58. Men heeft een regthoekig stuk land ABCD, dat 30 roeden lang en 25

roeden breed is. Dit land moet in drie gelijke deelen gescheiden worden

door twee slooten, welke evenwijdig loopen met den diagonaal BD. Men

vraagt op welken afstand van den hoek B deze lijnen uitkomen.

_Antw._ 5,5 Roeden.

* * * * *

OVER DE VEELHOEKEN, WELKE _IN_ EN _OM_ DEN CIRKEL BESCHREVEN ZIJN.

§ 1. Een veelhoek wordt gezegd _in den cirkel_ beschreven te zijn,

wanneer al de hoekpunten in den omtrek van den cirkel liggen. De cirkel

heet alsdan de _omgeschreven_ cirkel van den veelhoek.

§ 2. Een veelhoek wordt gezegd _om den cirkel_ beschreven te zijn,

wanneer al deszelfs zijden raaklijnen aan den cirkel zijn. De cirkel

heet alsdan de _ingeschreven_ cirkel van den veelhoek.

§ 3. De cirkel, die in een kwadraat kan beschreven worden, staat tot dit

kwadraat als 157 : 200.

§ 4. Van eenen driehoek, in eenen cirkel beschreven, is het product der

opstaande zijden gelijk aan het product der loodlijn des driehoeks en de

middellijn van den cirkel.

§ 5. Van eenen driehoek, om eenen cirkel beschreven, staat de som der

drie zijden tot de bazis, als de loodlijn, die uit den tophoek op de

bazis valt, tot den straal van den cirkel.

§ 6. De loodlijn, welke in eenen gelijkzijdigen driehoek, in eenen

cirkel beschreven, kan getrokken worden, is gelijk drie vierde deelen

van de middellijn des cirkels.

§ 7. De middellijn eens cirkels, welke in eenen gelijkzijdigen driehoek

beschreven kan worden, is gelijk aan twee derde deelen der loodlijn van

dezen driehoek.

§ 8. De som der zijden van eenen regthoekigen driehoek, die om een

cirkel beschreven is, vermenigvuldigd met den straal, is gelijk aan

tweemaal den inhoud van den driehoek.

§ 9. De zijde van eenen gelijkzijdigen driehoek, in eenen cirkel

beschreven, is gelijk aan den wortel uit het verschil van het vierkant

der middellijn en dat van den straal des omgeschreven cirkels.

§ 10. Van eenen driehoek, in eenen cirkel beschreven, is het product der

diagonalen gelijk aan de som der twee producten van de twee tegen

elkander overstaande zijden.

§ 11. De zijde des vierkants is gelijk aan den vierkantswortel uit het

dubbele kwadraat van den straal des omgeschreven cirkels.

§ 12. De regelmatige veelhoeken van hetzelfde aantal zijden zijn

gelijkvormige figuren, en hunne omtrekken staan tot elkander in reden

als de stralen van de om- en ingeschreven cirkels.

§ 13. De inhoud eens regelmatigen veelhoeks is in reden tot dien van den

ingeschreven cirkel, als de som der zijden van den veelhoek tot den

omtrek des cirkels.

§ 14. Elke zijde van den regelmatigen zeshoek is gelijk aan den straal

van den omgeschreven cirkel.

§ 15. De zijde van eenen veelhoek, om den cirkel beschreven, is gelijk

aan het vermenigvuldigde van den straal met de zijde des ingeschreven

veelhoeks van hetzelfde aantal zijden, en dit product, gedeeld door de

loodlijn, die uit het middelpunt op laatstgenoemde zijde valt.

VOORSTELLEN.

1. Van eenen cirkel doet de diameter 4 ellen 8 palmen; men vraagt naar

de zijden van den gelijkzijdigen driehoek, die in denzelven kan

beschreven worden.

_Antw._ 4 Ellen 1 palm 5 duimen 6 strepen.

2. Men heeft om eenen gelijkzijdigen driehoek, waarvan elke zijde 2

ellen 4 palmen lang is, eenen cirkel beschreven. Hoe lang is deszelfs

diameter?

