LENTE.

Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de

zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de

vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de

bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen,

die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den

eenentwintigsten Maart haar intocht doet.

Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de

Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware

pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin

van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.

En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn

geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is

alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem

koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te

spreken, ieder in zijn eigen dialect.

Uit pure vreugd en baldadigheid gooit hij daar nog allerlei geluiden

tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en

afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al

tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn

instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.

Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn

blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer,

dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang,

onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het

tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens

een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets

anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe

klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen

geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over

been.

Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw.

Deze afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de

eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit,

fermheid en blijdschap.

Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het

voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te

sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is

een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want

ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren.

En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t

grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.

Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met

vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben

het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht,

dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met

Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt

door het stadsleven.

Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al

bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en

trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.

Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop

of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk

waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat

ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het

eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten

van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten

kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er

prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen

halskraag.

En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder

talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op

dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter

en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat

zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend

opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te

rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde,

zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en

strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.

De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat

hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat

vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden

bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels

stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen.

Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van

pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor

roodstaartjes staan zoowat gelijk.

Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en

vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en

winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen

vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo

lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning

dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.

Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil

op zijn tak.

De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut,

telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij

eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een

soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn,

en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel

te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten,

die hij onderhanden heeft.

Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten

rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden,

zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn

nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige

lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de

vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te

zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een

onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot

een lied.

De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij

onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de

lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit

is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde

merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en

nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene

van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.

Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al

die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van

een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds

uit de hooge boomen!

Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien.

Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid,

vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en

sneeuw, maar dat was toch niet het ware. Die bloempjes bleven klein en

dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.

Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en

waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje

tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit

van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen

overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige

sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt

met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger

stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel

en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode,

het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen

een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes

met roode randjes.

Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het

gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen

heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch

leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus

heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet

nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo

gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft

in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen

beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad,

nederig onkruid.

Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander

bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter

zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en

nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt.

Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een

rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne

vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes

met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen

te zijn.

Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze

kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den

voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne

steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er

dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.

Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk

een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden

gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink

ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan

vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.

Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren,

maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine

Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek

wel te voorschijn, nog voor de zanglijster zingt. Dikwijls moet hij dan

smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan

staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op

de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.

Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte

voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en

voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.

Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken,

maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede

besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige

plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent

zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen

en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste

dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes

bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.

Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in

de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer

zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de

zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te

bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke

slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze

plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we

ze zoo weinig in ’t wild vinden.

Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar

tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend

aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten

welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van

„dubbele” sneeuwklokjes.

Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als

eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen

overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het

weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het

niet kennen.

Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en

vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien

Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen

vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen

geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met

groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine

hoefblad.

Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den

dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne

straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het

gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan

merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes.

Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is

met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje

oplevert.

Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon

straalt, dan straalt het kleine hoefblad ook, dan lijkt het zich uit

te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich

verlustigen op de mooie bloem.

Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren

zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes

cadeau te doen.

Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige

vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige

blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin

misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot

en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die

blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine

kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en

moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het

mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te

zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even

gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog

en omlaag bestreden moet worden.

Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen,

maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een

welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders,

vliegen en bijen. Maar in de poëzie heeft het zich geen plaats naast

het sneeuwklokje weten te verwerven.

Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren

ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel

niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.

De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende

spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar

spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het

ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door

de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den

hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte

stipjes.

En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere

takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze

als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze

zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken

onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden

bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan

hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een

troonhemel van goud.

Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende

katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan

dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in

den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine

hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze

bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche

heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.

Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel

andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn

meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel,

soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen,

zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.

Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen

groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch

omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan

dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen

minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn

met mooie donkerroode stempels en stijlen.

En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is.

De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het

uitgebleekte wintergras.

Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang,

bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid

van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe.

Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen

wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit

de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd

arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en

tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog

altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.

Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje,

dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk

iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den

wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en

zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige

takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk

kunnen verschuilen.

De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken

door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze

op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme

boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en

zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je

suis le compagnon du pauvre bûcheron”.

Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te

voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik

en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij

staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en

takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen

opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te

komen.

De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze

moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te

weinig gewaardeerd wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen

van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden

zeewind te doorstaan heeft.

Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling

der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke

knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren

katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen

lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes

zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben

worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis.

Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een

stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo

schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel

zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel

een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan

en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren,

of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den

voorbijsnellenden spoortrein.

Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die

bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij

dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de

lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare

getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je

den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te

voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en

mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine

wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.

In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom

van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de

gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels:

aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie

gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin

fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op

de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.

Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of

kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?

Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen

de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre

bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond

opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen.

Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de

voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige

beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de

voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen,

andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten

in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep

behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen,

tot de tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op

beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.

De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan.

Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met

beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast

niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is,

dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie

bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit.

Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de

sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de

breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene

honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in

alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de

leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe

bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de

meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.

En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch

en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom

en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school

en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van

vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.

Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te

bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes,

hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen

nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle

boschplantjes, een echte veeleischende schoone.

Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister,

dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar

als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den

heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes

uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde

bloempjes in groot aantal te voorschijn.

Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier

het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de

sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte

bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood

van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte

mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes

en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en

stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht

opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van

een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de

fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een

thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende

kanten.

Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets

van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden,

maar ook tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en

hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste

purperen en gouden bloesems.

De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit.

Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers

zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last

heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet

van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten.

Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk:

langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen

luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de

boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de

takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar

open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen

komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.

Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele

citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog

met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud

gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken

en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen

niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt,

zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te

zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de

zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer

bijzondere lentebloemen.

Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen

moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome

wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers,

die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het

gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu

wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen,

honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen,

prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.

Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog

iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang

en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te

voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het

besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen

heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den

grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te

voorschijn gekomen.

Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen,

ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders

spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of

die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op

korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of

grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet

denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint

vertoont.

En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van

zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te

knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al

het lentemoois volkomen op zijn plaats is.

De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt

nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja

soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning

weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over

stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den

anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten,

roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag,

het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.

Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem

met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn

prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende

vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den

boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.

Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt

daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen

en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.

Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t

is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van

standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen,

telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze

vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.

Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste

twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want

hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij

dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te

hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen.

De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de

stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een

dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de

geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde

plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.

Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in

zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen.

Hij zoekt aan een boom een dorren tak van een bepaalde dikte en grootte

en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat

meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond

gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.

Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of

blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel

en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt

evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs

langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor

voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij

schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet,

piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj”

en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop

of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.

De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te

zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk

genoeg te genieten.

Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de

kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks

grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de

elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de

winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te

voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige

honigbijen.

Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist

voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit

de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds

donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de

vroege gele, die een aparte soort vormen.

Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en

daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de

malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van

crocusjes in een dag kaal.

Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje,

dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te

meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen,

paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den

winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten,

eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes

te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen

in ’t geheel niet op hun plaats lijken.

Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden

bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen

en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is

ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende

sterretjes besprenkeld.

Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de

andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn:

de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes,

de amandels met prachtig rose bloempjes, de groote op tulpen gelijkende

bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes,

door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei.

De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn

de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de

kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen.

Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als

in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien

ten laatste tot doezelige massa’s ineen.

Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te

voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met

elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur,

waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als

een larixlaan of een beukenallée.

Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad

gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte

roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel

misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten

de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de

weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen

uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de

zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd

hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte

meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en

grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen

schedel bedekt.

Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te

bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun

jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de

straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part

mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en

eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.

De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in

den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten

en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze

daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een

euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.

Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien

werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog

dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes

groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.

Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is,

zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het

geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets,

maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn,

vinden het niet mooi.

Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinken

tegelijk aan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander,

veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die

ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.

Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest

zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden

staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen

nesten-vernieler moest ontwapenen.

De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond

gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme

Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf.

’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het

winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn

eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee

toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd

duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan

komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven

door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door „te-tjìf-tjef,

te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef” enz.

Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het

hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te

zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den

hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet.

Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong

groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage

struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.

Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook

een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in

bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk

verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks

Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar

dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen

spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne

twijgen hangen.

Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje

boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo

zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen

naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.

Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten

vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de

Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en

leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de

fitis volkomen.

Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet

ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in

de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en

elzen, met allerlei klein goed er tusschen.

Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in

den bloeitijd zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn

bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo

kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren.

In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke

knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig

bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de

bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en

purperen schubben.

In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de

glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en

vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere

kleurenmassa’s van dezen mooien boom.

Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt

en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een

boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als

je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene

vleugelvruchtjes.

De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende

punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan

denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde.

Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje

kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan

worden.

De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei

tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet

evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan

van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat

de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide

vingerblaren.

En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine

knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de

bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste

reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter,

eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en

dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen

handjes en misschien een bloemtros er midden in.

Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen

en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het

trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken

wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en

bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die

kaarsen beteekent het einde van de lente.

Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen

we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den

waterkant.

In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen

en op de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin

aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een

erwt.

Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en

groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een

mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk

is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.

De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes

voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot

aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen

kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze

naar huis gebracht, meestal om te verwelken.

Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang

genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op

aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen

ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er

iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien

glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.

Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de

dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er

is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden

mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels.

Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder

dotterbloemen in het hooiland stonden.

Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij

het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de

boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of

snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze

daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke

bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.

Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen

schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van

allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.

De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de

stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers

gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in

negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te

pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich

met die taak.

De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van

voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich

voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot

hommels en bijen of tot alle.

De bloemen, die den wind gebruiken voor ’t stuifmeeltransport, kunnen

geur en kleur ontberen, maar moeten flink aan den wind zijn

blootgesteld, opdat die het stuifmeel er uit kan schudden en het

gemakkelijk op de stempels kan deponeeren. Hazelaar, els, esch, abeel,

larix en iep zijn windbloeiers; crocus, aconiet, sneeuwklokje, scilla,

tulp, speenkruid, hoefblad hebben de insecten in hun dienst.

Hiermee staat weer in verband het openen en sluiten der bloemen op

verschillende tijden van den dag of bij verschillende weersgesteldheid,

de stand der bloemen, hun grootte, kleur en talrijkheid: het heeft

alles zijn beteekenis, die met eenig geduld en scherpzinnigheid kan

worden gevonden. En vele van deze merkwaardigheden kunnen worden

bestudeerd aan afgeplukte bloemen in een glas of kan met water.

Wie op deze manier bloemen plukt, mag het doen zooveel hij wil, al was

het in mijn eigen tuin.

Het wemelt in de dotterbloemen-wei van vogels. Groote wit met zwarte

ooievaars stappen statig rond of kibbelen over een kikkertje. Kom je

dichterbij, dan maken ze een paar kluchtige sprongen, klappen met de

vleugels en vliegen op met breede wiekslagen. Zoo vliegen ze heen, de

lange nek vooruit—de lange pooten achterwaarts gestrekt. Als ze hoog

genoeg gekomen zijn, houden ze de vleugels stil en glijden dan door de

lucht langzaam dalend mijlen ver naar hun nest op boomstomp,

schoorsteen of wielpaal. Nog altijd zijn ze graag geziene gasten,

ofschoon het bijgeloof omtrent hun zegenbrengenden invloed al meer en

meer verzwakt en booze tongen zelfs een dreigend „schadelijk”

fluisteren.

Nog andere groote, stille gestalten staan langs den slootkant. Uit de

verte gezien zijn het grijze, platte silhouetten, als uit zink geknipt,

maar dichterbij worden het mooie vogels met fraaie kleuren aan snavel,

oogen en pooten en zacht getinte veeren, die tot het mooiste behooren,

wat er in de vogelwereld te zien is. Het zijn blauwe reigers.

Schuw vliegen ze op en loom zeilen ze met holle vlerken over de gele

bloemenwei. De lange nek wordt geheel ingetrokken, zoodat de kop

tusschen de schouders komt te liggen en alleen de lange snavel

vooruitsteekt. Den heelen winter hebben ze hongerend rondgezworven,

ongeloofelijk mager, maar nu brengt de warme lente overvloed.

In de hooge boomen van een statig buiten of tusschen het riet van de

stille plas bouwen zij hun groot takkennest, soms honderden bij

elkander. Den heelen dag zijn in die buurt reigers aan de lucht, maar

de eigenaar van de boomen heeft er het land aan en probeert ze weg te

schieten. Want in een bosch waar reigers nestelen, is het niet uit te

houden en de boomen gaan er door kwijnen.

