Hij was koloniaal geweest en uit Indië teruggekomen met een stijven
arm, een klein pensioentje en een medalje op z'n borst voor 'k
weet-niet-hoeveel jaren trouwen dienst. Toen had hij hier een betrekking
als kantoorlooper gekregen. En, toen hij zoo tegen de vijftig liep, was
de liefde over hem gekomen.
Zij had van haar twaalfde jaar af „gediend”, had altijd „deftige
diensten” gehad, waar ze netjes werken en respect voor 't gezag had
geleerd. Een spaarbankboekje zal ze ook wel gehad hebben. En toen over
haar de liefde kwam, was ze al aardig dicht bij de veertig. In elk
geval, ze hadden geen van beiden de ouderlijke toestemming meer noodig.
En het eenige pand hunner jonge liefde, Wilhelmina Helena en nog wat
(best mogelijk, dat ze haar naar de Koningin genoemd hadden), kwam op
een goeien morgen aan Moeders hand m'n klas binnen.
Nog zie ik ze vóór me; 't was ook geen stel, zooals je ze alle dagen
tegenkomt. De Moeder liep mank, op een eigenaardige resolute manier.
Bij iederen stap zwaaide haar bovenlijf een eind schuin-rechts naar
achteren, maar ze kwam evengoed vooruit als een ander en scheen er ook
in 't minst geen last van te hebben. Ze droeg een lange, wijde rok,
die 't stof van den vloer bij elkaar veegde, een soort ouderwetsche
schoudermantel, waarschijnlijk een erfstuk, en een torenhoog kapotje,
waarvan de gitjes vroolijk heen en weer schommelden bij iederen ruk
van haar rechterbeen. Haar gezicht leek van hout, 't was geelbleek en
vierkant en deed me dadelijk aan Katrijn uit de poppenkast denken. Ze
zag er niet bepaald „gemakkelijk” uit, maar tegen mij was ze suikerzoet
en uiterst beleefd, want ik vertegenwoordigde in haar oogen de
autoriteit; den Burgemeester, de Leerplichtwet, alsjeblief!
't Kind zag er nog zonderlinger uit. 't Had een donkerbruin jurkje aan
van een stijve, onmogelijke stof, een lang strak lijfje en een ruime
geplooide rok, die haast op haar schoenen hing. 't Grauwe sluike haar
was met veel water achteruitgekamd en bijeengehouden door een ijzeren
sluitkam. Maar 't meest trof me het gezichtje; och Heer, nooit zag ik
zoo'n kindergezichtje, zoo ouwelijk en triest. Uit haar groote bruine
oogen keek mij een ziel aan, die voorgoed afstand had gedaan van 's
levens blijheid en die met doffe berusting alle verdere slagen van 't
noodlot afwachtte.
Zoo kwam het tweetal voortaan elken morgen het lokaal binnen. Pas bij
haar bank liet Mientje Moeders hand los. Dan ging ze dadelijk, stil als
een muisje, naar haar plaats, vouwde de witte handjes aan den rand en
ging me zitten aankijken.
Een paar maal probeerde ik, 't haar af te leeren: „Dat hoeft niet Mien,
je mag nu nog zitten, zooals je wilt. Straks als de bel gegaan is, zal
ik nog wel waarschuwen.” Dan kwam er even een glimlach op 't groenbleeke
gezichtje en gehoorzaam maakte ze haar handjes los. Maar geen minuut
later zat ze weer „in de houding.” Blijkbaar vond ze den securen weg
toch maar altijd den besten, je kon nooit eens weten, hoe die bel soms
onverwachts zou gaan. En zeker had ze ook niet zooveel behoefte aan
beweging en vrijheid als een ander kind.
Onder de les spande zij zich in met een ijver, die me soms zeer deed.
Ze was niet zoo heel vlug van begrip en ze verzuimde vaak. Toch bleef
ze bij, met groote wilsinspanning. Vooral met rekenen had ze moeite,
dan hielp ik haar nog wel even apart en dan ploeterde en zwoegde ze
zelf verder, tot ze de nieuwe sommen weer de baas was. Maar angstig en
gejaagd bleef ze, ondanks mijn herhaalde geruststelling; vrees voor een
afkeuring of voor schoolblijven hing steeds als een dreigende wolk boven
haar armzalig leventje.
