem onmiddellijk wel hebben

opgezocht, wanneer het briefje mij er niet van verwittigd had, dat

de Prins eenige honderden kilometers ver was, bezig met den weg van

Kalgan te bestudeeren. Ik wachtte derhalve geduldig zijn terugkomst af.

Dien avond bleef ik laat op de veranda van het hotel zitten

phantaseeren. Ik herkende het oude Peking niet meer, de trotsche

hoofdstad van het Rijk van het behoud, die ik zeven jaar

geleden verlaten had, gedeeltelijk verwoest bij het beleg van de

gezantschapsgebouwen, maar nog onveranderd in geest, in uiterlijk

wezen, zichzelf getrouw, zeer bijzonder, omringd door de hiëratische

lijn van haar wonderbare muren.

De wijk van de Legaties kwam nu heel duidelijk uit tegen het avondrood

van den hemel, met een groot aantal daken van paleizen en europeesche

villa's, torenspitsen, een profiel van een westelijke moderne stad,

die de ver verwijderde schilderachtige pagoden van de Keizerlijke

paleizen verborg.

Electrische lampen werden aangestoken en verlichtten de uniformen

van europeesche soldaten, die voorbij kwamen. Men hoorde het gefluit

van locomotieven, op weg naar de Ha-ta-men. Nu en dan hoorde ik in

het hôtel het gebel van de telefoon, dat uitklonk boven de tonen van

een orkest.

Het europeesche orkest speelde op een feestmaaltijd van chineesche

dignitarissen, die, bij wijze van vorken, stokjes gebruikten om te

eten. En ik dacht, nu brengen wij bij al die nieuwigheden ook nog

de automobielen!

Met China loopt het op zijn eind, zeide ik bij mij zelf, niet zonder

spijt.

Den volgenden dag bemerkte ik wel, dat het met China nog volstrekt niet

gedaan is. Al de veranderingen die mijn aandacht hadden getrokken,

gingen niet verder dan de wijk van de Legaties, en de omheining

daarvan was nog versterkt.

De Legaties waren buiten de stad gesloten, als waren het

ziekenbarakken, besmet door de europeesche beschaving! Daarbuiten

omheen spreidde zich de groote onbesmette stad uit, altijd dezelfde,

het Peking van de vorige eeuwen. En midden in de stad, in een

oud paleis met vele binnenplaatsen, door matwerk beschut tegen de

zonnestralen, waakte een Raad van wijze en eerwaarde mannen: de

Wai-woe-poe, de Groote Raad van het hemelsche Keizerrijk, tegen de

profanatie van het Westen.

Deze Raad werd gepresideerd door den beroemden Na-Tung, gewezen

hoofd der Boksers, ter dood veroordeeld door de Mogendheden, die

zijn hoofd hadden geëischt als voorwaarde voor den vrede in 1900;

maar hij behield zijn hoofd en daarmede zijn ideeën en werd een soort

minister van Buitenlandsche Zaken.

Op dat oogenblik was de Raad ijverig bezig met het keizerrijk te

beschermen tegen een nieuwen vreeselijken vijand.

Deze vijand heette Chi-cho, of vuurwagen, een zeer aardig neologisme

om de automobiel aan te duiden. Men sprak over niets anders dan over

de Chi-cho, zooals men vroeger over de Huo-cho gesproken had--dat is

de vuurkar, in 't Europeesch spoortrein.

Waarom komen de Chi-cho's? Wat willen ze? Angstige vragen die de

Wai-woe-poe deden nadenken over het lot van China.

De automobilisten van den tocht Peking--Parijs waren natuurlijk

officieren onder commando van een italiaanschen Prins.

Dat de toestand zeer ernstig was, maakte de Wai-woe-poe ook op uit

de omstandigheid, dat de gezanten van Frankrijk, Holland, Italië en

Rusland te Peking zich zeer interesseerden voor het welslagen van

de auto-expeditie. Vooral de eerste drie hielden niet op met aan de

gestrenge en hooge vergadering officieële en officieuse nota's te

zenden, waarin gevraagd werd om zoo spoedig mogelijk paspoorten voor

Mongolië te verstrekken.

Wat te doen? Er moest gestreden worden voor het vaderland, en de

Wai-woe-poe bond den strijd aan!

Hij begon met de paspoorten te weigeren.

Secretarissen en europeesche tolken legden vele bezoeken af. De

Wai-woe-poe presenteerde hun thee, maar verweerde zich manhaftig

tegen hunne eischen.

Eigenlijk is de Wai-woe-poe ingesteld om altijd _neen_ te zeggen

tegen de Europeanen.

De Europeanen vroegen havens, mijnen, spoorwegen, zetels aan de

universiteiten, schadeloosstellingen voor vermoorde missionarissen, en

China gevoelde behoefte aan een instituut om zich tegen al die eischen

te verdedigen. En toen werd het Tsungli-yamen ingesteld, een college

dat in opdracht had alle verzoeken van Europa slepende te houden en

de inwilliging daarvan naar een verre toekomst te verschuiven.

