IMMETJE.

'k Moet er den heelen dag aan denken, telkens schiet het me opnieuw in

de gedachte. En dan vraag ik me af: Wat zou jij gedaan hebben? Had jij

dat ook kunnen doen? en is het ten slotte zoo wel het beste?

En telkens rijst er een nieuwe vraag. Maar ik kan geen van alle

beantwoorden.

* * * * *

Ze zit nu al een paar maanden bij me in de klas, vlak vooraan op de

eerste bank. Daar had ik haar den eersten morgen gezet, omdat ze er zoo

frisch en proper uitzag in haar licht flanellen jurkje en heldere, stijf

gestreken boezelaar. 't Glanzende goudblonde haar was in twee stevige

vlechtjes verdeeld, met een vroolijk rood strikje er om. 't Heele kindje

zag er zoo smakelijk en welverzorgd uit, dat ik mij er voorloopig maar

op trakteerde, haar vlak vóór mij te hebben. En dienzelfden morgen gaf

zij mij ook nog een extra verrassing.

'k Liet ze allemaal de handjes opsteken, om de zindelijkheid te

inspecteeren. Eerst van binnen en toen van buiten. En 'k vertelde ze,

dat ik dat nu voortaan elken morgen en elken middag zou doen. Want dat

is een vaste gewoonte van mij. Doordat ze geregeld gecontroleerd worden,

wennen de kinderen er aan, voor 't naar school gaan, de handen te

wasschen, de smeerpoesen stuur je naar de kraan, ze al of niet

bestraffend en de leerboekjes blijven aanmerkelijk langer schoon.

Bovendien, al heeft het niets met het principe te maken, is 't me

telkens weer een genot, 't bekijken van die veertig paar kinderhandjes.

Wat me er zoo in bekoort, zou 'k niet precies onder woorden kunnen

brengen, maar er zit een groote charme in al die verschillende soorten

handjes, de grove naast de fijne, de mollige en de magere, de forsche

en de tengere, de blanke en de bruine; al die opgeheven handjes met

hun uitgespreide vingertjes, ze zijn in hun soort even mooi en

aantrekkelijk. En terwijl ik met speurdersblik als een nijdige

politieagent door de rijen loop, heb ik alle moeite m'n gezicht in die

barsche plooi te houden en niet hier hier en daar zoo'n snoeperig handje

te streelen en te knuffelen. En 'k zou die verkwikking voor oog en hart

aan 't begin van elken schooltijd niet graag willen missen.

Maar toch, hoe zeer ik in dit opzicht verwend ben, toch kreeg ik dien

morgen een schok toen haar handjes omhoog gingen. En nog iederen dag

opnieuw sta ik er stil naar te kijken en begrijp nog maar niet, waarom

die handjes zoo roerend mooi zijn. 'k Ben geen schilder of beeldhouwer

en weet niet, waarin de bizondere schoonheid schuilt, 'k zie alleen een

paar kleine, sierlijke rose handjes met onbewust-bevallige gebaartjes

en, 't zij in rust of in beweging, in iedere houding verheugen ze mij

door hun schoonheid en poëzie.

Nu ik zoo uitweid over haar uiterlijke bekoorlijkheid, lijkt het haast,

of die alleen me getroffen heeft dien eersten dag. Maar ik kreeg ook een

klein tipje opgelicht van den sluier, die haar veel bekoorlijker

innerlijk nog voor mij verborg.

„Immetje” stond ze op de lijst. 't Was een naam, dien ik niet kende en

'k deed m'n traditioneele vraag: „En wat zegt moeder tegen je?”

Ze hief 't ronde kopje op en 't hooge stemmetje zong: „Immy.” En 't

leek me opeens de liefste naam, die je zoo'n klein blondje geven kunt.

Maar blijkbaar vond ze haar antwoord nog niet volledig genoeg en met een

vertrouwelijken blik in haar lieve kijkers ging zij verder: „En als 'k

heel zoet ben, dan zegt ze Schattepoes.”

Wie na een dergelijke confidentie van zoo'n pop haar niet dadelijk een

klein plaatsje in z'n hart inruimt, moet toch wel heelemaal van steen

wezen, dunkt me.

