64. Er wordt opgegeven eenen cirkel in drie even groote ronden te

verdeelen; men vraagt naar de breedte der strooken en de middellijn des

overblijvenden cirkels, zoo de middellijn van den geheelen cirkel 21

duimen is.

_Antw._ De kleinste strook is breed 1,407 duimen, de daaraanvolgende

1,6685 duimen en de derde 2,1745 duimen.

65. Men wenscht het verschil van inhoud te weten tusschen een geschoven

vierkant, welks diagonalen 24 en 32 ellen lang zijn, en een kwadraat en

eenen cirkel, die gelijken omtrek hebben als dit geschoven vierkant.

_Antw._ Tusschen het geschoven vierkant en het kwadraat 16 vierk. ellen,

tusschen den cirkel en het geschoven vierkant 125,554 vierk. ellen en

tusschen den cirkel en het kwadraat 109.554 vierk. ellen.

66. Wanneer eene geit aan een touw geplaatst wordt van 628 nederl.

duimen lengte, zoo heeft zij voor vier dagen genoeg ter beweiding. Hoe

veel malen zal de touw om eenen ronden paal, van 1 duim diameter, moeten

gewonden worden, opdat het dier voor éénen dag genoeg hebbe?

_Antw._ 100 Maal.

* * * * *

OVER DE GELIJKVORMIGE FIGUREN.

§ 1. _Gelijkvormige figuren_ zijn dezulke, waarvan de overeenkomstige

hoeken gelijk en de zijden om deze hoeken evenredig zijn.

§ 2. De zijden, over gelijke hoeken staande, worden _gelijkstandige_ of

_even eens geplaatste_ zijden genoemd.

§ 3. Twee driehoeken zijn gelijkvormig, wanneer de hoeken van den eenen

driehoek, elk in het bijzonder, gelijk zijn aan de hoeken des anderen

driehoeks, alsmede, dat de zijden, welke in de beide driehoeken over

gelijke hoeken slaan, met elkander evenredig zijn.

§ 4. Alle gelijkzijdige driehoeken zijn gelijkvormig.

§ 5. Driehoeken zijn gelijkvormig, wanneer de zijden van den eenen

driehoek evenwijdig zijn aan die van den anderen.

§ 6. De lijn, welke eenen der hoeken van eenen driehoek midden door

deelt, verdeelt de overstaande zijden in stukken, welke evenredig zijn

met de opstaande zijden, waaraan zij grenzen.

§ 7. Twee veelhoeken worden _gelijkvormig_ genoemd, wanneer zij gelijke

hoeken hebben, welke in dezelfde orde op elkander volgen, en de

gelijkstandige zijden, welke tusschen de gelijke hoeken liggen,

evenredig zijn.

§ 8. Twee veelhoeken, welke uit een zelfde aantal gelijkvormige

driehoeken zijn zamengesteld, die op dezelfde wijze aan elkander

sluiten, zijn gelijkvormig.

§ 9. De inhouden van gelijkvormige veelhoeken zijn tot elkander in reden

als de vierkanten van de even eens geplaatste zijden. De inhouden van

gelijkvormige veelhoeken zijn ook in reden, als het product van twee

zijden in den eenen veelhoek tot het product der gelijkstandige zijden

in den anderen driehoek.

§ 10. Driehoeken, die gelijke bazis hebben, staan tot elkander als de

hoogten.

§ 11. Driehoeken, die gelijke hoogte hebben, staan tot elkander als de

grondlijnen.

§ 12. Parallelogrammen, die gelijke hoogte hebben, staan in reden als de

grondlijnen.

§ 13. Parallelogrammen, die gelijke grondlijnen hebben, staan in reden

als de hoogten.

VOORSTELLEN.

1. Van eenen regthoekigen driehoek is de opstaande regthoekszijde 2

ellen 4 palmen en de bazis of grondlijn 1 el 8 palmen; evenwijdig aan de

genoemde opstaande zijde is eene lijn getrokken van 2 ellen. Men vraagt,

in welke deelen de bazis door deze evenwijdige lijn gedeeld wordt.

