Paedagogiek is een dik woord en 't heeft een deftigen klank. Je kunt het
uitstekend gebruiken, als je eens bizonderen indruk wilt maken op een
moeder (niet op een volksmoeder natuurlijk, die zou je aankijken, of 't
je in je bovenkamer mankeerde): „Ja mevrouw, ziet u, uit paedagogische
overwegingen.....” Maar verder—laat ik 't nu maar eens eerlijk uit
„de school” klappen—verder heb je van de paedagogiek, die je voor je
opleiding uit de boekjes geleerd hebt, een bedroefd beetje—om nu niet
te zeggen heelemaal geen—nut, wanneer je voor de klas komt te staan.
't Grootste bewijs voor deze stoutmoedige stelling is, dat geen twee
onderwijzers eender met hun klas omgaan. Bij den een regent het den
heelen dag grapjes, bij den ander wordt geen overbodig woord gesproken,
maar werken de kinderen zoo vlijtig als bijen, een derde zoekt z'n heil
in strengheid en een ijzeren consequentie, bij den vierden is 't àl
geduld en zachtheid. En probeer heusch maar niet, om 't „net te doen”
als je buurman, want, zoo ergens, dan geldt hier de waarheid: Als twee
menschen hetzelfde doen, dan is het daarom nog niet hetzelfde.
't ~Is~ ook niet uit een hoekje te leeren, het leiden van kinderen,
want het is zuiver een kwestie van intuïtie. Je moet voelen, wat
voor een kind belangrijk is en wat niet, wat hem verheugt of
bedroeft en—bovenal: wat hem kwetst, wat z'n eergevoel of z'n
rechtvaardigheidsgevoel beleedigt. Dit laatste vooral is volgens mij een
cardinaal punt en ik heb de ervaring, dat je, wanneer je die gevaarlijke
klip omzeilen kunt, al een heel eind op den goeden weg bent. Je hoeft
de kinderen heusch niet zooveel goed te doen, je hoeft ze niet aan te
halen, niet overmatig te prijzen, geen presentjes te geven of prijzen
uit te loven. Als je met je min of meer vergrofd en afgestompt gevoel
van volwassene maar niet al te veel en te vaak over hun ziel krast,
zullen ze je steeds weer beloonen met een schat van genegenheid en
roerend kindervertrouwen.
En als je dan bovendien maar gedurig bedenkt, wat voor onnatuurlijken
dwang je 't kind den heelen dag oplegt, met zooveel uren aaneen
„stilzitten” en „mondhouden” en aandacht voor je eigen gulden woorden
van hem te eischen, als je hieraan gedachtig maar een beetje tolerant
bent voor z'n ~noodzakelijke~ afdwalingen van 't pad der schooldeugd, och,
dan red je 't met iedere gemiddelde klas wel vanzelf.
Natuurlijk tref je er af en toe toch nog wel eentje, waar je met den
besten wil van de wereld maar geen vat op kunt krijgen, een bizonder
gevoelige of een bizonder ongevoelige, een die met geen geweld in of uit
z'n rust is te krijgen en waar je dag aan dag vergeefs je zenuwen op
verslijt.
En dan, o die allerprettigste kant van ons vak! dan overkomt het je
ook nog wel eens, dat je plotseling tot je groote verrassing merkt, het
gewonnen te hebben bij eentje, die je al zoowat had opgegeven. Ik denk,
dat zoo'n kind dan op den langen duur tot de overtuiging is gekomen, dat
je 't toch niet zoo kwaad met hem meent en dat je hem niet speciaal voor
je eigen plezier het leven zoo zuur maakt. Maar de aanleiding, die hem
er dan ten slotte toe brengt, de wapens neer te gooien en zich onder je
vaandel te scharen, die aanleiding is altijd een heel toevallige en—je
zult er vergeefs in eenig paedagogiekboek naar zoeken.
Voor de aardigheid wil ik eens vertellen, hoe ik, jaren geleden, het
hart won van Jan.
* * * * *
Het is op onze scholen een wet van Meden en Perzen, dat de kinderen
gedurende de eerste twee leerjaren onder leiding staan van een
onderwijzeres, om dan over te gaan in de handen van het „sterke
geslacht.” Dit heeft onder de kinderen de vaste overtuiging gevestigd,
dat een „juffrouw” hen in een hoogere klas niet meer „an-kan” en
daardoor is 't ook een nationale schande geworden, om na je achtste of
negende jaar nog „baj een juffrau te sitte.”
