Wat is het toch, dat ons zoo machtig in het kind bekoort, ons zoo
onweerstaanbaar tot hem aantrekt, ons steeds opnieuw weer weet te
boeien?
Zou 't niet het nieuwe, frissche, ongerepte wezen? Die oogen, zoo helder
en klaar, dat velletje zoo zuiver en fluweelig, de tandjes zoo blinkend
wit, het haar zoo fijn en zoo glanzig! En meer dan dat alles tezamen,
z'n zieltje! Is er iets bekoorlijker, aantrekkelijker, boeiender dan de
kinderziel? Iets frisscher, nieuwer, oorspronkelijker?
Het kind volgt nog niet de versleten, platgetrapte paden van ons
conventioneele denken, het oordeelt en handelt naar z'n eigen—meest
zeer logischen—gedachtengang. En de resultaten zijn steeds
belangwekkend, vaak oerkomisch, soms zelfs verrassend!
De wereld bestaat uit ooms en tantes, koekjes en bonbons zijn gratis
overal verkrijgbaar, een veldbloempje, een blank kiezelsteentje
zijn niet genoeg te waardeeren schatten, een vlechtmatje (liefst
rood-met-goud of blauw-met-zilver) is oneindig veel mooier dan Moeder's
Perzische kleedje, de hond van den melkboer is een zeer gezien persoon,
wiens relatie op hoogen prijs wordt gesteld, met de schillenkar een
eindje mee mogen rijden behoort tot de zaligste genoegens, den
„IJsco-man” een uurtje helpen, tot de hoogste onderscheidingen.
Zoo zou ik kunnen doorgaan en ieder uwer zou m'n lijst kunnen verrijken
met teekenende grappige voorbeelden.
Want elk kind, 't zij dom of schrander, stil of uitbundig, gesloten of
mededeelzaam, onbeduidend of geestig—verraadt ons nu en dan door een
komisch gezegde 't verrukkelijk-origineele van z'n denken en voelen.
Een kind, beroofd van dit echt-kinderlijke, kunnen we ons haast niet
voorstellen. 't Zou doen denken aan een lente zonder bloemen, aan een
vrucht zonder sap, aan een bosch zonder vogels.
* * * * *
„Judith” las ik op de leerplichtkaart. En voor mijn verbeelding rees een
Oostersche prinses met trotsche gebaren en een ongenaakbare houding, met
amberkleurige huid en Egyptische oogen, gekleed in kleurige zijde en
getooid met gouden sieraden en fonkelende juweelen.
„Juist juffrouw, zoo staat ze ingeschreven, maar wij zeggen altijd maar
Juudje.”
Nog met het beeld van m'n Oostersche prinses voor oogen, richtte m'n
blik zich op het bleeke, sjofele kindje in haar groenig-zwarten
omslagdoek. En ik was blij om die naamsverandering.
„Ik kom 'r zelf even brengen”, ging de vader voort, zich
blijkbaar niet heelemaal op z'n gemak voelend in deze omgeving van
moeders-met-kinderen. „Want 'r moeder is niet meer zoo erg goed ter
been, ziet u, die kan alle dagen numero vier verwachten.” En, dadelijk
m'n vragenden blik begrijpend, met echte vadertrots: „Ja, zij is de
oudste, onder haar heb 'k nog een jongen en een meisje!”
Weer keek ik naar m'n Oostersche prinses. En opeens, met een schok, zag
ik, dat dit kind geen kind was, maar een oud vrouwtje in miniatuur.
Kwam het door die ouwelijke omslagdoek, door de gelige bleekheid
van 't magere gezichtje, door het wisselen der tandjes, wat haar een
mummelmondje gaf? Nee, dat was het allemaal niet: 't was het ouwelijke,
zorgelijke kijken der half toegeknepen oogjes, 't was het ouwelijke,
zorgelijke zieltje zelf, dat me uit die oogjes aankeek.
Ze schenen te weten, die oogjes, van al de zorgen en pijnen der
aanstaande bevalling, ze schenen me levenswijs toe te knikken met een:
„Ja, wat zeg je dr van, nou al nommer vier, waar moet het op die manier
naar toe? En wat een moeite en getob, om die allemaal fatsoenlijk groot
te brengen!”
En met ontzetting dacht ik: Wat moet dat kind in die zes jaar van haar
bestaan aan levensvreugde te kort zijn gekomen, met hoeveel zorgen en
zorgjes is dat heel-jonge zieltje al bezwaard, dat het nu reeds iedere
frischheid, iedere veerkracht mist! Of, erger nog, zou het die ooit wel
bezeten hebben? Zouden misschien de zorgen en bekommernissen van een
lang voorgeslacht al vóór de geboorte hun stempel op haar hebben
gedrukt; zou ze met dit oude versleten zieltje op de wereld zijn
gekomen?