Na den Bokser-opstand wilden de Mogendheden niets meer weten van het

Tsung-li-yamen, en het chineesche gouvernement kwam aan hun verlangen

te gemoet door de instelling van de Wai-woe-poe, een college dat de

afdoening der aanvragen niet uitstelde, doch integendeel in opdracht

had, alle vragen onmiddellijk te beantwoorden met een onherroepelijk:

neen.

Echter kon China ingevolge de tractaten de paspoorten niet weigeren

aan vreemdelingen, die een provincie van het Keizerrijk wenschten te

doorkruisen. Bovendien was er iets gebeurd, dat de vastberadenheid

van de Wai-woe-poe aan het wankelen bracht, iets waarop de slimme

en vindingrijke mandarijnen in 't geheel niet waren voorbereid. De

automobielen waren n.l. al in Peking aangekomen! erger nog: ze

vertoonden zich in de straten van Peking, ondanks het strenge verbod,

dat inhield, de automobilisten alleen dan toe te laten, wanneer ze

erin toestemden hun auto's door muilezels te laten trekken!

Wanneer de paspoorten nu nog langer geweigerd werden, zouden die

helsche machines blijkbaar te Peking blijven. Ze zouden voortgaan

met de heilige stilte van de hoofdstad te verstoren; ze zouden de

hoofden van het volk op hol brengen, overal de kiemen van europeesche

verdorvenheid zaaien, den toorn der geesten en de woede der goden

opwekken en de wraak van Then-shui uitlokken!

De machines binnen de muren van Peking te dulden stond gelijk met

de poorten van de forten voor den vijand te openen. Het was dan nog

maar beter te trachten, ze zoo spoedig mogelijk weg te krijgen. En

de Wai-woe-poe bood paspoorten aan, maar.... voor Mandsjoerije.

Het diplomatieke gevecht begon opnieuw.

Nieuwe nota's, nieuwe bezoeken, opnieuw thee!

De Chineezen begonnen terrein te verliezen.

Eindelijk stemden ze er in toe om paspoorten voor Mongolië te zenden,

maar nu weer alleen voor de reizigers, niet voor de auto's.

De italiaansche legatie weigerde deze. Toen zond de Wai-woe-poe

paspoorten, die veel weg hadden van akten van beschuldiging: "De

Chi-Cho is iets nieuws voor China," zeiden die kostbare documenten,

"het chineesche gouvernement neemt daarom geene verantwoordelijkheid

op zich ten aanzien van deze reis. Integendeel stelt het den reiziger

zelf geheel verantwoordelijk voor al de schade door zijn schuld of

die zijner machine veroorzaakt, en machtigt de autoriteiten om zijn

geld en goed te nemen als borgstelling voor de eventueel te betalen

schadevergoeding." Het stond dus vrijwel gelijk met een machtiging

om ons te berooven.

De italiaansche legatie weigerde ook deze stukken, zeggende, dat

Prins Borghese en zijn medereizigers op den bepaalden datum zouden

vertrekken, desnoods ook zonder paspoorten en dat het chineesche

gouvernement verantwoordelijk was voor hunne veiligheid.

Na te vergeefs nieuwe bezwaren te hebben opgeworpen, onder anderen dat

het niet aanging om wegens onbekende politieke redenen de mongoolsche

prinsen lastig te vallen, besloot de Wai-woe-poe eindelijk de verlangde

paspoorten voor Mongolië uit te reiken, zich tevreden stellend met den

schijn te redden, door de vertaling van de passen in het mongoolsch te

weigeren. Deze vertaling zou inderdaad den prinsen moeilijk gevallen

zijn; en bovendien, men moest uit beginsel toch iets weigeren en geen

gevaarlijke antecedenten scheppen.

De onderhandelingen verschaften een vroolijk onderwerp van gesprek

aan de kleine diplomatieke wereld te Peking, op hunne samenkomsten!

Maar in werkelijkheid was het onderwerp ernstig genoeg. En dat bewijst

duidelijk, dat het chineesche gouvernement nu nog is, wat het was

vóór de internationale expedities van zeven jaar geleden, dezelfde

vijandelijke geest tegen de vreemdelingen, dezelfde onwetendheid

omtrent hunne aangelegenheden, eene onwrikbare overmoed en een nog

even sterk wantrouwen.

De invallen, de bloedbaden, de oorlog in Mandsjoerije hebben noch de

menschen, noch de meeningen in China kunnen veranderen.

Een opmerker, die de kleine feiten van den dagelijkschen diplomatieken

omgang met het chineesche gouvernement waarneemt, herkent dezelfde

ernstige symptomen van vreemdelingenhaat, die voorafgingen aan het

beleg van de legatiegebouwen en voorziet nieuwe bloedige tooneelen.

