Speelkwartier!
Zalig oogenblikje van verademing, voor jezelf op z'n minst evengoed als
voor de kinderen. Even ontspanning van je ijzeren zelfbeheersching, even
het verslappen van je voortdurende waakzaamheid, het sluiten van de
honderd paar oogen en ooren, die, over je heele lichaam verspreid, onder
de les gedurig in telefonisch contact met elkaar staan en het wonder
mogelijk maken, dat je met je rug ziet en met je handen hoort—hoe
anders zou je 't ooit kunnen klaarspelen, terwijl je op Jantje's lei
kijkt en z'n sommen narekent, terzelfder tijd in je op te nemen, dat
Chris „gebbetjes” zit te maken, dat Koo z'n sponsedoos laat vallen, dat
Saartje haar vinger opsteekt en daarbij op de traditioneele wijze zit te
draaien, om de bedoeling van die opgestoken vinger wat te illustreeren,
dat Gijs weer hartverscheurend met z'n griffel over z'n lei krast, dat
Aaltje doodbedaard van Nellie zit af te kijken, dat m'n arm stumpertje
van 'n Jopie weer zoo treurig aan 't hoesten is, dat die kleine kat van
een Sientje heel handig en stiekem een stuk snoepgoed in haar mondje
steekt, dat Klaas z'n zakdoek weer niet bij zich heeft en er toch zoo
bitter om verlegen is, en ten slotte—maar dit helaas een onderdeel
van een seconde te laat—dat Piet natuurkundige proeven neemt met z'n
inktkoker en probeert vast te stellen, hoe ver hij 'm schuin houden kan,
eer de inkt er uit komt loopen?
Speelkwartier: verkwikkend hapje frissche lucht na de bedompte
atmosfeer, doortrokken van tallooze onnoembare geuren, die je eenige
uren achtereen hebt moeten inademen!
En ten slotte—niet het geringste voordeel—onbetaalbare gelegenheid
om de kinderen in hun spel gade te slaan, om ze te bestudeeren en te
leeren kennen. Want pas op de speelplaats gooien ze hun schoolmasker af,
vertoonen ze hun ware aard en geneigdheid. Meer dan eens heb ik versteld
gestaan over de ruwheid en de grove taal, die in 't vuur van haar spel
uit het mondje kwam van o, zoo'n keurig meiske, maar ook meer dan eens
heb ik met verbazing geluisterd naar de geduldige goeiïgheid, waarover
m'n ergste lastpak beschikte, als hij met z'n kleine broertje speelde.
En dan moet je op een morgen moeite met ze gehad hebben! Je hebt je
kwaad gemaakt, je vond ze lastig, ongehoorzaam, brutaal. Ten slotte zag
je ze als een troep onwillige deugnieten, die je 't leven vergalden,
haast zelfs als je vijanden, waarmee je op leven en dood te kampen hadt.
En dan, o zegen, dan gaat de bel! Je laat ze los op de speelplaats, je
voelt je nog altijd gegriefd, verstoord, verbitterd.... en dan zie je ze
spoortje, krijgertje, hinkelbaantje, schooltje „doen” en als met een
tooverslag is je woede bekoeld, je verbittering geweken, je zou jezelf
om je ooren kunnen slaan, dat je je zoo bespottelijk hebt aangesteld.
Want opeens zie je weer, wat een hummels en drummels het toch nog maar
zijn, zoo klein en onbeholpen en toch zoo koddig-parmant, zoo
vermakelijk gewichtig in hun meenens spel....
Ja, van 't speelkwartier kun je soms heel wat leeren. En 't zijn rake,
goeie lessen ook, die je niet zoo licht weer vergeet. En dat is dan ook
zeker de reden, waarom ik later nog zoo dikwijls aan je gedacht heb,
Engelientje, en waarom je me nog steeds zoo levendig voor den geest
staat.
Een echte „Baangrachter” was ze, kort en stevig in elkaar getimmerd,
met een paar felle blauwe oogen, strooblond haar waar een gouden gloed
over lichtte, een brutaal sproeten-neusje en een mondwerk, zóó rad,
zóó rad.... alleen van het aanhooren kon je al buiten adem raken. Een
geboren baas-speelster: als ze op haar kleine sterke beenen zoo resoluut
aan kwam stappen met haar air van: Menschen ga opzij, daar komt „Ik” an!
dan moest je je vermannen, om te blijven staan.
