JASSIE.

Eigenlijk heette hij Eleazar en zoo had de onderwijzeres, bij wie hij 't

eerste halfjaar in de klas had gezeten, hem ook genoemd. Maar toen ik

hem bij de zittenblijvers kreeg, en van dien langen plechtigen naam op

de lijst voor mij naar dat kleine onooglijke kereltje keek, kon ik mij

niet weerhouden, te vragen: „Hoe noemt moeder je eigenlijk?”

Hij werd rood en bleek en begon te hakkelen. Dat deed hij altijd, als

hij zenuwachtig of opgewonden was, geen wonder dus nu, zoo'n eersten dag

bij een nieuwe juffrouw. „Eel,... Eele... Elejaasr,” bracht hij er met

veel moeite uit.

„Ja,” zei ik, „zoo heet je, dat weet ik wel. Maar noemt moeder je ook

zoo, zoo heelemaal voluit?”

Ja—knikte hij stom, met 't hoofd omlaag.

„Weet je wat,” zei ik toen, „de dagen zijn tegenwoordig zoo erg kort

voor zoo'n langen naam, dan zal ik maar Elie tegen je zeggen.”

Nu, daar had hij blijkbaar niets tegen. En zoo bleef het dan ook. Maar

een paar dagen later hoorde ik luidkeels over de speelplaats schreeuwen:

„Jassie! (eigenlijk riepen ze „Jessie”) kom dan hierau! Je mag

majdoene!” En daar kwam hij aanstormen, dolblij dat hij „majdoene”

mocht.

Sedert hoorde ik hem geregeld Jassie noemen door de andere kinderen. En

op een morgen kwam ook z'n oudste broertje bij me: „Juffrouw, Jassie het

vannacht zoo gehoest, dat Moeder hem maar thuis gehouwe het.”

'k Vond het zoo'n allerleuksten, origineelen naam en zoo geknipt voor

dit eigenaardige ventje, dat ik, toen hij weer op school kwam, 't ook

eens waagde, hem zoo te noemen.

Maar dat viel niet in goede aarde. Even keek hij me van opzij aan. 'k

Zag z'n oogen nijdig vonken, toen deed hij net, of hij heelemaal niet

begreep, dat 'k hem bedoeld had. Een paar dagen later herhaalde ik de

proef—met 't zelfde resultaat. 't Was zoo klaar als de dag: Thuis en

voor de kinderen op school wou hij Jassie heeten, voor de juffrouw niet.

Natuurlijk heb ik mij verder overeenkomstig z'n wensch gedragen. Maar

hier, Jassie—ik kan 't heusch niet helpen en je moet er ook niet

driftig om worden—hier wil ik je bij je waren naam noemen. Want Jassie

heette je toch en onder dien naam ben je ook in m'n herinnering blijven

voortleven.

* * * * *

Als 't waar is, wat de theosofen beweren, dat onze ziel meermalen op

deze aarde wederkeert, dan had ik Jassie wel graag eens in z'n vorig

leven willen bijwonen. Vast en stellig moet hij een heel voornaam

personage zijn geweest, een Turksch grootvizier of een Oostersche prins

of misschien wel de onbeperkte alleenheerscher over een onmetelijk rijk,

in ieder geval dus iemand, die gewend was te bevelen en gehoorzaamd te

worden. Want het commandeeren zat hem in 't bloed en tegenspraak kon hij

niet velen. Haast onverdraaglijk was 't hem, iemand boven zich te dulden

en eerbied of ontzag kende hij niet. Kon hij 't helpen, dat hij, met

dien heerschersaard, geboren was als nummer zooveel in een ongelukkig

gezin, waarvan de vader op een gegeven oogenblik „er vandoor was

gegaan”, moeder met 't heele nest onverzorgde jongen achterlatend?

