„Kijk u 's juffrouw”, hoorde ik opeens Riekje's opgetogen stemmetje
achter me, terwijl ik in 't speelkwartier heen en weer drentelde door 't
plantsoentje vóór de school. En, omkeerend zag ik haar staan, stralend
van trots, met aan de hand een allerliefsten kleinen kerel van een jaar
of vier, vijf.
„Da's nou Steefie,” zei ze bij wijze van voorstelling, „niewaar
Steef?” En ze trok moederlijk z'n bonten schortje nog wat af en zette
z'n rood katoenen flaphoedje recht, terwijl Steefie z'n gaaf, rond
kindergezichtje naar mij ophief en me met z'n schrandere donkere kijkers
aandachtig bekeek.
„Wel”, zei ik, „wat een flinke jongen ben jij! En mag je al zoo alleen
in 't plantsoentje komen spelen?”
„We wone hier vlak bij in de straat”, zei Riekje geruststellend. „Moeder
kan 'm zoo van uit 't raam zien. En hij had al zoo lang gedwonge, om ook
es hier te magge komme, as wij met de klas hier an 't spele zijn.”
„Nu, dan moet hij ook maar met de groote kinderen meedoen. Neem hem maar
mee in de kring, Riek.”
Zielsgelukkig stapte het tweetal heen en nadat m'n meisjes onder elkaar
uitgevochten hadden, wie Steefie „aan den anderen kant” een handje mocht
geven, werd de kleine vent ingewijd in de geheimen van:
/P
„En die vrouw die kiest een kind.”
P/
Sinds dien dag kwam hij ons vrij geregeld de eer aandoen en zijn
grootste vreugde was, als ik in de handen klapte om mee in de rij te
mogen loopen tusschen al de „groote kinderen.” Dan straalden z'n oogen
als sterren en hij stapte, alsof 't parade was.
En een enkel keertje, als de „groote deur” al dicht was (de laagste
klassen hadden een aparten ingang) en niemand ons dus zag, mocht hij
heel eventjes mee naar binnen en naast z'n zusje in de bank zitten. Dan
hadden we allemaal evenveel plezier, Steefie, de kinderen en ik, want we
wisten allemaal wel, dat 't eigenlijk contrabande was. En dan vond ik
altijd nog wel een mooi plaatje of een suikerpepermuntje in de kast en
daarna zei ik tegen een van de jongens: „Laat jij 'm zachtjes even de
deur uit, maar loop op je teenen, want alle klassen zijn al weer lang
aan 't leeren!”
„Ik kom later ook bij u in de klas”, zei Steven altijd met groote
beslistheid en dan antwoordde ik: „Da's goed hoor, dat doe je.” En
werkelijk wilde het toeval, dat toen hij op school kwam, ik juist m'n
klas aan een „meester” moest overgeven en afdaalde naar de kleintjes.
Toen z'n moeder hem kwam brengen en 't Hoofd ons officieel aan elkaar
wou voorstellen, moesten we allebei toch wel erg lachen en we schudden
elkaar de hand als een paar oude bekenden.
Je kunt je dus al geen beter verstandhouding denken, dan die tusschen
kleinen Steven en mij. En 't lijkt misschien ongeloofelijk, als ik nu ga
vertellen, dat we haast geen dag vrede met elkaar gehad hebben in al de
twee jaar, dat hij bij mij in de klas zat.
Was hij dan zoo ondeugend? Och nee, dat niet; hij kwam uit een knap,
ordelijk gezin en had geen bizondere fouten of gebreken.
Te dom misschien? Was hij dat maar geweest! Met domme kinderen heb ik
altijd heel veel geduld en als ze dan niet afgeblaft en -gesnauwd
worden, zijn ze je zoo dankbaar, dat ze zich meestal bizonder aan je
hechten.
Nee, juist het omgekeerde was 't geval—Steven was te knap!