Het wachten op de paspoorten hield de voorbereidingen voor het

vertrek der automobielen niet tegen. Met den trein van Han-Kow was

uit Shang-haï eene lading benzine en olie aangekomen, bestemd voor

den mongoolschen weg. Een karavaan van 14 muilezels was met die lading

uit Peking vertrokken, en den 4den Juni seinde de Russisch-chineesche

Bank, dat 19 kameelen al onderweg waren naar Mongolië, onder geleide

van een Lama, om de benzine en olie bij de putten van Pong-Kiong en

Udde te deponeeren. Een eerste depot wachtte ons te Kalgan.

Van de vijf-en-twintig auto's, die zich hadden laten inschrijven voor

den tocht, waren maar vijf present. Het waren een tricycle Contal

van zes paardekrachten, twee Dion-Bouton's van tien, een Spijker van

vijftien, en onze Itala van veertig paardekrachten.

De eerste drie waren fransche machines, de vierde een Hollandsche.

Een auto van groote capaciteit, maar zeer zwaar, en vier zwakkere,

maar veel lichter.

De Itala was nog 600 KG. zwaarder dan de Spijker, die in volle

reisuitrusting 1400 KG. woog.

Toen men in Frankrijk voor het eerst van den wedstrijd hoorde, gaven

allen, die erover konden oordeelen, als hunne meening te kennen,

dat een lichte auto veel meer kans op succes zou hebben dan een

zware machine.

Een lichte auto zou op den weg wel is waar minder snelheid kunnen

ontwikkelen, maar ze zou gemakkelijker en vlugger de verschillende

moeilijkheden kunnen overwinnen, en op den weg Peking--Parijs waren

zeker tal van slecht te passeeren bergpassen.

Prins Borghese integendeel was van meening, op grond van zijne rijke

ervaring, opgedaan op zijn talrijke autotochten, dat een machine

van veel paardekrachten beter de moeilijkheden van een tocht vol

avonturen zou kunnen overwinnen dan een zwakkere, en dat het voordeel

van het lichtere gewicht niet opwoog tegen het nadeel van de geringere

capaciteit.

Waar een machine van 1400 KG. zou kunnen passeeren, zou het met eene

van 2000 KG. ook wel lukken, en men had dan nog het voordeel van de

meerdere paardekrachten.

Deze wedstrijd van twee meeningen, deze practische proef op twee

theorieën, was het meest kenmerkende van den tocht.

De Spijker, de twee Dion-Bouton's en de Contal bereikten Peking langs

den weg van Ta-ku.

Den 4den Juni gingen de chauffeurs en mijn waarde collega du

Taillis van de _Matin_, de wagens afhalen van het douanekantoor te

Tien-Tsin. Ze lieten de auto's in twee afzonderlijke waggons laden

en reisden met denzelfden trein naar Peking. Hier wachtte hen een

onaangename verrassing.

Gedurende den rit was een van de twee waggons verdwenen. Wie zou hierin

niet de hand van de Wai-woe-poe hebben gezien? Maar ditmaal was de

Raad onschuldig aan 't geval. Immers men ontdekte, dat de waggon op

een tusschenstation was losgehaakt en nu op een verafgelegen zijspoor

stond, zonder dat iemand kon zeggen hoe dat was gebeurd. Dergelijke

gevallen doen zich op alle spoorwegen ter wereld wel voor.

Te Peking aangekomen, wreekten de auto's zich over het gebeurde door

onophoudelijk in de straten heen en weer te rijden.

De Itala, die een week te voren van Han-Kow was aangekomen, nam

een meer gereserveerde houding aan. Ze had eenige proefritten

gemaakt buiten de westerpoort, op den weg naar het Zomerpaleis,

en over zichzelf tevreden, had zij zich op de binnenplaats van het

italiaansche gezantschapsgebouw teruggetrokken, zich toevertrouwend

aan de zorgen van Ettore, haar chauffeur.

Hij poetste, smeerde, onderzocht nauwkeurig den wagen aan alle kanten,

als een beeldhouwer zijn schepping.

Ettore Guizzardi, de sympathieke reisgezel van den Prins en de

mijne, is geen chauffeur die zijn vakkennis heeft moeten aanleeren;

ze is hem aangeboren. Hij is de zoon van een werktuigkundige bij de

spoorwegen. Van zijn geboorte af is hij met de machines vertrouwd

geweest. Hij begrijpt onmiddellijk hunne constructies, van welke soort

die ook mogen wezen; hij kan er op het eerste gezicht over oordeelen,

zooals de paardenkoopman in een oogopslag het paard beoordeelt.