Zag ik b.v. een luie, speelsche jonge dame, die liever poppetjes
teekende, dan haar sommen af te maken en zei ik dan: „Hoor eens, al wat
je niet af krijgt, mag je na twaalven maken,” dan zag ik dadelijk, dat
Mientje 't zich aantrok. Twee roode vlekjes kwamen op haar wangen, 't
mondje prevelde gejaagd cijfers: „7 en 9, 7 en 9, eerst doe ik bij de
zeven drie....” En of ik dan al zei: „Tegen jou is 't niet bedoeld, hoor
Mientje; al heb jij geeneen som af, dan mag je toch naar huis, want 'k
weet dat jij je best wel doet,” toch was ze maar half gerustgesteld.
* * * * *
Ja, ze verzuimde vaak, 't stakkertje. 't Begon al na een paar weken.
Daar hoorde ik Moeders bekenden stap in de gang, en daar kwam ze
al binnen, maar Mientje had ze niet bij zich. Ze putte zich uit in
verontschuldigingen, de juffrouw moest niet denken, dat zij 't kind
zonder reden zou thuis houden, ze wist heel goed, dat dat tegenwoordig
niet mocht van de wet, trouwens 't kind ging zelf veel te graag naar
de school. Maar vannacht had ze zóó gehoest en vanmorgen keek ze zóó
koortsig uit 'r oogjes, dat ze 't niet op dr verantwoording dorst te
nemen, haar met dat gure weer er door te sturen.
Ik verzekerde haar, dat ik overtuigd was van haar goeden wil en beloofde
haar, dat ik m'n best zou doen, het dien dag zonder Mientje te redden.
Of ze wel vaker hoestte, informeerde ik. En daar kwam ze los.
„Och juffrouw, als 'k u dat allemaal eens vertelde. 't Wurm het er van
dr geboorte af an geleje. Toen ze zeven maanden oud was, toen het ze zoo
de slijmhoest gehad, dat 'k kompleet dacht, dat ze dr in stikken zou. De
tanden zatte vast op dr borsie, ziet u.”
Ik knikte wijs.
„Nou, en na die tijd, sóó as ze in de tocht komt, het se 't weer te
pakken. De dokter weet 't ook al precies, 'k hoef me mond niet eens
open te doen; soo as die me siet, schrijft ie al soon recepsie voor een
drank, een beste drank, soon sterke rooie, u weet misschien wel. En daar
knapt se dan soetjes-an weer van op. 'k Ga dr soo meteen maar weer
eentje bij de dokter halen.”
Ik wenschte haar beterschap en goed succes met de sterke rooie drank. En
werkelijk kwam Mientje een paar dagen later weer op school. Wel had ze
nog leelijke hoestbuien af en toe, maar ze hield 't toch weer een poosje
dapper vol. Tot op zekeren dag Moeder weer alleen verscheen met dezelfde
boodschap van den eersten keer. Op 't laatst was ik al even ver als de
dokter: als 'k haar hoofd maar om de hoek van de deur zag, wist ik al,
hoe laat het was.
Zoo kwamen we met vallen en opstaan den winter door. Op 't eind van
Maart echter miste ze weer op 't appèl, dit keer duurde 't drie, vier
weken en nog steeds bleef haar plaatsje ledig. Toen besloot ik, haar
eens te gaan opzoeken. En op een middag na vieren stond ik onder aan
de donkere steile trap en op 't schelle: „wie daar?” van uit de zwarte
holte, riep ik op goed geluk naar boven: „de juffrouw van de school; ik
kom Mientje eens opzoeken.” Toen begon ik maar te klimmen, vertrouwend
dat ik wel ergens bij Mientje en haar Moeder zou belanden.
Er hing een weeë walm van vuil waschgoed, vermengd met een scherpen geur
van bleekpoeder of iets dergelijks; hoe hooger ik kwam, hoe benauwder de
lucht werd, 't benam me haast den adem. Eindelijk op de derde of vierde
verdieping ('k was de tel kwijt geraakt) werd ik op 't nauwe portaaltje
verwelkomd door de moeder, die ik in 't halfdonker haast niet herkende
in haar paars jak, zonder de schoudermantel en de wiebelende gitjes. De
deur naar 't achterkamertje stond open en daar stond op 't fornuis de
pot te broeien, die de vreeselijke lucht door 't heele huis verspreidde.