* * * * *

En zoo zit ze nu al een maand of drie op haar plaatsje in de voorste

bank en is m'n dagelijksche vreugde. Als onderwijzeres kan ik 't

eigenlijk niet goed praten, dat 'k haar die plaats laat houden, want

ze is een van de ordelijkste, rustigste leerlingen en daarbij heel

schrander en die hoor je op de achterste banken te zetten, of, als ze

daarvoor te klein zijn, dan in een van de buitenste rijen, terwijl je

zoo'n daaldersplaatsje vlak vóór je hoort te reserveeren voor den

grootsten droomer of den ergsten woelwater. Maar tot nu toe heb 'k nog

geen afstand kunnen doen van 't plezier, haar dicht bij me te hebben,

want moeder heeft gelijk: als ze zoet is, is ze een schattepoes, en ze

is altijd zoet. Ze heeft het natuurlijk aanvallige van een jong poesje,

al wat ze zegt, komt er even innemend uit. En ze kan zulke grappige

dingen zeggen!

Verleden week stak ze onder 't lezen opeens haar rose vingertje op en

verraste me met de verbazingwekkende mededeeling: „Juffrouw, wij hebben

thuis een boek en daar staan al de letters in van hier op school.”

Blijkbaar verkeerde ze in de meening, dat die letters een speciale

uitvinding van mij zijn en dat ik ze haar en de andere kinderen alleen

leer uit tijdverdrijf, om den langen dag op school om te krijgen.

Dezer dagen zat ik voor schooltijd schrijfvoorbeelden in de boekjes

voor te schrijven. Immy stond met beide armpjes op 't tafeltje geleund

en hield me gezelschap. Voor me stond een bakje viooltjes. Zij bekeek ze

aandachtig, toen begon 't hooge stemmetje te zingen: „Mooi zijn ze, he

juffrouw, net fluweel. Maar ze ~zijn~ toch niet van fluweel, is het wel?”

En heel teer streek haar sierlijk vingertje over de donzen

bloemblaadjes.

Toen opeens kwam 't er schuchter en geheimzinnig uit: „Waarvan zijn ze

dan eigenlijk ~wel~ gemaakt juffrouw?”

En toen 'k eerlijk bekende, dat 'k dat ook niet wist, keek ze me wat

ongeloovig aan en zei berustend: „Als 'k later groot ben en in zoo'n

hooge klas zit, dan zal ik het nog wel leeren, he?”

Ze heeft een allerliefst glashelder sopraantje en is dol op zingen. Ze

kent een nieuw liedje ook dadelijk en als ik dan zeg: „Nu mag Immy 't

ons eens komen voorzingen”, dan is haar dag goed. Ze spreekt ook niet

plat, zooals bijna alle volkskinderen in de groote stad. Misschien wel,

omdat ze in een betere buurt woont, zooals ik laatst ontdekte.

'k Liep door een der rustige straten van de deftige wijk, die aan onze

schoolbuurt grenst, toen 'k opeens m'n kleine Immy op 't trottoir zag

staan touwtjespringen.

„Kind,” zei ik, „hoe kom je hier zoo verzeild?”

„Ik woon hier toch”, lachte ze en wees me een zware deur, waarop ik den

naam van een bekend specialist las. En m'n verbaasd gezicht ziend, ging

ze voort: „Niet in al die mooie kamers, die zijn allemaal van Dokter,

zal ik u eens vertellen, hoeveel kamers die wel heeft?” Ze telde op haar

vingertjes: „Eerst de spreekkamer en de wachtkamer en 't eetkamertje

en boven de salon en de slaapkamer en de badkamer.” Toen, op het

sousterrain wijzend: „Daar is de keuken en de kamer en de slaapkamer,

daar wonen wij, ziet u. Maar touwtje springen moet ik altijd voor de

deur doen, want ik mag geen leven maken voor Dokter.”

* * * * *

Er wordt onder schoolmeesters nog wel eens gediscussieerd over de

vraag, wie prettiger leerlingen zijn, de jongens of de meisjes.

Wat mij betreft, ik zou het niet kunnen zeggen, behalve... voor 't

speelkwartier. Want ofschoon je met de jongens veel meer zorg en onrust

uitstaat, spelen ze toch zooveel aardiger, dat het gewoon niet te

vergelijken is. Zoo gauw ze één voet op de speelplaats gezet hebben,

komen ze in actie. De allerwildsten beginnen onder luid geschreeuw en

met uitgespreide armen heen en weer te rennen, om hun longen te vullen

en de stramheid uit hun leden te jagen. De overigen dringen in een

beweeglijk kluwen om één, die met z'n tanden de knoopen uit een eind

touw staat te trekken. Dan pakt hij er vlug twee bij den arm en „spant

in.” Nog een stuk of wat worden in het touw geduwd, dan geeft de

eigenaar, zonder op het roepen der anderen: „He Piet, mag ik auk?” acht

te slaan, een flinken ruk aan de leidsels: hrrt! En weg stuift de

„brandweer” of „gefangeniswage” of wat ze dien dag moeten voorstellen!