De geschiedenis van Ettore is merkwaardig. Tien jaar geleden gebeurde

er een spoorwegongeluk vlak bij een villa van Prins Borghese, te

Albano bij Rome. Een locomotief ontspoorde en werd omvergeworpen. De

Prins, die op de villa was, snelde met zijn bedienden naar de plaats

des onheils. Ze vonden den machinist dood; de stoker, een jongen

van vijftien jaar, in het gezicht verwond en in onmacht gevallen,

werd opgenomen en in de villa gebracht en verzorgd. Deze jongeling

was Ettore, de overleden machinist zijn vader.

Toen de jongen hersteld was, stelde de Prins hem voor in het huis,

waarin hij opgenomen was, te blijven, en hij maakte van hem een

chauffeur. Prins Borghese bezat in die dagen een van de eerste

automobielen van zes paardekrachten, door benzine gedreven, een van

die komieke wagens die men niet meer ziet, met den motor achteraan en

waarbij de transmissie plaats had door middel van een leeren riem, die,

wanneer de auto een hoogte moest beklimmen, eerst met teer moest worden

ingesmeerd. Ettore ontdekte onmiddellijk het geheim van die machine,

onderwierp haar aan zijn wil en wist 't zoover te brengen dat zij,

bestuurd door den Prins, een grooten tocht kon maken van Rome naar

een kasteel in Hongarije, door familieleden van den Prins bewoond.

Na deze proef werd Ettore in de gelegenheid gesteld, om zich in de

werktuigkunde te bekwamen. Hij werkte eerst als gewoon werkman in de

fabrieken van F.I.A.T. te Turijn, daarna te Genua op de scheepswerf

Ansaldo, waar hij de scheepsbouwkunde leerde, en verder op andere

fabrieken, waar hij het diploma van werktuigkundige behaalde; daarna

keerde hij tot de automobielen van den Prins terug.

Sedert dien tijd is aan hem het toezicht opgedragen over elf

automobielen en over alle machinerieën van het huis Borghese,

toestellen voor verlichting en verwarming, motoren voor

waschinrichtingen en pompen. Hij bezit een werkplaats, waar hij zich

bezig houdt met repareeren en nieuwe dingen uit te vinden, ja, te

scheppen; want Ettore is een uitvinder, hij verbetert, brengt nieuwe

toestellen aan op de auto's en zou de fabrikanten van automobielen van

zeer goeden raad kunnen dienen. Hij is buitengewoon handig en weet

onmiddellijk een middel te vinden om zijn machines te herstellen,

altijd klaar om zijn hamer en zijn hersens te gebruiken. Hij gaat

zonder gepraat aan den gang, vlug, met iets in houding en uiterlijk

van een "bersagliere" (italiaansch soldaat).

Den eersten keer dat ik hem zag, lag hij op zijn rug onder de Itala,

onbeweeglijk, met gekruiste armen. Ik dacht eerst dat hij werkte--maar

neen, hij amuseerde zich. Later merkte ik gedurende den tocht, dat dit

een van zijn meest geliefkoosde houdingen is, een tijdverdrijf. Wanneer

hij niets te doen heeft, gaat hij onder de auto liggen en hij

bestudeert haar, de verschillende bouten en moeren en schroeven,

en hij houdt lange en zonderlinge gesprekken met zijn machine.

Prins Borghese had in zes dagen tijds 500 kilometers te paard afgelegd

en alle wegen naar Kalgan onderzocht. Hij had met een stok van gelijke

breedte als de auto de breedte er van opgemeten.

Prinses Anna-Maria, zijn vrouw, en een vriendin hadden hem op zijn

moeilijken tocht te paard vergezeld; de twee dames, evenals hij

met rieten stokken gewapend, hadden hem in zijn werk als gewone

landmeters geholpen.

Op sommige punten kon men verschillende wegen inslaan en het was van

groot gewicht om den besten te vinden.

De Prins keerde te Peking terug met een volledig topographisch plan

in zijn hoofd.

Hij bezit een wonderbaarlijk sterk geheugen. Alles wat hij ziet, wordt

als het ware in zijn hersenen gephotografeerd, en hij onthoudt alles

wat hij heeft gehoord, namen, jaartallen, heele zinnen in oostersche

talen, de moeilijkste dingen.

Don Scipione noteert nooit iets--dat is niet noodig voor hem. Zijne

hersenen onthouden en catalogiseeren alles. Van een weg, dien hij

tien jaar geleden heeft afgelegd, weet hij u nog te vertellen: op

dat en dat punt is er een boom, die er zoo en zoo uitziet.

Wanneer hij voor hem onbekende landen doorreist, raadpleegt hij

's ochtends vóór zijn vertrek de kaarten, en zelden behoeft hij ze

later nog eens in te zien. Hij kan zich onmiddellijk oriënteeren,

herinnert zich de kruiswegen, de afstanden, de namen van de landen

en hij noemt ze aan zijn medereizigers op, zooals een gids het hem

niet zou verbeteren.