Dat hij van z'n geboorte af niets dan armoede en ontbering had gekend,

bleek en bloedeloos was gebleven, een min, klierachtig kereltje in

gelapte havelooze kleeren, wiens voorkomen nederigheid en deemoed deed

verwachten? En dat die markante tegenstelling tusschen z'n ingeboren

aard en de positie waarin 't noodlot hem geplaatst had, telkens weer

aanleiding gaf tot tragi-komische conflicten?

Thuis was hij haast niet te regeeren en meermalen kwam z'n moeder, een

mager afgebeuld sloofje, me haar nood klagen. „'t Is een baasspeler,

juffrouw; als de groote jongens niet naar z'n pijpen dansen, dan maakt

hij spektakel; nou, u begrijpt, dan lachen ze 'm in z'n gezicht uit en

dan zou hij ze kunnen vermoorden! 'k Hou soms me hart vast, want zoo'n

kind zou z'n eige in z'n drift nog een ongeluk aandoen, nietwaar? En dan

soebat en smeek ik de andere jongens maar om 'm een beetje z'n zin te

geven. Maar 't is wel es een heele toer, om den vrede met 'm te bewaren,

dat kan ik u verzekeren.”

De school met z'n kille, starre tucht en orde, met z'n eeuwenoud

prestige, dat al zooveel ontembare, drukke kinderen gebiologeerd heeft,

zooals de gapende muil van de slang het 't vogeltje of 't konijntje

doet,—die school imponeerde ook kleine Jassie ondanks hemzelf en

daaraan had ik 't ongetwijfeld te danken, dat hij nog zoo ten naastebij

deed, wat ik zei. Soms had hij zelfs een overdreven ijver in 't

gehoorzamen. Als ik ze dan b.v. aan de sommen liet beginnen, dan trok

hij met een vaart z'n lei uit z'n kastje en keek gebiedend om zich heen,

alsof hij zeggen wou: „Vooruit, slaven, wie is er nog niet aan den

arbeid? Ik, de rechterhand en vertrouwde raadsman van ons aller vorstin

en gebiedster verwaardig mij nog wel, eigenhandig aan jullie werk deel

te nemen. Laat ieder zich dus beijveren, mijn voorbeeld te volgen!”

Maar al te vast moest ik niet bouwen op die gehoorzaamheid, vooral niet,

als 't meneer eens een dag niet zinde. En vaak genoeg heb ik al m'n

beleid noodig gehad, om mezelf een eervollen terugtocht te verschaffen.

Zoo gingen z'n broertjes en hij alle dagen even voor twaalven uit

school, want het lokaal, waar ze ritueel bereid middageten kregen, was

een minuut of tien bij ons vandaan. Een van de broertjes kwam dan aan

de deur kloppen en dan mocht Jassie mee. Maar op een dag, dat hij eens

heel dwars en ongezeglijk was geweest, had ik de onvoorzichtigheid om te

zeggen: „Hoor eens, als je nu niet beter oppast, dan zeg ik straks aan

je broertje, dat je nog niet mee mag gaan.”

Er kwam een groen licht in z'n oogen; toen hakkelde hij, dol van drift:

„Dan k.kom ik te laat en dan k.krijg ik n.niks meer.”

„Doe dan nog maar goed je best,” zei ik kalmeerend, „dan hoeft het

niet.”

Maar hij was door 't idee alleen zóó overstuur, dat hij nu heelemaal

niet meer opletten kon. En af en toe hoorde ik hem de vreeselijkste

bedreigingen mompelen: hij zou me wel dit en hij zou me wel dat en ik

moest het maar eens probeeren, hem ~niet~ naar de eetzaal te laten gaan.

Toen eindelijk 't broertje aanklopte, zat hij me aan te kijken in zoo'n

hevige spanning, dat ik de wijste partij koos en zei: „Nu, je hebt het

gelukkig nog verdiend, ga maar gauw.” Waarop hij snel naar de deur liep

met een gezicht van „'t was je anders ook geraje geweest.”

