Vooruit Trui, vandaag is 't jou beurt. Kom maar eens voor den dag!
Terwijl ik haar uit m'n herinnering te voorschijn roep, voel ik hoe ze
zich verzet, met al haar kracht tegenspartelt. Want ze was zoo dwars en
onhandelbaar als een varkentje, de jonge dame: om haar vooruit te
krijgen, moest je haar altijd aan haar staartje trekken.
'k Weet niets van haar afkomst en familie-omstandigheden. Haar naam Trui
Dekker was Hollandsch genoeg, maar als ze Tsji-Sjang-shu had geheeten of
zoo'n dergelijke naam, die je met drie keer niesen nog niet uitgesproken
hebt, had 't me niets verbaasd. Want haar voorkomen was beslist
Mongoolsch. Op uiterlijk schoon kon ze niet bogen: ze had een breed,
vierkant gezicht, matgele tint, vooruitstekende jukbeenderen, een platte
neus, groote mond en schuinstaande gele oogen. Het zwarte, steile haar
hing in slappe slierten langs haar hoofd.
En toch was haar uiterlijk nog innemend, bij haar innerlijk vergeleken.
Van de factoren, die daartoe meegewerkt hadden, weet ik evenmin iets af.
Toen ik haar leerde kennen, was ze al een kind van een jaar of tien;
wie weet, wat ze al voor leelijks en slechts ondervonden had! 'k Weet
alleen, dat ze het kwaadaardigste, terugstootendste schepseltje was, dat
ik ooit gezien had.
Ze was midden in den cursus naar onze school overgeplaatst. De
onderwijzeres, bij wie ze kwam, wist er geen raad mee.
„Gelukkig is 't gauw verhooging,” zei ze tegen me. „Dan mag jij je
krachten eens op haar beproeven, ik ben er op uitgestudeerd. 't Is
net een wilde boschkat. Opletten en haar best doen vertikt ze gewoon,
en ze was toch al bij de andere kinderen ten achter. Natuurlijk kan
ik haar niet mee laten gaan. En nu maak ik me voor die paar weken ook
maar niet ongelukkig om 't kind. Weet je wat ik gedaan heb? 'k Heb een
bank achteruit geschoven, heelemaal tegen den muur aan, dat is m'n
strafkolonie. Daar mag ze nu net zooveel en zoo weinig uitvoeren, als
ze verkiest, zonder dat de andere kinderen of ikzelf er te veel last
van hebben.”
Zoo kreeg ik 't erfstuk over. Toen ik met m'n klas 't ontruimde lokaal
binnenkwam, en haar op haar strafbank zag zitten, zonk me 't hart in
de schoenen, dat wil ik eerlijk bekennen. Een paar grove laarzen met
loshangende veters bengelden buiten de voetenplank, voor de rest zag ik
niets van 't aanminnige wezentje dan een klein stukje rug, een ruig
zwart achterhoofd en een nijdige elleboog. 't Was niet bepaald
aanlokkelijk.
Toch nam ik me dadelijk heldhaftig voor, die bank aan te schuiven, en
haar zoo lang 't maar even ging bij de andere kinderen te laten zitten.
En—'k schrijf het niet zonder trots neer, want vaak was de verleiding
me haast te machtig en stond ik op het punt, den strijd op te
geven—dien heelen cursus is de bank niet weer van z'n plaats geweest!
Maar 't heeft heel wat van m'n krachten gevergd, vooral in de eerste
dagen. Ze verkoos eenvoudig niet te doen, wat je zei.
„Leesboeken open op blz. 17!” Trui bleef bedaard zitten met de armen
over elkaar.
Gelukkig had je er dan nog een kleine veertig over, die 't wel deden.
Dus begon je rustig de les en nam van haar geen notitie. Na een paar
minuten sloeg ze dan uit verveling ook haar boek wel open of je liep
schijnbaar toevallig langs haar plaats: „Och kind, kon je 't niet
vinden?” en zocht de bladzij voor haar op.
Doch zoo ging 't den geheelen dag:
„Boeken opbergen!”—Trui las met groote aandacht verder.