_Antw._ Het eene deel is 3 palmen en het andere 1 el 5 palmen.

2. Van eenen anderen regthoekigen driehoek is de opstaande

regthoekszijde 4 ellen 8 palmen en de bazis 3 ellen 6 palmen; evenwijdig

aan deze zijde loopt eene lijn, die 1 el 2 palmen lang is. Men vraagt in

welke deelen de hypothenusa door deze evenwijdige lijn gedeeld wordt.

_Antw._ Het grootste deel is 4 ellen en het kleinste 2 ellen.

3. Een boer heeft een stuk land gekocht, hetwelk den vorm heeft van

eenen regthoekigen driehoek. Dit land wil hij door eene sloot in twee

deelen gedeeld hebben, zoodanig dat dezelve evenwijdig loopt met de

langste regthoekszijde. en eenen aanvang neemt op 3 roeden 5 ellen van

den kleinsten hoek. Hoe lang zal deze sloot zijn, als de regthoekszijden

4 roeden 2 ellen en 5 roeden 6 ellen lang zijn?

_Antw._ 2 Roeden 8 ellen.

4. Iemand, wiens oog 1 el 5 palmen van den grond verwijderd is, bevindt

zich in eene regte lijn met de torens van _Kapelle_ en _Biezelinge_, en

kan juist over den top des laatsten dien des eersten zien. Indien men nu

aanneemt, dat de toren van _Biezelinge_ 41,5 el en die van _Kapelle_

91,5 el hoog is, alsmede dat deze torens 1100 ellen van elkander afstaan

en de grond waterpas is, hoe ver is dan de bedoelde persoon van den

hoogsten toren verwijderd?

_Antw._ 1980 Ellen.

5. Op eenen oogenblik, waarin de zon scheen, was de schaduw van een

knaapje 7 palmen 2 duimen, terwijl op denzelfden oogenblik die van

zijnen broeder op 8 palmen 4 duimen gemeten werd. Als nu deze laatste 1

el 4 palmen lang was, zeg mij dan de lengte van het knaapje.

_Antw._ 1 El 2 palmen.

6. Om de hoogte van eenen toren te berekenen, plaatst men twee stokken

regtstandig in den grond, de eerste, die 3 ellen 2 palmen lang is, op

eenen afstand van 400 ellen en de tweede, welke eene lengte heeft van 2

ellen, op eenen afstand van 410 ellen, beide van den voet des torens

afgerekend. Indien nu de uiteinden der stokken en de spits des torens in

eene regte lijn liggen, hoe hoog is dan de toren?

_Antw._ 51 Ellen 2 palmen.

7. Van eenen regthoekigen driehoek is de eene regthoekszijde 2 ellen 4

palmen en de andere 3 ellen 2 palmen; uit den regten hoek heeft men eene

loodlijn op de schuinsche zijde nedergelaten. Men vraagt naar de

stukken, waarin de schuinsche zijde door deze loodlijn gedeeld wordt en

naar de lengte van de loodlijn zelve.

_Antw._ Het langste stuk 2 ellen 5 palmen 8 duimen, het kortste 1 el 4

palmen 4 duimen en de loodlijn 1 el 9 palmen 2 duimen.

8. Iemand heeft een stuk land, in de gedaante van eenen regthoekigen

driehoek; als de opstaande regthoekszijde 8 roeden 4 ellen, de bazis 3

roeden 5 ellen en eene sloot, welke evenwijdig met de bazis loopt, 7

ellen lang is, hoe ver is dan het uiteinde van de sloot, hetwelk in de

opstaande regthoekszijde valt, van den tophoek verwijderd?

_Antw._ 1 Roede 6 ellen 8 palmen.

9. In eenen driehoek is de grondlijn 1 el 4 palmen, de eene opstaande

zijde 3 ellen 4 palmen en de andere 2 ellen 5 palmen: zoo nu van eenen

anderen gelijkvormigen driehoek de grondlijn 4 ellen 2 palmen is, hoe

lang zijn dan deszelfs opstaande zijden?