Was het dan wonder, dat Jans's elfjarig hart heelemaal in opstand kwam,
toen hij, in de zesde klas zitten blijvend, na op zijn minst een jaar de
zegeningen van een „majster” te hebben genoten, ook nog deze degradatie
moest ondergaan? En, als comble, nog bovendien de juffrouw van z'n
kleine broertje! Was er, goed beschouwd, voor hem wel een andere uitweg,
om 't laatste restje van z'n prestige tegenover z'n broertje op te
houden, dan door regelrecht in de oppositie te gaan?
Hoe blij ik ook was, dat ik dien keer m'n klas eerst het vijfde, en
daarna ook nog het zesde halfjaar mocht houden, m'n vreugde werd toch
wel een beetje getemperd, toen ik bij 't binnenkomen in de „zesde” daar
den slungeligen Jan zag zitten met z'n spits bleek gezicht en z'n lange
lattige ledematen. Want ofschoon ik met den kleinen Nico nooit last had
en hem, al was 't ook in de achterste gelederen, nog steeds mee over had
kunnen sleepen, 't heele gezin stond toch ongunstig bekend.
Vader was kellner en blijkbaar geen geheel-onthouder, moeder een eerste
ruziezoekster, 't groote zusje kende ik al uit de handwerkklas als
een lastige onhandelbare meid en over Jan luidde 't oordeel van den
onderwijzer, die hem nu had laten zitten: een onverschillige vlegel,
waar niets mee te beginnen was.
Toen er dus tegenover mij nog onwil bij kwam, of liever de zeer bewuste
wil om duidelijk te demonstreeren, dat hij „maling had an dat malle
waaf”, kan ieder begrijpen, hoe'n plezierige leerling ik aan hem kreeg.
Onomwonden verklaarde hij door z'n heele gedrag, dat hij niet ~verkoos~
door te werken, op te letten, z'n best te doen, in één woord: mij te
gehoorzamen.
'k Geloof, dat hij graag had gezien, dat 'k mij vreeselijk kwaad op
hem gemaakt had; hoe meer scènes, hoe liever. Maar gelukkig was ik zoo
wijs, den vrede in m'n prettige klas zoo min mogelijk door hem te laten
verstoren. Ik zette hem achteraan in den onschadelijksten hoek en liet
hem daar maar in z'n eigen sop gaar koken. En pas wanneer hij de rust
van de andere kinderen of van mijzelf al te zeer bedreigde, zei ik:
„Jan, ik kan je niet langer gebruiken, ga maar een beetje aan den muur
staan!”
Nu had ik nog één voorrecht en dat was, dat ik geen geweld met hem
hoefde te gebruiken. Ik denk haast, dat het tegen z'n eer was, om zich
nog door een „juffrau” te laten aanraken. Tenminste na zoo'n sommatie
stond hij altijd dadelijk op, trok een gezicht, alsof hij zeggen wou:
„Mensch, 'k ben blij, dat ik es even niet naar je vervelend gezicht
hoef te kijken” en slofte naar den muur, waar hij als een baliekluiver
tegenaan ging staan hangen.
Na een kwartiertje had hij dan ook daar wel weer genoeg van; dan ging
hij wat ordentelijker staan om te toonen, dat hij desnoods wel weer naar
z'n plaats terug wou—en dan liet ik hem maar weer gaan zitten.
Natuurlijk kwam er op die manier niet heel veel van z'n werk terecht.
En, als ik aan die school niet toevallig tusschen 12 en 2 had moeten
overblijven, vrees ik, dat ik m'n geweten daar ook niet al te zeer
mee had bezwaard. Nu ik echter toch op zijn minst tot half één in de
klas bleef, leek het mij nog de natuurlijkste straf ('t was trouwens
ook de eenige, die ik voor hem wist te bedenken), hem na twaalven het
achterstallige werk te laten inhalen. En werkelijk, 't zij door z'n
verlangen naar de vrijheid, 't zij omdat er nu toch geen publiek was,
om z'n „branie” te bewonderen, dan werkte hij gedwee achter elkaar
door, tot ik hem de rest cadeau deed en hem gaan liet.