Wanneer het mogelijk was, zich alles te herinneren wat wij in ons

leven zoo al gezien en gehoord en gelezen hebben, zouden wij de

meest uitgebreide en meest grondige en diepe kennis bezitten. Prins

Borghese weet inderdaad ontzaggelijk veel en hij beschikt bovendien

over een scherpzinnig en koel verstand, dat al deze kennis heeft

geordend. Zijn geest wordt beheerscht door een kalmte, die daar als

bibliothecaris aan het werk is. De kalmte, het nadenken, de logica

geven aan zijn gedachte eene mathemathische helderheid. Hij verwijdert

alle elementen, die emotie opwekken, den kijk op de zaken minder helder

maken en verschillende feiten in een valsch licht plaatsen. Zijn ziel

is als de ziel van een generaal of van een rechter.

Zelden schenkt hij iemand zijn sympathie, maar wel zijne achting,

en misschien heeft dat nog meer waarde, omdat die moeilijker

verworven wordt. En hij merkt ware verdiensten onmiddellijk op;

hij weet de sterkte van een verstand of een arm, de kracht en het

weerstandsvermogen van een machine nauwkeurig te berekenen. De wijze

waarop hij zijn tocht Peking--Parijs heeft georganiseerd, is een

uitstekend bewijs voor zijn vermogen om juiste berekeningen te maken.

Bij deze eigenschappen moet men nog een sterken wil voegen, een wil,

die hem in de eerste plaats zich zelf doet beheerschen. Als hij een

opoffering vergt van iemand, die met hem aan hetzelfde werk bezig is,

zal hij beginnen met zelf eerst te doen, wat hij van een ander vraagt.

Om een doel te bereiken trotseert hij honger, dorst en vermoeienis

door tot zich zelf te zeggen: "Ik heb geen honger, ik heb geen dorst,

ik ben niet moe." Zijn eigen lijden en het lijden van zijn metgezellen

is voor hem van geen beteekenis tegenover het feit, dat het doel

bereikt moet worden.

Wanneer men in sommige omstandigheden zijn gevoel zou laten spreken,

zou dit slechts verbrokkeling van energie ten gevolge hebben.

Te slagen is voor hem alles. Het is, alsof hij bij zichzelf heeft

gezworen om, het koste wat het wil, zijn doel te bereiken en nu

zijn eed gestand wil doen. En dat is het geheim van elken goeden

uitslag. Wat hij zich voorstelt te bereiken, bereikt hij ook,

spant daarvoor al zijn krachten in, en maakt gebruik van alle

beschikbare middelen. Het is voor hem een zaak van eer. Eerzucht bij

zwakke menschen is een gebrek, maar bij menschen van beteekenis een

deugd. Ze is de stuwkracht voor de meest grootsche en meest gewaagde

ondernemingen.

Ik zag den Prins voor het eerst den dag na zijn terugkomst van

Kalgan. Hij had nog het reispak van khaki aan, de kleeding die hij

ook in de automobiel zou dragen en die hem het uiterlijk gaf van

een engelsch officier. De zon en de bergwinden hadden zijn glad,

strak en kalm gelaat van geboren diplomaat gebruind.

De Prins is vijf-en-dertig jaar oud, maar naar zijn uiterlijk te

oordeelen zou men hem veertig geven. Zijn lichaam, vlug, sterk en

veerkrachtig, schijnt echter niet ouder dan vijf-en-twintig. Dit zijn

de voor- en nadeelen van de sport, van het leven in de open lucht,

dat de spieren krachtiger maakt, maar het uiterlijk veroudert.

Don Scipione heeft zich met hartstocht op de meest vermoeiende

takken van sport toegelegd. Als Alpinist bereikte hij vele van de

spitse Alpentoppen, ook zonder gids en in het hartje van den winter,

uit zucht om hindernissen te overwinnen. Hij wil overwinnen. Hij

beschouwt de sport als een oefening in het strijden.

Te zegevieren over de moeilijkheden, die een berg den beklimmer in

den weg legt, een paard of een automobiel te beheerschen leert ons

over de menschen te heerschen.

Hij werd natuurlijk gewond in deze worsteling vol avonturen. Eens

wilde hij een hollend paard tot staan brengen, hij werd omvergeworpen,

en de wagen, door het paard voortgesleurd, ging hem over het hoofd;

altijd heeft hij daarvan een litteeken gehouden. Een anderen keer,

toen hij een wild paard bereed, viel hij uit het zadel; men vond hem

bezwijmd liggen met gebroken neus en bloedend gelaat. Een bekwaam

chirurg zette den neus weer in zijn verband en naaide de wonden weer

dicht. Maar een bekwaam chirurg is geen beeldhouwer en dit is de reden,

waarom de neus van den Prins niet heelemaal recht is! Hij beklaagt

er zich uit gekheid wel eens over en spot met zijn neus, die rood

wordt bij elke weersverandering als een chemische thermometer. Maar

hij overdrijft nogal, en wie het niet weet, merkt er niet veel van.