Onophoudelijk brengen de oude vogels visch aan de jongen, die elkander

in ’t nest verdringen om den eersten hap. Niet zelden gebeurt het, dat

daarbij de visch over den rand van het nest naar beneden tuimelt en zoo

komt dan de grond vol met allerlei afval en verrotting. Want de oude

reiger denkt er niet om, om de gevallen visch weer van de grond op te

rapen; hij geeft er den voorkeur aan, een nieuwe te gaan halen uit zijn

vischwater.

Ieder heeft zijn geliefkoosd plekje, waarvan hij de

visscherij-toestanden op zijn duimpje kent en dat hij op geregelde

tijden van den dag en van den nacht bezoekt. Reigers houden er veel

van, om in de schemering nog eens uit visschen te gaan, en als dan een

drietal of zestal van die groote vogels hoog door de stille avondlucht

zich naar hun jachtveld begeven, roepen zij elkander van tijd tot tijd

een luid en grof „goede vangst” toe. Overigens zijn ze al niet veel

spraakzamer dan de ooievaars.

De levendigste echter van alle vogels, die bij het plukken van

dotterbloemen om ons heen vliegen, is de kieviet. Als wij hem niet

zien, zal hij wel maken, dat wij hem hooren. Onophoudelijk klink zijn

„kiewiet, kiewiet” om ons heen, hoe langer, hoe doller en driftiger,

naarmate wij minder op hem letten.

Kijk nog niet op en blijf rustig doorloopen, dan zult ge nog wat anders

beleven. Het schreeuwen wordt steeds heftiger, de vogel is heesch. Op

eens rrrt, daar strijkt hij vlak langs uw ooren heen, zoodat ge er van

schrikt en nu moet ge wel zien, hoe hij schots en scheef door de lucht

schiet, buitelend en tuimelend en draaiend, zoodat nu eens de

sneeuwwitte buikzijde u tegenblinkt, dan weer het zonlicht in honderd

kleuren en tinten weerkaatst wordt door de glimmende rugzij.

Die vogel heeft misschien al eieren, want het eerste kievitsei valt

samen met de eerste dotterbloem. Toch zijn nog lang niet alle kievieten

aangekomen op hun eigenlijk broedterrein, want nog dag aan dag zwerven

breede scharen over de velden, duidelijk te onderscheiden van de

spreeuwenwolken. De kieviten vliegen in breede rijen van slechts enkele

gelederen diep, de spreeuwen maken dichte troepen in den vorm van

driehoeken of ruiten.

De spreeuwen en kieviten houden elkander trouw gezelschap. De sterkste

en moedigste of de meest zorgelooze—dat weet ik niet zoo precies—van

beide soorten blijven ’s winters hier, maar de andere gaan heen en

komen in de eerste lentedagen weer.

Ze komen in groot aantal, in ontelbare troepen tegelijk. De meeste

andere trekvogels komen als het ware ongemerkt, vandaag zie je er een

en morgen eentje, dan mis je ze een paar dagen en eerst na een week

zijn ze overal te vinden. Met de spreeuwen is dat anders. Op een mooien

morgen zitten ze opeens op alle daknokken, in alle boomtoppen te

fluiten en te jubelen. Geen tevredener en gezelliger vogel dan de

spreeuw.

Toch heeft die gezelligheid haar grenzen, want als ze zoo bij honderden

in ’t weiland loopen te zoeken naar slakjes en te boren naar wormen en

er een een weinig te dicht bij een ander komt, dan geeft dat wel

aanleiding, tot een onvriendelijke vermaning, waaruit zelfs een vinnig

duel kan ontstaan. Maar dreigt er een vermeend of werkelijk gevaar, dan

is de heele troep toch weer dadelijk eens van zin en in prachtige

regelmaat gaan ze gemeenschappelijk aan den haal.

Tegen den avond vereenigen zich de kleine detachementen tot groote

troepen van duizenden en duizenden en die hebben er dan een bijzonder

pleizier in, om met elkander reusachtige manoeuvres te houden, voordat

ze slapen gaan in ’t kreupelbosch of tusschen het riet. Heele wolken

van spreeuwen drijven door de lucht, van de eene boomgroep naar de

andere en telkens als er „rust” gecommandeerd is begint er een gezwatel

en gebabbel, dat een mijl ver te hooren is.