'k Moest al m'n moed bijeenverzamelen, om er binnen te gaan.
Maar o, die vreugde van dat kind, toen ze me zag! Met haar twee klamme
handjes pakte ze m'n hand vast en zóó verheerlijkt keek ze me aan, of ik
minstens een engel uit den hemel was, die haar de belofte van de eeuwige
zaligheid kwam brengen.
„Ja” zei ik, „ik kom maar eens naar jou toe, want jij schijnt geen zin
meer te hebben, om bij mij te komen.”
Ze lachte, een treurig lachje. Toen wou ze wat zeggen, maar op 't zelfde
oogenblik kreeg ze een hoestbui. Moeder bood me een stoel aan en maakte
haar verontschuldigingen, dat ze me niet in de „mooie” kamer ontving,
maar, met een gebaar naar 't hoestende kind, ze kon dat schaap toch niet
in zoo'n koude kamer laten.
't Arme kind kon niet tot bedaren komen, ze was bloedrood geworden en
de aderen stonden dik op 't voorhoofdje. Ik kon 't niet langer aanzien,
beschroomd vroeg ik aan Moeder, of ze misschien niet even 't raam een
eindje zou open zetten.
't Was of ik voorstelde, 't kind met haar hoofdje in de kokende
waschketel te stoppen. 't Mensch keek me aan, vol verwijt, ook met een
tikje medelijden, of ik nou heusch niet wijzer was.
„Maar juffrouw, 't raam open! En u ziet, hoe 't schaap al geen asem kan
hale van 't hoeste! Se kan geen tochie vele, dat siet u toch wel.”
„'t Is maar om de waschlucht,” waagde ik nog te zeggen, „daar zal ze
last van hebben.”
Maar Moeder schudde medelijdend het hoofd, dat 'k zoo weinig begrip had.
„Dat 's nou juistement wat ze hebbe mot,” leeraarde ze. „Hoe meer natte
wasem, hoe beter. Heb u dan nooit gehoord, dat se bij kindere, die de
kroep hebbe, een ketel water te stoome sette?”
Ik voelde 't hopelooze van iedere verdere discussie en zweeg dus maar.
Gelukkig herinnerde ik me op dat oogenblik 't zakje ulevellen, dat ik
onderweg voor Mientje gekocht had, en haalde 't voor den dag. Het gaf
een welkome afleiding. Moeders gezicht stond weer geheel verteederd en
toen het kind er eentje in den mond stak, bedaarde gelukkig de hoestbui
ten slotte.
„En laat je juffrouw nou eris zien, waar je net mee bezig was,” moedigde
Moeder aan. „Guns juffrouw, dat kind het toch zoo'n ijver, de heele dag
zit ze somme te maken, want anders is ze bang, dat ze niet verhoogd
wordt. Nou vandaag zijn 't allemaal sommetjes met „keer”, he Mien, want
die vindt ze zoo moeilijk, zegt ze”.
Mientje liet me haar lei zien; 't schaap had 'm vol geschreven met
vermenigvuldigsommetjes, die ik de klas geleerd had, juist voordat zij
ziek werd. En ze had zichzelf niet gespaard, de moeilijkste had ze
uitgezocht.
'k Doorliep de lange rijen cijfers, met zooveel moeite en inspanning
verkregen en bij m'n deernis voor 't stumpertje voegde zich eerbied en
bewondering voor haar ijzeren plichtsgevoel.
„Je bent een knappe meid,” prees ik. „Maar je hebt ze veel te moeilijk
gemaakt. Zoo ver zijn de andere kinderen nog lang niet.”
Er kwam een blijde glans op 't smalle gezichtje.
„Nee hoor, sommen hoef je nu verder niet meer te maken. Ik zal je morgen
een mooi leesboekje sturen, dan mag je de verhaaltjes lezen en de
prentjes kijken. En op je lei moet je dan maar eens wat moois teekenen.
Jij zitten blijven? Geen sprake van, ik neem je vast mee over!”