Ze regeerde de heele klas. Zoowel voor en na schooltijd als in 't
speelkwartier ordonneerde ~zij~, wat er gespeeld moest worden, kortaf
zonder eenig amendement te dulden; en wie er mee mochten doen, met één
blik van haar pientere oogen: „jij, jij, jij.... jij niet!” En aan dat
vonnis viel dan ook niet meer te tornen, zelfs niet door mij.
Voor de aardigheid heb ik 't wel eens geprobeerd.
„Zeg Mien—tegen zoo'n rondzwervend eenlingetje met haar treurig
verongelijkt snoetje—waarom doe je niet met de andere kinderen mee?”
Even een groote blik: „'k Mag niet meedoen van Engelientje!”
„Kom, dat heeft ze niet zoo gemeend. Ga maar mee, dan zal ik 't nog eens
voor je vragen”.
„Kinderen, Mientje zegt, dat ze niet met jullie mee mag doen. Dat 's
toch een vergissing, he?”
Algemeen verlegen stilzwijgen, stomme blikken naar Engelientje. Maar die
aarzelt geen oogenblik, ze zal me 't geval wel even uitleggen. „Ja, siet
u, juffrau, se het soo'n lange jurk en die sliert aldoor in 't touw.”
„Nou, maar dan zal ze d'r jurk wel goed omhoog houden, nietwaar Mien?”
En meteen duw ik haar in het kringetje.
„Nau, fruit dan maar; achteran!” snauwt m'n Engeltje, terwijl haar oogen
vonken schieten.
Geen vijf minuten later zwerft Mientje weer alleen; ze is er handig en
netjes door haar tegenstandster uit gewerkt.
Als ik er dan weer op af ga, heet het, dat ze „falsch dee”, of dat ze
„sellef nie meer wou” of doodbedaard, dat ze „af is!” Mensch, wat wil
je, zoo zijn nu eenmaal de regels van 't spel.
Maar nu zet ik door: „Mientje speelt mee en daarmee uit!”
'k Heb m'n hielen nog niet gelicht, of Engelientje verklaart: „'k Doen
't niet meer!” verzamelt een stuk of wat gunstelingen om zich heen,
(waaronder natuurlijk de eigenares van het touw) en laat de rest van
het troepje in diepe verslagenheid achter, als schapen zonder herder.
Daar komt ze bedaard en triomfantelijk aanwandelen, ter weerszijden
geflankeerd door twee trouwe trawanten. Napoleon zelf zou trotsch op
zoo'n dochter geweest zijn.
Waag ik het dan nog te vragen: „Waarom springen jullie geen touwtje
meer?” dan kan ik ten antwoord krijgen: „We wiere dr soo heet fan, en
dan krijge me sukke natte hande en dan kenne me strakkies niet netjes
schrijve!” Alles zonder blikken of blozen.—
Maar in de klas erkende ze zonder morren de onaantastbaarheid van m'n
macht: ze wist wel, dat er dan niet mee te spotten viel. Zelfs was ze
niet eens een onplezierige leerling: schrander, altijd vol aandacht en
belangstelling en—verzot op een pluimpje! Als ik zei: „Nee maar, wat
heb jij je sommen vlug af”, of „Wat heb jij keurig geschreven vandaag”,
dan glom ze.
't Eenige, waar ik me met groote angstvalligheid voor moest hoeden, dat
was: haar aan 't woord te laten komen. Verdiende ze een keertje ook eens
straf, zat ze b.v. al een poos met haar buurvrouw te kribben en bleef
m'n verbieden zonder uitwerking, dan kende ik precies m'n weg: „Annie en
Engelientje, kom allebei maar hier!” Ik zette de eene links, de andere
rechts van me: „Wie 't mooiste stilstaat, mag 't eerst weer naar z'n
plaats”.