De achtergeblevenen kijken het span even verlangend na, maar ook maar

heel even. Dan geeft er een plots een gevoeligen opstopper aan wie 't

dichtst naast hem staat: „pats, jaj bint 'm”, en de heele troep vliegt

uit elkaar voor „kraagertje” of „sitkraagertje” of „foetje fan de

floer.” En zoo zijn binnen twee minuten al je jongens met bezweete

koppen in 't volst van hun spel.

Nu de meisjes. In druk discours komen ze op de speelplaats aangedrenteld

zonder eenige haast. Laten we nu eens zeggen, dat een van haar ook een

touw uit den zak haalt, en dat het voornemen bestaat, daarmee te gaan

touwtje springen. Dan heeft 't eerst heel wat voeten in de aarde, eer

ze haar keus bepaald heeft, wie al en wie niet mee zal doen. En het

versmade Grietje of Sientje legt zich ook niet zwijgend bij die

uitspraak neer.

„Sau”, heet het dan, „en werom mag ik nie majdoen? 'k Heb jau gistere

toch auk in de kring gekause?”

Of als ze minder logisch aangelegd is: „As je maan nie kiest, dan sal ik

~auk~ es fertelle, wat jaj”..., of „wat jau sussie”.... of iets

dergelijks.

De eigenares van het touw aarzelt bij die bedreiging, maar nu smijt

Jetje, die tot de uitverkorenen hoort, plots het touw neer: „Dan doen ~ik~

niet maj.” En dan is er ruzie en gekibbel, en gehuil en „'k sal 't

lekker an de juffrau segge.” En ondertusschen is 't speelkwartier al

voor 't grootste deel om.

Een ander keer hebben ze hun keus misschien wat eerder bepaald, maar nu

blijven ze toch zeker steken bij de oplossing van de vraag, wat er

gesprongen moet worden. De eene helft verklaart zich voor: „Ajn, twaj,

hoesaj!” de andere drenzen om: „Schajpe saale ofer de saj.” En wordt

eindelijk na veel gesnib en vinnig gekibbel de knoop doorgehakt, dan kun

je er zeker van zijn, dat een stuk of wat nijdig wegloopen: „Jesses naj,

de dubbelde, dan doen ik niet maj.” En ook is 't volstrekt geen

uitzondering, als ik ze hun gang laat gaan, dat ze nauwelijks of nog

niet eens begonnen zijn, als we weer naar binnen moeten.

M'n Immy kan nog maar steeds niet den smaak in dat soort spelen te

pakken krijgen. Ze is nooit haantje-de-voorste, daarvoor heeft ze een te

zachten aard. Met een paar groote bezorgde kijkers staat ze mee in den

kring 't aftellen aan te kijken. Die „af” is, zet dan gewoonlijk een

grooten mond op, dat 't „falsch” gegaan is—en ik moet toegeven,

meestal wordt er „falsch” afgeteld—en dan beginnen ze weer „over” af te

tellen, en soms gaat daar ook 't heele kwartier mee verloren. Verdriet

het haar dan al te zeer, dan glipt ze als een aaltje uit den kring en

komt haar troost bij mij zoeken. Ze geeft me een arm en begint te

babbelen:

„Zal 'k u es wat vertellen? Gistermiddag mocht ik mee naar boven, om te

helpen dekken, en toen was Dokter al thuis. En toen vroeg-ie of ik al

mooie liedjes leerde op school. En weet u, wat ik toen voor hem gezongen

heb? Van: „Als vogels en bloemetjes slapen gaan.” En toen zei hij, dat

't een heel mooi liedje was, en toen mocht ik de mooiste appel van 't

dessert uitkiezen.”

En als ik haar dan uit haar zonnig wereldje haal met de woorden: „Waarom

speel je nu niet met de andere meisjes mee?” dan drukt ze haar kopje

tegen m'n arm als een kleine poes en zegt zachtjes: „Och, ze spelen niks

aardig vandaag. Eerst mocht Beppie niet meedoen, omdat ze een kapotte

schort voor heeft en 't is maar zoo'n klein scheurtje. En nou Saartje

ook weer niet, want ze wil haar dropjes niet uitdeelen. Nou, en ze zegt,

dat ze 't niet mag van dr moe, want ze zijn voor de hoest en niet om te

snoepen, dat kan ze toch niet helpen?”

* * * * *

Van morgen komt ze verrukt binnen huppelen: „Kijk u nou es juffrouw,

kijk es, wat ik om heb?”

Om 't blanke halsje droeg ze een fijn zilveren kettinkje, waaraan een

glimmend blauw hartje bengelde.