„Schrijfboeken op tafel!”—Zij verroerde zich niet.
„Kinderen, ophouden! Pennen drogen!”—Vol animo schreef ze door.
En niet altijd had je dan evenveel geduld. Bovendien mocht ze ook vooral
niet merken, dat je haar ontzag, dan was je heelemaal verloren.
Dus moest je af en toe wel eens net doen, of je werkelijk meende, dat
je de baas was. En dan kwamen er scènes, waarbij je met dat kleine
stekelvarken om de heerschappij vocht,.... met meer of minder succes.
Zoo herinner ik me, dat 'k haar een der eerste dagen verzocht, haar bank
uit te komen. Ze bleef me treiterig zitten aankijken, met een gezicht
van: „ik doe het lekker toch niet.” Blijkbaar vond ze me een lam van
goeiïgheid en wou ze nu eens zien, hoe ver ze gaan kon. Maar ik had nu
eens geen zin, het voor de tweede keer te zeggen, en, voor ze er op
verdacht was, had ik haar opgepakt en de bank uit gezet, duwde haar toen
voor me uit en liet haar pas los vóór de klas, met de woorden: „Ziezoo,
blijf hier nu maar eens netjes staan.”
Ze was zoo beduusd, dat ze werkelijk gehoorzaamde en blijkbaar dien
heelen dag nog onder den indruk bleef; ze lokte tenminste geen nieuwe
scène uit. 't Was beslist een overwinning, de heele klas had er respect
voor, dat voelde ik.
Prat op m'n glorie, wou ik bij de volgende gelegenheid weer hetzelfde
kunststuk uithalen. Maar ditmaal was Trui er op verdacht en had tijd,
haar voorbereidende maatregelen te treffen. Toen 'k haar bij de
schouders uit de bank tilde, bleef ik met een ruk steken: ze had haar
voeten om de plank gehaakt!
De klas keek met spanning toe; 't dreigde op een échec voor me uit te
loopen. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest, me niet kwaad te
maken en aan haar te gaan rukken. 'k Liet haar zoetjes vieren en daar
lag ze bezijden haar bank, in een aller-ongemakkelijkste houding. Heel
zoetsappig zei ik: „Maar kind, ga je nu al liggen, zoo vroeg in den
morgen?”
De klas gichelde, ik had het nog gewonnen. Trui krabbelde beschaamd
overeind en liet zich zonder verder tegenspartelen meevoeren tot voor de
klas. Maar 'k voelde toch wel, dat 't maar een schijn-overwinning was
geweest en dat 't maar een haartje gescheeld had, of ik had formeel de
nederlaag geleden.
En den volgende keer pakte ik de zaak weer anders aan.
„Ga eens voor me naar de hoogste klas,” zei ik tegen wie 't dichtst bij
de deur zat, „en vraag of meneer de grootste en sterkste jongen even kan
missen.”
't Kind ging; Trui keek wat onrustig.
„Nu mag je zelf kiezen”, zei ik doodbedaard. „Je mag ook nog vlug uit
jezelf hier komen, maar anders zal die jongen je wel een handje helpen”.
De klas zat doodstil; ze vlasten op een relletje.
Daar kwam m'n boodschapper terug, op de hielen gevolgd door een fikschen
jongen van een jaar of dertien.
Meteen stond Trui naast haar bank; kop omlaag, schoppend en schuifelend
kwam ze aangeslenterd. Ze had eieren voor haar geld gekozen.
„Ben jij nog al sterk? Zou je dat zware bord, dat daar op die ezel
staat, voor me kunnen omkeeren?” vroeg ik.
De jongen lachte. „Ik denk het wel, juffrouw.” En versjouwde het bord.
„Dank je wel. Mag ik je nog eens laten roepen, als ik je noodig heb?”
De heele klas had het door, ze konden hun lachen niet laten. En Trui
voelde, dat ze 't onderspit had gedolven en voor een poosje was ze wat
meer gedwee.
Toch ging er met dat al zoowat geen les om, dat ze m'n vrede niet
bedreigde. Zelfs ons kostelijk verteluurtje kon ze af en toe verstoren.