Het duurt nog wel eenige weken voordat de spreeuwen gaan broeden en

gedurende al dien tijd houden zij ’s avonds na volbrachten arbeid hun

vroolijken ommegang.

Maar op den dag is het druk werken, doch daarvoor worden ze dan ook

geprezen door veehouder en akkerman, alleen de kerseboombezitters

prijzen ze niet onvoorwaardelijk.

Hoog in de lucht zingen de leeuweriken, een half dozijn tegelijk.

Telkens daalt er een neer of stijgt er een op en wie goed kijkt langs

het korte voorjaarsgras tusschen de gele bloemen, kan nog menig

kuifkopje zien rondwandelen, pikkend naar voedsel, zorgend voor het

nest of vechtend met de buren.

Op den zwarten slootbagger langs den waterkant pronken de

kwikstaartjes, gele en witte. Die zijn ook pas aangekomen en als op

gure voorjaarsdagen de vliegen en andere insecten zich schuil houden,

dan zoeken de slimme vogeltjes de nabijheid van de schapen en lammeren,

want daar is altijd nog wel wat te vinden.

Vlug trippelen ze door het gras, pikkend rechts en links, en wanneer

een mug of vlieg zich vliegend tracht te redden, dan springt de kwieke

kwikstaart hem na met fladderende vleugels en uitgespreide staart en

dat kan dan soms een heele achtervolging worden, juist zooals later in

het jaar de vliegenvangertjes doen.

Aan alles komt een eind, ook aan de dotterbloemen. Na een dag of tien

is hun grootste praal voorbij en nu wordt in overeenstemming met de

zachter wordende dagen het harde schreeuwende geel vervangen door een

liefelijker tint. Het gras wordt helderder groen en daarboven zweeft

een fijne lila sluier. Het zijn de pinksterbloemen, die zich in ijle

trossen verheffen op zacht getinte groengrijze of bruinige stengels,

bezet met fijnverdeeld loof.

Alweer een heerlijke bloem om te bewonderen, te plukken, te teekenen,

eenvoudig van maaksel, maar heerlijk van vorm en kleur, vol leven en

beweging en bovendien het vriendje van het allerbekoorlijkste

voorjaarsvlindertje.

De pinksterbloem leeft met de zon. In vollen zonneschijn ontplooien

zich de mooie knopjes, maar als de open bloemen door een malsch

April-buitje verrast worden dan buigen zich de bloemsteeltjes en de

droppels vallen op de buitenzij van de kelkblaadjes zonder honig of

stuifmeel te deren.

Nu vliegt op zonnige lentedagen vooral in weilanden aan den duinkant

over de lila pinksterbloemen een vlindertje, dat veel heeft van een

klein witje, maar het is veel mooier, doordat de onderzijde van de

achtervleugels allerfijnst geschakeerd is met wit en groen. Dit is het

wijfje van de oranjetipvlinder of peterselie-beestje. Het zoekt de

pinksterbloemen op, om er zijn eitjes te leggen en daar komen

groen-met-witte rupsjes van, die na een week of vier volwassen zijn en

zich verpoppen.

Tegen dien tijd raken de pinksterbloemen alweer uitgebloeid en nu

krijgt de wei weer andere kleuren en nieuwe bewoners. Weer krijgt het

geel de overhand, ditmaal door de dikke proppen van de paardebloemen,

bemind door insecten, konijntjes en kinderen. Het zijn geen bloemen, om

te plukken en in sierlijke vaasjes te zetten; maar wat leveren de

bloemstelen een heerlijk speelgoed, hetzij we ze splijten, om ze in ’t

water te laten omkrullen, hetzij wij groote kettingen maken van breede

losse schakels. En als de bloem is uitgebloeid, dan geeft het kaarsje

met de gepluisde vruchtjes nieuwe vreugd.

De bladeren liggen in een roset op den grond, nu eens groot en forsch,

dan weer klein en smal, met diepe insnijdingen al naar de meerdere of

mindere vruchtbaarheid of vochtigheid van den bodem of allerlei

bijzonderheden van de standplaats. Een paardebloem, die eenzaam groeit

op een steenachtig plekje langs den wegrand ziet er heel anders uit dan

een, die in de vette klei groeit temidden van het weelderige gras en de

geurige klaver.