Maar niet altijd was 't me mogelijk, conflicten met m'n kleinen

grootvizier te vermijden, en dan had ik soms m'n handen vol met hem.

Maar was de scène eenmaal achter den rug, dan bleef hij ook sans rancune

en waren we weer beste maatjes. Dan kon hij me b.v. zoo'n zelfden middag

na vieren voor de school opwachten: „'k gaan een endje met u mee.” En

dan slofte hij op z'n groote afgetrapte schoenen (afleggertjes van z'n

moeder) gemoedelijk naast je voort. 't Is wel eens gebeurd, dat ik bij

den hoek van de straat gekomen, tegen hem zei: „Ziezoo, ga nu maar gauw

naar je moeder, maar pas op voor de trams.” Daar moet nu niemand iets

onvriendelijks van denken, maar die straat kwam uit op een van onze

groote pleinen en Jassie met z'n verfomfaaide, rafelige pruik ongekamd

haar, z'n altijd druipend neusje, z'n havelooze kleedij en veel te

groote schoenen, waarvan de leege punten als van een schaats omhoog

staken, Jassie was heusch een cavelier, waarmee je bekijks had bij 't

oversteken van een druk plein. Maar hij liet zich niet afpoeieren, keek

me eens beschermend aan en zei dan: „ik bring u eerst nog een endje.” En

ik had niet het hart, er iets verder van te zeggen, want dan zou ik hem

doodelijk beleedigd hebben.

Dom was hij lang niet, en ik heb nooit begrepen, waarom m'n collega hem

had laten zitten-blijven. Z'n werk was wel altijd slordig, maar wie kan

van een kind dat altijd slordigheid en onzindelijkheid vóór zich gezien

heeft, dat nog nooit van z'n leven goed-schoone handen en heldere

passende kleeren gehad heeft, verwachten, dat het onberispelijk werk

zal afleveren? Ook was het lezen een struikelblok, z'n stotteren werd

natuurlijk nog eens zoo erg, als hij z'n eigen stem zoo alleen over de

klas hoorde. Maar voor de rest kon hij best mee en sommen maken deed hij

zelfs graag en goed. Als hij maar niet zoo'n ongelukkige driftige bui

had, was hij heusch geen naar kind in de klas, want hij was levendig en

altijd vol belangstelling. Ook had hij beslist een hartelijken aard en

zelf ook veel behoefte aan hartelijkheid. 't Was soms zelfs aandoenlijk

om te zien, hoe hij aansluiting zocht bij de andere jongens, die hem

meden om z'n buitenissigheid en z'n onredelijke driftbuien. 't Meest

speelde hij ook met een paar van de suffigsten, waar hij naar hartelust

baas over speelde. Maar mocht hij eens een keertje met de groote troep

meedoen, dan straalde hij van plezier—tot plotseling een werkelijke of

vermeende grief hem in woede deed losbarsten. En dan had je 't lieve

leven gaande.

't Beetje ontzag, dat de school hem nog inboezemde, raakte bij zoo'n

echte driftbui ook in de verdrukking. Autoriteit bestond dan eenvoudig

niet meer voor hem. Zoo herinner ik me, dat hij eens rood en bleek,

huilend van drift, stond te stampvoeten naast z'n bank, toen ik opeens

in 't lokaal naast het onze het Hoofd gewaar werd.

„Jongen!” riep ik, hopend hem te intimideeren, „hou je toch stil! Als

de bovenmeester je hoort, komt hij je nog halen en dan stopt hij je

misschien wel in 't kolenhok!”

„De b.bofemeester!” smaalde hij en toen opeens, woest: „de

b.baufemeester k.kàn me!”