_Antw._ De langste 10 ellen 2 palmen en de kortste 7 ellen 5 palmen.

10. Men heeft in eenen driehoek eene lijn evenwijdig aan de bazis

getrokken, welke door eene loodlijn, uit den tophoek van de bazis

vallende, in de deelen 5 ellen 6 palmen en 4 ellen gedeeld wordt. Zoo nu

de geheele loodlijn 1 roede 8 ellen en het stuk, begrepen tusschen de

bazis en de evenwijdige lijn, 1 roede 5 ellen is, hoe groot is dan de

inhoud van den driehoek?

_Antw._ 5 Vierkante roeden 18 vierkante ellen 40 vierkante palmen.

11. Van eenen driehoek doet de kortste opstaande zijde 4 ellen en de

langste 7 ellen 2 palmen; uit een punt in de kortste zijde, hetwelk 2

ellen 5 palmen van den tophoek afstaat, is eene lijn evenwijdig aan de

bazis getrokken, die 2 ellen 2 palmen 5 duimen lang is. Men vraagt naar

de deelen van de langste opstaande zijde en naar de bazis.

_Antw._ Het kortste deel 2 ellen 7 palmen, het langste 4 ellen 5 palmen

en de bazis 3 ellen 6 palmen.

12. Daar zijn twee gelijkvormige driehoeken; van den eenen driehoek zijn

de opstaande zijden 2 ellen 5 palmen en 3 ellen 7 palmen, en van den

anderen is de kortste opstaande 7 ellen 5 palmen. Hoe lang is de andere

opstaande zijde van dezen laatsten driehoek?

_Antw._ 11 Ellen 1 palm.

13. Daar zijn twee gelijkvormige regthoekige driehoeken; van den eenen

driehoek is de opstaande regthoekszijde 6 ellen 3 palmen en de

schuinsche zijde 10 ellen 5 palmen; van den anderen is de eene

regthoekszijde 7 ellen langer dan de andere. Men vraagt naar de zijden

van dezen laatsten driehoek.

_Antw._ 2 Ellen 1 palm, 2 ellen 8 palmen en 3 ellen 5 palmen.

14. Daar zijn twee gelijkbeenige driehoeken; van den eenen driehoek is

een der beenen 4 ellen 8 palmen en de bazis 3 ellen 6 palmen; zoo nu de

bazis van den anderen 5 ellen 4 palmen is, hoe lang zijn dan deszelfs

beenen?

_Antw._ 7 Ellen 2 palmen.

15. Van eenen regthoekigen driehoek is de bazis 9 duimen en de

schuinsche zijde 1 palm 5 duimen; van eenen anderen driehoek, die met

den eersten gelijkvormig is, doet de opstaande regthoekszijde 1 el 4

palmen 4 duimen. Men vraagt naar de andere zijden van dezen laatsten

driehoek.

_Antw._ De bazis 1 el 8 duimen en de hypothenusa 1 el 8 palmen.

16. Men heeft in eenen driehoek, waarvan de bazis 7 roeden is, en welks

opstaande zijden 6 roeden 5 ellen en 7 roeden 5 ellen lang zijn, eene

lijn van 5 roeden 6 ellen evenwijdig aan de bazis getrokken, Men vraagt

in welke deelen de opstaande zijden door deze lijn gedeeld worden.

_Antw._ De deelen van de kortste zijde zijn 1 roede 3 ellen en 5 roeden

2 ellen, en die van de langste 1 roede 5 ellen en 6 roeden.

17. Van twee gelijkvormige driehoeken doen de grondlijnen 2 ellen 5

palmen en 3 ellen; zoo nu de inhoud van den eersten driehoek 3 vierkante

ellen 75 vierkante palmen bedraagt, welken inhoud heeft dan de andere?

_Antw._ 5 Vierk. ellen 40 vierk. palmen.