'k Voelde een brok in m'n keel, toen ik de donkere trap weer af
stommelde. En met bitterheid zei ik bij mezelf: „Als die tobberd over
een week of wat in dr kistje gelegd wordt, dan heeft ze tenminste nog
voor haar dood vermenigvuldigsommetjes geleerd.”
Want 'k dacht geen oogenblik, dat ze 't er door zou halen.
* * * * *
Maar ik had 't niet goed gezien. 't Leven is soms taai. Toen de lente
kwam, knapte Mientje weer op en trouw kwam ze weer elken dag naar
school. Ze was niet meer zoo schuw voor me, dat hadden zeker de
ulevelletjes klaar gespeeld. Ze kwam me nu 's morgens eerst goeiendag
zeggen, voor ze naar haar plaats ging, en af en toe kreeg ik wel eens
een woordje uit haar. Maar verder den heelen dag bleef ze 't feillooze
schoolkind, dat nooit praatte, nooit lachte, nooit zat ze te draaien,
nooit onoplettend was onder de les.
En dat was een groot gemak. Haar bank werd mijn sanatorium voor
onrustige zielen. De ergste babbelkous, de grootste draaitol kalmeerde
onder Mientjes invloed. Ze ~was~ gewoon niet van het pad der deugd af te
krijgen. Vaak heb ik gezien, hoe de verleiding haar besloop, maar nooit
zag ik haar wankelen.
Zoo herinner ik mij, dat ze eens een flodderig meiske tot buurvrouw
had, zoo een die thuis niet een al te beste opvoeding krijgt: op haar
leerplichtlijst stond achter „Naam van den Vader” een streep en haar
moeder was vroeger heel deugdzaam geweest.
't Was een onverbeterlijke snater en daarom had ik haar maar eens naast
Mientje gezet, voor haar eigen zielerust en tevens voor de mijne. En nu
was er op een morgen een gaping tusschen twee lessen ('k geloof, dat ik
nieuwe leesboekjes had moeten opzoeken), waarvan de klas gebruik had
gemaakt om heerlijk aan 't babbelen te raken.
Toen ik zoo ver klaar was, en weer bij m'n afgedwaalde kudde
terugkeerde, zag ik, dat Floddertje er werkelijk in geslaagd was,
Mientjes aandacht te trekken. Ze had één voetje op de zitplank
opgetrokken en demonstreerde iets bizonders prachtigs, een gelakt laag
schoentje met een „echt sillefere” gespje of een breede zijden veter,
of misschien een opengewerkt wit sokje met een lichtblauw randje. 't
Groezelige hoofdje met de ingezette krulletjes, waarop een reusachtige
zalmkleurige strik danste, schudde waardig op en neer: „....he 'k
gistere fan me Aume gekreige, het wel seife guldes gekost.”
Mientje was er zoowaar dwars voor in de bank gaan zitten, en bekeek met
oprechte bewondering het reusachtige geschenk. Woorden vond ze niet,
haar mondje hing half open en zoo zat ze de sprookjesprinses en haar
verfomfaaiden opschik aan te gapen. Floddertje genoot haar triomf met
volle teugen, maar ze was nog niet „au bout de son latin”. Ze liet
haar voetje weer zakken, tilde haar rokje op. Wat had ze nog meer te
vertoonen? Een geborduurde strookje aan 't broekje of onderjurkje? Een
smoezelig zakdoekje met „haar eigen letter” er op of een gekleurd randje
er langs? Of bevatte het onderzakje nog andere schatten? 'k Ben er
nooit achter gekomen, want op dat oogenblik tikte ik met m'n liniaaltje,
het gewone sein voor „opletten”! Tegelijk hield ik Mientje in 't oog.
Toe kind, bezwijk nu ook eens voor de verleiding, kijk nog even; wat zou
er wel in dat onderzakje zitten?
Maar jawel hoor, met een ruk zat Mientje al weer recht, handjes saam aan
den rand, en devoot zag ze naar me op. Floddertje waagde nog even een
stootje aan haar elleboog en een gefluisterd: „seg, kijk dan”, maar ze
kon haar moeite gerust sparen. Mientjes wenkbrauwen trokken zich samen,
de aangestooten elleboog maakte een beweging van: och, laat me toch! en
gedurende de heele les nam ze evenveel notitie van haar buurvrouw, alsof
die niet 'k weet-niet-wat voor verleidelijks onder haar rokje verborgen
hield.