Nog sterker was 't een anderen keer, met de prijsuitdeeling. Dat

is altijd een heel evenement voor de kinderen en 't lid van de

schoolcommissie, dat die kostbare geschenken van zes of zeven

stuivers—de kleintjes krijgen zelfs een lor van zes heele centen—komt

uitreiken, wordt aangestaard als een wezen van hooger orde. Toen dan ook

bij zoo'n gelegenheid Jassie weer eens extra woelig en onrustig was,

waagde ik m'n hoogste troef: „Denk er om, de dame van de prijsuitdeeling

kan ieder oogenblik binnenkomen.” Maar m'n jeugdige khalif van drie

turven hoog, verklaarde onomwonden, dat hij „m.maling had aan dat

pr.praasewaaf!”

Vaak heb ik het kind met zorg er op aangekeken en bij mezelf gedacht:

„Stumper, wat moet er van jou terecht komen? Hoe zul jij je ooit door

't leven slaan?” Dan probeerde ik mezelf wijs te maken, dat hij zich

nog wel zou leeren beheerschen en zich aanpassen zou aan de wetten der

maatschappij. Maar in m'n hart zag ik z'n leven steeds weer eindigen met

de gevangenis of de eene of andere inrichting voor zenuwlijders.

Intusschen, de Voorzienigheid had 't beter met hem voor, wist een wijze

oplossing voor het raadsel.

't Was wel vreeselijk snel in zijn werk gegaan en daarom schrok ik wel

heel erg, toen een van de broertjes 't mij 's morgens voor schooltijd

kwam vertellen. Keelontsteking was 't geweest. Pas drie dagen was z'n

plaatsje leeg; z'n griffels lagen nog in z'n laatje, op z'n lei stonden

de laatste sommen nog.

'k Heb uit de stapels schriftjes al de zijne bijeengezocht en ze

meegegeven voor z'n moeder. Hij had er vaak zoo bloedig z'n best op

gedaan, 't leek me een roerende gedachtenis aan z'n heldhaftig streven

met zoo gering resultaat!

Kleine Jassie, ik beklaag je niet. 't Leven is voor geen van ons allen

gemakkelijk, maar voor jou had 't onvermijdelijk slechts ramp en

teleurstelling gebracht.

En misschien—misschien hebben de theosofen gelijk. In een volgend leven

wil ik mij je zoo graag voorstellen als een gezond, krachtig kind uit

een beter milieu, waar je karakter zich in de goede richting kan

ontplooien. Dan zou je met je goed verstand, je warm hart, je sterken

wil en je zucht tot heerschen een groot man kunnen worden, misschien

zelfs een van de o, zoo weinigen, die de Menschheid een klein stapje

verder voeren op haar moeizamen weg naar het verre Geluk.

+--------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: „griene”. 's Is een miniatuur |

