Z'n intree was niet bepaald glorierijk.
'k Herinner het me, alsof 't gisteren was. Nog zie ik het holle,
vierkante schoollokaal met z'n naakte smakeloosrose gekalkte muren, nog
troosteloozer in het vale licht van den grauwen Januari-morgen. Nog
voel ik de ijzige door merg en been dringende kilte, die deze ruimte
blijkbaar gedurende de Kerstvacantie heeft opgespaard en die zich,
ofschoon de Etna-kachel roodgloeiend staat, maar niet zoo in een half
uur verjagen laat. En nog kan me hetzelfde gevoel van onmacht bekruipen,
als ik bedenk, hoe dan al dat kleine grut bij je binnengebracht wordt,
dat z'n aandeel verstandelijke en zedelijke leiding, z'n portie
onderwijs en opvoeding van je komt eischen en dat je, om te beginnen,
niet eens een behoorlijk verwarmd vertrek voor hun blauwe verkleumde
leedjes kunt aanbieden.
Opeens, in de gang, een luid gebrul, als van een varken, dat gekeeld
wordt. 't Gebrul zwelt aan, steeds meer en—als je voelt, dat het niet
harder meer kàn—verschijnt hij opeens in de deuropening, voortgesleurd
door een resolute moeder.
Ze maken tegenwoordig wel van die poppetjes van wollen draad; als ze
goed gemaakt zijn, kun je best raden, wat de armen en wat de beenen
moeten voorstellen. Bij een arbeiderskind in winterdos is dat altijd
niet zoo gemakkelijk uit te maken; gelukkig weten ze het zelf, zoodat je
vrij gerust kunt aannemen, dat waar ze op staan, hun voeten zijn en het
bovenste stuk hun hoofd bevat. Als zoo'n vormelooze klomp kwam ook 't
brullende varkentje naar binnen rollen; 't eenige aan hem, dat „den
mensch” deed vermoeden, was z'n „onmenschelijk” geluid en een paar
vuurroode knuistjes boven een wijden vierkanten schreeuwmond ergens op
een klein plekje, dat per ongeluk open gebleven was tusschen een ruige
wollen ijsmuts en een enorme, zes keer om-en-omgewikkelde roodwollen
das.
„Ja juffrau, Goasbertus Krnajles. En hier het u se pokkebriefie!” En
daarop tegen den brullenden anti-wetenschaps-mensch: „Sa je nau stil
wajse! Mo'k 'n smajres hale?” vergezeld van een paar stevige opstoppers,
die, misschien wel dank zij z'n meer dan voldoende kleeding even weinig
uitwerking hadden als de bedreiging met de gewapende macht.
„Haj wil liefer nie na schaul, siet u”, legde de resolute moeder mij
uit, voor 't geval, dat de zaak mij nog niet volkomen helder zou zijn.
„Maar 't sal wel wenne, wàt u?” Waarop ze zich omkeerde met een: „Nau,
dan gaan 'k maar, om twalef uur kom ik 'm wel hale,” en een gezicht van:
„Knap jij dat zaakje nu maar verder op, daar word je voor betaald.”
M'n eerste werk was, Goasbertus Krnajles wat af te pellen, of liever hem
te ontdoen van z'n buitensten groven bolster. Dat had al dadelijk een
dubbel resultaat: niet alleen kwam er een stevig vierkant kereltje voor
den dag met een paar rooie wangen, een brutale wipneus, pientere bruine
kijkers en een lekkeren ronden kaasbol, maar ook hield oogenblikkelijk
het brullen op. Want nu z'n oogen en z'n ooren vrij kwamen, had ons
jongmensch zooveel te zien en te hooren in deze nieuwe omgeving, dat hij
heusch tijd te kort kwam, om ook nog z'n misnoegen kenbaar te maken.
Trouwens, dat misnoegen zakte bij de minuut en in minder dan een
kwartier waren we de beste vrinden. Hij vertelde, dat hij „Gaassie”
heette en z'n „klaane sussie: Jaupie”, dat hij thuis ook nog een „klaan
poesie” had, „kaak maar!” waarbij hij z'n beide handen toonde, die vol
krabben zaten. En nog zooveel meer had hij me te vertellen, dat het
alleen maar jammer was, dat ik m'n aandacht niet bij hem alleen kon
bepalen; 'k had mij best met hem geamuseerd. Maar 'k had warempel nog
wel iets anders te doen. Dus zette ik hem op z'n plaats en zei, dat hij
daar stil moest blijven zitten en z'n mondje houden, dan ging ik nu aan
alle kinderen iets vertellen, aan hem ook.