_Antw._ 2 Ellen 7 palmen 7 duimen 1 streep nagenoeg.

3. Hoe lang is de diameter van eenen cirkel, die in eenen gelijkzijdigen

driehoek kan beschreven worden, waarvan elke zijde 1 el 8 palmen lang

is?

_Antw._ 1 El 3 duimen 6 strepen.

4. Van eenen regthoekigen driehoek is de inhoud 96 vierkante palmen en

de bazis 1 el 2 palmen; men vraagt naar de middellijn van den cirkel,

die in dezen driehoek kan beschreven worden.

_Antw._ 8 Palmen.

5. Van eenen regthoekigen driehoek is de bazis 4 ellen 2 palmen en de

opstaande regthoekszijde 5 ellen 6 palmen; men vraagt naar de middellijn

van den cirkel, waarin deze driehoek kan beschreven worden.

_Antw._ 7 Ellen.

6. Hoe lang is de radius van eenen cirkel, welke in eenen regthoekigen

driehoek kan beschreven worden, waarvan de opstaande regthoekszijde 5

palmen 2 duimen en de schuinsche zijde 6 palmen 5 duimen is.

_Antw._ 1 Palm 3 duimen.

7. Men heeft in eenen cirkel, welks diameter 50 palmen lang is, eenen

gelijkbeenigen driehoek beschreven, waarvan elke zijde eene lengte heeft

van 40 palmen; hoe lang is de bazis?

_Antw._ 48 Palmen.

8. Van eenen gelijkbeenigen driehoek doet de bazis 2 ellen 4 palmen; als

nu elk been 2 ellen lang is, welke lengte heeft dan de middellijn van

den cirkel, die om dezen driehoek kan beschreven worden?

_Antw._ 2 Ellen 5 palmen.

9. In eenen halven cirkel heeft men eenen driehoek beschreven, waarvan

de loodregte hoogte 1 el 2 palmen is; hoe lang zijn de zijden van dezen

driehoek, als de middellijn des cirkels 3 ellen doet?

_Antw._ 2 Ellen 6 palmen 8 duimen 3 strepen ruim en 1 el 3 palmen 4

duimen 1 streep ruim.

10. Van eenen driehoek is de eene opstaande zijde 1 el 3 palmen en de

andere 2 ellen; als nu de diameter van den cirkel, die om denzelven kan

beschreven worden, 2,16... el is, hoe lang is dan de bazis van dezen

driehoek?

_Antw._ 21 Palmen.

11. In eenen cirkel, welks diameter 2 ellen 4 palmen is, heeft men het

grootst mogelijke kwadraat beschreven; hoe lang is elke zijde van dit

kwadraat?

_Antw._ 1 El 6 palmen 9 duimen 7 strepen.

12. Van eenen driehoek doet de basis 6 ellen 3 palmen, de eene opstaande

zijde 5 ellen 1 palm en de andere 3 ellen. Hoe groot is de middellijn

van den cirkel, die om denzelven kan beschreven worden?

_Antw._ 6 Ellen 3 palmen 7 duimen 5 strepen.

13. In eenen halven cirkel heeft men eenen driehoek beschreven, welks

loodregte hoogte 2 ellen 4 palmen is; als de diameter des cirkels 6

ellen lang is, hoe lang zijn dan de opstaande zijden van dezen driehoek?

_Antw._ 5 Ellen 3 palmen 6 duimen 6 strepen ruim en 2 ellen 6 palmen 8

duimen 3 strepen ruim.

14. De inhoud van een kwadraat is 25 vierkante ellen; hoe groot zal de

inhoud wezen van den cirkel, die in dit kwadraat kan beschreven worden?

_Antw._ 19 Vierk. ellen 62 vierk. palmen 50 vierk. duimen.

15. Van eenen driehoek is de bazis 1 el 1 palm en de opstaande zijden

zijn 2 ellen 5 palmen en 3 ellen; hoe lang is de middellijn van den

cirkel, die om denzelven kan beschreven worden?