Prins Scipio Borghese en ik begroetten elkaar als oude kennissen;

een handdruk en wij begonnen dadelijk over den tocht te spreken.

Hoe had hij het denkbeeld opgevat om mee te doen? Zeer eenvoudig.

Om de drie of vier jaar onderneemt hij een groote reis. En juist

dit jaar was hij van plan naar Peking te gaan, welke stad hij nooit

gezien had, en waar zijn broeder Don Livio zaakgelastigde van de

italiaansche legatie was. En op een goeden dag las hij te Rome in

de _Matin_ de vreemdsoortige uitnoodiging. Het leek expres voor

hem bedacht. Dadelijk seinde hij aan de auto-fabriek "de Itala",

of men een auto te zijner beschikking kon stellen voor dezen tocht,

in welk geval hij de kosten van organisatie en uitrusting op zich nam.

Het antwoord was natuurlijk gunstig; daarop liet hij zich bij de

_Matin_ inschrijven en begon met de voorbereidingen.

Hij verscheen niet op de samenkomsten van de mededingers te Parijs,

maar zond een vertegenwoordiger (Fournier, den winner van den rit

Parijs--Bordeaux) om informaties in te winnen aangaande de voorwaarden

voor deelneming aan den tocht. Er was maar één conditie, n.l. dat men

2000 francs bij de Automobielclub van Frankrijk (Concours-Commissie)

moest storten, welke som zou worden gerestitueerd te Peking aan hen,

die van daar den tocht zouden aanvaarden.

Overigens, had de _Matin_ medegedeeld, behoefden geen formaliteiten

te worden vervuld, en geen reglementen van welken aard ook zouden

den tocht kunnen belemmeren. Alleen moest de afstand Peking--Parijs

geheel per auto worden afgelegd.

De door den Prins gekozen machine was eene van het gewone italiaansche

type 24-40 U.P. Er werden geen veranderingen in den motor of het

chassis aangebracht. Slechts werden de hoeken van het chassis en

de veeren een weinig versterkt en de machine op hoogere en sterkere

wielen geplaatst, die werden voorzien van de dikste soort banden uit

de fabriek van Pirelli te Milaan, teneinde inzakking zooveel mogelijk

te voorkomen.

De Prins was er zeer op gesteld, dat alles aan de automobiel van

italiaansch fabrikaat zou zijn. De wagen zelf had voorop zitplaatsen

voor Borghese en den chauffeur en een achterzitplaats voor mij. Aan

beide zijden van mijn zitplaats, vastgehecht met ijzeren banden,

waren twee groote réservoirs voor de benzine, ieder van 200 liters

inhoud. Achter de zitbank, zooals bij de artillerie, een groote kist

voor de provisie, voor het gereedschap en de reservedeelen. Op de

kist een ander réservoir met cylinder, voor het water. De bagage moest

met touwen vastgebonden worden op de kist en het waterréservoir. Het

gebrek aan ruimte en de noodzakelijkheid om het achtergedeelte van

de auto niet te zwaar te belasten, noodzaakte ons om alle bagage

tot een minimum gewicht van 15 kilogram per hoofd te beperken. Een

olieréservoir van 100 liter inhoud was geplaatst onder mijn zitbank en

onder de voorbanken was een groote bergplaats voor de levensmiddelen,

voor het grootste gedeelte bestaande uit vleesch, afkomstig uit

Chicago.

Een bijzonderheid aan de automobiel was de constructie der spatborden,

welke bestonden uit vier met ijzer beslagen planken, vastgemaakt

aan de treden door middel van een scharnier en die gemakkelijk uit

elkaar konden genomen worden; ook dienden ze tot brug over sloten in

polders en op zandwegen. Over het geheel had onze machine, die zoo

verschillend was van alle andere, een bijzonder en geweldig voorkomen.

Het leek wel een gepantserde machine voor den oorlog of ook, door de

groote benzine-réservoirs, op een minder gevaarlijk voertuig, n.l. op

een gecompliceerden sproei wagen!.... Wat betreft de voorraden langs

den weg, om de machines opnieuw uit te rusten, hiervan had de Prins de

organisatie toevertrouwd aan de firma Nobel, die verschillende dépôts

moest stichten tusschen Kiachta en Moskou op onderlinge afstanden

van ongeveer 250 kilometer. De hoeveelheid benzine, die wij konden

meenemen, was voldoende voor duizend kilometers, zoodat wij dus in

het reisplan ons een zekere vrijheid van beweging hadden verzekerd.

