Een andermaal zag ik uit den spoortrein een drietal, dat de zotste

capriolen maakte op een weiland tusschen Halfweg en Sloterdijk, maar

het mooiste, wat ik van hazenlevenslust gezien heb, was een gevecht

tusschen twee mannetjeshazen in den Achterhoek.

Zij streden heel alleen, in ’t midden van het woud, net als meer dan

duizend jaar geleden Roland en Olivier kampten op hun eilandje in de

Rhône. En ’t was meenens ook. Ze renden op elkaar aan, pakten elkaar

met de voorpooten, hieven zich aan elkander op, totdat beide op de

achterpooten stonden, en dansten toen een paar maal rond, terwijl ze

elkaar met de voorpooten oorvegen gaven, dat de donzige haarvlokken in

’t rond vlogen.

Dan rolde er een om, raapte zich zelf op en rende weg, de ooren

flapperend om het hoofd, nummer twee hem achterna en daar ze even hard

konden loopen, duurde het langen tijd, eer ze weer handgemeen raakten.

Gedurende den ren gebeurde het drie of viermaal, dat de een over den

ander heen sprong.

En dan begon het duel weer met dof dreunende slagen, oogen fonkelend

van haat en woede, de gespleten bovenlip trillend van verontwaardiging,

de groote snorren wijd uitstaand en bloed mildelijk vloeiend langs de

behaarde wangen.

Of het wreed is, om daar met genoegen en half stikkend van ’t lachen

naar te liggen kijken? Neen hoor, ik zou wel durven wedden, dat die

hazen zelf later met genoegen aan dit uurtje gedacht hebben en dat ze

met hun lidteekens even ingenomen zijn als een flinke jongen met zijn

ontvellingen, builen en blauwe plekken.

Al vroeg in April hebben de hazen jongen; twee of drie van die

donkerbruine bibberende wezentjes in het korte gras kunt ge altijd op

een wandeling door de binnenduintjes verwachten.

De velden aan den duinkant vertoonen dag aan dag nieuwe kleuren. Toen

op ’t einde van den winter de elzen in de smalle singels, die de

akkertjes omzoomen, in bloei kwamen, lag de grond nog verborgen onder

dichte lagen van dekriet, in het najaar door bezorgde handen er over

gespreid. Alleen op een enkele plek werd het weggeruimd, om aan de

lieve blauwe leverbloempjes, de hepatica’s, gelegenheid te geven, hun

sierlijk kelkje te ontplooien.

En het scheen, alsof met het wegnemen van dat eerste dek de betoovering

geweken was. De kracht van den winter was gebroken. Dag aan dag werd

nieuw dekriet weggeraapt. Ten laatste dekte slechts een ijle laag de

groene spruiten en toen ook die verdween, kwamen zij voor den dag, de

dikke proppen der hyacinten, de spits ineengerolde bladeren der tulpen,

de platte groene reepen der narcissen, de puntige groeipieken van de

crocusjes.

Wonderlijk was het om te zien, hoe in weinig dagen, hoe in enkele uren

de bleeke spruiten, die in duisternis waren gegroeid, een gezonde

groene kleur kregen onder den invloed van het zonlicht. En dra komen nu

ook de bloemen voor den dag: eerst de vroege gele crocusjes in dichte

bossen, dan vroege hyacinthen, Duc van Thol tulpen, gele narcissen,

weer andere hyacinthen, tulpen, blauwe druifjes, scilla’s, vakken van

rood en wit, blauw en rose, geel en van dat donkere blauw, dat op een

afstand zwart lijkt.

Soms lijkt het, alsof de kweeker met opzet zijn soorten zoo geplant

heeft, dat ze een passende omlijsting krijgen, hier lichtgroene wei om

vurig rood tulpenveld, ginds donkerbruin bosch achter witte en gele

crocusjes en narcissen, of een streep van gelend dor oeverriet langs

een veld van blauwe hyacinthen.

Door heel Holland worden door deze bloeiende bollenvelden de

stedelingen naar buiten gelokt. Zoo hebben wij dan onze tulpen- en

hyacinthen-dagen, evenals de Japanners hun chrysanthemumfeesten. Wel is

waar gaat het feestelijke vaak verloren door de drukte en ’t gedrang,

door de fiets, die niet meer voort wil, door den trein, die zelfs in

zijn beestenwagens geen reizigers meer bergen kan, door gebrek aan

drinken en proviand, maar dat zijn kleinigheden, die bij een betere

inrichting kunnen verdwijnen.

Heerlijk is het, dat al die duizenden menschen zich moeite en ontbering

getroosten, om bloemen te gaan zien en buiten te zijn. En van zelf

wordt niet alleen aandacht geschonken aan de tulpen en hyacinthen,

narcissen en crocussen, dat toch eigenlijk maar bonte vreemdelingen

zijn, doch ook aan de boomen en bloemen van eigen bodem, die in deze

dagen ook op hun schoonst zijn.

De boomgaarden kunnen gerust de vergelijking met de bollenvelden

doorstaan. De pereboom zag den heelen winter zwart en knoestig met

tallooze kleine dikke rimpelige bochtige takjes die ieder eindigden in

een bruinen knop. Maar met de eerste lentedagen strekten zich de bruine

knoppen, en langzamerhand werden ze heel lichtgroen bij wit af, zoodat

het in den maneschijn leek, alsof de boom reeds in bloei stond. Nog

enkele dagen van zonneschijn en regen, daar gingen ze werkelijk open en

nu is de boom overdekt met duizenden mooie, groote, spierwitte bloemen,

ieder met een hartje van donkerbruine helmknoppen op spierwitte

meeldraden. Vijf lichtgroene stijlen zitten midden in en komen

eigenlijk reeds vóór ’t opengaan van de bloem te voorschijn.