18. Men heeft twee gelijkvormige driehoeken; van den eenen doen de

zijden 1 el 4 palmen, 3 ellen en 8 ellen 4 palmen, en van den anderen is

de kleinste zijde 11 ellen 2 palmen. Men vraagt naar de twee andere

zijden van dezen driehoek.

_Antw._ 24 Ellen en 67 ellen 2 palmen.

19. Iemand heeft twee stukken land, welke beide de gedaante hebben van

een kwadraat; van het eene stuk is elke zijde 1 el 6 palmen. Men vraagt

naar de zijden van het andere stuk, wetende dat deszelfs inhoud 15 maal

grooter is dan die van het kleinste.

_Antw._ 6 Ellen 4 palmen.

20. Het schoollokaal te _Kapelle_, dat den vorm van eenen regthoek

heeft, is 16 ellen lang en 8 breed. Als hetzelve nu 4 maal grooter is

dan een ander schoolgebouw, welke lengte en breedte heeft dan dit

laatste?

_Antw._ Lang 8 ellen en breed 4 ellen.

21. Daar zijn twee gelijkvormige onregelmatige vijfhoeken, waarvan de

eerste vijfmaal zoo groot is als de tweede; zoo nu de zijden van den

laatsten 7, 8, 9, 10 en 11 ellen lang zijn, hoe lang zijn dan de zijden

van den eersten?

--- --- --- --- ---

_Antw._ 7 _2 / 5 , 8 _2 / 5 , 9 _2 / 5 , 10 _2 / 5 , 11 _2 / 5 Ellen

\/ \/ \/ \/ \/

22. Van eenen onregelmatigen zeshoek zijn de zijden 4, 5, 6, 7, 8 en 9

ellen; hoe lang zijn de zijden van eenen anderen zeshoek, welke met den

eersten gelijkvormig is en 8 maal meer inhoud heeft?

_Antw._ 12, 15, 18, 21, 24 en 27 Ellen.

23. Van eenen scherphoekigen driehoek is de bazis 8 ellen 4 palmen, de

langste opstaande zijde 9 ellen en de andere 7 ellen 8 palmen; binnen

denzelven is eene lijn evenwijdig aan de bazis getrokken, welke den

driehoek in twee gelijke deelen deelt. Men vraagt naar de lengte dezer

lijn, alsmede naar de deelen die door dezelve van de opstaande zijden

worden afgesneden, van den tophoek afgerekend.

_Antw._ De lijn is 5 ellen 9 palmen 4 duimen nagenoeg; de stukken zijn 6

ellen 3 palmen 6 duimen ruim en 5 ellen 5 palmen 2 duimen nagenoeg.

24. Een landman heeft een stuk land, hetwelk de gedaante heeft van eenen

scherphoekigen driehoek, en welks inhoud 5 bunders 4 vierkante roeden

is, terwijl de deelen der bazis, waarin deze door de loodlijn, die uit

den tophoek op dezelve getrokken wordt, 32 en 10 roeden lang zijn.

Onderstellen wij nu eens, dat er een ander gelijkvormig stuk land

bestaat, hetwelk 9 maal zoo groot is, hoe lang zouden dan de zijden van

hetzelve zijn?

_Antw._ 78, 120 en 126 Roeden.

25. Van eenen, gelijkbeenigen driehoek is elk der beenen 7 roeden 5

ellen lang en de inhoud 15 vierkante roeden 12 vierkante ellen. Hoe

groot is een andere gelijkvormige driehoek, welks beenen eene lengte

hebben van 2 roeden 5 ellen?

_Antw._ 1 Vierk. roede 68 vierk. ellen.

26. Van eenen gelijkzijdigen driehoek is elke zijde 2 ellen 5 palmen;

men vraagt hoe lang de zijden van eenen anderen gelijkzijdigen driehoek

zijn, welke 3 maal meer inhoud heeft.

_Antw._ 5 Ellen.