Wie onzer durft, wanneer er van nauwgezette plichtsbetrachting gesproken
wordt, naast mijn kleine armzalige Mientje gaan staan?
* * * * *
Ze is twee jaar bij me in de klas gebleven. 's Winters was ze meer thuis
dan op school, maar 's zomers teekende ze weer bij. Ze bleef klein en
schraal, bleek en onooglijk, maar—ze bleef in leven. Toen ging ze over
naar een „meester” en 'k zag haar nog maar zelden. Maar als 'k haar nog
eens tegenkwam, in de gang of voor de school, dan merkte ik wel aan haar
heele gezicht en de manier waarop ze me toeknikte, dat 'k nog steeds „dr
juffrouw” voor haar bleef. En toen ze met „loffelijk ontslag” van school
ging, kwam ze me nog eens „bedanken voor 't genoten onderwijs”.
Sedert heb ik haar niet meer gezien. Wat er van haar geworden zou zijn?
'k Denk haast wel, dat Moeder „een diensie” voor haar gezocht heeft.
Dan kan ze nu zoowat een volleerde dienstbode zijn. En wat voor een!
Eerlijk als goud, doodfatsoenlijk, onderworpen, gedwee en—goeie hemel,
wat een ijver en plichtsgevoel! Wat zal ze zwoegen en ploeteren voor
„d'r mefrou” en de kinderen, wat zal ze een zorg hebben voor „d'r
keuken” en d'r „eten!” Wie zou de gelukkige zijn, die in dezen tijd dat
lot uit de loterij getrokken heeft?
Daar valt me iets in. Me dunkt, ik heb toch de oudste rechten, ik heb
haar „vermenigvuldigen” geleerd. Op 't oogenblik ben ik zelf gelukkig
goed voorzien, maar zoodra ik ooit weer verlegen raak, roep ik haar op,
per advertentie in alle bladen.
'k Weet zeker, dat ze den volgenden morgen vóór me staat. En over loon
en uitgaansdagen worden we 't vast wel eens. Haar eenige voorwaarde zal
wezen, dat ze wel een behoorlijken opzegtermijn krijgt voor die „andere
mefrou”. Want—plicht en fatsoen boven alles, nietwaar Mientje?
't PRINSJE.
Ze zeggen, dat ze niet meer bestaan, de booze toovenaars en de goede
feëen, de sprookjesprinsen en prinsessen. Maar ik weet beter, want 'k
heb zelf zoo'n prinsje in de klas gehad.
Hij was geboren in een marmeren paleis met gouden poorten. Zijn ivoren
wiegje was bekleed met dons en satijn en had kanten gordijntjes, zoo
fijn als spinrag. Toen hij wat grooter werd, zat hij vaak op een
fluweelen kussen aan de voeten van zijn moeder, de Koningin, die een
schoone jonge vrouw was en steeds een sleepend, zijden gewaad droeg. Dan
vertelde zij 't luisterend prinsje bonte verhalen of zong hem weemoedige
balladen voor, waarbij ze zich al tokkelend op de harp zelf begeleidde.
Soms nam zijn vader, de Koning, hem mede op zijn tochten door bosch en
veld. De ernstige man sprak niet veel, maar hier of daar wees hij 't
knaapje aan zijn hand een der vele wonderen uit de natuur: een kleurige
vlinder, die voor 't eerst de stralende vleugels ontvouwde, of de
duizenden doorzichtige blaadjes, die in één nacht aan den statigen ouden
beuk waren ontloken.
Zoo groeide 't prinsje op, te midden van schoonheid en goedheid, de
vreugde en trots van het edele koningspaar. Tot op een vreeselijken dag
de booze toovenaar kwam. 'k Weet niet, wat zijn toorn zoo had opgewekt,
ook niet, wien zijn wraak voornamelijk gold, het prinsje zelf of zijn
rampzalige ouders. Maar heimelijk, in 't holst van den nacht, ontvoerde
hij 't slapende kind en bracht het—naar de groote, zwarte stad, waar
de glazenwasscher Jan Krul met z'n gezin woonde. Geruischloos nam hij
den kleinen Keesje, die, wat leeftijd en grootte betrof wel wat op 't
prinsje geleek, uit de bedstee en legde 't vorstenkind op zijn plaatsje.