Dan volgen de kers, een mooier boom dan de peer, met breeden kroon en

sierlijke rechte twijgen. De dikke knoppen zitten dicht opeen, behalve

waar vraatzieke, balddadige vinken ze gehavend hebben. Wanneer ze

opengaan, komen de groepjes van drie, vier langgesteelde min of meer

hangende witte bloemen te voorschijn in zoo groot aantal, dat de

donkere twijgen geheel onzichtbaar worden. Laat nu de zon er in

schijnen, dan vervult honiggeur den omtrek en de heele boomgaard ronkt

en gonst van de ontelbare bijen, hommels en vliegen, die onverpoosd af

en aan vliegen, de vleugels flikkerend in den zonneschijn.

Heerlijk is het, op te zien naar dien rijkdom en overvloed, maar

onwillekeurig komt naast de bewondering de bezorgdheid op, dat

nachtvorsten of hagelslag den boom zullen deren en ons berooven van de

zoete vrucht, die ons op zijn minst even lief is als de schoone

bloesem. Hetzelfde gevoel bekruipt ons bij perzik en abrikoos, dat ook

teere vreemdelingen zijn en wier bloesem zorgt voor kleur in den

boomgaard, naast al het wit van peren, pruimen en kersen. Een

perzikschutting op een zonnigen Aprilmorgen is voor vrienden van warmte

wel het lekkerste wat er in het voorjaar te bedenken is; beschutting,

warmte, bloemenpracht, geur en het vertier van de mooiste en

kleurrijkste bijtjes van het voorjaar. Eindelijk komen ook de appels in

bloei en weer is het moeilijk om te zeggen wat mooier is, de nog niet

ontloken knop of de wijd geopende bloem. Die knoppen lijken luchtige

ballonnetjes van dof papier met fijn rose beschilderd, zoo vroolijk en

teer, dat het jammer is, als ze opengaan. Maar de bloem ligt zoo mooi

uitgespreid en de gele helmknoppen stralen op hun witte meeldraden zoo

heerlijk naar alle kanten, dat ook dit weer een lust voor de oogen is.

En zelfs het uitbloeien is mooi, wanneer de honderden kleurige blaadjes

door den voorjaarswind worden losgeschud en neerdwarrelen op het frisch

groene gras en op de blauwe eereprijsjes.

Van den boomgaard naar het bosch is maar één stapje. Daar zijn we niet

geweest sinds de larix in bloei kwam in de buiige Paaschweek. Nog is

hier en daar iets van zijn bloesem te zien, maar weldra worden de roode

kegeltjes vaalgroen en raken ze verborgen tusschen de dichte proppen

van heldergroene naalden.

Maar nu worden de sombere sparren vroolijk. Ze laten dunne,

bruinachtige vloeipapiertjes wegfladderen naar alle kanten en wat eerst

bruine knoppen waren, worden nu gele kogeltjes en roode torentjes, die

overheerlijk uitkomen tusschen het donkere groen der naalden van de

vorige jaren.

De roode torentjes zijn de bloesems, die later de sparappels zullen

opleveren. Rechtop staan ze, aan het einde der takken, het meest en het

grootst nabij den top van den boom. Ze zijn opgebouwd uit vleezige,

paarsroode kussentjes en onder elk kussentje vindt ge de twee

lichtgroene, bijna witte eitjes, die later zullen uitgroeien tot het

gevleugeld sparrezaad.

Aan andere, ook wel aan dezelfde takken zitten heele risten van gele

bolletjes, opeenhoopingen van meeldraden, waaruit ontzaglijke

hoeveelheden stuifmeel te voorschijn komen. Wie in een spar klimt, om

een tak met den mooien rooden bloesem te bemachtigen, wordt door dat

stuifmeel bepoederd als een molenaar.

Op stille heldere dagen, wanneer de grond door de zon sterk verhit

wordt, stijgt de warme lucht langs de sparren omhoog en dan neemt deze

luchtstroom, die lang zoo zwak niet is, als gij wel denken zoudt, het

gele stuifmeel mee en dan kan het door hoogere luchtlagen uren ver

worden weggevoerd. Een stuifmeelkorrel van een spar is daar volkomen op

ingericht, hij is voorzien van luchtblazen en drijft daarop gemakkelijk

weg.

Ofschoon in ons land niet zooveel sparren groeien, dat hun stuifmeel

zooals elders soms duimdiep den grond bedekken kan, zoodat men van een

zwavelregen spreekt heb ik toch wel in sommige bosschen heele plekken

aangetroffen vol geel stuifmeel, dat door het regenwater bijeen

gespoeld was.

De grove den, die een paar dagen later in bloei komt dan de spar,

levert wel de grootste hoeveelheid stuifmeel. Ieder kent de groote

lichtgele proppen, die ieder jaar in ’t begin van Mei of soms reeds in

de laatste week van April zich vertoonen aan de uiteinden van de

dennetakken. Niet heelemaal aan ’t einde evenwel, want buiten de gele

prop steekt nog een licht grijsgroen takje uit, dat dicht bezet is met

naaldparen, nog ten halve verborgen in hun vliezige scheede.

Aan andere takken zitten niet anders dan deze grijze eindjes, zonder

dikke meeldraadprop en weer aan andere eindigt het nieuwe twijgje in

twee of drie, soms meer, aardige ronde roode bolletjes op een dik

rechtopstaand steeltje. Wie die roode bolletjes goed bekijkt, merkt dat

zij weer uit dikke schubjes zijn samengesteld en dat daartusschen

evenals bij de spar paren van kleine heel lichtgroene eitjes liggen

verborgen. Het zijn de vrouwelijke bloesems.

Wie ’t niet weet, zal jaar in jaar uit door ’t dennebosch gaan, zonder

ooit die vrouwelijke bloesems op te merken, maar wie ze eenmaal kent en

aardig vindt, ziet ze reeds van verre in de Meizon tintelen in het

hoogste topje van de rosse dennen. Heerlijke boomen, die dennen!