Nu ben ik in 't geheel geen voorstandster van lange predicaties en
uitleggingen aan kinderen. Je hebt er trouwens op school geen tijd
voor, maar ze zijn ook absoluut overbodig. Een kind, dat iets doet,
wat niet mag, ~weet~ het. En als het er zelf op een oogenblik even
geen erg op had, dan ~herinnert~ het 't zich onmiddellijk weer, zoodra
je het aankijkt, of z'n naam noemt. En neem nu het uitzonderingsgeval,
dat een kind werkelijk in heilige onwetendheid zondigt, dan is diezelfde
blik of dat noemen van z'n naam volkomen voldoende, om het hem te doen
~begrijpen~. Heusch, kinderen zijn knap genoeg in 't maken van logische
gevolgtrekkingen. Zelfs maak ik me sterk, dat zoo'n kind zonder een
woord van verdere explicatie met zichzelf door-redeneert: „Zoo, mag dat
niet? Waarom dan niet?” en zoo voor zichzelf ook de ~reden~ van dit nieuwe
verbod vaststelt.
Dit alles neemt echter niet weg, dat je een kind voor z'n eigen gevoel
van rechtvaardigheid toch graag even z'n zaak laat verdedigen: „Vertel
me toch es, waarom zitten jullie zoo te kribben samen?” Maar bij
Engelientje wist ik vooruit, dat ik zóó overstelpt zou worden met
„en-toe-see-ik”s en „en-toe-see-sij”s, dat ik er dan maar de voorkeur
aan gaf, aanklacht en verdediging over te slaan en dadelijk over te gaan
tot het uitspreken van het vonnis.
Ja, dat mondje, dat mondje! Met een veertje had je 't open en nog met
geen ankerketting snoerde je 't weer dicht. „Of ze niet heel voorlijk
met praten was geweest?” informeerde ik daarom eens bij haar moeder,
toen die me op een middag na vieren opwachtte, om te vragen „hoe ze 't
op school maakte.”
Maar moeder ging er ernstig op in. „Nee, dat kon ze zich niet meer zoo
precies herinneren. Wel met tanden krijgen!” Wat ik met een wijze
hoofdknik verklaarde, ook best te kunnen aannemen.
Dochterlief stond intusschen ongeduldig aan moeders hand te trekken:
„Nou Moe, ga nou mee!” Toen tegen 't oudere broertje, die er ook bij
kwam: „En ikke mag toch lekker met Moe naar Opoe, en jij lekker niet!”
Moeder keek me eens veelbeteekenend aan en maakte haar hand los: „Ga
zoolang nog maar effe spele.” Ze moest haar overkropt gemoed eens lucht
geven.
„Zoo'n kleine sallemander, he! Ja, de juffrouw ziet het natuurlijk ook
wel! En me drie jonges zulke lobbesse! Pietje het ook nog bij u gezete,
nietwaar?—Ja, dan is een mensch niet tevreje, je zou ook zoo graag een
meissie hebbe. Gunst, as ik toch nog bedenk, hoe mal of me man met dat
kind was! Zoo'n sacht meissie, zee die, dat zou nou onze troost worre,
voor onze ouwe dag!—Hoofdschuddend hield ze even op.—En wil u wel
geloove, dat 'k al meer spul met die eene gehad heb, as met de drie
groote same?”
„Misschien verandert ze nog wel, als ze wat ouder wordt”, troostte ik,
tegen beter weten in.
Maar de moeder schudde mismoedig 't hoofd. „'t Zit er in geboren”,
legde ze me uit. „Tege me man kan 'k dat zoo niet zegge—'t bloed kruipt
toch, waar 't niet gaan kan, he?—maar ik zie d'r precies me man's
moeder in. O, dat 's ook zoo'n kernalje, as u die es bijwoonde! Dr
eige groote zoons zou ze nog wel op dr lui kop wille zitte—en mijn dr
bij, as ik 't me maar liet doen! En nou die kleine kattekop hier—met
een zijdelingsche blik naar haar luid kakelende spruit—da's krek dr
lieve Opoe! En as dat dr eenmaal inzit, dan ransel je 't er niet meer
uit—weet u, wat die Ka zeit, as 'k maar effe naar dr wijs? „En dan
gaan ik lekker schreeuwe, dat al de buren 't kenne hoore!” Zoo'n
feeks, hè? En van dr vader krijgt ze nog altijd gelijk ook, da's 't
ergste.—Ze zuchtte eens.—Nooit hebben we anders een woord, daar
ken u navraag na doen, maar om dat kind, zou je de oorlog in huis
krijge!—Maar 'k staan u maar op te houwe, u zal dr in school ook genoeg
mee te stelle hebbe....”