Daarop bestreek hij de oogen van vader en moeder Krul met tooverzalf,
zoodat zij den anderen morgen de verwisseling niet bemerkten. Zoo
heette 't prinsje voortaan Kajsie Krul en leefde in 't gezin van den
glazenwasscher. En zoo gebeurde het, dat hij te midden van veertig
gewone volkskinderen bij mij in de klas kwam.
* * * * *
Moeder Krul kwam hem zelf brengen, den eersten dag.
„Da's nou nummer vaif,” lachte ze. „Maar nou raak ik ook soowat door me
sorteering heen, 'k het er nog maar twee thuis, een meissie van vier en
eentje in de wieg.”
't Prinsje stond voor me met neergeslagen oogen. Een glanzende,
zachtbruine lok viel even over z'n blank voorhoofd, de zijden wimpers
lagen trillend op z'n even-rose wangetjes. Hij draaide en plukte aan 't
parelmoeren knoopje van z'n kieltje, en 'k lette op, dat z'n vingertjes
slank en fijn waren, met bolle ovale nageltjes en dat 't smalle handje
en 't tengere polsje een delicate ronding hadden.
Moeder Krul scheen m'n verwonderden blik te zien.
„Hij is een beetje vreemdig,” zei ze zachtjes, als vergoelijkend. „Maar
sacht as een lam, hij gaat maar stilletjes se aige gang, je het er gain
kind an. Daarom is tie ook niet na 't klaine schooltje geweest, nog gain
dag; 't was sonde fan de cente. Maar nou kent ie ook nog niks, niet eens
tot tien telle. De juffrouw mot maar een beetje geduld met 'm
hebbe—hier haperde ze even—'m niet te hard anpakke.”
Hem niet te hard aanpakken!
Heel voorzichtig nam ik z'n hoofdje tusschen m'n beide handen en
streelde even z'n wangetjes. Ze waren zoo zacht, zoo zacht—nee, wie
nog nooit een betooverd prinsje gestreeld heeft, kan zich toch niet
voorstellen, hóe zacht die wangetjes waren.
En toen opeens, als het wonder in een sprookje, daar sloeg hij de
sidderende wimpers op en gunde me een enkelen blik in z'n wijde,
lichtbruine droomkijkers met de groote schitterende pupillen. En meteen
had hij ze ook weer neergeslagen. Maar ik voelde me vreemd ontroerd,
alsof ik een groote gift ontvangen had, iets heel geheimzinnigs en heel
moois. En toen begreep ik, dat 't geen gewoon proletarenkind was, dat
voor me stond, maar een betooverd sprookjesprinsje.
* * * * *
Hij leerde lezen en schrijven en sommetjes maken, gelijk op met de
andere kinderen. Vooral schrijven deed hij allerliefst, fijne puntige
letters met beverig-dunne ophaaltjes. Trouwens, alles wat uit z'n
handjes kwam, was onberispelijk, de cijfers van z'n sommetjes stonden
kaarsrecht onder elkaar en bijna nooit was er een fout in. Wat kon 't me
dan schelen, dat hij nauwelijks één rijtje sommen af had, als de meeste
kinderen er al vier klaar hadden!
Uit zichzelf praten deed hij nooit; als je hem wat vroeg, kreeg je
nauwelijks een gefluisterd woordje terug. Z'n stemmetje kreeg je pas te
hooren bij de leesbeurt, want dan moest het. 't Was een hoog, hel
geluidje, haast met iets angstigs er in. Maar bij 't zingen—je moest
dicht langs z'n bank loopen, want hij deed 't maar heel zachtjes en je
moest net doen, of je heelemaal niet op hem lette—klonk het welluidend
en fijn als een vogelgeluidje.