Onderaan zijn de dikke stammen dicht bedekt met groote, dikke, bruine

schubben, waarover vaak een blauwachtig waas ligt, hoogerop worden stam

en takken rossig warm roodbruin, soms bij oranje af en de dichte

naaldenmassa’s van de kroon vertoonen alle tinten van groen, somber

donker groen van oude drie- of vierjarige naalden, mooi wazig zeegroen

van de jongere en overal de jolige lichte kaarsjes van de nieuwe

lenteloten er tusschen. Schitterend rood van de vrouwelijke bloesem,

helder geel van de meeldraadmassa’s maken den „ouden somberen pijn” tot

een der vroolijkste uitingen van ’t voorjaar.

En als bij zachten oostenwind en helderen hemel de droge warme lucht

door de kronen strijkt, dan knallen de dennenappels, die ’t vorig jaar

rijpten, open en strooien de licht gewiekte zaden door de lucht.

Tegelijk verrijzen wolken stuifmeel uit de meeldraadproppen en zoo

lijkt het dan, alsof de boom een lustig knallend vuurwerk afsteekt ter

eere van den lieven Mei.

Zoo viert iedere boom zijn lentefeest. De beuken beginnen ook al vroeg

in ’t voorjaar, maar niemand let er op. Toch is het heerlijk, om te

zien, hoe de dofbruine wintertint van twijgen en knoppen gaandeweg

overgaat tot warmer toon. Er schijnt meer blauw en rood in ’t bruin te

komen, vooral in de schors der jongere takken en daardoor kunnen dan de

beukenkronen zoo warm en prettig afsteken tegen het strakke koude blauw

van den Maartschen hemel.

Dat duurt zoo tot in April en dan komt er ook beweging in de lange

spitse knoppen. Ze worden merkbaar grooter, zwellen en rekken zich uit,

zoodat aan iedere knopschub een lichter randje komt.

De ingewijde kan nu reeds de knoppen, waaruit bloeiende twijgen te

voorschijn zullen komen, onderscheiden van de gewone en de niet

ingewijde moet maar geduldig wachten, totdat zij opengaan. Lang wordt

zijn geduld niet op de proef gesteld, want de eerste de beste echte

Aprilregen jaagt al het groen de knoppen uit. April doet, wat hij wil.

Het kan soms dagen achtereen droog en koud en schraal zijn, zoo koud,

dat de pas ontloken voorjaarsbloemen zich niet openen, dat de bijen in

hun korf blijven, zoo droog, dat de nieuwe blaadjes verwelkte randen

krijgen en de uitgestrooide zaden werkingloos blijven liggen in de

verstuivende aarde. En de mopperaars onder ons spreken schamper van de

Hollandsche lente.

Maar nu krimpt de wind en vermindert in kracht. Zware, mooi donkere

wolken bedekken de strak blauwe lucht en weldra ruischt een regentje

omlaag, zoo zacht en malsch, warm en levenwekkend, als dat alleen in

April en Mei gebeuren kan. Met een tooverslag wijkt de stugheid, die

plant en dier bevangen hield. De grond zelve wordt levendig en zuigt

zingend het frissche water in.

De bloemen blijven gesloten, maar je kunt het ze aanzien, dat ze,

wanneer de bui over is en de zon weer schijnt, hun schade zullen

inhalen van de verloopen dagen. De grasbladen, die in de droogte

ineengekruld waren, ontplooien zich en dadelijk is de weide groen. De

knoppen van boomen en heesters zwellen zichtbaar, en dat de

meidoornhaag na den regen ineens geheel en al groen is, komt niet

alleen doordat het stof van de groene knoppen is weggespoeld, maar ook

doordat er nu dubbel of driemaal zooveel groen uit de knopschubben

puilt dan voorheen.

Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt

een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes,

ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig

laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de

fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen

beuketak een grooten heldergroenen waaier.

Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn

de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke

bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige

groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en

stempels.

Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de

eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als

de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun

groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en

daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in

bosjes bij elkaar.

De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene

knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge

twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen

staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter

zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest

oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een

ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den

„reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls

voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in

’t kreupelhout kunt ontmoeten.

Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte

probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden

komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de

eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine

kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de

kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats

en voedsel tegelijk verzekeren.

Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels

lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en

ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n

vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors

heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den

heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote

kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is

legio.

En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in

’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de

bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij

uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot

millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een

paar weken bladerloos.

Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige

insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.

Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de

kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en

aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.

Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje

met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en

nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd,

maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje,

dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter

hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier

zich op een hek of twijgje heeft neergezet.

Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en

streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben

beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een

kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de

roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.

Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.

In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het

einde van de avondschemering. Alleen zijn zij het er niet over eens,

wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje

gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel

zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot,

na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en

daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door

aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure

dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en

daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal

natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als

een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand

plagen mocht?

Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het

roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de

verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren:

groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk

aan zijn zang te herkennen.

De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes,

de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel

galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens

herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen

enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door

vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van

nachtegalenzang tot scharensliepgekras.

Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan

zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten

top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal

rechtop, met zijn kop in den wind en als hij in zangdrift den bek wijd

openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.

Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te

hooren. Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis

heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en

Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal

of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het

gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden

uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.

Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter

wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met

korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar

liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood,

gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je

moet ze eigenlijk niet aanraken.

Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel

er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen

en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch,

dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.

Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge

heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den

spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen

levenswijze weinig wordt opgemerkt.

’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en

met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage

struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls

herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger

dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel

bewonderde goudsnavel.

Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar

liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam

is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg.

Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April,

dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te

trekken.

Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze

tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere

verschijning. Zijn nest ligt meestal in lage heesters, maar hij houdt

er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige

lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen,

Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het

publiek te verheugen.

Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en

de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw

bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel

met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange

buitenste staartveeren.

Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het

openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in

de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele

maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan

vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de

goede tijd.

Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge

merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe

spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen

rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende

messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij

tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en

het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet

anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in

den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.

De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen,

maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag

bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen

dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels

en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het

wijfje zingt mee.

De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel

aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk

aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een

aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart

ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw

en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit,

evenals de geheele onderzijde van het lichaam.

Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te

herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan

een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte

vlindertjes daar heen en weer zweven.

Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag

langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan

kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar

aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den

kost te komen.

Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in,

maar hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een

andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken

niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een

onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met

geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.

Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander

en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te

achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last

van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten.

Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door

de brutale musschen verdreven worden.

Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen,

dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de

oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in

vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den

vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze

al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van

bedrijvige arbeiders.

Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij

horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang

komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein

en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.

Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs

de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de

huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers

te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij

armoedige vertooning.

Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de

groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de

stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer

jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure

dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot

den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.

Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de

huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de

musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en

gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun

bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed

en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.

Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en

gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door

de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan

nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis;

men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken

blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.

Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere

stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar

alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel

het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige

vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de

torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de

lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij

roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus

gekef.

Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over

hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten

satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de

zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte

oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht.

Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn

familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.

In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij

slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed

duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en

moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle

popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de

meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen

er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.

Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar

onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten

niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle

platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t

hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het

duidelijke nabootsbare

toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer

van de houtduif of ringduif.

En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in

lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel

kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas

vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog

naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen

elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote

bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te

beginnen.

Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien.

Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken

voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den

heelen dag het bosch vervult.

Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is

teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven

voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste

uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn

intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem

zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en dennen bloesem en

blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de

boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes

van Januari of de anemoontjes van Maart.

Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het

eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de

felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang

uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling

brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te

toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in

lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.

Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschen

tweeën en vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer

zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke

rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in

den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des

te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen

menschen te druk wordt.

Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen

er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om

bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet

denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en

vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig

angstig en vragend, „pièt; pièt”.

Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het

pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin

eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat

ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist

en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die

angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door

een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar

geweken acht.

De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het

zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante

bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met

glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen

hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door

mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre

braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of

er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten nog

geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt

het hoogste lied.

Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw

onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde

eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest

misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten,

vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen

overvloed als schadeloosstelling.

Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen

te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de

sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in

het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een

doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als

hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester

stilstonden.

Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t

najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel

vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen

loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene

stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.

Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk

klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit

„fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer

zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op

dit natuurlijk blaasinstrument.

Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes

bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs

de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de

plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.

Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen

nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze

boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op

plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van

die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid.

De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.

Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt

het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele

sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke

lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond.

Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor

de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden

geroepen.

Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen

anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig

voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn

bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond. Maar

de bloemen blijven even mooi en talrijk en de lieve jeugd krijgt ieder

jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de

wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant

met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt. Ge

kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel

„krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal

gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en

lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals

weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte

bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen

even mooi.

De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen

kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den

morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den

namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw

als de hommels en bijen den voorraad opruimen.

Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.

Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote

stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in

hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke

spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn

nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen

door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.

Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem

is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij,

om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den

morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan

zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is,

vallen ze in het geheel niet in ’t oog.

Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door

den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen

een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets

anders dan groene knoppen te zien waren.

Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren

en bloemen tegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn

grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo

schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn

kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen

deze mooie bloemen „Ster van Bethlehem”.

Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik

slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten

het geval is.

Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is

aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen

van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wilde

hyacinthen.

Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze

groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe

klokjes in rijen van zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is

juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen

in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen

niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte

tusschen de groen bemoste stammen.

Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik

heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes

groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed

ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer,

wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den

grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar

zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te

laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in

geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.

Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de

plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet

uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.

Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze

dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen

groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het

oneindige.

In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte

door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren

uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden

de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den

liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote

groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche

bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar

heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand

van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den

groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang

van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.

En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen,

dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van

de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes

zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm.

Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of

afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in

twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje

een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal

zweven door de schemering van ’t bosch.

Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te

zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels

lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van

guirlande’s van porceleinen potjes of ... maar ze zijn in ieder geval

mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.

Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en

hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en

overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle

ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun

groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes

op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het

pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de

roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.

Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch,

juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den

koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er

van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het

dikwijls maar al te goed te vinden.

Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de

nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het

ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht

worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen,

zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.

Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige

ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het

vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit,

nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag

neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere

koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.

Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en

wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken,

hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw.

Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode

anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van

koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog

een groot aantal andere.

Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de

dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan

ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des

winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek

verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen

of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en deugt zijn snavel

ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige

rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.

Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is

stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en

akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij

tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.

Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water

is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de

geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende

wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd.

Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de

bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine

zandkorreltjes merkbaar zijn.

Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne

blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid

en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van

driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes

aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen

ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en

in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen.

Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een

bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt

dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste

verbazing.

Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der

vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met

den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die

„boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den

natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of

uitgelaten gekwaak weer hooren mag.

En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de

zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine

vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal van schadelijke

invloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven,

eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van

den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk

verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine

speelgoedkikkertjes.

Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende

wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker

uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het

dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van

hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes

verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard

genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde

belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest

geduchte zijn.

Op den bodem rollen en wiebelen ruwe cilindervormige massa’s heen en

weer. Het zijn de larven van kokerjuffers in haar kunstige huisjes. Bij

tientallen bewegen zij zich in een smallen strook langs den oever, waar

de zonnestralen het ondiepe water doorwarmd hebben. Heel in de diepte

is het hun nog te koud, of liever, daar vinden ze geen voedsel genoeg,

de kleine levende wezens, die hun prooi vormen, zoeken ook nog den

zonnigen waterkant.

Geen twee van die huisjes zijn aan elkander gelijk. Sommige zijn

opgebouwd uit korte stukjes gras, andere uit blaadjes van het driekante

kroos, weer andere uit doode stokjes met grove zandkorrels er aan en

nog weer andere uit alleraardigste kleine schelpjes en slakkenhuisjes.