Midden onder de vertelling, soms op 't spannendste oogenblik, zag ik dan
een der omzittende kinderen onrustig worden, zitten draaien, fluisteren
of onder de bank kijken, en jawel hoor, opeens klonk dan een luide
noodkreet over de klas:
„Juffrau, Trui sit aldoor tege me schoone jurk an te trappe,” of „Trui
het me heele nieuwe boeselaar vol met inkt gesmeerd en nou krijg ik soo
fan me moeder.”
Dan stond plots de heele klas op stelten, de meisjes riepen: „O!” en
„hè!” en „och juffrau, kaak u nou toch es!” en wierpen woedende blikken
op de schuldige. In hun hart dachten ze dan: „Akelig kreng, lekker, nou
krijg je weer!”
Ja, dat was eigenlijk het allermoeilijkste bij Trui, dat eeuwige
geharrewar met de andere kinderen. Als ik alleen met haar te doen had
gehad, had ik het nog wel klaargespeeld. Maar de klas had zoo'n vurigen
hekel aan haar, dat ze me alles, wat ik nu eens niet gemerkt had, of
eens niet merken wou, kwamen overbrengen.
Ze konden zoo echt met wellust van haar komen klikken.
„Juffrau, Trui het dr tong tege de bofemeester uitgestoke! heusch waar
juffrau, achter se rug.”
„Juffrau, Trui is an 't fechte met een groote jonge uit de sefende
klas; om 't hoekie benne se, se het 'm se heele gesicht kepot gekrabd!”
„O juffrau, ik durref haas niet te fertelle, wat een freeselijke floek
Trui daar fan u gesegt hep,” (Kinderen noemen alles wat plat en grof
klinkt een „floek.”)
Natuurlijk was ik volstrekt niet benieuwd naar zoo'n „floek”, 'k wist
vooruit, dat 't varieerde tusschen: „pestwaaf,” „stinkwaaf”, „rotwaaf”
en dergelijk fraais, en poeierde zoo'n klikkebekje altijd af, met een:
„Zoo, pas jij anders maar op je zelf.” Maar al wisten ze, dat ze steeds
nul op 't rekest kregen, toch moesten ze telkens weer opnieuw kwaad van
Trui spreken; 't was _te_ heerlijk. 'k Geloof, dat ze haar wel graag
eens geknoeid hadden, als ze maar niet zoo bang voor haar grove schoenen
en scherpe nagels geweest waren.
* * * * *
En zoo tobden we al een paar maanden met Trui voort, zonder eenige hoop
op verbetering, toen 'k op een goeien dag opeens vat op haar kreeg. En
dat kan ik zonder eenigen trots vertellen, want 't kostte me niet de
minste inspanning, 't was louter toeval.
'k Had in de klas een stuk of wat plantjes, cadeautjes van de kinderen.
En nu had ik de gewoonte, elk kind voor z'n eigen plantje te laten
zorgen. De kinderen vonden 't heerlijk en—ik had er geen omkijken naar.
't Eenige nadeel was een kleine overstrooming af en toe, want ze hadden
meestal een royale hand van schenken, maar onze smyrnatapijten konden
gelukkig goed tegen water, en 't „mogen” opdweilen was op zichzelf ook
weer een traktatie.
Maar nu gebeurde het, dat een van de kleine geefsters overgeplaatst werd
naar een andere school. 'k Had dien dag een beetje luie bui en 'k zat
gemoedelijk voor de klas met de kinderen te babbelen:
„Ja, nou is Sientje van school, maar wie moet er nu voor haar varentje
zorgen? Jullie begrijpt wel, dat 'k daar maar niet de eerste de beste
voor gebruiken kan, want nu is het een gedachtenis aan Sientje, en 'k
zou niet graag willen, dat het dood ging. 'k Moet er een kind voor
uitkiezen, dat niet wild of ruw er mee zal zijn, dat trouw elken dag
school komt en geen één keer vergeten zal, het water te geven.”
Toen 'k zoo ver met m'n verhaal was, keek ik de rijen eens langs, vast
overtuigd, dat er zich genoeg liefhebbers zouden aanbieden.