Alle insecten van de Meimaand komen op de paardebloem om voedsel:

honigbijen, wilde bijen, hommels, wespen, vliegen, vlinders en kevers.

En zonder dat ze ’t weten, nemen de hommels en bijen van die bloem een

kleinen vijand mee, een vlug en mager geelachtig zespootig diertje, dat

zich aan hun haren vastklemt en zich zoo laat brengen naar den

bijenkorf of het minder kunstige hommelnest.

Daar aangekomen, vervelt het zespootig monstertje en dan wordt het een

bleeke worm, die gretig teert op de voorraden, door de vlijtige

brommers bijeengebracht. Na verloop van tijd is die volwassen, verpopt

zich en ’t volgend voorjaar komt uit de pop een dikke glimmende kever,

met dekschilden, die den rug maar half bedekken. ’t Is de oliekever,

die in de Meimaand rondloopt door het gras, om bij de paardebloemen

zijn eitjes te leggen. Als je hem beetpakt, dan perst hij uit zijn

geledingen vettige gele bloeddroppels, die onaangenaam rieken en den

oningewijde schrik aanjagen. De spreeuwen laten hem met rust.

Na de paardebloemen wordt de wei al bonter en bonter. Het gras schiet

op en tusschen de groene blaadjes komen de eigenlijke bloemen van het

gras te voorschijn, kleine bloempjes tot pakjes vereenigd en die vormen

dan weer al naar de soort van gras, rolronde aren of fijnverdeelde

pluimen, de een al gracieuser dan de andere: welriekende reukgrassen,

de hooge vossestaarten, het fijne beemdgras, het zachte rose getinte

zorggras, en de zachte dravik. Dit zijn de echte voorjaarsgrassen.

Tusschen het groen komen groote plekken van het heerlijkste diepe

blauw, daar bloeien de mooie eereprijsjes. Vergankelijke bloempjes,

want de donkerblauwe kroontjes met de witte meeldraden eraan vallen

kort na het plukken in één stuk af. Tegen regen beschutten zij zich net

als de pinksterbloem, door de buitenzij naar boven te keeren en als de

zon maar eventjes schijnt, dan zijn ze dadelijk klaar, om weer de bonte

zweefvliegen tot zich te lokken. Ze zijn gemakkelijk over te planten en

mogen in geen enkelen wilden tuin ontbreken.

Tegelijk met de blauwe eereprijsjes komt op droge plekken van de wei de

triomf van de madeliefjes, die er werkelijk in slagen, om heele velden

wit te kleuren. Wit, want het gouden hartje van buisbloempjes gaat op

een afstand in den breeden kring der witte straalbloempjes verloren.

Vele hebben roode randjes, een enkele heeft zelfs al zijn wit door rood

vervangen. Maar de hoofdindruk van zoo’n veld is toch wit.

Op andere, vochtiger plaatsen voert het rood den boventoon. De

koekoeksbloem met de fijnverdeelde kroonslippen legt een blos over

heele velden en daar op die plekken groeien ook die prachtige

zonderlingen uit onze plantenwereld, de moeras-orchideeën, de paarse

harlekijns-orchis en de roode gevlekte orchis. Beide komen ook wit

voor.

Menigeen ziet er van op, dat in onze gewone Hollandsche wei, die nog al

nuchter heet te zijn, planten groeien, wier naam voorstellingen wekt

van rijkdom en weelde, van tropischen overvloed, van keerkringshitte en

Indische oerwouden. Toch is het zoo en deze bloemen zijn in geen enkel

opzicht minder merkwaardig dan hun familiegenoten uit de verre

gewesten.

Ook bij hen bestaat die merkwaardige afwijking van de gewone

samenstelling der bloem, dat er geen krans van meeldraden is, maar

slechts éen, die met den stijl is samengegroeid. Er komt geen korrelig

stuifmeel uit, maar ’t zit in dikke kluitjes, die allerkunstigst op kop

of snuit van de bezoekende insecten worden vastgeplakt en zoo hun

bestemming in een andere bloem bereiken.

Maar madelieven en eereprijsjes, fijne graspluimen, roode koekoeksbloem

en bonte orchideeën worden ten slotte weer overwonnen door de gele

boterbloem en de roode zuring en als dat geel en rood de velden tint,

dan is de lente haast verloopen en de zeis van den maaier bedreigt het

jonge vogelbroed, dat tusschen bloemen en gras verscholen ligt.