De jongens uit de klas namen in 't minst geen notitie van mijn prinsje,
maar de meisjes waren dol op hem. In 't speelkwartier waren er altijd
wel een paar, die hem bij de hand namen en mee in den kring trokken. Dan
liep hij een klein poosje gewillig mee in de rondte te draaien, van
/P
Blauwe, blauwe fingeroed
Hadde we cheld en hadde we choed..
P/
tot hij zachtjes z'n handjes los maakte en als een muisje tusschen de
woelige bende doorglipte. Even later kon je hem dan in een hoekje van de
speelplaats vinden, geheel verzonken in de bewondering van een glazen
stuiter, die binnenin al de kleuren van den regenboog vertoonde of met
z'n teere vingertjes een stukje glanzend rood staniol liefkoozend en er
voorzichtig de kreukels uit strijkend. En als ik hem dan zoo zag staan,
kon ik nooit de gedachte van mij afzetten; „Nu herinnert hij zich de
duizend kleuren van de springfontein voor zijn voorvaderlijk paleis, of
hij denkt aan de zijden gewaden, die zijn gracielijke moeder droeg.”
Al wat ik aan dergelijk moois in handen kreeg, bewaarde ik dan ook
voor hem: het goudpapieren „hoedje” van een apothekersfleschje, of een
plakplaatje met een rose satijnen roosje; want ik wist, dat ik hem daar
den heelen dag gelukkig mee maakte. Wat hij er in zag? De gouden
koningskroon van zijn vader, de bloemen uit het slotpark? Hij nam m'n
geschenken altijd zwijgend aan, als een hulde, die hem vanzelf toekwam,
bekeek ze lang en aandachtig en beloonde me alleen af en toe, met even
z'n zachte kijkers naar me op te slaan.
Ik was trouwens niet de eenige, die hem verwende. Vaak midden onder 't
spelen, kwam een troep meisjes met fladderende witte schorten als een
zwerm vogels neergestreken, meest een van de groote zusjes Krul met haar
vriendinnetjes. Onder luid gesnater omringden ze het prinsje, streelden
en troetelden hem en brachten hem wat lekkers. Met neergeslagen oogen,
het hoofdje wat afgewend en met een nauw merkbaar glimlachje in de
hoekjes van z'n mond aanvaardde hij haar hulde, maar toch geloof ik, dat
hij altijd blij was, als ze na een laatste haastige liefkoozing weer
wegvlogen. Dan zocht hij een eenzaam hoekje op, en ging op een paaltje
van 't hek of op een stoeptreetje naar hartelust zitten droomen. Zoo, in
elkaar gedoken, de handjes om de knieën, was hij weer terug in z'n eigen
sfeer, herdacht hij de purperen zonsondergangen op z'n lievelingsplekje
in 't park en hoorde de klagende tonen van de gouden tooverharp en 't
liefelijke gezang van de schoone Koningin.
* * * * *
Eén keer heb ik m'n sprookjesprins een kleinen dienst kunnen bewijzen en
de herinnering daaraan verheugt me nog.
't Werd winter, en 't werd koud. En nog elken dag kwam hij op school in
't zelfde afgewasschen katoenen kieltje, waarvan de mouwen hem maar even
over de ellebogen reikten. Z'n armpjes zagen akelig blauw, 't satijnen
velletje voelde koud als marmer.
Toen vroeg ik hulp bij een van m'n kennissen, die zelf een zoontje in
dien leeftijd had. En ze gaf me een allerliefst matrozenbloesje, dat
haar jongsten zoon te klein was geworden, maar dat hij nog haast niet
gedragen had. Ik zie het nog voor me; 't was van crême cheviot met
koperen knoopjes, een fijn zijden lintje van voren en een geborduurd
anker op de linkermouw. Graag had ik er m'n prinsje zoo mee gezien, maar
dat wou ik moeder Krul toch niet aandoen, en daarom besloot ik, het
eerst marineblauw te laten verven.
's Middags voor schooltijd ging ik het halen en nam het meteen mee naar
school. Al uit de verte zochten m'n oogen het prinsje. Jawel hoor, daar
stond hij tegen den muur geleund in z'n gewone houding, de oogen omlaag.
Honderd kinderen speelden en stoeiden onder luid lawaai om hem heen,
knikkerden, sprongen touwtje, zaten elkaar schreeuwend achterna, keven,
vochten samen en sarden elkaar,—hij stond er onbewogen tusschen in en
draaide in z'n dunne vingertjes een stukje griffel om en om, al maar
genietend van 't mooie velletje met schuine paarse strepen.