* * * * *
Een van de vele nadeelen van 't klassikale onderwijs—ongetwijfeld heeft
het ook veel voordeelen—bestaat hierin, dat je dezelfde leerstof
behandelen moet met veertig kinderen van zeer verschillende aanleg en
ontwikkeling. Je voelt je ongeveer als een moeder, die acht kinderen
heeft, waarvan 't oudste vijftien jaar en 't jongste drie maanden is en
die voor allen samen maar één gerecht mag koken. Al gebruikt ze nu nog
zooveel overleg, toch zal 't onvermijdelijke gevolg wezen, dat de oudste
met honger van tafel gaat en dat 't kleintje zich een indigestie eet. En
een dergelijk proces voltrekt zich dag aan dag in onze scholen. Als ik
iets nieuws ga leeren, b.v. een nieuwe letter bij 't lezen, of een nieuw
„geval” bij 't rekenen, dan zijn er altijd een stuk of wat, die 't van
te voren al weten, na vijf minuten zijn de tien schrandersten er achter,
na een kwartier zoowat drie kwart van de klas, en als 't halve uur om
is, blijven er nog een stuk of vijf over voor wie 't dan nog pikzwarte
nacht is. Zoo ben je den heelen dag bezig met de middelmatigen en de
dommerts en voor de flinken schiet er nauwelijks tijd en aandacht over.
Die leeren 't toch wel, denk je dan.
Den eersten dag vertrouwde kleine Steven mij al toe: „Lezen kan ik al
een beetje en rekenen tot honderd.” 't Was of hij zeggen wou: „je zult
niet al te veel werk met mij hebben.”
Ik zei, dat ik dat prachtig vond, en nam het niet al te zwaar. Kinderen
komen zoo vaak met zulke verhalen en dan is 't al mooi, als ze „hun
eigen letter” en „die van Vader en Moeder” kennen en als ze kunnen
~tellen~ tot honderd. Maar vraag je ze: hoeveel is vijf en drie, dan staan
ze met den mond vol tanden. En dat is maar gelukkig ook, want op onze
volksschool is 't eerste halfjaar gewijd aan de getallen tot 10, in 't
tweede brengen ze 't tot twintig, het derde halfjaar leer je ze optellen
en aftrekken tot honderd en in 't vierde komen de tafels en de
deelsommetjes aan de beurt. Zoo breng je dus volle twee jaar zoek, met
wat Steven—'k merkte na korten tijd met schrik, dat hij waarheid had
gesproken—al ten naastenbij wist, toen hij op school kwam.
Met lezen was 't al net zoo: hij kende eenige letters en leerde zich
zelf de andere van opschriften, naambordjes, winkel-étalages, of zelfs
uit de krant. Wist hij van een woord maar een of twee letters, dan vroeg
hij aan z'n zusje b.v. „Wat staat daar?” en vond dan zelf uit, uit welke
andere letters het woord bestond. Met die nieuwe letters was hij dan
weer in staat, andere woorden te ontcijferen, en zoo hadden al die
vreemde figuurtjes in korten tijd voor hem geen geheimen meer. Druk- of
schrijf-, gewone of hoofdletters, hij las ze alle met evenveel gemak. En
had hij 't moeilijkste woord maar ééns goed aangekeken, dan had hij de
spelling ervan ook meteen in zijn schrander brein opgenomen. Zoo
verraste hij mij een der eerste weken, toen 'k de klas woordjes op de
lei liet schrijven naar eigen keuze, met in plaats van de traditioneele
serie: aap, oom, roos enz., een collectie drie- en vier-lettergrepige
woorden neer te schrijven, zooals: WETERINGSCHANS, VARKENSSLAGERIJ enz.,
alle in Hoofd-drukletters! En al die woorden kon hij lezen en hij wist
precies waar hij ze had zien staan!
Als men nu weet, dat we in die laagste klassen heelen dag niets anders
doen dan lezen, rekenen en „woordjes maken,” met tot afwisseling wat
schrijven, teekenen en zingen, dan kan ieder begrijpen, dat m'n arme
Steven zich niet verzadigen kon aan het rantsoen geestelijk voedsel, dat
de school hem bood. Z'n geest leed dag in, dag uit geeuwhonger en 't was
me, of ik 't verwijt in z'n blik las: „Mensch, dat weet ik toch allemaal
al lang! Waarom kom je me er dan telkens weer mee vervelen? Vertel me
toch eindelijk eens wat nieuws.”