Daar zijn na de kieviten nog prachtige vogels bijgekomen, waaronder een

tweetal uiterst merkwaardige: de grutto en de kemphaan.

De grutto is wel de koning van de weidevogels. Zie hem staan op een

paaltje aan den slootkant, schitterend in al zijn kleuren: een kleurige

vogel, nog tot zijn recht komend bij al de bonte schittering van

waterkant en weiland in de Mei. Hoe mooi is zijn lichaam

geproportioneerd: hals en snavel en pooten juist zoo lang als ze moeten

zijn voor een vogel van zijn grootte, die zijn nest heeft tusschen het

gras en zijn voedsel zoekt aan den waterkant.

Nu vliegt hij op en het wit van zijn vleugels schittert in den

zonneschijn „Gruùt-to, gruùt-to” roept hij luid en aanhoudend en in

zijn zorg voor zijn nest ontziet hij zich niet, om vlak langs ons heen

te vliegen, zoodat we in ’t voorbijgaan het bruine oog zien schitteren

en den langen eenigszins opgewipten snavel zien trillen.

Hij behoeft zich anders niet zoo ongerust te maken. De vier dofgroene

bruingevlekte eieren liggen o, zoo goed verborgen tusschen het hooge

gras, veel beter nog dan die van de kieviet. Toch weten de kraaien ze

nog wel te vinden en ’t is een erbarmelijk gezicht, de arme grutto’s

klagend rondvliegend, terwijl de zwarte roover zijn verdelgingswerk

verricht.

Op de bloemrijkste plaatsen in de wei, dikwijls midden tusschen de

orchideeën hebben de kemphaantjes hun tournooiveld.

Voor den waren vogelliefhebber is een kemphaantjes-tournooi op zijn

minst even belangrijk, spannend en schilderachtig als het kleurrijk

kampspel uit Ivanhoe of de Roos van Dekama, dat ge zoo dikwijls met

groote oogen en open mond hebt zitten te herlezen.

Mijn kemphaan-ridders hebben pakjes aan, even bont als die adellijke

heeren uit de middeleeuwen. Op mijn tournooiveld ontbreekt de zwarte

ridder niet, evenmin als zijn tegenstander, geheel in zuiver wit.

Andere weer zijn in oranje gestoken of dragen een donkerbruin pak met

rood-bruinen kraag. En weer andere hebben het weelderige riddercostuum

verwisseld met een bonte harlekijnsplunje en schitteren in alle kleuren

van de regenboog.

Uit de enorme kragen komen fijne, smalle gezichtjes te voorschijn, met

grijze veertjes bezet en op sommige plaatsen beplekt met roode puistjes

en knobbeltjes.

Al heel vroeg in den morgen is het druk op het veld. Van alle kanten

komen de ridders aanvliegen in razende vaart en dadelijk zetten ze zich

in postuur, om de aanvallen der reeds aanwezigen te pareeren. En dan

begint de kamp, die soms een uur achtereen voortduurt en nu eens een

deftige ceremonie, dan weer een dolle boerenkermis gelijkt. Van

eigenlijk vechten is maar zelden sprake, het is meer een krijgsdans of

krijgsspel dan een bloedige worsteling. Alles geschiedt in de diepste

stilte, slechts bij uitzondering laat de kemphaan een onduidelijk

heesch geluid hooren.

Is het strijdspel ten einde, dan verspreiden de kemphaantjes zich over

het heele weideveld en als het hennetje al eieren heeft, betrekt de man

dikwijls de wacht bij het nest, niet vlak er bij, maar een meter of

vijftien er vandaan. Trotsch en fier staat hij daar, op een hoogte of

op een aardkluit, de lange kraagveeren wapperend in den wind, het hoofd

omhoog en onophoudelijk in beweging, om rond te zien, of er soms gevaar

dreigt en of er ook een andere kemphaan voorbij komt vliegen in de

richting van het kampveld. Is het laatste het geval, dan laat hij

oogenblikkelijk vrouw en kroost in den steek, om met zijn makker de

genoegens van het strijdperk te smaken.