Er zijn groote en kleine, korte en lange, uit de meeste komen kop en

voorpooten van de bewoonster te voorschijn, maar bij vele is geen spoor

van een dier te bemerken en dan lijkt het heel vreemd, hoe in het

absoluut stille water zoo’n hoopje groen in heftige beweging kan

verkeeren.

Maar andere verschijningen leiden onzen aandacht van de kokerjuffers

af. Een klein blinkend vischje schiet pijlsnel door het water en blijft

dan opeens met trillende vinnetjes stilstaan in de zon. Borst en rug

schitteren in alle felle tinten van rood en groen en blauw en de groote

oogen schijnen vuur te schieten. Alweer een stuk speelgoed voor de

jeugd: het stekelbaarsje. Deze mooie roodborst is het mannetje in

vollen voorjaarsdosch. Een klein kegelvormig hoopje van zand en

steentjes op den bodem is het nest, waarin de eieren of de jongen

beschermd moeten worden. Komt een ander dier, een kokerjuffer, een

kever of een stekeltje daar te dicht bij, dan schiet als een vuurstraal

het toornige mannetje op den vijand af en hij slaagt er bijna altijd

in, dien te verjagen.

Maar als de schooljongen komt met zijn schepnet, dan is de roodborst er

bij en mee moet hij in het chocolaad-blikje of jampot, hetzij om

verpleegd te worden in een goed verzorgd aquarium, hetzij om vergeten

en verwaarloosd den honger- en verstikkingsdood te sterven in een

flesch met water voor een zonnig venster.

Nu komt in het heldere water van mijn vijver weer een ander personage

te voorschijn. Tamelijk onbeholpen en als tegen zijn zin omhoog

geschoven, komt een groote, groenbruine kever naar de oppervlakte.

Helder gele randen versieren borststuk en dekschilden; het is de

geelgerande watertor; een mannetje, want zijn dekschilden zijn glad en

vertoonen een groote glimplek in ’t zonlicht. Hij heeft de oppervlakte

bereikt en hangt daar nu met den kop omlaag. De dekschilden zijn even

opgetild, zoodat de lucht kan binnendringen tusschen lichaam en

vleugeldek, en als de tor nu weer met krachtige slagen van zijn

roei-achterpooten nederdaalt, dan heeft hij versche lucht genoeg, om

het daar beneden langen tijd uit te houden.

Op een andere plek vertoont zich zijn geribbeld wijfje en telkens zien

we langs den plas van die groenbruine kevers boven komen, ook andere

familiegenooten, half zoo groot. En alle zijn het even groote roovers,

verdelgers en verslinders.

De groote zwarte watertor, die nu om lucht naar boven komt, is al niet

veel beter, al voedt hij zich ook wel van tijd tot tijd met planten.

Hij heeft zijn luchtvoorraad niet op den rug, maar tusschen fijne

haartjes aan den buik, waar hij wel een zilveren plastron schijnt te

dragen. Wordt de voorraad te klein, dan komt hij aan de oppervlakte met

den kop omhoog en dan weet hij langs zijn dikken voelspriet de

luchtvoorraad te vergrooten. ’t Is een prachtig mooi dier en als we

oplettend rondzien tusschen kroos en wier, dan ontdekken we ook wel het

kunstig drijvend nest, waarin de eieren regelmatig zijn opeengestapeld.

Een spits mastje steekt een centimeter boven het water uit. Uit die

eieren komt de larve te voorschijn: het leelijkste, afgrijselijkste

waterdier van onze slooten. Maar dat is een dier van den zomer.

In den avond verlaten vele van deze kevers het water en vliegen gonzend

rond en dan kan het je wel gebeuren, dat zoo’n dikke pikzwarte of

geelgerande eventjes in ’t voorbijgaan tegen je hoofd komt aanbonzen.

Maar nu in ’t zonnetje blijven ze in het water rondzwemmen om prooi, of

zich koesteren in het lekkere bovenste waterlaagje.

Daar daalt een zilveren balletje neer, zoo groot als een knikker. Het

is de waterspin die zijn luchtvoorraad draagt om het geheele lichaam,

vastgehouden door tallooze fijne haartjes. Hij begeeft zich naar een

lichte plek in ’t water, ook een zilveren bel, dat is zijn nest, zijn

schuilhoek, waarin hij van tijd tot tijd de lucht moet ververschen. De

draden, die hij tusschen de waterplanten heeft gespannen, kunt ge niet

zien, want ze zijn even doorzichtig als het water zelve.

Daar wordt zijn weg gekruist door een wakkeren zwemmer. Ha, hoe gaan de

lange achterpooten door ’t water, het lichaam van het dier schiet als

een bootje vooruit. Dat is het bootsmannetje of ruggezwemmer, in vorm

en kleur wel een van onze mooiste waterinsecten. Het rozerood van de

vleugels, het geel van kop en borststuk vormen met de zilverglanzende

luchtmassa van de buikzijde een prachtig geheel. De lange achterpooten

zijn prachtige roeiriemen, flink lang en bij iederen slag worden zij

verbreed door een haarfranje, die bij den terugslag weer vlak tegen den

poot gaat aanliggen en zoo den weerstand minder maakt.

Kinderen, die met een schepnetje de slooten afvisschen, nemen niet

licht die bootsmannetjes mee. Waarom niet? Weten ze, dat de bootsman,

als het hem lust, met zijn snuit een fermen steek kan geven? Of hebben

zij de ervaring opgedaan, dat hij in het aquarium de andere dieren

aanvalt en doodt? Het een is zoo goed waar als het ander, maar wanneer

je bootsmannetjes houdt in een afzonderlijke flesch met wat zand en

waterplanten, dan kun je er veel pleizier van hebben. Ik heb ze eens

een jaar lang gehouden in een gewonen glazen jampot. Ze tierden

opperbest en kregen aardige jongen, die al dadelijk den echten

bootsmanvorm hadden en prachtig op hun rug konden zwemmen.

Wie wel altijd mee moeten in de gevangenis, dat zijn de salamanders.