Ik raadpleegde het Hoofd, of we hem niet in een hoogere klas konden
plaatsen. Maar die ontraadde 't sterk. „In de derde, vierde klas is hij
al evenmin op z'n plaats,” zei hij. En in een paar maanden schiet hij
die kinderen toch ook voorbij. Bovendien hoort hij, wat z'n leeftijd
betreft, toch niet tusschen die grooteren. We zullen liever eens met de
ouders praten, of ze hem niet op een duurdere school willen doen, waar
't leerplan wat uitgebreider is en 't leeren toch altijd iets vlugger
opschiet.”
Toen moeder kwam, was ze uiterst verbaasd. Wat! de school waar Riekje
zoo „lief” leerde, zou voor Steven niet deugen? En ze was nogal zoo blij
geweest, dat Steefie hier ook geplaatst was en dezelfde juffrouw had
getroffen, die Riekje zulke mooie liedjes en zoo aardig schrijven had
geleerd! Ja, dr man en zij hadden ook wel gemerkt, dat de jongen erg
„bijdehand” was en ze hadden er al over gepraat, of hij later niet wat
verder zou kunnen leeren, als hij van school kwam. Maar nu al op een
andere school! En 't kind boven z'n stand opbrengen! Ze wist niet, of dr
man daar wel voor te vinden zou zijn. Maar ze zou er nog wel eens met 'm
over praten, en ze zou 'm alles vertellen, wat meneer gezegd had.
Daar bleef het bij en ik hield Steven in m'n klas. 't Kind werd knorrig
en onvriendelijk, ongehoorzaam en wat ze met een schoolterm noemen
„onoplettend.” Terwijl de klas en ik ons verdiepten in 't mysterie van:
een haak—tien ha-ken, een raam—vier ra-men, bouwde hij een spoorbrug
van griffels en potlooden, of trachtte uit te vinden, onder welke
helling je een sponsedoos op de bank kunt plaatsen, eer hij met
kletterend geraas over den planken vloer komt rollen. En als ik dan heel
ingespannen met de klas bezig was, wist ik er wel eens geen anderen weg
op,—'k weet nog niet, of ik er om lachen of huilen moet—dan hem eens
een kwartiertje „voor straf” in den hoek te zetten. Daar stond hij dan
en beschouwde misschien de constructie van z'n schoenen, of mogelijk wel
van het schoollokaal, of anders die van het spinneweb, dat boven z'n
neusje hing. Hij zal er zich in ieder geval wel iets geleerd hebben en
die gedachte was ook nog m'n eenige troost.
Een enkele maal kon ik wel eens iets vertellen, dat ook hem
interesseerde, bv. als er in de leeslesjes sprake was van maaien,
hooien, dorschen of zoo iets en ik de kinderen daar in een paar zinnen
iets van uitlegde. Of als het eens te pas kwam en ik in 't kort vertelde
waar thee en koffie, rijst of katoen vandaan komt. Dan keek hij me de
woorden haast uit den mond en wist het me natuurlijk den volgenden keer
haarfijn terug te vertellen. En, o ja, dan was er nog een les....
Zoo 's middags tegen half vier, als we al gelezen en geteekend of een
taallesje geschreven en sommetjes gemaakt hebben, dan kijk ik wel eens,
of er voor 't laatste leervak niet: „Taal (vert.)” op 't lesrooster
staat. En als 't er ~niet~ op staat, dan—schoolopzieners en inspecteurs
zullen toch deze verhaaltjes niet lezen en jonge studeerende
onderwijzers hebben er gelukkig geen tijd voor, want 't is een ernstige
zonde, om van 't lesrooster af te wijken en ik zou ze niet graag op 't
verkeerde pad brengen—dan doe ik maar net, of 't er ~wel~ op stond.
Vooral 's winters, als 't licht al aangestoken is en m'n ziel altijd een
beetje in opstand komt tegen „nachtarbeid” voor zulke peuters en ik niet
meer van ze eischen wil, dat ze dan nog zich ernstig inspannen om „mooi”
te schrijven, alle letters even ver van elkaar en alle „pootjes” even
schuin en even dik!