'k Tikte 'm op z'n bolletje: „Zeg, wil je me helpen dragen? Dan mag je
vast mee naar binnen. Maar niet laten vallen, dan breekt het.”
Doodvoorzichtig nam hij het pakje aan, en het behoedzaam in beide
handjes voor zich uit dragend, liep hij met me mee. In de leege klas
gekomen, zei ik: „Ziezoo, nu moet je maar eens kijken, wat er in zit,
want het is voor jou.”
Dat begreep hij niet zoo gauw, en daarom maakte ik het pakje maar voor
hem open. 't Bloesje was keurig geworden; zoo als het daar lag, netjes
opgevouwen en gestreken, leek het werkelijk gloednieuw.
't Prinsje stond er bij te kijken. Z'n wangetjes kleurden er van, z'n
oogen glansden, het mondje stond half open, z'n handjes trilden even.
Maar hij wist toch nog niet goed, of het droom of werkelijkheid was.
Ik vond het te mooi, om er alleen van te genieten en haalde er een van
m'n collega's bij, die al evenveel bewondering voor m'n prinsje had, als
ik zelf. En samen kleedden we hem aan.
't Zat hem als „gegoten”. We strikten het zijden lintje met zorg,
trokken den kraag nog wat af, keerden hem om en om; hij was in één woord
onberispelijk.
't Prinsje keek en keek maar. Naar de glimmende knoopjes, naar 't mooie
strikje, naar 't zijden anker, naar z'n twee fijne handjes, die nu zoo
klein en sierlijk uit de goed-sluitende mouwtjes kwamen kijken, en toen,
even, naar ons. Z'n groote, reebruine oogen met de zwarte
schaduwstreepjes der lange wimpers hadden een warmen gloed, 't heele
gezichtje bloosde, hij was midden in het tooverland.
En dien ganschen middag is hij daar gebleven. De klas heeft gelezen,
geteekend, gezongen, m'n prinsje heeft gekeken, genoten, gedroomd.
Telkens op nieuw gleden z'n blikken liefkoozend langs 't mooie blauwe
kieltje, dan, aarzelend, krabbelde z'n rose vingertje even over 't
koperen knoopje, peuterde aan 't strikje, streelde eerbiedig het
geborduurde anker. Ik kon er m'n oogen niet af houden. Maar zoodra hij
m'n blik voelde, trok 't vingertje gauw terug en blozend wendde hij 't
hoofdje af. Even later was de verleiding echter weer te machtig en dan
kroop het tastend vingertje weer voor den dag en dwaalden z'n oogen weer
over den ontzaglijken rijkdom heen. 'k Weet werkelijk niet, wie dien
middag meer genoten heeft, m'n prinsje of ik zelf.
* * * * *
Uit mijn handen is hij overgegaan in die van een „meester.” Of die 't
geheim van z'n vorstelijke afkomst ook dadelijk geraden en hem „niet
hard aangepakt” heeft? En ook degene, onder wiens leiding hij vervolgens
is gekomen?
En wat hij later worden moet? Stratemaker, omroeper, fabrieksarbeider,
of misschien ook glazenwasscher?
Ik kan me maar één oplossing denken, en zoo zal 't ook zeker wel
gebeuren. In ieder sprookje toch heb je naast den boozen toovenaar
altijd de goede tooverfee. Zij moet 't geweest zijn, die 't prinsje de
bonte droomen en heerlijke visioenen voor oogen tooverde en hem, als hij
op z'n stoepje zat, de mooie sprookjes in 't oor gefluisterd heeft.
Ongetwijfeld waakt ze steeds over hem en tracht het uur van zijn
bevrijding te bespoedigen. En slaat dat uur, dan hervindt mijn prinsje
zichzelf, stralend van jeugd en schoonheid, gekleed in 't wit satijn,
rijk met goud bestikt! Dan bestijgt hij juichend zijn vurig, zwart ros
en snel als de gedachte verdwijnt hij voor onze oogen en rijdt
zegevierend het wonderschoone sprookjesland binnen!