„Kind”, zeg ik, „wat een prachtige ketting!”

Ze lacht me beschermend toe. „Dat is geen ketting”, zegt ze

goedig-terechtwijzend. „Weet u, hoe dat heet? Dat is een colliertje.”

„Zoo, dat wist ik niet. En van wie heb je dat moois wel gekregen?'

„Van m'n oom en tante”. Op een toon, alsof ze zeggen wou: „Dat spreekt

toch vanzelf.”

„Nou maar, jij hebt een lieve oom en tante, hoor!”

't Gouden kopje knikte toestemmend. Toen zichzelf bekijkend: „Dit

boezelaar heb 'k ook pas gekregen en m'n schoenen”. En de oogen weer

naar mij opslaand: „En verleden jaar, toen 'k hier gekomen ben, heb 'k

alles nieuw gekregen en ook allemaal nieuw ondergoed”.

En plotseling m'n verbaasd gezicht bemerkend, zong ze met haar hoog

stemmetje: „Ik krijg toch alles van oom en tante! Ik woon toch bij ze in

huis!”

Ik had er niets van geweten. „En Vader en Moeder dan?” vroeg ik, zoo

gewoon als ik maar kon met m'n dichtgeknepen keel.

„Vader is toch dood! En Moeder woont in Den Haag, met Henk en Jan. En

als oom en tante naar haar toe gaan, dan mag 'k altijd mee.”

Alles heeft ze me verteld, 'k ben nu geheel op de hoogte. Na Vaders dood

heeft zijn broer de weduwe, die met drie jonge kinderen achterbleef,

willen helpen. 't Kinderlooze echtpaar wilde wel een der kinderen

aannemen, maar, zelf dienstbaar als huisbewaarders, konden ze de twee

wilde jongens van 8 en 10 jaar niet hebben; alleen voor lieve, zachte

Immy heeft „Dokter” toestemming willen geven. En bedenkend, dat het kind

bij oom en tante beter verzorgd is, heeft Moeder, die nu zelf haar brood

moet verdienen, afstand gedaan van haar Schattepoes.

* * * * *

Toen is de bel gegaan en we zijn met 't leeren begonnen, Immy vlak

voor me op de eerste bank. En 'k heb m'n oogen niet van haar af kunnen

houden. Onder 't lezen zat ze kaarsrecht, 't lieve, rose wijsvingertje

volgde aandachtig rij na rij de eentonige zwarte letters, 't ronde

mondje vormde zoetjes de moeilijke woorden en fluisterde ze zachtjes

voor zich heen. Bij 't zingen hield ze de handjes gevouwen, 't vochtige

mondje half open, de groote kijkers onafgebroken op mij gevestigd, 't

was net een engeltje van een oude schilderij.

Maar 't aandoenlijkst vond ik haar onder 't schrijven, 't gouden kopje

ernstig gebogen, zoodat ik 't sneeuwblanke nekje met 't fijne zilveren

„colliertje” te zien kreeg, de wonder-mooie handjes op de bank, 't eene

in rust op 't schrijfboekje, 't andere dapper voortwerkend aan al die

moeilijke op- en neerhalen van zoo'n _m_, en dan nog zoo'n _m_ en dan

nog een, een heele rij vol, eer je 't potlood mag neerleggen.

En Moeder, aldoor heb ik aan jou moeten denken. Hoe heb je het gekund?

Als ik bedenk, dat ik, de vreemde, de „schooljuffrouw” haar voor geen

lief ding hier van de bank zou willen missen, hoe heb jij, de moeder,

dan de kracht gehad..... nee, 't is niet eens bij elkaar te vergelijken.

Ik ken je niet, 'k weet niet of je gevoelig of onverschillig, ijverig of

gemakzuchtig van aard bent. 'k Hoop haast voor je, dat je een koude

egoïste bent, dat je zegt: „Ziezoo, voor dat kind heb 'k tenminste niet

meer te zorgen.” Maar 'k weet wel beter, zoo ontaard kun je niet zijn,

want je bent Immy's moeder.

Moederliefde denkt niet om zichzelve, is 't wel? En je hebt gedacht: „Ze

zal het ginder goed hebben en beter verzorgd worden en ik kan haar niet

alles geven, wat ze noodig heeft.” En voor 't welzijn van je kind heb je

je opgeofferd.

Moeder, ik bewonder je en ik breng je m'n eerbiedige hulde! Maar dieper

dan bewondering en eerbied voel ik toch m'n medelijden. En telkens als

ik aan je denk, springen m'n oogen weer vol tranen.

Kinderen uit m'n klas · 第 18 / 24 题