_Antw._ 1 Palm 2 duimen 5 strepen.

16. De bazis van eenen driehoek is 1 el 1 palm 2 duimen, en deszelfs

loodregte hoogte 9 palmen 6 duimen; als de omtrek des cirkels, welke om

dezen driehoek kan beschreven worden, 1 el 3 palmen is, hoe lang zijn

dan de opstaande zijden?

_Antw._ 1 El 4 duimen en 1 el 2 palmen.

17. In eenen cirkel van 2 palmen 5 duimen middellijn, is een

gelijkbeenige driehoek beschreven, welks bazis 2 palmen is, hoe lang

zijn de beenen dezes driehoeks?

_Antw._ 2 Palmen 2 duimen 3 strepen ruim.

18. In eenen cirkel is een ongelijkzijdige driehoek beschreven. De

middellijn des cirkels is 1 el 6 palmen, de bazis des driehoeks 1 el 4

palmen en deszelfs loodregte hoogte 1 el 2 palmen. Men vraagt naar de

beide opstaande zijden.

_Antw._ 1 El 3 palmen en 1 el 5 palmen.

19. Men heeft _in_ en _om_ een' cirkel eenen regelmatigen vierhoek

beschreven: hoe lang zijn deszelfs zijden, als de straal des cirkels 2

palmen 5 duimen is?

_Antw._ 3 Palmen 5 duimen 4 strepen nagenoeg de zijde des ingeschreven

en 5 palmen die des omgeschreven vierhoeks.

20. In eenen cirkel is een vierhoek beschreven, waarvan twee van

deszelfs tegenoverstaande zijden 3 ellen 6 palmen en 4 ellen 2 palmen en

de twee andere 2 ellen 7 palmen en 3 ellen 2 palmen lang zijn; zoo nu de

eene diagonaal 7 ellen 2 palmen is, hoe lang is dan de andere diagonaal?

_Antw._ 3 Ellen 3 palmen.

21. Van eenen cirkel is de middellijn 2 palmen. Men vraagt naar de

zijden van de om- en ingeschreven gelijkzijdige driehoeken.

_Antw._ De zijde des eersten 1,732 palm en die des laatsten 3,464.

22. Om eenen cirkel, waarvan de inhoud 5 vierkante ellen 71 vierkante

palmen is, is een vierkant beschreven; men vraagt naar den inhoud van

dit kwadraat.

_Antw._ 6 Vierkante ellen.

23. Van eenen cirkel is de omtrek 6 ellen 2 palmen 8 duimen; men vraagt

naar de zijden van het grootste kwadraat, dat in denzelven kan

beschreven worden.

_Antw._ 1 El 4 palmen 1 duim ruim.

24. Van eenen scherphoekigen driehoek doen de opstaande zijden 3 ellen

en 2 ellen 6 palmen, en de loodregte hoogte is 2 ellen 4 palmen; men

vraagt naar den omtrek van den cirkel, die in denzelven kan beschreven

worden.

_Antw._ 5 Ellen 2 duimen 4 strepen.

25. In eenen cirkel is een regelmatige vijfhoek beschreven, waarvan elke

zijde 4 ellen 8 palmen lang is; zoo nu de loodlijn, die uit het

middelpunt op eene der zijden valt, 3 ellen 2 palmen is, hoe veel

bedraagt dan de inhoud van dezen vijfhoek?

_Antw._ 38 Vierk. ellen 40 vierk. palmen.

26. Zoo de inhoud van eenen regelmatigen vijfhoek, in eenen cirkel

beschreven, 9 vierkante ellen 60 vierkante palmen is, hoe lang is dan

elke zijde?

_Antw._ 2 Ellen 4 palmen.

27. In eenen gelijkbeenigen driehoek zijn twee cirkels boven elkander

beschreven, die elkander en de zijden van den driehoek aanraken; als nu

de middellijn van den grootsten cirkel 6 palmen 3 duimen en van den

kleinsten 2 palmen 8 duimen is, vraagt men naar de zijden des driehoeks.