27. Van eenen scherphoekigen driehoek is de bazis 7 palmen, de eene

opstaande zijde 7 palmen 5 duimen en de andere 6 palmen 5 duimen; de

inhoud van eenen anderen driehoek, welke met denzelven gelijkvormig is,

bedraagt 84 vierkante palmen. Men vraagt naar de zijden van dezen

driehoek.

_Antw._ De bazis 1 el 4 palmen, de eene opstaande zijde 1 el 5 palmen en

de andere 1 el 3 palmen.

28. Zekere tuin, die de gedaante van eenen regthoek heeft, is 2 roeden 4

ellen lang en 1 roede 8 ellen breed; nu wil men denzelven 5 maal zoo

groot maken, in dier voege, dat de vorm onveranderd blijft. Hoe veel

moet elke zijde verlengd worden?

_Antw._ In de lengte 2 roeden 9 ellen 6 palmen 6 duimen en in de breedte

2 roeden 2 ellen 2 palmen 4 duimen.

29. Er is een stomphoekige driehoek, waarvan de bazis 8 palmen is, en de

opstaande zijden 2 ellen 6 palmen en 3 ellen doen; hoe lang zijn de

zijden van eenen anderen gelijkvormigen driehoek, waarvan de hoogte 3

ellen 6 palmen is?

_Antw._ De bazis 1 el 2 palmen, de kortste opstaande zijde 3 ellen 9

palmen en de langste 4 ellen 5 palmen.

30. Een boer heeft een stuk land in de gedaante van eenen regthoekigen

driehoek, waarvan de opstaande zijden 3 roeden 6 ellen en 4 roeden 5

ellen lang zijn. Van dit land wordt een gedeelte verkocht, hetwelk met

het geheele stuk gelijkvormig is, en 54 vierkante ellen inhoud heeft;

als nu de sloot, die men tot scheiding graven wil, evenwijdig moet

loopen met de grondlijn, hoe lang zijn dan de zijden van het verkochte

gedeelte?

_Antw._ 9 Ellen, 1 roede 2 ellen en 1 roede 5 ellen.

31. Van eenen regthoekigen driehoek is de bazis 3 ellen 9 palmen en de

opstaande regthoekszijde 5 ellen 2 palmen; van denzelven wordt door eene

lijn, welke evenwijdig loopt met de opstaande regthoekszijde, een

gelijkvormig deel afgenomen, hetwelk 1 vierkante el 50 vierkante palmen

groot is. Men vraagt naar de zijden van dit afgesneden stuk.

_Antw._ 1 El 5 palmen, 2 ellen en 2 ellen 5 palmen.

32. Iemand heeft een stuk land, in de gedaante van eenen regthoekigen

driehoek, waarvan de grondlijn 6 roeden en de schuinsche zijde 10 roeden

lang is; hiervan verkoopt hij een gelijkvormig stuk van 6 vierkante

roeden. Zoo men nu weet, dat het overblijvende gedeelte geenen regten

hoek heeft, hoe lang zal dan de scheidesloot zijn?

_Antw._ 5 Roeden.

33. Elke zijde van eenen regelmatigen zevenhoek doet 1 el 2 palmen; hoe

lang zal elke zijde van eenen anderen regelmatigen zevenhoek zijn, die 8

maal meer inhoud heeft?

_Antw._ 3 Ellen 6 palmen.

34. Een stuk land, hetwelk de gedaante heeft van eenen driehoek, en 28

vierkante roeden groot is, moet in twee gelijke deelen gedeeld worden

door eene sloot, welke parallel loopt met de kortste opstaande zijde.

Men vraagt in welk punt van de bazis de sloot moet beginnen of eindigen,

als dezelve 8 roeden lang is?

_Antw._ Op 5 roeden 6 ellen 5 palmen 6 duimen ruim van den kleinsten

hoek.

35. Van eenen regthoekigen driehoek is de bazis 3 roeden 6 ellen en de

opstaande regtshoekszijde 4 roeden 8 ellen; men wil denzelven in drie

gelijke deelen verdeelen door lijnen, welke evenwijdig met de schuinsche

zijde loopen. Men vraagt in welke punten van de bazis en de opstaande

regthoekszijde deze lijnen zullen beginnen en eindigen.