„Lief duifje in onze ark, uw mondje bracht den vrede”, citeerde ik bij
mijzelf, terwijl ik verder ging.
* * * * *
En nu, wat ik van Engelientje geleerd heb?
Kijk, je hoeft nog maar heel kort voor de klas te staan, of je merkt al
wel, dat je 't met kalmte en zelfbedwang 't verste brengt. „Nur die Ruhe
kann's bringen.” Hoe vaker je je opwindt, hoe kwajer je je maakt, hoe
driftiger je wordt,—hoe verder je je doel voorbijschiet. Ten eerste
verstoor je den geregelden gang van de les, ten tweede plant je de
onrust van je eigen ziel ook op de kinderen over. Een deel wordt bang
voor die booze stem en die groote oogen van de juffrouw, een deel ook
amuseert zich kostelijk als bij een vertooning van de poppenkast (daar
immers is 't kijven en ruzie-maken ook altijd 't allermooiste) en de
rest luistert heelemaal niet en zoekt z'n amusement maar zoolang op z'n
eigen houtje. Van verbetering van den bewusten zondaar (of zondaars—hoe
meer je er tegelijk „en gros” wilt bemoraliseeren, hoe kleiner de
resultaten) natuurlijk geen sprake.
Zooals ik zei, dat weet je al heel gauw. Maar tusschen dat weten en het
in-praktijk-brengen ligt nog een heele stap. Een mensch is maar een
mensch, nietwaar? En de kinderen zijn wel eens woelig en je bent zelf
wel eens moe—en 't lucht je zoo heerlijk op, eens goed uit te razen!
Maar na zoo heerlijk uitgeraasd te zijn, gun ik geen een onderwijzeres
een Engelientje in haar klas te hebben, dat dan in 't speelkwartier op
den onzaligen inval komt, „schooltje” te willen spelen.
Ze speelde graag schooltje. En dan natuurlijk zij „de juffrouw”.
(Zoodra een ander zich voor die rol opwierp, verdijde zij het, langer
mee te doen). Trouwens, ze was er geknipt voor. Regeeren, bazen, 't was
haar lust en leven. Hoe meer kinderen er tegenover haar op 't hekje
zaten, waar ze tegen schreeuwen en kijven kon, hoe beter ze in haar
element kwam. Want schreeuwen en kijven moest het worden, natuurlijk,
dat vertegenwoordigde in haar oogen het baantje van „schooljuffrouw.”
Wat was er voor plezier aan, de passieve rol van „juffrouw” te spelen,
als de kinderen gehoorzaam aan 't leeren waren? Nee, stout moesten ze
wezen, dan kon je zoo „echt” tegen ze opspelen en ze straf geven en naar
hartelust plukharen!
„Kindere, nou allemaal oplette! Ik gaan somme opgeve!”—Ze komt vlak
voor het rijtje staan en wijst beurtelings kind voor kind aan.—„Hoeveel
is 2 en 2? 3 en 3? 4 en 4?.... Wat! weet je dat niet? Suffert! Ga maar
in den hoek staan. Om twaalf uur al je somme overmake! Nou jij! 5 en
5?.... Luilak, kom maar hier, je het ook niet opgelet!”—Hardhandig
wordt het slachtoffer door mekaar gerammeld. 't Heele troepje giert,
heeft uitbundig plezier, het slachtoffer zelf 't allermeest.—„Wat
kwaje meid, mot jij lache? Vóór je kijke! Hoor je niet, wat ik
seg?”—Pats, pats, links en rechts; de kinderen bezwijken haast van
't lachen.—„Brutale meide, ik sal jullie, pas op, as ik nog één van
jullie hoor, dan gaat-ie in 't hok tot fenavend an toe....”
En zoo ging het door. Als in een lachspiegel, verminkt en verwrongen,
maar voor mezelf toch heel duidelijk te herkennen, hield ze me het beeld
voor van m'n eigen tekortkomingen. En als iets me geleerd heeft, me voor
de klas te beheerschen, dan is het zeker in de eerste plaats de vrees
geweest, om toch vooral niet te lijken op Engelientje, als ze schooltje
speelde!