Behalve door deze zwijgende vechtersbazen wordt de weide nog versierd

en levendig gemaakt door de tureluurs, vogels ongeveer even groot als

de kemphaantjes, maar met schitterend rooden snavel en pooten en zoo

druk dat je er tureluursch van zoudt worden. Je kunt geen voet in het

weiland zetten of „tuut, tuut, tuut” klinkt het en schokkend vliegt

zoo’n roodpoot om je heen.

Hij wordt al angstiger en drukker, het „tuut tuut” wordt al sneller en

sneller herhaald en gaat ten slotte over in een zeer melodieus gejodel.

En het duurt niet lang of andere tureluurs verheffen zich ook van den

slootkant, een angstige grutto vliegt er tusschen door met luid geroep

en kieviet bij kieviet duikelt heesch schreeuwend door de lucht. Overal

leven en beweging, sierlijke vlucht, luid gejoel, schittering van bont

gevederte in de helle voorjaarszon tegen de blauwe lucht en om u heen

de bonte pracht van duizenden bloemen. Dit is de lente in de

Hollandsche bloemenwei.

Ook het bouwland is tot leven gewekt. Ja, voor nog de weide groende,

schitterde reeds aan den zoom van het donkere bosch het winterkoren in

smaragden glans. Dapper hebben de grasachtige plantjes de wisseling van

vorst en dooi doorstaan en nu de voorjaarszon den grond doorwarmt en

lauwe westenwinden over de vlakte waaien, groent blad bij blad en eer

ge het verwacht schiet in de Meimaand de rogge in zijn aren.

Het braakveld, waar de onkruiden den heelen winter vrij spel hebben

gehad en dat op sommige plaatsen als met opzet bezaaid schijnt met

kruiskruid, vogelmuur, herderstaschje en paarse doovenetel, wordt in

voren gelegd door den blinkenden ploeg.

Het heeft in den nacht wat gerijpt, het fijne wit tint nog den grond,

dien de ploeg niet geraakt heeft, maar waar de diepe voren zijn

gesneden, ziet het veld bruin, bij rosachtig af en een fijne nevel

zweeft boven de versch omgewoelde aarde. Ook de ploegpaarden dampen en

achter den ploeg beweegt een wolk van zwarte kraaien en witte meeuwen,

die hier een gemeenschappelijk arbeidsveld vinden. En witte spikkels,

verspreid over den akker, verschijnend en telkens weer verdwijnend,

bewijzen, dat daar ook de kieviten bezig zijn, om hun aandeel te nemen

van de insecten en larven, die het blinkende kouter aan ’t licht heeft

gebracht.

Ginds trekken eggen en zaaimachines door ’t land. Over eenige dagen

wijzen mooie, regelmatige rijen van fijn groen den weg aan, dien ze nu

afleggen. Donkergroen staat een veld karwij, dat nog lang niet in bloei

komt en als de leeuweriken hun eerste jongen verzorgen, dan prijkt het

koolzaadveld als een onafzienbaar gouden kleed in den vruchtbaren

polder. Op de tallooze gele bloempjes zoeken bijen, hommels, vlinders

en vliegen hun voedsel, en de koolwitjes leggen hun eieren op de

bladeren.

Nu zijn het ook goede dagen voor de haasjes. Als een gewoon mensch aan

een haas denkt, dan paart zich aan de herinnering aan het smakelijke

boutje altijd een gevoel van medelijden met het arme vervolgde dier,

dat nooit „in het rijpe koren” of in „een groen, groen

knolle-knolleland” kan zitten of het wordt opgeschrikt door een

„jagershoren” of „hondgebas” en het eindje is altijd de dood. Algemeen

vindt men den haas een ongelukkig, vreesachtig, melancholiek dier.

Niets is minder waar. Lampe is inderdaad een van de vroolijkste en

dartelste dieren, die er bestaan. „Dol als een haas in Maart” zegt de

Engelschman, die hem zeer van nabij kent. O! wat kunnen die hazen in ’t

voorjaar een pret maken. Ik heb er gezien, die heel in hun eentje

rondrenden door de natte wei, alsof de heele wilde jacht hun op de

hielen zat. Dat was een zwenken en draaien en buitelen zonder ophouden

en bliksemsnel, en als het dier door drasse plekken rende, dan spatten

de glinsterende droppels hoog in de lucht.

Lente(#67159) · 第 3 / 6 题