* * * * *
Twee jaar hield ik Juudje in m'n klas, niet één keer in al dien tijd
zag ik haar als een echt kind. Spelen deed ze nooit. „Je schoene hebbe
d'r zoo van te lije en de kindere trekke je altijd je goed stuk”,
antwoordde ze, als 'k haar vroeg, waarom ze niet mee hinkelbaantje of
kruip-door-sluip-door speelde. Veel liever kwam ze aan m'n arm hangen,
om me deelgenoot te maken van alles, wat er zoo zwaar op haar hartje
woog.
Want snateren kon ze en deed ze graag, als een echt oud wijfje. En
terwijl ze zoo bezadigd naast me heen en weer drentelde, onthulde het
schelle stemmetje met de scherpe keelgeluidjes me heel de intimiteit van
het huishouden, waarin ze leefde. Van kleine Iesie af, die „niet zuigen
wou” en „dauwwurrem” had, tot Opoe toe, die met oome Mau ook bij hen
inwoonde en die kookte en de aardappels schilde, terwijl oome Mau met
Vader op negosie ging.
't Scheen wel, of dat kind nooit een pop of prentenboek bezeten had, of
ze nooit vroeg naar bed ging, of ze nooit iets anders deed dan tusschen
de groote menschen zitten, hun gesprekken afluisteren, en hun zorgen en
zwarigheden in haar klein hoofdje opnemen en verwerken. En ook scheen
't, alsof er nooit iets anders dan zorg en narigheid verhandeld werd in
dat gezin!
Met de andere kinderen ging Juudje om, zooals ze 't, denk ik, van haar
moeder met de buurvrouwen had afgekeken: wantrouwig, scherp, venijnig en
bovenal, critisch! „Gunst, wat een gekke hoed heb je op!” „Ajakkes, dat
zou ik niet lusten, hoor,” of „'t Gaat jou wat an, as me moeder me haar
zoo wil strengele”.
Maar nooit zag ik haar met een „vriendinnetje” samen van dezelfde appel
bijten, hapje om hapje, zooals kinderen zoo graag doen, of met de armen
om mekaars hals en oogen als sterren elkaar de gewichtigste geheimen
influisteren: „Nee zeg, en moetje hooren...”
Zelfs met haar eigen broertje en zusje speelde ze niet, veeleer had ze
iets van een bedillerige zure gouvernante. Als 't Zaterdagsmorgens mooi
weer was, kwam ze, keurig uitgedost, met ze naar 't plantsoentje, om
mij in 't speelkwartier te begroeten. En dan moest je haar hooren:
„Lewietje, geef de juffrouw een handje.... Nee domme jongen, je mooie
handje.... he je nou wéér een vuile neus? waar he je je zakdoek dan
gelate?... Sefietje! wil je hier blijve, mot je valle en je mooie jurk
vuil make?... Lewie schop niet zoo tege die steentjes, je stoot je heele
schoene stuk!”
Meen niet, dat ze niet van ze hield. Maar haar liefde wist geen andere
uiting dan de getrouwe nabootsing van moeders opvoedingssysteem en ze
kwam dus niet verder dan tot knibbelen en vitten en een angstvallige
zorg voor hun kleeren en schoeisel. En broer en zusje van hun kant? Noch
het nerveuze rustelooze jongetje, noch de kleine waggelende dikzak met
haar rooie wangen en tintelende pretkijkers trokken zich iets aan van de
vermaningen van groote zus Juudje, maar evenmin toonden ze haar eenige
aanhankelijkheid. 't Leek me een ondankbaar werk, de educatie van
Lewietje en Sefietje, maar toch gaf zij er nooit den moed bij op.
Het voorjaar bracht eenigen welstand in 't gezin: Vader was nou „in
de bloeme”, zooals Juudje me, niet zonder trots, vertelde. En de
bewijzen daarvan ontving ik dan ook spoedig genoeg: Alle voor den handel
afgekeurde koopwaar werd grootmoediglijk voor mij bestemd, zoodat van
nu af aan m'n lokaal steeds vol stond met verlepte, half-uitgevallen
bloemen.
't Was een echte bezoeking. Toch had ik niet het hart, ze weg te gooien,
eer ik er met Juudje over geconfereerd had en we samen tot de conclusie
waren gekomen, dat het mooie er nu toch wel zoowat af was. En ook
probeerde ik maar ieder keer opnieuw een opgetogen gezicht te zetten,
als ze weer met zoo'n handjevol slappe geknakte pronkstukken kwam
aanzetten. Erkend dient te worden, 't koninklijke gebaar, waarmee ze
mij werden aangeboden, maakte veel goed. En bovendien kreeg ik bij
iedere bezending een gratis les in de plantkunde op den koop toe.