_Antw._ In de bazis op 2 roeden 7 palmen 8 duimen 4 strepen en op 2

roeden 9 ellen 3 palmen 9 duimen 3 strepen van den regten hoek, in de

opstaande zijde op 2 roeden 7 ellen 7 palmen 1 duim 2 strepen en op 3

roeden 9 ellen 1 palm 9 duimen 1 streep, mede van den regten hoek.

36. Een regthoekige driehoek, waarvan de bazis 6 palmen 7 duimen en de

opstaande regthoekszijde 7 palmen 6 duimen lang zijn, zal door lijnen in

vier gelijke deelen gedeeld worden. Als nu bepaald is, dat deze lijnen

evenwijdig aan de schuinsche zijde moeten loopen, in welke punten van de

bazis zullen dan derzelver uiteinden vallen?

_Antw._ Op 3 palmen 3 duimen 5 strepen, op 4 palmen 7 duimen 4 strepen

nagenoeg en op 5 palmen 8 duimen ruim, allen van den regten hoek.

37. Iemand heeft een stuk land, in de gedaante van eenen driehoek,

waarvan de grondlijn 3 roeden, de kortste opstaande zijde 2 roeden 6

ellen en de langste 2 roeden 8 ellen lang zijn. Van dit land moet een

gelijkvormig derde gedeelte afgescheiden worden door eene sloot, welke

evenwijdig moet loopen met de kortste zijde. Men vraagt in welk punt van

de bazis, te rekenen van de kortste zijde, de graving moet begonnen

worden, en op welken afstand van den tophoek dezelve zal eindigen.

_Antw._ Beginnen op 1 roede 2 ellen 6 palmen 8 duimen van de kortste

zijde, en eindigen op 1 roede 1 el 8 palmen 4 duimen van den tophoek.

38. Iemand heeft een regthoekig stuk land, waarvan de eene

regthoekszijde 21 roeden 6 ellen en de andere 16 roeden 2 ellen lang is.

Uit een punt in de schuinsche zijde, hetwelk 18 roeden van den kleinsten

scherpen hoek verwijderd is, laat hij twee slooten graven, evenwijdig

aan de beide regthoekszijden. Men vraagt naar de lengte van deze

slooten.

_Antw._ De langste 10 roeden 8 ellen en de kortste 7 roeden 2 ellen.

39. Een stuk land, hetwelk den vorm heeft van eenen regthoek, is 1

bunder 34 vierkante roeden 40 vierkante ellen groot; zoo de lengte van

dit land staat tot deszelfs breedte als 40 tot 21, hoe lang en breed is

dan dit stuk?

_Antw._ 16 Roeden lang en 8 roeden 4 ellen breed.

40. Van een stuk land, in de gedaante van eenen regthoekigen driehoek,

is de inhoud 10 vierkante roeden 20 vierkante ellen 60 vierkante palmen,

en deszelfs regthoekszijden staan tot elkander als 9 : 70. Men vraagt

naar de zijden.

_Antw._ 1 Roede 6 ellen 2 palmen en 12 roeden 6 ellen.

41. Van eenen driehoek is de bazis 6 roeden 3 ellen, de kortste

oploopende zijde 3 roeden en de langste 5 roeden 1 el; deze driehoek

moet door eene lijn, welke uit den tophoek op de grondlijn valt, in twee

deelen gedeeld worden; als nu het eene deel 4 vierkante roeden 32

vierkante ellen groot is, in welke deelen zal dan de bazis gedeeld

worden?

_Antw._ Het eene deel 3 roeden 6 ellen en het andere 2 roeden 7 ellen.