_Antw._ De bazis 9 palmen 4 duimen 5 strepen en elk been 1 el 2 palmen 2

duimen 8,5 streep.

28. Van eenen cirkel doet de diameter 80 duimen; men vraagt naar den

inhoud van den regelmatigen zeshoek, die in denzelven kan beschreven

worden.

_Antw._ 2400 wortel 3 Vierkante duimen.

29. In eenen cirkel, welks middellijn 9 palmen 6 duimen doet, is een

regelmatige veelhoek beschreven, waarvan elke zijde 5 palmen 6 duimen 4

strepen lang is; hoe groot zal de omtrek van eenen cirkel zijn, waarin

een gelijkvormige veelhoek geschreven is, welks zijde 1 palm 4 duimen 1

streep bedraagt?

_Antw._ 7 Palmen 5 duimen 3,6 streep.

30. Als de omtrek eens cirkels 3 ellen 1 palm 4 duimen en de zijde van

eenen regelmatigen negenhoek, in den cirkel beschreven, 3 palmen 4

duimen 2,02 streep lang is, hoe lang is dan de zijde van eenen

gelijkvormigen veelhoek, zoo de straal van den omgeschreven cirkel op 5

ellen wordt gemeten?

_Antw._ 3 Ellen 4 palmen 2 duimen 0,2 streep.

31. In eenen regthoekigen driehoek, welks regthoekszijden AB en AC de

lengte hebben van 24 en 32 palmen, is een cirkel beschreven en door het

middelpunt F uit den regten hoek eene regte lijn getrokken, snijdende de

hypothenusa in K. Men vraagt naar de lengte van de beide deelen, waarin

de hypothenusa door deze lijn gedeeld is.

1 6

_Antw._ Het eene deel 11 --- en het andere 22 --- palm.

7 7

32. Op een cirkelvormig stuk land, dat door eene gracht omringd en 1256

vierkante ellen groot is, staat een gebouw, welks hoeken 5,858 el van

den kant des waters verwijderd zijn. Men vraagt naar de lengte en

breedte van dit gebouw.

---

_Antw._ 14,142 _2 / 2 El.

\/

33. Van eenen regthoekigen driehoek is de inhoud = 60 en de omtrek = 40;

men vraagt naar den inhoud des ingeschreven cirkels.

2

_Antw._ 28 ---.

7

34. Van eenen gelijkzijdigen driehoek is iedere zijde = 6. Vrage naar

den diameter des cirkels, die om den driehoek kan beschreven worden.

_Antw._ 9.24 Vierk. eenheden nagenoeg.

TWEEDE HOOFDDEEL.

OVER DE LIGCHAMEN.

VOORAFGAANDE BEPALINGEN.

§ 1. De voorwerpen, welke onder het bereik onzer zinnen vallen, hebben

eene meerdere of mindere uitgebreidheid, welke wij de _ligchamelijke_

noemen.

§ 2. Een _ligchaam_ is in alle rigtingen, in lengte, breedte en hoogte

tot deszelfs grenzen uitgebreid.

§ 3. Alle ligchamen, welke door platte vlakken begrensd worden, heeten

_veelvlakkige_ ligchamen. De platte vlakken heeten de _zijden_ en de

lijnen, volgens welke zij aan elkander sluiten, de _ribben_ van het

ligchaam.

§ 4. De ruimte, welke een ligchaam inneemt, wordt deszelfs _inhoud_

genoemd. Men gebruikt hiertoe ook het woord _volume_.

§ 5. De ligchamen, welke door een gelijk getal van gelijkvormige vlakken

begrensd worden, zijn gelijkvormig.

* * * * *

KUBIEK-WORTELTREKKING.

§ 1. Een product van drie gelijke getallen wordt de _kubus_, de _derde

magt_ of _teerling_ van dat getal genoemd; zoo zijn 3 * 3 * 3 = 27,

5 * 5 * 5 = 125, 9 * 9 * 9 = 729 kubus- of kubiek-getallen. Men

verkrijgt ook de derde magt van eene grootheid, wanneer men het vierkant

derzelve nog eens met haren wortel vermenigvuldigt.