| C: „griene”. 't Is een miniatuur |

| B: uitstarend. De vreemste klanken, |

| C: uitstarend. De vreemdste klanken, |

| B: andere kleur ook. Maar in de |

| C: andere kleur ook.” Maar in de |

| B: beetje warm te worden!'. |

| C: beetje warm te worden!” |

| B: de kachel optookte, en nu |

| C: de kachel oppookte, en nu |

| B: krullebol, maar 'k merke al gauw, |

| C: krullebol, maar 'k merkte al gauw, |

| B: ze 't over zou krijgen” |

| C: ze 't over zou krijgen,” |

| B: je nou wel? zei ze triomfantelijk, |

| C: je nou wel?” zei ze triomfantelijk, |

| B: het 2de coupeletje inzette: |

| C: het 2de coupletje inzette: |

| B: minste wel bebben mocht, tevreden |

| C: minste wel hebben mocht, tevreden |

| B: best op hem gedaan hadt,.... |

| C: best op hem gedaan hadt,....” |

| B: blik was te regeeren. |

| C: blik was ze te regeeren. |

| B: stem en blik: Zeg Els, |

| C: stem en blik: „Zeg Els, |

| B: een zekere spanninng liet ik mijn |

| C: een zekere spanning liet ik mijn |

| B: zouden lachen, En als ze maar |

| C: zouden lachen. En als ze maar |

| B: bank de fuifstemming, ze wou |

| C: bank: de fuifstemming, ze wou |

| B: Arie ging, op school! Maar nauwelijks |

| C: Arie ging, op school!” Maar nauwelijks |

| B: zulke veelbelovende stemmetje |

| C: zulke veelbelovende stemmetjes |

| B: de schrik werd. Mn hemel, dat |

| C: de schrik werd. M'n hemel, dat |

| B: we deëe bokkie, soo met |

| C: we deeë bokkie, soo met |

| B: en twee faasies met bloeme.... |

| C: en twee faasies met bloeme....” |

| B: zn autotocht. Toen liet hij zich in zn |

| C: z'n autotocht. Toen liet hij zich in z'n |

| B: wat ze hebbe mot” leeraarde ze. |

| C: wat ze hebbe mot,” leeraarde ze. |

| B: zei 't ventje. Maar dan eens |

| C: zei 't ventje. „Maar dan eens |

| B: ~dien~ tijd.” |

| C: ~dien~ tijd.”” |

| B: me prinsheerlijk z'n nienwe |

| C: me prinsheerlijk z'n nieuwe |

| B: klierachttg was. En nou |

| C: klierachtig was. En nou |

| B: Waarom wil jij je levertraan |

| C: „Waarom wil jij je levertraan |

| B: mot er dan foor 'm sorrege? |

| C: mot er dan foor 'm sorrege?” |

| B: dat m'n eerste gedache was: |

| C: dat m'n eerste gedachte was: |

| B: van julie 'm per ongeluk |

| C: van jullie 'm per ongeluk |

| B: me moe gekrege.” huilde ze. |

| C: me moe gekrege,” huilde ze. |

| B: bedenkelijk gezicht en zei: We zullen |

| C: bedenkelijk gezicht en zei: „We zullen |

| B: fooiengeld hou ik zelf.” zei |

| C: fooiengeld hou ik zelf,” zei |

| B: „Da's nou Steefie” zei ze bij |

| C: „Da's nou Steefie,” zei ze bij |

| B: werk was, Gasbertus Krnajles wat af |

| C: werk was, Goasbertus Krnajles wat af |

| B: de „Faaselstraat” een hond is |

| C: de „Faaselstraat een hond is |

| B: te onrustig is zeker „paardeflajsch |

| C: te onrustig is—zeker „paardeflajsch |

| B: vous ètes l'aube et mon |

| C: vous êtes l'aube et mon |

| B: zoo wil strengele” |

| C: zoo wil strengele”. |

| B: bloeme”, zooals Jundje me, niet |

| C: bloeme”, zooals Juudje me, niet |

| B: slappe geknakte pronkstukken kwan |

| C: slappe geknakte pronkstukken kwam |

| B: dien keer m n klas eerst |

| C: dien keer m'n klas eerst |

| B: staan! |

| C: staan!” |

| B: gij wat ordentelijker staan |

| C: hij wat ordentelijker staan |

| B: En tegelijkertijd veelde ik aan |

| C: En tegelijkertijd voelde ik aan |

| B: naar de geduldige goeiigheid, waarover |

| C: naar de geduldige goeiïgheid, waarover |

| B: gemaakt, je vondt ze lastig, |

| C: gemaakt, je vond ze lastig, |

| B: hield ze even op—En wil u wel |

| C: hield ze even op.—En wil u wel |

| B: uit—Weet u, wat die Ka |

| C: uit—weet u, wat die Ka |

| B: ergste.—ze zuchtte eens—Nooit |

| C: ergste.—Ze zuchtte eens.—Nooit |

| B: het ook niet opgelet!—Hardhandig |

| C: het ook niet opgelet!”—Hardhandig |

| B: ik kalmeerend, dan hoeft het |

| C: ik kalmeerend, „dan hoeft het |

| B: b.baufemeester k'kàn me!” |

| C: b.baufemeester k.kàn me!” |

| |

+--------------------------------------------------------+

Kinderen uit m'n klas · 第 24 / 24 题