Die zijn nu ook op zijn mooist, de mannetjes met prachtige, kleurige

kammen op den rug en zeer verbreeden staart. Wie stil aan een slootkant

zit, kan ze telkens voorbij zien zwemmen. Op goede dagen liggen ze bij

dozijnen aan den zonnekant in het ondiepe water. Af en toe komt er

leven in ’t gezelschap, dan zwemmen ze met slang-achtige kronkelingen

om en over elkander. De eitjes van deze dieren worden niet gelegd in

klompen of snoeren, maar afzonderlijk aan de waterplanten. Ze zijn niet

gemakkelijk te vinden, je moet er geduldig stengel na stengel voor

nazien.

Uren lang kan ik aan zoo’n zonnigen vijver liggen te kijken naar al dat

gedierte, dat uit de groene diepte verrijst en zich komt verlustigen in

het lauwe kantwater. En ook aan de oppervlakte zelf is leven en

beweging zonder ophouden. Daar krinkelen in zuivere cirkelbochten de

glimmendblauwe draaikevertjes rond in scholen van soms wel meer dan

honderd. Wat een drukte en gewoel. Soms raakt er een in geestdrift en

die is dan niet tevreden met lustig te glijden langs het oppervlak,

maar hij geeft zich een zetje en huppelt vier, vijf keer achtereen

omhoog net op de manier van een plat steentje, dat wij langs het water

pleieren of schuifelen of kiskassen, of hoe noemen ze het bij u in stad

of dorp?

Die draaikevertjes lijken wel geen beenen te hebben, maar dat is

slechts schijn. Zij bezitten aardige grijppootjes en

allermerkwaardigste roeipooten, bovendien een dubbel stel oogen: één

dat kijkt langs de bovenzijde van ’t watervlak en een tweede waarmee

het dier kan zien, wat er in het water gebeurt. Ze zijn schuw en

schichtig in hooge mate; een slag met een stokje jaagt het heele

gezelschap naar omlaag en ieder kevertje neemt bij het neerduiken weer

een waterbelletje mee.

Tusschen de onrust van de schijnbaar pootlooze draaikevertjes bewegen

zich de langpootige schaatsenloopers met de uiterste kalmte. Waar hun

pooten het water raken, heeft de gladde vlakte een heel klein deukje,

maar overigens maken deze dieren den indruk van geheel gewichtloos te

zijn. En het is toch ook eigenlijk wel iets heel bijzonders, zoo je

heele leven lang te loopen over het water en nooit nat te worden. Er

zijn verschillende soorten van schaatsenloopers, sommige kort en dik,

andere zoo lang en zoo smal van lijf, dat het haast onbegrijpelijk is,

hoe zoo’n schimmetje nog een hart en ingewanden, spieren en zenuwen,

een heele anatomie, kan bevatten.

De oever zelf raakt dicht begroeid. Het riet is nog kort, maar steekt

toch al met duizend pieken boven het watervlak. Kalmoes en lischdodden

vormen dichte bossen en de gele lisch steekt zijn grijsgroene bladeren

al hoog in de lucht en ontplooit aan de knoopige stengels de eene bloem

na de andere, heerlijke groote bloemen, mooi van het oogenblik af, dat

ze als netjes opgerolde puntige knop uit de bloeischeede komen, totdat

ze verwelken en de groote, groene, onrijpe vrucht overlaten.

De gele bloemdekblaren wapperen in den wind, de bladachtige stempels

met hun uitgeknipte punt steken er vroolijk boven uit en op mooie dagen

zoemt en gonst het om de bloem van vliegen en bijen, die uit de diepe

bloemdekbuis den zoeten kruidigen honing komen halen. Er bestaat een

groote verscheidenheid in de honderden lisschen langs den slootkant:

verscheidenheid in tint van geel, verscheidenheid in de bruine

versiering van de groote hangende dekslippen, verscheidenheid in den

stand der stempels, die nu eens hoog boven de bloem uitsteken, dan weer

vlak op de dekslippen liggen.

Wij willen armen vol van deze heerlijke bloemen afsnijden en thuis in

glazen zetten, om te zien, hoe ze zich ontplooien en hoe telkens een

verwelkte bloem vervangen wordt door een frissche, die bijna dezelfde

plaats inneemt. Zoo kan één stengel een week lang het venster sieren.

Tusschen de lisschen staan hier en daar de groote waterzuringen, die

hun groote bladeren omhoog steken, haast op de manier van tropische

pisangs. Op andere plekken verdringen zich de ruige bladeren en

stengels van de smeerwortels, met de mooie hangende, klokvormige

bloempjes, die in gedraaide trossen bij elkaar staan en allerlei

kleuren kunnen vertoonen: geelachtig wit, oranje, rose, lichtblauw,

donkerblauw, violet en paars. Een ruige plant, die alle fijnheid en

gratie schijnt te missen, maar als ge de bloem openmaakt, dan vindt ge

daarin vijf driehoekige dekseltjes, waarvan de randen versierd zijn met

het allerfijnste goudsmeewerk.

Hoe dichter de oever begroeid is, des te meer kans bestaat er, dat er

aardige vogels huizen. Op rustige plekken aan breede wateren broedt nu

de fuut, in gedaante en kleur en manieren een van onze zonderlingste

watervogels. Zijn nest is een drijvende moddermassa, niet te

onderscheiden van de zwarte veenmassa’s, ontstaan uit de half verrotte

planten van het vorig jaar.

Meer algemeen vertoont zich de koet, net een zwart eendje met een

witten bles. Als hij zich schuil houdt tusschen de oeverplanten, dan

hoort ge toch nog altijd zijn korte keffende roepjes. Hij heeft een

mooi hoog nest, opgebouwd van stengels en bladeren, en daar liggen zijn

tamelijk groote en talrijke bruine, fijn gespikkelde eieren, waaruit

later enorm leelijke ruige, kleine, harige duveltjes van jonge koeten

te voorschijn komen.