§ 2. De kubiek-wortel uit een getal (343) te trekken, is het getal (7),

hetwelk, tot de derde magt verheven zijnde, dit getal (343) weder

voortbrengt, te bepalen.

--

§ 3. Het teeken _3 / , voor een getal staande, geeft te kennen, dat er

\/

de kubiek-wortel uit getrokken moet worden.

§ 4. Om den kubiek-wortel van een getal te vinden volgt men dezen

algemeenen regel:

1°. Verdeel het gegeven getal van de regterhand af in vakken van drie

cijfers.

2°. Neem den naasten wortel uit het eerste of voorste vak; trek deszelfs

kubus daarvan af, en voeg achter het verschil de cijfers van het tweede

vak.

3°. Neem nu het vierkant des gevonden wortels, en plaats hier naast den

wortel zelven; vermenigvuldig beiden met 3; onderzoek door deeling hoe

veel maal het eerste dezer producten in de rest, altijd met weglating

der twee achterste cijfers, begrepen zij, vermenigvuldig het verkregen

quotient met den deeler en het daar naast staande product met het

kwadraat van dit quotient, en plaats daar achter nog de derde magt van

het quotient; plaats vervolgens onder dit laatste getal eerst het tweede

en hier onder weder het eerste product, zoodanig dat elk één cijfer

vooruitkome; tel deze getallen te zamen, en trek de som van de rest af.

4°. Plaats achter het verkregen verschil de cijfers van het derde vak,

herhaal dezelfde bewerking, en handel op gelijke wijze om al de overige

cijfers van den wortel te vinden.

Voorbeeld. Hoe veel is de kubiek-wortel uit 17576?

BEWERKING.

--------

_3 / 17|576 = 26 2 * 2 = 4....2

\/ 8 -------(3

------ 12....6

9 576 6...36...216

9 576 -------------

----- 72..216 216

0 216

72

----

9576

_Verklaring_. Men verdeelt het getal, bij de eenheden te beginnen, van

drie tot drie cijfers, en vraagt: welke is de naaste kubiek-wortel uit

17? Men vindt 2. Deszelfs derde magt 2 * 2 * 2 = 8 trekt men van 17 af,

als wanneer er 9 overblijft. Naast deze 9 plaatst men de cijfers van het

tweede vak, zijnde dan de geheele rest 9576. Om nu het tweede lid van

den wortel te vinden, brengt men het eerste lid (2) in kwadraat, gevende

2 * 2 = 4; men vermenigvuldigt dit kwadraat en deszelfs wortel beide met

3, en verkrijgt 4 * 3 = 12 en 2 * 3 = 6. Het eerste product deelt men op

de twee eerste cijfers van de rest (9576), want de twee laatste komen

niet in aanmerking, en het quotient is 6. Vervolgens vermenigvuldigt men

het product 12 met dit quotient (6), het product 6 met het kwadraat van

het quotient (6 * 6 = 36) en vergaart deze producten met de derde magt

van het quotient 6 (6 * 6 * 6 = 216) tot eene som, op de wijze als in

n°. 3 van den algemeenen regel gezegd is. Deze som bedraagt juist de

rest 9576, waaruit blijkt, dat de bewerking geëindigd is.

Zie hier nog een uitgewerkt voorbeeld:

-----------------------

_3 / 2|251|799|813|685|258 = 131072

\/ 1

-----

1 251

1°. af 1 197

--------

54 799

2°. af 51 091

--------------

3 708 813 685

3°. af 3 605 736 043

-----------------

103 077 642 258

4°. af 103 077 642 258

----------------

0

1°. Om het tweede cijfer in den wortel te vinden:

1 * 1 = 1...1

-----(3

3...3

3...9....27

-----------

9..27 27

27

9

----

1197

2°. Om het derde cijfer te vinden:

13 * 13 = 169..13

-------(3

507..39

1...1.....1

-------------

507..39 1

39

507

-----

51091

3°. Bij deze bewerking zal men bevinden, dat het vierde cijfer 0 is; men

voegt dus de cijfers van het vijfde vak achter de rest, en werkt als

voren om het vijfde cijfer te vinden.