En zoo sukkelden we een week of wat met elkaar voort, zonder dat er
eenige verandering in ons gedrag merkbaar was. Tot.... nu komt het
groote on-paedagogische moment!
Op een middag had ik als naar gewoonte m'n tafeltje wat opgeruimd, m'n
boek klaargelegd en m'n boteram uitgepakt (een boteram met een gekookt
ei er tusschen), toen Jan z'n griffel neerlei en me aankondigde, dat hij
„klaar” was. Met een hoofdknik riep ik hem bij mij, om z'n sommen na te
zien.
„In orde”, zei ik. „Nu nog je taalwerk.” En liet hem de lei weer
wegnemen. Maar op datzelfde oogenblik keek ik toevallig naar hem op.
Men moet zelf een-en-twintig jaar geweest zijn en eens vanaf je 's
morgens inderhaast ingepropte boteram-van-acht-uur tot over twaalven
gevast hebben, om te weten, hoe lekker en ook hoe doordringend sterk
zoo'n boteram-met-ei ruikt. M'n eigen geprikkelde reukzenuwen wezen
me den rechten weg en onmiddellijk begreep ik de richting van Jan's
schuw-begeerigen blik. En tegelijkertijd voelde ik aan ~mijn~ maag,
wat een honger die jongen ook moest hebben.
Ik lei een halve boteram op den hoek van 't tafeltje: „Daar, proef maar
eens!” Half van mij afgedraaid greep hij het, bromde iets, dat werkelijk
wel „dank-je” kon verbeelden en verdween er mee achter z'n lei.
Toen ik den volgenden morgen m'n twaalf-uurtje stond klaar te maken,
zag ik opeens het bleeke spitse gezicht van m'n dierbaren Jan voor me
en—pakte er voor hem ook een boteram bij in. Uit bravigheid? Of om zelf
niets van m'n rantsoen te hoeven afstaan? Of om straks van m'n maal te
kunnen genieten zonder door Jan's hongerigen blik gestoord te worden? De
overwegingen voor onze daden zijn niet altijd precies op te geven, maar
dit weet ik wel: met paedagogiek hadden ze op dat oogenblik niets uit te
staan.
En na twaalven, toen 'k weer aan m'n tafeltje zat, maakte ik 't nog
erger. Zoo onpaedagogisch mogelijk zei ik tegen m'n vis-à-vis daar ginds
op de achterste bank: „Zie je, 'k dacht het al wel, dat jij me vanmiddag
weer gezelschap zou houden. 'k Heb voor jou ook maar een boteram
meegebracht. Hier, kom 'm maar halen.”
* * * * *
We hadden teekenen dien middag en op een gegeven oogenblik stond ik
iets op 't bord vóór te doen. Daar hoorde ik gegrinnik achter m'n rug.
't Kwam uit den hoek, waar Jan zat en zonder er verder bij te denken,
keerde ik me om en zei: „Ga maar zoo lang uit je bank, Jan.”
Opeens—zag ik heusch wel goed—daar liet die groote lummel zich
voorover op z'n bank vallen en begon te huilen als een klein kind!
Als ik het op een gloeienden Augustusdag uit een strakblauwen hemel
plotseling had zien sneeuwen, had ik niet gekker kunnen opkijken. Daar
moest ik meer van weten! Ik liep er heen, zag Jan's echte tranen, toen
het roode schuldbewuste gezicht van kleine Evert naast hem—en was in
tien tellen geheel op de hoogte.
Jan ~had~ het niet gedaan! Hij had juist z'n leven willen beteren,
goed willen oppassen, zelfs heldhaftig weerstand geboden aan Evert's
„lolletjes”. En toen—niet alleen dat 'k niets van z'n heilig streven
gemerkt had, maar bovendien had ik zonder eenigen vorm van proces hem
maar dadelijk schuldig verklaard! Dat was te veel, dat had de maat bij
hem doen overloopen.....
'k Had het vooruit kunnen weten. Hoe vaak had ik 't niet gehoord, dat
„de weg naar het hart van een man door z'n maag gaat”!
En wat ik voortaan meer wist? Dat een boteram niet alleen voor 't
lichaam maar ook voor de ziel „opvoedkundige” waarde kan hebben!