Maar het echte vogeltje van den waterkant, het beminnelijkste vriendje

van den eenzamen hengelaar, dat is het waterhoentje, dat zelfs in

kleine vijvers en smalle slooten zijn nest durft te bouwen en hoe

langer hoe meer vertrouwd raakt met de menschen.

Hoe sierlijk zwenkt dat diertje rond, hoog op ’t water, het spierwitte

staartje opstijgend als de achtersteven van een ouderwetsche karveel.

Bij iederen slag met de groene pooten schokt het slanke nekje voor en

achteruit en de groote roode plakkaat boven op den bovensnavel blinkt

in de zon. Hij hapt in de lucht en langs het water en als hij zijn bek

vol heeft met kleine insecten, dan stuurt hij regelrecht naar huis en

loopt voor de gauwigheid met weergalooze behendigheid over een groot

bed van wiebelende waterleliebladeren. Als hij aan den waterkant komt

tusschen de bloeiende lisschen, dan komt hem ongeduldig al een spitse

snavel te gemoet en het broedende wijfje neemt haar voedsel in

ontvangst. Dadelijk maakt de man weer rechtsomkeert, om in weinig

minuten weer een nieuwen voorraad op te doen.

Hoe dikwijls heb ik deze familietafereelen begluurd langs den vijver

van Duin en Daal aan het Meertje van Caprera en in de grachten van de

ruïne van Brederode, toen die nog frisch en helder waren. Nog broedt

daar ieder jaar een paartje en ’t is een groot genoegen er naar uit te

zien in den tijd dat de ruïne overdekt is met de heerlijke, geurige

muurbloemen.

Het is wel een van de liefelijkste openbaringen van de Lente dat zij de

oude vervallen bouwwerken zoo guitig versiert met mooie bloemen. Tot

boven aan toe komen uit de muren de grijsgroen bebladerde stengels te

voorschijn met honderden oranje bloemen, omzwermd door bijen en

vlinders. Elders staat weer in een muurspleet een lijsterbes te

bloeien, of een vlier ontwikkelt er zijn bladeren en laat zijn breede

bloemtuilen zien, die nu nog groen zijn. De groote abeel op de

binnenplaats heeft pas zijn witte bladeren gekregen en de hooge wilgen

langs de gracht vertoonen gele bloesemkatjes tusschen lichtgroen

loover.

Langs de grachtkanten staan in dichte rijen de lisschen te bloeien en

wilgenroosje en koninginnekruid zijn gereed hen te volgen, terwijl op

en om de muren en in de boschjes look zonder look en fluitekruid

bloeien in een wolk van wit. Hier vinden we ook onze oude vrindjes, de

oranjetipvlindertjes weer. Bij dozijnen vliegen ze over de witte

bloemen, de wijfjes heelemaal wit, de mannetjes met groote oranje

vlekken aan de toppen der voorvleugels. En als ze gaan zitten op het

bloeiend pijpkruid of op de lookraket, dan zijn ze opeens verdwenen,

zoozeer harmonieert de wit met groen gekleurde onderkant hunner

vleugels met het wit en groen van deze lentebloemen.

Nu nog een keer de duinen in, om nog meer vlinders en vogels en bloemen

te ontmoeten. Ik ken een pad, waar de rustige wandelaar geduld wordt,

ik weet een plekje, waar we een paar zonnige morgenuren verdroomen

kunnen. Het is een berkeboschje aan de oosthelling van niet hooge, maar

steile duinen. De helling van die duintjes is in de hoogte begroeid met

duindoorns, maar lager komen wilde rozen en wilde asperges en eindelijk

allerlei fijne bloempjes: wikke, vergeetmijnietjes, viooltjes,

aardbeitjes en pimpernel, fijn kruidig goedje, waarboven de

glinsterende vuurvlinders en de fijne blauwtjes rondfladderen.

Waar veel viooltjes bijeenstaan, daar komt ook een bruin met zwarte

vlinder rondvliegen en als hij zich te midden van de bonte bloempjes

neerzet en de vleugels opslaat, dan blijkt de onderkant daarvan bezet

te zijn met groote glinsterende plekken van het mooiste parelmoer. Het

is de parelmoervlinder, die in de duinen even algemeen is, als de

oranjetip in de pinksterbloemen-wei aan den boschrand.

Het is goed, dat we buiten het boschje zijn gaan liggen, want nu kunnen

we niet alleen nachtegaal en roodborst, fitis, roodstaart en

winterkoning in het bosch hooren zingen, maar we zien ook, hoe een

zanglijster vlug van onder een bloeienden meidoorn rent naar een open

plekje en daar met veel animo een huisjesslak stukslaat, die hij in den

bek had. Hij pikt de weeke slak er uit en hipt daarmee weer het bosch

in en nu weet ik, dat daaromtrent zijn nest met geelbekkige jongen te

vinden moet zijn. Hij heeft al wat slakjes verbruikt, want de

slachtplaats ligt vol met stukgehakte huisjes. Een bontgekleurde tapuit

houdt er nalezing.

Een groote ronde violette kever loopt over een open zandplek, hij rolt

een konijnenbolletje voor zich uit, het is de mesttor, die hier nuttige

grondwerkersarbeid verricht. Nu zien we ook naar konijntjes uit en

jawel, die zitten te spelen aan de overzijde van de vallei, tusschen de

duindoorns. Toen ik de verrekijker aan de oogen bracht, bleven ze

opeens als versteend stil zitten. Maar als ik ze wijs kan maken, dat ik

hier zit te dutten, dan begint het gestoei weer van voren af aan. Zij

rennen elkaar na in groote kringen en de witte staartjes lijken in de

verte wel vlindertjes, want het grauwe dier zelf steekt tegen den

duin-achtergrond bijna niet af.