1310 * 1310 = 1716100....1310

---------------(3

5148300....3930

7 49.....343

------------------------

36038100..192570 343

192570

36038100

----------

3605736043

4°. Om het zesde cijfer te vinden:

13107 * 13107 = 171793449...13107

-----------------(3

515380347...39321

2.......4.......8

--------------------------

1030760694..157284 8

157284

1030760694

------------

103077642248

VOORSTELLEN.

1. Trek den kubiek-wortel uit 39304, uit 704969 en uit 78953598.

_Antw._ 34, 89 en 429.

2. Welke is de kubiek-wortel uit 167284151 en uit 225866529?

_Antw._ 551 en 609.

3. Hoe veel is de kubiek-wortel uit 73034632?

_Antw._ 418.

4. Trek den kubiek-wortel uit 367365007.

_Antw._ 1543.

5. Hoe veel is de kubiek-wortel uit het getal 53497400832?

_Antw._ 3768.

6. Welke is de kubiek-wortel uit het getal 35184372088832?

_Antw._ 32768.

7. Hoe veel is de kubiek-wortel uit het getal 281474976710656?

_Antw._ 65536.

8. Vind den kubiek-wortel uit 2251799813685248.

_Antw._ 131072.

9. Welke is de kubiek-wortel uit het getal 22762660963735440852831?

_Antw._ 28340511

-------------------------

10. Waaraan is _3 / 32769256464059044417929 gelijk?

\/

_Antw._ 32000409.

§ 5. Uit vele getallen kan de kubiek-wortel niet volkomen, maar alleen

bij benadering gevonden worden; zulke getallen noemt men _onvolkomene_

kubiek-getallen, in tegenoverstelling van de zulke, waarvan de kubiek-

wortel juist opgaat, en die den naam dragen van _volkomene_ kubiek-

getallen.

§ 6. Om uit onvolkomene kubiek-getallen den wortel te trekken, volge men

dezen regel: Wanneer men aan het laatste vak gekomen is, plaatst men

achter het gevondene gedeelte van den wortel een scheidteeken, en achter

de rest van de bewerking drie nullen; op deze wijze gaat men voort, tot

dat men een genoegzaam getal cijfers der tiendeelige breuk gevonden

heeft.

VOORSTELLEN.

1. Zoek den naasten kubiek-wortel uit 2.

_Antw._ 1,2599210.

2. Welke is de naaste kubiek-wortel uit 5?

_Antw._ 1,7099759.

3. Vind bij benadering den kubiek-wortel uit 7.

_Antw._ 1,9129311.

4. Welke is de kubiek-wortel uit 9?

_Antw._ 2,0800838.

----

5. Waaraan is _3 / 10 gelijk?

\/

_Antw._ Aan 2,1544347.

§ 7. Om den kubiek-wortel uit eene tiendeelige breuk te trekken, deele

men, van het scheidteeken af, de geheelen van de regter--naar de

linkerhand en de tiendeeligen van de linker--naar de regterhand, van

drie tot drie cijfers af, en trekke den wortel op de gewone wijze, mits

plaatsende het scheidteeken in den wortel op zijne behoorlijke plaats.

VOORSTELLEN.

1. Vind den kubiek-wortel uit 0,027.

_Antw._ 0,3.

2. Hoe veel is de kubiek-wortel uit 0,000216?

_Antw._ 0,06.

3. Trek den kubiek-wortel uit 0,000016003008.

_Antw._ 0,0252.

-----------

4. Waaraan is _3 / 34,328125 gelijk?

\/

_Antw._ Aan 3,25.

5. Welke zijn de kubiek-wortels uit 8,084294343, uit 281,474976710656 en

uit 1152921504,606846976?

_Antw._ 2,007; 6,5536 en 1048,567.