42. Een landman heeft een stuk land, hetwelk den vorm heeft van eenen

scherphoekigen driehoek, waarvan de zijden lang zijn: de bazis 2 roeden

9 ellen, de kortste opstaande zijde 5 roeden 6 ellen en de langste 6

roeden 8 ellen. Dit stuk is door eene sloot, welke den tophoek midden

door deelt, en in de bazis eindigt, in twee deelen gedeeld. Men vraagt

naar de lengte der stukken, waarin de bazis gedeeld is.

_Antw._ Het langste stuk 1 roede 5 ellen 9 palmen ruim en het kortste 1

roede 3 ellen 1 palm nagenoeg.

43. Van een stuk land, in de gedaante van eenen scherphoekigen driehoek,

is de bazis 2 roeden 8 ellen, de kortste opstaande zijde 2 roeden 6

ellen en de langste 3 roeden; zoo men dit land door eene sloot in twee

gelijke deelen wil deelen, zoodanig dat deze sloot loodregt op de bazis

is, en in de langste opstaande zijde eindigt, hoe lang zullen dan de

stukken van de bazis zijn?

_Antw._ Het eene stuk 1 roede 5 ellen 8 palmen ruim en het andere 1

roede 2 ellen 2 palmen nagenoeg.

44. Een scherphoekige driehoek, waarvan de kortste opstaande zijde 1 el

6 palmen is, zal door eene lijn, welke den tophoek midden door deelt, in

twee gelijke deelen gescheiden worden. Als nu die lijn de bazis verdeelt

in de stukken 1 el 2 palmen en 1 el 5 palmen, hoe lang is dan de langste

opstaande zijde?

_Antw._ 2 Ellen.

45. Een landbouwer heeft twee even lange stukken land gekocht voor 2488

gulden 50 cents. Zoo de prijzen, per vierkante roede gerekend, tot

elkander zijn als 3 : 2 en de breedte van het eene stuk 4 roeden 5 ellen

en die van het andere 5 roeden 4 ellen is, hoe veel kost dan elk stuk

afzonderlijk?

_Antw._ Voor het eene 1382 gulden 50 cents en voor het andere 1106

gulden.

46. Iemand heeft een stuk weiland, in de gedaante van eenen

scherphoekigen driehoek, waarvan de grondlijn 13 roeden en de opstaande

zijden 20 en 21 roeden lang zijn. Deszelfs uitgang bevindt zich in de

langste zijde op 14 roeden van den tophoek. Zoo men dit weiland door

eene sloot in twee gelijke deelen wil scheiden, zoodanig, dat beide

stukken denzelfden uitgang behouden, in welk punt van de kortste

opstaande zijde, te rekenen van den tophoek, zal dan de sloot moeten

beginnen?

_Antw._ Op 15 roeden van den tophoek.

47. Een stuk land, dat de gedaante heeft van eenen scherphoekigen

driehoek, en waarvan de bazis 28 roeden en de opstaande zijden 26 en 30

roeden lang zijn, zal in drie perceelen verkocht worden. Uit dien hoofde

graaft men in hetzelve twee greppels, die in den tophoek beginnen en in

de bazis eindigen; men bevindt, dat het perceel naast de kortste

opstaande zijde 1 bunder 8 vierkante roeden en het daaraan volgende 1

bunder 12 vierkante roeden bevat. Men vraagt naar de grondlijn van elk

stuk.

_Antw._ Die van het kleinste perceel 9 roeden, die van het middelste

9,3... en die van het grootste 9,6... roede.

48. Van een stuk land, in de gedaante van eenen scherphoekigen driehoek,

is de bazis 7 roeden, de kortste opstaande zijde 6 roeden 5 ellen en de

langste 7 roeden 5 ellen. Dit land zal men door twee slooten, die

loodregt op de bazis loopen, in drie stukken verdeelen, in dier voege,

dat het stuk met den kleinsten scherpen hoek 6 vierkante roeden en dat

met den grootsten 7 vierkante roeden groot zal zijn. Hoe lang zullen

deze slooten zijn?

_Antw._ De eene 4 roeden 2 ellen en de andere 5 roeden 4 ellen ruim.