De firma Nobel is eigenares van bijna alle siberische petroleumbronnen;

ze bezit in alle steden van Siberië groote entrepôts en

raffinaderijen. Ze heeft eigen waggons op alle spoorweglijnen en

karavanen van karren langs alle straatwegen. Zij interesseerde zich

dus zeer voor onzen proeftocht door Siberië, waarvan in de toekomst

een uitbreiding van het automobilisme in dat land te voorzien was en

waardoor meerdere behoefte aan haar benzine zou ontstaan.

Niemand kon dus beter dan de firma Nobel de organisatie van den

uitrustingsdienst op zich nemen, welk werk reeds einde Maart een

aanvang nam.

De Russisch-Chineesche Bank, die eveneens veel belang heeft bij de

uitbreiding van verkeer en handel met het verre oosten, maakte zich

zeer verdienstelijk door voor Borghese informaties in te winnen omtrent

wegen, inwoners en den prijs van de verschillende benoodigdheden. Ze

deed nog meer, ze belastte zich met het transport van de benzine en de

olie door Mongolië, en droeg aan haar agenten te Kalgan, Urga, Kiachta,

Verkhne, Udinsk en Irkutsk op, ons zoo goed mogelijk te helpen,

en die agenten bewezen ons waarlijk de meest volkomen gastvrijheid.

De voorbereidingen waren tot zoover gereed gekomen, en men was

in het bezit van de beste kaarten van het land, dat moest worden

doorgetrokken, duitsche kaarten van Oost-China, kaarten van den

russischen generalen staf, schaal één op de 250000, uitgegeven door

het Cartographisch Instituut te Petersburg, en een kaart van het

Russische Keizerrijk door het Ministerie van het Verkeer.

In de eerste dagen van April waren de Prins, Ettore en de Itala

gereed om Italië te verlaten. Zij moesten te Napels scheep gaan op

een boot van den Norddeutschen Lloyd, die een veertiendaagschen dienst

onderhoudt op het Oosten.

Den dag vóór het vertrek van de boot waren Ettore en de auto al te

Napels aangekomen; de Prins was nog te Rome om afscheid te nemen

en nog enkele zaken te regelen, toen hem een telegram uit Parijs

overhandigd werd, dat hem zeer verwonderde.

De verplichting om 2000 francs te storten, had het aantal mededingers

zeer verminderd.

Velen hadden zich laten inschrijven alleen voor reclame, om hun

naam in de couranten te zien vermeld als mededingers in een auto-rit

Peking--Parijs.

De overblijvenden, de sérieuse mededingers, werden ontmoedigd door

nieuwe besprekingen, die stof gaven voor nieuwe moeilijkheden. Wanneer

over een plan te veel wordt geredeneerd, eindigt men ten slotte met

het dwaas te vinden. Bij al dat geredeneer zoekt men zijn kracht in

het vinden van nieuwe bezwaren; het handelen alleen versterkt het

enthousiasme, dat door te aanhoudende besprekingen verflauwt en

verdwijnt. Het koude woord is te verstandig, te beredeneerd, men

voorziet te veel alle moeilijkheden. Wanneer een held genoodzaakt

werd om, al was het maar een enkel oogenblik, over de heldendaad die

hij wil volbrengen, te gaan redeneeren, dan zou er geen heldenmoed

meer bestaan.

In buitengewone ondernemingen moet men aan het noodlot de oplossing

van vele onbekende factoren overlaten.

Er is altijd een onbekend iets, waaraan men het hoofd moet bieden. Men

moet zich wat luchthartig in het avontuur storten; daardoor toch

ontstaat de moed om het te volbrengen. Vermetelheid kan geen stand

houden tegen een lang en critisch onderzoek. Om die reden misschien

besloten de mededingers, van de uitvoering van het plan af te zien.

Het door den Prins ontvangen telegram stelde hem van het genomen

besluit in kennis. Het plan voor den tocht Peking-Parijs was in

duigen gevallen!

Hij antwoordde: "Ik scheep mij morgen te Napels in." Door dit antwoord

bracht hij de anderen van hun besluit terug. Hun eigenliefde spoorde

hen aan, om den italiaanschen Prins niet alléén de onderneming,

door het fransche genie uitgedacht, te laten wagen. En dientengevolge

scheepten zich den 14den April de andere mededingers te Marseille in

naar Shanghai, op een stoomboot van de Messageries Maritimes. Het waren

mannen, door de verschillende firma's uit honderden uitgekozen, moedige

kerels, zeer bekwaam in hun vak van chauffeur. Cormier, een van de

chauffeurs van de Dion-Bouton's, had door Spanje en Hongarije gereisd

met auto's van geringe capaciteit; hij was een voorstander van kleine

machines voor het tourisme;--een auto van acht paardekrachten--had

hij gezegd is mij voldoende,--hij kreeg een van tien.