§ 8. De kubiek-wortel uit eene gewone breuk is gelijk aan den kubiek-

wortel uit den teller, gedeeld door den kubiek-wortel uit den noemer.

Wanneer teller of noemer of wel beide onvolkomene kubiekgetallen zijn,

vermenigvuldige men den teller van de breuk met het vierkant van den

noemer, trekke uit het product den kubiek-wortel, en deele dien wortel

door den noemer.

VOORSTELLEN.

8 64

1. Trek den kubiek-wortel uit ---- en -----?

27 125

2 4

_Antw._ --- en ---.

3 5

216

2. Hoe veel is de kubiek-wortel uit -----?

343

6

_Antw._ ---.

7

729

3. Welke is de kubiek-wortel uit ------?

1000

9

_Antw._ ----.

10

1

4. Trek den kubiek-wortel uit ---.

2

---

_3 / 4

\/

_Antw._ --------- = 0,7937005.

2

2 4 27 35

5. Hoe veel is de kubiek-wortel uit ---, ---, 15 ----, 36 ---- en uit

3 9 64 36

5

1157 ---?

8

---- ----- -----

_3 / 18 _3 / 324 _3 / 987

\/ \/ \/ 11 1

_Antw._ ----------, -----------, -----------, ---------- en 10 ---.

3 9 4 ---- 2

_3 / 36

\/

* * * * *

OVER DEN KUBIEK EN HET PARALLELEPIPEDUM.

§ 1. Een _kubiek_ of _teerling_ is een ligchaam, dat binnen zes gelijke

kwadraten bevat is.

§ 2. De kubiek op de eenheid van de lengtemaat is de natuurlijke maat

voor den inhoud der ligchamen.

§ 3. De inhoud van een kubiek wordt uitgedrukt door de derde magt van

eene der zijden.

§ 4. Een _parallelepipedum_ of _balk_ is een ligchaam, dat tusschen zes

vlakken begrepen is, welke twee aan twee evenwijdig loopen.

§ 5. Een parallelepipedum wordt _regthoekig_ genoemd, wanneer al de

zijvlakken regthoekig zijn. In het tegen gestelde geval is het

parallelepipedum _scheefhoekig_.

§ 6. De inhoud van elk parallelepipedum is gelijk het grondvlak of de

bazis, vermenigvuldigd met de hoogte.

§ 7. Gelijkvormige parallelepipedums zijn tot elkander in reden als de

kubieken van de lijnen, welke op eene overeenkomstige wijze in dezelve

getrokken worden.

§ 8. Regthoekige parallelepipedums, die op hetzelfde grondvlak staan,

zijn tot elkander in reden als hunne hoogten.

VOORSTELLEN.

1. Een hoop steenen, lang 25, breed 20 en hoog 16 ellen, wil men in de

gedaante van een kubiek leggen. Hoe lang moet men elke zijde nemen?

_Antw._ 20 Ellen.

2. Van een stuk hout, dat de gedaante heeft van een kubiek, is de

lengte, de breedte en de hoogte 8 palmen; hoe veel kubieke palmen bevat

dit stuk hout?

_Antw._ 512 Kubieke palmen.

3. Hoe veel oppervlakte heeft een ligchaam, in de gedaante van eenen

kubiek, waarvan elke zijde 2 ellen 2 palmen lang en breed is?

_Antw._ 29 Vierk. ellen 4 vierk. palmen.

4. Van een stuk hout, hebbende de gedaante van een parallelepipedum, is

de lengte 2 ellen 7 palmen 5 duimen, de breedte 1 el 7 palmen 2 duimen

en de hoogte 3 ellen; men vraagt naar den inhoud van dit stuk hout.

_Antw._ 14 Kubieke ellen 190 kub. palmen.

5. Men vond bij meting, dat de lengte eener kamer 7 ellen 5 duimen, de

breedte 4 ellen 7 duimen en de hoogte 3 ellen 7 palmen 8 strepen

bedroeg; kunt gij daaruit berekenen hoe veel kubieke ellen lucht deze

kamer kon insluiten?