Opeens vliegt met luid gejoel een groote vogel met krommen snavel over

ons heen. Het is een wonder, dat wij hem al niet eerder gehoord hebben,

want wie in Mei een wandeling doet door het duin, wordt vroeg of laat

altijd begeleid door dezen hoogvlieger en luidkrijter, de wulp. Ik wil

nooit zeggen, dat een wulp schreeuwt, daarvoor is zijn geluid veel te

diep, te metaalachtig, te welluidend. Het is een heerlijk krachtig

dier, een onvermoeid vlieger, een volmaakt wandelaar, een volleerde

dansmeester, een uitstekend krabbetjesvisscher, een vlugge

sprinkhanenjager en bovendien een baas in het verstoppertje spelen, die

zelf ieder meteen opmerkt en dadelijk onraad blaast.

Zie hem rondvliegen door de blauwe lucht en langs de witte wolken.

Wanneer ge denkt, dat hij aan ’t eind van de vallei verdwenen is, dan

roept hij meteen weer vlak boven uw hoofd, want hij heeft niet anders

gedaan, dan in een wijden kring rondvliegen. Het duurt langen tijd, eer

hij volkomen gerustgesteld is en zelfs nadat hij is neergestreken op

een naburigen duintop, loopt hij nog lang schutterig heen en weer met

veel vleugelgeklep en snavelgezwaai.

Nu vallen opeens veel witte blaadjes van een bloeienden meidoorn vlak

bij en daar het niet waait en de meidoorn pas in bloei komt, moet daar

ook een vogeltje aan den gang zijn. Jawel daar fonkelt een rood borstje

en een rood schedelkapje, het is een kneutje, dat flink en vroolijk

zijn liedje uitkraait, kweelt en kwinkeleert. Dit is het vroolijkste en

prettigste vogeltje van hei en duin, weinig opgemerkt en overal

aanwezig en ’s ochtends vroeg zit hij wel te zingen op den

telefoondraad vlak bij mijn huis.

En nu lijkt het wel of de heele helling een kneutjes-verblijf is, want

als de kneu in den meidoorn heeft uitgekraaid, dan begint er weer een

in den eglantier en eindelijk een stuk of drie hoog boven in de

duindoorns. Ze zingen al luider en luider en het duurt niet lang, of

het komt tot de onvermijdelijke vechtpartijen, die er op uitloopen, dat

het heele kneuengezelschap knutterend en kraaiend in schokkende vlucht

een grooten optocht houdt door de lange vallei.

Weer blinkt er iets in ’t zand, het is een gouden loopkever, die een

rups heeft gevangen en er mee marcheert naar een rustig plekje om hem

op te peuzelen. Een eindje achter hem scharrelt een bruine

zandloopkever en net als ik hem pakken wil, tilt hij zijn

metaalglanzend dekschild op en vliegt ineens vijfentwintig meter ver

weg. Je kunt aardig buiten adem raken, als je die zandloopkevers wilt

vangen en bovendien je geduld verliezen met te hengelen naar hun

leelijke, dikkoppige, gebochelde larven, die hun verblijf houden in

loodrechte, twee tot drie decimeter diepe putten. Maar daar wil ik

vandaag niet aan denken.

Hoe heerlijk staan al de heesters in bloei! De berken zelf zijn

uitgebloeid, maar de meidoorn heeft geurigen bloesem en heerlijke,

mooie witte knoppen. En de sneeuwbal of Geldersche roos (hij groeit in

de duinen veel meer dan in Gelderland) is overdekt met zijn platte

witte tuilen, kleine echte bloempjes in ’t midden en daaromheen een

krans van groote witte lokbloemen, die zelf geen stampers of meeldraden

hebben, noch honing voortbrengen, maar de insecten den weg wijzen naar

die echte kleintjes binnenin. Die laten dan ook niet op zich wachten,

want het wemelt op die witte sneeuwbal van vliegen, wespen, bijen,

vlinders en kevers.

En vlak daarbij staat weer een berberis, een eeuwenoude struik met

honderden stammetjes, die dicht opeen uit de aarde komen, zich fijn

vertakken en tusschen de bundeltjes van lichtgroene blaadjes ontelbare

trossen met mooie goudgele bloemen dragen. Gij kent de bijzonderheid

van die bloempjes; wanneer de binnenzijde der meeldraden wordt

aangeraakt, dan buigen deze plotseling naar binnen: ze kunnen niet

tegen kriebelen. Menige honigbij zal geschrokken zijn; als zijn tong

zoo opeens bekneld raakte tusschen meeldraad en stamper. Maar hij kon

’t toch niet laten, om in een andere bloem weer naar den zoeten honing

te zoeken en bracht zoo wel het stuifmeel over, dat dienen moest om den

stamper te doen rijpen tot de lekkere en mooie zure roode bes, die we

in den herfst zullen zoeken.

Al die heerlijke heesters staan hier dicht opeen en het is alsof op

zoo’n gezegend plekje ook alle vogels, alle vlinders gaarne willen

komen. Onophoudelijk schitteren bonte kleuren, onophoudelijk klinken

vroolijke liedjes. Een vogel is er, die in lied en vlucht op deze

plaats de lentevreugd nog duidelijker openbaart dan de nachtegaal en de

fitis in het bosch. Het is de boompieper, een grauw diertje, dat wel op

een leeuwerik lijkt. Met vluggen wiekslag stijgt hij snel zingend

omhoog, spreidt dan vleugels en staart wijd uit en daalt zonder eenige

beweging in de grauwe veertjes zingend weer neer. Bij het stijgen is de

zang vlug, krachtig en vroolijk, bij het dalen gaat hij over in reine,

langgerekte fluittonen vol vervoering en bijna klagend en als de vogel

op een boomtop is neergekomen, dan krijgt de vreugd weer de overhand en

besluit hij zijn lied met een flinken, rammelenden, krachtigen triller.

Zoo gaan ook wij de lente door, met blijdschap, als de winter wijkt,

met diepe ontroering, wanneer al het schoone leven zich aan ons

openbaart, met vreugd en vertrouwen, als de teere bloesem overgaat tot

forschen bloei en ontwikkeling, als de pracht der rozen den zomer

binnenleidt.

Lente(#67159) · 第 4 / 6 题