Als dan de lees- of teekenboekjes weggeborgen zijn, en de klas is zoo
ongemerkt aan 't babbelen en roezen gegeslagen, in afwachting van 't
bekende tikje, dat ze weer tot de orde moet roepen, dan heb ik er ieder
keer weer m'n aardigheid in, om 't zelfde trucje uit te halen. Ik ga op
m'n dooie gemak op m'n hoogen stoel voor de klas zitten, de armen over
mekaar, en staar, als in gedachten verzonken, voor mij uit. 't Is of ik
de heele klas en alles om mij heen vergeten ben. Of 't kan ook
beteekenen: „Ziezoo, 't wachten is nu maar op jullie”.
In minder dan tijd heeft er een mij in 't oog gekregen en 't is, of er
een electrische schok door zoo'n kind gaat. Als door een veer gespannen,
strekt het den rug, 't zet de voeten netjes naast elkaar op de plank,
vouwt de handen aan den rand en gaat me zitten aankijken. In een
oogenblik zitten er zoo drie, acht, twintig. De overige hebben nog geen
erg, babbelen en spelen door. Dan gaan ze wenken, fluisteren, naar mij
wijzen met waarschuwende blikken: „Zeg, kijk dan, mooi zitten, de
juffrouw gaat vertellen!” Een enkele, die 't nog maar niet begrijpen
wil, krijgt een goedbedoelde por: „Toe dan suffert!”
En ik zit maar voor mij uit te kijken en zie en hoor er niets van.
Eindelijk zitten ze allemaal als geschilderd, met groote bedelende
oogen. En dan ontwaak ik uit m'n gepeins: „Nee maar, wat zitten jullie
mooi! Wat is er aan de hand?”
Dan hebben ze erge pret. „U gaat toch vertellen!” Maar ik houd me
onnoozel. „Hoe weten jullie dat?”
Meestal komt er dan iets van: „Nou, dat kenne we zien”. En een enkel
keer roept er een: „Omdat u zoo ging zitten”, of „U zat al een
verhaaltje te bedenken!” En dan laat ik me vermurwen en zeg: „Nou,
luister dan maar,” en ik steek van wal.
Concurrentie of critiek heb ik niet te duchten, hooge entreeprijzen zijn
er niet betaald en dus vinden ze 't gelukkig altijd „mooi.”
Een sprookje of een realistische vertelling, een antiek of een modern
verhaal, een treurspel of een lachsucces, ze slikken 't met evenveel
graagte en als 't uit is, zuchten ze diep en zeggen: „he!” van
voldoening. En als de bel gaat en ik houd plotseling op en zeg: „ja, nu
moeten jullie naar huis”, dan trappelen ze van ongeduld: „he juffrouw
vertelt u 't dan eventjes uit, he toe juffrouw, gauw dan even!”
En dit was ook het eenige leervak, waarmee ik m'n Steven nog kon boeien.
Dan zat hij onafgebroken naar mij te kijken in gespannen aandacht, de
mond stijf dichtgeperst, de ellebogen op tafel, de wenkbrauwen tot een
accolade vertrokken boven de felle oogen.
't Leek wel, of hij zeggen wilde: „Zie je, je hoeft niet altijd zoo
vervelend te wezen, je kunt ook wel mooie dingen vertellen. Als je maar
wou, dan zou je me best een boel prettige dingen kunnen leeren.”
Maar den volgenden dag begon 't zelfde lieve leventje weer van voren af:
lezen, rekenen, een taallesje. En dan had hij 't in minder dan geen tijd
af en kon de lesjes droomen en 'k wed van voor naar achter en van achter
naar voor uit 't hoofd opzeggen. En dan verveelde hij zich en z'n geest
leed weer honger!
Arme Steven, 't was een verdriet, maar voor mij even goed als voor jou.
Voor mij was 't ook niet prettig, je daar te zien zitten, te weten wat
je noodig hadt en 't je niet te mogen geven. Vaak heb ik gedacht: „He,
zoo'n jongen privaatles te geven!”
Dan had ik hem eens wat anders laten proeven, dan 't dunne watersoepje,
dat ik dag aan dag in de klas oplepelde!
Maar toch, de vreugde was kort geweest. Want 'k vrees m'n jongen, dat je
in korten tijd m'n geestelijke voorraadschuur geheel uitgeput zoudt
hebben, en ik je aan knapper koppen had moeten toevertrouwen, om je
onverzadiglijken honger naar kennis verder te stillen!