_Antw._ 108 Kubieke ellen 395 kubieke palmen 498 kubieke duimen.

6. Hoe veel wissen brandhout bevat een hoop, die 30 ellen lang, 20 ellen

breed en 15 ellen hoog is?

_Antw._ 9000 Wissen.

7. Men heeft twee hoopen steenen; de eene is lang 25, breed 20 en hoog

16 ellen; de andere heeft de gedaante van eenen kubiek, en bevat 8 maal

zoo veel steenen; hoe lang is elke zijde van den tweeden hoop?

_Antw._ 40 Ellen.

8. Een steenhouwer heeft zes blokken wit marmer, houdende te zamen

279936 kubieke duimen; indien deze blokken de gedaante hebben van

kubieken, hoe lang is dan elke zijde?

_Antw._ 36 Duimen.

9. Hoe veel kubieke palmen bedraagt de inhoud van een regthoekig

parallelepipedum, waarvan de breedte bedraagt 4 palmen, de hoogte 3

palmen en de lengte 6 ellen?

_Antw._ 720 Kubieke palmen.

10. Een kubiek heeft eene oppervlakte van 96 vierkante ellen; men vraagt

naar deszelfs inhoud.

_Antw._ 64 Kubieke ellen.

11. Hoe veel inhoud heeft een balk, welke 8 ellen 5 palmen lang, 6

palmen breed en 8 palmen dik is?

_Antw._ 4 Kubieke ellen 80 kubieke palmen.

12. Een timmerman heeft een stuk hout, in de gedaante van een regthoekig

parallelepipedum, gekocht, tegen 4 gulden 36 cents de kubieke el; zoo

dit hout 12 ellen 5 palmen lang 1 el 3 palmen breed en 9 palmen dik is,

hoe veel moet hij dan daarvoor betalen?

_Antw._ 63 Gulden 76,5 cent.

13. Een bak heeft de lengte van 5 ellen 7 duimen, de breedte van 2 ellen

5 duimen en de diepte van 1 el 8 duimen; hoe veel kubieke ellen is de

inhoud van dien bak?

_Antw._ 11 Kubieke ellen 224 kubieke palmen 980 kubieke duimen.

14. Er zal eene gracht gegraven worden van 350 ellen lang, gemiddeld 2

ellen breed en 1 el 5 palmen diep; hoe veel kubieke ellen aarde zal er

verwerkt moeten worden?

_Antw._ 1050 Kubieke ellen.

15. Hoe groot is elke zijde van eenen kubiek, welke zoo veel inhoud

3

heeft als drie kubieken, waarvan de zijden 1, 2 en 2 --- el lang zijn?

7

6

_Antw._ 2 --- El.

7

16. Een steenhouwer heeft eenen steen gekocht, tegen 2 gulden 17 cents

de kubieke el; als deze steen 5 ellen 2 palmen lang, 4 ellen 3 palmen

breed en 8 palmen dik is, hoe veel moet hij dan voor denzelven betalen?

_Antw._ 38 Gulden 81,696 cent.

17. De inhoud van eenen gemetselden put is 450 kubieke ellen; als deze

put 10 ellen lang en 5 ellen diep is, welke breedte heeft dezelve dan?

_Antw._ 9 Ellen.

18. Tot het bouwen van eenen muur, die, de kalk medegerekend, 48 steenen

in de hoogte heeft, zijn 9864 steenen gebezigd; als dezelve anderhalven

steen dik is, hoe veel steenen liggen er dan in de lengte?

_Antw._ 137 Steenen.

19. Iemand heeft eenen balk, welke 16 ellen lang, 2 ellen breed en 1 el

5 palmen dik is; men vraagt naar deszelfs oppervlakte.

_Antw._ 118 Vierk. ellen.

20. Een steenhouwer heeft een blok wit marmer, houdende 27 kubieke

palmen 648 kubieke duimen; de lengte staat tot de breedte als 2 : 1; hoe

lang en breed is dan deze blok, als de breedte gelijk aan de dikte is?

Meetkundig Schoolboek · 第 4 / 7 段