Colignon, de tweede chauffeur van de Dion-Bouton's had ook bewezen

een beproefd vakman te zijn in moeilijke ritten.

Een interessant type, door zijn grooten moed, was Pons, de chauffeur

van den driewieler Contal, die zich vol ijver voor den tocht gereed

maakte. Hij zou alleen wijken voor de noodzakelijkheid. Hij was

een vastberaden, conscientieus man, bereid zich alle mogelijke

opofferingen te getroosten. Men zag het hem aan, dat hij, indien

noodig, zijn bloed veil zou hebben gehad om de benzine te vervangen.

De kleine fransche schare werd opgevroolijkt door de onveranderlijke

en naïeve goedmoedigheid van Bizac, een anderen chauffeur van de

Dion-Bouton's, en werktuigkundige bij de oorlogsvloot. Uit zijn leven

aan boord tusschen de reuzen-motoren was hem een disciplinair instinct

bijgebleven, een onverschilligheid voor vermoeienissen en wisseling

van klimaat. Hij was de levende klok voor zijn metgezellen. Bij het

aanbreken van den dag was hij hun wekker, onverbiddelijk als de tijd,

ongevoelig voor de harde woorden, die ontsnappen aan hen, die met

geweld uit de veêren worden gejaagd.

Bij de expeditie bevonden zich nog twee journalisten: Du Taillis,

een Franschman en Longoni een Italiaan.

Ik had Du Taillis leeren kennen op de conferentie te Algeciras,

waar hij de _Figaro_ vertegenwoordigde. Hoe dikwijls hadden wij een

vroolijk kwartiertje van rust genoten op die vervelende en langdurige

diplomaten-bijeenkomsten.

Hij had een collectie aardigheden, die hij met veel geest

debiteerde. Altijd wist hij nieuwe berichtjes en gebeurtenissen uit de

wereld der diplomatie te vertellen, die hij op sceptische maar toch

aangename manier wist voor te dragen. Door zijn pen en zijn woord

werden zelfs de séances van de "Sala Rossa" interessant, omdat hij

uit die saaie internationale congressen toch nog het vroolijke en

komieke wist te halen.

Ik verliet toen plotseling Algeciras om naar Fez te gaan en ontmoette

Du Taillis niet meer vóór ik hem in China terugvond.

Van achter zijn gouden bril, zijn vroolijk gezicht door een blonden

baard wat verbreed, nam hij mij op.

Wij stonden in de gang van een hôtel tusschen het heen en weer geloop

van de chineesche bedienden, van kooplieden in allerlei merkwaardige

dingen, en van vreemdelingen die kwamen ontbijten. Het uiterlijk van

mijn collega was wat veranderd, van boven door een enormen hoed voor

de tropen, onderaan door twee prachtige hooge leêren slobkonsen. De

rest was normaal en liet mij geen twijfel omtrent zijne identiteit. We

liepen hartelijk elkaar te gemoet en wij vertelden elkaar, hoe het zoo

kwam dat wij hier stonden op den heiligen grond van het Hemelsche rijk;

daarna begonnen wij heel gezellig kwaad te spreken van de Wai-woe-poe.

Longoni, een sympathiek jongmensch, wilde de expeditie meemaken,

meer gedreven door zijn liefde tot de sport dan door zijn plicht

als journalist.

Hij zou de reis op eene Dion-Bouton doen. Zoo naderde de datum van

het vertrek.

Met de hulp van een chineesche transportonderneming zouden de auto's

naar Kalgan worden vervoerd, want de reis door de chineesche bergen was

wel het allermoeilijkste. De directeur kwam met een troep koelies,

die met stokken en planken waren gewapend; dik en dun touw werd

geborgen in de zitbank, en ontdaan van al het overbodige, werd de

auto van den prins even als die van de anderen vervoerd; de koelies

met de muilezels zouden het gezelschap te Nan-Kow wachten, waar de

moeilijkheden van den ongebaanden weg begonnen.

Tot die plaats reden vijf personen met de auto, namelijk de prinses

Borghese, Don Livio Borghese, 's prinsen broer, bij de legatie

in Peking werkzaam, de Prins zelf, Barzini en de chauffeur. De

Dion-Bouton, bestuurd door Cormier, ging voorop, dan volgden de

Spijker, bestuurd door Godard, de Itala, de Dion-Bouton, bestuurd door

Colignon en de Contal, bestuurd door Pons. Buiten de stad gekomen,

verzocht men den Prins voorop te gaan.

Bij de rivier Tsing-Ho begonnen al de moeilijkheden met een lastige

oude brug. Over treden van natte, glimmende steenen moest de auto

zich tegen de helling opwerken. Over smalle landwegen ging het door

de groote vlakte van Peking, waarop een streek van kale heuvels volgde

en eindelijk de Nan-Kow-pas in het gezicht kwam.

Van Peking naar Parijs per auto De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 1 / 5 段