„Weet u nou, wat dat benne?” vroeg ze dan, met een neerbuigende
vriendelijkheid.
„'k Geloof een soort dubbele narcissen?” giste ik aarzelend, vooruit al
bevreesd, dat 'k weer „onvoldoende” zou halen.
Haar meelijdend glimlachje bevestigde m'n vrees. „Nee”, wees ze me
terecht, zooals je 't een klein kind doet, dat vraagt, of die rooie
dingetjes daar boven in de denneboomen nou geen worteltjes zijn, „nee
juffrouw, dat benne prins-augeenejussen! En die, dat benne
kweenviktorejaa's!”
Ja, dank zij 't „Geschäft” van haar vader, had ze van veel artikelen
verstand. Toen ze eens een klein ventje in verrukking zag over een
purperkleurige capsule van een flesch, goot ze koud water op z'n
enthousiasme door te beweren, dat „dat geen cent waard” was. Een volgend
keer wist ze een andere dreumes, die zich schatrijk waande met een stuk
zilverpapier, nauwkeurig in te lichten, dat het geen „echt zilver” was
en dat haar vader dat verkocht voor zóóveel centen het kilo. Voor
hoeveel centen wist ze ook precies, maar ik ben het tot m'n spijt
vergeten.
Op mijn beleid viel ook heel wat aan te merken, vond Juudje. Lieve
hemel, wat was ik roekeloos! Ik nam zóó maar een nieuw pijpje krijt, als
't andere nog niet heelemaal op was. In 't begin hadden we zelfs formeel
strijd over dit laatste punt. Als zij 's Zaterdags verzuimd had en dus
't blad van haar schrijfboek niet mee had kunnen vol schrijven, verzette
zich haar gansche ikheid er tegen, om 's Maandagsochtends op een
nieuw blaadje te beginnen en steevast kwam dan haar vingertje omhoog:
„Juffrouw, mijn blaadje is nog ~lang~ niet vol.” Tot ik haar vertelde,
dat ze later, als ze 't heelemaal netjes volgeschreven had haar
schrijfboekje mee naar huis mocht nemen. „En dan kun je je thuis nog
eens oefenen op al die open plekjes”. Toen was ze met het idee verzoend:
„en daar kan me moeder dan nog es een briefje op schrijve”, oordeelde ze
praktisch.
't Ergste had ze het te stellen, als ik nieuwe pennen uitdeelde. Ten
eerste: waren al die pennen nu wel genoegzaam versleten? Zij had b.v.
met de hare gisteren nog best kunnen schrijven. Stel nu eens, dat er
nog een stuk of wat zulke dragelijke pennen onder waren, die ook nog
eenige dagen meegekund hadden! 't Was eenvoudig niet om aan te zien,
zoo'n kapitaalsvernietiging! En dan, dan liet ik al die oude pennen
ophalen—en zóó maar in de prullemand gooien! Wie gooide nu iets weg,
dat nog zooveel waarde had? Wie weet, hoeveel ze nog wel per kilo
opbrachten!
Zoo ongeveer moet haar gedachtengang wel geweest zijn, want alleen op
die manier kan ik haar aarzelend verzoek verklaren, of zij die pennen
mocht hebben, die in de prullemand lagen. En gelukkig heb ik het
begrepen en haar stellig beloofd, dat ik ze een volgenden keer voor haar
zou bewaren. Intusschen schijnt ze echter bij vader haar licht te hebben
opgestoken, betreffende de handelswaarde van roestige pennen; ze heeft
er tenminste nooit weer om gevraagd.
Arme kleine Juudje! Voor ons allen breekt eens de dag aan, waarop we tot
de droeve ontdekking komen, dat er op de wereld ook nog andere menschen
zijn, dan „ooms en tantes”, die slechts ons welzijn beoogen. Vroeger of
later ervaren we, dat veel van wat zoo mooi blonk en schitterde, enkel
klatergoud of „zilverpapier” was. Maar nog nooit is iemand door die
wetenschap gelukkiger geworden.
En daarom bekruipt me telkens, als 'k weer aan m'n arme Juudje denk,
het diepste medelijden. Want niets lijkt me troosteloozer, dan het
leven nooit anders dan van z'n meest dorren, prozaïschen kant te hebben
bekeken, en dus nooit volop kind te zijn geweest. En heel smartelijk
voel ik, dat de toekomst geen schatten genoeg kan brengen, om haar dit
gemis te vergoeden.