Daar viel m'n oog op Trui. Zoowaar, ze had ook geluisterd, ze zat me aan
te kijken, en opeens ontdekte ik een fel licht in haar gele oogen.
'k Had een ingeving, een helder oogenblik en 'k vroeg vriendelijk: „Zou
jij 't willen, Trui?”
Ze werd vuurrood, gaf een stommen hoofdknik.
„Nou, dan is 't in orde; zorg er maar goed voor.”
En bij mezelf dacht ik: „'t Zal me benieuwen, hoe dat afloopt. In 't
ergste geval smijt ze in een woedende bui 't potje tegen den grond, dan
is er nog niets gebeurd.”
Maar m'n vrees was ongegrond geweest: Trui smeet niets. Integendeel, ze
zorgde voor haar plantje met een hartstocht, die tegelijk komisch en
aandoenlijk was. 's Morgens voordat de school aan ging, stond ze al
tegen de deur gedrukt, om toch vooral niet te laat te zijn. Werd de
deur dan open gezet, dan stormde ze de trap op, baande zich met haar
ellebogen een weg door de gangen en was een der eersten, die de klas
binnenkwam. Dadelijk nam ze 't waterkannetje, posteerde zich bij de
kraan en liet niemand genaken, voor ze 't om- en omgespoeld en opnieuw
gevuld had. En dan werd haar pleegkind rijkelijk begoten, tot 't water
over 't schoteltje liep. Varentjes kunnen gelukkig veel nattigheid
verdragen; dit exemplaar tenminste verdronk niet, maar floreerde
bepaald. Vervolgens stompte Trui zich een doorgang tusschen de pratende
kinderen, al stonden de sterkste jongens uit de klas haar ook in den
weg: „La me dr door, 'k mot de bordedoek,” en ging vol wijding 't
schoteltje aflappen en de heele vensterbank schoonvegen. Als ze maar
gedurfd had, had ze de andere bloempotjes ook wel onder handen genomen,
maar ze wist wel, dan was er oorlog van gekomen.
Ik had er m'n schik in en liet haar begaan. Op een dag zei ik: „Weet je,
wat je eens doen moest, Trui? 't Varentje in den gootsteen zetten en 't
dan zoo met je hand besproeien, dan spoelt al 't stof er af en zal je
eens zien, hoe 't opfrischt.”
Ze zei niets, maar toen 'k even later naar haar keek, zag ik, dat ze vol
ijver bezig was, 't plantje precies volgens mijn voorschrift te
behandelen. En 'k dacht: dat is nu de eerste keer, dat ze vrijwillig
doet, wat ik haar gezegd heb.
Maar 't zou nog beter worden. Een paar dagen later kwam ze uit eigen
beweging bij me: „Kaak nou 's juffrau, nou kraagt ie soo'n rond, groen
knoppie.”
„Warempel!” riep ik opgetogen. „Hij gaat een nieuw blad maken. Nu, dat
's een bewijs, dat hij het goed heeft. Lief he, zoo'n jong, opgerold
blaadje! Dat kun je nu elken dag zien groeien.”
Ze had een kleur van plezier en keek me regelrecht in de oogen. En voor
't eerst zag ik iets vriendelijks in haar blik. Toen wist ik, dat ik 't
gewonnen had. Want als je een kind maar zoo ver krijgt, dat het je mag,
dan is zelfs het moeilijkste karakter te regeeren; dan zijn ze van goede
wille en „bedelen om je gunst en recommandatie”, zooals een collega van
mij 't eens kernachtig uitdrukte.
Na dien tijd......
Ik ken een moeder, die haar kind graag verhaaltjes vertelt. Maar ze
zijn altijd naar 't volgend model geknipt:
I. Inleiding: Jantje was wel een lief jongetje, maar erg ongehoorzaam
aan z'n moeder. Als ze zei „...... enz.
II. Voorbereiding tot III: Op een dag lag er een dun laagje ijs in de
grachten, maar 't was niet sterk genoeg, om een kind te dragen. Jantje
vroeg aan z'n moesje..... enz.