Maar jawel! Nauwelijks had ik mij omgedraaid of ik voelde hem achter aan
de slip van m'n schort: „Tante! Haur nau nog's effies!” En daar barstte
een lang verward verhaal los, dat niet te remmen of te stuiten was. Tot
hij eensklaps het telraam ontdekte en met een stralenden lach op z'n
gezicht zichzelf onderbrak: „Wat 'n lollige balletjes! die ke je niet
ajte, he? sajkers om fan te lajre!”
Met een zoet lijntje troonde ik hem weer naar z'n plaats en probeerde,
mij even met een paar anderen bezig te houden, die m'n hulp en steun nog
meer noodig hadden. Maar daar klonk z'n forsch geluid alweer over de
klas: „Au kaak es, 'n poes! daar op 't dak an d'auferkant! Haj sit op de
mussies te loere; wat 'n kreng, hè? Sa 'k 'm 'n stajn na se kop smajte?”
En zoo ging het dien heelen eersten morgen. Geen oogenblik kwam hij tot
rust. Alles wat hij opmerkte, aan mij, aan de andere kinderen, aan 't
lokaal, dat alles moest tot uiting komen. Met groote belangstelling
informeerde hij naar doel en beteekenis van alles, wat hem nieuw en
onbekend was: het bord, het rekenrek, de leesplank, het podium, de
mantel om de kachel, het ventilatie-toestel. En onveranderlijk dreunde
dan z'n refrein: „Sajkers uk om fan te lajre, he tante?”
* * * * *
Wij „menschen van 't vak” moesten eigenlijk allemaal zelf een hok vol
kinderen hebben. Of anders tenminste ergens in huis wonen, waar de
kinderzegen groot is. Om eenig begrip van kinderen te krijgen, bedoel
ik. Want niemand moet zich verbeelden, dat je dat krijgt, wanneer je ze
alleen in hun doen en laten op school meemaakt. Op school draagt ieder
kind een masker (behalve misschien de paar eerste dagen), op school
gelden andere wetten, wordt onder „deugd” en „ondeugd” heel iets anders
verstaan dan in 't gewone leven. En wie dus kinderen alleen kent uit de
klas, loopt gevaar, een saai, doodsch, levenloos kind ~werkelijk~ braver
te ~vinden~—niet het te zeggen, want dat doen we allemaal wel eens—dan
eentje dat vief, levendig en mededeelzaam van aard is. Een kind kan
thuis hard en gevoelloos, een despoot voor de jongere broertjes en
zusjes—zelfs misschien voor vader en moeder—wezen en op school het
„lievelingetje van de juffrouw” worden, alleen omdat het intelligent is
en netjes werken en,—bovenal—stil zitten en z'n mond houden kan. En,
omgekeerd, komt het maar al te vaak voor, dat moeders hartelap, het
gevoeligste, liefste, guitigste ding, bij „de juffrouw op school” maar
geen goed kan doen, en dag aan dag thuiskomt met afkeuringen of
strafwerk: „Ik mag onder de les niet praten”, of „Ik moet in de bank
stil zitten”; liefst tien of vijf-en-twintig keer of eenig veelvoud
daarvan. Alsof ooit eenig kind zelfbeheersching kan leeren door 't maken
van strafregels!
Maar, om op Gaassie terug te komen, in eenige dagen ontpopte hij zich
tot een allerleukst jong—en tot een allerverschrikkelijksten leerling.
Had ik hem alleen onder m'n leiding kunnen hebben—had ik een flinken
lap grond voor hem beschikbaar gehad, ik zou mij geen idealer leerling
hebben kunnen denken. Gezond en schrander, altijd eerlijk en rechtuit,
levendig belangstellend in al wat van God geschapen of door
menschenhanden gemaakt is, handig en practisch, begiftigd met een goed
hart, een opgewekt humeur en en een groote dosis echten onvervalschten
volkshumor, wat kan een mensch nog meer verlangen? En wat praat ik van
aparte leiding? De jongen was overal op z'n plaats, leerde van alles en
van iedereen, wist precies, hoe een chauffeur een auto bestuurt, een
hoefsmid een paard beslaat, een melkbezorger de maat afmeet, de
wagenbestuurder de tram laat wisselen, de schoenmaker een zool onder
een schoen zet en de koekebakkersjongen zes taartedoozen op z'n hoofd
balanceert en dan nog kans ziet op en af z'n fiets te komen en de
voorbijgangers te molesteeren.
En daarbij was hij ijverig en hulpvaardig genoeg. Zoolang ik hem
kon bezighouden met baantjes als kolen halen, banken versjouwen,
boodschappen loopen, stapels schriften of leien naar 't berghok
brengen,—liefst leien, die zijn zwaarder—had ik heusch geen kind aan
hem. „Het u nog wat faur me te doen?” was 't dan, en „Laai u maar op
juffrau, 'k bin sterrek! 'k Heb gistere paardeflajsch gegajte!”