49. Uit eenen hoek van eenen driehoek wordt eene loodlijn van 2 roeden 4

ellen op de langste zijde nedergelaten, welke daardoor in twee stukken

gedeeld wordt van 1 roede 8 ellen en 1 roede lang. Hoe lang is elke

zijde van eenen anderen gelijkvormigen driehoek, welks hoogte 11 roede 4

ellen is?

_Antw._ 13 Roeden 3 ellen, 14 roeden 2 ellen 5 palmen en 12 roeden 3

ellen 5 palmen.

50. Van eenen scherphoekigen driehoek, welks opstaande zijden 5 roeden 5

ellen en 4 roeden 5 ellen lang zijn, wordt de tophoek door eene lijn

midden door gedeeld, welke van de tegenoverstaande zijde een stuk van 1

roede 7 ellen 6 palmen afsnijdt. Men vraagt naar het andere stuk,

wetende dat het onbekende deel het kleinste is.

_Antw._ 1 Roede 4 ellen 4 palmen.

51. Een landman heeft een stuk land, in den vorm van eenen regthoek,

waarvan de voorzijde 19 roeden 2 ellen lang is; hij wil in hetzelve twee

greppels graven, evenwijdig aan de breedte van het land. Zoo nu de

grootten der stukken tot elkander in reden staan als de getallen 4, 5 en

7, hoe breed moet dan elk stuk zijn?

_Antw._ 4 Roeden 8 ellen, 6 roeden en 8 roeden 4 ellen.

52. Men heeft twee gelijkvormige trapeziums, waarvan de grondlijnen 3

roeden 2 ellen en 1 roede 6 ellen lang zijn; als nu de inhoud van het

grootste trapezium 6 vierkante roeden 40 vierkante ellen is, welken

inhoud heeft dan het kleinste?

_Antw._ 1 Vierk. roede 60 vierk. ellen.

53. Iemand heeft eenen tuin, in den vorm van een parallelogram, waarvan

de bazis 7 ellen 2 palmen lang is; van dezen tuin wil hij een derde

gedeelte tot bleek maken, en door eene haag van het overige gedeelte des

tuins afscheiden. Zoo deze haag evenwijdig aan de opstaande zijde moet

geplaatst worden, hoe lang zal dan de bleek zijn?

_Antw._ 2 Ellen 4 palmen.

54. Van eenen gelijkzijdigen achthoek is elke zijde 20 en de inhoud

1931,36; men vraagt naar den inhoud van eenen gelijkzijdigen achthoek,

waarvan elke zijde 10 is.

_Antw._ 482,84.

55. Een stuk land, in de gedaante van eenen regthoekigen driehoek,

waarvan de regthoekszijden lang zijn 100 en 40 ellen, wordt gekocht voor

840 gulden; hiervan wordt een gedeelte aan een ander verkocht voor 120

gulden, waardoor men 15 gulden wint. Nu vraagt men waar de scheidesloot

in de schuinsche zijde zal beginnen, die van daar tot den regten hoek

loopt, als het verkochte stuk aan den kant der kortste regthoekszijde

genomen is.

_Antw._ Op 13,463 ellen van den scherpen hoek.

56. Van eenen driehoek ABC, waarvan AB = 20, BC = 30 en AC = 21 palmen

is, wordt een stuk ADB afgesneden, dat 60 vierk. palmen inhoud heeft,

Men vraagt naar de lengte van AD.

_Antw._ AD = 10 palmen.

57. Een boer heeft een driehoekig stuk land, waarvan de bazis 84 en de

opstaande zijden 90 en 78 roeden lang zijn. Hiervan wil hij de helft

verkoopen, onder voorwaarde, dat de kooper zijn gedeelte door eene

scheidesloot, evenwijdig met de langste opstaande zijde, afzondert. Daar

de boer nu een driehoekig stuk land overhoudt, verlangt men hiervan de

zijden te weten.

_Antw._ 59,397 Roeden, 63,64 roeden en 55,154 roeden.

Meetkundig Schoolboek · 第 3 / 7 段