Maar in de klas, onder de gewone les! O, laat me daar niet aan denken!
Job's geduld en Salomo's wijsheid had je noodig—en dan kwam je er nog
niet. Want stilzitten, 't was hem puur onmogelijk, dat beweeglijke
kerngezonde jong met z'n ijzersterke spieren en z'n krachtig stroomend
bloed. En z'n mond houden—hoe kan een mensch in 's hemelsnaam z'n mond
houden, als hij haast overloopt van nieuws, als z'n moeder 's middags
aardappels heeft gebakken met een ui „dr daurhajngesnaje”, als er in
de „Faaselstraat een hond is auferraje en toe...” 'k zal u de details
maar sparen, als er bij ... zulke „faane sakmesse faur de rame legge”,
als—waar zou ik eindigen als ik eens werkelijk een lijst wou opmaken
van alles, wat zoo'n jeugdig stadsbewoner merkwaardig genoeg vindt, om
er zijn gedachten mee bezig te houden en bovendien kennis van te geven
aan z'n medemenschen?
En nu doe ik nog net, of z'n toehoorders van hout en steen waren, in
plaats van levende wezens, die toch dagelijks ook hun wel en wee hebben
en evenmin van hun hart een moordkuil willen maken. En dan, nietwaar, de
eene confidentie lokt de andere uit!
't Is het begin van den schooltijd, de kinderen zitten aan hun sommen.
Opeens, gegniffel en gelach in den hoek, waar Gaassie zit. Ik kijk op en
ontdek z'n linkerschouder en z'n achterhoofd. Hij schudt van de pret en
de twee jongens in de bank achter hem, evenzoo. Het heilig boontje naast
hem—ik zorgde altijd voor den heiligste der heiligen als z'n
buurman—werkt zoet door.
„Gijs!”
Dadelijk keert hij zich om, nog stikkend van 't lachen. „Juffrau, ken
dat nou? Jen, die saat, dat...”
„Nee Gijs, ik hoef het niet te weten. Aan je werk!”
Gehoorzaam buigt hij zich over z'n sommen, maar ik weet, dat ik hem in
't oog heb te houden. En geen drie minuten later zit hij dan ook weer
„omgedraaid.”
„Gijs!”
Ditmaal kijkt hij schuldbewust. „Ja jfrau” en buigt het zondig hoofd
opnieuw voorover.
Maar even later zie ik hem met één been uit z'n bank hangen en met een
hoogst ernstig gezicht een nieuwen goocheltoer voordoen aan z'n buurlui
links van het gangetje.
„Pak je lei maar op Gijs en ga maar weer bij 't tafeltje staan.”
Het tafeltje is m'n verbeteringsgesticht, de afzondering wil nog wel
eens heilzaam werken. Gaassie bezocht deze inrichting dan ook vrij
geregeld, met meerder of minder succes. Maar op dagen als deze, als
hij al te onrustig is—zeker „paardeflajsch gegajte”—helpt zelfs dit
isolement ook niet. Als ik dan ook na, laten we zeggen, vijf minuten
voor den vijfden keer naar het tafeltje kijk, is hij weer ontsnapt. Hij
staat een heel eind verder, bij de meisjesrij en is blijkbaar in een
twistgesprek gewikkeld met een mijner Xantippe's, z'n kop achterover,
één elleboog vooruit: „Sig! as je me nau!”
Dit keer hoef ik niets te zeggen: hij voelt m'n blik, kijkt op en druipt
af als een geslagen hond.
„Zijn je sommen af, Gijs?”
„Naj jfrau, baana.” Heel penibel en hard voortwerkend.
Dan is het circa half drie. Hoe we zoo'n middag dan om kregen, hoe we
allebei tobden, worstelden, ploeterden? Als ik het letterlijk opschreef,
ik vrees, dat m'n verhaal zeer eentonig zou worden. En je kunt zoo'n
kind ook niet de straat op sturen met een cent om knikkers te koopen en
daarmee zichzelf te leeren rekenen in 't plantsoentje vóór de school;
dat verbieden de verordeningen en de „paedagogiek.”
Maar als het dan eindelijk vier uur was en je stond met ze in de gang,
trillend op je beenen en te moe, om uit je oogen te kijken, dan kwam hij
soms opeens berouwvol op je af: „Mauj lastig bin ik femiddag gewajst,
hè? Maar u sal 'r es sien, morrege gaan ik effies faan oppasse!” En
terwijl de rij afmarcheert, knikt hij me nog eens veelbelovend toe:
„Sal u dr es sien!”
Gaassie, Gaassie! Du meine Wonne, o, du mein Schmerz!